PDF van tekst - Dbnl

Loading...

Schrijven is zilver, spreken is goud Oratuur, auratuur en literatuur van de Nederlandse Antillen en Aruba

Wim Rutgers

bron Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud. Oratuur, auratuur en literatuur van de Nederlandse Antillen en Aruba. Z.n., z.p. 1994

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/rutg014schr01_01/colofon.htm

© 2009 dbnl / Wim Rutgers

2 Voor mijn ouders, Joke en de kinderen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

5

Vooraf ‘He's not crazy, he's not crazy. He...readin' them kinda books’ (Camille Baly: Simadán 1961) In januari 1986 nam Prof. Dr. J.J. Oversteegen op zijn enthousiaste en enthousiasmerende wijze deel aan een vierdaags op Curaçao georganiseerd Cola Debrot symposium. Aan het eind van de eerste dag keken we vanuit Fort Waakzaamheid over Willemstad uit en spraken we over de Antilliaanse literatuur. Een jaar later hernieuwden we het persoonlijk contact bij de vuurtoren van het Arubaanse Californië en werden de plannen om een literatuurgeschiedenis van de Nederlandse Antillen en Aruba te schrijven meer dan los beach-zand. Het betekende studie en tijdelijke verhuizing naar Nederland, wat mogelijk werd dankzij financiële en niet minder belangrijke morele steun van het op Aruba gevestigde UNOCA en het Haagse KABNAA. Dat NWO een jaar later over de streep was, zodra ik in Utrecht bij Dr. Will van Peer afstudeerde, betekende dat het project nu in zijn totaliteit mogelijk werd. Prof. Dr. W.J. van den Akker was onmiddellijk bereid om de verantwoordelijkheid voor dit proefschrift te dragen vanaf het moment dat de wettelijke regelingen het Professor Jaap Oversteegen op grond van zijn emeritaat niet langer mogelijk maakten om als promotor op te treden. Niet minder belangrijk dan de materiële omstandigheden is de morele stimulans zonder welke geen werk van vier jaar lange adem tot stand kan komen. Hierbij spreek ik mijn dank uit aan allen die mij in hectische tijden persoonlijk gesteund en geadviseerd hebben. Ik noem Dolf Hoevertsz als verpersoonlijking van het Colegio Arubano, Joyce Pereira, Nico Blanksma, Siew Jadoenathmisier en Piet Pronk. Alice van Romondt, Maritza Coomans-Eustatia en Carel de Haseth waren bereid om in een begeleidingscommissie tot voortdurende vraagbaak te dienen, maar ze waren bovenal ‘amiga y amigo di curazon’. In een adem moet hierbij de altijd helpende Harold Hollander, secretaris van de UNA, genoemd worden. Het slagen van onderzoek hangt in hoge mate af van de medewerking en vooral van de medewerkers van de bibliotheken. In een werkstuk dat van de instituten uitgaat, past het de personen via de organisaties waaraan ze verbonden zijn te noemen. Ik ondervond meer dan zakelijke medewerking van de Biblioteca Nacional Aruba, de Biblioteka Publiko Korsou, het Antilliaanse Centraal Historisch Archief, de bibliotheken van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, de Fundashon Mongui Maduro, het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam, het Algemeen Rijksarchief en het Depot van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Van Susan de Lange, Lourdes Croes en Emy Maduro kreeg ik meer medewerking dan normaal verlangd kan worden. Stimulerend waren de adviezen, gesprekken en kritische standpunten die Aart Broek, Jos de Roo en Michiel van Kempen met me deelden. In Utrecht vond ik onderdak bij de Vakgroep Literatuurwetenschap, waar met name mijn kamergenoot Frank Brandsma mij heeft moeten verduren in mijn somtijdse rusteloosheid en lawaaierige wijze van werken. De gesprekken met medewerkers in de Muntstraat inspireerden tot volhouden. Dat ik nu ook vaak overdag thuis op mijn werkkamer zat, en ‘niet naar school hoefde’ verbaasde mijn gezin, familie en mezelf aanvankelijk enigszins, maar het andere werkritme werd op den duur nieuwe routine. Dit project heeft me, ondanks

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de spanningen van het begin, vier plezierige jaren verschaft, waarvoor dankbaarheid past.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

11

Hoofdstuk I Na caminda / op weg ‘De Curaçaose literatuur is aanzienlijk belangrijker dan in het algemeen wordt aangenomen.’ (Cola Debrot 1948) ‘De veeltaligheid van de Antilliaanse cultuur weerspiegelt zich in de veeltaligheid van haar literatuur.’ (Jos de Roo: Antilliaans Literair Logboek 1980) ‘Pas wanneer de eigen bevolking zich waagt aan de literatuurbeoefening en een eigen vorm ervoor heeft weten te vinden, kan met recht gesproken worden van een Antilliaanse literatuur.’ (Carel de Haseth: Encyclopedie van de Nederlandse Antillen 1985) ‘Het is het westerse literair bedrijf dat tot nu toe in grote mate bepaald heeft wat de “canon” aan Caraïbische werken omvat, in het bijzonder de uitgevers die werk selecteren voor publicatie, de redacties van tijdschriften die verhalen en gedichten van Caraïbische auteurs opnemen, de critici die werk bespreken en al dan niet positief beoordelen.’ (Aart G. Broek: ‘De selectieve waardering van de Antilliaanse literatuur’)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

12

1899

A. Jesurun introduceert enkele Compa Nanzi verhalen.

1916

De Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië ‘vergeet’ de Antilliaanse literatuur te bespreken.

1931

John de Pool roemt in La Union de Spaanstalige literatuur rond de eeuwwisseling.

1936

A.d.C. benadrukt in La Union als eerste het belang van de Papiamentstalige literatuur.

1942

Lue Tournier geeft in zijn tijdschrift De Stoep een ‘inleiding tot de literatuur van Curaçao’.

1943

Emilio Lopez Henriquez roemt de Spaanse literatuur van rond de eeuwisseling.

1946

Albert Helman bespreekt de Antilliaanse literatuur in Caraïbisch perspectief.

1947

N. van Meeteren maakt indruk met Volkskunde van Curaçao.

1952

N.M. Geerdink-Jesurun Pinto publiceert haar voor de radio vertelde Compa Nanzi verhalen.

1955

Cola Debrot vat zijn visie op de ‘literatuur in de Nederlandse Antillen’ samen in het eerste nummer van zijn tijdschrift Antilliaanse Cahiers.

1958

Frank Martinus bespreekt de Antilliaanse ‘schrijvers en muzikanten’.

1961

J. Terlingen inventariseert de Spaans-Antilliaanse literatuur.

1964

Cola Debrot publiceert voor een internationaal forum Literature of the Netherlands Antilles.

1968

Instelling van de jaarlijkse Cola Debrot-prijs.

1969

Cola Debrot bespreekt de letterkunde in de eerste Antilliaanse encyclopedie.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1971

Pierre Lauffer geeft Di Nos, antologia di nos literatura uit.

1973

Jules de Palm publiceert de Sticusa-uitgave ‘Kennismaking met de Antilliaanse poëzie’.

1975

C.G.M. Smit & W.F. Heuvel geven Autonoom uit.

1975

Jules de Palm vindt dat de Antilliaanse literatuur ‘op weg naar volwassenheid’ is.

1975

Henry Habibe bespreekt de Papiamentstalige poëzie in zijn tijdschrift Watapana.

1976

P.A. Lauffer bespreekt de ‘historia di nos literatura’.

1977

Cola Debrot ontdekt in ‘Verworvenheden en leemten van de Antilliaanse literatuur’ een CNC-syndroom.

1979

Donald E. Herdeck publiceert zijn Caribbean Writers.

1980

Op Curaçao vindt het Fest-Antil plaats.

1980

Ramon Todd Dandaré houdt lezingen over Caraïbische literatuur.

1980

Jos de Roo verzamelt zijn artikelen in Antilliaans literair logboek.

1980

Andries van der Wal & Freek van Wel publiceren hun radio-lezingen in Met eigen stem.

1980

Schrijversprentenboek van de Nederlandse Antillen.

1980

Mario Dijkhoffs woordenboek Papiamentu-Nederlands-Papiamento verschijnt.

1981

Instelling van een Premio Bienal Pierre Lauffer.

1982

Wycliffe Smith bespreekt de letterkunde van de Bovenwinden in zijn Windward Island Verse.

1983

Ds. W.J.H. Baart promoveert op de ‘Cuentanan di Nanzi’.

1984

Op Aruba wordt de anthologie Cosecha Arubiano ten doop gehouden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1984

Ini Statia schrijft een scriptie over Antilliaanse jeugdliteratuur.

1985

Carel de Haseth verzorgt het lemma ‘letterkunde’ voor de herdruk van de Encyclopedie van de Nederlandse Antillen.

1986

Maritza Coomans-Eustatia start met de publicatie van een reeks bibliografieën.

1986

Op Curaçao en Aruba wordt een Cola Debrot symposium georganiseerd.

1987

Toos Smeulders promoveert op Papiamentu en onderwijs.

1989

E. Muller promoveert op de syntaxis van het Papiamento.

1989

Joceline Clemencia publiceert vertalingen van haar scriptie over Elis Juliana.

1989

Pim Heuvel & Freek van Wel herzien Met eigen stem.

1989

In Homenahe na Raúl Römer wordt de Papiamentse toneelgeschiedenis geïnventariseerd.

1990

Aart G. Broek promoveert op de vroegste Papiamentstalige romans.

1991

S. Joubert publiceert zijn Woordenboek Papiaments-Nederlands.

1992

Anton Claassen analyseert de ‘levende poëzie’ van Aruba.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

13

1.1. Ta berde...tin literatura? In 1990 begon Aart G. Broek het eerste hoofdstuk van de eerste dissertatie die ooit over een periode van de Antilliaanse literatuur verscheen, nog met uitvoerig aan te geven wat hij onder het Caraïbische gebied en ‘the concept of Caribbean literature’ wilde verstaan. Tot vandaag de dag bestaat daarover bepaald geen eenstemmigheid, noch over het gebied in zijn geheel, noch de afzonderlijke landen, zoals de Nederlandse Antillen en Aruba. Verwarring heerst alom, zodat nagenoeg iedereen die met betrekking tot de Antilliaanse literatuur geschreven heeft, zich genoodzaakt zag te beginnen met de vraag wat daartoe gerekend kon worden. De vaak sterk uiteenlopende antwoorden formuleerden wat Antilliaanse literatuur nu eigenlijk ‘was’. Diachroon gezien zijn er ten aanzien van de vraag naar zowel het wezen als het corpus aanzienlijke verschuivingen, waarbij het concept ‘Antilliaanse literatuur’ zèlf van nog heel recente datum is. De verwarring spitste zich toe op de argumentatie, waarbij beurtelings van biografische, taalkundige en tekstuele criteria werd uitgegaan.[1]

De Nederlandse Antillen en Aruba De Nederlandse Antillen en Aruba zijn sinds 1 januari 1986 twee afzonderlijke landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Ze bestaan uit zes eilanden, die verdeeld zouden kunnen worden in twee groepen: de A.B.C.-eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao ‘beneden de wind’ voor de kust van Venezuela en het Zuidamerikaanse vasteland, en de S.S.S.-eilanden Saba, Sint-Eustatius en Sint-Maarten die vijfhonderd mijl noordelijker in de Caraïbische archipel gelegen zijn. Het laatste eiland behoort half tot het Koninkrijk, half als ‘département d'outre mer’ tot Frankrijk. De geschiedenis van de Nederlandse Antillen is die van zes eilanden, die door de Europese kolonisator samengevoegd werden. De ‘Nederlandes Antillen’ is een Nederlands concept, de Antilliaan zelf denkt eilandelijk. Nadat de Spaanse conquistadores in het begin van de zestiende eeuw de oorspronkelijke Indiaanse bevolking ‘gepacificeerd’ of verdreven hadden, bleken de eilanden wegens het ontbreken van waardevolle delfstoffen toch niet belangrijk, zodat ze tot ‘islas inutiles’ verklaard werden. Het was daarom in de jaren dertig van de zeventiende eeuw voor de Nederlanders, op zoek naar zout voor de haringvisserij en een steunpunt voor handel en kaapvaart, niet zo moeilijk de eilanden te bemachtigen. Het wingewest werd tot het einde van de achttiende eeuw door de West-Indische Compagnie bestuurd. Vooral de Bovenwinden waren veelvuldig inzet van Europese rivaliteit en oorlog, met talrijke machtswisselingen. Sint-Eustatius was immers een bloeiend handelseiland, een stapelplaats van goederen en belangrijk distributiecentrum van slaven. Na de verwarrende tijden rond de Franse Revolutie, die tijdelijke overheersing door andere Europese machten tot gevolg hadden, vond vanaf 1816 de restauratie van de Nederlandse souvereiniteit over de zes eilanden plaats. De bestuursvormen wisselden aanvankelijk sterk. Zo werd de kolonie gesplitst in twee gebieden ‘boven’ en ‘onder’ de wind, en samengevoegd met de kolonie Suriname en van daaruit bestuurd. Vanaf 1848 werden de zes eilanden tot een gebied ‘Curaçao’ (en onderhoorigheden) verenigd, een situatie die zich tot 1954 zou voortzetten, hoewel

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

onder verschillende benamingen. Toen was Indonesië inmiddels onafhankelijk geworden. De al in december 1942 door Koningin Wilhelmina aangekondigde herziening van de koloniale verhoudingen, neergelegd in het Statuut voor het Koninkrijk van 15 december 1954, verschafte de Nederlandse Antillen en Suriname officieel intern zelfbestuur. Na de Curaçaose onlusten van ‘Dertig mei 1969’ trad een nieuwe fase in de Koninkrijksverhoudingen in. In 1975 werd Suriname onafhankelijk, op Aruba herleefde de idee van een status aparte. Het bloeiende eiland wilde binnen het Koninkrijk

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

14 blijven, maar ‘los van Curaçao’, een ideaal dat uiteindelijk op 1 januari 1986 bereikt werd. Vanaf die datum bestond het Koninkrijk dus opnieuw uit drie landen: Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, met beide een eigen Kabinet en Staten, een door de Koningin benoemde Gouverneur en een Gevolmachtigd Minister in Den Haag. Van aanvankelijk strategische basis, slaven-depot, handelscentrum en traditionele landbouwkolonie werd Curaçao een modern industrie-eiland toen de Shell in het begin van de twintigste eeuw zijn raffinaderijen opende. Aruba werd een decennium later van onbetekendende koloniale open ranch eveneens tot olie-eiland. De eens zo bloeiende ‘Golden Rock’ Sint-Eustatius restte na de plundering door Rodney in 1781 en de economische neergang sinds de Franse Tijd slechts de herinnering aan een groots en invloedrijk handels-verleden. De laatste decennia profiteerden alle eilanden, met name Sint-Maarten en Aruba, van het Amerikaanse en Europese toerisme, terwijl Curaçao zich ontwikkelde als financieel dienstencentrum. De oorspronkelijke Indiaanse bevolking was door uitroeiing en deportaties al tijdens de Spaanse tijd gedecimeerd. De Noordeuropese kolonisten kwamen aan het begin, de Sefardische Joden vanaf het midden van de zeventiende eeuw. De brute ‘middle passage’ van Westafrikaanse slaven kwam rond diezelfde tijd op gang. Noordeuropeanen, Joden en Westafrikanen vormden de traditionele eilandelijke bevolkingsgroepen voor en na de emancipatie, die uiteindelijk in 1863 zou plaatsvinden. Pas met de komst van de ‘olie’ kwam de grote immigratie van Azkenazische Joden, Brits West-Indiërs, Surinamers, Nederlanders, Portugezen en Libanezen. Meer dan veertig nationaliteiten vormen de huidige culturele ‘melting-pot’ van de Antilliaanse eilanden. Diezelfde olie onttrok talrijke arbeidskrachten aan de Bovenwinden. Pas met de ontwikkeling van het Sint-Maartense toerisme groeide de bevolking op dat eiland exponentieel. Bonaire, Saba en Sint-Eustatië hebben een relatief geringe bevolking.[2] In de twee Caraïbische landen van het Koninkrijk worden door een totale bevolking van ruim een kwart miljoen, vier talen gebruikt. Het Papiamento als algemene moedertaal en omgangstaal op de A.B.C.-eilanden (en wegens migratie eveneens als minderheidstaal op Sint-Maarten), het Engels als algemene taal van de drie Bovenwindse eilanden (en onder invloed van de raffinaderij ook op Aruba), het officiële Nederlands en het Spaans van het machtige continent aan de ‘overwal’. Antilliaanse literatuur werd in vier talen geschreven op zes eilanden, een aanduiding die meer correct lijkt dan een postulatie van homogene eenheid.

Antilliaanse literatuur Sedert een halve eeuw wordt er over de Antilliaanse literatuur geschreven. Het lijkt dus allereerst zaak om na te gaan wat in de loop van die tijd tot deze Antilliaanse literatuur gerekend werd, welke auteurs en welke werken centraal gesteld werden. Zowel Fokkema (1985) als Mooij (1985) omschrijven de ‘canon’ als een verzameling van literaire werken die in een samenleving door de leden van het literaire forum als waardevol erkend worden en die dienen als referentiepunt in literatuuronderwijs en literaire kritiek. Die instanties zouden we dus willen onderzoeken, maar het ons ter beschikking staande materiaal levert direct al twee heel verschillende problemen op.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het literatuuronderwijs beperkte zich wegens de aansluiting bij het Nederlandse (mammoet)systeem tot het segment van de Nederlands-Antilliaanse literatuur, en reikte niet verder dan het niveau van het middelbaar onderwijs (regulier universitair taal- en literatuuronderwijs werd nooit gegeven). De geschreven literatuurkritiek kwam pas in de jaren veertig van deze eeuw op gang en bestreek zeker niet het hele terrein. Het is dus onmogelijk om de regulier gevolgde weg van dagblad-, via tijdschrift- tot academische kritiek te gaan, zoals bijvoorbeeld Van Rees (1983a) die voorstelde. Maar er bestaat wel een alternatieve route. Vanaf de Tweede Wereldoorlog werden er nogal wat overzichtsartikelen aan de Antilliaanse literatuur

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

15 in haar totaliteit gewijd, er verschenen enkele bloemlezingen en enkele keren namen algemene encyclopedieën een lemma ‘letterkunde’ op. (Zie bijlage 1.) Om te beginnen zou er een onderscheid gemaakt moeten worden tussen orale en geschreven ‘documenten’. Omdat er van de eerste niets werd overgeleverd, is beperking tot de tweede onvermijdelijk - waardoor een waarschijnlijk substantieel deel aan het oog onttrokken wordt. Het onderzoek begint met het breedst mogelijke perspectief en mondt uit in de meer specifieke overzichten.

Encyclopedieën Er verschenen enkele keren algemene encyclopedieën op voor de Antilliaanse geschiedenis cruciale momenten. De Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917) zag het licht op het moment dat Curaçao zich wegens de komst van de Shell-raffinaderijen plotseling van een traditionele agrarische en handelsmaatschappij tot een modern industrie-eiland ontwikkelde. Deze op Suriname en de Nederlandse Antillen gerichte kennisinventarisatie besteedde voor het eerst systematische aandacht aan de literaire voortbrengselen van Nederlands koloniën in het Caraïbisch gebied. Lemmata als ‘letteren’, ‘letterkunde’, ‘literatuur’, ‘poëzie’ en dergelijke ontbraken weliswaar, maar onder ‘romans, dichtwerken, enz.’ stond er toch het een en ander: ‘In veel mindere mate dan in onze Oost-Indische koloniën hebben in en door de West romanschrijvers en dichters zich laten bezielen. Dit laat zich gereedelijk verklaren uit de kleiner bevolking. Gering is het aantal verschenen romans, novellen, dicht- en tooneelwerken, die de W.-I. koloniën tot plaats der handeling hebben of op eenigerlei wijze daarmede in verband staan en weinig is er bij van litterarische waarde.’ (Benjamins 1981: 611) Van dit citaat vragen enkele aspecten de aandacht, omdat hier al enkele zaken opgesomd worden die tot vandaag de dag de hete hangijzers zijn gebleken bij het bepalen van wat al dan niet tot de Antilliaanse literatuur gerekend moet worden: 1. ‘in en door de West...’: Horen alleen Antilliaanse auteurs, in de Antillen geboren auteurs, tot de Antilliaanse literatuur, of kunnen ook niet Antillianen worden geaccepteerd? 2. ‘tot plaats der handeling...’: Moet het literaire werk zich in de Antillen zelf afspelen of mag het ook daarbuiten gesitueerd zijn? 3. ‘op eenigerlei wijze daarmee in verband staan...’: Moeten onderwerp en thematiek gericht zijn op de Antillen? 4. ‘litterarische waarde...’: Dat zal wel een eeuwig en arbitrair twistpunt blijven.[3] Het rijtje van zo'n twintig auteursnamen en dertig werken dat op de korte inleiding volgde, was in feite de eerste poging om tot een corpusaanduiding en -afbakening te komen. Maar de zich op geheel West-Indië richtende encyclopedie vermeldde alleen Surinamers, geen Antillianen. De redactie, die uit een Surinamer en een Nederlander bestond, had geen medewerker gevonden die iets wist over eventuele Antilliaanse literatuur, die tot dat moment - zoals we nu weten - uitsluitend in het Spaans gepubliceerd was. Wat niet in het Nederlands geschreven was bestond dus

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

kennelijk niet. De niet Antilliaanse encyclopedie-lezers van 1917 moesten zo wel de indruk krijgen dat er tot en met het eerste decennium van deze eeuw op de Antillen nog geen literatuur was. Het duurde daarna meer dan een halve eeuw eer de eerste Encyclopedie van de Nederlandse Antillen verscheen. Dat was in 1969 - een jaartal dat wegens de ‘Dertig mei revolutie’ diep ingreep in de geschiedenis van Curaçao, in de verhouding van dat eiland tot de rest van de Nederlandse Antillen, en in de relatie met Nederland. De tweede druk verscheen in 1985 aan de vooravond van Aruba's uittreden uit het Antilliaanse staatsverband. In de eerste druk

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

16 beschreef Cola Debrot de ‘letterkunde’, in de tweede nam Carel de Haseth zijn werk over, maar hij sloot zich op verzoek van de redactie nauw aan bij wat Debrot geschreven had, zodat de verschillen tussen beide niet erg groot zijn. Uiteraard werden de gegevens geactualiseerd, maar Debrots indeling werd gehandhaafd. Debrot (1969) noemde niet alleen veel namen en titels - ook van Nederlandse auteurs die over de Antillen schreven (het eerste discussiepunt uit 1916 was dus nog actueel), maar gaf ook een indeling in de meertalige literatuur van de Benedenwindse eilanden en de Engelstalige van de Bovenwinden, de orale volksliteratuur van alle eilanden en de geschreven kunstliteratuur die toen nog voornamelijk van Curaçao afkomstig was. De rest van het lemma deelde hij in naar taal: de Spaans-Papiamentse aan de ene kant, de Nederlandse aan de andere. Als laatste onderdeel beschreef hij de tijdschriften die een rol in de ontwikkeling hebben gespeeld. De Haseth (1985: 298-302) volgde deze indeling in grote lijnen, vaak zelfs letterlijk stukken tekst overnemend om aan het verzoek van de redactie te voldoen, daarmee een ontwikkeling negerend die inmiddels bij Debrot (1977) zelf had plaatsgevonden. Hij deelde de letterkunde in als mondelinge en geschreven literatuur, waarna hij de vier gehanteerde talen behandelde, de toneelliteratuur (dat was dus nieuw) en de literaire tijdschriften. Een citaat kan De Haseths standpunt verduidelijken: ‘De geschreven (kunst)literatuur op de Nederlandse Antillen als continu verschijnsel is van relatief recente datum. Afhankelijk van de gehanteerde norm zou het beginpunt van de geschreven literatuur met evenveel recht aan het eind van de 19de eeuw of in de periode rondom de Tweede Wereldoorlog kunnen worden geplaatst. Immers, pas wanneer de eigen bevolking zich waagt aan de literatuurbeoefening en een eigen vorm ervoor heeft weten te vinden, kan met recht gesproken worden van een Antilliaanse literatuur. Dit punt werd voor wat betreft de Papiamentu-literatuur omstreeks de eeuwwisseling bereikt (al zou het tot na de Tweede Wereldoorlog duren voor er van een werkelijk ononderbroken ontwikkeling gesproken kan worden). Voor de literatuur in het Nederlands kan de periode rondom de Tweede Wereldoorlog als startpunt genomen worden.’ De Haseth sprak van ‘eigen volk’ (opnieuw het eerste punt van 1916) en ‘eigen vorm’, maar nieuw was zijn opmerking - die tegelijk een verklaring is voor het merkwaardig late moment waarop hij de literatuur wilde laten ‘beginnen’ - over de noodzaak van een ‘ononderbroken ontwikkeling’ om van echt Antilliaanse literatuur te kunnen spreken. De Haseth gaf 57 auteurs een eigen lemma en noemde ruim tweehonderd titels, meestentijds in bibliografische vorm zonder verdere bespreking. De niet-Antilliaanse ‘passanten’ (tijdelijk op de eilanden wonende auteurs) die in 1969 nog aanwezig waren, werden in 1985 niet meer opgenomen. Na deze ‘blik van binnen’ op de literatuur, twee keer een ‘blik van buiten’, die bestemd was voor ‘lezers van buiten’. In het zesde deel van de eerste druk van de Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur (1970) beschreef C.J.H. Engels de ‘Nederlandse literatuur in de Nederlandse Antillen’ - eventuele letterkunde in andere talen werd niet vermeld. Hij gaf heel wat namen van ‘passanten’ en beschreef deze literatuur als deel(tje) van de Nederlandse literatuur buiten Europa. In de tweede druk van 1982/1983, Engels was inmiddels overleden, ‘herzag’ de redactie het lemma door aanzienlijke verkortingen aan te brengen, ook in de literatuuropgave. In het nu ‘Antilliaanse literatuur’ genoemde lemma verwees ze naar de verschillende talen,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

waaruit bleek dat ze onder Antilliaans niet alleen maar Nederlands-Antilliaans maar Caraïbisch verstond. Nieuw was een lang lemma van E.P. Busser over ‘Papiamentoeliteratuur’, dat sterk steunde op Debrot (1964) en Lauffer (1971). Waar een ‘eigen’ encyclopedie kennelijk bang is ‘iemand te vergeten’ noemde de Nederlandse encyclopedie, zeker in de tweede door niet Antillianen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

17 verzorgde druk, veel minder namen: ongeveer dertig auteurs met slechts negentien titels. Men richtte zich op de hoogtepunten voor de Nederlandstalige lezer, want Spaans ontbrak helemaal. De Noordamerikaan Donald E. Herdeck publiceerde in 1979 een volumineuze encyclopedie van de Caraïbische literatuur in haar veeltalige totaliteit. De redacteur bezocht Curaçao en kreeg adviezen van bibliothecaresse M. Eustatia en de auteurs C. Engels, Cola Debrot, E. Pieters Heyliger en R. de Rooy. Herdecks bio- en bibliografie steunde zwaar op Debrot (1964) en leverde een wel van de vorige encyclopedieën zeer afwijkende reeks van namen en titels, waarbij vooral de grote aandacht voor geschreven ‘volksliteratuur’ en toneel opvalt, terwijl de orale literatuur ‘vergeten’ werd. Merkwaardigerwijze besteedde deze Engelstalige encyclopedie geen enkele aandacht aan eventuele Engelstalige Bovenwindse literatuur. Via deze algemene en specifiek letterkundige encyclopedische activiteiten konden de lezers op de Antillen zelf, de Nederlanders en de Engelstaligen die in het Caraïbische gebied geïnteresseerd waren, in aanraking komen met ‘nos literatura’. Maar er bleek nog weinig concensus te bestaan. Vergelijking van Herdeck en De Haseth levert op het eerste gezicht grote overeenkomst op in het aantal kennelijk belangrijk geachte auteurs, 59 en 56 respectievelijk, maar er was in de keuze van de auteursnamen een aanzienlijk verschil, en dat dus binnen de relatief korte periode van zo'n zes jaar. Nog geen veertig auteurs werden er door beiden genoemd, daarnaast noemde Herdeck eenentwintig en De Haseth achttien anderen.[4] Veel concensus was er derhalve niet.

Bloemlezingen Sedert het eind van de jaren zestig verscheen er een achttal anthologieën, met zeer uiteenlopende uitgangspunten, doelen en invloed. Geen ervan slaagde erin toonaangevend te worden. Naast enkele bloemlezingen voor een algemeen publiek in zowel de Antillen zelf als in Nederland en Suriname, verschenen er twee die specifiek op het literatuuronderwijs in de Antillen en Nederland gericht waren. Andere uitgaven behandelden één taal of één eiland. Door deze verscheidenheid blijken er twee ‘zeefprocessen’ te zijn: een grove zeef die zich op een eiland of een taal richt, een veel strenger en fijner zeef voor de landelijke keuze, waarbij slechts een deel van de auteurs ook buiten het eigen eiland bekend en erkend wordt. De Antilliaanse literatuur kende voorzover het meer dan eilandelijk erkende auteurs betreft niet meer dan enkele tientallen namen.[5] Als die auteurs uitgesplitst worden over de door hen overwegend gebruikte talen, blijkt dat de meesten onder hen in het Papiamento schreven, vervolgens in het Nederlands, in veel minder mate in het Spaans, terwijl het Engels met slechts één algemeen erkende auteur stiefkind en hekkesluiter was. Uitsplitsing per eiland toont maar één auteur van de Bovenwinden, drie geboren Bonaireanen, vier Arubanen en tweeëntwintig Curaçaoenaars, terwijl er twee geboren Nederlanders werden opgenomen als ‘yiu di Korsou’ honoris causa.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Algemene artikelen tot begin jaren vijftig In de laatste zestig jaar behandelde een stroom van artikelen de Antilliaanse literatuur in het algemeen of specifieke aspecten daarvan. Deze artikelen liepen qua omvang uiteen van enkele pagina's tot halve boekwerken en waren dientengevolge minder of meer gedetailleerd van aanpak. Wat bij de meeste opvalt is de vloedgolf van auteursnamen en boektitels die over de lezer uitgestort werden, veelal met niet meer dan een enkele korte karakteriserende toevoeging zonder enige argumentatie. Uit deze artikelen, waarin bepaalde namen en titels steeds weer

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

18 genoemd werden, ontstond langzaamaan wel een beeld van wat tot de Antilliaanse literatuur gerekend werd en welke auteurs en werken belangrijk gevonden werden. Vanaf de jaren dertig tot vijftig verschenen er enkele aarzelende eerste verkenningen, vanuit het Spaans, het Papiamento en het Nederlands. Vanaf de jaren vijftig zou Cola Debrot gedurende meer dan vijfentwintig jaar zijn licht veelvuldig op deze materie laten schijnen. Na hem bouwden velen op zijn pionierswerk voort. In de negentiende eeuw lieten Nederlandse auteurs, die hun reis- en verblijfservaringen op de Antillen beschreven, niet af om hun minachting voor het Papiamento in alle toonaarden uit te drukken, daarmee impliciet aangevend hoe belangrijk de rol van die taal inmiddels in de Curaçaose maatschappij geworden was. Deze depreciaties behandelden alle de taalverhoudingen op de Benedenwindse eilanden, niet de eventuele literatuur in die talen. Voorzover nu bekend, was er in de 19de eeuw, op enkele honderden in de kranten verschenen Engels-, Spaans- en Nederlandstalige gelegenheidsgedichten na, nog geen geschreven literatuur. Er zijn dientengevolge geen inleidende overzichten uit die tijd.

Spaans In scherpe tegenstelling tot de Nederlands-Surinaamse mening dat er in het begin van de twintigste eeuw op de Antillen nog geen literatuur was, zoals de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië beweerde, stonden twee publicaties van de bekende Curaçaoenaar-kosmopoliet John de Pool, die juist verwoordde dat er na een aanvankelijke bloeitijd rond de eeuwisseling geen literatuur méér was. In de jaren dertig verschenen van hem twee belangwekkende publicaties over, zoals hij schreef, ‘Nuestra decadencia cultural y la esperanza de su renacimiento’, waarin hij een ongebreidelde nostalgie naar de ‘aire de la verdadera civilizacion’ verwoordde die volgens hem van het einde van de 19de eeuw op Curaçao dateerde. In het uitvoerige artikel gaf De Pool (1931) een uitgebreide schets van de laat negentiende-eeuwse cultuur met haar ware gevoel voor de esthetica die (volgens hem) leidde naar een echte ethiek. Hij stond uitvoerig stil bij een achttal particuliere onderwijsinstituten die in die jaren educatieve centra waren voor de hele Latijnsamerikaanse en Caraïbische regio, het letterkundig genootschapsleven als van ‘Kennis Kweekt Kunst’ en het ‘Letterkundig Genootschap tot Nut en Beschaving’, de activiteiten in de literaire salon Buiten-Sociëteit, het toneel van passanten en enthousiaste eigen amateurgezelschappen dat zich concentreerde in Teatro Naar, de grote rol van uitgever-drukker-boekhandelaar-bibliotheekhouder Agustin Bethencourt, de Dames Sociëteit ‘Entre Nous’ en de ‘Sociedad San Hose’, muziek, journalistiek, schilderkunst en het Museum van Don Cornelis Gorsira, en niet in de laatste plaats de letterkundig-muzikale tijdschriften Notas y Letras (1886-1888) en El Poema (1895-1896). Van de auteurs die zich in dit veelzijdig cultureel gebeuren allerwege manifesteerden, noemde hij Joe Corsen, Adolfo Wolfschoon, David Chumaceiro, Darío Salas, David Lopez Penha, D.R. Capriles, Haim Senior, en Ben en Abraham Jesurun. Deze eerste poging om tot een inventarisatie van de Spaans-Antilliaanse literatuur te komen is inderdaad een heel ander geluid dan dat van de encyclopedie.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het is jammer dat De Pool die hier over de tijd van zijn eigen jeugdervaringen schreef, het bij de namen van de auteurs liet en geen titels van werken vermeldde. Van die grote bloei was volgens De Pool anno 1931 niets meer over. De oorzaken van dit verval zocht hij niet in de materiële omstandigheden, zoals de komst van de Shell-raffinaderij, maar eerder in psychologische. De particuliere onderwijsinstituten en hun onderlinge wedijver bij publieke examens en officiële prijsuitreikingen waren immers verdwenen. Het ervoor in de plaats gekomen Nederlandse onderwijs was niet geënt op de Curaçaose maatschappij en werd

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

19 gegeven door buitenlandse (Nederlandse) leraren die te weinig interesse toonden. De Buiten-Sociëteit, het Teatro Naar en Boekhandel Agustin Bethencourt e Hijos waren in staat van verval en de weinige dichters die er nog waren - zoals Emilio Lopez Henriquez, Jorge Suarez en Shon Wein Hoyer - vonden geen gehoor want het ontbrak hen aan een geïnteresseerd leespubliek. De Hollands-koloniale regering stond onverschillig tegenover dit alles en dacht alleen aan het materiële. Ze besteedde geen aandacht aan cultuur en toonde geen liefde voor de literatuur: ‘El cultivo de las bellas artes, el amor a la lectura, todas las conquistas logradas en épocas pasadas, desaparecieron como dotes de la colectividad, quedando con afición de unos pocos, cuyos temperamentos rebeldes, pudieron resistir la obra de la decadencia. (...) Ningun centro literario, mucho menos musical. Poetas? ninguno.’ (De Pool 1931) Er waren in De Pools ogen echter enkele hoopvolle tekenen die erop wezen dat er een herleving van de culturele bloei op komst was. Maatschappelijke middengroepen als de Curaçaosche Rooms-Katholieke Volksbond en zijn activiteiten in het weekblad La Union, het R.K. Theater Brion, het R.K. beroepsonderwijs en het Sint-Thomas College waren de tekenen. De Pool zocht de literatuur in het Spaans, niet in het Nederlands. Op wat De Pool in 1931 zo helder en overzichtelijk beschreef, kwam hij vier jaar later in zijn dikke boek Del Curaçao que se va uitgebreid, maar over diverse hoofdstukken verspreid en verbrokkeld terug, zonder dat de visie op zijn eigen tijd veranderde.[6] Misschien was hij inmiddels wel wat terughoudender geworden over de literaire waarde van de voortbrengselen van de door hem genoemde auteurs: ‘De moeilijkheden, waarmee we op taalgebied te kampen hebben, zijn ongetwijfeld de oorzaak van onze geringe literaire begaafdheid. Zij die op Curaçao de pen hanteerden en dat in het Nederlands deden, waren voor het merendeel journalisten en je kon die journalistiek met de beste wil van de wereld geen letterkunde noemen. Maar daar wij ons de luxe van een letterkunde niet konden veroorloven, moeten wij die journalisten nu maar als literatoren beschouwen en dan kom je nog nauwelijks aan een half dozijn.’ Verderop schreef hij nog: ‘Zich wijden aan de kunst om de kunst zelf, is iets, dat bij ons volkomen onbekend is; het is iets onbegrijpelijks en zelfs iets afkeurenswaardigs in een gemeenschap die haar cultuur verloor, naarmate haar materiële welvaart steeg.’ (De Pool 1935, 1961: 106, 291)

Papiamento De Pool was dus sterk op het Spaans gericht. Hij noemde het grotendeels Papiamentstalige La Union weliswaar een zeer belangrijk blad, maar vond er geen enkel literair voortbrengsel in. Voor hem bestond het Papiamento nog niet als taal van literatuur. Een jaar later werd het Papiamento als literaire taal uitvoerig behandeld in een defensief gesteld (dat was kennelijk nodig) drietal La Union-artikelen door een auteur die zich verborgen hield achter de initialen A.d.C. (1936). Na een omschrijving te hebben gegeven dat voor hem ‘alles wat een volk geschreven had met enige kunstzin, dat wil zeggen op een mooie wijze’ literatuur was, (tur cos cu un pueblo a scirbi cu algun arte esta di un manera bunita), noemde de auteur als voorbeelden daarvan romans (novelas), poëzie, liederen (versonan) of in het algemeen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

goed geschreven werken als levens van heiligen en van nationale helden of andere personen, gepubliceerde redevoeringen (discursonan elocuente) of ook wel religieuze werken. Het lijkt erop alsof de auteur zich bij deze opsomming liet leiden door wat er op dat moment in het Papiamento inderdaad voorhanden was. Hij noemde de auteurs Willem Kroon, Manuel A. Fraai, Miguel Suriel en W.M. Hoyer, met hun belangrijkste werken, waarvan hij in het kort de thematiek en stijl karakteriseerde. Bij de poëzie noemde hij de Nederlandse paters Poiesz en Van de Pavert, opnieuw W.E. Kroon en W.M. Hoyer, aan welke laatste hij het al in 1905 gepubliceerde Papiamentstalige gedicht ‘Atardi’ toeschreef. Daarop kwam een week later al een reactie, die

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

20 de zaak rechtzette en J.S. Corsen als auteur noemde. Het is van belang dit even te vermelden, omdat eruit blijkt dat wat nu algemeen als ‘het’ begin van de Papiamentstalige poëzie beschouwd wordt, in 1936 kennelijk weinig bekend meer was - beter gezegd het gedicht wel, maar de maker ervan niet. Na uitvoerig ingegaan te zijn op verschillende voorbeelden van ‘elocuencia’ besloot A.d.C. zijn drietal artikelen met de vraag waarom de Paters in de jaren dertig zich niet meer op de literatuurbeoefening toelegden: waren ze misschien ook al het slachtoffer geworden van de Hollandse geest die er de laatste vier, vijf lustra over het eiland raasde? De artikelen van A.d.C. zijn interessant omdat hij als eerste aandacht voor het Papiamento als literaire taal vraagt, omdat hij aangeeft wie hij daartoe rekent, maar ook om zijn opvatting dat letterkunde een verzorgde vorm moet hebben en geschreven moet zijn. Als consequentie daarvan noemt hij de ‘Compa Nanzi verhalen’ niet. Zijn artikelen vertonen de kenmerken van eerste verkenningen van een tot dan toe onbetreden terrein. Hij wil bewijzen dat het Papiamento ook als literaire taal fungeerde, in een tijd dat Curaçao ten gevolge van de komst van de ‘olie’ sterk verhollandste. A.d.C.'s artikelen waren een verzet tegen deze ‘holandisashon’ en een vroeg pleidooi voor een eigen culturele ontwikkeling.

Nederlands In 1942 schreef voor het eerst een Nederlander over ‘de literatuur van Curaçao’. Het was de dan al zes jaar op het eiland wonende arts Chris Engels, die onder zijn dichtersnaam Luc Tournier sinds 1940 de leider was van het ‘Nederlands Periodiek’ De Stoep, het enige Nederlandstalige tijdschrift dat in de Tweede Wereldoorlog in vrijheid kon verschijnen. Hij onderscheidde drie fasen van literatuur. De eerste was oraal en Papiamentstalig. De tweede en derde werden gevormd door geschreven literatuur in achtereenvolgens het Spaans en Nederlands. Luc Tournier beschreef de bloei en het verval van het Spaans. Hij vroeg daarnaast volledige erkenning van de belangrijke rol van het Papiamento en vermoedde een toekomst in Nederlands-Antilliaanse richting: ‘Waar is, Curaçao, uw ene beeld, uw monument van nietgeleend leven? (...) de Jajafiguur, de hoge zwarte vrouw, die het blanke kind draagt op haar arm en het haar sprookjes verteld...[sic] Het eerste in de literatuur van Curaçao is één van de fijnste glimlachen van het menselijk gelaat: De vertellingen van Nanzi....Nanzi de spin. De ziel is afrikaans en de taal is papiamento. De slaven vertelden ze en de Jaja vertelde ze aan haar geadopteerde blanke kind. Ze startte de literatuur in een spreektaal.’ (Tournier 1942: 3) Als eerste vroeg Tournier aandacht voor de oude arbeidsliederen uit de tijd van de slavernij. ‘Het hogere woordvoeren’ vatte hij samen in drie namen: Corsen, Bethencourt en Debrot. Van de eerste meldde hij met name zijn posthume verzamelbundel Poesias (1914), waaruit hij specifiek de Papiamentstalige gedichten ‘Atardi’ en ‘Ata nubia’ noemde, van welk laatste hij een strofe citeerde. Tournier verwees naar Notas y Letras en noemde de auteurs A.A. Wolfschoon, D. Darío Salas en Juan M. Huyke met enkele van hun werken. Maar Wolfschoon's Poesias ‘hadden in Venezuela geschreven kunnen zijn’. Tournier vond er weinig eigen Antilliaans in. ‘De hond is in de pot der in het Spaans geschreven letteren gekomen,’ nadat ‘het Spaanse en tweede tijdperk van Curaçaose literatuur

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

honderd jaar (heeft) geduurd’. In de derde, Hollandse, fase gaf Cola Debrot met zijn Mijn zuster de negerin ‘Curaçao zijn enig meesterwerkje (en Nederland één erbij)’ en publiceerde daarnaast ‘zeer lezenswaardige schetsen en ook gedichten’. Tournier noemde dus de orale ‘Compa Nanzi verhalen’, enkele Spaanstalige auteurs en de in het Nederlands schrijvende Cola Debrot. Hij had aandacht voor Curaçaos oude liederenschat, maar sloeg de Papiamentstalige romans die vanaf de jaren twintig waren verschenen en waarover A.d.C. in 1936 juist zo uitvoerig geschreven had, helemaal over.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

21 Deze incidentele artikelen verraden vooral hoe weinig concensus er tot dat moment nog was over wat er tot het corpus van de Antilliaanse literatuur behoorde. Het was een inventariserend zoeken en tasten naar wat bewaard was en wat daarvan het vermelden waard was. Tournier kon dat in 1942 al weer met iets meer zekerheid doen omdat aan het einde van 1939 een grote boekententoonstelling heel wat oude uitgaven uit stoffige zolders en kasten tevoorschijn gebracht had. In 1946 deed de auteur een en ander nog eens dunnetjes over, nu onder zijn eigen naam. Hij wees op het belang van Notas y Letras, de ‘enige voorloper...van de bloei van het locale beschaafde bestaan’ en zijn eigen tijdschrift De Stoep. Opnieuw vermeldde hij het Spaanse karakter dat Curaçao aan het begin van de twintigste eeuw kenmerkte: ‘Indien niet in deze eeuw een soort Nederlandse invasie had plaats gevonden, het Nederlands onderwijs de teugels in handen had genomen, veel meer Nederlandse ambtenaren uit waren gekomen, een soort verhollandsing van de wetgeving had plaats gehad enz. enz., dan zou het hier doodgewoon Zuid Amerikaans zijn geweest. (...) Dit gebied, de Beneden en Bovenwindse eilanden, heeft een eigen beschavingsgeschiedenis, het is een afgerond cultuurgebied, het kende zelfs al verschillende cultuurtijdperken.’ (Engels 1946) In tegenstelling tot vier jaar eerder betrok Tournier nu de Bovenwinden (hij was daarbij de eerste) in zijn beschouwing; voor die tijd schreef men uitsluitend over de Benedenwinden, of beter gezegd, over Curaçao, naar welk hoofdeiland toen nog de hele kolonie genoemd was.[7]

Beeldvorming De journalist-auteur Emilio Lopez Henriquez fungeerde in 1943 als een soort echo van De Pool, toen hij in een feestbundel ter ere van de tachtig jaar geworden auteur W.M. Hoyer zijn ‘Sintomas etnologicos Curazoleños’ publiceerde. Hij schreef over de ‘apatía espiritual’ en de bloei van weleer met dichters als Wolfschoon, Corsen, Chumaceiro, Salas en Senior, en schrijvers (de auteur maakte dit onderscheid tussen poëzie en proza) als D. Lopez Penha, A.Z. Lopez Penha, A. Jesurun, H. Haumellón, Moises Curiel, B.A. Jesurun, D. de Marchena, Jorge Suarez (‘y demas’ schreef de auteur zelf). Naast de langzamerhand bekende namen zien we toch nog weer enkele nieuwe opduiken. Na een ‘epoca de apatía espiritual’ zag hij nu, tijdens de Tweede Wereldoorlog, weer een opleving op velerlei cultureel gebied. Daar kon hij evenwel nog nauwelijks namen bij noemen. Emirto de Lima, ‘músico y literato de fama universal’ was de enige. Zijn bijdrage liep uit op een loflied op de jarige Shon Wein Hoyer, die intussen 22 uitgaven in 26000 exemplaren had uitgebracht, 67 artikelen in diverse kranten publiceerde, 22 muziekstukken componeerde en 72 schilderijen vervaardigde. Zo was Hoyer een wel heel creatieve uitzondering op de on-creatieve tijdgeest. De Pool, Tournier en Lopez Henriquez kwamen ondanks hun verschillen daarin overeen dat ze het belang van de Spaans-Antilliaanse literatuur aan het einde van de negentiende eeuw als het begin van de eigenlijke literaire ontwikkeling benadrukten, en daarbij een aantal namen en titels verschaften die later steeds weer referentiepunt zouden blijken, zowel bij Debrot als bij degenen die na hem kwamen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het is niet zo verbazingwekkend dat Lopez Henriquez anno 1943 niets schreef over het op dat moment enige en veelbesproken Curaçaos-Nederlandse periodiek De Stoep, want zijn blik was, evenals die van De Pool, geheel op het Spaans gericht. Dat maakt het ook verklaarbaar dat hij na de bloei van die taal aan het einde van de negentiende eeuw in de twintigste eeuw alleen verval aantrof. Maar anderen kwamen tot een ander oordeel, domweg door op andere talen te letten. Naarmate de jaren vorderden zien we de produktie toenemen. De overzichtsschrijvers inventariseerden wat er bij kwam zodat steeds weer nieuwe namen opdoken.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

22 De Curaçaose auteurs werden steeds op zich beschouwd, niet in verband gebracht met de Spaans- of Nederlandstalige literatuur van resp. de regio of het moederland. Een nieuw element werd daarom in 1946 binnengebracht door de Surinaamse auteur-criticus Albert Helman, die de Antilliaanse auteurs plaatste bij de West-Indische en Nederlandse toen hij sprak over de ‘invloed van West-Indië op de Nederlandse letterkunde’. Naast een aantal reisbeschrijvingen door Nederlandse auteurs over het Caraïbisch gebied en een vergelijking met de ‘Indische letterkunde’, noemde hij zichzelf en R. van Lier als van Suriname afkomstige auteurs, de ‘Curaçaose schrijver Cola Debrot, met diens Mijn zuster de negerin’ en het tijdschrift De Stoep. Helman zei, dat Debrot werd gewaardeerd in Nederland, maar miskend in zijn eigen land. Het was daarom ‘een daad van eenvoudige rechtvaardigheid, op te komen tegen de onderschatting en verloochening, dat [sic] het werk van Cola Debrot op Curaçao te beurt valt. De Nederlandse schrijvers zijn heel trots op Cola Debrot, die door zijn versatiele geest en Latijns-Amerikaanse geaardheid een zeer gewaardeerde figuur is. (...) Het is een verrijking in het gamma, van het toetsenbord der Nederlandse literatuur...Het element van de Latijns-Amerikaanse structuur, die wijze van vertellen, dat suggestieve, atmosferische uitbeelden, weet het Nederlandse volk te appreciëren. Het is een soort ironische speelsheid, die bij de meer stoere, meer Calvinistische Nederlanders op volkomen onbegrip stuit, doch die verwant is met dezelfde trek bij de Vlamingen en die de Amsterdammer ook weet te savoureren.’ (B/N 5 VII 46) De literaire uitingen moeten volgens Albert Helman uit de West zelf komen. Hij pleitte voor een eigen Caraïbische creativiteit: ‘Het in de oorlog ontstane tijdschrift “De Stoep” was zulk een uiting en al is het peil van het blad naar Nederlandse literaire maatstaven voor zeer veel critiek vatbaar, de hoofdzaak was, dat er iets gebeurde. In deze richting moet voortgebouwd worden. De inspiratie moet van hier komen. Er is in Nederland grote belangstelling, niet speciaal voor de West, maar voor het nieuwe, het oorspronkelijke, het exotische in de letterkunde.’ Overduidelijk blijkt hier wel het nieuwe element, dat volgens Helman de Westindische auteur vooral en in de eerste plaats voor een Nederlands publiek in het moederland zou (moeten) schrijven. In 1950 schreef de journalist-historicus Johan Hartog een zestiendelige serie over de cultuur van Curaçao, die hij twee jaar later zou bewerken voor een (nooit gepubliceerde) Antilliaanse systematische encyclopedie. Hierin noemde hij als uitingen van Antilliaanse cultuur het toneel, met name dat van de Groep Nederlandse Antillen van het Algemeen Nederlands Verbond, de functie van bibliotheken, boekhandels en de radio voor de cultuur, de rol van het Cultureel Centrum Curaçao, de zich daartegen afzettende ‘Groep Vlieg’ en de sinds 1937 bestaande, op Zuid-Amerika gerichte Sociedad Bolivariana. Eigenlijk vond hij bij dit alles maar weinig literatuur. Hij maakte melding van Cola Debrot wiens werken ‘zeker niet zozeer het Antilliaans karakter’ dragen, want ‘Debrot is vereuropeest’. Hij noemde De Stoep en de erin publicerende Curaçaose auteurs Tip Marugg, Charles Corsen, Pierre Lauffer, Oda Blinder, Charles Boom, Wim van Nuland en Luc Tournier, en Simadan met Pierre Lauffer, Nicolas A. Piña, Raphael Martinez en Andres Grimar (R. de Rooy). Daarnaast maakte hij nog even melding van de ‘volksschrijvers’ G. van Uytrecht en Tuyuchi (Arturo Leito) en ‘Azijn Banana’ in Lorito Real. Curieus was zijn pleidooi voor het verspreiden van beeldromans in de knoek [het platteland],

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

omdat de Tom Poes bijlage van de Beurs- en Nieuwsberichten op het platteland zeer in trek zou zijn. Hartog dacht daarom dat de ‘eigen Curaçaose volksverhalen, de cuenta di nanzi zich al bij uitstek zouden lenen voor een beeldroman. Eigenlijk beter dan voor een loutere vertelling. Nu zijn deze cuenta di nanzi jammer genoeg aan het uitsterven. Hier is een typisch eigen iets van de Curaçaose volkscultuur, dat bewaard zou kunnen worden en waarmede men al meteen de brede massa van Curaçao zou grijpen.’ Dat Hartog dit soort zaken wilde om daarmee

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

23 ‘Nederlandse cultuur door middel van goede Nederlandse eigenschappen’ te verbreiden, bepaalde zijn positie, die pleitte voor de eigen Curaçaose cultuur en haar aansluiting bij de Europees-Nederlandse. De aandacht voor het Spaanse element maakte na de Tweede Wereldoorlog meer en meer plaats voor het Nederlandse. Henk Dennert (1952) klaagde dat er altijd zoveel aandacht werd geschonken aan De Stoep als men over de literatuur van Curaçao sprak en zo weinig aan het niet Nederlandstalige, met name in het tijdschrift Simadán. Hij noemde de verteller Tuyuchi, Tip Marugg die ook in het Papiamento schreef, Charles Corsen, Charles Boom en Emilio Lopez Henriquez. Eind 19de eeuw kende Curaçao een periode van literaire bloei, met Notas y Letras, met El Poema, met dichters als J.S. Corsen en diens Poesias. ‘Sedert 1900 bestond er verder geen “geregeld literair leven” (...) Gedurende de Tweede Wereldoorlog kwam de grote opbloei o.l.v. Luc Tournier.’ Dennert (1952: 5) vond het proza, op dat van de in Nederland wonende Cola Debrot na, nog ‘zeer zwak’, maar was positief over de poëzie, die hij als volgt karakteriseerde: ‘Het fascinerende in het Curaçaose gedicht is de eenvoud van taal en vorm. Het is eigenlijk een weerspiegeling van het Curaçaose karakter: geen overdrijving, charme en levenslust. De Antilliaanse dichter laat zich niet verleiden tot eindeloze beschrijvingen en zoekt geen ingewikkelde vorm om zijn gevoelens te uiten.’ Dit is het beeld dat er tot ongeveer 1950 te destilleren valt. In hoeverre er uit deze incidentele artikelen van eenlingen een algemeen geaccepteerd beeld ontstond, valt moeilijk te meten. Wel waren de meeste artikelen lokaal verschenen, in bladen die een vrij groot of speciaal geïnteresseerd leespubliek hadden. De hoofdaandacht ging steeds uit naar de literatuur van het hoofdeiland Curaçao, zoals in die tijd de hele kolonie trouwens nog heette. De Bovenwindse en eventuele Engels-Antilliaanse literatuur bleven nagenoeg compleet buiten de gezichtskring. Het orale werd vrij algemeen genoemd, zowel liederen als de ‘cuentanan di Nanzi’ die als de oudste fase van de Antilliaanse literatuur beschouwd werden. Daarnaast werd aan toneel en specifiek het Teatro Naar veel belang gehecht. De geschreven literatuur begon in het Spaans aan het einde van de 19de eeuw, waarbij Notas y Letras belangrijk gevonden werd, met een aantal algemeen genoemde en daardoor al min of meer gecanoniseerde auteursnamen. Op A.d.C. na oordeelde men nagenoeg algemeen dat er geen geschreven Papiaments-Antilliaanse literatuur was. De door A.d.C. naar voren gehaalde talrijke feuilletons uit de jaren twintig en dertig bleven nog in de schaduw. Met het tijdschrift De Stoep begon een nieuwe ontwikkeling, die echter al snel als te Nederlands beoordeeld werd. Het na de Tweede Wereldoorlog verschenen tijdschrift Simadán verbond niemand met de Papiamentstalige literatuur van vroegere tijden. De literatuur werd vanuit een nationaal gezichtspunt behandeld; alleen Helman plaatste ze in ruimer vergelijkend verband. Tot 1950 waren de inleidingen steeds stemmen van enkelingen die ook niet op elkaar reageerden; pas na 1950 zou er enige discussie ontstaan. Er was sprake van een zekere fragmentering in de literatuurkritiek, omdat voorkeuren inzake taal- en cultuursfeer de aandacht bepaalden en de ogen deden sluiten voor produkten uit andere kringen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Cola Debrot Nadat Cola Debrot (*Bonaire 1902) op veertienjarige leeftijd de Antillen verlaten had en er nadien slechts enkele keren op vakantie verbleef, keerde hij in 1948 naar Curaçao terug, juist op het moment dat daar zich na de Tweede Wereldoorlog een nieuw cultureel elan baanbrak, waarbij hij als voorzitter van het pas opgerichte Cultureel Centrum Curaçao met enthousiasme het voortouw nam. Hij werd degene die zich het uitvoerigst met de periodisering en karakterise-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

24 ring van de literatuur zou bezighouden. Zijn literair-kritische werkzaamheden die zich van 1950-1977 over meer dan een kwart eeuw uitspreidden, zouden in drie perioden ingedeeld kunnen worden. Hij gaf in zijn talrijke overzichten niet alleen titels en auteursnamen maar probeerde ook systematische en historische indelingen te vinden volgens stromingen en perioden. In steeds nieuwe varianten bouwde hij stapsgewijs aan zijn positiebepaling ten opzichte van de literatuur ‘in’ de Antillen, later voorzichtig als ‘van’ de Antillen aangeduid, maar tenslotte ronduit als ‘Antilliaanse literatuur’ gekarakteriseerd. Centraal stonden voor hem steeds, hoewel onder wisselende benamingen, het orale en de geschreven literatuur, de principiële poly-lingualiteit, met steeds meer aandacht voor en nadruk op het Papiamento, en het voortgaande proces van de creolisering - de wederzijdse beïnvloeding van talen en culturen - als meest karakteristieke kenmerk.

Cola Debrot in de jaren vijftig In de jaren 1950-1955 hield Cola Debrot zich door middel van toespraken en artikelen nadrukkelijk en uitvoerig bezig met de literatuur op de Antilliaanse eilanden. Hij deed dat vanuit de overtuiging dat de Curaçaose literatuur ‘aanzienlijk belangrijker’ was dan ‘in het algemeen wordt aangenomen’. (Debrot 1948) Deze inleidingen kenmerkten zich door een zo sterke samenhang qua opbouw, inhoud, visie en waardering voor deze letterkunde dat ze hier samen behandeld kunnen worden. Steeds weer kwam Debrot op eenzelfde schematisering terug, telkens in wat uitgebreider en gedetailleerder vorm, waaruit een verfijningsproces van zijn ideeën omtrent de Antilliaanse letterkunde is af te lezen. Vanuit een brede optiek zag hij de literatuur als een organisch onderdeel van de veeltalige Antilliaanse cultuur. Hij pleitte voor een proza-anthologie en de heruitgave van de laat-negentiende eeuwers. In een beknopt maar een breed onderwerp behandelend artikel in Oost en West probeerde hij tot een schematisch historische periodisering van de cultuur te komen: de Indiaanse, de Spaanse en de Nederlandse periode. De laatste viel weer uiteen in het tijdperk van de slavernij tot de emancipatie in 1863, de periode die daarop volgde, en de moderne tijd die werd ingeluid met de komst van de ‘olie’ in 1915. Waar er voor 1863 gesproken moest worden van gescheiden leven van verschillende bevolkingsgroepen, kenmerkte de post-emancipatie maatschappij zich juist door een creoliseringsproces, een menging van Europese, blank-Antilliaanse (creoolse) en Afrikaanse elementen, die gezamenlijk een nieuw volk zouden voortbrengen. Liever dan een indeling van de letterkunde op grond van ras of taal te maken, sprak Debrot in deze jaren steeds weer van een tweedeling in volks- en kunstliteratuur. De volksliteratuur dateerde van voor de emancipatie en was op directe communicatie gericht. Ze wortelde in het Papiamento op de Benedenwinden en in het Engels op de Bovenwinden, onderhield nauwe contacten met de regio en kenmerkte zich door een sterke couleur locale. Als voorbeelden noemde Debrot steeds weer de Compa Nanzi verhalen, de punja's, de ‘banderitas’, de dialogen die onder de naam ‘conta cuenta’ verschenen, de populaire liederen, maar ook goed gestructureerde politieke

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

redevoeringen, feesttoespraken en dichterlijke sermoenen. Zijn literatuurbegrip was breed. De mengcultuur van de nieuwe, geëmancipeerde mens bracht aan het einde van de negentiende eeuw de kunstliteratuur voort, die door Debrot in drie ‘generaties’, ‘scholen’, ‘stromingen’, ‘bewegingen’ (de terminologie is van hemzelf, hij kon daaruit niet een echt duidelijke keuze maken) onderscheiden werd: de Spaans-romantische, de Nederlandse en de Papiamentse. Van de eerste groep noemde hij als ‘voornaamste’ dichters A.A. Wolfschoon: Poesias, David M. Chumaceiro: Crisalidas en Adelfas, Joseph Sickman Corsen: Poesias, David Dario Salas: In memoriam en Rimas, de prozaïsten John de Pool: Del Curaçao que se va, de essayist B.A.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

25 Jesurun en de romancier David Dario Salas: Raul en Josefina. ‘Van zuiver literair standpunt bezien zou deze school niet zo belangrijk zijn geweest als J.S. Corsen er niet toe behoord had; men zou de Spaanse school met name niet van een zekere schoolsheid kunnen vrijpleiten. Haar representanten kan men eerder dichterlijke naturen dan dichters noemen. (...) Niettemin moet men er zich voor hoeden hun activiteit te onderschatten. Hun leven en werken zijn ongetwijfeld medebepalend geweest voor de periode van vóór de eerste wereldoorlog, een periode die niet alleen door een verfijning van beschaving werd gekarakteriseerd, maar ook, en misschien wel in de eerste plaats, door een zachtheid en hoofsheid van zeden zoals men die zelden zal aantreffen.’ (Debrot 1955, 1985: 123-124, 128) De Nederlandse auteurs vond Debrot rond het tijdschrift De Stoep. De bijdragen verdeelde hij in drie groepen: Nederlandse letterkundigen ‘in de diaspora’, surrealisten en realisten. De surrealisten waren Luc Tournier, Frits van der Molen, Charles Corsen, Tip Marugg en Oda Blinder - allen Antillianen of in het proces der ‘creolisering’ verkerende Europeanen. Tot de realisten rekende hij de prozaïst Wim van Nuland, en de essayist Hendrik de Wit. Met enige reserve rekende Debrot zichzelf ook tot deze laatste groep. De Papiamentse auteurs tenslotte groepeerde hij rondom het tijdschrift Simadán, een beweging ‘die, zoniet in esthetisch opzicht, dan toch in haar algemene culturele betekenis, de vorige twee generaties in belangrijkheid evenaart, zoniet overtreft...’ Debrot onderscheidde hier al twee ‘generaties’, de oudere van W.M. Hoyer, Pater Poiesz, Emilio Lopez Henriquez (merkwaardig want die schreef in het Spaans!), Enrique Goilo, en de jongere generatie van vooral Pierre Lauffer, Charles Boom, Nicolas Piña en R.A. de Rooy wat de poëzie betreft, en W. Kroon, M. Suriel, A. Nita en Jules de Palm voor het proza: ‘Het Papiaments proza draagt in het algemeen een populair karakter, waardoor het terecht als een voortzetting van de volksliteratuur zou kunnen worden beschouwd.’ Debrot besloot zijn artikelen herhaaldelijk, en in nagenoeg dezelfde bewoordingen - het moet hem dus wel belangrijk geleken hebben - met de vraag of er al wel van Antilliaanse literatuur gesproken zou kunnen worden: ‘En tenslotte worden wij, hoe zou het ook anders kunnen?, geconfronteerd met de uiteraard niet bijzonder prettige vraag of er überhaupt wel zoiets bestaat als een Antilliaanse literatuur. Het hybridisch karakter van onze literatuur, de literatuur van een mengvolk en derhalve ook een mengliteratuur, brengt met zich mede dat bepaalde gedeelten ervan evengoed thuishoren in de Nederlandse of Spaanse als in de Antilliaanse beschavingssfeer. Het is nu eenmaal niet zeer wel mogelijk vast te stellen in welke graad een literair werk in het “proces der creolisering” verkeert. De aandachtige lezer zal dan ook wel begrepen hebben dat de keuze van het voorzetsel in de titel van dit overzicht niet zonder opzet is geschied. Er staat niet: literatuur van, maar: literatuur in de Nederlandse Antillen.’ (Debrot 1955, 1985: 158) De eigenaardige plaatsing van Lopez Henriquez en De Palm toonden aan dat Debrot niet alleen een indeling naar taal, maar eerder iets als ‘sfeer’, de ‘creolisering’ voorstond. Steeds weer en steeds meer benadrukte hij de literaire waarde van het Papiamento. Het is opvallend dat hij niet over het toneel schreef, en dat hij maar enkele namen noemde van de Papiamentstalige prozaïsten die door A.d.C. al in 1936 naar voren waren gehaald. Deze indeling van Debrot heeft als voorbeeld gediend voor iedereen die daarna over Antilliaanse literatuur schreef: het Debrotse echo-effect.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Cola Debrot in de jaren zestig In 1960 maakte Cola Debrot, die toen al vijf jaar redacteur was van de Antilliaanse Cahiers, waarin hij zijn overzichten uit de eerste periode had samengevat, een driemaandelijkse culturele

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

26 verkenningsreis door het Caraïbische gebied. Die was van invloed voor zijn visie op de Antilliaanse literatuur, die hij vanaf deze tijd steeds meer van het moederland losweekte. Gedurende zijn gouverneurschap (1962-1970) publiceerde hij in elk geval drie opstellen over de letterkunde, die hij nu twee keer aanduidde als ‘van’ de Nederlandse Antillen - een karakterisering die hij in de jaren vijftig nog niet voor zijn rekening durfde te nemen. Hij onderscheidde opnieuw de literatuur van de Bovenwinden en die van de Benedenwinden. In 1969 gaf hij voor het eerst twee auteursnamen van de eerste, S.J. Kruythoff en Camille Baly. We komen veelal (dat lijkt nogal logisch) dezelfde namen tegen, met enkele aanvullingen uit het laatste decennium, vooral van Aruba afkomstig uit de kringen van het Spaans georiënteerde ‘Ateneo Literario’, en diverse voorbeelden van toneelbewerkingen in het Papiamento. De indeling die Debrot maakte is nu echter geheel anders geworden. Hij sprak in deze periode van orale volksliteratuur en geschreven literatuur, een neutraler aanduiding die het met waarderende notie geladen ‘kunst’ verving. Bovendien sprak hij niet meer van drie, maar van twee ‘scholen’, namelijk de eenheid van de Spaans-Papiamentse (ook als Iberisch-Afrikaanse aangeduid) en daartegenover de veel later ontstane Nederlandse school. Hij beoordeelde deze Nederlandstalige literatuur als hybridisch, omdat ze geproduceerd werd door enerzijds Nederlanders die voorgoed naar de Antillen kwamen, en anderzijds Antillianen die een goed deel van hun vorming in Nederland ontvingen; beide groepen leden volgens hem aan gevoelens van ‘displaced’ zijn. De talige tweedeling werd ingevuld door middel van een historische driedeling: de koloniale periode, het romantische fin de siècle en de twintigste eeuw. Deze indeling handhaafde hij voor beide hoofdgroepen, waardoor nieuwe namen aan de Antilliaanse letteren werden toegevoegd: Juan de Castellanos en Lazaro Bejarano uit de Spaans koloniale, en Exquemelin en Abbring uit de Nederlands koloniale periode. Bij het einde van de 19de eeuw noemde hij nu ook, chronologisch gezien op een wel vreemd-vroege plaats, naast de gebruikelijke Spaanstalige auteurs rond de steeds weer genoemde tijdschriften, eveneens een tweetal Nederlandstalige: J.K.Z. Lampe en A.C.J. Krafft. De twintigste eeuwers ordende hij wat het Nederlands betreft nu in een groep ‘veertigers’ rondom De Stoep en ‘vijftigers’ rondom de Antilliaanse Cahiers: ‘Het werk van de veertigers draagt het karakter van ontboezemingen, meer van emotionele dan levensbeschouwelijke aard. Het werk van de vijftigers vertoont meer het karakter van belijdenis, waaraan zo niet een scherp omlijnde levensbeschouwing dan toch een duidelijk levensgevoel ten grondslag ligt.’ (Debrot 1969: 363,364) De Papiamentstaligen deelde hij in drie groepen in: de anecdotische copieerders des dagelijksen levens, de romantisch-realisten en de sociaal gepreoccupeerden of ook wel maatschappelijk geëngageerden. Debrot had in deze tweede periode veel aandacht voor osmotische factoren, ‘fusies’, die de talen niet absoluut van elkaar scheidden maar die voor wederzijdse beïnvloeding zorgden. Dat betekende een versterkte nadruk op het proces van creolisering. De auteur van de Antillen leeft in verschillende taalsferen tegelijk, of in elk geval in ten minste twee geheel van elkaar verschillende taal- en cultuursferen. Debrot wees op deze taalmenging, maar oordeelde dat ‘als belangrijker nog moet worden beschouwd, dat de cultuursferen interferenties en fusies ondergaan en aangaan’ (Debrot 1969: 362), met het gevolg dat hij de tweedeling in twee taalgroepen als volgt

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

karakteriseerde: ‘...in Curaçao the Iberian literature has a Dutch tinge because of its tendency towards intimacy, while the Dutch literature is saturated with the Castillean “Sentimiento Trágico”. The main distinction is that the Iberian-Papiamento literature has a primarily communicative character while the Dutch literature must be considered as an expression of individual emotion and existence.’ (Debrot 1964: 28) Tot 1969 nam Cola Debrot nogal wat Nederlandse auteurs op die in deze jaren al of niet tijdelijk op de Antillen woonden en die door de Antillen geïnspireerd werden, zoals J. van de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

27 Walle, Miep Diekmann, F. van der Molen, A. Hulshoff, B. van Grevenbroek en H. Lim. Daarmee opende hij de weg voor een discussie die later gevoerd zou worden over het al of niet erbij horen van deze niet geboren Antillianen, de laatste tijd algemeen met de naam ‘passanten’ aangeduid. In 1969 besloot Debrot met een inventarisatie van en beschouwing over de belangrijkste tijdschriften: Notas y Letras, Poema, Miniaturas (nieuw in de rij!), De Stoep, Simadan, Antilliaanse Cahiers en (ook nieuw, want recent) Kambio. ‘Kennis van de tijdschriften, met hun vaak synthetische maar nog vaker antithetische strekkingen, kan in belangrijke mate tot beter inzicht in het werk van de individuele schrijvers en het streven van de literaire bewegingen bijdragen.’ (Debrot 1969: 364)

Cola Debrot in de jaren zeventig In de ‘derde fase’ maakte Debrot opnieuw een salto. Hij sprak in 1977 niet meer heel omzichtig van literatuur ‘in’ of ‘van’, maar ronduit van ‘Antilliaanse literatuur’ - iets wat hij een kwart eeuw eerder dus niet aandurfde. Opnieuw preciseerde hij zijn periodisering, door ze deze keer uit te breiden tot vóór de (Spaanse en Nederlandse) koloniale tijd. Zijn eerste scharnier draaide rond de komst van de Nederlandse kolonisator in 1634. Over de Indiaanse, pre-Columbiaanse tijd vond hij op Aruba iets van het oorspronkelijk orale, over de Spaans koloniale tijd kon hij nu veel uitvoeriger zijn. Het is duidelijk dat hij weer nieuwe gegevens gevonden had. Dè grote omzwaai was toch wel dat Debrot nu geen drie- of tweedeling meer maakte naar taal- en cultuursfeer, maar alle drie talen van de Benedenwinden als een geheel behandelde. Hij ging uit van de tweedeling ‘gesproken’ en ‘geschreven’ literatuur. De orale fase was nu mede vertegenwoordigd door liederen in het ‘guene’, door feest- en oogstliederen, en (een beetje onduidelijk) de volksliteratuur van het intermezzo aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, de ‘luango’ vertellingen van Band'Abao bijvoorbeeld. Ook bij de geschreven literatuur voerde hij nieuwe elementen in, zoals de rol van de journalist en de invloed van de pamfletten-literatuur. Maar dat was allemaal weinig belangrijk in verhouding tot de compleet nieuwe indeling, dwars door de drie talen heen, die daarna volgde. Debrot zag dit nu als ‘een merkwaardige bereidheid tot coëxistentie van de drie talen, het Papiamentu, het Spaans en het Nederlands, die tot een drietalige literatuur zou leiden, een bijzonderheid die verder slechts in enkele Aziatische gebieden wordt aangetroffen.’ (Debrot 1977, 1985: 192) Vanaf het einde van de negentiende eeuw deelde Debrot de literatuur chronologisch en systematisch in volgens de stromingen ‘romantisme’, ‘existentialisme’, ‘ultraïsme’ en ‘realisme’, waarbij hij steeds voorbeelden uit de drie talen gezamenlijk behandelde, aan de hand van de drie genres. Enkele nieuwe aspecten vroegen zijn aandacht. Debrot aarzelde om een terminologie te hanteren die in de Westerse literatuur een bepaalde welomschreven inhoud heeft gekregen. Hij gebruikte daarom een Latijnsamerikaanse term als ‘ultraïsme’ en haastte zich te schrijven dat het Antilliaans existentialisme anders was dan het westerse: ‘Wij moeten wel een duidelijk onderscheid maken tussen de Europese en Antilliaanse existentialisten. De Europeanen leggen het accent op het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

echec, de Antillianen zijn aanzienlijk minder nadrukkelijk in dit opzicht. Zij zijn er zich van bewust dat de mens in een precaire situatie verkeert maar zij beseffen eveneens dat een mogelijkheid van elucidatie steeds aanwezig is.’ (Debrot 1977, 1985: 198) Debrot vroeg nu eveneens aandacht voor de triviaal-literatuur van de jaren vijftig en zestig, de veelal amoureuze anecdoten, die hij in drie talen tegenkwam. Op dit aspect werd nog niet eerder gewezen. De letterkunde van de Bovenwindse Engelse eilanden was in 1977, na in de jaren zestig even aandacht gekregen te hebben, weer helemaal achter Debrots horizon verdwenen. Daarover heeft hij zich nauwelijks uitgelaten, wat te betreuren is, juist omdat hij in

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

28 al zijn artikelen wel een open oog bleek te hebben voor dwarslijnen in ruimer Caraïbisch verband. Debrot somde daarbij niet alleen maar auteurs en titels op, maar probeerde ontwikkelingen te beschrijven en te verklaren. Dat deed hij al in de jaren zestig met een begrip als ‘poly-lingualiteit’. Debrot heeft steeds de letterkunde van de Antillen beschouwd als een veeltalige, iets waarover na hem nog wel het een en ander te discussiëren zou blijken. In 1977 sprak hij van statische en evolutionaire tendenzen, die hij samenvatte als het CNC-syndroom: de afwisseling die hij constateerde tussen conventionele (C) en niet-conventionele werken (NC). Op deze wijze gaf Debrot niet alleen steeds weer nieuwe indelingen, maar probeerde hij deze tevens van een verhelderende verklaring te voorzien. Centraal stond daarbij de ‘creolisering’, die van aanvankelijke culturele heterogeniteit van de van elkaar sterk verschillende bevolkingsgroepen steeds meer een Antilliaanse homogeniteit bewerkstelligde, een ‘tropische mens die handelt à la criollo.’ Dat is heel wat anders en meer dan louter opsommingen, zoals die voor hem het licht zagen (en na hem in nog groter getale zullen zien). Debrots invloed op de bestudering, beschrijving en visie op de Antilliaanse literatuur is zo groot geweest dat gerust gesproken kan worden van het ‘echo-effect’ dat tot vandaag de dag op zijn geheel eigen stemgeluid volgde. Meer dan een kwart eeuw heeft Cola Debrot de waarde van de Antilliaanse literatuur steeds weer verdedigd, vooral die in het Papiamento. ‘De Curaçaose literatuur is aanzienlijk belangrijker dan in het algemeen wordt aangenomen,’ schreef hij al in 1948. In 1977 zou hij zijn veelvuldige beschouwingen besluiten met ‘Het is intussen welhaast een wonder dat zulke betrekkelijk kleine bevolkingsgroepen zo een opvallende literatuur hebben voortgebracht. Zij heeft ongetwijfeld haar leemten, wij kunnen daar rustig voor uitkomen. Zij heeft ook haar verworvenheden, wij mogen haar licht niet onder de korenmaat zetten.’ (Debrot 1977, 1985: 218)

In de schaduw van Debrot Parallel aan de zich de laatste decennia ontwikkelende literatuur hebben een aantal Antillianen en niet-Antillianen zich aan een beschrijving van die literatuur gewaagd, waarbij de door Cola Debrot voorgestelde indeling en benadering in de regel het uitgangspunt voor de eigen invulling vormden. Geheel schatplichtig aan Debrot was het kleine boekje dat bibliothecaresse Daphne Labega (1959) ter gelegenheid van de Curaçaose boekenweek schreef, maar niemand ontkwam eigenlijk geheel aan de lijnen die Debrot in het nog jonge literaire landschap had uitgezet. Ook Frank Martinus (1958) volgde Debrot wat het historische deel betreft, maar maakte voor de moderne tijd een eigen indeling in vijf groepen van ‘nationale’ en ‘geëngageerde’ dichters, ‘ik-dichters’, ‘anecdotische’ en ‘algemeen menselijke dichters’, welke groepen hij van voorbeeldnamen voorzag. Wat de romanciers betrof, zag hij een tweedeling in Nederlandstalige, die de thematiek blank-gekleurd en rijk-arm naar voren brachten en Papiamentstalige die vooral liefde, romantiek en noodlot op gevoelig sentimentele wijze beschreven. Ook Martinus worstelde met het probleem van de passanten, want ‘kunnen Europese schrijvers en dichters, in het geval van de Antillen bijvoorbeeld, Chris Engels, Jo van de Walle, Wim van Nuland, De Wit, Hartog e.a., al woonden

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

of wonen zij lang op de Antillen, in West-Indië in het algemeen, ooit Antilliaanse of Westindische schrijvers worden?’ (Martinus 1958: 92) Hij bleef op dat moment het antwoord nog schuldig.

Op zoek naar het eigen karakter Drie problemen doken in de talrijke artikelen steeds weer op: wat te doen met de niet-Antilliaanse passanten, welk standpunt in te nemen ten opzichte van de poly-lingualiteit (met name tegenover het Nederlands), welke kenmerken te beschouwen als de eigen Antilliaanse?

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

29 In de jaren vijftig, zestig en zeventig schreef Jules de Palm zijn ideeën omtrent de Antilliaanse literatuur neer in enkele korte artikelen (De Palm 1959, 1968, 1975). Hij beperkte zich tot de literatuur van de Benedenwinden en sprak daar (in navolging van de vroege Debrot) van drie ‘scholen’: de Spaanse, Nederlandse en Papiamentse. Hij haastte zich te zeggen dat we deze term niet moeten opvatten als een strikte scheiding, maar dat individuele auteurs zich geregeld van meer dan één taal bedienden: ‘Ik blijf erbij dat in de Antilliaanse literatuur op weg naar volwassenheid de taal, waarvan de dichter/schrijver zich wenst te bedienen, niet zo relevant is.’ (De Palm 1975: 8) Uit de namen en de gehanteerde indeling en terminologie blijkt de Debrot-echo, zonder dat De Palm er in slaagde iets nieuws te brengen. Zijn overzichten waren een lange aaneenschakeling van losse namen en titels. Debrot zocht steeds naar verbanden en ontwikkelingen, iets wat De Palm met zijn paternalistisch aandoende titel ‘De Antilliaanse literatuur op weg naar volwassenheid?’ ook suggereerde. Maar het enige wat we uit zijn overzichten leren is De Palms persoonlijke karakterisering van en waardering voor een aantal auteurs en werken. Habibe (1975c) reageerde kritisch op De Palm (1975). Hij verweet hem het ontbreken van literair-kritische criteria, algemeenheid en oppervlakkigheid zonder op de essentie in te gaan, inconsequentie ten opzichte van de talen, en het doen van beweringen zonder die te onderbouwen met argumenten. Het is van belang om dit hier even te noemen, omdat het toont dat er een literaire discussie op gang kwam.[8] Legde Habibe al een sterke nadruk op het eigene, het jaar daarna ging Joubert (1976) nog een stapje verder in het zoeken naar het eigen Antilliaans karakter. Na eerst in de schaduw van Debrot (1955) de literatuur beschreven te hebben als in te delen in volks- en kunstliteratuur, en de laatste weer onderverdeeld in de Spaanse, Papiamentse en Nederlandse school, waarvan hij bij elke een groot aantal namen en titels opsomde, besloot hij met de opmerkingen dat hij in de Nederlandstalige romans geen eigen elementen was tegengekomen, op Frank Martinus Arion's roman Dubbelspel na. Hij beschouwde de Nederlandstalige romans als te behoren tot de Nederlandse literatuur; alleen de Papiamentstalige werken waren volgens hem een echte weerspiegeling van wat er in het volk leefde.[9] Ging Habibe nog uit van een veeltalige literatuur en beoordeelde hij de individuele werken aan de hand van zijn geformuleerde criteria, voor Joubert gold slechts een algemeen taalcriterium zonder onderscheid (waar eventuele uitzonderingen slechts de regel bevestigden). Todd Dandaré (1980) gaf een algemene introductie tot de Caraïbische literatuur, waarvan de Antilliaanse maar een klein deeltje uitmaakte (ook in zijn analyse). Hij achtte de Nederlandstalige romans van Antilliaanse auteurs van hoog niveau, maar hij bracht een ander criterium in om aan te geven waarom hij ze niet echt Antilliaans vond. Dubbelspel was weliswaar echt Antilliaans van thematiek en Latijnsamerikaans van vorm, maar Frank Martinus Arions ‘geïntendeerde lezer’ was niet eigen, maar vreemd, wat bleek uit het gebruik van de Nederlandse taal, maar meer nog uit de verklaringen omtrent Curaçaose gewoonten, die de verteller steeds weer moest inlassen. Hier gold dus de lezer als criterium voor het Antilliaans karakter. Todd plaatste het Antilliaanse werk als vanzelfsprekend in een Caraïbisch kader.[10] Binnen het ‘Debrotse patroon’ variërend maakte Walter Palm (1986), na het orale genoemd te hebben, een indeling in vijf ‘scholen’. Hij onderscheidde de ‘romantische

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

school’ van het einde van de negentiende eeuw, de ‘non-conformistische school’ (zie Debrots CNC-syndroom), de ‘Julio Perrenal beweging’, een ‘geëngageerde school’ en tot slot de ‘jaren tachtig’ waarin vooral de zich ontwikkelende eigen jeugdliteratuur (ook die van Aruba) aandacht kreeg. Heuvel & Van Wel (1989) tenslotte verschaften een chronologisch en thematisch gerangschikte bloemlezing in vier talen met inleidingen, die de belangrijkste ontwikkelingen van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

30 het begin tot 1989 aan de orde stelden. Het werk is representatief voor de stand van onderzoekszaken aan het einde van de jaren tachtig. Naast de critici die in hun artikelen volgens titel en opzet een totaalbenadering van de Antilliaanse literatuur voorstonden, beperkten sommige auteurs zich tot enkele aspecten, zoals het orale, een bepaalde taal, een specifiek genre, een eiland(engroep) of een thema.

Orale woordkunst De eerste ‘officiële’ belangstelling voor een specifiek literair genre betrof het orale. Ze dateert van het einde van de vorige eeuw, toen A. Jesurun (1899) enkele ‘Compa Nanzi-verhalen’ weergaf als illustratie van zijn in de eerste plaats taalkundige aandacht voor het Papiamento. Jesurun oordeelde negatief over het Papiamento en zijn artikelen bevatten geen aanwijzingen dat hij de vier door hem vertaalde ‘Compa Nanzi-verhalen’ enige, laat staan voorbeeldige literaire waarde toekende. Hij klassificeerde ze als ‘Curaçaosche sprookjes’ die onder de bevolking verteld werden, waarna hij enkele vorm- en inhoudsaspecten aan de orde stelde. Hij wees op de hoge ouderdom van de verhalen, de vermoedelijk Afrikaanse herkomst en op de populariteit ervan. Interessant was zijn gegeven dat er speciale ‘hinchado di cuenta’ (vertellers die daarvan hun vaste beroep hadden gemaakt) waren, die de verhalen met veel theatraal vertoon vertelden: ‘Het gebarenspel en voornamelijk de stembuiging spelen bij die verhalen een groote rol, terwijl zij meermalen door eigenaardige gezangen worden opgesierd.’ Zijn neerbuigende oordeel als kind van zijn ‘verlicht westerse tijd’ luidt tenslotte: ‘Dat zij gewoonlijk niet veel om het lijf hebben, laat zich wel gereedelijk verklaren uit den lagen trap van ontwikkeling van de Afrikaansche volksstammen, waarvan de tegenwoordige negerbevolking afstamt (...)’ Desondanks vond hij ze van voldoende gewicht om er in zo'n prestigieus ‘Jaarlijksch Verslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap’ over te schrijven, het enige 19de eeuwse wetenschappelijk genootschap dat op Curaçao bestaan heeft en dat ook in het moederland bekend was, want ‘mededeeling van enkelen er van kan misschien haar nut hebben, nu er in de laatste jaren zooveel werk wordt gemaakt van oorspronkelijke niet geboekstaafde volksvertellingen.’ (Jesurun 1899: 95) Na de Curaçaoenaar Jesurun zouden de Nederlanders H. van Cappelle (1926) en Pater Latour (1937-1940) aandacht voor de ‘Compa Nanzi verhalen’ vragen van het Antilliaanse en Nederlandse lezerspubliek dat geabonneerd was op de West-Indische Gids. Nadat N. van Meeteren (1947) en Nilda Geerdink-Jesurun Pinto (1952) een aantal ‘cuentanan di Nanzi’ hadden gepubliceerd was de aandacht voor het genre blijvend. Onderwijsinspecteur Jan Droog bewerkte ze voor het onderwijs; in 1983 zou dominee Baart op deze verhalen zijn theologische doctorstitel behalen. De moderne aandacht voor de oude liederen begon met Van Meeteren (1947) en bereikte op Curaçao een hoogtepunt rond de activiteiten van Pater Brenneker en Elis Juliana, waarna ze door middel van de studies van onder meer Rose Mary Allen zou professionaliseren. Ook op de andere eilanden werden de laatste decennia enkele studies naar de traditionele liederenschat verricht.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Talen Hispanist J. Terlingen (1961) nam de draad van De Pool en Lopez Henriquez weer op toen hij in de Spaanstalige Antilliaanse literatuur een chronologische indeling in vier perioden aanbracht. De tijd van 1870-1885 karakteriseerde hij als ‘la epoca prerrenacentista’, van 1885-1915 als ‘el renacimiento’, van 1915-1940 als de ‘periodo passivo’ en tenslotte vroeg hij zich af of er vanaf

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

31 1940 ‘¿una nueva epoca renacentista?’ zou aanbreken. Hij sloot dus duidelijk aan bij de eerdere ideeën van De Pool (1931; 1935) en Lopez Henriquez (1943) over bloei en verval van de Antilliaanse letteren, ten bewijze waarvan hij vele namen noemde die hij in diverse Antilliaanse dagbladen gevonden had. Hij was de eerste Nederlander die uitvoerig op de Spaans-Antilliaanse letteren inging en degene die wees op het belang van de bestudering van de Antilliaanse (dag)-bladen voor de literatuurgeschiedenis. De Curaçaose dichter-criticus-bloemlezer Pierre Lauffer (1976) sloot zich in zijn beschrijving van de Papiamentstalige literatuurgeschiedenis aan bij zowel Debrot als Terlingen, maar hij ‘corrigeerde’ de laatste door de periode tot 1915 juist als een ‘passieve-imitatieve’ te kenschetsen en die daarna als een ‘actieve-creatieve’. Met het minder belangrijk worden van het Spaans ging een bloei van het Papiamento samen. Lauffer vroeg de volle aandacht voor die periode waarvoor A.d.C. al veertig jaar eerder gepleit had en die daarna op enkele namen na vergeten leek. Voor Lauffer was Antilliaanse literatuur in de eerste plaats Papiamentse literatuur van Curaçao. Nieuw bij hem - alhoewel voortbordurend op Debrot - was het idee van het ‘nieuwe volk’ (Debrot gebruikte het begrip ‘creolisering’), de aandacht voor het ‘eigene’ in sfeer, personages en thema's (die ook bij passanten-literatuur gevonden kon worden) en de grote aandacht voor en uitgebreide beschrijving van het orale: niemand voor hem deed dat zo gedegen.[11] Habibe (1975a) was na de Tweede Wereldoorlog de eerste die het Papiamentstalige deel van de Antilliaanse literatuur in het Papiamento besprak. Hij beperkte zich daarbij tot de kunstliteratuur (ku un karákter kulto). Authentieke Antilliaanse literatuur (literatura outéntikamente antiyano) was volgens hem niet zonder meer afhankelijk van de taal waarin ze werd geschreven, ook Nederlandstalige literatuur kon ‘echt’ Antilliaans zijn. Ook hoefde het onderwerp niet per se Antilliaans te zijn, maar de auteur moest wel de Antillen als uitgangspunt nemen. Vanuit een bewustzijn van de eigen identiteit zou de auteur vervolgens meer universele onderwerpen kunnen behandelen. Habibe wilde dat de auteur over het leven op de Antillen schreef, de ziel van het volk uitdrukte, geen Europese voorbeelden imiteerde maar schreef over de eigen flora en fauna, het leven en de typische gewoonten van de eigen omgeving, bewust van sociaal-maatschappelijke aspecten, vanuit een sociale pre-occupatie of als vorm van protest (Debrot zou twee jaar later eenzelfde onderscheid maken). Criticus Habibe vond deze kenmerken niet in het Nederlands gerichte tijdschrift De Stoep, wel bij enkele auteurs die erin publiceerden, waaronder Frits van der Molen en Wim van Nuland. Maar Simadán vond hij een veel duidelijker voorbeeld van een manifestatie waarin het Antilliaanse karakter naar voren kwam. J.S. Corsen, E. Goilo, P.A. Lauffer, E. Juliana en F. Oduber toonden die specifieke geaardheid eveneens. De laatste was een felle protestdichter, bij wie de ‘chapi’, de hak, tot ‘spada’, tot zwaard, werd. Habibe eiste dus een eigen Antilliaans karakter van literaire voortbrengselen, en als criticus meende hij te kunnen oordelen of het authentieke aanwezig was. Wat niet aan deze eisen voldeed werd afgewezen als niet Antilliaans. Wat de specifieke aandacht voor het Nederlandstalige segment betreft, bepaalde Jos de Roo (1980) zich tot een analyse van de meestbekende romans, die hij aan het einde van zijn studie in een Caraïbisch kader plaatste. Deze studie zou met name heel wat Nederlandse scriptie-schrijvers beïnvloeden. De op Curaçao werkende Nederlandse Neerlandici zorgden ervoor dat de Nederlands-Antilliaanse literatuur

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

veel exclusieve aandacht kreeg - aandacht die vanuit Nederland versterkt werd door de literaire kritiek en het literatuur-onderwijs.[12] De steeds weer terugkomende namen waren die van Cola Debrot, Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion, die alle vier hun Nederlands-Antilliaanse werken bij bekende Nederlandse uitgeverijen publiceerden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

32

Eilanden In 1980 werd op Curaçao een ‘Fest-Antil’ georganiseerd, een bijeenkomst waar de hele literaire wereld van de Antilliaanse eilanden bij betrokken werd en waar de ontwikkeling van de literatuur per eiland aan de orde kwam. Als gevolg daarvan (?) lieten de jaren tachtig in zoverre nieuwe zaken zien dat niet alleen Curaçao, maar daarnaast ook andere eilanden in de literatuurkritiek betrokken werden. Zo pleitte de Sabaan W. Smith (1982a; 1982b) voor meer aandacht voor de Bovenwinden, waaraan hij een bloemlezing en een historisch-poëtisch overzicht wijdde. Op Aruba vonden met de opening van een nieuw bibliotheekgebouw een aantal lezingen plaats over specifiek Arubaanse literatuur, verdeeld naar de drie traditionele genres (Booi 1982; Pereira 1982; Rosenstand 1983), en werd later een eerste bloemlezing gepresenteerd (Booi 1984), die opgezet was in de trant van Pierre Lauffer's Di nos. In 1992 publiceerde Anton Claassen een overigens al een aantal jaren eerder geschreven analyse met bloemlezing van dertiea Arubaanse dichters. Bonaire is het stiefkind gebleven, want tot nu toe is er over de literatuur van dat eiland geen speciale uitgave te melden. Was het proza, met name de roman, vooral van Curaçao afkomstig, het toneel was van alle eilanden. Dat had tot gevolg dat sommige auteurs speciaal daarvan een historisch overzicht gaven voor hun respectievelijke eilanden. In de Amigoe Kerstkrant van 1986 verscheen een uitgebreid artikel over het toneel van Sint-Maarten; B. Römer 1989 schreef over Curaçao; E. Rosenstand 1989 over Aruba. In de jaren tachtig zien we ook de eerste aandacht van Antilliaanse zijde voor de rol van de Antilliaanse auteur en zijn werk in de Nederlandse samenleving (Van Putte 1985; W. Palm 1986; Daal 1989) Hier valt nog een opmerkelijk gegeven te vermelden. Terwijl de aandacht voor de Nederlands-Antilliaanse literatuur aan het einde van de jaren tachtig in Nederland sterk leek toe te nemen (het ‘AKO-effect’ van Tip Maruggs nominatie in 1988), lieten de literatuurhistorici steeds nadrukkelijker verstek gaan. Behandelde Knuvelder (1964) Debrot nog uitgebreid als ‘een van de belangrijkste figuren’ uit de vroegere ‘Amsterdamse school’ en ‘een van de jongeren rond Criterium’, dus geheel binnen de Nederlandse literatuurgeschiedenis, in Ik probeer mijn pen (1979) moest de hele Nederlands-Antilliaanse literatuur het met vier korte zinnetjes doen (Lodewick e.a. 1979: 241; zie hierover Nord 1980:7). 't Is vol van schatten hier (1986) was nog beknopter en meldde als voornaamste kenmerk dat een ‘West-Indische literatuur (...) aan de Europese traditie tornt’, al ‘aat een en ander zich (...) overigens nog niet tot een scherp profiel samenvoegen.’ Anbeek (1990: 271) hakte de navelstreng resoluut door met de vermelding, dat een beschouwing over de Antilliaanse literatuur in zijn literatuurgeschiedenis ontbrak, want ‘die komt, naar kenners mij verzekeren, beter tot zijn recht binnen de Caraïbische context.’ Schenkeveld-Van der Dussen (1993) daarentegen schonk weer enige aandacht aan de Nederlands-Caraïbische literatuur, en ook op de Frankfurter Buchmesse 1993 was ze onderdeel van het Nederlandse ‘speerpunt’. De plaats van de Nederlands-Antilliaanse literatuur blijft een discussiepunt.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Selectieve waardering? De laatste decennia nam het aantal artikelen over de Antilliaanse literatuur exponentieel toe, al was die toename misschien nogal eenzijdig omdat de aandacht ongelijkmatig over de verschillende eilanden verdeeld werd. Tijdens een op 11 juli 1988 in Amsterdam gehouden forum over de ‘selectieve waardering van de Antilliaanse literatuur’ stelde discussieleider Aart G. Broek dat de relatief grote aandacht voor de Nederlands-Antilliaanse literatuur (terwijl ze maar een van de vier segmenten is) remmend zou hebben gewerkt op de ontwikkeling van de literatuur

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

33 in de gecreoliseerde en Creoolse talen, met andere woorden het Engels van de Bovenwinden en het Papiamento van de drie Benedenwinden. De Europese, moederlandse aandacht zou vooral uitgegaan zijn naar de literatuur in de Europese taal. Omgekeerd werd nogal eens geklaagd dat de Papiamentstalige literatuur te weinig ‘eigen’ aandacht kreeg, en buiten de Antillen en met name in Nederland al helemaal geen. De Engelstalige Bovenwinden voelden zich als geheel door Curaçao verwaarloosd, Saba en Sint-Eustatius klaagden over de relatieve dominantie van Sint-Maarten. Slechts een handjevol auteurs zou steeds weer alle aandacht van de critici opeisen, anderen werden nooit serieus besproken. Vooral het taalcriterium bleek strikt gesloten circuits op te leveren, want veel artikelen beperkten zich tot het Nederlands segment, dat niet alleen en vanzelfsprekend sterk domineerde in de Nederlandse kritiek, maar ook in de Antilliaanse geschreven recensies en andere reacties. Hierbij speelden de Nederlandse uitgevers zo'n belangrijke rol dat het wel leek alsof niet Willemstad maar Amsterdam het literaire centrum van de Nederlands-Antilliaanse literatuur was en is. Antilliaanse en Nederlandse overzichtsschrijvers hielden elkaar aardig in evenwicht. Aanvankelijk waren het vooral de Antillianen zelf die de overzichten schreven. Onder hen stond een opvallend hoog percentage zelf als auteur bekend; de overigen waren overwegend leraar van beroep. Wat de Nederlanders betreft, waren het vooral professionelen met een afgeronde literatuurstudie die als docent werkzaam waren, en journalisten. Als we de studentenscriptieschrijvers meetellen, zien we dat vooral de laatste twee decennia de aandacht van de Nederlanders groter werd; dat betrof dan passanten, dus mensen die voor slechts korte tijd op de Antillen woonden. Deze aandacht was des te opvallender als we bedenken dat er in het Caraïbisch gebied zelf nauwelijks aandacht besteed werd aan de Antilliaanse literatuur (Broek 1983). Nog opvallender is evenwel dat noch het Antilliaanse Taalbureau ILA, noch het Arubaanse IDILA ooit vanuit hun officiële positie als bij uitstek aangewezen literair instituut zich in geschrifte uitspraken over (delen van de) Antilliaanse of Arubaanse literatuur; wel spraken beide directeuren op persoonlijke titel over Caraïbische letterkunde in het algemeen. (Ramon Todd Dandaré 1980; Frank Martinus 1981). Zowel de algemene als de specifieke inleidingen waren bestemd voor een Antilliaans en/of een Nederlands publiek van belangstellende volwassenen maar daarnaast ook voor middelbare scholieren. Het onderwijs bleek een flinke afnemer van dit materiaal. De artikelen circuleerden in een Nederlands literair circuit, een Antilliaans of in beide, maar nauwelijks daarbuiten. Soms gaven auteurs door hun taal- en onderwerpkeuze direct aan op wie ze zich vooral richtten. Dat bleek bovendien uit de keuze van het medium waarin men publiceerde: een Antilliaans cultureel blad, een contactorgaan voor Antillianen in Nederland of een cultureel-literair Nederlands tijdschrift, merkwaardig genoeg nergens anders. De boekuitgaven vonden op de Antillen zelf plaats of via Antilliaanse kanalen in Nederland zoals Flamboyant Pers, het Kabinet voor Nederlands Antilliaanse Zaken, en het Caraf of via Nederlandse uitgevers die veel Antilliana in hun fonds hadden en deze vaak met subsidie verwezenlijkten: de Walburg Pers, Van Gorcum's Anjerreeks. Bijna unaniem vond men van de orale literatuur de Cuentanan di Nanzi het belangrijkste; liederen werden minder vermeld. Enkele auteurs vermeldden het belang van het toneel als een zeer vroege en blijvend populaire literaire vorm.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Nagenoeg algemeen liet men de geschreven Antilliaanse literatuur aan het einde van de vorige eeuw beginnen, waarbij het tijdschrift Notas y Letras veelvuldig genoemd werd. In deze tijd stonden slechts enkele auteurs in het brandpunt van de belangstelling. Cruciaal achtte men de rol van uitgever-boekhandelaar A. Bethencourt. Over de eerste decennia van onze eeuw verschenen veel minder gegevens. Pas met de oprichting van De Stoep in 1940, Simadán in 1950

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

34 en latere tijdschriften, en met de aan die tijdschriften meewerkende auteurs kwamen er weer algemeen vermelde namen. Het was te verwachten dat de overzichten over latere tijden minder eensgezind waren en relatief minder namen vermeldden. Veel auteurs en titels werden door slechts één persoon genoemd. In de gedurende een halve eeuw verschenen overzichten tekende zich desondanks gaandeweg een duidelijke tendens van eenheid in verscheidenheid af. In de loop der jaren werd men het er in de kritiek wel steeds meer over eens dat Antilliaanse literatuur uitsluitend door Antillianen geschreven werd en wordt. Debrot (1969) en Smit & Heuvel (1975) namen nog heel wat passanten op; dat kwam later niet meer voor (De Haseth 1985; Heuvel & Van Wel 1989). Als markeringsmiddelen dienden literaire tijdschriften, letterkundige verenigingen of een literaire salon. Sommigen bespraken de rol van een uitgever, boekhandel of theater. Het zwaartepunt lag bij het noemen van auteurs en titels van werken; dat gebeurde dan ook in overvloed, veelal zonder veel bijzonderheden of een poging om tot specifieke indelingen te komen. Degene die dat wel en op de meest serieuze wijze probeerde was Cola Debrot, en zijn voorstellen werden daarna vaak klakkeloos overgenomen. Als cruciale jaartallen hanteerde men in navolging van hem: 1634 (de verovering van Curaçao door de Nederlanders); 1863 (de emancipatie); 1915 (de komst van de Shell); 1940 (het begin van de Tweede Wereldoorlog); 1969 (de volksrevolutie op Curaçao). Zoeken naar ‘de’ literaire canon lijkt minder vrucht te dragen dan te constateren dat de canon pluriform functioneerde. Er waren niet alleen historische verschuivingen zichtbaar (de aandacht voor het Papiamento van 1920-1940 bijvoorbeeld; de veranderende waardering voor de passanten en de Nederlandstalige werken van Antilliaanse auteurs; de waardering voor het Spaans van het einde van de vorige eeuw), maar er waren bovendien diverse canons als gevolg van een overwegende of zelfs uitsluitende aandacht voor een specifieke taal (‘uitsluitende’ hier letterlijk op te vatten). Dan waren er nog eilandelijke ‘canons’, waarbij auteurs en hun werken op het eigen eiland hoog gewaardeerd bleken, maar daarbuiten nauwelijks bekend waren. De landelijke canon was overwegend Curaçaos; Nederlandse critici creëerden een eigen Nederlands-Antilliaanse canon: het bekende rijtje van de ‘grote vier’ die hun romans in het Nederlands bij Nederlandse uitgevers publiceerden. Uit de encyclopedie-lemmmata, bloemlezingen, boeken, scripties en ruim dertig meer of minder uitgebreide inleidingen en overzichten zijn in totaal ruim tweehonderd vijftig auteursnamen en bijna vijfhonderd titels van afzonderlijk verschenen literaire werken te destilleren. Daarvan kwamen ruim negentig auteurs ten minste vier keer voor, terwijl van deze groep er 42 meer dan tien keer voorkwamen. Over hen bestond dus een grote mate van eenstemmigheid. In de overzichten werden vooral schrijvers genoemd. Er waren maar 25 titels die meer dan tien keer genoemd werden. We kunnen zeggen dat er over dit deel dus een zekere concensus met betrekking tot het ‘behoren tot de Antilliaanse literatuur’ bestaat. Uitsplitsing naar de talen die de ruim veertig meestgenoemde auteurs overwegend gebruikten, levert maar twee Engels-, vier Spaans-, twaalf Nederlands- en niet minder dan 24 Papiamentstalige auteurs op. Van de 25 veelgeciteerde werken was er geen enkel Engels- en maar een Spaanstalig; veertien werken waren in het Nederlands, tien in het Papiamento. Het Nederlandse

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

segment is dus wat auteursnamen betreft kwantitatief bepaald niet dominant; wèl scoorden een aantal Nederlandstalige wèrken hoog.[13] nbsp; Als we nagaan wat er in de loop der jaren gepubliceerd is, blijkt wel heel duidelijk hoe laat de literaire produktie zich kwantitatief begon de ontwikkelen. Gegevens die opvallen zijn de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

35 dominantie van het Spaans vóór 1900, het geringe aantal werken uit de eerste eeuwhelft, en het Papiamentstalig proza dat vanaf 1921 plotseling opkwam terwijl Engels en Nederlands nog nauwelijks enige rol speelden. Na 1950 steeg de totale produktie enorm, met name wat het Papiamento betreft, waar vooral het proza produktief bleek, waarbij het opvallend genoemd mag worden dat de poëzie zich pas vanaf de jaren zeventig echt manifesteerde. Het Spaans speelde een relatief geringe rol, maar bleef mondjesmaat aanwezig. Pas vanaf de jaren tachtig kwam het Engels sterker naar voren, terwijl het Papiamento in diezelfde tijd afnam in vergelijking met zijn bloeitijd in de jaren zeventig. Terwijl toneelspel een zeer grote rol speelde in het culturele leven, leverde dat nauwelijks enige toneelliteratuur op. Wat het Nederlands betreft constateren we een langzame opkomst sedert de jaren veertig. Door ‘Dertig mei 1969’ kreeg het Papiamento een grote stimulans in het dagelijkse leven en verloor het Nederlands relatief aan betekenis. Toch bleek de Nederlandstalige literaire produktie in de jaren zeventig, zowel wat proza als wat poëzie betreft, nog flink toe te nemen. Maar ook hier was in de jaren tachtig sprake van een grote achteruitgang. (Bijlage 2.) Het geschetste beeld is natuurlijk nog steeds incompleet, want met name de tijdschriften, die toch een belangrijke rol als literaire katalysator vervuld hebben, kregen in deze analyse geen aandacht. Maar de grote ontwikkelingslijnen en daarbij het relatieve belang van het Nederlands en het steeds meer opkomende Papiamento binnen een veeltalige literatuur komen helder naar voren.

Eindnoten: [1] Broek (1990b) behandelde de Papiamentstalige roman; vóór hem was er natuurlijk Baart (1983) over een oraal onderwerp, de Compa Nanzi verhalen. In de jaren vijftig en zestig rekende Cola Debrot niet alleen Antillianen, maar ook niet-Antillianen die óver de Antillen schreven tot de literatuur in of van de Nederlandse Antillen, een werkwijze die door Smit & Heuvel (1975) werd bestendigd. De Roo (1980: 7) stelde zich op het standpunt: ‘Er is alles vóór om het begrip Antilliaanse literatuur te beperken tot de werken van geboren en getogen Antillianen.’ Broek (1990b: 9-24) sloot zich bij het biografische criterium aan, maar nam een tussenstandpunt in door ook niet-Antillianen die zich ‘definitief vestigden’ toe te laten, een standpunt dat door Daal (1989: 7) gedeeld werd. Broek wilde de tekstuele criteria zoveel mogelijk uitbannen, al lukte hem dat niet helemaal. Heuvel & Van Wel (1989: 3) verzetten zich juist tegen de biografische criteria die ze als een ‘politieke keuze’ veroordeelden en pleitten op hun beurt voor tekstuele criteria, de ‘keuze en behandeling van bepaalde thema's en motieven’ die in hun afwijkingen van wat in de Nederlandse literatuur gebruikelijk was dan Antilliaans zouden zijn. De Haseth (1985: 299) schreef dat pas dan van Antilliaanse literatuur sprake was zodra ‘de eigen bevolking zich waagt aan de literatuur en een eigen vorm ervoor heeft weten te vinden.’ Genoeg verwarring dus, temeer omdat critici als Habibe (1968), Joubert (1976) en Todd Dandaré (1980) tenslotte vooral van een taalcriterium uitgingen waarbij ze Papiamentstalige en Engelstalige literatuur als uitingen in de eigen talen centraal, die in het Nederlands en Spaans als perifeer beoordeelden. [2] Cardot 1973; Hartog 1953-1964 (vier delen); Daal & Schouten 1988; Gedenkboek 1934; Goslinga 1979; 1990; Hoetink 1958; Oranje 1948; J. Ph de Palm 1985; R.A. Römer 1979; Schrils 1990; Van Soest 1977; Verton 1977; Wehry 1988.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[3] H.D. Benjamins & Joh. F. Snelleman: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1914-1917; herdrukt door S. Emmering in Amsterdam in 1981 (uit welke editie hier geciteerd werd: 611-612; de oorspronkelijke tekst is van 1916) Onder ‘tooneel’ werd iets verteld over de oude Curaçaose schouwburg Teatro Naar, maar namen van auteurs, gezelschappen of titels van gespeelde werken ontbraken; dat weer in schrille tegenstelling tot Suriname. Onder ‘tijdschriften’ werden een paar almanakken genoemd en de zes ‘Jaarlijksche Verslagen van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap’. Niet meer. Wel wist de encyclopedieredactie de gegevens die A. Jesurun (1899) in de genootschapsverslagen over de Compa Nanzi verhalen verschafte, weer te geven onder ‘Anansitori’, de Surinaamse aanduiding voor dit genre. [4] Voor deze ‘discrepantie’ zijn wel enkele verklaringen te geven: De Haseth verscheen inderdaad enkele jaren later, zodat enkele jongere auteurs opgenomen konden worden; hij nam ook Engelstalige Bovenwindse auteurs op en enkele niet-Antillianen uit de koloniale periode. Bovendien noemde De Haseth een aantal door Herdeck (1979) vermelde auteurs wel in zijn algemene overzicht zonder ze met een apart lemma te vereren. [5] Korteweg (1980) en Van der Wal & Van Wel (1980) waren voor een algemeen publiek; Lim (1968), Jules de Palm (1973) en Van der Hilst (1975) waren achtereenvolgens bestemd voor het Antilliaanse en het Nederlandse literatuuronderwijs; Smith (1982b) en Booi (1984) richtten zich op de literatuur van de Bovenwinden en Aruba; Lauffer (1971) gaf voorbeelden van één taal, het Papiamento. Smith (1982b) gaf twintig auteurs, van wie er vijftien nooit buiten de Bovenwinden genoemd werden; Booi noemde zelfs 36 Arubaanse auteurs, van wie er niet minder dan 24 ‘nieuw’ waren. De bloemlezingen brengen het auteursaantal op niet minder dan 137, maar dat betekende niet dat deze bijna-verdubbeling ook algemeen erkend werd, want 74 auteurs werden maar één keer, zestien auteurs twee keer en vijftien auteurs drie keer opgenomen. Terwijl ze dus inmiddels elf kansen daartoe hadden. Maar 32 auteurs werden vier keer of vaker vermeld. [6] De Pool gaf dezelfde namen, maar noemde nu ook Cornelis Gorsira als ‘een van de weinige veeltalige literatoren die wij hebben gehad’. Nieuw was ook de overigens niet uitgebreide aandacht die hij schonk aan de Compa Nanzi verhalen, de in dialoogvorm gestelde humoristische advertenties van Bethencourt die gretig gelezen werden en de mode van poëzie-albums. Bij de oude bladen benadrukte hij vooral het belang van Civilisadó, het oudste Papiamentstalige blad. Teatro Naar, Dokter Capriles, Shon Nene Gorsira en Colegio Baralt kregen een eigen, uitgebreid hoofdstuk. [7] Naar aanleiding van dit artikel constateerde Stuiveling (1953a): ‘En weer merkt men, dat er eigenlijk geen litteratuur is.’ Stuiveling (1957) is eigenlijk niet meer dan een bespreking van Antilliaanse Cahiers en geeft in tegenstelling tot wat je uit de titel ‘Nederlandse letteren in de Antillen’ zou verwachten, geen overzicht. Wel is het van belang dat de Nederlandse hoogleraar de Antilliaanse letterkunde als een (bijna afwezig) onderdeeltje van de Nederlandse zag. [8] ‘Ta klaro ku un outor antiyano no tin nodi trata solamente témanan antiyano, pero esaki semper ta su punto di salida. Después di ta konsiente di su propio identidat, é ta trata di yega na un aktitut más universal.’ [9] ‘Sin embargo este grupo de autores, por importantes que sean en el mundo literario neerlandés, casi no ha producido ninguna obra netamente criolla. Si hay excepciones, como por ejemplo “Dubbelspel” (Juego de Domino) de Martinus, ellas sólo confirman la regla. (...) Sigun yo, sin embargo, sólo las obras en papiamento son vivo reflejo de lo que vibra en el pueblo y lo que éste puede captar en todas sus fibras.’ (Joubert 1976: 94,95) [10] Misschien is het goed Abraham-van der Mark (1980) hier nog even te melden. Er stond niets nieuws in het artikel, maar het wemelde dermate van de fouten dat Nord (1980) zich geroepen voelde uitvoerig te reageren. [11] Lauffer hield zich veelvuldig met de geschiedenis van de Antilliaanse literatuur bezig, met name als gevolg van zijn docentschap aan de Pedagogische Akademie en de Lerarenopleiding van Curaçao, maar dit vaak gedetailleerde werk is nooit gepubliceerd. Daar ligt nog een dankbare taak voor de Fundashon Pierre Lauffer. [12] Vanaf het begin van de jaren zestig dateerden de eerste boekuitgaven over Antilliaanse letteren: Terlingen 1961; Debrot 1964. Het duurde tot de jaren zeventig en tachtig voor er meer kwamen: Lauffer 1971; Smit & Heuvel 1975; De Roo 1980; Korteweg 1980; Van der Wal & Van Wel 1980; Smith 1982; Rutgers 1986a; Theirlynck 1986; Heuvel & Van Wel 1989. In diverse gevallen betreft het echter verzamelingen van eerder gepubliceerde aparte opstellen of lezingen over specifieke onderwerpen. Vanaf eind jaren zeventig gingen zowel een aantal Antilliaanse

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

als Nederlandse scriptieschrijvers zich over Antilliaanse onderwerpen buigen: Severing 1979; Walter 1983; Theirlynck 1984 (gepubliceerd in 1986); I. Statia 1984; Van Esch en Thuis 1986; Van Os en Van der Pluim 1987; Van Eijk 1988; Clemencia 1989; Raphaela 1990; Schriks 1992. Van 1983 dateerde de eerste dissertatie over oraal Antilliaanse literatuur, nl. de ‘Compa Nanzi-verhalen’ (Baart 1983). Broek (1990b) behandelde in zijn proefschrift de Papiamentstalige romans uit de jaren twintig tot veertig. [13] In het overzicht is Emmanuel (1970) niet opgenomen, al zou dat wel een mooi voorbeeld zijn geweest, omdat in dat algemeen historisch werk (daardoor valt het buiten onze keuze) uitsluitend aandacht besteed werd aan de literaire prestaties van één bevolkingsgroep, de Joden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

36

1.2. De literaire ambiente ‘Ta berde?...Tin un literatura Papiamento?’ (Is het waar?...Is er Papiamentstalige literatuur?), had A.d.C. zich in 1936 retorisch afgevraagd. Als bewijs noemde hij een aantal auteurs en hun werken en gaf hij een tentatieve karakterisering van wat volgens hem tot de literatuur in het Papiamento hoorde. In de meer dan vijftig jaar die sindsdien verstreken, werd op heel verschillende wijze bevestigd dat er inderdaad Antilliaanse literatuur wás, niet alleen in het Papiamento, maar ook in het Engels, Nederlands en Spaans. Steeds weer noemde men daarbij zangers, vertellers en schrijvers, ‘cuenta’, boeken en tijdschriften als bewijs. Sinds ‘Dertig mei 1969’ zochten critici naar het ‘eigen karakter’ daarvan, naar wat voor een eigen leespubliek bestemd was en door dat leespubliek als eigen ondervonden werd. In feite zochten ze steeds naar een exclusieve essentialistische definitie die nauwkeurig zou kunnen omschrijven wat Antilliaanse literatuur eigenlijk ‘is’, al het andere daarbij als ‘apocrief’ uitsluitend. De vraag leverde steeds weer onoverkomelijke problemen en volstrekt arbitraire antwoorden op.

Culture is practised Vanaf de eerste artikelen over de Antilliaanse literatuur diende een mogelijke alternatieve route zich als vanzelfsprekend aan. Het orale hoorde in zijn diverse vormen tot zowel het dagelijkse slavenleven van hard werken als de feestelijke hoogtijdagen. Scheppers en vertolkers brachten hun creaties in nauw contact met hun publiek. Liederen en vertellingen functioneerden in de toenmalige maatschappij. Ook later begeleidde het gelegenheidsgedicht de mijlpalen en was de met verve gebrachte redevoering het hoogtepunt van de feestelijke bijeenkomst. De literatuur hoorde in haar diverse verschijningsvormen als vanzelfsprekend bij het sociale leven. Toen de Engels-Caraïbische Nobelprijswinnaar Derek Walcott in 1981 gevraagd werd waarom hij niet had deelgenomen aan het Carifesta (Caribbean Festival of the Arts) dat in Barbados was gehouden, antwoordde hij: ‘Those who attend the Carifesta are in fact celebrating the absence of every condition for a genuine culture and that is the one that fulfills a role in daily life: culture is practised!’ Hij hekelde het gebrek aan culturele infrastructuur op de kleine en geïsoleerde Caraïbische eilanden en voorspelde de teleurstelling van de kunstenaar/schrijver die, zodra hij terug was op zijn eigen eiland en in zijn geïsoleerde positie, afgesneden van elke traditie of cultuur, zich weer aan het werk moest zetten, maar dat eigenlijk niet kon omdat de noodzakelijke faciliteiten daartoe geheel ontbraken.[14] Een literatuurbeschouwing die niet in de eerste plaats wil achterhalen wat het wezen van literatuur als zodanig ‘is’, maar die onderzoekt wat mensen met literatuur ‘doen’ lijkt het bij uitstek geschikte uitgangspunt voor een beschrijving van de Antilliaanse literatuurgeschiedenis. Welke rol speelden al deze mensen, die in het verleden aan bepaalde activiteiten het predikaat ‘literair’ toekenden? Sinds de wegwijzers Vodicka (1942), Jauss (1967), Jakobson (1968) en Schmidt (1982) richt de benadering van literatuur zich steeds meer op het totale literaire communicatieproces, zowel de produktie, de promotie en distributie als de receptie.[15]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Aan welke handelingsrollen kende de Antilliaan in verleden en heden het predikaat literair toe? Een dergelijke benadering is voor de Antillen niet nieuw, want al in 1931 noemde De Pool niet alleen een aantal auteurs, maar besprak hij de centrale rol van drukker-uitgever-boekhandelaar Agustin Bethencourt, benadrukte hij het belang van Teatro Naar, de rol van het onderwijs, de activiteiten van genootschappen en salons. In 1985 stelde De Haseth dat er pas van Antilliaanse literatuur sprake was, zodra de ‘eigen bevolking’ erin slaagde om ‘eigen vormen’ te vinden voor haar literatuurbeoefening in een ‘werkelijke ononderbroken ontwikkeling’. In feite eiste hij een als zodanig in de Antillliaanse

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

37 maatschappij herkenbaar literair ‘bedrijf’, een systematiek van activiteiten van producenten, distributeurs en consumenten. De communicatie tussen producenten en consumenten kwam op de Antillen bepaald niet uit de lucht vallen. Om een eigen literaire ‘infrastructuur’ te ontwikkelen waren er steeds weer vormen van organisatie nodig. Volgens sommige inleiders waren er al in de tijd van de slavernij beroepszangers en -vertellers, zoals de ‘sacristan’ en de ‘hinchado di cuenta’, die gevraagd werden bij specifieke gelegenheden als de ‘ocho dia’-bijeenkomsten. De Antilliaanse orale traditie is al oud en bloeit tot vandaag de dag, niet alleen in het alledaagse leven maar ook in een georganiseerde toneelcultuur. Wanneer begonnen de eerste inwoners zich te organiseren in toneelclubs en wie wist de eerste stukken te schrijven? Wat was de positie van de auteur? ‘Op het eiland kent men het begrip artiest niet eens; je bent hier een man die een boek schrijft; zoals iemand een hondehok timmert, in de trant van: ruim de rommel op, we gaan eten,’ zei de Curaçaose Boeli van Leeuwen eens.[16] ‘En hoe beoordelen ze hier een boek? Een vent houdt me aan op straat en zegt: je hebt een goed boek geschreven. Ik zeg: heb je het gelezen? Nee, ik heb het van Enrique gehoord. Ik zeg: heeft Enrique het gelezen? Nee, Enrique heeft het van Pablo. En Pablo? Uiteindelijk komt er een neef op de proppen die onderwijzer is en het gelezen heeft. En die vertelt aan vijftig mensen dat-ie het goed vindt. En dan wordt het geijkt. Daar varen ze op en baseren ze hun oordeel over mij op.’[17] Dit soort smakelijke verhalen behoort tot de anecdotiek. Hoe gaan de Antillianen op hun eilanden werkelijk met literatuur om? Wat gebeurt er gedurende de lange weg die afgelegd moet worden eer de schrijver zijn lezer heeft bereikt? Hoe gaat dat in zijn werk als een schrijver zijn manuscript af heeft? Brengt hij het naar een professionele uitgever of naar een drukkerij waar hij zelf voor alle kosten en risico's moet opdraaien, hoe verloopt daarna de distributie via boekhandel en bibliotheek, hoe wordt het op het eiland en daarbuiten bekend dat er een nieuw literair werk verscheen, hoe wordt het beoordeeld, zijn er critici, wat doet men ermee in het literatuur-onderwijs? Welke opvattingen omtrent aard en functie van de literatuur verwoordde men in de loop van de tijd? Wat was in verleden en heden de invloed van buiten op de eigen ontwikkeling en hoe trad van tijd tot tijd de literatuur over de landsgrenzen? Met misschien enigszins gezochte maar toch wel verduidelijkende metaforiek zouden we kunnen spreken van de spelers en het spel. Volgens welke regels werd het (literaire) spel gespeeld, wie deden eraan mee, welke regels golden bij het spel, hoe zag het clubverband waarbinnen men speelde eruit, speelde men als amateur of was men beroeps, speelde men zelf of keek men toe, wie beoordeelde het gespeelde spel, hoe werd het spel aangeleerd. In hoeverre speelde het Moederland een rol in de literaire ontwikkeling? Kreeg de kolonie een kans haar cultuur op eigen wijze te ontwikkelen? De Nederlands-koloniale politiek had in het verleden immer verreweg de meeste aandacht voor het ‘grote Rijk van Insulinde’, en voorzover ze naar ‘De West’ keek, zag ze voornamelijk Suriname, dat immers nog vier keer de omvang van Nederland had en bij tijden een bloeiende plantage-economie kende. Dat Nederland zijn kolonies eeuwenlang slechts als wingewesten beschouwde was achteraf gelukkig voor de Antillen. De moederlandse

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

verwaarlozing ‘in het kwadraat’ van de zes Antilliaanse eilanden, die als barre rotsen in de Caraïbische Zee aan hun kolonisten bovendien geen mogelijkheid boden binnen enkele jaren schatrijk te repatriëren, creëerden een vroege eilandelijke witte elite en kleurlingen, zwarten en slaven die elk in redelijke rust hun eigen ongestoorde gang konden gaan - het ‘verwaarloosde kind’ stond relatief op eigen benen. Pas met de zich sedert het begin van de twintigste eeuw ontwikkelende ‘ethisch politieke richting’ werd door het moederland in deze

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

38 autonome ontwikkeling ingegrepen, maar toen was het voor de vernederlandsing te laat: de Antillen bezaten al een eigen culturele traditie en de toen afgedwongen holandisashon werd nooit meer dan een vernisje.

De opzet Hoe heeft zich het concept ‘Antilliaanse literatuur’ in de Antilliaanse maatschappij ontwikkeld? Omdat een literair werk allereerst een taalwerk is, zal er in elk hoofdstuk een beknopte schets gegeven worden van de posities van de verschillende talen, waarbij vooral gelet wordt op de rol van het Nederlands als koloniaal opgelegde taal en op het zich ontwikkelende Papiamento en Engels. Deze poly-linguale situatie wordt beschouwd tegen de achtergrond van de koloniale en post-koloniale geschiedenis. Dat uitgangspunt lijkt voor een onderzoek naar de literaire ontwikkeling niet alleen nuttig, maar is bovendien mogelijk omdat juist omtrent de taalontwikkeling in het verleden het nodige vooronderzoek heeft plaatsgevonden - vanaf de denigrerende beschrijvingen door negentiende-eeuwse passanten, via de missionaire linguïstiek en talrijke voorstellen betreffende spelling, de grammatica's, de woordenlijsten en de studies over de herkomst van het Papiamento, tot de dissertaties van Smeulders (1987), Muller (1989) en Dijkhoff (1993). Na een algemene beschrijving van de taalsituatie wordt onderzocht hoe het zat met de leden en hun activiteiten en opvattingen van specifieke organisaties, en wat deze georganiseerde groeperingen al dan niet tot de Antilliaanse literatuur rekenden, en die analyse moet uitlopen op een antwoord op de vraag welke opvattingen deze ‘instituten’ huldigden met betrekking tot aard en functie van literatuur.[18]

Twee voorbeelden Zodra de pers (het gedrukte woord) op Curaçao zijn intrede deed aan het begin van de negentiende eeuw, was een van de ‘redactionele’ doelstellingen die William Lee als eigenaarredacteur van The Curaçao Gazette zei te willen verwezenlijken: de literatuur. Het wie, wat, waar, waarom en hoe van zo'n ontwikkeling dient besproken te worden. Wat waren de activiteiten van een instituut als de gedrukte pers: welke literatuur verscheen in de krant. Hoe was de reactie van tijdgenoten, waren er veel abonnés? Waren er contemporaine receptie-documenten? Hoe was de latere reactie? Hoe oordeelden dergelijke organisaties over aard en functie van literatuur? (Oversteegen 1982) In de jaren twintig van de vorige eeuw werd een eerste amateur-toneelvereniging opgericht. Wat waren haar formele doelstellingen? Bezat een dergelijke vereniging officiële statuten en wat stond daarin? Wie vormden het bestuur, wie waren de leden en welke vormen van lidmaatschap hanteerde een dergelijke maatschappelijke instelling? Welke stukken werden er door zo'n vereniging gespeeld? Waar speelde

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

ze en wat valt er over de opvoeringen te achterhalen? Richtte ze zich op eigen Antilliaans werk of was de invloed nog overwegend van het buitenland afkomstig? Deze studie wil recht doen aan de poly-linguale Antilliaanse taalsituatie op zes afzonderlijke, maar door historie, politiek en taalsituatie met elkaar verbonden eilanden. Organisaties worden in het leven geroepen, veroveren een bepaalde traditie met regels en normen, maar neigen ook naar petrificatie. Wijzigende omstandigheden vragen andere antwoorden - Cola Debrot benoemde dat als CNC-syndroom. Het bepaalde onze indeling in vijf elkaar chronologisch opvolgende hoofdstukken, die scharnieren rond de veelgebruikte jaartallen. Als einddatum diende het moment dat de Nederlandse Antillen werden opgesplitst, de eerste januari 1986. Wat over de literatuur van na die datum nog werd opgenomen was slechts om

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

39 mogelijke toekomstige tendenzen aan te geven. Elk afzonderlijk hoofdstuk werd zo systematisch mogelijk volgens de veelgebruikte onderscheiden handelingsrollen van produktie, via distributie naar receptie ingedeeld. Het materiaal werd vooral verkregen door de bestudering van documenten - om met Albert Helman te spreken: wat niet gepubliceerd is, is niet geschreven. Dat houdt dus de beperking in dat we niet zullen kunnen nagaan wat de reactie buiten het officieel zich presenterende circuit om is geweest. Hoewel deze gepubliceerde documenten ook in het verleden gekend werden, leren ze ons helaas nog lang niet altijd automatisch wat hun contemporaine invloed is geweest. Een boek moet leesbaar zijn, wil het aan zijn doel beantwoorden. Terwille daarvan ontstond het tweede deel, dat in de aantekeningen details bevat die in het lopende verhaal teveel kronkelende zijwegen zouden opleveren, waardoor het zicht op de hoofdweg verloren zou gaan. Anbeek (1990: 20) schreef dat een literatuurgeschiedenis niet een werk is ‘waar iedereen in staat; daarvoor zijn encyclopedieën en lexica’. Maar het zal uit het eerste deel van dit hoofdstuk duidelijk zijn dat het daar in onze onderzoeks-situatie veelal nog aan ontbreekt. Bovendien was veel materiaal dermate moeilijk bereikbaar dat simpele literatuurverwijzingen tijdrovende of zelfs onmogelijke speurtochten tot gevolg zouden hebben. Vandaar dat gekozen werd voor royale aanhalingen uit dit soort moeilijk toegankelijke documenten, die terwille van de overzichtelijkheid in een tweede deel werden ondergebracht. Om dezelfde reden zullen er nogal wat tabellen opgenomen moeten worden. Dat juist op kleine eilanden de problemen groot kunnen zijn, is genoegzaam bekend. Waar volledigheid een illusie bleek, werd representativiteit noodgedwongen remplaçant. Dit boek wil niet alleen een voorstel tot een beschrijving van de Antilliaanse literatuur zijn, maar moet tevens als naslagwerk voor verder onderzoek kunnen fungeren. De stand van zaken in het onderzoek vraagt aanvulling en precisering aangaande vele details; voor toekomstige onderzoekers moet zoveel mogelijk een voorlopig tracee van alsnog onbegane wegen uitgelegd worden, zodat in elk geval dezelfde bronnen niet weer geheel vanaf een nul-situatie opnieuw doorgeploegd hoeven te worden. Wat volgt is het verslag van een tocht langs bekende en onbekende wegen, waarlangs naast de oude een aantal nieuwe wegwijzers geplaatst konden worden. Maar het blijven wegen die hierna nog veelal gedetailleerder kartering behoeven.

Eindnoten: [14] W. Rutgers: ‘Derek Walcott: a personal encounter’ (Antillen Review II-1, december 1981/januari 1982: 39-40) [15] Zo wordt literatuur opgevat als maatschappelijke activiteit, ‘Literature...conceived of not as an isolated activity in society, regulated by laws exclusively (and inherently) different from all the rest of the human activities, but as an integral - often central and very powerful - factor among the latter’ (Even Zohar 1990: 2) Literatuur als ‘facts of “literary life” (...), that is, the literary institution (constituted by, e.g., literary ideologies, publishing houses, criticism, literary groups, or any other means for dictating taste or norm-giving), while undeniably behaving as a semi-independant socio-cultural system obeying its own laws, must also be recognised as integral factors of the literary system proper.’ (Even Zohar 1990: 23)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[16] ‘Boeli van Leeuwen ruilde zijn bankgiganten in voor clochards’ (Avenue augustus 1985: 19-21) [17] Cees Zoon: ‘Breken en bouwen, bouwen en breken’ (De Volkskrant 3 VI 88) [18] Even Zohar (1990: 15, 19) vat de canon niet alleen als een verzameling teksten maar ook als ‘model’ op: ‘by “canonized” one means those literary norms and works (i.e., both models and texts) which are accepted as legitimate by the dominant circles within a culture and whose conspicuous products are preserved by the community to become part of its historical heritage.’ Een dergelijke omschrijving doet recht aan de dynamiek van het canoniseringsproces. Onder de ‘dominant circles...community’ kunnen we de instituten die zich met literatuur bezighouden, hun prestige(strijd) en invloed verstaan. Aldus opgevatte dynamische canonisering werkt dus op het niveau van de tekst en het model. Het statische canon-begrip omschrijft de canon als ‘a set of sanctified texts’ die bewaard moet worden; het dynamische canonbegrip is ‘a productive principle in the system’. ‘Canon, which may thus be viewed as the group of survivors of canonization struggles, probably the most conspicuous products of certain successfully established models.’ (Even Zohar 1990: 19)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

41

Hoofdstuk II Oratuur ‘Dear friends, I could fill pages with more of those stories, but why don't you just decide to come to our island someday and get it first-hand from the older folks yourself? I think that would be more enchanting, don't you?’ (C.E. Lopes: Short History of St. Eustatius as told and Handed Down from Generation to Generation 1991) ‘Literatura papiá ta e forma mas bibu mas ekspresivo, mas realistiko di ekspreshon literario. Pasobra e papiá ta pone e kos skirbi o pensá, biba, vibra, kore mas lihe den nos bena. E kontakto ta mas direkto, mas yegá mas intimo.’ (S. Silvanie: Amigoe 3 VIII 79)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

42

1499

Alonso de Ojeda passeert de Benedenwindse eilanden.

1513

De Spaanse conquistadores deporteren de bevolking van de onnutte eilanden.

1526

De encomendero Juan de Ampués repeupleert de eilanden.

1533

Lázaro Bejarano treedt op als persona conjunta de la heredera.

1634

Nederlanders veroveren Curaçao op de Spanjaarden.

1641

De WIC begint de transatlantische slavenhandel, met Curaçao als centrum.

1648

De Vrede van Munster bezegelt de onafhankelijkheid van de Republiek.

1651

De eerste Joden vestigen zich op Curaçao.

1705

Schabel getuigt dat de bevolking ‘gebroken Spaans’ gebruikt.

1732

Prefect Caysedo bezigt de term ‘el idioma del pais’.

1740

Dominicus Dujardin legt zich ernstig op het ‘idiooom van de negers en mulatten’ toe.

1750

De Curaçaose slaven komen in opstand.

1754

Mozes Maduro krijgt toestemming om zich als blanke kolonist op Aruba te vestigen.

1769

In de ‘creolse tale’ wordt een verklaring van ‘capiteins en officieren’ voorgelezen.

1775

De beroemde ‘carta di amor’ van Abraham de David da Costa Andrade Jr.

1776

De Paters Franciscanen arriveren en hanteren het Papiamento al snel als kerkelijke taal. Noord-Amerikaanse opstandelingen krijgen zekere erkenning door middel van het eerste officiële Sint-Eustatiaanse saluut.

1781

Rodney plundert de ‘Golden Rock’ Sint-Eustatius.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1795

Op Curaçao vindt een grote slavenopstand plaats.

1802

William Carlyon Hughes gebruikt de aanduiding ‘Papiamento’ voor de volkstaal van de Benedenwindese eilanden.

1803

Een gerechtelijke getuigenverklaring is het oudst bewaarde Papiamentstalige document van Aruba.

1825

Martinus Joannes Niewindt laat een Papiamentstalige catechismus drukken.

1863

Op 1 juli vindt de emancipatie van de slavenbevolking plaats.

1886

De Amigoe gebruikt de term ‘cuenta di Nanzi’ in de betekenis van een leugenverhaal.

1899

A. Jesurun tekent voor het eerst enkele Compa Nanzi verhalen op.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

43

2.1. Vormen van oraliteit Het vertrekpunt van onze beschrijving van de Antilliaanse woordkunst is paradoxaal, want van wat er ‘vóór de letters’ als ‘oratuur’ werd voortgebracht, kunnen we nu alleen nog kennisnemen dankzij de letters, waarin ze aan ons laat-twintigste-eeuwers is overgeleverd.[1] De mondelinge zegslieden zijn immers overleden en met hen is ‘een boekenkast in vlammen opgegaan’, zonder dat we ooit zullen weten wat de inhoud daarvan is geweest en tot welke vroege periode ze terugging. Dit hoofdstuk kan daarom niet meer zijn dan een beschrijving van de geschreven aandacht die de oratuur werd geschonken. Volgens de algemene mening van de onderzoekers is de Antilliaanse oratuur ouder dan de literatuur. Direct daarop moet de opmerking volgen dat de behandeling van de oratuur ‘van het begin’ geen enkel moment zal mogen suggereren, dat de Antilliaanse woordkunst als oratuur begon en daarna als uitsluitend literatuur werd voortgezet. De oratuur mag niet beschreven worden als een afgesloten begin-hoofdstuk; haar invloeden gaan door tot vandaag de dag. Havelock (1986) gaf van oraliteit een uitgebreide omschrijving, die als uitgangspunt voor onze verkenning kort en vrij als volgt kan worden samengevat: bij specifieke gelegenheden voorzagen specialisten in de behoeften van het collectieve geheugen van de primair orale maatschappij. Hun recitaties hadden een encyclopedisch, recreatief en normerend karakter, dat ze verwoordden door middel van ritmische, acoustische en semantische herhaling, door gebruik te maken van melodie en dans, en door via de aangename vertelling het nuttige te brengen aan de luisterende groep die actief respondeerde.[2] Deze elementen lijken van toepassing op de Antilliaanse oratuur van het begin. Eventuele oratuur zou natuurlijk allereerst gezocht moeten worden bij de oorspronkelijke Indiaanse bewoners van de zes eilanden, maar van hun prehistorie hebben we niet meer dan enkele geografische aanduidingen en plantenamen, werktuigen, versierd aardewerk en rotstekeningen. Het enige voorbeeld dat sinds Cola Debrot er op wees, nog wel eens wordt geciteerd, is een Arubaans rijmpje (of misschien bezweringsformule) ‘Mako mako dori, si mi muri ken ta derami? / Ami ami ami / Mako mako dori, si mi muri ken ta yorami? / Ami ami ami.[3] De Spaans koloniale periode duurde bijna anderhalve eeuw, vanaf de ‘ontdekking’ en de eerste kolonisatie rond 1500 tot de verdrijving van de Spanjaarden door de Nederlanders in het derde decennium van de zeventiende eeuw. Met de Spanjaarden verlieten toen de meeste Indianen het eiland Curaçao; op Aruba en Bonaire bleef het Indiaanse element langer aanwezig. In deze periode schreven weliswaar enkele Spaanse ‘passanten’ als Lázaro Bejarano en Juan de Ampués, maar er was geen autochtone literatuur, noch zijn er sporen van enige oratuur al moet die er wel geweest zijn. De Nederlanders kwamen voor zout voor hun haringvisserij en om een strategisch en handelssteunpunt te hebben, onder meer in hun strijd tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog. Door de zich al snel ontwikkelende slavenhandel werden de Indiaanse, Noordeuropese en zich uitbreidende Joodse bevolkingselementen sedert de tweede helft van de zeventiende eeuw spoedig numeriek overheerst door de uit West-Afrika gedeporteerde slaven, die op Curaçao en Sint-Eustatius in de stad en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

op de plantages werden tewerkgesteld, op Bonaire en Sint-Maarten eveneens in de zoutpannen. Hoewel Hoetink (1958, 1974: 5) constateerde dat er niets bekend is over de aard en het aantal van de afrikanismen in de achttiende eeuw, neemt men toch algemeen aan dat het begin van de oratuur het gevolg van de slavenhandel en de komst op de eilanden van de zwarte bevolking was. Niet het Portugees, Spaans of Nederlands van de shons, maar Papiamento - dat

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

44 als algemene contacttaal in het dagelijkse Babylon fungeerde - en Engels werden het vertrekpunt van de Antilliaanse oratuur. Zich baserend op Caraïbische studies concludeerde Cola Debrot dat de oratuur zich op de Benedenwindse eilanden gelijktijdig met het Papiamento moet hebben ontwikkeld. Nadat de uit West-Afrika afkomstige slaven de cultuurschok van de ‘middle passage’ moeizaam te boven waren gekomen, ontstond de ‘fase van de renovatie van de Afrikaanse folklore’. Dat moet dan in de tweede helft van de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw geweest zijn.[4] Folklore-deskundige Elis Juliana beriep zich op eigen taalkundige bronnen door de gezangen die bij de ‘ocho dia’ gebezigd werden en die een wonderlijke mengeling van verbasterd Latijn, Spaans en Papiamento bevatten, te plaatsen na de komst van de Spaanse zwerfpriesters die vanaf het begin van de achttiende eeuw oogluikend in de Nederlandse kolonie werden getolereerd.[5] Dat wijst dus op een met Debrot vergelijkbaar beginpunt van de ons nu nog bekende orale resten. De ‘cantica di ocho dia’, gezongen door de voor dat doel specifiek gekwalificeerde ‘sakristan’ oftewel voorbidder, zouden dan tot de oudste ons nog fragmentarisch bekende oratuur behoren.[6] Gedurende het traditionele waken bij een zieke die op het sterfbed lag en de ‘ocho dia kantá’, de negende dag na het sterven, werden door een speciaal daarvoor uitgenodigde ‘echado di cuenta’ verhalen verteld en raadsels opgegeven. Die horen dus ook tot deze beginfase van de oratuur.[7] Oratuur is er niet alleen bij deze riten rond de dood, maar ook in andere levenssferen zoals de werkliederen ter verlichting en harmonisering van de zware dwangarbeid op het veld, en als begeleiding van de aan het oog van de meester onttrokken feestelijke ontspanning van de slaven. Debrot (1955, 1985: 94-95) schreef over de oratuur, ‘dat zij het onderbewustzijn tot in zijn diepste lagen bevolkt en deswege de harten op een mysterieuze “unheimische” wijze beroert, die zich aan redelijke verklaringen onttrekt.’ Deze oratuur stond volgens Debrot onder de invloed van autochtone Indianen, West-Afrikaanse slaven en Europese boekaniers, bevolkingsgroepen, ‘die etnisch en cultureel zozeer van elkaar verschillen dat zij op het eerste gezicht in geen enkel opzicht gelijkenis vertonen. Bij nader toezien blijkt dat deze drie groepen hetzelfde lot delen voor zover zij alle drie in een beschavingssfeer van gestoorde normen verkeren.’ Met Debrot zouden we de oratuur kunnen indelen naar genre, in liederen en verhalen.[8]

Papiamento Zonder een uitspraak te doen of zelfs maar een standpunt in te nemen over de heikele kwestie of het Papiamento al op de kusten van West-Afrika ontstond of later in het Caraïbisch gebied, kan er wel vastgesteld worden dat een vroege versie van deze taal al vrij snel gesproken werd. Tot de oudstbekende meldingen ervan behoort de uitspraak van Padre Schabel, die in zijn bewaard gebleven dagboek over een soort ‘gebroken Spaans’ sprak, dat door de mensen gesproken werd.[9] Met Le Page (1964) zou nagegaan kunnen worden wat de functies van het Papiamento in de zich ontwikkelende Antilliaanse maatschappij zijn geweest. Het Papiamento was in de ‘gesegmenteerde slavenmaatschappij’ die Curaçao in die tijd was, al heel snel verankerd, want het werd niet alleen de algemene contacttaal tussen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de slaven, zeker van hen die langer in de kolonie bleven en de normale taal die meesters en slaven ten opzichte van elkaar hanteerden, maar ook de taal van de meesters onderling. De opvoedingssituatie was zodanig georganiseerd, dat de witte kinderen van de shon grotendeels werden grootgebracht door de jaja, de kindermeid, die dat uiteraard mede deed in haar eigen taal. Veelvuldig zijn de uitspraken waaruit blijkt dat de verhalen die de jaja vertelde over Compa Nanzi en Compa Sese van grote invloed zijn geweest op het cultuurbeleven van de latere, witte meesters. Als derde veelvuldig genoemde factor kan de bevolkingssamenstelling gelden. De Curaçaose maatschappij bestond uit Afrikanen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

45 van zeer verschillende taalherkomst, Noord-Europeanen van allerlei naties en tongen en uit Portugese Joden. Elk segment bracht een eigen taaltraditie in, waarbij het Papiamento werd gebruikt als middel tot contact tussen alle sociale lagen. Brada (1956: 20) vatte zijn visie op het ontstaan van het Papiamento samen met: tussen 1705 (Schabels getuigenis) en 1776, toen de Paters Franciscanen op het eiland kwamen en in het Papiamento begonnen te preken, ‘ligt de opkomst’. Toen had de vanuit Zuid-Amerika georganiseerde Missie al volledig erkend dat het volk zonder het Papiamento niet bereikt kon worden, wat op sterke verbreiding van de taal duidt. Smeulders (1987: 29) gaf een bewijsplaats dat Dominicus Dujardin zich al in 1740 ‘ernstig en ijverig op het idioom van de negers en mulatten toelegde’. Wilde dat zeggen dat de blanke bevolking toen nog geen Papiamento sprak - of preekte de Jezuïet niet voor hen? Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw zijn er bewijzen op schrift overgeleverd dat het Papiamento ook in de aanzienlijke huisgezinnen was doorgedrongen en daarin zelfs als geschreven taal voor intieme briefwisseling fungeerde, getuige de beroemd geworden ‘carta di amor’ van 1775. Daarnaast deed het van tijd tot tijd dienst bij officiële getuigenverklaringen tijdens de rechtspraak.[10] Wonderlijk genoeg werden er in de talrijke achttiende-eeuwse spotschriften en satirische gelegenheidsgedichten nooit allusies op het Papiamento gemaakt. Vanuit Curaçao verbreidde de taal zich waarschijnlijk met de kolonisatie naar Bonaire en Aruba.

Engels Op de drie Bovenwindse eilanden nam het Engels als vanzelfsprekend al de functies waar die een taal in het dagelijkse leven vervult. De ligging in de Engelstalige Caraïbische archipel, de handelscontacten met die eilanden en Noord-Amerika, de kolonisatie uit Noordwest-Europa, de voortdurende wisseling van Europese macht, de afwezigheid van een actieve Nederlandse cultuurpolitiek in de als wingewesten beschouwde eilanden waren enkele van de redenen dat het Nederlands er nooit wortel schoot, ondanks het feit dat het de officiële taal en bestuurstaal was. Dat het koloniale bewind coulanter tegen het Engels dan ten opzichte van het Papiamento was, bleek uit het gegeven dat op de Bovenwinden ook de rechtspraak al heel snel in het Engels plaatsvond. In de kolonie was het Nederlands de officiële taal van het bestuur, de taal van het onderwijs aan blanke kinderen, de taal van de Protestantse eredienst, de taal van de rechtspraak, een taal die wel in geschrifte gehanteerd werd maar die mondeling alleen gebruikt werd door de pas gearriveerde Nederlanders. De Joden hanteerden Spaans en Portugees in de synagoge en in het onderling verkeer. In de achttiende eeuw kende de koloniale elite oratuur noch literatuur, er verscheen geen krant, er was zelfs geen drukpers. Publiceren wilde zeggen: op een publieke plaats een met de hand geschreven tekst aanplakken, of laten omroepen vanaf de kansel of het paleis van de gouverneur.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Meer vragen dan antwoorden Het orale karakter maakt bronnenonderzoek nagenoeg onmogelijk. Kunnen we er zonder meer van uitgaan dat liederen en verhalen over de slavernij ook uit de tijd van die slavernij dateren? Maar dan weten we nog niet hoe de oratuur zich in de loop van de tijd ontwikkelde. Welke varianten er in liederen en verhalen zijn opgetreden lijkt helemaal niet meer te achterhalen. Hoe werden ze verteld, hoe verliep een vertelsessie, wat was daarbij de rol van de verteller en de luisteraars, werd de verteller door hen onderbroken met ingelaste verhalen? Werd er alleen verteld of ook gezongen en gedanst?

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

46 De Afrikaanse cultuur kende haar specifieke ‘griots’, de professionele verhalenvertellers. Zijn er van hen ook geroofd door de slavenjagers en naar het Caraïbisch gebied gedeporteerd? Namen ze in hun nieuwe gebied hun oude beroep weer op? Zo niet, wie namen dan de taak van hen over? We weten tot nu toe weinig en dan nog het meest via onderzoek betreffende Curaçao. Mogen we die gegevens zonder meer ook op de overige eilanden van toepassing verklaren? Al dit soort vragen zal het voorlopig karakter van dit hoofdstuk duidelijk maken. Wat we door middel van overgeleverde documenten weten is toch nog wel de moeite waard. De oratuur in het Papiamento had een al sterk geformaliseerd karakter in die zin dat er vaste genres als ‘cantica’ en ‘cuenta’ waren, dat er specifieke vertolkers waren als de ‘sakristan’, de ‘echado di cuenta’ en de ‘jaja’, dat er vaste gelegenheden waren waarbij de oratuur een onmisbare rol speelde, zoals de jaarwisseling, de oogstfeesten en de begrafenisrituelen.

Eindnoten: [1] De term ‘oratuur’ is onder meer voorgesteld door de Keniaanse auteur Ngugi Wa'Thiongo; zie ook Finnegan (1992: 16). ‘Orale literatuur’ is eigenlijk een contradictie, omdat daarbij de geschreven literatuur nog als norm(aal) wordt gezien. Tegenover ‘oratuur’ staat ‘literatuur’ als gelijkwaardig. Irene de Jong stelde in Forum der letteren (XXXII-4: 292-295) nog de term ‘auratuur’ voor als het om literair werk gaat dat in de eerste plaats bedoeld is om voorgedragen te worden. (zie ook Finnegan 1992: 16) Verny February (1987) stelde bovendien de term ‘orituur’ voor. Hij zag de orale situatie als het vertrekpunt van de Caraïbische ontwikkeling; die is zo dominant dat ze ook nu nog de literatuur beïnvloedt. Daarom stelde hij de term orituur voor als synthese van oratuur en literatuur. [2] Havelock (1986: 63-78) gaf als definitie van oraliteit, ‘What, after all, is orality all about, if not a performance of a person's mouth, addressing another person's ear and hearing with his own personal ear the spontaneous personal reply? Here, surely, is the essence of communication, a process of spontaneous exchange, varied, flexible, expressive, and momentary.’ (64) Havelocks beschrijving van ‘primaire oraliteit’ zal mijn uitgangspunt vormen om de aandacht te richten op het gestructureerde karakter van deze oraliteit, hoe ze als een sociaal fenomeen werd ingebed in maatschappelijke structuren. [3] ‘Kikvors, lieve kikvors, als ik sterf wie zal mij begraven? / Ikke ikke ik / Kikvors lieve kikvors, als ik sterf wie zal om mij wenen? / Ikke ikke ik.’ Debrot (1985: 174) gaf deze oude rijmregels op gezag van K. Martin 1885, 1887, 1904 als resten van ‘een primitieve orale literatuur’, zonder daarover echter veel bijzonderheden te kunnen geven. Onderzoek heeft nog op geen van de eilanden reminiscenties van Indiaanse oratuur opgeleverd. [4] ‘Wij kunnen aannemen dat de genese en ontwikkeling van de literatuur in de Nederlandse Antillen zich op dezelfde wijze heeft voltrokken als op de grote Antillen, en in het bijzonder Haïti en Cuba. In de zeventiende en achttiende eeuw ontwikkelt zich de literatuur uit de reminiscensen van de Afrikaanse folklore, wat deze ook mogen zijn geweest na de gevangenschap in de forten van Afrika's westkust en de bejegeningen tijdens de middle passage. (...) Wij mogen aannemen dat in deze fase de culturele actualisering van een nieuwe gemeenschappelijke taal, het Papiamentu, begint en tegelijk daarmee ook de renovatie van de folkloristische literatuur.’ (Debrot 1977, 1985: 185-187)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[5] ‘E orashon ku tabata wordu kantá kompletamente for di memoria, tabata korupshon di kantíkanan gregorianu kopiá for di ritual di morto di misa katóliko in nan tabata un meskla di latín, spaño i papiamentu. (...) Nó ta konosí eksaktamente na ki epoka e Yukan o sea Seremonia pa defunto a originá pero mester ta den siglo diesocho ku padernan spañó, después ku “Kompañia Hulandes di India Oksidental” a permitinan regresá Korsou, tabata kristianisá e katibunan neger den katolisismo i nan tabata resa na spañó i hasi sakrifisio di misa na latín. Katibunan ku nó tabata sa lesa ni skirbi, a tene e orashonnan na memoria manera nan oído a kapturánan.’ (Juliana 1977: 22-23) [6] ‘Despues di e orashon ei e sakristan ta sigui ku diferente kanto, akompañá pa su ayudantenan. Entre otro: Bendita Alabá, Hesus Mio, Kirie Eleison, Pashon di Hesu Kristu, Veni Mortal, Kaminando La Virgen Pura...’ (Juliana 1977: 24-25) [7] ‘E ekspreshon di pueblo “Laga kuenta pa ocho dia” ta originá di e hecho ku na “ocho dia” semper tabatin kontamentu di kuenta i tiramentu di charada.(...) Kontamentu di kuenta tabata asina asociá ku ocho dia ku hopi famia no tabata gusta konta kuenta na kas komo segun nan tabata bisa “ta na ocho dia sa konta kuenta”, pues si konta kuenta den kas esei por a “yama morto”.’ (Juliana 1977: 26) [8] Rose Marie Allen (1992: 7) noemde verhalen, spreekwoorden, raadsels, gezegden en liederen. Zie ook Peter Hoefnagels & Shon W. Hoogbergen 1985. [9] De in een brief van Prefect Caysedo van 24 april 1732 gebezigde uitdrukking ‘el idioma del pais’ slaat niet op het Papiamento, maar op het Nederlands, zoals uit de context blijkt. (Smeulders 1987; Muller 1989) [10] Van 1769 dateert een bericht dat de artikelen uit een verklaring van de ‘capiteins en de officieren van de vrije negers en mulatten’ zijn voorgelezen in ‘hun lieden Creolse taale’. Dat was dus geschreven Papiamento, een teken dat deze zich ontwikkelende taal niet alleen mondeling gebruikt werd, maar ook geschreven werd ten behoeve van het rechtsverkeer. Datzelfde vernemen we van verklaringen van Samuel Costa de Andrade en Joshua Belmonte en Jacob Athias de Neira op 16 I 1776. (Maduro 1971: 55) Uit 1803 dateert een officiële Arubaanse getuigenverklaring, waaruit blijkt dat in die tijd ook daar het Papiamento algemeen werd. (Wim Rutgers: Ñapa 6 I 90; Charles Gomes Casseres: Ñapa 20 I 90; Henry Habibe: Ñapa 10 II 90; Wim Rutgers: Napa 17 II; Carel de Haseth: Ñapa 16 VI 90; Carel de Haseth: De Gids CLIII-7/8: juli/augustus 1990: 548-557). De beroemd geworden geheimzinnige ‘carte di amor’ door Abraham de David da Costa Andrade Jr. in 1775 geschreven aan Sarah de Isaac Parro en Vaz Farro (Maduro 1971: 55; Emmanuel 1970: 257; Wood 1971; Muller 1989) bewijst dat het Papiamento gebruikt werd in het intieme briefverkeer van aanzienlijken. Als laatste getuige dat het Papiamento zich snel en algemeen verbreidde, moge een geschreven ‘kombersashon’ (dialoog) van 11 X 1775 tussen twee dienstboden gelden. Niet alleen op Curaçao, maar ook op Aruba werd de taal gebruikt, nadat de koloniale regering vanaf het einde van de achttiende eeuw de mogelijkheid tot immigratie bood. Phalen, geciteerd in Alofs & Merkies (1987) overwoog de mogelijkheid dat het Arubaanse Papiamento een eigen ontwikkeling zou hebben gevolgd, dus niet via Curaçao werd geïmporteerd, maar via contacten met Zuid-Amerika: ‘Aruban Papiamento may have received its Spanish influence from Spanish-based Pidgin/Creole language spoken by the resident Indians prior to the arrival of the Jewish population from Curaçao.’ (Phalen 1977: 71) Voor uitgebreide behandeling, zie Ferrol 1982; Smeulders 1987: 25-36; Muller 1989: 13-23

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

47

2.2. Cantica Toen Pacheco Domacassé in 1971 zijn historische toneelstuk over de grote slavenopstand van 1795, Tula, schreef, vervaardigde Eric La Croes voor de opvoering daarvan een aantal liederen, zoals door de slaven gezongen werkliederen, de tambú en ‘cantica di rebellion’. Het was de auteur kennelijk onmogelijk om authentiek oraal materiaal te gebruiken, domweg omdat dat nergens is overgeleverd. We weten dat er in de tijd van de slavernij liederen gezongen werden, maar we weten niet meer welke, noch hoe de oorspronkelijke vorm was. Wat we hebben is een aantal liederen over de periode van slavernij in hun pas laat vastgelegde vorm. Daar zullen we het mee moeten doen. De oudste pogingen tot schriftelijke vastlegging, die jammergenoeg nooit teruggevonden zijn, dateerden al van voor 1863. We weten dat een van de eerste eigenaars van San Pedro in een aantal schriften de verhalen, gebeurtenissen en gebruiken noteerde die hij hoorde en zag. We zouden in deze plantage-eigenaar de eerste Curaçaose folklorist kunnen zien. Maar alle materiaal is door brand verloren gegaan en we zullen nooit meer weten wat hij genoteerd heeft.[11] Daarnaast waren er al vroeg enkele Europese onderzoekers die vastlegden wat ze zagen, zoals een oude man van in de tachtig aan Pater Brenneker (1969-1975: 451) vertelde: ‘Eens kwamen de vier eigenaren van Koraal Specht bijeen, en riepen de bomba's van de slaven. Dezen moesten werkliedjes zingen in het gené, en de heren schreven ze op. Ze stuurden ze naar Holland ter onderzoek en kregen als antwoord terug, dat het vooral teksten waren ontleend aan dierengeluiden.’ Het enige wat dit soort gegevens ons nu nog oplevert is de kennis dat er inderdaad werkliederen waren die uit de tijd van de slavernij stammen, en dat ze zo ingeburgerd waren dat ze incidenteel onderzocht en genoteerd werden. Juist deze transcripties zouden gegevens hebben kunnen verschaffen over de ontwikkeling in de tijd van de nog overgeleverde liederen, nu resten slechts de resten.[12] Gelukkig leverde de krant aan het einde van de negentiende eeuw nog een onverwachte, hoewel niet geheel zuivere bron op, die desondanks tot nu toe het oudste voorbeeld van genoteerde oratuur bevat en bovendien mooi illustreert hoe dualistisch de paters tegenover de cantica stonden. In het populaire Amigoe-feuilleton van de gebroeders Jansen, Ipi en Cobi, vertelde Ipi hoe hij op zijn reis in de Verenigde Staten een rijtoertje maakte met een paar vrienden. We volgen zijn verslag. Om de tijd te passeren zong iedereen enkele liederen van zijn land. Op zijn beurt zong Ipi toen een paar Spaanse liederen, maar zijn reisgenoten dwongen hem iets van Curaçao zèlf te zingen. Om zich uit de situatie te redden zong Ipi toen maar een zelfgemaakt ‘cantica di macamba’, waarin hij kennelijk allerlei elementen van hem bekende liedversies verwerkte, welke beurtzang hij als volgt in de krant weergaf: ‘Dió manoeé / Cominda wesé / Ma bini di awana / Jantje poco bon com bai toer bo roeman? / We sali hende di anoche a sali / Pa ta lezi / Hoenja lamanta para / Lamanta para Dio / Ke toe mi man? / Tené mas duro / Tené eha na mi / Koe mi bai foi mundoe, mi ta jora mundoe / Ta nada. Dio tai. Awé ta awé. Go teme vola.’ Een exacte ‘vertaling’ hiervan lijkt onmogelijk te geven. Ipi verwerkte traditionele groet-elementen met losse andere zinnetjes, waarin geen samenhangend verband aanwezig lijkt.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Ipi vervolgde zijn verhaal met te vertellen dat zijn hoorders met plezier luisterden en de beurtzang meezongen, maar dat hij zich schaamde dat er geen andere echte liederen van zijn land waren. Naast de oogstliederen kende hij alleen de ‘tele-lele’ maar die tambú-liederen waren in zijn ogen alleen maar lelijk.[13] Twee weken later reageerde Cobi zoals gebruikelijk op Ipi's brief en schreef hij dat ‘cantica di macamba’ altijd het afsluitstuk van een verhaal zijn. In tegenstelling tot de tele-lele, die hij indecent vond, waardeerde hij ze en pleitte hij voor het behoud ervan in de zuivere vorm, zoals ze door de ouderen werden overgeleverd. Daarna gaf

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

48 Cobi twee voorbeelden. Een shon behandelde zijn slaven slecht. Toen hij een keer water zocht, viel hij in de put. Zijn hulpgeroep baatte niet, want de slaven zongen dat de shon er vandoor was: ‘El a foedoewé, yo no mi weleté a foedoewé / Ma weleté, ma weleté, ma weleté / El a cocodowé / Dowé, ma mi foedoewé / Da cuacua El di dodowé mi el keké el a mi....../ El a foedoewé weleté, ma weleté.’ Het tweede bezong een niet-geliefde ‘Nederlandse’ shon uit La Guaira in Venezuela. De shon is zo rijk dat hij in een rijtuig versierd met diamanten rijdt. Maar toch is die ‘Spanjaard’ een schoft: ‘Di Guairá de vaide vai ta blancoe di Holanda, / Di Guairá / Ta kende ta jama de vai? / Di Guairá / Tu blancoe mees di Holanda oe / Di Guairá / Ta garoti coe diamanti / Di Guairá / Ta fortuna mees a corre coene / Di Guairá / Ta Spanjool mees es canailje aja / Di Guairá.’ Ruimtegebrek noodzaakte Cobi te stoppen, maar hij verzekerde Ipi dat hij veel meer liederen kende, bijvoorbeeld van Hoenja lamanta para. Het was al weer decennia later dat Pastoor Jan Paul Delgeur in een van zijn bekende ‘Ditjes en Datjes’ een werklied uit Sint-Eustatius beschreef. Zo zorgde de R.K. geestelijkheid voor incidentele overleveringen van een eens wijdverbreid en algemeen verschijnsel. Het zijn vooral de paters geweest die zich als folkloristen ontpopten en de cantica voor het nageslacht hebben bewaard, ondanks dat de kerk bepaalde vormen, met name de tambú, altijd geprobeerd heeft uit te bannen wegens vermeende onzedelijkheid. Nadat in de eerste decennia van deze eeuw slechts incidenteel aandacht aan de cantica werd gegeven, ontwaakte de belangstelling na 1940. Maar ze werden eerst sinds de jaren vijftig grondig bestudeerd door het duo Brenneker/Juliana, die de Curaçaose liederenschat met behulp van de tape-recorder vastlegden en via de in 1973 opgerichte Fundashon Zikinzá voor het nageslacht bewaarden. Brenneker schreef: ‘Curaçao is een der rijkste landen wat geïmproviseerde liederen betreft. Men krijgt de indruk, dat in vroeger tijden, bij gebrek aan vrije uren en middelen, de bevolking zich met tiendubbele ijver heeft toegelegd op de volkszang. Men heeft van de nood een deugd gemaakt, en al zijn gevoelens uitgezongen. Hun aantal beloopt over de duizend, maar er is nog weinig van vastgelegd en gepubliceerd.’[14] En wat er inmiddels werd vastgelegd wacht nog op nadere bestudering, niet alleen inhoudelijk maar ook contextueel. De oratuur speelde in de slavenmaatschappij een kennelijk belangrijke rol, maar bijzonderheden ontbreken. Wat valt er bijvoorbeeld nog over de specifieke beroepszangers te achterhalen, welke formele aspecten speelden een rol?

Gelegenheden Wat was de inhoud van de liederen en bij welke uiteenlopende gelegenheden werden ze gezongen? Misschien kunnen we beter zeggen dat er nagenoeg geen gelegenheid was waarop níet gezongen werd. De beschikbare inventarisatie leert dat de oratuur vele aspecten van het leven begeleidde. ‘Liederen worden niet gecomponeerd, niet voorbereid. Zangers met aanleg luisteren aandachtig naar meesterzangers, en treden dan bij gelegenheden op. De omstandigheden zetten aan tot zingen: een gebeurtenis van belang, zwaar werk, een feest. De zanger improviseert en fantaseert. Het beste wat bij dergelijke gelegenheden te berde wordt gebracht, blijft hangen, en komt op het, in de regel ongeschreven, repertoire van de traditie.’[15]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Tot de oudste liederen zullen de ‘cantica di bula bai’ uit de slaventijd behoren, die bezongen hoe de Luango-negers hun vernederende positie uit de slavernij konden ontvluchten, omdat ze naar Afrika konden vliegen zolang ze in het nieuwe land nog geen zout gegeten hadden. De ‘cantica di piki’ (de liederen bij het werken met de pikhouweel) zijn sterk in de meerderheid; ze zijn vaak zeer droevig, wat te denken geeft over de arbeidsbeleving. Brenneker

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

49 (1969-1975: 232) - we moeten ons vaak op hem verlaten in dezen - schreef: een ‘werkliedje is een verzamelnaam voor alle liedjes, die de arbeid vergezellen: graven, roeien, dragen, planten, hakken. De oudere mensen vinden, dat je met zang lange tijd achtereen kunt werken zonder moe te worden. De liedjes werden benoemd naar de aard van het werk; of in het algemeen: cantica di grunja, cantica di macamba, cantica de gené.’ Met losliedjes, keukenliedjes, trekliedjes, mokerliedjes, liedjes bij jacht en visvangst kunnen we de voorbeelden die Brenneker gaf aanvullen. In zijn verzamelingen klassificeerde hij tientallen soorten, die aangeven dat zang en werk onverbrekelijk verbonden waren. Voor de Bovenwinden noteerde Smith (1982b: 12) nog de ‘shanties’, waarbij een voorzanger en koor beurtelings optraden om het zware werk door middel van melodie, maar vooral ritme te verlichten. Sint-Eustatiaans pastoor Jan Paul Delgeur beschreef een voorbeeld bij het heien van palen voor een nieuwe steiger, historicus Johan Hartog meldde een Bonaireaans werklied dat in 1860 bij het bouwen van de kerk te Rincón gezongen werd, dat ook via individuele voorzang en massaal refrein ritme en ontspanning in het zware steenslepen bracht. Voor de kinderen waren de wiege-, slaap- en zg. zèh-liedjes.[16] Over de tijd van de slavernij gaan heel wat verzetsliederen, die klonken als klacht of dreiging, in verband met ongewenste verkoop van een familielid of vriend(in), mishandeling, kritiek op de wrede bomba, het in daadwerkelijke opstand komen, klachten óver (nooit tégen) de shon, en uiteindelijk de emancipatie in 1863 waarvoor koning Willem III alle dank en eer ontving. De reisliedjes omvatten voorbeelden van een tochtje van de knoek naar de stad, het een avondje op paranda gaan, en (in later tijd) gaan werken in Panama. Daarnaast zien we algemene liedjes over de knoek, een dam die gebouwd wordt of breekt, de regen, een hofi, de zee. Omgeving en persoon stonden beurtelings centraal. Zo komen we ook liederen van solidariteit, sociaal verkeer, rouw om een dode en eenzaamheid tegen. Incidenteel horen we ook over plezier, liefde en huwelijk en liederen rond bepaalde feest- en gedenkdagen, zoals een doopfeest. Het (kerkelijk) jaar werd herdacht in liedjes van San Juan, Sint-Antonius en Judasliedjes. Tot de meestverbreide en in onze dagen opnieuw populair geworden oude ‘cantica’ behoren wel de oogstliederen: het snijden van de mais, het binnenhalen daarvan en het erop volgende feest. Onderzoeker Elis Juliana maakte onderscheid tussen de ‘wapamentu’ en ‘seu’, en de ‘kantika’ die daarbij gezongen werden. De ‘wapamentu’ was de oogst-optocht (marcha), waarbij liederen in het ‘guené’ (een geheime taal) werden gezongen; de culminatie van de optocht was de ‘seu’ (mas será, mas kompakto) waarop men ‘kantika makamba’ zong, die wel begrepen werden, maar in hun eufemistische wijze van zeggen toch verhullend waren.[17] Rond ziekte en dood kenden familie en buren een vast ritueel. Er werd bij de zieke gewaakt en na het sterven en de begrafenis werd er een acht avonden durende nachtwake ingesteld, die op de laatste avond, de ‘ocho dia’ of ‘novena’ een hoogtepunt vond in de ‘ocho dia kantá’. De ‘sakristán’ brak dan na het samen met de verzamelde vrouwen zeggen van de gebeden het altaar af, de mannen buiten brachten de tijd door met het opgeven van raadsels en het luisteren naar de speciaal ingehuurde ‘echado di cuenta’, die te beschouwen is als een beroepsverteller.[18]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Tambú en Dandé Vooral rond Nieuwjaar waren er veel liederen. Zo was op alle eilanden de tambú (tamboer) populair en speciaal op Aruba de dandé. Er zijn bewijzen dat de tambú in de eerste helft van de vorige eeuw op Aruba bekend was en gedanst werd. Op Curaçao is het genre zeker minstens zo oud te noemen. Tambú-dansen en -liederen waren bestemd voor de tijd rond de jaarwisseling, maar men ‘oefende’ soms al vanaf oktober. (Boelbaai 1990: 4) De tambú bracht op satirische en improviserende wijze de actuele publieke ‘geheimen’ onder de aandacht.[19] ‘De liederen zijn

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

50 vaak dubbelzinnig en verwijzen naar in het jaar begane daden. De Gezaghebber, de dokter, de plantage-bezitters of handelaren krijgen een beurt en worden dikwijls niet gespaard. Vooral met Kerstmis en Nieuwjaar vonden de dansen plaats. Tegenwoordig komen deze slechts sporadisch voor,’ schreef Oranje (1948: 491). Juliana (1975a: 45) onderscheidde de ‘tambú di aña’ (ter gelegenheid van het nieuwe jaar), de ‘tambú di pleizi’ (om feest te vieren) en de ‘tambú di sanka’ (om te dansen). Hij verdeelde de tambú-liederen in drie groepen: die welke in mineur werden gezongen (den tono minor, esta tristu, melankóliko, yen di preokupashon pa futuro), liederen vol troost voor de slaven (konsuelo dje katibunan), en liederen die haat tegen de meester vertolkten (odio kontra e shon). Boelbaai (1990: 16-17) onderscheidt gesloten en open varianten, namelijk de voor iedereen toegankelijke tambú di señorita en tambú di sanka, en de tambú invitá of kombidá voor genodigden. Brenneker (1969-1975: 1782-1783) onderscheidde drie fasen: de oorspronkelijke tambú, zijn degeneratie en de heropleving. In de eerste periode van de Antilliaanse literatuur bevinden we ons alleen in die eerste fase, die zeker tot ver in de tijd van de slavernij teruggaat. Met name de R.K. kerk, maar ook het burgerdom heeft zich fel verzet tegen de uitwassen die bij de tambú-vieringen plaats zouden hebben (‘tambú ta pidi sanger’). Men verzette zich vooral tegen het Afrikaanse element en het gewelddadige waarmee het dansen gepaard zou gaan, niet zozeer tegen de tekst van de liederen. De protesten waren legio. Een oude Arubaanse bron van het einde der 19de eeuw wond er geen doekjes om: ‘Oorverdoovend, onuitstaanbaar en onbeschaamd, meer dan ooit te voren, heeft het gepeupel vooral in de Kerstdagen hier huisgehouden. Een onzedelijke Afrikaansche negerdans als tamboerdans bekend, had volop vrij spel. Op niet minder dan drie plaatsen werd in de kom der Oranjestad dag en nacht op furieuze wijze zonder ophouden de tamboer geroerd. In het holst van de nacht hoorde men van tijd tot tijd boven al dat geroffel een volksen hondengeschreeuw opstijgen alsof men te Dahomey in het hartje van Afrika feestvierde.’ Een nuchterder stem klonk in 1904, die de discussie om de tambú-dans in de strijd voor het eigene trok, tégen de blanke die niet tot dat eigene behoorde: ‘Evenmin als het Papiëmentsch ophouden zal, de landstaal te zijn en plaats zal maken voor het Hollandsch, evenmin zal de tamboerdans hier te lande bij de roode, gele, bruine en zwarte bevolking door andere dansen worden vervangen.’ Kennelijk stonden liberalen en Katholieken tegenover elkaar. De verder zo voorzichtige Pater Euwens schreef ronduit over ‘een uiting van dierlijke zinnelijkheid’ en dat was het officiële standpunt van de hele kerk, getuige een column van Jan Paul Delgeur: ‘Zoo nu en dan werd door de blackies in 't holletje van den nacht de oude Afrikaansche tamboer voor den dag gehaald, de mijohn rum ontkurkt, en 't vieze gedoe begon. Dat verveelde me, dat herhaaldelijk vuig gecancan. Wat er toen gebeurd is, weet ik heusch niet meer, maar ik zie me nog, pezige zesvoeter die ik was, hoog op mijn nerveuzen hengst plots te midden in dien lallenden heupwiegenden stomdronken negertroep springen, er onbarmhartig op los karwatsen, met 't wonder-effect, dat in 'n minimum van tijd, in die met zweet en stank en Afrikaansche boemklanken bezwangerde koraal, weer de intense stilte heerschte van een pieuze maanlichte tropennacht.’[20] Het verzet van kerk en establishment tegen de tambú is langdurig, maar tevergeefs geweest. De moderne vorm is door iedereen geaccepteerd en zo werd het muzikaal-literair-dansante genre opnieuw zeer populair. Het tambúlied is pure oratuur,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

met de produktieve improvisatie op de vaste grondpatronen, met het direct reagerende publiek waar de voorzanger op (meestal) haar beurt weer op in kan spelen. Heel anders dan de kerk traditioneel oordeelde schreef Pater Brenneker (1969-1975: 1784): ‘Tamboerliedjes zijn juwelen. Onvervalst papiaments, niet gebonden aan grammatica en bovenal springlevend. Ze zeggen de waarheid in de regel niet direct. Het zijn zinspelingen die je moet begrijpen. De aanwezigen begrijpen ze onmiddellijk, barsten dan los in een schaterlach en zingen het refrein mee. Heel zo'n tambú is een ontlading

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

51 van het gemoed in de zin van: laten we er maar om lachen. Gelukkig leeft de tambú de laatste tijd weer op.’ Maar met dit citaat zijn we al in onze tijd aangeland, wat wel aantoont dat het genre levender is dan ooit.[21] De dandé zou omschreven kunnen worden als de Arubaanse nieuwjaars-serenade. Een groep muzikanten trekt, geleid door een voorzanger, van huis tot huis om zingend-musicerend de bewoners een voorspoedig nieuwjaar toe te wensen. Men werd met ‘open handen’ ontvangen en de beloning voor de gezongen heilwens was geld en drank. Het grondpatroon van de ‘dandé’ staat vast, maar ter plaatse brengt de zanger improviserend de op de bewoners van het op dat moment bezochte huis toepasselijke varianten aan. Onderzoekers als Rufo Odor en Eddy Bennett zagen in het ‘call and response’-karakter van de zang een Afrikanisme, dat ook in també’ aanwezig is. Het woord dandé zou van het Frans ‘dandin’ of het Engelse ‘dandy’ afkomstig zijn, maar Kock (1987: 4) verdedigde dat het woord ‘dandé’ afgeleid werd van ‘dandare’, wat ‘van de ene plaats naar de andere gaan’ betekent, ‘wat geheel overeenkomt met wat er tijdens de serenade plaatsvindt’.[22]

Catibo ta galiña - de slaaf over de slavernij De oratuur was van de slaven, niet van de meesters. De liederen en verhalen handelden over allerlei aspecten van het leven in onvrijheid, meestal in verborgen vorm, maar ook een groot aantal keren direct. Welk beeld krijgen we nu nog uit de tientallen liedjes die de slaven over hun eigen positie zongen? De door Pater Brenneker en Elis Juliana verzamelde Curaçaose liederen behandelden diverse aspecten van het leven in slavernij, van aankomst, verzet, vlucht en uiteindelijke emancipatie. Omdat de onderzoekers sommige liederen meerdere keren tegenkwamen en weergaven vanuit verschillende bronnen, kunnen we bovendien iets leren van de varianten.[23] Het enige liedje over de aankomst stelde het merkwaardig zo voor alsof de slaaf uit Nederland arriveerde: ‘Ahooo ahooo awo ma jega di Ulanda / aho mi di ma sali Ulanda / aho mi ta jiu 'i Ulanda / eh jiu di Ulanda.’ [Ik kom juist aan vanuit Holland, ik ben Hollander] Kende dit lied nog een zeker optimisme, daarna werd de toon al snel in-droevig. Als de slaaf zijn positie bezong was de toon bijna zonder uitzondering in mineur, met name wat de volkomen rechteloosheid betrof. Over de willekeurige verkoop en daardoor het uit elkaar trekken van moeder en kinderen ging het bekende ‘catibu ta galiña’: een slaaf is als een kip die verkocht wordt. ‘De shon verkoopt ons, moeder, we gaan naar een andere shon. Ik heb de heer gesmeekt. Kijk, de shon verkoopt ons, hij heeft het geld in de hand. Slaven zijn kippen’: ‘Catibu ta galinja mama catibu ta galinja hm / shon ta bende nos mama ta bende nos / catibu ta galinja mama catibu ta galinja hm / nos ta troca shon mama mira com m'a papia shon / catibu ta galinja mama catibu ta galinja hm / ata shon ta bende nos mama cu placa na man hm / catibu ta galinja mama catibu ta galinja hm.’ Daartegenover stond het zelfrespect van de zwarte mens: ‘Ik ben een haan, ik draag een kroon op mijn hoofd’. Bekend was Buchi Fil die nooit duldde dat welke blanke of opzichter hem aanraakte. Van respect getuigt ook het werklied over Chamba, die met bijl op zijn rug en zijn pikhouweel op zij naar Paradera ging om te werken:

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

‘Chamba te Paradera / cu su hacha na su lomba / ata Chamba ta bai Paradera awe / cu su hacha na su lomba / cu su piki na su zij.’ De shon werd diverse keren geschilderd als oneerlijk omdat hij zijn beloften niet nakwam, als gierig en als wreed. Een slavin, moeder van acht kinderen, werd als straf zo maar in een droge put gesmeten. Ze smeekte met haar acht kinderen aan een andere shon verkocht te worden: ‘Oh beilo - ma mi ta mama di ocho jiu / oh beilo shonnan bendemi bende mi jiu / oh beilo - ma mi ta mama di ocho jiu / oh beilo jangado di tera abao / oh beilo - janga numa / og beilo - shon bendemi bende mi jiu.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

52 De (veelal zwarte) bomba of vitó werden als opzichters bij het werk of uitvoerders van de door de shon opgelegde lijfstraffen algemeen afgeschilderd als meedogenloos wreed. De shons waren afhankelijk van hen, dientengevolge gedroegen de bomba's zich vaak eigenmachtig. Zij gunden de slaven zelfs hun rechtmatige middagrust op het heetst van de dag niet en waren alleen op eigen voordeel uit. Eén voorbeeld uit vele, over de gehate bomba Balentin van Kenepa, die een verhouding met de vrouw van de shon had en in het landhuis ging leven na zijn meesters dood. Hij at het vlees en liet de botten over. Hij werd in dit lied een ‘moordenaar’ genoemd die het met de blanken hield, zelfs met hen aan dezelfde tafel at en eigenaar van het landhuis werd: ‘Bam Kenepa bam mira e matado didjo / Balentin eh didjo bam Kenepa / bam mira e matado didjo / Balentin eh come carni laga wesu / Balentin didjo Papa Zinowé / ata e neger tribi ta sinta na mesa / Papa Zinowé / e neger tribi ta come cu blancu / Papa Zinowé / e neger tribi a bira donjo di cas / Papa Zinowé.’ Heel wat liederen gingen over het verschil in rechtspositie en de discriminatoire behandeling van zwarte en witte mensen, die in het volgende kort maar wrang werd samengevat: ‘Si ta neger bo ta / kico bo haci tin castigu pa bo / ma si blancu si / maske kico cu e haci no tin castigu pe / esta un cos di hari / hehehe...’ [Als je zwart bent krijg je altijd straf, maar een blanke, wat hij ook doet, krijgt nooit straf. Dat is iets om over te lachen] Naast de klacht klonk het verzet, passief door middel van werkweigering, door middel van het gebruik van de voor de blanke shon onverstaanbare guené-taal, de zogenaamde kleine marronage (het tijdelijk weglopen van de plantage) of de poging tot een definitieve vlucht: ‘Adios Shon Feli Vidal adios / Shon Manchi Maduro adios / Shon Feli Vidal / Poro Rico ta mas miho.’ [Vaarwel shon Vidal en Maduro, op Puerto Rico is het veel beter] Bij deze vluchtliederen nam het ‘luango-lied’ een speciale plaats in, ook al omdat het veelal in het guené gezongen werd. Het vertelde hoe een slaaf die nog geen zout gegeten had naar Afrika terug zou kunnen vliegen. Deze luango-liederen kenden nogal wat varianten, waarvan ‘Djowili bo ta bai / cuminda Djo pa mi / bo po mira Djo / cuminda Djo pa mi.’ [Djowili je gaat weg, als je God ziet, doe Hem dan mijn groeten] Klacht, protest en verzet overheersten getalsmatig, maar daarnaast lieten de liederen ook menigmaal de eigen cultuur van de slaven zien, met name wat het onderling sociaal verkeer betrof. Daarbij waren de liedjes waarin slaven elkaar wederzijds uitvoerig, met een grote variatie aan formules, begroetten zo talrijk dat daarvan hier een voorbeeld volgt: ‘Cumindami / mi nabiu a cumindami / mi ta cumindabo mi nabiu / ata m'a cumindabo awe / ah cumindami / nabiu a cumindami awe / oh combai tur mi rumannan / ma ta mi nabiu ta cumindami awe.’ Eigenlijk is het nogal opvallend dat de verzameling van Pater Brenneker maar één voorbeeld gaf van een lied over de grote slavenopstand van 1795 en de strijd van Tula en zijn medeslaven voor de vrijheid, en dan nog zonder veel bijzonderheden: ‘Zino papapa zinowé / neger tribi ca lanta cu blancu / zino papapa zinowé / Tula tribi ca traha papa / zino papapa zinowé / Tula tribi ta hala lechi.’ [De onbeschroomde/brutale negers kwamen in opstand; Tula kwam in opstand] Over de uiteindelijke emancipatie in 1863 zijn heel wat meer liederen bewaard gebleven. Ze zijn in twee groepen in te delen, de min of meer officiële liederen van ‘dankbaarheid’ aan Koning Willem III die de vrijheid schonk en de liederen die van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

triomf spraken tegenover de shon die nu zijn macht kwijt was: ‘Bam pidi Dios na rudia abao / cu su santu debocion / awor nos tur ta liber di tur shon / liber di tur nacion / catibu di rei.’ [Laten we God op onze knieën devoot danken dat wij allen van de shons vrij, nu slaven van de koning zijn] ‘Muchu danki Shon Welmu den Derde / cu awe nos ta ruman / pero awo nos tur a bira / catibu di Shon Dios / laga nos bam gradici ma na bon Dios / pa cielu i su bondad.’ [Dank

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

53 Koning Willem III, dat we nu allemaal broeders en zusters zijn, maar Gods slaven. Laten we God danken voor zijn hemelse goedheid] Zo te horen liet de kerk zijn invloed in de officiële dankbaarheidsbetuigingen degelijk gelden. Bekend werd ook ‘Libertad galité / la reina Victoria a mand'e cos pa nos / libertad galité / Willem den Derde a mand'e cos pa nos.’ [Vrijheid, gelijkheid; koningin Victoria en koning Willem III hebben ze ons geschonken] Tot de varianten die meer ‘off the record’ waren, maar ongetwijfeld de gevoelens goed weergaven, hoorden de bekende, ‘Awo n'tin Shon Henri ntin Shon de Palm / ntin nada mas / awo nos tur ta un awo nos tur ta un / awo djaca laba tajo awo djaca frega cuchu.’ [Er is nu geen shon Henri of shon de Palm meer, we zijn nu allemaal een, de ratten doen de afwas] ‘Caiman djucu / djucu caiman / djucu a keda cu shon / caiman djucu / djucu caiman / djaca laba tajo / caiman djucu / djucu caiman / djaca limpia cuchu / caiman djucu / djucu caiman.’ Sypkens Smit (1981) verzamelde tijdens zijn antropologisch onderzoek een aantal voorbeelden van Sint-Maarten. ‘Obbey ben'a here'm lòng time, / Bukkra hide 'm lòng time...’ vertelt hoe de Nederlanders de emancipatie op Frans Sint-Maarten in 1848 tevergeefs probeerden te verbergen. Uit de verzameling van Brenneker blijkt duidelijk dat zijn verschillende twintigste eeuwse zegslieden hun eigen varianten vertolkten. Dat wordt hier tot slot kort gedemonstreerd aan de hand van het bekende ‘di ki manera’ waarvan niet minder dan vier versies bekend zijn. De inhoud is bij alle vier dezelfde, de varianten zien we in de presentatie, een bewijs dat het algemene en populaire lied tot de levende oratuur behoorde. De door Teodor Juliana gezongen versie luidde: ‘Di ki manera, éééééh / di ki manera nos ta biba na mundu / cu pecado di mundu tur / ta desolá 'i nos! / di ki manera, éééééh / di ki manera nos ta biba na mundu / cu pecado di mundu tur / ta traiciona 'i nos! / di ki manera, éééééh / di ki manera nos ta biba na mundu / cu pecado di mundu tur / ta lanta contra nos! di ki manera éééééh.’ [Op welke manier leven wij op aarde, met alle zonde die ons diep bedroeft, die ons verraadt, die tegen ons gericht wordt] Het is een felle protestversie, die spreekt van verraad en verzet tegen ‘ons’ als groep. Op welke manier leven we op aarde, als iedereen ons in de steek laat, ons verraadt en tegen ons is. Door het herhaalde ‘op welke manier, éééééh’ werd het vraag-element wel heel sterk in deze versie. Martili Pieters zong het lied met de volgende varianten, waarbij de ... staan voor het refrein, ‘Di ki manera ééh / di ki manera nos lo biba den e mundu aki / cu pecado di mundu nan tur ta malmula nos/.../.../ si nos haci malu / pecado di nos a haci malu / si nos haci bon / tambe pecado di nos a haci malu./ .../...’ Deze versie is minder fel en geeft eerder een algemeen gevoel van onmacht weer in de trant van: we krijgen altijd de schuld. Ze was daarnaast enerzijds sterk gericht op het leven hier en nu in deze maatschappij, anderzijds beschreef ze minder het feitelijke leven maar vroeg ze, door het gebruik van ‘lo’, hoe zullen we hier en nu leven. Beide versies spraken over het gezamenlijke ‘wij’. We zien het probleem van de transcriptor die schriftelijk moest weergeven met hoeveel nadruk het herhaalde ‘eeh’ gezongen werd. Chico van Seru Fortuna zong, in een persoonlijker versie door middel van het gebruik van het ‘ik’: ‘Di ki manera eeeh / di ki manera lo mi biba na mundu / di ki manera lo mi biba na mundu / pa pecado di mundu nan lo desola 'i mi /.../.../.../ cu

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

mi haci bon nan di m'a haci malu / si mi haci malu nan di tambe m'a haci malu.’ De directe herhaling van ‘hoe zal ik op de wereld leven’ versterkte het persoonlijke. Evenals de eerste versie spreekt deze over het in de steek laten. Het refrein werd in deze versie maar één keer, alleen in het midden herhaald, niet aan het eind. De volgorde van goed en kwaad doen werd hier omgedraaid, waardoor het effect van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

54 het altijd ongelijk krijgen iets zwakker werd. Door de uitgebreide herhaling van de drie beginverzen lag er een sterke nadruk op de vraag, er komt geen antwoord. Poulina van Wanota's versie kent eveneens het persoonlijke ‘ik’, nog versterkt door de herhaling in vers vijf en zes dat ‘ik’ verkeerd deed: ‘Ai di ki manera eh / di ki manera mi po biba na mundu / ma n'tin manera pa mi biba na mundu / ma pecado ta desola / cu m'a haci malu / pecado di m'a haci malu / ora m'a haci bon / pecado di cu m'a haci malu / ma n'tin manera eh / mi po biba na mundu.’ In deze versie komt het kunnen (po) het sterkst op de voorgrond, ik kan niet op de wereld leven, waar de andere versies ‘ta’ of ‘lo’ geven. Er is hier geen refrein, maar wel een sterk gesloten structuur door de gevarieerde herhaling van het begin. Er is nog een belangrijk verschil met alle drie vorige versies, want de vraag van het begin ‘ach, hoe kan ik op aarde leven’, wordt aan het eind door de ‘ik’ zelf in negatieve zin beantwoord: er is geen manier voor mij om op aarde te leven. Daarmee werd deze laatste versie de meest droevige variant van dit depressieve werklied, dat de uitzichtloze situatie van de slaaf vertolkte.

Ontwikkeling? In hoeverre hebben de liederen zich in de loop van twee eeuwen ontwikkeld? Dat een lied niet steeds in zijn oorspronkelijke staat behouden bleef, wordt alleen al bewezen door de varianten naar plaats, want niet elke vorm is op elk eiland even bekend of geliefd.[24] De oratuur verdwijnt in hoog tempo door de moderne communicatiemiddelen en de oude schaamte die het eigen verleden slechts ziet als een periode van armoe en slavernij.[25] Hoe stel je de ouderdom van een lied vast? Verschillende onderzoekers gingen uit van zeer diverse uitgangspunten en methodes. Latour bepaalde de ouderdom van de liedjes uit hun onbegrijpelijke Papiamento: ‘Veel van deze liedjes zijn inderdaad oud. We zouden kunnen zeggen: de meest onbegrijpelijke zijn waarschijnlijk het oudst. Dat ze zo onbegrijpelijk zijn, komt van hun uitheemse afkomst. Dit is namelijk geen papiaments meer (of misschien beter gezegd: nog geen papiaments), maar het laatste overschot van een of meer talen van een heel ver land overzee, waarnaar in de harten van de oudsten onder de plattelandsbevolking nog een vaag, onberedeneerd heimwee heerst.’[26] Statia [1991] gaf op basis van Brenneker een aantal voorbeelden van liederen over de tijd van slavernij, die ze op grond van een inhoudsanalyse thematisch indeelde. Mogen we concluderen dat deze liederen óver slavernij uit de tijd van de slavernij stammen en dus oud zijn? De overlevering van generatie op generatie (eventueel met varianten die Statia ook geeft) lijkt zeer aannemelijk. Als we ervan uitgaan dat liedjes over (het einde van) de Eerste Wereldoorlog wel ontstaan zullen zijn in de tijd waar ze over gaan, evenals gelegenheidsliedjes bij de verjaardag van een Oranje of de komst van de gouverneur, mogen we dan zover gaan een lied over de ‘bomba’ tot de tijd van de slavernij zelf te herleiden? Zegt het onderwerp iets over de ouderdom? Mag het ontbreken van liederen over de grote slavenopstand van 1795 tot de conclusie leiden dat de overgeleverde liederen negentiende-eeuws zijn?

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Van Meeteren vond het oudste dandé-liedje uit de eerste helft van de vorige eeuw. Erasmus dacht dat het begin direct na de emancipatie in 1863 gezocht moet worden, omdat de slaven niet in staat zouden zijn geweest tot een dergelijke culturele uiting en de aanschaf van de noodzakelijke kostbare viool, een idee waartegen Bennett zich fel verzette. Kock kon de eventuele Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse of misschien zelfs wel Indiaans-Arubaanse oorsprong van de dandé niet achterhalen, maar hij wist wel met zekerheid te melden dat op Aruba zelf de dandé in Savaneta begon: ‘De man die met de dandé begon is Jan Leoncio Pieters Koolman Jr. Hij schijnt de pionier te zijn geweest van de dandé-cultuur die later door velen is overgenomen. Omstreeks 1880 is de eerste dandé-groep opgericht.’[27] Maar niet altijd zijn er zulke exacte

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

55 gegevens voorhanden. Zolang die uitblijven zullen de meningen wel blijven divergeren en is het laatste woord hierover noch gezegd noch geschreven.

Zangers Havelock (1986) schreef van specialisten die de oratuur bewaarden en doorgaven. Wat weten we nog van hen of zijn deze in de nevelen van anomiteit verdwenen? Wat de zangers uit de vorige eeuwen betreft jammergenoeg wél. Brenneker (1969-1975: 110) noemde van later tijd de ‘baas di cantu’ (meesterzanger) Djaoen, ‘die er een dik schrift op nahield, waarin zijn liederen stonden opgetekend. Djaoen maakte school. Hij stierf in de stad, maar voordat de familieleden arriveerden, waren vier van zijn leerlingen er ieder met een deel van zijn bundel vandoor.’ De liederenschat was kennelijk voornamelijk van het platteland. Of is een dergelijke conclusie ook al weer te voorbarig en weten we niet meer dan dat in de tijd van onderzoek er kennelijk in de stad niet veel meer te vinden was? Wie Brennekers verzamelingen doorneemt, valt onmiddellijk op dat er zoveel zangers/zegslieden zijn. Alleen al in Benta noemde Brenneker niet minder dan 92 zangers en zangeressen en in de verschillende Sambumbu-deeltjes kwamen daar nog tientallen nieuwe namen bij, waarbij opviel dat van elk van hen slechts een beperkt aantal liederen afkomstig was.[28] In de jaren zestig en zeventig, toen Brenneker en Juliana hun onderzoek deden, waren er kennelijk geen algemeen erkende zangers meer, wat evenwel nog niet bewijst dat ze er vroeger niet geweest zouden zijn.[29]

Eindnoten: [11] ‘Een van zijn nazaten heeft deze stapel schriften zorgvuldig bewaard. Maar eens brandde zijn huis af met al wat er zich in bevond.’ Brenneker (1969-1975: 57) [12] ‘De aard van deze liederen brengt haast vanzelf mee, dat er geen volledige “canticanan di piki” (werkliederen) meer bestaan. Wat men er nu van tracht vast te leggen zijn kleine brokstukjes die in het geheugen van de een of ander zijn blijven hangen.’ (Latour: Amigoe 10 XII 59) [13] ‘mi tabatien berguenza, koe mi no tabatien otro berdadera cantica di nos tera. Afor cantica di seoe i tele-lele koe di berde ta mas mahoos ainda, nos no tien nada. Pa papia berdad toer cantica, koe nos tini, ta cantica silvester. Ta precis koe nos ta busca nos consuelo cerca spanjool, i koe awor nos tien algun cantica religiosa, ma den na circunstancia asina nos no mester cantica religiosa, ma bon cantica civilizado di puebel.’ (Amigoe 28 VI 1884) [14] Panhuys 1933; Jesurun Pinto 1944, 1948; Kamerling 1946; Brenneker 1969-1975. In 1973 werd de Fundashon Zikanzá opgericht. De collectie bestaat uit 26 cassettes van elk 60 minuten, met 1410 opnamen. Het C.H.A., A.A.I.N.A. en Servisio di Asuntonan Kultural hebben copieën in hun archief. (Statia [1991.: 18) Op Aruba deden Eddy Tromp en Ito Tromp vanuit het Bureau Cultuur en Opvoeding nuttig werk. Een groot aantal opnamen van liederen en verhalen wordt in de zogenaamde ‘Collectie Ito Tromp’ bewaard in de afdeling Arubiana van de Biblioteca Nacional Aruba. Hoewel een deel van de banden transcriptie-bewerkingen heeft ondergaan, wacht de verzameling op toegankelijkmaking en bestudering. Op de Bovenwinden werd nuttig werk verricht door Will Johnson 1979; Jean Glasscock 1985; J.G. Crane 1987; C.E. Lopes 1991.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Op Curaçao schreef Ini Statia [1991. een nog ongepubliceerde studie, die een wijde verbreiding en bekendheid verdient te krijgen. Niet eerder werd de oratuur zo breedvoerig en diepgaand beschreven. [15] Brenneker 1969-1975: 450. Rose Mary Allen (1992: 7) noemde als functies van de cantica: een uitlaatklep, verlichting van het zware werk, protest. [16] Hartog 1962: 324-325; Lauffer 1976. Delgeur (Amigoe 28 IV 1906) bleek een goed oor te hebben voor een werklied op Sint-Eustatius, toen men de door hem zo begeerde steiger aan het bouwen was: ‘Timber, 'n Statiaansch sloepkapitein, aldra tot mandoer gepromoveerd, stemt dan 'n lustig liedje, en met z'n longen van ijzer galmt ie onvermoeid: “Old man, old man, your horse is dead.” En met 'n paar flinke duwschokken dreunt 't refrein uit de kelen van 'n 20 handspaakmannetjes: “We know so, we say so.” “Oh, if he is dead, Ik will ride him again” gooit Timber er met bravour uit. “Poor old man”!!! dondert 't in 3 tempo's.’ E. Juliana gaf in het deeltje Wega van zijn Guia etnologiko, nr. III een verzameling van spelliedjes voor kinderen. [17] H. Hoetink schreef: ‘Dat deze liederen van zeer oude datum zijn blijkt wel uit het feit, dat ze niet gezongen worden in papiamentu, maar in “guenée”, d.w.z. dat de thans door niemand meer begrepen (en natuurlijk sterk verbasterde tekst) van Afrikaanse oorsprong is, evenals de gehele ceremonie.’ (Christoffel I-9: 404) Juliana 1975b: 65-69 sprak van ‘kantikanan komprendibel pero nan tabata eufemistiko’. Pastoor Jan Paul Delgeur noteerde in Amigoe 7 X 16 nog een oud vertaald oogstlied met ‘een melancholische melodie...in hun taal zoo vol poëzie’, dat men zong nadat de pastoor zijn parochianen bekend heeft gemaakt met een nieuw soort mais: ‘Waarom zoo lang door ons miskend? Feterita! Feterita! Zoo menig hongerende hadt ge kunnen spijzen, Feterita! Feterita! Tranen van zoovele schreiende moeders kunnen drogen, Feterita! Feterita! Want haar lief kinderke zou dan niet gestorven zijn, Feterita! Feterita! Maar nu komt ge tot ons, als Gods barmhartige engel, Feterita! Feterita! En vol vreugde kussen we uw reddende hand. Feterita! Feterita! Uw lelieblanke korrel zal gedijen in onze grond 'n honderdduizendvoud Feterita! Feterita! En in ons land zal niet meer schrijnen 't felle hongerwee. Feterita! Feterita! Welvaart zal heerschen in onze dorpen, Feterita! Feterita! En na God, danken wij zulks aan u. Feterita! Feterita! [18] Zo'n ‘ocho dia’-seance kende een geheel ritueel van gebeden en verhalen, waarover Juliana in een interview met Hanny Lim in B/N 5 X 83 vertelde: ‘de mensen componeerden hun eigen gebeden en dat vond je vooral in de ceremonie Ocho Dia....Ik heb daarvan twee opnamen, een daarvan is in de jaren zestig gemaakt op Westpunt, gezongen door een man, de andere opname is van Bandariba, gezongen door een vrouw. De enige vrouw die dat deed, ze is een paar jaar terug overleden. Ja, tijdens de Ocho Dia werd wel degelijk gezocht naar een eigen verbinding met het Opperwezen, maar het werd toch als belachelijk beschouwd. (...) Men verstond niet wat er werd gebeden. Ik zei al dat het een compositie was; er zat verbasterd Latijn in, verbasterd Spaans en er zat Papiamentu in, het was voor een leek volkomen onverstaanbaar. Degeen die het componeerde kon meestal zelf niet lezen of schrijven, maar die had een enorm goed geheugen. Die kon dat helemaal uit het hoofd opratelen. Ik heb later schriften in handen gekregen, waarin een kind of kleinkind letterlijk opschreef wat er gezegd werd. Fonetisch dus. Ik heb zo'n schrift, je krijgt er de raarste dingen in te lezen. Maar als je het goed gaat bestuderen en je neemt een missaal in je hand, dan blijkt dat het toch klopt.’ Triebels (1980: 7; Ñapa 5 IX 80) beschreef het proces als ‘ocho dia cantá’.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[19] Hartog 1953: 183; Nooyen 1965. ‘Cantica 'i tamboe kenmerken zich door hun soms zeer rake en snedige critiek op gebeurtenissen en personen en dragen, op weinige uitzonderingen na, steeds een min of meer erotisch karakter...’ (Van Meeteren 1947: 77) Hoetink 1958, 1974: 99 noemde als kenmerken de improvisatie en het hekelende. Zie ook Boelbaai 1990. [20] Het protest is uit Amigoe 16 I 1886, de verdediging uit De Vrijmoedige 29 XII 1904. Dat het socialistische Tweede Kamerlid H. van Kol een tamboerdans op uitdrukkelijk verzoek bijwoonde (Van Kol 1904: 355) werd hem erg kwalijk genomen. Pater Euwens schreef ‘Het beschavingswerk op Curaçao’ in Neerlandia 1906: 128. Jan Paul Delgeurs reactie verscheen in Amigoe 2 II 24. De bekende Papiamentstalige auteur W.E. Kroon verdedigde in La Union 16 III 23 de dans in het algemeen, maar hij veroordeelde de tamboe. H.E. Lampe (1932) beschreef hoe de Arubaanse politie de klewang gebruikte om de tamboervellen stuk te snijden. Juliana: Curaçaose pinda's I, 1969: 23-24 parodieerde door middel van een geestig verhaaltje de houding van de R.K. kerk, dat deelname aan de tamboe iemand overleverde aan de duivel. [21] Rond de jaarwisseling klonken ook de spot- of steekliedjes (puñas) op, die eveneens hekelden. (Van Meeteren 1947: 190-191) Vanaf 1950 kennen we rondom carnaval een bloei van oratuur. Zie bijv. ‘Het Curaçaose carnaval, een nieuwe traditie?’, Curaçao 25 II 50: over de eerste carnavalsviering op straat, met optocht en wagens, dans. [22] Van Meeteren 1947: 189. Nadat ze in de jaren zestig leek uit te sterven, kreeg ze begin jaren zeventig weer grote aandacht. Zie bijv. R. Odor: Vorm 1971, december: 15; J. Maduro: Vorm 1972, december; C. Erasmus: Amistad 1973: XI; E.A. Bennett: Vorm 1975, december: 10-11 en Skol y Komunidat VII-1, januari 1976: 3-7. Sinds december 1974 kent Aruba een in december gehouden dandé-festival dat vanaf het begin populair werd en niet meer weg te denken valt. (Amigoe 30 XII 74) De officiële jury moest de ‘variatie in de voorzang’ speciaal laten gelden als een van de punten van waardering. Sinds 1986 houden Arubanen ook in Nederland hun dandé-festival. (S. Kock 1987: 4; Resumen Kerst 1992) [23] Brenneker: Benta en Sambumbu VI: 1507-1563; VII: 1738-1845; IX: 2206-2303. De liederen zijn volgens Brennekers transcriptie. Bij de vertalingen tussen haakjes is vrijelijk gebruik gemaakt van de omschrijvingen die Brenneker gaf. Het aankomstlied staat in Benta nr. 10 en 29. De varianten vinden we in Sambumbu p. 1530 en 1532. [24] Kamerling (1946: 276-278) wees op varianten in tijd en plaats: ‘De gegeven teksten betreffen de kernen van overal gelijke liedjes. Naar de vlekken en cunucu's komen verschillen voor.’ [25] ‘De vele liederen die nog leven onder het volk, zullen over 20 of 30 jaar verdwenen zijn. Door de radio is de mens oververzadigd van muziek, die op een zeer gemakkelijke manier in huis komt. Dat is een meer geperfectioneerde zang. Uit een valse schaamte voor al wat eigen is en herinnert aan die oude arme tijd, beziet men zijn eigen liederenrijkdom als iets armzaligs. En toch spreken velen hun heimwee uit naar die zuivere produkten van eigen bodem.’ (Sambumbu 449) [26] Naar aanleiding van Brennekers Benta (1959) in een Amigoe-recensie (10 XII 59). [27] Zie noot 22. [28] Het ‘top-dozijn’ van Brennekers Benta bevat de volgende namen: M. Pieters (Djaro): 11; C. Streedels: 11; Fl. Reinilia: 10; Wan Sem: 8; J. Martiens: 6; M. Pieters (Cas Abao): 6; G. Rosario: 6; M. Francisca: 5; J. Tomsjansen: 5; Th. Bonifacio: 4; H. Cooks: 4; L. Felipi: 4. De overige tachtig zongen drie, twee of maar een lied. Wat natuurlijk niet direct wil zeggen dat ze er niet meer kenden. Brenneker: Leketé miniwá (1958) bevat een vroege keuze. [29] Literatuur: Brenneker, P. 1959; 1969-75; Hoetink, H. 1955-56; Jesurun Pinto, N.M. 1944; 1948; Juliana, E. 1975a; 1975b; 1975c: Kamerling, H. 1946; Kock, S. 1987; Panhuys, L.C. van 1933; Rosalia, R.V. 1984; Statia, V. 1983; Statia I. [1991..

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

56

2.3. Cuenta Verhalen vertellen was tot voor enkele decennia populair en wijd verbreid op al de zes Antilliaanse eilanden. Het wordt algemeen aangenomen dat deze traditie tot zeer vroege tijden terugging, zelfs tot (ver) voor de geschreven letteren. Maar enige indruk van hoe het oorspronkelijk geweest zou zijn, kunnen we nu alleen nog maar krijgen uit de overlevering van de wijze waarop het vertellen in recenter tijden plaatsvond. Omdat vertellingen niet vastliggen maar onderhevig zijn aan varianten, weten we ook niet meer exact hóe en wát er verteld werd.[30] Elis Juliana zei over de Curaçaose verteltraditie: ‘Mensen praten graag over hun ellende, ze doen dat zo smakelijk dat je denkt, wat moet dat heerlijk geweest zijn om zo naar het hospitaal gedragen te worden en daar zeven dokters om je bed te hebben gehad, en dan nog eerste klas te liggen ook. Maar echt verhalen vertellen is taboe, dat hoort alleen bij begrafenissen.’ Om met name de ‘echte’ oude verhalenschat, zoals die nog bij de oude plattelanders aanwezig was, vast te leggen, vertelde Elis Juliana nog: ‘We gaan steeds met twee bandrecorders. Op de ene band staan verhalen die net niet goed genoeg verteld worden. Die laten we horen. Dan zeggen ze al gauw: “Dat kan ik veel beter”. En dan drukken we de andere bandrecorder in. Het is onvoorstelbaar hoe de mensen zich inleven in een verhaal.’ De via de Fundashon Zikinzá zorgvuldig bewaarde verzameling moet nog onderzocht worden. Ze bevat vertellingen van oude mensen wier eigen levenservaring tot het einde van de vorige eeuw teruggaat, maar die ook de door hun voorouders overgeleverde verhalen, waarvan de vroegste uit de tijd van de slavernij dateren navertelden. De ouderdom ervan is een van de intrigerendste maar nog verre van opgeloste vraagstukken. Op de Bovenwinden kwamen verhalen, spreekwoorden en vooral ook raadsels in velerlei gedaante voor. De oudste verzameling daar is wel die door Parsons (1936), die in 1924, 1925 en 1927 als onderdeel(tje) van de Franse en Engelse Caraïbische eilanden ook de S-eilanden bezocht.[31] De bevolking van Sint-Eustatius hield de vertelling bij allerlei gelegenheden in ere. Bij feesten bijvoorbeeld, ‘waarop, bij fakkellicht, nog de echte ouderwetsche dansen worden uitgevoerd, wordt de tijd ook aangenaam doorgebracht met zang en met vertellingen, “van toen en toen”, waarin vooral de praatgrage oudjes onuitputtelijk zijn.’ (Cappelle 1926: 361-362) Pas veel later deed Sypkens Smit (1981) onderzoek, waaraan Smith (1982b: 11-14) enkele voorbeelden van Sint-Maarten ontleende. Specifiek, want op de Benedenwinden minder verbreid, noemde hij de dierenverhalen van Brer Rabit, smokkelverhalen en ‘riddles’, die steeds met vaste openingsformules als ‘me riddle - me raddle...’ begonnen. Parsons (1943: 435) gaf daarvan bijvoorbeeld: ‘Me riddle, me raddle, / You may tell me this riddle,/ Perhaps you may not./ Dere was old Nancy goes/ Wid a long petticoat,/ De longer she live/ De shorter she grows’ (a candle). Wat de verhalen betreft onderscheidde Smith ‘jumbies’ (spookverhalen), en ‘nancy’-stories (sprookjes). Maar ook hij moest constateren dat de verteltraditie snel aan het verdwijnen was: ‘Today, impinging cultural forces from abroad are slowly eroding, the cultural heritage of the Windward Islands. And, if preservation efforts are not undertaken shortly, our future generations will, as far as literary expression is concerned, always be confronted with a blank page in their folk literature.’ (Smith 1982b: 12) Voor Sint-Eustatius gaf

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Lopes (1991) naast deze soorten nog een hele rij voorbeelden van ‘treasure stories’[32], de verhalen over een op het eiland verborgen schat die tot de tijd van Rodney's overval van ‘the Golden Rock’ in 1781 teruggaan, van ‘ghoststories’ over allerlei geestverschijningen, een verhaal over een slaaf die steeds zonder enige aanleiding onmenselijke afstraffingen kreeg, en het verhaal over de slaven-evangelist Black Harry, wiens missiewerk onmogelijk gemaakt werd, die gemarteld en weggejaagd werd en die

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

57 daarom het eiland vervloekte. Sinds die tijd ging het slecht met Sint-Eustatius, want de Engelse plunderaar Rodney kwam en de economie stortte compleet in... Deze verhalen gaan door tot vandaag de dag (Sypkens Smit 1981: 46), zodat Lopes (1991: 30-31) zijn smakelijke voorbeelden besloot met de verleidelijke oproep, geciteerd om de echte vertellerssfeer die ook bij deze schrijver nog ‘spreekt’: ‘Dear friends, I could fill pages with more of those stories, but why don't you just decide to come to our island someday and get it first-hand from the older folks yourself? I think that would be more enchanting, don't you?’ Will Johnson (1979) hoorde de oude Sabaanse verhalen van zijn grootmoeder Agnes Simmons (1880-1962): ‘After supper she would sit on her doorstep and would sneak in a puff or two on an old corncob pipe while I questioned her about life on Saba when she was a girl, and about stories which had been handed down to her by her grandmother.’ Maar ook de volwassen mannen in Johnsons omgeving vertelden hun verhalen: ‘op Saba kwamen de mannen om vijf uur 's middags, als ze klaar waren met hun werk, bij elkaar zitten op een muur dichtbij een rumshop. Daar vertelden ze elkaar allerlei verhalen over hun jeugd en zo. Er waren mensen die altijd op een bepaalde steen zaten; daar mocht een andere niet op zitten.’[33] Dat het verhalen vertellen al heel vroeg een geformaliseerd karakter had, bleek wel uit de gegevens dat het ‘echte’ vertellen alleen bij bepaalde gelegenheden en dan door specifieke vertellers geschiedde. De ‘echado di cuenta’ werd bijvoorbeeld bij een dodenwake ingehuurd. Terwijl de vrouwen in het huis de dode beweenden en de familie troostten, bleven de mannen buitenshuis, waar de verteller onder overvloedig geschonken glaasjes rum de aanwezigen vermaakte met zijn vertelkunst. In feite is deze ‘echado di cuenta’ de eerste specialist beroepsorator, die van zijn kunst een broodwinning wist te maken.[34] Ook de wijze van vertellen was geformaliseerd, want kenden de riddles vaste openingsformules, de ‘stories’ werden in de meeste gevallen besloten met het rijmpje: ‘De lead bend / And de story end’, met kleine varianten. Er zijn nog steeds mensen die algemeen bekend staan als goede vertellers van de oude verhalen. Op de Benedenwinden verzamelden diverse onderzoekers voornamelijk Compa Nanziverhalen, maar niet uitsluitend. De oudste verhalen schijnen die van de ‘luangos’ te zijn. Deze specifieke slavengroep gold als onbeschaafd, maar ze had in de volksverhalen (als enige!) de macht om de slavernij te ontvluchten door naar Afrika te vliegen, op voorwaarde dat ze tijdens hun gevangenschap nog geen zout gegeten hadden.[35] We kwamen ze al eerder bij de ‘cantica’ tegen.

Compa Nanzi in het web van het geschreven woord gevangen. Abraham Jesurun was einde negentiende eeuw de eerste die aandacht vroeg voor een viertal ‘onder de Curaçaosche bevolking verhaald wordende sprookjes’, die hij naar het erin optredende hoofdpersonage ‘cuenta di Nansi’ noemde, een benaming die in die tijd al gangbaar geweest moet zijn.[36] De oorspronkelijke Papiamento versie liet hij volgen door een vertaling in het Nederlands. Jesurun had een nogal dualistische waardering voor de door hem verzamelde en genoteerde vertellingen, want hij zag ze als primitief vermaak,[37] maar het zou wel meer dan een halve eeuw duren voor er weer iemand van de Antillen zelf het belang ervan inzag om deze spinvertellingen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

in het Papiamento te noteren. We zullen zien dat naarmate de twintigste eeuw vorderde en de verteltraditie afnam de waardering voor de spinvertellingen toenam.[38] De ‘cuenta di Nanzi’ zijn aloude, op een Afrikaanse herkomst stoelende, door de gedeporteerde slaven meegevoerde, mondeling overgeleverde vertellingen, die hun naam ontleenden aan hun hoofdfiguur, de spin, en diens sluwheid en schelmenstreken, waarmee hij iedere tegenstander te slim af was. De onderzoeker Cappelle (1926: 204) beschreef de Caraïbische Nanzi als volgt: ‘De spin is buitengewoon listig, lijdt aan slapeloosheid, heeft een taaiheid, die aan onsterfelijkheid grenst, bezit een formidabelen eetlust en een bewonderenswaardig ta-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

58 lent, om zich van het noodige voedsel te voorzien. De spin toont door het spinnen van haar kunstig web, dat zij buitengewoon knap is en “heeft de draad van haar persoonlijkheid met het nationale leven als het ware samengeweven”...’ Pater Latour (1937: 33) kwam tot de omschrijving: ‘Het zijn meest vrij korte verhalen, waarin Nanzi, de Spin, die eigenlijk een wijze man is (maar dan wijs te verstaan in de zin van sluw, listig), tevens gewetenloos en banaal-grappig, de hoofdrol speelt.’ Van Meeteren (1947: 193) nam zijn grenzen ruimer door ‘niet alleen die verhalen waarin “Tja Nanzi” als hoofdpersoon optreedt, maar ook die, waarin hij een secundaire rol speelt of zelfs heelemaal niet voorkomt’ eronder te rekenen, mits ze voldeden aan zijn omschrijving van de dierenfabels, ‘handelende over een feit uit de dieren-, planten-, of mineralenwereld, als levende personen voorgesteld.’[39] Dominee Baart (1983: 230) noemde Nanzi in zijn dissertatie een trickster-figuur, die als ‘dubbelfiguur’ fungeert, omdat hij als personage zowel de positieve eigenschappen van een cultuurbrenger als ook (vele) negatieve eigenschappen vertoont: ‘Al is zijn manier van optreden, zoals wij die uit de verhalen leren kennen zodanig dat het amorele, het banale en het clowneske ons kunnen verbijsteren, dit mag niet in mindering komen op onze bereidheid om te erkennen dat wij hier te maken hebben met een serieuze poging om de menselijke werkelijkheid van alledag, met zijn hoogten en diepten, ook met zijn verscheurdheid en absurditeit, te benaderen en in de greep te krijgen, opdat het leven geleefd kan worden.’ De onbetwiste Held en Hoofdpersoon Compa Nanzi is getrouwd met Shi Maria, en samen hebben ze twaalf kinderen van wie Pegasaya het slimst is en derhalve het meest genoemd wordt. Het gezinsleven is overigens veelal weinig gelukkig omdat Compa Nanzi er nooit voor terugdeinst zijn familie te bedriegen zodra hij daarmee persoonlijk voordeel kan behalen. De grote tegenspelers zijn de koning Shon Arey en de boosaardige, sterke maar meestal domme Cha Tiger. Daarnaast treden er een groot aantal dierfiguren minder vaak op, bij uitzondering soms enkele menselijke figuren. Opvallend veel verhalen beginnen met de mededeling dat Compa Nanzi honger had en op zoek naar eten was. Dat kan zijn omdat hij een echte veelvraat is, maar het zegt misschien ook iets omtrent de voedselsituatie bij de slaven op het droge en dorre eiland. De underdog Nanzi lukt het steeds om zijn meerderen in rang te slim af te zijn. In de loop van de twintigste eeuw zouden ruim dertig Curaçaose voorbeelden worden opgetekend en zodoende voor ons bewaard.[40] Ze betreffen niet een geïsoleerd Nederlands-Antilliaans verschijnsel, maar ze treden in meer landen in het Caraïbisch gebied op die een periode van slavernij gekend hebben, met name in Suriname en Jamaica. Dat de oorsprong van de spinverhalen in het Westafrikaanse Ghana gezocht moet worden (Baart 1983: 9) zegt nog niets over de ouderdom van de op de Antillen bekende verhalen. Van Meeteren (1947: 194-196) dacht aan de hand van criteria als ‘eenvoud’ en ‘zonder opschik’ een bewijs voor de ouderdom te vinden: hoe eenvoudiger, hoe ouder, maar een gedetailleerde argumentatie verschafte hij niet. Van Meeteren schreef bijvoorbeeld: ‘Wij missen vooral bij die fabels, die wij tot de oudste en in den loop der tijden minst beïnvloede rekenen, de heele entourage van pracht en praal, die in dergelijke verhalen meestal, zoo niet steeds, een Koninklijk hof vergezelt. Een beter bewijs, dat deze verhalen een hoogen ouderdom hebben en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

dat de meeste niet op Curaçaoschen bodem zijn ontstaan, kunnen wij moeilijk vergen.’ Wel kon hij de aan- of afwezigheid van Caraïbische invloed aannemelijk maken, door het al of niet voorkomen van specifieke personages, namen en dingen, de invloed van tijd en plaats te analyseren.[41] Opvallend is dat Van Meeteren, of de verhalen nu van Afrikaanse of Curaçaose bodem leken, en daarmee van twijfelachtige oorsprong waren en al dan niet veranderderingen ondergingen, in elk geval van de verhalen eiste, om tot authenticiteit te kunnen besluiten, dat ze een zekere ouderdom vertoonden. Daarmee schermde hij de ‘Compa Nanzi-verhalen’ af van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

59 zijn eigen tijd en erkende hij niet dat ze een levende traditie vertegenwoordigden die nieuwe voorbeelden voortbracht of kon brengen.

Verbroken traditie Jesurun kon er eind negentiende eeuw nog op wijzen dat ‘lieden van hoogen leeftijd de verzekering geven dezelfde verhalen in hunne jeugd te hebben gehoord’, daarmee een historisch traject aangevend dat liep tot in zijn eigen dagen. Jo van Grol, de vrouw van de Gezaghebber van Sint-Eustatius, had in het begin van de twintigste eeuw een flink aantal vertellingen verzameld, die de ‘nurse’ in het Engels aan het haar ter verzorging toevertrouwde dochtertje had verteld. (Cappelle 1926: 361) John de Pool getuigde in zijn herinneringen aan het Curaçao zoals het was, over de op het eind negentiende eeuw nog levende orale traditie, dat de ‘landlieden’ en de ‘huisjongen’ Marti aan hemzelf de spannende verhalen vertelden (De Pool 1935), een gegeven dat ook Cola Debrots in 1902 geboren hoofdpersonage Frits Ruprecht in Mijn zuster de negerin nog overkomt: ‘Pedritoe, die sprookjes vertelde, over spinnen, over prinsessen die zingen in de hemel, over het spook dat als witte ezel verschijnt met een blauwe ster tussen zijn rechtopstaande oren...’ (Debrot 1986: 54). Het zwarte huispersoneel in de persoon van koetsier en jaja fungeerde als intermediair, zodat de oratuur in alle bevolkingssegmenten doordrong. Parsons (1936) kon nog enkele Bovenwindse verhalen optekenen, onderzoekers als Cappelle (1926) en Latour (1937-1940) moesten al constateren dat de traditie op de Benedenwinden in snel tempo aan het verdwijnen was. Cappelle (1926: 350-366) gaf daarvan de schuld aan de missie, toen hij opmerkte: ‘dat een in een katholieke inrichting opgevoed negermeisje zelfs van deze negervertellingen nimmer gehoord had, illustreert wel genoegzaam de veranderingen, die het volkseigen onder den invloed der missie ondergaat.’ Latour constateerde nog weer een decennium later, zonder naar een bepaalde schuldige te wijzen, dat wat er nog aan verhalen was niet veel meer aan oorspronkelijks bewaard had, want ‘over het algemeen kan men echter zeggen, dat de Curaçaose Cuenta di Nanzi al zó ver van de oorspronkelijke negermythologie is afgeweken, dat het hóóg tijd werd om de laatste brokstukken te verzamelen, want wie nog langer wacht, zal spoedig vergeefs naar kenners en goede vertellers zoeken.’ (Amigoe 1 V 37) Van Meeteren (1947) constateerde hetzelfde verschijnsel, en Nilda Jesurun Pinto (1952) moest zich al uitsluitend op geschreven materiaal baseren. Na de Tweede Wereldoorlog raakten de cuenta op alle eilanden meer en meer in onbruik, iets wat men intussen normaal is gaan vinden. Keur (1960: 280) meldde dan ook voor de Bovenwinden: ‘Nevertheless, people today claim they do not know any of these stories, except the few Ahnancy tales now printed in a school reader. The respondents listed by Parsons have died or moved away with exception of one feeble-minded old man in the Statian Home for the Aged and one other, who laughingly admitted remembering a few of “those ol', ol' stories, what nobody don” know no mo'.’ He claimed, however, that he originally learned all of them not on Statia, but from his grandmother in Curaçao.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Varianten Met oratuur die literatuur wordt doen zich op zijn minst twee problemen voor. Dat is ten eerste het verdwijnen van het vertelkarakter. Niet alleen alles wat in een vertelsituatie met de ontmoeting van verteller en aanwezige luisteraars te maken had en de actieve en activerende rol van de luisteraar die reageerde verdwenen, maar ook het karakter van de verhalen veranderde: een gesproken verhaal is anders gestructureerd dan een geschreven. (Havelock 1986: 13; Statia [1991]: 25-37) De Surinaamse auteur Edgar Cairo beschreef in zijn doctoraalscriptie Krioro fa? (1979) de binaire structuur die de Compa Nanzi verhalen kenmerkt, een structuur trouwens die ook in vele latere geschreven verhalen optreedt. Het tweede probleem betreft de ontwikkeling

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

60 in de tijd. Hoe houdt de twintigste eeuwse chroniqueur rekening met de varianten die in de loop der tijden ongetwijfeld zijn opgetreden. Wat legt hij in feite vast? Legde De Roo (1977: 250-258) er de nadruk op dat de Compa Nanzi-literatuur opgetekend kon worden ‘in nagenoeg dezelfde vorm als waarin ze oorspronkelijk voorkwam’ als oratuur, Aart G. Broek (1988a; 1991) wees op de aanzienlijke veranderingen die in de loop van de eeuwen moeten zijn opgetreden, zowel in de orale vormen als in de wijze van literaire vastlegging. Daarmee sloot hij aan bij theoretici als Havelock (1986) en Finnegan (1992). Ook in de Curaçaose oratuur lijken veranderingen aannemelijk. Van de Curaçaose folkloristen wees Van Meeteren, onder meer door varianten aan te geven, ook op veranderingen (1947, 1977: 195). De latere Elis Juliana nam een tussenstandpunt in door te wijzen op zowel de mogelijkheid van variatie door combinatie, als de geheugenvastheid in de orale samenleving.[42] De verhalen werden in Afrika door speciale vertellers gebracht. Werden deze ook meegevoerd in slavernij of namen niet-beroepsvertellers in het Caraïbische gebied noodgedwongen hun taak over? Wat had dat voor gevolgen voor het karakter van de verhalen? In hoeverre wijzigden de verhalen zich in de loop van drie eeuwen in het Caraïbische gebied zelf, onder invloed van veranderende politiek-economische gegevenheden? Zouden er varianten denkbaar zijn in de verhalen van nieuwkomers aan de ene kant en Afro-creolen, die in het Caraïbisch gebied geboren en getogen waren, aan de andere? Wat was de invloed van het verbod op de slavenhandel van 1807 in deze? Bij gebrek aan gegevens moeten we het antwoord schuldig blijven. H. van Cappelle legde nogal wat nadruk op de wijzigingen, die de Compa Nanzi verhalen in de loop van de tijd moeten hebben ondergaan door de contacten van de uit Afrika afkomstige bevolking met de Spaanssprekende buren en de R.K. kerk. Als concrete voorbeelden daarvan noemde hij de naam Shi Maria, die de vrouw van Compa Nanzi hier kreeg, en het gegeven dat de kerkelijke overheid verbreiding van de verhalen kennelijk niet propageerde. Daar stond echter de invloed van de Curaçaose ‘jaja’ en de ‘nurse’ van de Bovenwindse eilanden op de aan hen toevertrouwde kinderen van de blanke meesters tegenover, en de populariteit van de verhalen bij de bevolking. Latour (1937: 35) kon het daar wel mee eens zijn al relativeerde hij de rol van de kerk en wees hij (het was dan ook tien jaar later) op het algemene verdwijnen van de verhalen. Zijn verzameling is enerzijds nog gebaseerd op mondelinge mededeling (Latour 1938: 15,16), anderzijds op kennelijk schriftelijke bronnen, want hij schrijft over de oorspronkelijke of over de Papiamentse tekst.[43] Een geheel ander probleem droeg Latour aan toen hij noteerde: ‘Dat binnendringen in de ingewanden van de koe, is moeilijk op een kieze [sic] wijze te omschrijven’, of ‘Fatsoenshalve heb ik de slaapkamerscène bij de prinses niet letterlijk kunnen vertalen.’ In hoeverre heeft de zielzorger het van de scrupuleuze vertaler gewonnen? Nog ingewikkelder wordt het als we bedenken dat de verzameling van Geerdink-Jesurun Pinto (1952) hervertellingen van Latour en Van Meeteren zijn, omdat zij deze verhalen op haar beurt weer in het Papiamento omzette voor een radio-publiek van kinderen. Wat gaat er al verloren op deze manier, hoe ruimdenkend waren de vertolkers? Het is juist op deze populariserende versie dat W(im) J.H. Baart zijn dissertatie Cuentanan di Nanzi van 1983 baseerde. Broek concludeerde dan ook

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

dat de als literatuur overgeleverde ‘Compa Nanzi-verhalen’ ons eerder iets vertellen over de tijd waarin ze werden genoteerd dan over hun orale periode.[44]

Echadó di cuenta Al weten we dan heden ten dage niet meer hoe de Nanzi-verhalen oorspronkelijk geweest zijn, ze zijn zo populair dat uitdrukkingen ervan sedert tientallen jaren een vaste plaats in het dagelijkse leven hebben veroverd. De Nanzi-vertelsels waren niet incidenteel, maar structureel

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

61 in het levenspatroon opgenomen, omdat bij zeer bepaalde gelegenheden specifieke (beroeps)vertellers ze met veel succes brachten. Jesurun meldde dat de verhalen door een speciale ‘hinchado di cuenta’ verteld werden. Bovendien besprak hij de wijze van vertellen, waarbij het ‘gebarenspel en voornamelijk de stembuiging’ een grote rol speelden, ‘terwijl zij meermalen door eigenaardige gezangen worden opgesierd’. Spraken Jesurun (1899) en in navolging van hem Cappelle (1926) van de ‘hinchado di cuenta’, Latour (1937: 34-35) stelde ‘chadó di cuenta’ voor, want ‘hincha betekent “opzwellen”. Hechador of zoals het volk zegt: ichadó, komt van het Spaanse “echar cuentos”, vertellen. Dit lijkt me dus een juistere schrijfwijze.’[45] De ‘echadó di cuenta’ kunnen we beschouwen als de eerste als zodanig herkenbare en algemeen erkende beroeps-orator van de Antillen, die van zijn vertelkunst bij de ‘ocho dia’ een broodwinning wist te maken.

Waardering Triebels (1980: 14) zag in zijn inaugurele rede de ‘ocho dia’- viering niet als een Afrikaanse retentie, zoals vrij algemeen werd geschreven, maar als een ‘laat-middeleeuws Spaanse en kerkelijke cultuuroverdracht’, want ‘in het geheel van de “ocho dia”-viering is slechts het vertellen van zogenaamde Nanzi-verhalen, met als hoofdfiguur de Spin, van Afrikaanse herkomst. Deze verhalen dienden als onderbreking van het bidden en zingen en ze zijn voor de “ocho-dia”-viering als geheel ondergeschikt.’[46] Daarmee verplaatste hij de Compa Nanzi-verhalen die algemeen als centraal gezien werden naar de periferie van de begrafenisrituelen. Nilda Geerdink-Jesurun Pinto en met haar vele anderen rekende de verhalen tot het meest eigenlijke van de Antilliaanse volkscultuur.[47] In hun verhalen (en liederen) konden de slaven hun culturele identiteit bewaren en waren ze in staat hun geestelijke onafhankelijkheid ten opzichte van zowel het koloniale gouvernement als de kerk te bewerkstelligen. Dat is volgens Allen (1992: 10) de belangrijkste waarde van de ‘Compa Nanzi-verhalen’. Het vertellen mag vandaag de dag dan niet meer algemeen zijn, als kunstvorm bleven de Nanzi-vertellingen steeds populair. Er was echter wel een verschuiving in de waardering voor het hoofdpersonage, zijn eigenschappen werden meer en meer in een negatief daglicht gesteld, wat zich daarin uitte dat de aanvankelijk benadrukte ‘slimheid’ later meer en meer als ‘sluwheid’ en ‘amoraliteit’ werd aangeduid.[48] In de jaren zeventig en tachtig zien we duidelijk dat men de schelmfiguur - die misschien wel paste in de rechteloze positie van de mens in slavernij, maar niet meer in onze moderne tijd met voor hun eigen lot verantwoordelijke mensen - van bedrieger die het volk een negatief normbeeld voorhoudt, wilde transformeren tot een pedagoog die positieve normen zou personifiëren: eerlijkheid, milieubewustzijn, verantwoordelijkheid, enz. Nanzi werd in het web van de pedagogiek gevangen.[49] Met de trek van de Caraïbische mens naar de (voormalige) Europese moederlanden stak Nanzi andermaal de oceaan over, ditmaal niet als slaaf gedwongen van Afrika naar het Caraïbische gebied, maar in vrijheid vanuit die nieuwe verblijfplaats naar Engeland of Nederland bijvoorbeeld. Dat leverde een nieuwe Nanzi als Europese

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

minderheidsmens op, die door Surinaamse auteurs wel werd beschreven (die trokken ook in veel groter getale naar Nederland) maar door Antilliaanse tot nu toe nog niet.[50]

Eindnoten: [30] Voor theoretische aspecten werd gebruik gemaakt van Ong 1982: 57-68; Finnegan 1992: 30, 41. De citaten van Juliana zijn respectievelijk uit Amigoe 16 VI 73 en Amigoe 23 IV 77. [31] Voor enkele gegevens betreffende de Bovenwinden in het algemeen, zie Cappelle (1926); Parsons (1936); Keur (1960: 276-277, 280) Wat Sint-Maarten betreft weten we iets door Sypkens Smit (1981); Smith (1982b: 11-14); Johnson (1987); voor Saba zijn Crane (1971: 68, 231-232) en Johnson (1979: 60-84) van belang, voor Sint-Eustatius C.E. Lopes (1991). Parsons publiceerde haar verzameling in twee delen in 1933 en 1936; in 1943 kwam nog een derde deel uit met lijsten van varianten, ‘proverbs’ en ‘riddles’. Parsons (1936: 376-391, 399-410) verzamelde Van Saba 6, Sint-Eustatius 11 en Sint-Maarten 16 verhalen van resp. 3, 5 en 8 informanten, variërend van 13 tot 80 jaar en met een gemiddelde leeftijd van 34. Maar dat zegt natuurlijk niets over de ouderdom van de overgeleverde verhalen zelf. [32] Ook op Aruba komen deze ‘schatverhalen’ voor. Goud zou door de Indianen in kisten onder de grond verborgen zijn, maar niemand weet waar... (Amigoe 18 III 92) [33] Will Johnson in een interview met Jos de Roo (Amigoe-Kerstkrant 16 XII 89) [34] Cai Seroe op Curaçao (Schakels 53, 1968: 27-29) en Diowijk op Aruba (Denis Henriquez: Vorm december 1972: 13-14) werden genoemd als bekende vertellers, maar er zijn er, gezien de algemene verbreiding en populariteit van het vertellen, veel en veel meer geweest. Nieuw werk dat op al dan niet authentieke volksoverleveringen is gebaseerd, met name op een verondersteld Indiaans verleden vinden we bij de Arubaanse auteurs E.E. Rosenstand en H. Booi. Een Spaanstalig verhaal gebaseerd op orale traditie is ‘Nitaya, la nieta del anciano Balashi Arubi’ in Souvenir, februari 1946: 44-46. [35] Brenneker 1969-1975: 463-466; Schakels NA 53, 1968: 27-29. Statia [1991. gaf ook enkele voorbeelden en noemde daarnaast verzetsverhalen vol durf en onafhankelijkheid, met name van de legendarische slaaf Buchi Fil, en van vlucht en ontsnapping. Literatuur over deze paragraaf: Parsons 1936; Keur & Keur 1960; ‘Luango’ 1968; Crane 1971; Johnson, W. 1979, 1987; Smith, W.S. 1982b; de Roo 1989b; Lopes 1991. [36] Amigoe 28 IV 1886 gebruikte de aanduiding ‘cuenta di Nanzi’, waarin deze benaming gelijk stond aan een leugenverhaal: ‘...un cuenta di Nanzi, un mentira, un calumnia...’ [37] ‘Dat zij gewoonlijk niet veel om het lijf hebben, laat zich wel gereedelijk verklaren uit den lagen trap van ontwikkeling van de Afrikaansche volsstammen, waarvan de tegenwoordige negerbevolking afstamt; want voor een deel zullen die verhalen misschien wel van Afrika afkomstig zijn. (...) Nog steeds verschaffen die vertellingen, die slechts uit den mond van den “hinchado di cuenta” tot hun recht komen, menig genoegelijk ogenblik aan groot en klein.’ Het waren de bekende ‘Cha Nansi i baca pintá’, ‘Cha Nansi i Temecu-Temebé, ‘Cha Nansi ci Cha Cargapilon’ en ‘Cha Nansi i Pobbichi di breeuw’. [38] Jesurun tekende de vier spinverhalen op in een tijd van overgang. We kunnen aannemen dat in de slaventijd (tot de emancipatie van 1863) de Antilliaanse maatschappij wat de slaven betreft een maatschappij van analfabetisme was, ondanks de kerkboekjes, schooltjes en drukpersen van Putman en Niewindt. Slechts een gering percentage van de totale bevolking leerde lezen en schrijven op school, het orale element was dominant. Na de emancipatie zien we echter een streven de gehele bevolking te alfabetiseren, onder meer via gratis toegankelijke (zondags)scholen, een Papiamentstalig blad als de Civilisadó, liefdadige organisaties en leesgezelschappen die cursussen gingen geven. De R.K. kerk speelde op deze nieuwe situatie in door middel van twee bladen die (gedeeltelijk of geheel) in het Papiamento verschenen, met daarin voor het volk mogelijkheden tot lezen en wel juist in een vorm die aansloot bij de orale traditie: de populaire dialogen van Ipi en Cobi. Daarnaast vinden we nu geschreven cuenta, toneel en vooral ook het religieuze lied. Zo vinden we einde negentiende eeuw naast de Spaanstalige literatuur en de veel geringer rol van de Nederlandstalige - beide talen voor de elite - de opkomst van een literatuur voor het volk die aansloot bij de orale traditie. J.S. Corsen's

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

beroemd geworden gedicht ‘Atardi’ (1905) zal de emancipatie van het geschreven Papiamento naar algemeen geaccepteerd literair niveau voltooien. [39] ‘Andere voorbeelden hiervan dragen zoo zeer het kenteeken van den laatsten tijd en van den Europeeschen invloed, dat men met den besten wil van de wereld, ze niet meer kan rekenen tot de “Cuent'i Nanzi” waarom ze onder dit hoofdstuk niet mogen worden gerangschikt.’ (Van Meeteren 1947, 1977: 214) [40] De bekendste verzamelingen van Compa Nanzi verhalen: 1899

[Jesurun, A.. ‘Cuenta di Nansi’. Derde Jaarlijksch verslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap, 1899: 94-119

1914

an. ‘Cuenta popular’. La Cruz 29 VII 14

1926

Cappelle, H. van. Mythen en sagen van West-Indië. Zutphen: Thieme & Cie. 1926: 350-366

1935

Pool, John de Del Curaçao que se va. p. 83-87

1936

Sint-Jago, O.E. ‘Compa Nanzie’. La Cruz 2 XII 36

1936

Parsons, E.C.: Folk-lore of the Antilles, French and English. New York: American Folk-lore Society

1937

Bernabela, C.D. ‘Cha Nanzi i Cha Tiger’. La Cruz 21 VII 37

1937-1940

Latour O.P., M.D. ‘Cuenta di Nanzi’. West-Indische Gids XIX, 1937: 33-43; XX, 1938: 9-18; 103-108; 143-147; 296-305; XXII, 1940: 47-52; 86-91; 134-140

1940

an. ‘E scupa di Nanzi’. La Cruz 19 VI 40

1947

Meeteren, N. van. Volkskunde van Curaçao. Willemstad

1948

Latour O.P., M.D. ‘Folklore’. Oranje en de zes Caraïbische parelen. Amsterdam: J.H. de Bussy

1952

Geerdink-Jesurun Pinto, N.M. Cuentanan di Nanzi. 1952 (2); 1965 (3)

1955

Jesurun, A. ‘Temekoe-Temebè’. Antilliaanse Cahiers I-1:

1969

Droog, J. Biba Nanzi! deel I. Aruba: De Wit n.v.

1972

Wood, E. Nanzi stories, Curaçao folklore. Curaçao: Stichting Wetenschappelijke Bibliotheek

1983

an. Kuenta di Nanzi. Curaçao: I.P.E.P.

1983

Baart, W.J.H. Cuentanan di Nanzi...Amsterdam: Rodopi

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[41] ‘waarin alle daarin voorkomende figuren uit het land van herkomst stammen of minstens kunnen stammen....veranderd onder invloed van tijd en plaats...’ (Van Meeteren 1947, 1977: 196-197) [42] Juliana zei tegen onderzoeker Baart (1983: 15): ‘Een verhaal is een levend iets. Volksverhalen ontstaan nog steeds. Een recente gebeurtenis b.v. doet denken aan een paar fragmenten uit een oud verhaal; de verteller gaat dan combineren. Ook ontstaan er combinaties van verhalen. Men maakt b.v. van twee of drie verhalen één verhaal. Anderzijds is het ook waar, dat een verteller over een reeks van jaren hetzelfde verhaal steeds op precies dezelfde wijze brengt. De verteller blijkt vaak over een uitstekend geheugen te beschikken.’ [43] Latour: 1940: 138, 140. Over deze Papiamentstalige (geschreven, gedrukte?) bronnen heb ik niets kunnen vinden. Zie echter Aart Broek: B/N 3 VIII 91 over enkele schriften met verhalen uit de bibliotheek van de paters, waarvan er een Latours naam draagt. [44] Aart G. Broek in Ñapa 20 VI 86. Aart Broek (B/N 3 VIII 91) verweet Baart, die aan de hand van Pinto (1952) een reconstructie wilde geven van de betekenis en functie van de spinvertellingen in de slaventijd, m.i. dan ook terecht, ‘Mevrouw Pinto heeft geen wetenschappelijk verantwoorde poging gedaan om mondeling overgeleverde teksten op schrift vast te leggen (...) Met Pinto's bundel in de hand kan de vraag niet meer zijn wat de betekenis en functies waren van deze dertig spinvertellingen in de slaventijd - eenvoudigweg omdat wij de spinverhalen uit de slaventijd niet meer hebben. De vraag kan feitelijk alleen nog maar zijn: wat waren de betekenis en functie van de verhalen toen Nilda Pinto ze vertelde voor de radio en publiceerde in een boekje?’ (B/N 3 VIII 91) [45] ‘De chadó di cuenta komt het meest tot zijn recht bij de viering van de “ocho dia”, de acht nachtwaken na het overlijden van een Curaçaoenaar. Eerst wordt er vrij lang gebeden bij de(n) dode en daarna treedt de verteller in actie, om de aanwezige bewakers van het lijk wakker te houden en hen de tijd te helpen passeren.’ (Latour: WIG XIX, 1937: 34-35) [46] Naar aanleiding van een paar contemporaine krante-artikelen moet toch de vraag gesteld worden of de vertellingen wel zo algemeen waren als altijd wordt aangenomen. De Vrijmoedige 11 V 05 publiceerde een ingezonden stuk van J.L.C. Monsanto (ondertekend met ‘Juan’), die daarin nauwgezet verslag deed van een in zijn geheel bijgewoonde ‘ocho dia’. Hij beschreef wel het zingen door speciale voorzangers en alle andere rituelen, maar repte met geen woord over eventuele Compa Nanzi verhalen. Na Juan's stuk ontstond een klein polemiekje over het al of niet wenselijk zijn dat een decent persoon zo'n ‘ocho dia’-bijeenkomst opluistert. Het werd dus duidelijk als een laag-bij-de-grondse vertoning van de mindere volksklasse gezien. (De Vrijmoedige 11 V 05; 25 V 05; La Cruz 17 V 05) In een waarschuwing aan de ouders dat hun kinderen op zo'n ‘comedia di ocho dia’ gevaar lopen hun onschuld te verliezen, vertelde zekere ‘A’ van het bijwonen van een halve avond vol gebed, drank en vrijerij, maar ook hij schreef niets over de Compa Nanzi verhalen. (La Cruz 17, 24 III 26) [47] ‘Quen’ lo por nenga cu nos pueblo ta demonstra loque e ta sinti den ‘Cuenta di Nanzi?’ Esaquinan ta cuentanan, cu ta bula di un punta na otro i cu nos ta hanja riba stoepi di un cas di cunucu, den un balcon, den un stoel di zoya. Wela i pepenan a tende e cuentanan aqui di nan wela i nan pepe tambe i niungun hende no sâ, di unda nan a bini.’ (N.M. Geerdink-Jesurun Pinto 1952) [48] Juliana OPI I, 1979: 41 schreef over de R.K. geestelijke die in welstand wilde leven zonder ook maar ‘un punta di e krus’ te dragen, onder de veelzeggende titel ‘Nanzi’, die hier dus een volstrekt negatieve connotatie meekreeg! (J. Clemencia 1987: 20-26) [49] Amigoe 29 I 82 Een nieuwe Nanzi ‘nos ke un Nanzi nobo’, niet de schelm, maar de positieve die zegt: Ban drecha Korsow. Zie ook Broek 1988a. [50] Literatuur: John de Pool 1935; L[atour] 1937; Keur & Keur 1960; Dennert 1967; Kamerling 1968; Schakels (1968); de Roo 1977, 1983; Schweitz 1979; Hacha (1981); Baart 1982, 1983; Meulens 1986; Broek 1986b, 1991; Rutgers 1987, 1988a; van Duin 1988; I. Statia [1991]; Juliana (z.j.); Muller (z.j.)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

63

Hoofdstuk III Koloniale literatuur tot 1865 ‘Everyone was an individual, fighting for his place in the community. Yet there was no community. We were of various races, religions, sets and cliques; and we had somehow found ourselves on the small island. Nothing bound us together except this common residence. There was no nationalist feeling; there could be none.’ (V.S. Naipaul: The Middle Passage 1962: 45) ‘De wereld die zij schilderen blijft conventioneel en beperkt, de personen en de situaties stereotiep. Ze voeren slechts hun eigen kaste ten tonele en proberen voortdurend zich te rechtvaardigen door deze in het gunstigste daglicht te zetten. Ze bewaren het grootste wantrouwen jegens de andere elementen, zwarten en mulatten van de samenleving. Kortom, ze gedragen zich als een minderheid zonder opening en zonder contact naar buiten.’ (Maryse Condé: Tim Tim Bois sec 1980)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

64

1776

Directeur J. de Graaff salueert de vlag van de Amerikaanse opstandelingen.

1781

Rodney verwoest Sint-Eustatius.

1790

Edward Luther Low geeft The Sint-Eustatius Gazette uit.

1792

De Westindische Compagnie wordt opgeheven. In de ‘Gazette’ verschijnen twee ‘riddles’, de oudste gepubliceerde Antilliaanse poëzie. Het eerste op de Antillen gedrukte boek was in het Engels en kwam van Sint-Eustatius.

1800

Onrust op Curaçao; de Engelsen zwaaien er twee jaar en vier maanden de scepter.

1807

Het tweede Engelse ‘tussenbewind’ zal bijna tien jaar duren. Engeland verbiedt de slavenhandel.

1812

William Lee geeft het eerste nummer van The Curaçao Gazette uit. Hij exploiteert eveneens een boekhandel en -drukkerij.

1813

A.S. Delvalle: The I saws worden in de oudst bekende Antilliaanse recensie onbarmhartig neergesabeld.

1814

In de krant verschijnt de oudst bekende Curaçaose dialoog.

1816

Gouverneur-generaal Albert Kikkert aanvaardt het bestuur over de eilanden. De Engelstalige ‘Gazette’ verschijnt na de teruggave van Curaçao aan de Nederlanders, voortaan in het Nederlands onder de naam De Curaçaosche Courant.

1818

De C.C. maakt melding van een dichtgenootschap op Curaçao.

1819

Het eerste ‘provisioneel reglement op het schoolwezen’ wil het onderwijs op ‘den verbeterden Hollandschen voet’ brengen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1820

Het koloniale gouvernement stelt een preventieve censuurmaatregel in werking die tot 1865 gehandhaafd zal worden.

1821

De slag bij Carabobo breekt de macht van het Spaans koloniale bewind in Zuid-Amerika. Talrijke vluchtelingen van het vasteland zoeken een veilige schuilplaats op Curaçao. Negen leden van de ‘Liefhebbery Komedie’ vragen de gouverneur toestemming om Franstalig amateur-toneel te brengen. Dominee Bosch organiseert het eerste particuliere ‘lees college’.

1824

Op Aruba wordt goud gevonden. Martinus Joannes Niewindt arriveert op Curaçao.

1825

De Joodse Natie krijgt volledige burgerrechten. De eerste catechismus in het Papiamento verschijnt. De Verenigde Protestantse Gemeente ontstaat.

1828

De administratieve vereniging van Suriname, de Benedenwinden en de Bovenwinden. De drie koloniën worden vanuit Paramaribo bestuurd.

1829

Op Sint-Maarten organiseert zich de leeskring ‘Neêrlands Eersteling’.

1833

Engeland schaft de slavernij in zijn kolonies af. Haim Abinun DeLima laat een particuliere bibliotheek met 391 boeken na.

1834

De C.C. verschaft de oudste vermelding van Spaanstalig passanten-toneel.

1842

Cornelis Gorsira stelt zijn particuliere bibliotheek voor ‘inteekenaren’ ter beschikking.

1843

M.J. Niewindt opent zijn vicariaatsdrukkerij op Barber.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1844

Het ‘liefheberij Tooneelgezelschap Nut en Genoegen’ presenteert zijn eerste stukken.

1845

De A.B.C. en de S.S.S.-eilanden worden tot een kolonie ‘Curaçao en Onderhoorigheden’ samengevoegd, los van Suriname en voortaan bestuurd vanuit Willemstad.

1848

Frankrijk schaft de slavernij af, ook op Sint-Maarten. Op Santa Rosa publiceert pastoor J.J. Putman zijn eerste school- en kerkboekjes.

1850

Concordia opent een ‘leessociëteit’.

1855

Verdrijving van de Joden uit Coro.

1860

De Noordamerikaanse Burgeroorlog intensiveert de discussie over de afschaffing van de slavernij. J.J. Naar treedt met ‘La Sociedad Dramática de Aficionados’ op.

1863

Na moeizaam onderhandelen wordt ook in de Nederlandse koloniën de slavernij afgeschaft.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

65

3.1. Passanten, kolonisten, creolen Het begin van de Antilliaanse literatuur legden de overzichtschrijvers nagenoeg algemeen bij de lokale Spaanstalige literaire voortbrengselen aan het einde van de negentiende eeuw, een tijd, die in navolging van Cola Debrot, meestal werd aangeduid als de ‘Spaanse’, de ‘Romantische’ ook wel gecombineerd de ‘Spaans-Romantische school’.[1] Als concrete uitgangspunten noemde men dan meestal het literair-muzikale tijdschrift Notas y Letras (1886-1888) en een eerste herkenbare kring van auteurs daaromheen, de centrale rol van drukker-uitgever-boekhandelaar-musicus Agustin Bethencourt, de culturele invloed die uitging van de Spaanse ‘exilados’ in met name de door hen gestichte particuliere onderwijsinstituten en de journalistiek, en de rol die het in 1871 geopende Teatro Naar speelde voor de toneelcultuur. Had Notas y Letras als literair blad al directe voorgangers in The Impulse (1871-1872) en L'écho de Curaçao (1872-1873), Hartog (1944) leert ons dat de pers in het algemeen al van veel eerder datum was. Hij noemde ten bewijze daarvan The Sint-Eustatius Gazette (1790-1794) en The Curaçao Gazette (1812-1816) als eerste periodiek verschijnende publicaties. De redacteuren van deze twee bladen, Edward Luther Low op Sint-Eustatius en William Lee op Curaçao, ontplooiden in diezelfde tijd ook drukkers-, uitgevers- en boekhandelsactiviteiten. Hartog (1961: 887) schreef over mogelijk letterkundige voortbrengselen in deze bladen: ‘ingezonden stukken in proza en dichtvorm vulden veel van de krant. Afgaande op de bijdragen aan gedichten zou men denken aan een bloeiend rijmelleven: Ds. Muller dichtte, Van Paddenburg viel hem in dichtvorm aan of bij. De reeks anonimi is zonder eind’, waarmee het mogelijke begin van de literatuur een eeuw naar voren geschoven moet worden en daardoor meer in overeenstemming komt met het begin in de rest van het Caraïbische gebied.[2] De krant was het eerste instituut waarin op georganiseerde wijze letterkundige voortbrengselen onderdak vonden en hij vormt dan ook een van de (weinige) bronnen voor wat we nu nog over de vroegste letteren weten: het in geringe mate en op incidentele wijze voorkomen van gelegenheidspoëzie, van dialogen, van romantisch proza, ‘recensies’ op dat proza, aankondigingen van en advertenties voor boekuitgaven, het tweedehands boekverkeer, toneelaankondigingen, -advertenties en -recensies, en enkele summiere berichten over leesgezelschappen en bibliotheken. Als de documenten verloren zijn gegaan, omdat officiële en particuliere archieven het grotendeels laten afweten terwijl reisverslagen over het algemeen maar heel weinig te melden hebben over taal en letteren, is de krant de enige bron die wel gegevens oplevert. Daarnaast zijn er gelukkig nog enkele gegevens uit boedelbeschrijvingen, maar dan alleen maar over particulier boekenbezit bij het overlijden van enkele vooraanstaande personen in goeden doen.

Edward Luther Low en The Sint-Eustatius Gazette In hoeverre gaan economische bloei en culturele initiatieven samen? Waar nu slechts ruïnes resten, floreerde eens de ‘Golden Rock’. Het eenentwintig vierkante kilometer kleine Sint-Eustatius was aan het einde van de achttiende eeuw een belangrijk scheepvaartknooppunt voor honderden schippers uit Europa, Afrika, Noord- en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Zuid-Amerika en het Caraïbische gebied zelf, een bloeiend handelscentrum waar rijke ladingen de wel zeshonderd pakhuizen in Oranjestad vulden. De stad en het eiland, waar toentertijd ruim achtduizend mensen woonden, gonsden van de activiteiten, met name toen de Amerikaanse Vrijheidsoorlog voor extra transacties zorgde. Directeur J. de Graaff had met ‘the first salute’ op 16 november 1776 en de met de Amerikaanse opstandelingen aangegane smokkelhandel in de economische roos geschoten, maar tegelijk zodanig de woede van de Engelsen opgewekt dat Admiraal Rodney in

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

66 1781 de stad en het eiland grondig plunderde.[3] Maar niet zo grondig dat het eiland er niet spoedig weer bovenop krabbelde en een deel van zijn vroegere welvaart herwierf. Mogelijk door deze economische bloei aangelokt durfde de van St. Kitts afkomstige Engelstalige drukker Edward Luther Low het risico te nemen, op Sint-Eustatius een drukkerij annex krant annex boekhandel te beginnen. Hoewel het eiland Nederlands bezit was, werd er aan het einde van de achttiende eeuw nagenoeg uitsluitend Engels gesproken, dat het aanvankelijke Zeeuws allang verdrongen had. (Hartog 1964: 231-235) Men sprak er de taal van het geld, en ofschoon er wel met Nederland gehandeld werd, was het nabijgelegen Amerika economisch veel belangrijker. Bovendien waren veel van de inwoners qua herkomst al Engelstalig. Zo noteerde een briefschrijvende passant op 10 juli 1792: ‘De landstaal der inboorlingen, mullatres en negers is Engelsch, men hoord niet anders, als men teegens een dame Hollands spreekt, antwoord zij niet off soo sij het goedvind in het Engelsch. Ik begin thans al een heele Engelschman te worden en spreeke geen Hollandsch als alleen met Lans, die weinig of geen Engelsch kan.’[4] Het lag dus voor de hand dat Lows krant ook in het Engels gesteld werd. De krant bevatte officiële mededelingen van het gouvernement, plaatselijke advertenties en buitenlands nieuws dat uit andere kranten werd overgenomen, ‘soms op rijm’ wist Hartog te melden en zo'n terloopse mededeling maakt nieuwsgierig. Nader onderzoek van Hartogs aanduidingen leverde voor The Sint-Eustatius Gazette[5] weliswaar geen dichterskringen of dichtgenootschappen op, zoals die in die dagen in Suriname van zich deden spreken, maar wel enkele activiteiten op literair gebied. Zo bevatte The Sint-Eustatius Gazette van 17 augustus 1792 twee ‘riddles’, voorbeelden van een genre dat aansluit bij de oratuur en een wijde verspreiding gekend heeft.[6] Verder leren de bewaard gebleven exemplaren ons dat Edward Luther Low eveneens uitgeversactiviteiten ontplooide, getuige de advertenties waarin hij ‘conversation cards’, bestaande uit vijftig vragen en antwoorden, aankondigde, de uitgave van in elk geval één boekwerk van Samuel A. Matthews[7], een almanak en een wetboek. Daarnaast bezat hij een boekhandel, waarvan de grootte en de verscheidenheid bleken uit advertenties van 19 juni 1790 en 17 augustus 1792. In die tijd was er nog geen specialisatie in het ‘boekenvak’; Low verenigde het redacteurschap van zijn blad met het drukkers- en uitgeversvak en zijn boekhandel. Op 28 december 1792 bood hij zesendertig titels, bestaande uit 159 delen, kennelijk uit winkelvoorraad, te koop aan, waaronder bijbels en psalmboeken, de Ilias, Odyssee, Rollins tiendelige Antieke en zestiendelige Romeinse geschiedenis, Gordons Tacitus en Melmoths Plinius, de complete werken van Shakespeare in dertien delen, Rousseau's Eloise, en verscheidene reisverslagen, geschiedkundige werken en tijdschriften, alles in het Engels. En dan meldde de lijst nog twee keer etcetera, wat suggereert dat de advertentie slechts een keuze uit nog grotere voorraad aanbood. Naast deze boeken verkocht Low kantoorbehoeften en huishoudelijke artikelen. Hartog gaf alle titels, waarover hij oordeelde: ‘een lijst van boeken die zelfs nu nog representatief zou zijn en in elk geval boeken van een kaliber, dat men nu maar met moeite op een van de Antillen zou kunnen vinden.’[8] Toen het in de loop van de jaren negentig definitief bergafwaarts ging met de Statiaanse economie, hield Low het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

voor gezien en trok hij zijn zaken geheel op St. Kitts terug. Zo hield het eerste Antilliaanse periodiek in 1794 op te bestaan. Veel leveren de bewaard gebleven nummers niet op, maar in elk geval blijkt eruit dat zodra er gedrukt werd ook van ‘literatuur’ sprake was en dat die oudste literatuur in de krant verscheen; dat was zo Boven en Beneden de Wind.[9] Rond de eeuwwisseling was het een rumoerige tijd op de Antilliaanse eilanden. De Europese beroeringen rond de Franse Revolutie echoden er nadrukkelijk. Na de Verenigde Staten bevocht Haïti zijn onafhankelijkheid, het Zuidamerikaanse vasteland zou onder leiding van Simon Bolivar

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

67 spoedig volgen. Vooral bij deze laatste revolutie waren de Benedenwinden sterk betrokken, niet alleen in de personen van Luis Brion en Manuel Carel Piar, die daadwerkelijk aan de strijd deelnamen, en van Simon Bolivar die tijdelijk onderdak op Curaçao vond, maar ook door de talrijke handelshuizen en geldschieters die beurtelings de Spanjaarden en de opstandelingen financierden. Had Curaçao in 1795 zijn tweede grote slavenopstand meegemaakt, rond 1800 werd het door een Franse invasie tot internationaal strijdtoneel. Van 1800-1803 en 1807-1816 zouden de Engelsen de scepter op het eiland zwaaien. Waarschijnlijk overdreef Dominee Bosch (1829-1836: 212-215) wel enigszins toen hij schreef dat de Engelsen in ‘die weinige jaren, dat zij dit eiland meester zijn geweest, hunne taal hier zeer bevorderd’ hadden, zodat ‘alle kooplieden, vele andere ingezetenen, ook sommige van het schoone geslacht, en eenige zwarten en gekleurden’ die taal spraken, de Engelse invloed was er wel degelijk. Tolken moesten de taalkloof overbruggen en de Antilliaanse literatuur kende haar eerste voortbrengselen in de Engelse taal.

William Lee en The Curaçao Gazette / De Curaçaosche Courant Twee decennia na Sint-Eustatius kreeg Curaçao zijn eerste periodiek. Of de van Edinburgh afkomstige William Lee uit Caracas gevlucht was wegens een natuurlijke of een politieke aardbeving is niet duidelijk, momenteel zelfs al niet meer of hij inderdaad wel drukker was in die stad, zoals tot nu toe werd aangenomen. Vanaf 1812 zat hij in elk geval op Curaçao. In de openingszin van zijn eerste hoofdartikel zag William Lee de letterkunde al als een van de ‘plezierige’ onderwerpen. Op 11 december 1812 schreef hij namelijk in The Curaçao Gazette: ‘The pleasure that most people experience in the perusal of a Newspaper, principally arises from the knowledge of the multifarious transactions of the political military, literary and mercantile world.’ De krant en de letterkunde zijn op Curaçao vanaf het begin nauw met elkaar verbonden geweest. In tegenstelling tot The St. Eustatius Gazette werd The Curaçao Gazette wel bewaard. Het blad, dat vanaf maart 1816 De Curaçaosche Courant heette, verschijnt tot vandaag de dag, en is daarmee het oudste nog bestaande Caraïbische periodiek.[10] Voor de eerste eeuwhelft is deze krant verreweg de belangrijkste bron voor gegevens omtrent eventuele literatuur. Er verschenen heel wat (gelegenheids)gedichten in, en verder enkele (reis)verhalen, een paar dialogen, een toneelfragmentje, prozastukken als ‘mengelingen’ en aankondigingen, verslagen en recensies van toneelvoorstellingen. Advertenties leren iets over lokale publicaties, boekdistributie en leescultuur. Evenals op Sint-Eustatius vonden op Curaçao de eerste uitgevers-activiteiten via de krant plaats. William Lee produceerde in zijn werkplaats meer dan alleen zijn krant, want de daarin verschenen advertenties leren ons iets over uitgaven als romantische en historische prozawerken, reisverhalen, almanakken, leerredes, religieuze uitgaven voor zowel Protestanten als Rooms Katholieken, en enkele boekjes voor het onderwijs. De letterkunde zoals wij die nu begrenzen, speelde daarbij slechts een geringe rol.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Hoewel het boekenbezit in de kolonie aan het begin van de negentiende eeuw in het algemeen niet wijd verbreid schijnt te zijn geweest, weten we dat er toch wel boeken waren, verreweg de meeste import. Blijkens enkele advertenties fungeerde ook William Lee's krant als distributiecentrum, van bijvoorbeeld A.S. Delvalle's The I saws (een vertaling van de populaire ‘Les j'ai vu’). De krant gaf eerst door middel van opgenomen fragmenten en aankondigingen deze uitgaven enige bekendheid. Bovendien werden ze al uitvoerig ‘gerecenseerd’. Uit enkele advertenties weten we dat William Lee soortgelijke boeken als Edward Luther Low in zijn winkel had, zij het in bescheidener assortiment. Op 16 september 1814, dus nog tijdens de Engelse tijd, bood hij de Edinburgh Encyclopeadia Brittannica in twintig delen, de Dictionnaire

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

68 van de Académie française in twee delen, Gibbons History of the Decline and Fall of the Roman Empire, twee delen, Robertsons Charles V en America in elk drie delen, en acht delen Spectator aan, wat toch ook niet helemaal mis was voor het Curaçao van die dagen. Zijn zaak was dus wel als een eenvoudig centrum van literaire activiteiten te beschouwen. Van de grootte van de klantenkring en de verkoop moeten we ons denk ik geen al te rooskleurige voorstellingen maken. (Hartog 1944: 105) De Curaçaosche Courant leert ons uit advertenties nog wel iets over particulier boekenbezit. Enkele keren verschenen er berichten over het verlies van boeken (en de beloning voor de eerlijke vinder; boeken waren kennelijk kostbaar), over diefstal, over te koop aangeboden tweedehands boeken wegens vertrek uit de kolonie, over particulier en professioneel aangeboden nieuwe import. De in de krant geplaatste advertenties waarin boekbinders hun diensten aanboden, wezen natuurlijk ook op boek- en tijdschriftbezit. Deze krantegegevens zijn schaars, maar er zijn gelukkig enkele andere bronnen, zoals de leesgezelschappen, enkele gegevens in reisbeschrijvingen en in het Oud Archief Curaçao van het in Den Haag gevestigde Algemeen Rijks Archief bewaarde boedelbeschrijvingen, waarover later in dit hoofdstuk. Naast de krant was de Missie een tweede instituut dat activiteiten op uitgevers- en drukkers- en boekverspreidingsgebied ontplooide. (Martinus Arion 1972) Ze had vanaf het begin van de eeuw aandacht voor eigen publicaties, die in 1843 uitmondden in de drukkerij van Barber (Mgr. M.J. Niewindt) en in 1848 te Santa Rosa (Pastoor J.J. Putman). Deze verzorgden een aantal godsdienstig-kerkelijke en schooluitgaven, veelal in het Papiamento. De parochiale boekproduktie en distributie waren geheel op de geloofsverbreiding en het onderwijs gericht. (A. Lampe 1991b) De kerk vervulde een belangrijke rol in de volksontwikkeling, waar het gouvernement, in Nederland en in de kolonie, zich niets aan gelegen liet liggen. Dat was er eer op uit om de slavenmacht dom te houden. Kerk en literatuur zouden pas aan het einde van de eeuw een (hechte) verbinding aangaan.

Twee volken, twee casten in één kolonie Waar de Bovenwinden nagenoeg uitsluitend Engels gebruikten, waren de Benedenwindse eilanden multi-linguaal. In de eerste decennia van de negentiende eeuw werd er op Curaçao in elk geval Engels, Nederlands, Frans, maar eveneens steeds meer Papiamento gebruikt. Na het tweede Engelse tussenbewind van 1807-1816 kwam er een krachtig streven op gang om het Nederlandse gezag te restaureren. Er kwamen nogal wat nieuwe mensen uit Nederland naar de kolonie toe, die hun taal propageerden. Het koloniale gouvernement nam in 1819 voor het eerst maatregelen ten behoeve van Nederlandstalig onderwijs. De negatieve kant van deze taalpolitiek was een zich afzetten tegen het zich steeds verder ontwikkelende Papiamento. We kunnen ten aanzien van deze taal twee tegengestelde benaderingen onderscheiden: die van de Missie die zich positief-pragmatisch tegenover het Papiamento, zoals de creoolse bevolkingsgroep dat praktiseerde, opstelde, en die van Nederlandse nieuwkomers die slechts minachting voor dit ‘dialect’ koesterden. De taal werd vanaf

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

het begin van de eeuw echter meer en meer gebruikt. M Niewindt kwam in 1824 op Curaçao en gaf al na een jaar een eerste catechismus in de volkstaal uit. Met de prediking in het Papiamento kon de kerk het gehele volk bereiken. Ook het volksonderwijs, waarin het Papiamento voertaal werd, nam men krachtig ter hand. Taal, kerk en onderwijs gingen een hecht verbond aan. De taal was geen doel op zich maar gold slechts als een uitstekend missiemiddel. De negatieve vermeldingen waren van een reeks van (Nederlandse) passanten die in hun reis-, land- en volksbeschrijvingen een stroom van denigrerende geluiden over het Papiamento ventileerden, die meestal gebaseerd werden op een achttiende eeuwse grammatica-opvatting die

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

69 leerde dat een taal hoger ontwikkeld was naarmate ze meer vormdifferentiatie vertoonde; en daar was het Papiamento in zijn structuur van eenvoud en regelmaat nu net een slecht voorbeeld van. De schrijvende onderwijzers, officieren en dominees, want om die beroepsgroepen ging het voornamelijk, lieten niet af het Papiamento te minachten en er een sociaal stigma van deficiëntie op te drukken, iets wat zich voortzette tot ver na de emancipatie. Zij zagen het Papiamento als rem op de koloniale ontwikkeling. Impliciet bewezen beide benaderingen wel dat het Papiamento zich in de negentiende eeuw zodanig verbreid had dat het ‘de moeite en de noodzaak waard werd’ het te gebruiken om er de mensen mee te bereiken of ertegen in het geweer te komen. De Nederlandse passanten schreven wellicht niet zonder overdrijving over de marginale positie van het Nederlands, dat volgens onderwijzer Van Paddenburgh in 1819 ‘zo onbekend als het Arabisch’ was. Uit onverwachte hoek dook nog een interessant gegeven op aangaande de taal van de Curaçaose creool in de eerste eeuwhelft. Pater R.H. Nooyen (1974) publiceerde gegevens uit de in het Nederlands geschreven dagboeken van vader en zoon Bartholomeus Senior. Hij schreef over het taalgebruik van Jr., dat diens taal ‘niet altijd perfect’, ‘soms zelfs onleesbaar en onbegrijpelijk’ was, ‘waaruit we moeten opmaken, dat ze thuis toch wel altijd Papiamento spraken’. Het Papiamento was in de Curaçaose maatschappij ver doorgedrongen; het Nederlands was vreemde, in elk geval tweede taal.[11] Met het R.K. bijzonder onderwijs werden de Papiamentstaligen gealfabetiseerd, al uitte zich dat vooralsnog niet in literatuur. De houding van de kerk ten aanzien van het gebruik van het Papiamento was in zoverre dualistisch dat ze die taal zag als middel om het volk te bekeren, zowel in de kerkelijke prediking als via het onderwijs. Zodra men iets meer wilde bereiken, helde men sterk over naar het Nederlands. Lampe oordeelde dan ook nogal streng: ‘De visie van Putman was kolonialistisch: volgens hem hadden de slaven en vrijgemaakten geen “beschaving”, zijn doel was om de Nederlandse cultuur onder het volk te verspreiden en hij zag zijn werk als een dienst aan zijn vaderland.’[12] Voorzover de schaarse bronnen ons in staat stellen daarover een beeld te vormen, lijkt het niet waarschijnlijk dat de Missie de Papiamentstalige oratuur gepropageerd zal hebben, zelfs lijkt er nauwelijks sprake te zijn geweest van tolerantie. De ‘tamboer-liederen’ werden door de kerk heftig bestreden. De oratuur ontwikkelde zich in het Papiamento, tegen het kerkelijke establishment in. Het is intussen wel opvallend dat de krant vóór 1863 geen berichten tegen de tamboer-dansen bevatte, zoals dat aan het einde van de negentiende eeuw meer en meer het geval zou zijn. Mogen we daaruit afleiden dat de oratuur zich tijdens de slavernij nog in het zeer verborgene - voor de shons verborgen dan - afspeelde en dat ze na de emancipatie een openlijker karakter aannam? De scheiding tussen de bevolkingsgroepen was dermate drastisch dat wel gesproken werd van een gesegmenteerde samenleving, van ‘twee volken, twee casten in een kolonie’, met aan de ene kant de witte elite, die op haar beurt nog innerlijk verdeeld was in Joden en in hogere en lagere Protestanten, aan de andere de slavenmacht en op diverse plaatsen daartussenin de vrije zwarten en gekleurden. Hoetink (1958, 1974: 156) schreef over ‘een complex van sociale, economische, culturele en religieuze verschillen’ tussen deze bevolkingsgroepen. Tot aan de emancipatie in

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1863 kenden de Antillen een starre maatschappelijke structuur met weinig beweging of promotie-mogelijkheden. Maar geen van de kleine eilanden kende een plantage-economie die snelle rijkdom, absenteïsme of repatriatie mogelijk maakte. Dat had tot gevolg dat een relatief kleine creoolse elite ontstond die door de nood gedwongen of vrijwillig de eilanden als definitieve woonplaats koos en er zich thuis ging voelen. De culturele onverschilligheid vanuit het moederland versterkte de mogelijkheid tot het ontstaan van een eigensoortige culturele

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

70 traditie. Het ‘animum revertendi’ waarover in Suriname zoveel geklaagd werd, ontbrak op de eilanden. De literatuur was binnen een maatschappij die op slavernij gegrondvest was per definitie een produkt van een kleine minderheid, het koloniale establishment. De Joden, die cultureel heel actief waren, bedienden zich zowel van het Nederlands als Frans en in later tijd toenemend tot nagenoeg uitsluitend van het Spaans. Deze laatste taal kreeg in 1821 een enorme impuls toen er (weliswaar tijdelijk) meer dan tweeduizend Zuidamerikaanse politieke bannelingen een toevlucht op Curaçao zochten. Maar literatuur bracht dat nog niet voort. De kolonist koos naarmate zijn (en vooral: haar!) integratie in de nieuwe maatschappij voortschreed, steeds meer voor het Papiamento, zich daarmee onderscheidend van de passant. Op de Bovenwinden heerste ook in de negentiende eeuw het Engels in alle taalkringen, wat zich echter voorlopig nog niet in geschreven literatuur zou uiten. Pas na de emancipatie zou, met de ontplooiing van een gedifferentieerde opinie-pers, de literatuur in de volkstalen een eerste kans krijgen.

Kolonistenliteratuur Tijdens het Engelse tussenbewind leek zich een nieuw elan te ontwikkelen om wat van de kolonie te maken, een streven dat zich na het herstel van het Nederlandse gezag en de bestuurs-overname door de nieuwe gouverneur, en niet in de laatste plaats door de initiatieven van Koning Willem I, krachtig voortzette. Dat elan was allereerst economisch maar uitte zich ook cultureel. Er werden in de eerste lokale krant talrijke gedichten gepubliceerd, er ontstond enig literair-cultureel gezelschapsleven dat zich organiseerde in een dichtgenootschap en in lees- en toneelverenigingen, die goed op de hoogte waren van wat er in Europa en in Noorden Zuid-Amerika gaande was. Voor het eerst was er van enig letterkundig leven sprake, dat gedragen werd door de kolonist. Verton (1977: 9-13) gaf een model van de koloniale relaties, waarbij hij ‘kolonisators’, ‘kolonisten’ en ‘gekoloniseerden’ onderscheidde. De laatste groep was oorspronkelijk evenmin inheems als de eerste twee, omdat ook deze aanvankelijk gevormd werd door uit Afrika gedeporteerde slaven. Pas de in de kolonie geborenen waren autochtoon, zowel zwart, bruin als wit. Zowel de eerste als de tweede groep kwam van buiten. Onder ‘kolonisten’ verstond Verton ‘de migranten uit het koloniserende of uit andere Europese landen, die naar de kolonie gingen, zich daar vestigden en een bestaan opbouwden (...) dat konden zijn ambtenaren en avonturiers, vrijzinnigen en veroordeelden, planters en handelaars, militairen en missionarissen.’ Het waren de witte mensen die van buiten kwamen en bléven. De juiste vraag aan de kolonist is daarom niet waar deze geboren werd, maar waar hij zou willen sterven. We moeten deze kolonisten onderscheiden van zowel de ‘creolen’, die in de kolonie geboren waren, als de ‘passanten’ die slechts tijdelijk in de kolonie verbleven. De kolonist kwam oorspronkelijk weliswaar van buiten, maar hij bleef en voegde zich langzaamaan, bijvoorbeeld via een huwelijk, bij de plaatselijke bevolking, meestal de sub-elite. Zijn politieke, economische en culturele positie was tussen de moederlandse kolonisator en de niet-blanke gekoloniseerde in; hij vormde zo een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

eigen groep in een gesegmenteerde samenleving. Het lijkt alsof we daar de dichters van het ‘nulde hoofdstuk’ van de Antilliaanse literatuur moeten zoeken, samen met de Sefardische Joden, die aanvankelijk politiek ondergeschikt maar economisch machtig in 1824 ‘emancipeerden‘ tot volwaardige burgers/ingezetenen.[13] Voorzover we nu nog kunnen nagaan, schreven in de lokale krant niet de leden van het patriciaat (Krafft 1951), maar blanke protestanten en Joden die zeker wel aanzienlijk en invloedrijk waren: de handel en de intellectuele elite nam bij gelegenheid de pen ter hand. De Joodse gouvernementstolk A.S. Delvalle, de onderwijzers G.G. van Paddenburg, P. Phoel en A.J.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

71 Pijpers, de predikant J. Muller, de opzichter K.A. Erkelens, de aanzienlijke Mej. A.C.E. Lampe, de militair C.M. Nuboer, en A.C Henriquez die lid van de schoolcommissie was, tekenden met hun naam. Verder weten we dat er planters schreven, een dokter, een oud-gediende militair. En van de velen die zich achter een pseudoniem, achter initialen of totale anonimiteit verborgen, blijkt uit de onderwerpen waarover ze zich druk maakten en schreven, ook iets gezegd te kunnen worden. Uit de in dichtvorm uitgevochten ruzies bijvoorbeeld valt op te maken dat er nogal wat winkeliers de pen opnamen, mensen die in de handel zaten, vertegenwoordigers van het verenigingsleven in de Sociëteiten, de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, de Vrijmetselarij of de blank-protestantse Fortkerk. Al deze lieden hoorden tot het witte koloniale establishment, de groep die Verton aanduidde als de kolonisten. Niet-blanke auteurs kwamen er niet voor in de krant.[14] Uit de zestig procent van de gedichten die op de een of andere manier ondertekend waren - veertig procent was helemaal anoniem - is het op te maken dat het overgrote deel daarvan het produkt was van een persoon die slechts één keer (misschien niet in zijn leven, maar wel in de krant) een gedicht aan de openbaarheid prijsgaf. Dat is geen bewust zich dichter voelen, geen creatief dichterschap, maar de gelegenheid die de dichter maakte. Wat de frekwentie betreft blijkt ongeveer vijftig procent in de jaren tien, twintig procent in de jaren twintig en ongeveer tien procent in de jaren veertig zowel als vijftig gepubliceerd te zijn. Nadat men in het begin dus een druk gebruik van de voor het eerst geboden publicatiemogelijkheid maakte, ebde dit enthousiasme langzaamaan weg. Of had dat te maken met de preventieve censuur die in 1820 van kracht werd en dat tot het nieuwe regeringsreglement van 1865 zou blijven? Was die censuur medeoorzaak van het zo lange monopolie van De Curaçaosche Courant, die tot 1864 het enige Curaçaose periodiek bleef? De in De Curaçaosche Courant gepubliceerde poëzie, die Engelstalig was in de Engelse tijd (1807-1816), en overwegend Nederlandstalig toen de Nederlanders de macht weer overnamen, was ook qua thematiek het kennelijke produkt van de blanke kolonisten, wier visie op de koloniale maatschappij ze vertolkte. Meer dan de helft van de ongeveer 250 gedichten was zuivere gelegenheidspoëzie, met een veelheid van aanleidingen om naar de poëtische pen te grijpen, zoals het politiek-sociaal-economische en verenigingsleven op het eiland zelf en allerlei aspecten van het leven in het moederland, internationale politieke ontwikkelingen zoals oorlogen en de strijd voor Zuidamerikaanse onafhankelijkheid, nationale feesten en persoonlijke jubilea, de menselijke levenscyclus van geboorte en sterven, ontspanning in de vorm van poëtische charades en - vooral ook - persoonlijke ruzies en vetes. Vooral dat laatste was interessant omdat het ons nu nog iets leert over de literaire opvattingen van deze gelegenheidsdichters. De hiervoor genoemde onderwerpen vormen de geijkte aanleidingen voor gelegenheidspoëzie: een aanleiding van buiten inspireert de dichter tot een reactie, de bron is geen innerlijke bewogenheid. Ongeveer veertig procent van de gedichten vond evenwel geen directe aanleiding in een bepaalde gelegenheid. Deze zijn te verdelen in twee groepen, waarbij het grootste deel gevormd werd door wat we bij gebrek aan een betere term, zouden kunnen noemen 'humoristisch epische lyriek' oftewel vermakelijk belerende poëzie. Hiermee worden dan bedoeld anecdotes, romances, balladen, fabels, vertellingen, welke aanduidingen de contemporaine dichters zelf voor hun werk gebruikten, als ze al een karakteristiek van hun werk gaven. In deze gedichten werd een meestal humoristische

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

gebeurtenis beschreven, die gevolgd werd door een moraal; of een zekere belering die verpakt werd in een grappig gebeuren. Deze gedichten waren soms vertalingen of navolgingen uit de Europese literatuur, maar vaker origineel werk. Dat was ook het geval met de tweede groep waarin op zeer serieuze wijze deugd en godsdienst aangeprezen werden. De eerste groep kwam de gehele eerste helft van de eeuw voor, de tweede was vooral het produkt van het eerste kwart.[15]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

72 Een volgende rubricatie zou mogelijk zijn. Curaçao kwam een vijftiental keren voor met zulke diverse onderwerpen als het hijsen van de Nederlandse vlag na het Engelse tussenbewind van 1807 tot 1816; een gedicht over de niet zo rooskleurige toestand op het eiland in 1829; het verenigingsleven van Vrijmetselaars, het Curaçaose Departement van de ‘Maatschappij tot Nut van 't Algemeen’, de Verenigde Protestantse Gemeente; we lezen over de oprichting van het ‘Lazarushuis’ in 1852 en de bouw van een nieuwe kazerne in 1853, over belastingen en ruzies tussen winkeliers, en de geldzucht van een planter. Interessant is het te constateren dat men in 1834 wel schreef over tweehonderd jaar Nederlandse aanwezigheid op het eiland, niets over de emancipatie van de slaven op 1 juli 1863. Vooral dat laatste lijkt onthullend: de poëzie was overwegend het produkt van de blanke protestantse kolonisten, die kennelijk weinig belangstelling hadden (althans poëtische) voor de gekleurde medemens en een sociaal onrecht als de slavernij, die toch voortdurend ter discussie stond. De herdenking van driehonderd jaar kerkhervorming, op 31 oktober 1817, was echter wel goed voor drie gedichten. Enkele dichters schreven over belangrijke feiten uit de Zuidamerikaanse onafhankelijkheidsstrijd van Bolivar tegen de Spanjaarden. Curaçaoenaars als Brion en Piar speelden daarin mede een belangrijke rol. In het standpunt leek de Nederlandse strijd tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog nog een rol te spelen. Men kritiseerde de Spaanse onderdrukker en juichte de Bevrijder toe, maar realiseerde zich geen moment dat Nederland dezelfde koloniale onderdrukkingsrol speelde. Nederland en Curaçao waren in deze gedichten een, de Nederlandse vorst en zijn plaatsvervanger, de Nederlandse gouverneur, werden toegezongen bij verjaardagen en hoogtijdagen. Men voelde zich vanzelfsprekend Nederlands onderdaan, zoals de poëzie uit de Engelse tijd getuigde van verbondenheid met Albion en zijn Vorst. Men bezong de opnieuw verworven Nederlandse zelfstandigheid na Napoleons nederlaag; men treurde mee en riep op tot hulp toen twee keer een watersnoodramp Nederland trof (in 1825 en 1861); men nam een chauvinistisch-nationalistisch standpunt in tegen de Belgen in wat men in Nederland de ‘Belgische Opstand’ pleegt te noemen. Vooral in deze gedichten vonden Curaçaos ingezetenen de gelegenheid hun verbondenheid met het moederland uit te drukken. God, Nederland en Oranje waren ook een op Curaçao. Daarnaast en in ruimer verband, had men aandacht voor het actuele wereldgebeuren, dat via de scheepvaartverbindingen en buitenlandse kranten, waaruit De Curaçaosche Courant veel berichten overnam, ook op Curaçao terdege doordrong, zij het met enkele maanden vertraging. Men besteedde relatief veel aandacht aan de Franse Tijd en Napoleons uiteindelijke nederlagen en verbanningen, men schreef over de Grieks-Turkse oorlog, over Barbarijse zeerovers. Maar na het eerste kwart van de eeuw werd er geen aandacht meer aan de wereldpolitiek besteed. Er zou geconstateerd kunnen worden dat deze uiterlijke, nationalistischpolitieke aanleidingen plaatsmaakten voor persoonlijker onderwerpen. De jaarwisseling en religieuze feestdagen vormden enkele keren een poëtische inspiratie voor een bespreking van concrete gebeurtenissen of filosofische overpeinzingen over het verglijden van de tijd en de korte duur van een mensenleven tegenover Gods eeuwigheid. Eenzelfde sfeer sprak uit de treurdichten die ter gelegenheid van het afscheid van een goede vriend of het overlijden van een vriend of familielid geschreven worden. Dit soort overpeinzingen waarin een sterker

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

persoonlijke gevoelsbetrokkenheid een rol speelde of een eigen visie op het menselijk leven, kwam pas halverwege de eeuw meer naar voren. Meer echte persoonslyriek waarin een dichter zijn gevoelens uitte, zonder daarbij naar een bepaalde uiterlijke aanleiding te verwijzen, bleven de hele eerste eeuwhelft uiterst zeldzaam; er waren maar twee duidelijke voorbeelden te vinden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

73 Een aparte plaats namen de raadseldichten, de charades en dergelijke, in, die bij vlagen kennelijk heel populair waren. Het genre was in orale vorm algemeen, hier vinden we een geschreven echo. De dichters vlogen elkaar nogal eens in de haren. Aan ongeveer een zesde deel van de poëzie lag een persoonlijke ruzie ten grondslag. Men vocht de ruzies met zijn medemens meestal anoniem of onder pseudoniem in de krant in dichtvorm uit, waarbij de tegen- en omstanders meestal al gauw in de gaten hadden om wie het in de kleine gemeenschap ging. Men schold grof en persoonlijk en gaf elkaar ongenadig van katoen. Interessanter voor ons zijn de poëtische ruzies waarin men zei hoe gedichten gemaakt behoren te worden - ze laten iets zien van de negentiende eeuwse poëticale opvattingen. Vaker helaas kraakte men een dichtprodukt van een ander af. Maar ook in deze negatieve uitingen leren we iets over de veelal op de regels van de dichtgenootschappen geïnspireerde eisen; metrum, rijm en strofe. Het polijsten daarvan was het ideaal voor elke dichter, die echter ook van ‘Apollo's gloed’ moest bezitten wilde hij de Pegasus berijden en de Helicon beklimmen. De Curaçaosche Courant van de ‘Printer to the King's Most Excellent Majesty’ William Lee en zijn opvolgers nam niet alleen poëzie, maar bij tijd en wijle ook andere bijdragen op die tot de literatuur gerekend werden. Zo verschenen er in de krant enkele romantisch-sentimentele prozafragmenten[16], de vroegste voorbeelden van de later zo populaire dialogen, een paar fabels, anecdotes en de in die tijd zo geliefde reisverhalen. De rubriek ‘mengelingen’ van onderwijzer Phoel waren vroege voorbeelden van Antilliaans columnisme, dat in de R.K. pers aan het einde van de negentiende eeuw een bloeitijd zou gaan beleven. De verbinding tussen welsprekendheid en letterkunde werd gelegd in de in de krant afgedrukte ‘leerredes’ en ‘tijdredes’ bij bijzondere gebeurtenissen.[17] Van belang waren ook de incidentele recensies, die nu nog een beeld geven hoe men de literatuur beoordeelde. Al bleef de poëzie verreweg in de meerderheid, de relaties van de krant tot de letteren waren divers. Op haar beurt was de letterkunde aan dit ene medium gebonden, omdat er buiten de krant om nog nauwelijks sprake was van literatuur. Via de krant werd de plaatselijke elite bereikt, maar hoe groot dat bereik was is moeilijk na te gaan bij gebrek aan oplage- en abonnementscijfers. Het aantal lezers zal in elk geval groter zijn geweest dan het aantal verkochte exemplaren, want de krant had temidden van de buitenlandse bladen, een vaste plaats op de leestafels van de plaatselijke hotels en sociëteiten. Volgens Goslinga (1956) getuigde De Curaçaosche Courant van een ‘geesteshouding, welke er een is van conservatisme en behoudzucht’, volgens hem was ze ‘geen leidster der openbare mening, doch zij volgt de gangbare opinie’. Op de in de krant verschenen literatuur zou dezelfde karakteristiek van toepassing verklaard kunnen worden.

Eindnoten:

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[1] Debrot (1977) en De Haseth (1985) noemden ook de literaire voortbrengselen van Spaanse en Nederlandse ‘passanten’, dat wil zeggen auteurs die slechts gedurende korte tijd op de eilanden verbleven. Zie over deze literatuur, Rutgers 1988b: 13-18; 1990b. Deze letterkundige voortbrengselen van voor de 19de eeuw werden niet plaatselijk geproduceerd, gedrukt, gedistribueerd en gelezen, ze speelden kortom geen rol op de eilanden zelf, maar waren voor het moederland bedoeld. Zowel de Spaanse ‘encomendero’ Juan de Ampués (zie over hem WIG XXXVII, 1956/1957: 169-187; Hartog 1961: 50-61; Cardot 1973: 39-50) als diens landgenoot Lázaro Bejarano, ‘schrijver van satires en een polemist van niet te miskennen talent’ (Hartog 1961: 62; Cardot 1973: 51-60)), waren, hoewel koloniale bestuurders van Curaçao, nooit meer dan passanten op het eiland omdat ze er slechts enkele keren gedurende korte tijd verbleven. Juan de Castellanos, dichter van het 150.000 tellende berijmde historische epos Elegías de Varones Ilustres de Indias (zie De La Try Ellis in Christoffel II, 1957: 192-197; C.Ch. Goslinga in WIG XXXVIII, 1958: 1-45; Hartog 1961: 61-66), die daarin achttien stanzen aan de ‘reuzen-eilanden’ wijdde, verbleef als bezoeker van Lázaro Bejarano zelfs nog korter op het eiland. Ook de Nederlandse auteurs als directeur Peter Stuyvesant en fiscaal J. Farret die hun Trantveersjes uitwisselden waren passanten die zich (incidenteel) door hun eiland van tijdelijk verblijf lieten inspireren. Dan zijn er de reisbeschrijvingen van de ‘ontdekker’ Alonso de Ojeda, van priesters als de bekende Labat en de minder bekende Schabel, van zeeschuimers en piraten als Exquemelin: De Americaensche zee-rovers, Jan Erasmus Reining's Zeer aanmerkelijke reysen en W. Dampier wiens Voyage round the world Daniel Defoe zou inspireren tot zijn Robinson Crusoe. Opvallende en voor het vaderland desastreuze politieke ontwikkelingen, zoals de inval van de Fransman Du Cassard in 1713, en de plundering van Sint-Eustatius door Rodney in 1781, waren het onderwerp voor talrijke satirische geschriften, al dan niet op rijm. Aan al dit werk kunnen we gemakkkelijker voorbijgaan dan aan een opmerking van Emmanuel (1970: 445) over een Joodse dichter op Curaçao in 1697. Maar omdat er (tot nu toe) verder niets over hem bekend is, moet ook deze ‘son of the soil’ met rust gelaten worden, evenals de talrijke anonieme achttiende eeuwse Curaçaose satirici en hun politieke pamfletten en paskwillen. Wat opvalt is de eenzijdigheid van het overgeleverde materiaal: twee buitenlandse invallen (1713, 1800) en een paar keer politieke onenigheid tussen bevolking en besturende gouverneurs. Waren dat de onderwerpen die de koloniale pennen in beweging brachten, of werden juist die gedichten wegens hun historische waarde behouden in de archieven? Of zit er nog veel meer verborgen in het OAC van het ARA, maar haalden de onderzoekers alleen het historisch ‘interessante’ materiaal tevoorschijn? Noodzakelijk systematisch onderzoek zal hier misschien nog het een en ander aan het licht brengen. Blijft de nog interessantere vraag hoe de inwoners hun pamfletten ‘publiceerden’, lieten ze die in het buitenland drukken zoals Hartog (1961: 584) suggereerde, werden ze geschreven en aangeplakt, of waren er voor 1812 wel al druk-faciliteiten op het eiland aanwezig? Het lijkt aannemelijk maar nader onderzoek zal het moeten uitwijzen. (Emmanuel 1970: 463-464) Over de achttiende eeuwse pamfletten-literatuur schreven J.H.J. Hamelberg: Documenten I. Amsterdam 1901: 184-186; S. Kalff: WIG XIII, 1931/1932: 80-94; C.P. Amelunxen: WIG XVI, 1933/1934: 250-254; B. de Gaay Fortman: WIG XVIII, 1936/1937: 353-372. [2] Op andere Caraïbische eilanden begonnen drukkerijen, bladen en letterkundige activiteiten: Jamaica 1717; Martinique 1727; Santo Domingo 1750; ook in Suriname 1772. [3] De verwoesting van Sint-Eustatius bracht heel wat vaderlandse pennen in beweging, zoals die van De klagende, doch weder moedt grypende tuinmaagd, getroffen door het verooveren, van haar dierbare bezittingen St. Eustatius, St. Martin en Saba (verscheen ongedateerd en anoniem). Dat laatste was ook het geval met de in 1781 verschenen Samenspraak gehouden in het ryk der goden of de Elizeesche velden, tusschen de Hollandsche admiraal Piet Heyn, en de nu in korts gesneuvelde schout-by-nacht en zeeheld Willem Krul, voerende het 's lands oorlogsschip Mars, van 60 stukken canon en 300 man, in dienst van het edelmogende collegie der admiraliteit rezideerende tot Rotterdam. Dootgeschooten voor St. Eustatius den 4de February 1781. Amsterdam: Dirk Schuurman. W.V.O. Caspersz liet in hetzelfde jaar zijn Traanen van een gryzen Hollander, gestort om de naare toestand van zyn land, veroorzaakt door de schandelyke overwinning der Engelschen in de West-Indien (Amsterdam: J.B. Elwe), de vrije poëtische loop. [4] Geciteerd in WIG II, 1919: 150; C. de Jong: Reizen naar de Caraïbische eilanden in de jaren 1780 en 1781. Haarlem 1807: 107 vv. die overigens een levendig beeld gaf van St. Eustatius'

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[5]

[6] [7]

[8]

[9] [10]

[11]

bloei. Zie ook G. Knappert: Geschiedenis van de Bovenwindsche eilanden in de 18de eeuw 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1932; Herdruk Amsterdam: S.A. Emmering 1979. Bewaard gebleven nummers Sint-Eustatius Gazette: I-12: 19 VI 1790; III-171: 17 VIII 1792; III-190: 28 XII 1792; IV-218: 5 VII 1793; V-285: 17 X 1794. Volgens Jan Paul Delgeur (Amigoe 22 VII 1905) waren er in 1905 nog drie andere nummers bekend, maar die zijn sedert 1928 spoorloos (Hartog: WIG XXIX, 1948: 161) Uit de nummeraanduidingen concludeerde Hartog: Gazette XXXIV, 1984: 137-158) dat het eerste nummer van 3 IV 1790 moet zijn geweest. Het bewaard gebleven nummer 285 meldde dat het blad aan het eind van de abonnementsperiode zou ophouden te bestaan; er moeten dus van 3 IV 1790 - 14 XI 1794 in totaal 289 nummers verschenen zijn. Na Low kenden de Bovenwinden lange tijd geen drukkersactiviteiten meer: op Sint-Maarten was er een pers in 1964, op Saba in 1980 (tijdelijk) en op Sint-Eustatius nooit meer. Rutgers 1988b: 71-73; Eva Essed-Fruin: Encyclopedie van Suriname Amsterdam-Brussel: Elsevier 1977: 376-379. In een advertentie op 28 XII 1792 kondigde Samuel A. Matthews het voor zover nu bekend, in de Antillen oudst gedrukte boek aan, dat een weerlegging was van een omtrent de Antillen zeer negatief werk, geschreven door ene Moreton. De titel was The Lying Hero, or an Answer to J.B. Moreton's Manners and Customs in the West Indies. Het boek was bij intekening voor twee dollar te koop bij Low en was volgens een bericht zeker begin 1793 op de markt. Het grootste deel van de voorraad zou naar Barbados en Jamaica verscheept worden. (bericht in de krant van 28 XII 1792) M. Coomans-Eustatia ontdekte nog een door Low in 1791 uitgegeven pocket-almanak: Low's Pocket Almanack for the year 1791, en een Law of the Island of St. Christopher 1711 to the Year 1791. In Hartog 1948 en 1982. Blackstone's Commentaries on the Laws of England, 4 vol. 8vo.; Burke's reflections on the revolutions of France &c.; Campbell's Bevis and the Admirals 5 vol. 8vo.; Coxe's Travels, thro' Poland, Russia, Sweden, and Denmark, 3 vol. 8vo.; Cooke's 2nd voyage 2 vol. 8vo.; Hawksworth's voyages 3 vol. 8vo.; Cooke's 3rd voyage 3 vol. ditto, with Cuts.; Robertsons Hist. of America 2 vol. 8vo.; Robertsons Hist. of Charles V 2 vol. 8vo.; Hawkins life of Johnsons; Henry's Hist. of Great Britain 5 vol. 8vo.; Ogilvie's poems 2 vol. 8vo.; Adventurer in 2 vol.; Ditto 4 vol.; Congreves works vol.; Churchill's poems 3 vol.; Citizen of the world 2 vol.; Deretz Memoirs 4 vol.; Ganganelli's Letters 4 vol.; Rousseau's Eloisa 4 vol.; Sir Charles Grandison 7 vol.; Melmoth's Pliny 2 vol.; Gordon's Tacitus 5 vol.; Pope's works 6 vol.; Pope's Iliad 6 vol.; Ditto 4 vol.; Pope's Odyssey 3 vol.; Rollin's ancient History 10 vol.; Rollin's Roman History 16 vol.; Rollin's Belles Lettres 4 vol.; Shakespear's works 13 vol.; Spectator 8 vol.; Tatler 4 vol.; Rambler 4 vol. &c. &c. Over de Sint-Eustatius Gazette, zie Hartog 1944; Rutgers 1988b en Hartog 1948, 1982, 1984. Over William Lee (1786-1823): Hartog 1944: 25, 101vv.; ENWI 1914-1917: 395-396; J.Ph. de Palm 1985: 375; C.C. 9 XII 1837; 13 XII 1862. M. Coomans-Eustatia sprak haar twijfels uit of Lee wel met een drukpers het opstandige en gecensureerde Zuidamerikaanse land zou kunnen binnenkomen en verlaten. Na zijn dood nam zijn weduwe de zaak over tot haar dood op 29 VII 1833. Daarna kochten de werknemers A.L. Statius Muller & J.F. Neuman Wzn. de drukkerij. In 1908 kwam ze in handen van de familie Gorsira. De krant is vanaf het begin het semi-officieel publicatie-orgaan voor de Gouvernements Besluiten. Volgens Hartog (1944: 105) was de C.C. zestig jaar lang het enige periodieke publicatie-medium op Curaçao, maar ook dat blijkt niet helemaal houdbaar volgens M. Coomans-Eustatia, die met name in Engelse en Venezolaanse archieven nieuw (nog niet gepubliceerd) materiaal vond. Nergens is de krant volledig bewaard gebleven. De Curaçaosche Courant zelf heeft een archief met zwaar beschadigde exemplaren. Het C.H.A. bezit de collectie ook op microfilms, de Arubaanse B.N.A. bezit jaargangen vanaf 1847, maar de Haagse K.B. bezit waarschijnlijk wel de meest complete en best bewaarde collectie; maar niet de eerste Engelstalige jaargangen. De Dagboeken van Bartholomeus Senior (1741-1833) en Bartholmeus Senior Jr. (1791-1873) bleven bewaard dank zij de kosters- en sacristans-functie van hen, waardoor ze gegevens van de burgerlijke stand, doop en overlijden noteerden. Het 62 pagina's tellende in het bisschopppelijk archief bewaarde exemplaar van het ‘Memoriaal der geschiedenis op het eiland Curaçao in het jaar onzes Heeren 1796’ begon in het in de titel vermelde jaar, ‘Jr.’ vatte zijn activiteiten in 1820 aan en schreef tot 1869 door. De strekking van Senior Sr. was duidelijk om algemene en politieke gebeurtenissen voor zichzelf vast te leggen, gebeurtenissen in de grote Curaçaose

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

gemeenschap; Senior Jr. gaf meer persoonlijk familie-nieuws, en minder nieuws met betrekking tot het politieke leven. (Nooyen 1974: 69,70,75) Hoort zo'n ongepubliceerd dagboek tot de literaire periferie, het is interessant omdat we zien dat vader en zoon in het Nederlands schreven. Nooyen schreef over het taalgebruik van Jr.: ‘Hij schreef het in het Nederlands; dus hij is waarschijnlijk naar het katholiek schooltje van J.V. Ras, een particulier schooltje gegaan, maar wat hij schreef was niet altijd perfect Nederlands, soms zelfs onleesbaar en onbegrijpelijk, waaruit we moeten opmaken, dat ze thuis toch wel altijd Papiamento spraken.’ [12] Lampe 1991a: 26. Zie bijvoorbeeld de brieven van J.J. Putman in De Godsdienstvriend XXXVIII, 1837: 186-190; id. XL, 1838: 189-195; id. XLI, 1839: 294-296; Catholyke Nederlandsche Stemmen IV, 1838: 351-352; id. XIII, 1847: 297-299; De Godsdienstvriend LX, 1948: 268-271; id. LXII, 1849: 94-96, 242-244, 307-310; id. LXVII, 1851: 196-198; Koloniaal Missietijdschrift XX, 1937: 306-314; id. XXI, 1938: 20-30 [13] Zie Verton 1977: 29. Ter vergelijking, zie Fred. Oudschans-Denz 1937. In navolging van Bill Ashcroft e.a. 1989: 27 zouden we ook van ‘settler-literatuur’ kunnen spreken. Dat archief-onderzoek onverwachte bronnen aan het licht kan brengen zagen we al bij Nooyen (1974). Emmanuel (1970: 303; 329; 1013) zorgde voor een soortgelijke verrassing met het werk van vader en zoon Lopez Penha, twee vroege Joodse dichters op Curaçao. Daniel Lopez Penha (*Amsterdam 1744) schreef in 1814 kennelijk religieuze gelegenheidsgedichten bij het vijftigjarig jubileum van Haham Da Fonseca als rabbi. Moses Lopez Penha vertelde dat zijn vader Daniel ‘wrote many poems in Hebrew’ (Emmanuel 1970: 1013, waar een gedicht is afgedrukt) ‘According to his son Moses, he also “dabbled quite a bit in poetry and published several works.” There is no record of those writings, but it is known that he composed several liturgical poems on the occasion of Haham Da Fonseca's fifty years of service to the community.’ (Emmanuel 1970: 329) Moses Lopez Penha (geboren op Curaçao, koopman, gestorven in 1854 (Emmanuel 1970: 329; 338; 1014-1018) schreef in 1832 bij de viering van het eerste eeuwfeest van de synagoge. ‘The Voice of Rejoicing and Salvation’, acht liturgische gedichten in het Hebreeuws, afgedrukt in Emmanuel (1970: 1014-1018), en twee gebeden in proza, ‘one in fairly good Hebrew’. (Emmanuel 1970: 338-339) Hoewel het oordeel niet onverdeeld gunstig luidde, verdiende deze vroege Hebreeuwstalige Curaçaose poëzie toch even vermelding. ‘Although without poetical merit, some of these verses are presented to show that until the end of the 18th and early 19th centuries there were some people in Curaçao who were fond of the Hebrew language and poetry.’ (Emmanuel 1970: 1014) ‘He set these poems to melodies familiar to the congregation. One of the melodies was adapted from the old Spanish romance A los Campos and another from the Adon ‘Olam of New York's Shearith Israel.’ (Emmanuel 1970: 339) De verspreiding bedroeg niet meer dan 24 exemplaren, maar ze werden in de gemeente gezongen. Zie I.S. Emmanuel: Histoire des Israélites de Salonique, pp. 199-200 voor gegevens over de adaptatie van populaire ballades naar liturgische liederen. Emmanuel 1970: 1089 vermeldt drie Spaanstalige Purimfeestgedichten: El Triunfo de Esther (1847; dit is op p. 1089 afgedrukt); La Gloria Israelita (1842); Heroismo de Mordoqueo (maart 1849) [14] Ter verduidelijking zou op grond van de gevonden gedichten de volgende indeling van dichters gemaakt kunnen worden. Een vijftiental dichters publiceerde onder namen als ‘a lady’, ‘an amateur of poetry’, ‘uw gemaskerde landgenoot’, ‘een inteekenaar’, ‘een oud-gediende’, ‘de geheime wreeker’ enz. Pseudoniemen die bewust niets over de identiteit van de dichters verraden, maar alleen iets zeggen over de relatie tot het beschreven onderwerp. Opvallend is hierbij dat deze vijftien dichters slechts een keer de moeite namen om bij een bepaalde gelegenheid een poëtische bijdrage het licht te doen zien. Van een tweede groep, eveneens bestaande uit ruim vijftien personen, kan hetzelfde opgemerkt worden. Deze koos een op de Klassieken geïnspireerd pseudoniem als Sincerus, Prudentio, Philantrope. Van hen publiceerde drie-vierde ook slechts een keer. Alleen Sincerus nam de pen zes keer op in een periode van ruim tien jaar (als er zich in de loop van die lange tijd niet meer dichters achter hetzelfde pseudoniem verborgen hielden!). De derde groep is die van de grote onbekende ‘X’, die achttien gedichten -vooral raadselsbijdroeg en de onbekenden XX, YY en ZZ, die elk een gedichtje publiceerden. Dan vinden we de dichter ‘Moobesoor’ ,achter welk peseudoniem een kapitein Roosenboom zou kunnen schuilen, en een zeventiental dichters die hun initialen onder de publicaties plaatsten. Van hen is V.P. met twaalf gedichten vooral actief geweest, de overigen publiceerden maar een of twee keer. De laatste groep was die met de volle naam ondertekende, maar dat waren in het geheel maar zo'n vijftien personen, onder wie G.G. van Paddenburg (4x), K.A. Erkelens (9x), C.M.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Nuboer (6x), A.J. Pypers (3x) en ‘Louisa’ (2x); de overigen brachten het ook niet verder dan een gedicht. [15] De indeling is natuurlijk enigszins arbitrair omdat bepaalde gedichten in verschillende rubrieken onder te brengen zijn. [16] Zoals een voorpublicatie (nieuw verschijnsel dus op Curaçao!) van Iramba or The rural Philosopher; a sentimental tract (10 IX 1813), en slechts twee weken later van dezelfde anonieme auteur de Thoughts on the origin of the past and present wars of Europe (wat dus geen literatuur was). Dit oudste van Curaçao bekende prozawerk kreeg op 14 III 1814 een uitgebreide, voor de auteur helaas zeer negatieve, recensie onder het opschrift ‘Caramba’, de oudst bekende recensie van Curaçao. [17] Zo verscheen bijvoorbeeld in 1816 van de predikant der Lutherse gemeente, J. Muller J.A.Z.: Leerrede, by gelegenheid der gelukkige hereeniging van het eiland Curaçao met het Koningryk Nederland, gehouden op Zondag den 10 maart 1816. Curaçao: William Lee, drukker van Zyne Majesteit den Koning der Nederlanden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

74

3.2. ‘Openbare vermakelijkheden zijn hier niet’ Het ging de eilanden na de restauratie van het Nederlands gezag economisch bepaald niet voor de wind. De landbouw bood als vanouds door droogte en plantenziektes een armoedig bestaan, de handel kende zo zijn ups en downs, talrijke plannen om de zaken ten goede te doen keren mislukten steeds opnieuw. De tegenstellingen tussen rijk en arm waren groot; bedelen was een normaal verschijnsel. Naast de relatieve en soms zelfs uitzonderlijke welvaart van de Joodse handelaars, probeerden de plantage-houders krampachtig enige staat op te houden. De militairen en hogere ambtenaren hadden een veilig bestaan, het volk van zwart tot wit leed veelal armoede en was op kerkelijke liefdadigheid aangewezen. In zo'n situatie valt een bloeiend cultuurleven nauwelijks te verwachten. Buiten het hoofdeiland moeten de tijden inderdaad bar geweest zijn. De cultuur en het openbaar vermaak die er in de kolonie toch nog bestonden, waren voorbehouden aan een kleine elite-groep. Hoewel dominee Bosch alle ‘beminnaars van groote gezelschappen, als van Comediën, Concerten, Societeiten’ afraadde om naar West-Indië te gaan, omdat die daar ‘in het geheel niet zijn, of slecht bezocht worden’, en onderwijzer Van Paddenburgh zowel als Teenstra constateerden dat ‘openbare vermakelijkheden’ niet aanwezig waren, viel er toch wel iets te beleven op het vroeg negentiende eeuwse Curaçao. Er waren naast een levendig sociaal verkeer via wederzijds op bezoek gaan (een fenomeen dat passanten opvallend vonden) en het gezelligheidsleven in sociëteit en hotel, ook enkele ‘geformaliseerde samenwerkingsverbanden’, die aan de kenmerken van naamgeving, lidmaatschap, geregelde samenwerking, officiële oprichting en vaste plaats van vestiging voldeden. Waarschijnlijk kwamen ze uit dezelfde hang naar ‘sociabiliteit’ voort die Mijnhardt (1988) zo kenmerkend voor de moederlandse genootschappen achtte. Na de troebelen van binnenlandse onlusten, Franse dreiging en een tweevoudig Engels tussenbewind, moest een nieuwe generatie creolen en kolonisten immers een nieuwe Curaçaose maatschappij opbouwen, wat ze met enthousiasme aanvatte. Muziek en zang, maar vooral dans waren volgens alle geschreven berichten in die dagen bijzonder populair. Naast de eigen initiatieven zorgde enige cultuurimport voor de zo begeerde afleiding. Curaçao had daarbij zijn gunstige ligging aan de normale reisroutes tussen Noord- en Zuid-Amerika en tussen het Amerikaanse en Europese continent mee. Het eiland profiteerde van de zich ontwikkelende cultuur in het onafhankelijke Noorden Zuid-Amerika. Vanaf de jaren dertig werd het daardoor mogelijk een opera-voorstelling van een buitenlands gezelschap op tournee bij te wonen, een ‘cosmorama’ te bezichtigen, een concert te beluisteren en een circusvoorstelling te bezoeken. Er waren dus zeker enkele mogelijkheden voor een uitgaansleven aanwezig. Waar archiefmateriaal ontbreekt en er uit de reisverslagen evenmin veel bijzonderheden te halen zijn, moet de krant opnieuw als belangrijkste bron voor het onderzoek van het gezelschapsleven geraadpleegd worden. Maar ook die gaf weinig en zeker geen details. We weten van het bestaan van een aantal gezelschappen, maar slechts zelden iets over hun structuur, het aantal en de sociale herkomst van de leden en hun activiteiten. En altijd zouden we meer willen weten en moeten we constateren dat er nog veel te weinig onderzoek werd verricht. De koloniale elite lijkt de moederlandse tradities van sociabiliteit in eigen kring naar de kolonie overgebracht

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

te hebben. Bij overeenkomstige omstandigheden organiseerde ze zich op identieke wijze. Sedert het midden van de achttiende eeuw kende Curaçao actieve vrijmetselaarsloges, vanaf het begin van de negentiende eeuw was er in de hotels zeker sprake van ‘gezellig verkeer’, waren er ‘een Societeit van Heeren’ en volgens passant Teenstra een ‘Collegie, wordende alleen door eene geringere klasse van kleurlingen en vreemdelingen bezocht’. Op 26 februari 1817 werd

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

75 er ‘met de toestemming van Z.E. de Gouverneur Generaal die zich wel tot de beschermer van hetzelve heeft willen stellen’ een Departement van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen opgericht. Behalve enkele aan deze vereniging gewijde gedichtjes en oproepen tot het bijwonen van vergaderingen, waar door actieve leden elocuente redevoeringen werden afgestoken, is er weinig concreets over bekend. Onderwijzer Van Paddenburg schijnt de drijvende kracht geweest te zijn. Enkele genoemden blijken hoge maatschappelijke posities te bekleden. Dat het departement ook naar buiten trad, bleek toen op 14 november 1818 een prijsvraag werd uitgeschreven over de geschiktste middelen om het eiland voor watergebrek te behoeden. Dat antwoorden in het Frans, Spaans, Nederduits of Engels mogelijk waren zegt iets over de toenmalige taalsituatie bij de elite: Frans voorop. Ondanks de niet geringe prijs, een gouden erepenning ter waarde van vijftig gulden, kwam er geen enkele inzending. Binnen tien jaar was het departement kennelijk al weer ter ziele. Deze genootschappen hadden een algemeen doel waarin het gezellig verkeer aan het nut gepaard werd. Specifiek literair moet een gezelschap zijn geweest, waarover naar aanleiding van een kennelijk persoonlijke twist, op 10 januari 1818 een gedichtje in de krant verscheen, waaruit de volgende intrigerende verzen gelicht zijn: ‘De bleeke nyd en Momus kwamen, Eens in een donker bosch te zamen. Niet verre van een diepen poel ... Al pratende zo kwamen zy, In 't dichtgezelschap binnen treden; Daar hooren zy veel goede reden, Elk lidt had zyn gezette taak, Tot nut, tot stichting en vermaak. 't Genootschap was in taalkunst schrander, Doch kwaad sprak niemand van een ander...’

De anonieme rijmelaar leek een creatief dichtgenootschap op het oog te hebben, waartoe (zie de ‘woordspeling’ in het begin) dominee Bosch en onderwijzer Phoel behoorden. Dat zal de taalvoorkeur voor het Nederlands verklaren. Het gezelschap kende kennelijk een afgesproken taakverdeling, het doel was het traditionele ‘utile dulci’, maar alle overige gegevens ontbreken.[18] Over enkele andere verenigingsverbanden in de vorm van toneelverenigingen en leesgezelschappen weten we gelukkig nog wel iets meer.

Toneel van creolen en passanten Ook voor het toneelleven moeten we bij de krant te rade gaan. De vroegste meldingen zijn vanaf het begin van de negentiende eeuw.[19] Al in 1814 en 1815 nam de redacteur enkele korte Engelstalige satirische ‘dialogen’ op, die daarmee de voorlopers van de latere toneelliteratuur geworden zijn.[20] Maar dat was puur incidenteel, in tegenstelling tot amateur-toneelspelers die zich in het begin van de eeuw in verenigingsverband organiseerden. Vanaf 1821 verschenen er, in de vorm van advertenties, in de krant van tijd tot tijd berichten over lokale toneel-optredens. Buitenlandse groepen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

adverteerden sinds 1834. In sommige gevallen werden in artikelen extra mededelingen gedaan, maar ‘echte’ recensies waren pas van later datum en kwamen in de eerste eeuwhelft nog niet voor. Pas vanaf de jaren zestig werd het gewoonte om een nabeschouwing op de voorstelling te geven, die men met enige reserve wel recensies zou kunnen noemen als ze niet zonder uitzondering zo prijzend en absoluut onkritisch waren.[21] Uit de krant blijkt ook

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

76 wel dat dit medium ons nooit volledig op de hoogte zal kunnen brengen van wat er allemaal geweest is, want vaak werd alleen een vervolgvoorstelling aangekondigd, soms zelfs een vierde, terwijl er over de eerste drie niets te lezen was. Dat doet vermoeden dat er ook voorstellingen geweest zullen zijn die helemaal niet werden aangekondigd - misschien zelfs wel de meest populaire die geen nadere reclame behoefden in de kleine gemeenschap. Bestonden de bezoekende buitenlandse gezelschappen uit beroepsspelers, eigen toneel was vanaf het begin het domein van amateurs. Een gezelschap van Joodse spelers, die zich naar die status dan ook ‘Liefhebbery Komedie’ of ‘aficionados’ noemden, vertoonde twee golven van produktiviteit in 1821-1822 en in 1831-1832, in welke jaren volgens de teruggevonden aankondigingen zeker meer dan dertig verschillende stukken werden opgevoerd, waarvan enkele kennelijk zo populair waren dat ze na jaren werden herhaald, soms tot twee keer toe over een tijdvak van tien jaar.[22] Hun eerste optreden vond plaats op 4 juni 1821, ‘Zullen de Deuren geopend worden te zes uren, en de Scherm geligt te zeven uren. De Billetjes met Designatie van de plaatsen der Leden en Dames, volgens loting, zullen by tyds, vóór den Speeldag worden toegezonden. De Billetjes voor Bezoekers, zullen by de Directeurs te bekomen zyn, tot ten minste een uur voor het openen der deur, zullende daarna, geen Billetjes voor de zoodanige te verkrygen zyn. N.B. - De Leden die als nog niet voldaan hebben aan hun Entré Geld en Contributie, worden indagtig gemaakt aan het Artikel 20 van het Reglement.’ Uit dit citaat blijkt dat de Liefhebbery Komedie een officieel verenigingskarakter met een reglement had - dat had men van Gouverneur Generaal Cantz'laar verkregen, wat kennelijk nodig was omdat er sinds een jaar een preventieve censuur-maatregel van kracht was -, dat alleen mannen lid konden worden en dat men onderscheid maakte tussen inwoners en bezoekende buitenlanders. De vereniging kende dus ‘werkende’ leden die als spelers optraden en ‘heeren inteekenaren’ die zich op de voorstellingen als toeschouwer abonneerden. Introductie was in beperkte mate toegestaan, maar men ‘wordt ernstig verzocht dat geen Jonge Heer boven 18 jaren oud in plaats van eene Dame, noch Ingezetenen in die van eenen Vreemdeling geïntroduceerd worde.’ In 1831 werden ook kinderen ‘boven zeven jaren’ voortaan toegelaten. We lezen nogal eens in advertenties dat de leden verzocht werden hun contributies te voldoen, ‘daar de Amateurs anders tot hun leedwezen verpligt zullen zyn de Theatre te sluiten, door gebrek aan middelen tot het goedmaken der noodige onkosten.’ Op ‘de Scherm’ was de zinspreuk van de ‘aficionados’ afgebeeld: ‘On fait ce qu'on peut, non pas ce qu'on veut’ - een zinspreuk die ook weer in 1871 in Teatro Naar gebruikt zou worden: men had oog voor de traditie. Na de laatste voorstelling in 1822 was er in de krant sprake van het overlijden van enkele familieleden van werkende leden; zou dat toen de reden van het staken van de eerste activiteitengolf geweest zijn? Op 22 februari 1832 werd tijdens een formele vergadering de vereniging opgeheven en de baten- en lastenrekening opgemaakt, waaruit bleek dat de vereniging kennelijk eigendom van de ‘Heeren Leden Inteekenaren’ was.[23] De ‘deuren’ zullen ongetwijfeld van het schouwburggebouw op Scharloo geweest zijn, waarover Teenstra nogal kritisch schreef als een lang en smal, slordig gebouw.[24] Men speelde Franstalige blijspelen uit het internationale repertoire, geen eigen stof.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Er was nog geen eigen toneelliteratuur. Het was de gewoonte een langer stuk te laten volgen door een vrolijke toegift om de avond plezierig af te sluiten. In 1844 was er sprake van een ‘Liefhebbery Tooneelgezelschap Nut en Genoegen’ dat op ‘Zaturdag den 22 Juny 1844’ haar eerste voorstelling gaf, in een kennelijk opgeknapt toneelgebouw.[25] Deze groep speelde in het Nederlands en gaf als eerste stuk een treurspel dat gevolgd werd door een kort blijspel. De groep leidde kennelijk slechts een kort bestaan. In de krant

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

77 stonden advertenties voor drie voorstellingen, terwijl er toch wel degelijk sprake was van abonnementen - voor zo weinig opvoeringen?[26] Naast deze groep waren er nog enkele militaire toneelverenigingen, die veelal slechts een kort bestaan leidden.[27] Was het toneel tot nu toe het domein van de geboren Curaçaoenaars geweest, uit de beroepsaanduiding (militairen) en de naam van de in de advertenties genoemde leiders, lijken we hier te maken te hebben met passanten, die hun vrije uren tijdens hun tijdelijke verblijf in de kolonie gebruikten om uit liefhebberij toneel te spelen. Het zou tot 1860 duren eer de bekende J.J. Naar zijn voorstellingen begon met ‘La Sociedad Dramática de Aficionados’, waarvan A. Jesurun secretaris en J.A. De Lima penningmeester waren.[28] Men keerde terug naar het oude motto van 1821 en speelde in het Spaans, de taal die intussen een belangrijke plaats op de Benedenwinden verworven had. Het werd al na een jaar stil rond de toneelgroep die zo enthousiast onthaald was. In 1862 vertrok Naar naar Bonaire en de zware pokkenepidemie van dat jaar zal er mede debet aan geweest zijn dat men niet in een schouwburg bij elkaar wilde komen. Bijna tien jaar later, in 1871, zou J.J. Naar met het dan door hem gebouwde en naar hem genoemde ‘Teatro Naar’ opnieuw van zich laten horen. Een halve eeuw toneelgeschiedenis leert dat er sprake was van vier golven van activiteit, dat men zich in verenigingsverband organiseerde, dat men aanvankelijk in het Frans maar later ook in het Nederlands en Spaans speelde: De Antilliaanse toneelgeschiedenis is al vrijwel vanaf het begin multilinguaal. Speelde men aanvankelijk alleen blijspelen, later waagde men zich aan het tragische. Eigen toneelauteurs kwamen nog niet voor. Waar de gelegenheidspoëzie vooral het domein van de Protestantse bevolking leek, was het toneel van de Joden; waar de poëzieproduktie ‘eigen’ was, gold voor het toneel dat er uit een internationaal repertoire werd geput. Zowel de spelers als het publiek hoorden tot de eilandelijke elite, het gewone volk had geen deel aan deze toneelcultuur. (Zie bijlage 3)

Eindnoten: [18] Over vroeg negentiende eeuws Curaçaos sociaal leven, zie Dominee G.B. Bosch 1829: 157; G.G. van Paddenburgh 1819: 82; M.D. Teenstra 1836: 187. Deze schaarste staat wel in schrille tegenstelling tot Suriname waar einde achttiende eeuw de bloeiende vereniging ‘De Surinaamsche Lettervrienden’ al bestond. Er moeten in dat land veel meer literaire gezelschappen bestaan hebben dan in de Antillen. [19] De opmerking van F. Davelaar in ENA (1985: 472), ‘De Spaanse periode kan worden geacht te beginnen met de opening in 1871 van de eerste schouwburg in de Nederlandse Antillen, het Teatro Naar...’ behoeft aanvulling en uitbreiding naar het begin van de eeuw toe. Er was al eerder een schouwburg, er werd al veel eerder toneel gespeeld, ook in het Spaans. Data van eerste toneelvoorstellingen: Jamaica 1682; Barbados 1729; Suriname 1773; Antigua 1788; St. Lucia 1832. [20] C.C. 25 III 1814; 11 VIII 1815 [21] Een voorbeeld uit 1861: In de krant reageerden Eenige bewonderaars enthousiast op de groep van Naar en de eerste voorstelling op 30 juni, met ‘...het voorwaar moeijelyk drama “Lucrezia de Borgia” werd op eene wyze uitgevoerd, die onze stoutste verwachtingen verre, zeer verre, overtrof...’ Onder de titel ‘Eere, wien eere toekomt’ schreven ‘eenige amateurs’ een ‘recensie’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[22]

[23]

[24]

[25] [26]

[27]

[28]

op de uitvoering van Rodrigo Calderon, ‘Eene eivolle zaal bewees het belang, dat het publiek in de voorstellingen van dit gezelschap stelt...Alle leden hebben bewyzen van vorderingen gegeven. Mej. Capriles heeft hare allermoeijlykste rol, inderdaad, onverbeterlyk wedergegeven...De Heer De Lima heeft de titelrol allerbest vervuld. Het début van den Heer M. Henriquez was zeer goed. De President van het Gezelschap heeft als Prins en Koning byzonder voldaan evenzoo de Secretaris als geheimschryver. Als men by verradersrollen toegejuichd wordt, is dat wel een bewys van zeer goed spelen. Ook Mejufvrouw Wolff heeft én als novice én als dochter en beminde zeer wel voldaan. Alle overige rollen werden met goed succes uitgevoerd.’ In de kleine gemeenschap was het gewoonte alle spelers die rollen van enige importantie vervulden afzonderlijk te noemen en te prijzen. De retoriek van die tijd maakt dat we ze veelal met een glimlach zullen lezen, maar toch geven deze verslagen ons informatie over belangstelling en reacties van het publiek en zijn daarom zeer waardevol. Emmanuel (1970: 480) schrijft: ‘In Curaçao Jewish amateurs presented theatrical pieces, often in French, since the beginning of the 19th century, and possibly earlier. In 1821 a group of nine Jewish amateurs petitioned Governor Cantz'laar for leave to present the comedy, “L'on fait ce qu'on peut en non pas ce qu'on veut”. Their petition was granted.’ De auteurs waren dus niet helemaal op de hoogte, omdat ze dachten dat de zinspreuk waaronder de groep speelde de titel van het eerst opgevoerde stuk was. Die negen amateurs hadden bovendien een officiële verenigingsstatus verworven: A.D. Meza, I. Cardoze, M. Ricardo, D. Cardoze, A. Henriquez, M.C. Henriquez, I. Cardoze, I. Henriquez, A. Senior. (O.A.C. I-294, nr. 24, 20 III 1821) Secretaris Abraham Capriles meldde in de C.C. 18 II 1832: ‘De Leden der Liefhebbery Comedie “On fait ce qu'on peut, non pas ce qu'on veut” aan de verpligting voldaan hebbende, dewelke zy by de oprigting dezer Societeit hebben op zich genomen, verzoeken de Heeren Leden Inteekenaren om op aanstaanden Woensdag den 22sten dezer des middags te 12 ure in het Curaçaosche Hotel byeen te komen, ten einde inzage te erlangen van de rekening hunner gehoudene administratie, en te beschikken over de meubelen en overige tot deze Societeit behoorende goederen. Zy verzoeken tevens ten dringendste aan de Leden die hunne bydrage nog niet hebben voldaan, om dezelve vóór den bovengenoemden dag aantezuiveren, ten einde aan de Werkende Leden het ongenoegen te sparen, van hunne namen, als schuldenaars eener zoo geheiligde schuld open te leggen.’ Teenstra (1836: 66-67) constateerde op zijn bezoeken in 1828-1829 en 1833-1834, ‘het tooneelgebouw, zijnde eene zeer langwerpig vierkante zaal, zoo smal, alsof het een breede gang ware en laag onder verdieping; daarbij zoo ruw gebouwd, alsof het voor een’ schaapsstal bestemd ware, zoodat er dan ook geene loges en niets dan een zoogenaamd pareterre bestaat. Het gordijn was versierd met de lier van APOLLO en de inscriptie: ‘On fait ce qu'on peut Non pas ce qu'on veut.’ De C.C. 29 VI 1844 meldde een verhoging van het dak, de verplaatsing van het orkest, terwijl de decoraties ‘niets te wensen overlieten’. Hartog (1961: 882-883) noemde een schouwburg op Pietermaai van omstreeks 1830; verder moet er nog een houten schouwburg zijn geweest, volgens Hartog ‘vermoedelijk dezelfde’. Over geen van deze gebouwen kon ik nadere bijzonderheden vinden. Er werd ook in de buitenlucht gespeeld, bijv. ‘en el clepe de Sra. Matthey’. De C.C. 13 XII 1851, meldde, ‘het Militaire Tooneelgezelschap zal de eer hebben op Zondag, den 14 dezes, de eerste Voorstelling te geven binnen het Fort Amsterdam.’ Een jaar later trad ‘Het Nederduitsch Liefhebbery Tooneelgezelschap’ op onder leiding van Directeur H. van Loon. Emmanuel (1970: 480) ‘Jacob Jesouah Naar tried to instill a love for the drama among the Jewish youth. In 1850 he founded the Sociedad Dramática de Aficionados...They made their debut with Victor Hugo's Lucrezia Borgia...Several plays subsequently offered met with great succes. These performances were attended by the governor and other island dignitaries.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

78

3.3. Koloniale leescultuur Gegevens over vroeg-negentiende eeuws boekenbezit en leesgewoonten zijn uitermate schaars. Voorzover er al een naam bekend is, bewaren zowel de contemporaine als latere bronnen een diep stilzwijgen over de voor ons juist zo interessante bijzonderheden omtrent de verenigingen. Enkele passanten die over hun bezoek aan de eilanden schreven deelden soms iets mede over lezen en boeken. Andere mogelijke bronnen als brieven, dagboeken, reisbeschrijvingen en contemporaine of historische romans ontbreken tot nu toe jammer genoeg nog. Via incidentele historisch-biografische bronnen weten we soms nog iets over particulier boekenbezit in de eerste helft van de 19de eeuw. Zo weten we via De Pool (1988) dat Mordechay Ricardo begin 19de eeuw al veel boeken bezat, maar we kennen de titels niet. Van de bekende Curaçaose musicusdichter J.S. Corsen weten we via Rutten (1983) dat er bij hem thuis in het midden van de eeuw een ruim voorziene boekenkast was, met vooral veel Franse literatuur erin, ‘zodat zijn leeshonger op geen enkele wijze aan banden werd gelegd’, evenwel eveneens zonder verdere bijzonderheden of titels. Renkema (1981: 68-69) klaagde erover dat de planters zo weinig landbouwkundige werken bezaten, maar de ‘reisverhalen, historische werken en de geschriften van Rousseau en Voltaire’ die hij in het bezit had aangetroffen interesseren ons juist meer. Naast krante-berichten in de vorm van advertenties vormt onderzoek van boedelbeschrijvingen zoals Renkema verrichtte, een van de weinige mogelijkheden om meer details over particulier boekenbezit te weten te komen. Onderzoek in een groot aantal boedelbeschrijvingen van plantagebezitters en stadsbewoners, van eenvoudige handwerkslieden tot de rijkste families, alleenstaande mannen en vrouwen zowel als gezinshoofden, verdeeld over een tijdvak van 1820 tot 1873, leverde slechts een mager resultaat op wat eventueel boekenbezit betreft. Meestal werd er geen enkel boek, zelfs geen bijbel, in de boedelbeschrijving vermeld. De rijke weduwe A.C. Ellis bezat drie boeken, G. Striddels was met twee kisten met daarin 32 ‘hoogduitsche boekdeelen’ een uitzondering. Zelfs in de wel zeer aanzienlijke boedel van Mej. G. Berch, gescheiden van A. Evertsz, waarvan de beschrijving drie weken in beslag nam en 145 dubbele pagina's besloeg, volgeschreven met zilveren en gouden sieraden in allerlei vorm, obligaties, hypotheken, huizen, grond en slaven, waren slechts ‘een hebreeuws bijbeltje met karetten band in goud gemonteerd’ en ‘een bijbel met zilveren slootje’ aanwezig, weliswaar dertien schilderijen, maar geen boeken.[29] Met deze gegevens kunnen we niets anders dan concluderen dat het bezit van een eigen bibliotheek van enige omvang kennelijk nogal uitzonderlijk was. Zijn de gegevens over vroeg-negentiende eeuws boekenbezit dus uiterst schaars, we weten wel dat er veel meer gelezen werd dan de plaatselijke drukker produceerde. Wat men las, werd geïmporteerd. Het is bekend dat boeken soms geveild werden, maar we hebben geen enkele catalogus. De partijen zullen waarschijnlijk ook wel niet zo uitgebreid geweest zijn, dat zo'n catalogus nodig was. Uit Lee's advertenties weten we dat hij buitenlandse boeken in de verkoop had, maar hoe groot zal de rechtstreeks door de lezer gerealiseerde import geweest zijn? Tijdschriften kwamen we, op ‘Spectators’ na, nog niet tegen; die verschenen ook pas in de loop van de negentiende eeuw in groter getale. Wat het lezen betreft kunnen we drie vormen onderscheiden. Waar de welgestelde zich het aanschaffen van een eigen boekerij kon veroorloven, moesten minderbedeelde

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

individuen zich organiseren om toch in staat te zijn de (kostbare) boeken te bemachtigen; ze richtten een leesvereniging op. Daarnaast werd een minder gesloten bibliotheekwezen net voor de eeuwhelft het domein van particulier initiatief; leesbevordering was in tegenstelling tot vandaag de dag nog geen onderwerp van enige overheidszorg. In sommige gevallen namen nieuw in de kolonie gearriveerde passanten en kolonisten boeken mee, dat is in elk geval bekend van dominee G.B. Bosch en pastoor M.J. Niewindt.[30]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

79 Maar ook autochtone Joden bezaten boeken, evenals sommige plantage-eigenaren en een waarnemend gouverneur.[31] Dat waren dus allen aanzienlijke en rijke personen; wat niet wilde zeggen dat het omgekeerde ook gold, dat rijk zijn zeker betekende er een bibliotheek op na te houden. In een enkel geval kon via intekenlijsten nog wat achterhaald worden over wat er in het moederland rechtstreeks gekocht werd.[32] Mag lezen dan geen algemene gewoonte geweest zijn, ook niet van de aanzienlijken, er waren individuele uitzonderingen. Lezen was in de kolonie niet zo uitzonderlijk als men soms wel wilde doen geloven. (Emmanuel 1970: 444)

Leesverenigingen en uitleenbibliotheken Uit de ons ter beschikking staande gegevens weten we dat er in de negentiende eeuw enkele leesverenigingen actief zijn geweest, maar veel meer dan het bestaan ervan is helaas niet overgeleverd. Boeken uit particulier bezit werden wel (vaak) uitgeleend. Dat duidt op schaarste of zuinigheid. Dominee Bosch stelde zijn ‘aanmerkelyke’ boekerij voor vrienden beschikbaar. Uit dit particuliere initiatief kwam volgens Hartog in het jaar 1821 het eerste officiële leesgezelschap voort, zonder dat hij evenwel meer bijzonderheden verstrekte dan dat het maar korte tijd bestond.[33] Uit enkele krante-berichten kunnen we wel opmaken dat het ‘lees college’ zoals het zich noemde een officieel karakter had, met inschrijving, afspraken over het lezen, een veiling nadat de boeken gelezen waren, een daaruit eventueel voortvloeiende restitutie van het inschrijfgeld, terwijl er een uitleenadministratie was met een lijst die door een administrateur werd bijgehouden. Omdat er niets bekend is over eventueel gezamenlijk lezen, maar in de krant alleen het rondgaan van de boeken gesuggereerd werd, nemen we aan hier met een ‘leescirkel’ te doen te hebben.[34] Behalve een paar berichtjes in de krant ontbreken alle gegevens over deze waarschijnlijk oudste Curaçaose leescirkel. Rond 1829 moet er een leesvereniging onder de naam Neêrlandsch Eersteling op Sint-Maarten geweest zijn, waarover we ook maar via slechts één getuige wel heel summier zijn ingelicht, wat extra jammer is omdat de officiële naamgeving wel een zekere organisatiegraad suggereerde.[35] Een nieuwe vorm van leesorganisatie ontstond vanaf de eeuwhelft toen een besloten bibliotheek een gebruikelijk onderdeel werd van een algemene sociëteit, die als hoofddoel het ‘gezellig verkeer’ voor haar leden nastreefde. Op 1 januari 1850 begon er blijkens een advertentie een Leessociëteit in Hotel Concordia. Deze heeft in elk geval een aantal jaren gefunctioneerd.[36] De hotels waren plaatsen waar altijd lectuur in speciaal daarvoor ingerichte leeskamers aanwezig was, als trekpleister en service voor het buitenlandse publiek in het algemeen en voor geabonneerde ingezetenen. Later bleek het dat de vereniging zich ‘Leessociëteit tot Nut en Uitspanning’ noemde en dus een meer georganiseerd karakter gekregen had, ook al omdat de leden via advertenties ter vergadering opgeroepen werden. Wat er op die bijeenkomsten gedaan werd - werden er alleen zakelijke aspecten afgehandeld of werd er ook gezamenlijk gelezen, waren er discussies en inleidingen - viel jammergenoeg niet te achterhalen. Op 25 april 1863 treffen we nogmaals een dergelijke Leessociëteit aan in het Internationaal Hotel, die ‘nieuwsbladen’ in verschillende talen volgens een officieel

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

omschreven programma voor ‘heeren inteekenaren’ ter lezing aanbood. Het speciale leesvertrek was de gehele dag en ook 's avonds open en stond onder toezicht van ‘een geschikt persoon’. De contributie was opgenomen in het normale lidmaatschapsgeld.[37] De overgeleverde gegevens zijn schaars. Er werd in verschillende talen gelezen, er was een bediende voor de ‘heren’ aanwezig. De leessociëteit was als onderdeeltje van het totale sociëteitsleven een mannenaangelegenheid, van vrouwelijke lezers bleek niets. Stelde dominee Bosch zijn bibliotheek nog gratis beschikbaar als vriendendienst, rond de eeuwhelft werd voor het eerst het uitlenen van boeken op commerciële basis aangepakt. Naast de leesverenigingen namen particulieren het initiatief tot een vroege vorm van een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

80 commerciële uitleenbibliotheek. Op 1 maart 1842 opende Cornelis Gorsira zijn particuliere bibliotheek voor alle belangstellenden die tegen betaling van anderhalve gulden per maand werken konden lenen, waartoe hij een reglement en een catalogus had samengesteld, waarvan het eerste deel voor vijftig cent te koop was. Uit latere krante-berichten weten we dat de bibliotheek het meer dan tien jaar heeft volgehouden, maar bijzonderheden ontbreken.[38] Wel kan geconcludeerd worden dat het lidmaatschap van een dergelijke bibliotheek alleen bij regelmatig lezen loonde, want het maandelijkse contributiebedrag beliep immers de gemiddelde nieuwwaarde van een boek. Particulieren, hotelexploitanten en specifieke leesverenigingen organiseerden dus leesvormen waar boeken en vanaf de eeuwhelft ook tijdschriften, circuleerden tegen een vaste maandelijkse contributie. Zonder uitzondering kunnen we wegens gebrek aan concrete gegevens niets naders erover te weten komen. Het Antilliaanse leesonderzoek verkeert nog in een beginfase, via eventuele particuliere archieven valt er misschien nog veel te achterhalen. Uit de ons nu ter beschikking staande gegevens weten we in elk geval dat diverse leesverenigingen in het koloniaal culturele leven een zekere rol hebben gespeeld. Hadden de sociëteiten een besloten karakter, de particuliere uitleen stond open voor iedereen die het maandelijkse abonnementsgeld betaalde. Bibliotheken die aan een boekhandel verbonden waren, zoals A. Bethencourt die later zou exploiteren, kende men in de eerste helft van de eeuw nog niet. Het mag ook duidelijk zijn dat het bibliotheekwezen een zaak van particulier initiatief geacht werd. Bij elkaar lijkt het wel dat er in de kolonie, met een bevolking van zo'n vijfentwintigduizend, heel wat gelezen werd, maar deze gegevens hebben betrekking op een halve eeuw. We weten niets over het aantal leden, de uitleencijfers, hoe lang de leesclubs het volhielden. Wat wel vaststaat is dat via al deze kanalen alleen buitenlandse lectuur bij de lezer kwam, domweg omdat er nog nauwelijks eigen leesstof voorhanden was. Behalve een krant(je) en incidentele uitgaafjes was de Curaçaose lezer voor zijn leesontwikkeling aangewezen op wat uit den vreemde kwam. Wat de overige eilanden als Bonaire, Saba en Sint-Eustatius betreft weten we over het begin van de negentiende eeuw helemaal niets; we zullen ons van het lezen daar niet veel moeten voorstellen, want dominee Bosch (1836: 91) schreef over Aruba: ‘De tijd wordt er, op eene enkele uitzondering na, niet met lezen doorgebragt, ook omdat men eene spreuk uit de oudheid, verkeerdelijk uitgelegt, en van voorouders gehoord heeft: “Dat men van lezen gek kan worden”.’ Al weten we nu wel van het bestaan van enkele leesverenigingen en bibliotheken, we weten niet meer wát daar gelezen werd. Het is daarom gelukkig dat we over die inhoudelijke kant iets meer aan de weet kunnen komen via enkele inboedellijsten waarin particuliere bibliotheken beschreven werden, vanaf het begin van de eeuw tot na de eeuwhelft. Blijft natuurlijk de heikele vraag of extrapolatie geoorloofd is, of welgestelde particulieren hetzelfde aanschaften als wat in een bibliotheek circuleerde.

‘Zeg mij wat uw boeken zijn...’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Enkele boedelbeschrijvingen leverden via de erin opgeschreven titels een aantal gegevens op omtrent leesinteresse, onderwerpen en genres, taalvoorkeur, ouderdom en waarde van vroegnegentiende eeuwse bibliotheken. Naarmate de eeuw vorderde lijken de bibliotheken in omvang toe te nemen. Reden om er enigszins uitvoerig bij stil te staan. Haim Abinun DeLima (1765-1833) behoorde misschien niet tot het echte patriciaat zoals Krafft (1951) dat beschreef, maar in elk geval wel tot de aanzienlijke ingezetenen, want hij was onder meer officier van de Nationale Garde geweest, lid van de Grote Raad, de eerste Joodse verte-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

81 genwoordiger in de schoolcommissie van 1816, enig Joods lid in de commissie die in 1818 orde op zaken moest stellen in het geldwezen, en leidende figuur in de Joodse gemeente als strijdbaar woordvoerder en afgevaardigde in het conflict van 1820 dat de Joodse gemeente in tweeën scheurde. Zijn uiteenzettingen in de krant leidden tot de door de gouverneur opgelegde bepaling van preventieve censuur, die tot 1 januari 1866 van kracht zou blijven. Zowel de hem opgelegde belastingaanslagen als de boedelbeschrijving toonden zijn economische welstand, bestaande uit onder meer grond, huizen, de plantage Oostpunt en een flink aantal van vijfentwintig slaven. Huizenbezitter-handelaar-plantage-eigenaar Haim Abinun DeLima was dus zowel een sociaal vooraanstaand als economisch welvarend persoon, die het zich kon veroorloven een eigen bibliotheek aan te schaffen. Uit de inventarislijst blijkt dat er zich in twee boekenkasten een catalogus bevond, die bij de boedelbeschrijving kennelijk werd gecopieerd. Waarschijnlijk hebben we de lange in extenso weergegeven lijst van boeken dus te danken aan de nauwkeurigheid waarmee DeLima zelf zijn bezit heeft bijgehouden. Hij bezat 391 banden.[39] DeLima's bibliotheek bevatte boeken in het Nederlands (70 titels), Engels (28 titels), Spaans (17 titels), Frans (30 titels) en woordenboeken voor Latijn, Italiaans, Portugees en Duits. DeLima bezat weinig over taalkunde, kunst, filosofie en godsdienst, maar des te meer over sociaal-politieke problemen, literatuur, aardrijkskunde, geschiedenis en vooral reisbeschrijvingen. Met name het groot aantal naslagwerken was opvallend. Gezien de totale omvang van de bibliotheek bezat DeLima niet erg veel literatuur, maar Cervantes' Don Quichotte, Gellerts brieven, Homerus' Ilias en Odyssee, een vertaling van Ovidius' Metamorphosen, Fénélons Télémaque en de complete werken in negentien delen van Vader Cats waren present. Als Curaçaoenaar zal DeLima zich voor Elisabeth Maria Post: Reinhart of Natuur en Godsdienst geïnteresseerd hebben, dat zich immers in de naburige zusterkolonie afspeelde. Er was kennelijk geen taal die DeLima's literaire voorkeur bepaalde: Nederlands (6), Frans (5), Spaans (2), Engels (1) Het is op basis van de vaak summier aangeduide titels, zonder enige bijzonderheid opgeschreven, moeilijk na te gaan waarvan de boeken afkomstig waren. Een gering aantal werken kwam volgens de drukkerij- en uitgeverijgegevens waarschijnlijk uit Spanje, een enkel uit Duitsland, wat meer uit Frankrijk, de Verenigde Staten en Engeland, maar het overgrote deel uit Nederland. Dit lijkt wel aannemelijk gezien het drukke scheepvaartverkeer tussen het Caraïbische gebied en de Verenigde Staten, het tweevoudige Engelse tussenbewind, en natuurlijk de koloniale band met de Republiek en het Koninkrijk, kortom met Nederland. Er blijkt wel uit dat de Curaçaose haven ook voor cultuurgoederen open stond. De gemiddelde ouderdom van DeLima's boeken bedroeg bij zijn sterfdatum in 1833 meer dan enkele decennia. Hij bewaarde zijn boeken in die afgesloten kasten kennelijk zorgvuldig. Mathias Erasmus van der Dijs, overleden op 26 april 1859 en eigenaar van plantage Savonet, liet een groot aantal boeken na, die hij zorgvuldig bewaard had in onder andere ‘een mahony houten kast met glazen deur’. Om de totale boekenvoorraad nauwkeurig titel na titel, voorzien van auteursnaam en de staat waarin het boek verkeerde, op te schrijven had de ‘commis ter koloniale Secretary’ M.C. Römer meer dan zestig pagina's van zijn boedelbeschrijving nodig.[40]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Van der Dijs las in elk geval drie talen, want er waren zestig titels in het Frans, negentien in het Engels en niet minder dan 148 titels in het Nederlands. Daarnaast was er wat in het Duits en in het Italiaans aanwezig en had Van der Dijs Latijnse woordenboeken en werken om zelf Grieks te leren: een spraakkunst, een woordenboek en een leesboek voor beginners en gevorderden. Opvallend is dat hij nauwelijks Spaans bezat en dan nog woordenboeken en een werk om die taal te leren met behulp van het Nederlands. Met 230 titels was Van der Dijs' bibliotheek nog heel wat groter dan die van H.A. DeLima in 1823, die 145 titels bevatte.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

82 De constatering dat de laatste 391 banden bezat en Van der Dijs iets meer dan 660 maakt het verschil nog sprekender. Als Van der Dijs alles gelezen had wat hij in zijn kast bewaarde, las hij veel. Hij bezat nogal wat woordenboeken en encyclopedieën en een tiental tijdschrifttitels in 86 delen. Dat toont een algemene en brede belangstelling en de rest van de boeken geeft daar eveneens blijk van. Van der Dijs had werken op allerlei gebied, zoals filosofie en godsdienst, maatschappelijke vraagstukken en de zuivere en toegepaste wetenschappen. Hij bezat nogal wat over scheikunde en mineralen, maar vooral boeken over praktische geneeskunde. Ook had hij als plantageeigenaar enkele werken aangeschaft over de landbouw. Hij had flinke belangstelling voor talen, want hij bezat woordenboeken en spraakkunsten en boeken voor stijlleer. Op grond daarvan lijkt er nogal wat letterkunde te verwachten, maar dat valt met zo'n twintig titels nogal tegen. Daartegenover staat een grote belangstelling voor geschiedenis en staatkundige vraagstukken, wat minder voor land- en volkenkundige werken, maar wel weer heel veel reisbeschrijvingen. Van der Dijs bezat Buffon, Montesquieu, Rousseau en de complete Voltaire-editie van 1823, ‘ingebonden in half Engelsche band, compleet in 65 deelen’. Die uitvoering in linnen, leer of anderszins werd steeds vermeld, want dat bepaalde natuurlijk mede de waarde van de boeken en daar was het in de boedelbeschrijving om begonnen. Welk letterkundig werk bezat Van der Dijs, wat was op dat gebied zijn smaak, wat had hij in het negentiende eeuwse Curaçao kunnen kopen? Voorzover dat op slechts twintig titels is na te gaan zien we overwegend Nederlandstalig, daarna Franstalig en slechts één Engelstalig literair werk. Hij bezat de fabels van Esopus, werk van Ovidius en Homerus' Ilias en Odyssee, Gellerts fabelen, A. de Lamartine, Nodier en Fénelon. Van de Nederlandse literatuur had hij Vondels Gijsbrecht en Palamedes, R. Feith, I. da Costa, Cornelis Loots, Helmers en Bilderdijk. Laten we hem eens vergelijken met Casper Lodewijk van Uytrecht, die 20 juli 1862 overleed en wiens inventaris in negen dagen werd opgemaakt, met daarin 29 relatief dichtbeschreven pagina's met boeken.[41] Deze bibliotheek bevatte ruim driehonderd titels en bijna zevenhonderd banden en was dus nog weer wat uitgebreider dan die van M.E. van der Dijs. Van Uytrecht bezat het meeste in het Nederlands (190 titels), maar las kennelijk ook veel Frans (114 titels) en Engels (81 titels). Ook hij bezat niet veel Spaans werk (14 titels). Waarschijnlijk was dat toch nog moeilijk te krijgen in het midden van de vorige eeuw; er was in 1867 dus inderdaad ruimte voor boekhandel Bethencourt. Van Uytrecht bezat nog acht Duitse titels en vijf in het Latijn. We kunnen dus zeggen dat hij in elk geval Nederlands, Frans en Engels regelmatig las en Spaans minder frekwent. Als we letten op de onderwerpen valt opnieuw de enorme spreiding in belangstelling op. Evenals Van der Dijs las hij veel over maatschappelijke problemen, zuivere wetenschappen en hun toepassing. Hij had nogal wat belangstelling voor recht, militaire vraagstukken, de vrijmetselarij en bezat ook een aantal werken over landbouw en geneeskunde. Ook bezat hij veel omtrent geschiedenis en aardrijkskunde en zelfs nog iets meer over godsdienst en filosofische vraagstukken dan Van der Dijs. Maar vooral opvallend was de grote aandacht voor taalkunde, woordenboeken, grammatica's, methodes om vreemde talen te leren, en literatuur. Van Uytrecht las kennelijk niet alleen in diverse talen, maar hij bestudeerde deze waarschijnlijk ook grondig, getuige zijn spraakleren, oefenboeken, stijlleren en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

woordenboeken die hij van alle bezat. Hij kocht daarbij kennelijk wat hij kon krijgen en in de taal die toevallig beschikbaar was.[42] Zijn literaire belangstelling omvatte niet alleen een tijdsspanne van enkele eeuwen, maar was op een groot deel van de hele Europese literaire traditie gericht. Hij bezat weliswaar niet veel uit de Oudheid, maar des te meer vanaf de Renaissance tot zijn eigen tijd toe. Aanwezig waren Vergilius' Eneis, Vondels berijming van Publius Vergilius, Boccaccio en drie delen over de middeleeuwse troubadours, Cervantes, Shakespeare, Milton, Torquato Tasso,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

83 Pope, Addison, Fielding, Young, L. Sterne, Gellert, Walter Scott, Daudet en Buffon. Niet alleen Voltaire, Montesquieu, Rousseau, Racine, Corneille, Boileau stonden in de boekenkast, maar ook Eugène Sue. Van de Nederlandse literatuur bezat hij alleen maar iets van Vondel, Helmers, Bilderdijk, Tollens en Loots - het geijkte rijtje. Kennelijk voelde hij zich meer thuis in de Engelse en Franse letteren dan in de Nederlandse. Hij las soms in Franse vertaling, maar verder nagenoeg steeds in het origineel. Van Fénelons Télémaque bezat hij een exemplaar in het Frans en Spaans; van Lesage twee werken in het originele Frans en een in het Spaans. Ook hij las waarschijnlijk in de taal waarin een boek op het eiland voorhanden was. Wat weer opvalt, is de leeftijd van de boeken. Exemplaren uit de achttiende eeuw en dus honderd jaar oud, en uit het begin van de negentiende eeuw zijn heel gewoon. Vaak vermeldde de boedelbeschrijver deze jaartallen van uitgave er even bij. Ze tonen aan dat een boek in die tijd langer meeging dan tegenwoordig. Uit de aard van een boedelbeschrijving na iemands overlijden, mag je wel aannemen dat de boeken door zo iemand overwegend in de kracht van zijn leven en dus enkele decennia eerder aangeschaft zullen zijn; de hier genoemde inventarissen geven dus eerder een beeld van voor het midden van de negentiende eeuw dan van de tijd erna. Een interessante bibliotheek werd opgenomen in de boedelbeschrijving van Constant Paulus Hermanus Rojer, eigenaar van Puerto Marie, die op 18 april 1873 stierf, en die dus zijn boeken eveneens nog overwegend in de periode voor 1865 verzameld zal hebben. Deze bibliotheek was weliswaar veel kleiner, maar hier gaf Jan Hendrik Schotborgh in zijn beschrijving de geschatte waarde van de boeken - dat kwamen we nog niet eerder tegen. Rojer bezat 81 titels en ongeveer 240 banden, met een geschatte gezamenlijke waarde van Fl 163,15, oftewel twee gulden per titel en zeventig cent per band. In de beschrijving werd voortdurend melding gemaakt van uitvoering en staat van de boeken, beschadigingen werden steeds genoteerd. Rojer bezat nagenoeg alleen boeken in het Nederlands en slechts enkele in het Engels, Frans, Spaans en Duits. Van zijn aandacht voor deze talen getuigen talrijke oefenboeken. Hij bezat Homerus Ilias in het Nederlands en H. Beecher Stowe Uncle Tom's Cabin in het Nederlands en Frans. Ze waren elk vijftig cent waard.[43] Wagenaars Nederlandsche Historiën in zestien delen werd gewaardeerd op twaalf gulden, het vervolg op die historiën in 48 delen op 24 gulden, de ‘bijvoegsels, registers en het register op de bijvoegsels’ samen op een gulden en een dubbeltje. Twintig delen Romeinse geschiedenis en vijfentwintig delen van een geschiedkundig woordenboek waren elk als partij twintig gulden waard; hetzelfde bedrag vertegenwoordigde een ‘prachtbijbel’ in zijn eentje. Een Volksalmanak werd geschat op een dubbeltje, evenals G.J. Simons' Beschryving van het Eiland Curaçao. In hoeverre waren deze prijzen reëel? We bezitten een catalogus van Bethencourt uit 1882 en enkele tijdschriften waarin deze grote boekhandel adverteerde, maar dat betrof Spaanse werken zodat een titelsgewijze vergelijking met nieuwprijzen jammergenoeg niet mogelijk is. Wel kunnen we bijvoorbeeld deze prijzen vergelijken met entreekaartjes voor Teatro Naar, die meestal tussen de een en twee gulden kostten, in verhouding met de boekenprijzen bepaald niet zo laag. Waarschijnlijk schatte Schotborgh de waarde van Rojers boeken niet al te hoog in, terwijl deze plantagehouder verder heel wat bezittingen had.[44]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

De koloniale drukpers was een vooralsnog pril fenomeen. Geen van de boedelbeschrijvingen bood vondsten van vroege lokale produktie. Dat leidt tot de constatering dat individuen die in de kolonie een eigen boekenbezit opbouwden, daarbij waren aangewezen op import. Het zou nog tot het einde van de negentiende eeuw duren eer Curaçao's drukker-uitgever-boekhandelaar A. Béthencourt e Hijos tot een produktie- en distributiecentrum van het gehele Caraïbische gebied en voor Latijns-Amerika uitgroeide.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

84 De particuliere bibliotheken van een aanzienlijke Jood en drie vooraanstaande protestantse plantage-eigenaars toonden opvallende overeenkomst. Er heerste kennelijk een stevig verankerde traditie in wat men las, althans in zijn bezit had. Enkele honderden banden vormen voor onze begrippen natuurljk geen omvangrijke bibliotheken, maar ze zijn voor de negentiende eeuwse koloniale situatie in elk geval uitzonderlijk te noemen. De zorgvuldige manier waarop elk van de vier eigenaars met zijn boekenbezit omsprong, bewijst dat men het bezit koesterde, de talrijke oude exemplaren zijn een extra duidelijke aanwijzing daarvoor. Als ze alle vier hun respectabele bezit ook regelmatig raadpleegden en erin lazen duidt dat op eruditie van personen die cultureel hun woordje konden meespreken. Uit de vermelde titels blijkt dat de bibliotheek in de eerste plaats voor de ‘heer des huizes’ geweest zal zijn, òf en wat de dames lazen blijft in het duister. Pas rond de volgende eeuwwisseling traden de lezende dames op de voorgrond. Maar gebrek aan voldoende gegevens moet ons hoeden voor haastige conclusies. Uit het boekenbezit blijkt andermaal de normale multi-linguale situatie, waarbij het meest Nederlands gelezen werd, maar waar eveneens grote aandacht bestond voor het Frans en het Engels, minder voor het Duits, en vooralsnog maar heel weinig voor het Spaans. Die taal zou pas na de eeuwhelft dominant worden. Men las een werk in het origineel of men kocht het in die taal waarin het op dat moment beschikbaar was. Waar de geïmporteerde boeken vandaan kwamen en hoe ze werden ingevoerd - via een boekhandel, via de talrijke schepen die de haven aandeden - blijft vooralsnog in het duister. Inhoudelijk bleek er een grote spreiding in de belangstelling te bestaan, waarbij zoals Renkema al opgemerkt heeft de echte handboeken voor het landbouwbedrijf bij deze planters nagenoeg geheel ontbraken. De literatuur kreeg een relatief bescheiden plaatsje in de boekenkasten. Allerhande steeds weer raadpleegbare naslagwerken, diverse praktische handboeken omtrent politieke en juridische zaken en over genees-, natuur- en scheikunde waren belangrijker, evenals tegen de literatuur aanleunende genres als reisbeschrijvingen, geografica met kennis van landen en volkeren en, vooral opvallend, de boeken ten behoeve van taalstudie zoals de in groten getale aanwezige woordenboeken, grammatica's en handleidingen omtrent de stijlleer. Tijdschriften kocht men pas in de loop van de eeuw, maar ook die werden kennelijk zorgvuldig bewaard. Binnen de literatuur domineerde de aandacht voor de klassieke werken, de traditie, niet in de eerste plaats het modern actuele. In zijn lectuur zocht men de internationale culturele aansluiting; lezen diende nog niet als onderzoek naar een eigen nationaal bewustzijn. Of deze boekenbezitters en leesliefhebbers ook lid waren van een leesvereniging of uitleenbibliotheek blijft een intrigerende maar onopgeloste vraag. We weten het niet en we kunnen dus niets zeggen over eventuele verschillen tussen wat men kocht of leende. Geen van hen trad, voorzover bekend, op als werkend lid van een toneelvereniging. Geen van deze vier lezers nam ooit publiekelijk de literaire pen op, terwijl ze qua lees-belangstelling toch aansloten bij de auteursnamen die ook in de gelegenheidspoëzie naar voren kwamen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Eindnoten: [29] A.C. Ellis: O.A.C. II: 789; G. Striddels: O.A.C. II: 798; G. Berch: O.A.C. I: 1075, nr. 92. Daarnaast werden van het O.A.C. geraadpleegd: I-1067, nr. 183 (1823), I-1075, nr. 53, nr. 92 (1826), I-1079, nr. 19 (1827); II-762, nr. 205 (1833), II-774, nr. 24, 28, 82, 100, 148 (1837), II-776, nr. 51, 56 (1838), II-789, nr. 54 (1842), II-793, nr. 22 (1843), II-798, nr. 62 (1845). [30] Abbring 1834: 65-66 schreef: ‘de bibliotheek van den Heer Bosch, die aanmerkelyk was - niet zoo zeer door hare uitgebreidheid of de veelheid der boeken, als wel door de schriften der beroemdste en uitmuntendste Vaderlandsche schrijvers, als V.D. PALM, BORGER, REGENBOGEN, HAMELSVELD, HERINGA en dergelijke...Deze boekverzameling had nog bovendien voor my eene dubbele waarde, dewyl het getal geletterde lieden zeer gering, en de boeken op dit eiland ook zeer schaarsch waren, terwyl ik zelf slechts een' zeer geringen voorraad bezat.’ (Zie ook Hartog 1961: 891) Ook M.J. Niewindt bracht zijn bibliotheek mee. [31] Emmanuel (1970: 444) schreef over de welvoorziene particuliere bibliotheken van Mordechay de Jeudah Senior (1756: 1000 boeken); Benjamin de Sola (1817: negen dozen met boeken); Haim Abinun DeLima (1833: 391 boeken); Abraham H. de Meza (1846: 294 boeken). ‘Obadia da Costa (d. 1851) had offered for sale a fine collection of English books in 1821. Several members of the Curiel, Jesurun, De Sola and De Marchena families also owned libraries.’ Wat de Bovenwinden betreft, Hartog (1964: 230) noemde een boedelbeschrijving uit 1725 met een bibliotheek van 63 Franse boeken, ‘een boekerij dus, voor die tijd vrij omvangrijk,’ toebehorend aan ene Fransman Isnard, en de boedelbeschrijving uit 1803 van waarnemend gezaghebber Johannes Runnels, waarin 750 boeken. (Hartog: Ñapa 29 X 82) Renkema (1981: 66-68) noemde met name enkele bibliotheken in het bezit van plantage-eigenaren als H.A. DeLima, M.E. van der Dijs, A.L.S. Muller en C.L. van Uytrecht, waarvan de titels door middel van boedelbeschrijvingen bewaard zijn gebleven. John de Pool (1988: 47-48) beschreef op lyrische wijze hoe welvoorzien de bibliotheek van Dr. Mordechay Ricardo, de vriend van Simon Bolivar en oom van de Nederlandse dichter Isaac da Costa, wel was: ‘In de bibliotheek, die het westelijke uiteinde van de voorgalerij in beslag nam, waren alle wanden bezet met mahoniehouten boekenkasten van prachtige kwaliteit, vol boeken, die door zware groene gordijnen tegen stof beschermd werden. (...) Wetenschap, kunst, geschiedenis, literatuur waren in deze bibliotheek vertegenwoordigd in boeken die zorgvuldig gebonden waren en die zeer goed onderhouden werden. Maar de grootste boekenkast was geheel gewijd aan het recht, waarin dr. Mordechay Ricardo gespecialiseerd was. Te beginnen met het oeuvre van Grotius, Vitoria en andere klassieken, tot en met de nieuwste boeken uit zijn eigen tijd, van de meest vooraanstaande juristen, alles was hier verzameld om geraadpleegd te worden als de gelegenheid zich voordeed.’ [32] In het zesdelige Algemeen woordenboek van Kunsten en Wetenschappen enz. Zutphen: H.C.A. Thieme, MDCCCXXI, werden niet minder dan 28 ‘inteekenaren’ uit Curaçao vermeld. [33] Zie Abbring 1834: 65-66; Hartog 1961: 891. Van het eerste Curaçaose leesgezelschap weten we alleen iets door enkele ingezonden stukken in de C.C. 12 IV 1823, waar ene ‘S’ onder meer schreef, ‘Een Heer omtrent twee jaren, of meer, uit het moederland alhier aangekomen, bragt een groot aantal der schoonste en nieuwste werken; met het vriendelyk inzigt om de liefhebbers der lecture vermaak aan te doen. - Een lees college werd dan mede by wyze van inschryving opgerigt, met het beding, dat, wanneer de boeken door de leden zouden uitgelezen zyn, dezelven dan onder hen zouden worden verdeeld, of wel by publieke opveiling verkocht worden, om aan de inteekenaren hunne toelage uittekeren...’ Onder leiding van deze heer, volgens Hartog (1961: 891) dominee G.B. Bosch, - wat alleen maar aannemelijk is als we aannemen dat ‘S’ niet zo goed in jaartallen was want dominee Bosch kwam al in 1816 en zou pas in 1825 vertrekken, maar het bestaan van een lees college is belangrijker dan te weten wie nou precies die ‘heer’ was -, verliep alles prima. Maar toen deze heer vertrok en hij het ‘bestuur’ der leesvereniging aan een der leden had overgedaan, verliepen de zaken, waardoor het moeilijk of zelfs onmogelijk werd om aan de boeken te komen, boeken raakten bovendien weg. Na deze zakelijk gestelde ingezonden brief die de stand van zaken analyseerde, vernemen we maanden lang niets meer. Tot op 18 X 1823 W. Prince de leden maande de geleende boeken terug te brengen; hij wilde na zovele maanden kennelijk orde op zaken stellen. Naar aanleiding van dit kleine bericht ontstond een stevige polemiek tussen twee personen die zich respectievelijk verscholen achter het pseudoniem ‘een beminnaar der waarheid’ en ‘een vredelievende Courant Lezer’, maar jammer genoeg ontaardden de ingezonden stukken meer in een persoonlijke ruzie dan dat ze ons informatie over het leesgezelschap opleverden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[34]

[35]

[36]

[37]

[38]

[39] [40] [41]

We weten uit de artikelen in elk geval, dat het gezelschap gebrekkig bestuurd werd, want er waren boeken zoekgeraakt doordat leden doorleenden aan niet-leden die de boeken na verloop van tijd als hun eigendom gingen beschouwen en ze nu niet meer terug wilden brengen, want ze vonden dat ze daarmee schade aan hun eigen verzameling berokkenden. Er werden dus wel degelijk boeken verzameld in particuliere bibliotheken. Er werd geschreven over een ‘lijst’ waarop werd bijgehouden wie wat leende, waardoor we weten dat er een uitleenadministratie was. Niemand minder dan de Gouvernements Secretaris W. Prince had de leiding. (C.C. 12 IV 1823; 18 X 1823; 25 X 1823; 1 XI 1823; 15 XI 1823; 22 XI 1823; 29 XI 1823; 6 XII 1823) In een leesgezelschap stond het lezen in groepsverband centraal; een leescirkel deed voor gezamenlijke rekening gekochte lectuur rondgaan; zo'n leescrikel werd tot leessociëteit, als men bovendien voorlezingen organiseerde. (Buynsters 1984) In de Curaçaose situatie kan de laatste omschrijving verwarring opleveren, omdat juist in de algemene herensociëteiten vaak ‘leestafels’ waren ingericht, waar leden ter plekke, kranten en boeken konden raadplegen en lezen, die dus nooit buiten het sociëteitsgebouw werden uitgeleend, en die door de sociëteit bekostigd werden uit de lidmaatschapsgelden en consumptieopbrengsten. Er was geen sprake van ‘voorlezingen’ via die sociëteiten. Teenstra 1836-1837: 312: ‘Men vindt hier ook een leesgezelschap, onder de zinspreuk: Neêrlandsch-Eersteling. In het begin maakte hetzelve nogal opgang, maar in 1829 vond ik bij het zevende lid een onopgesneden boek, hetgeen door de zes vroegere leden oningezien was verzonden. Misschien is hetzelve dan ook thans wel reeds vervallen.’ Het betreft dus een leescirkel. Na het particuliere initiatief van Ds. Bosch op Curaçao, hebben we hier de oudste Bovenwindse officiële leescirkel, met officiële zinspreuk. Hartog (1964: 512, 694, noot 382) baseerde zich kennelijk geheel op Teenstra. ‘Hotel Concordia. De ondergeteekende maakt by dezen aan de Inteekenaren bekend dat de Leessociëteit in het Hotel Concordia op den 1 Januari 1850 een aanvang zal nemen. Curaçao den 20 december 1849. Amb. Capriles.’ In 1854 vergaderden de leden geregeld; ze werden daar in elk geval door middel van advertenties toe opgeroepen. Deze leessociëteit heeft in elk geval een aantal jaren bestaan, in 1855 in de Breedestraat en volgens een advertentie van M.C. Römer op 13 juni 1857 weer in het opgeknapte Hotel Concordia, onder de naam ‘Leessociëteit Tot Nut en Uitspanning’. Deze zelfde Römer adverteerde op 31 december 1858, dat ‘hy zyne bibliotheek te lezen heeft opengesteld, tegen betaling van f. 1,50 's maands.’ Zou hij de officiële leessociëteit hebben overgenomen? ‘LEES-SOCIETEIT te Curaçao. Door de ontvangst van verschillende nieuwsbladen in onderscheidene tale alsnu in staat gesteld om aan het bepaalde by 3 der afdeeling B van hun programma dd. 31 December 1862 te voldoen, maken de eigenaars van het “INTERNATIONAAL HOTEL” van dit weekblad gebruik om ter kennis van de Heeren inteekenaren te brengen, dat het leesvertrek, als afzonderlyk voor hen bestemd, zal geopend zyn van 9 ure 's morgens tot 11 ure 's avonds, terwyl een geschikt persoon, uitsluitend met de bediening in de leeszaal zal belast zyn. De contributie waarvan by de vermelde gewaagd wordt, blyft vooreerst dezelfde, waar de inteekenaars zich bereids, als leden der uitspanningsvereeniging verbonden hebben. Curaçao den 17den April 1863 Williams & Co.’ ‘C. Gorsira verzoekt de genen, die boeken van hem geleend en nog onder zich hebben, hem die terug te willen zenden, en maakt tevens bekend dat men op Plantersrust, tegen eene maandelyksche contributie van F 1,50, telkens vooruit te betalen, Boeken ter lectuur kan bekomen.’ (C.C. 17 IX 1852) ‘LEES-BIBLIOTHEEK op Planters-Rust. De verwisseling van Boeken zal voortaan alle dagen (ook op Zon- en Feest-dagen) van des morgens acht tot des namiddags vyf ure, -niet later-, kunnen geschieden. Abonnement F 1,50 's maands, telkens vooruit te betalen.’ (C.C. 9 II 1853) Op 29 oktober 1853 kondigde Gorsira ‘nieuwe Hollandsche en Fransche werken’ aan en een spoedig te verschijnen gedrukte catalogus, waarover in de krant echter geen verdere bijzonderheden. Hartog (1961: 891) meldde een bibliotheek op Plantersrust, in 1854 was er volgens hem sprake van een leesvereniging, waarbij het blijkens deze advertenties aannemelijk lijkt dat deze van Cornelis Gorsira is geweest. Over Haim Abinun DeLima: A.R.A.: O.A.C. II 762, nr. 215; Emmanuel 1970: 314, 324, 325-326; C.C. 16 IX 1820; Renkema 1981: 327, 328, 340, 350; Rutgers 1990 a, 1990b. Over M. van der Dijs' inboedel: C.H.A., Prot. Notar. 2de deel 1859, nr. 98-188. Opgemaakte inventaris van C.L. van Uytrecht 23 VII-4 VIII 1862: C.H.A. Hof van Justitie Nr. 1072.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[42] Zo bezat hij niet alleen een Engelstalige grammatica voor het Nederlands en het Spaans, een Franstalige grammatica voor het Nederlands, maar ook een Nederlandstalige grammatica voor Engels en Spaans. Hij deed kennelijk moeite om Duits en Latijn te leren. Voor Duits bezat hij een Duits/Duits, Spaans/Duits en Nederlands/Duits woordenboek, en grammatica's in het Engels, Frans en Duits zelf. De boeken om Latijn aan te leren gingen van het Nederlands als basistaal uit. [43] C.H. Rojer (C.H.A. Hof van Justitie Nr. 899) bezat oefenboeken in het Nederlands, Frans, Engels en Spaans en woordenboeken Spaans/Frans, Engels/Nederlands, Nederlands/Duits, Nederlands/Frans en Nederlands. [44] Drie deeltjes Zschocke werden gewaardeerd op elk 25 cent, maar B. de Sola had voor zijn uitgeleende en niet teruggebrachte eerste deel van de novelle Alamontade, oder der Galeeren Sklav van dezelfde Zschocke wel een advertentie (C.C. 3 IV 1875) over om het terug te krijgen. Boeken vertegenwoordigden kennelijk toch wel een zekere waarde, hetzij materieel of emotioneel voor de bezitters ervan. Over de bibliotheken van Van der Dijs, Van Uytrecht en Rojer: Rutgers 1991a, ook in Rutgers 1992: 58-62.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

85

3.4. Kameraden van den Helicon Was de oratuur in de negentiende eeuw waarschijnlijk al hecht verankerd in het cultuurbewustzijn van de slaven, vrije zwarten en gekleurden, het literaire leven was in die eerste eeuwhelft nog maar weinig ontwikkeld. Alleen via het wekelijkse nieuwsblad werd er enige gelegenheidspoëzie van dubieus gehalte geproduceerd en verspreid. Voorzover de witte elite zich door middel van een dicht-, toneel- of leesvereniging organiseerde, zocht ze aansluiting bij een uitsluitend van buiten afkomstig repertoire, bij wat in het moederland en in Europa gebeurde, ze zocht nooit naar een eigen inheems-creoolse ontwikkeling. De Missie produceerde op haar persen nog slechts de allereerst noodzakelijke Papiamentstalige kerk- en schoolboekjes en zou pas na 1870 de literatuur ten dienste van de missionering stellen. Van de somtijds door William Lee gedrukte uitgaafjes als tijddichten en leerredenen, zoals van Dominee Muller in 1816, kon de verspreiding en receptie niet getraceerd worden. ‘Onze eerwaarde Prefect heeft een kleine Katechismus in het Papiaments doen drukken en dit is de eenige letterkundige vrucht, die ooit in die natuurtaal gezien is,’ schreef pastoor J.J. Putman op 7 juni 1837 aan zijn ouders in Nederland (Lampe 1991b: 48), daarmee wel een heel ruime invulling aan het begrip letterkunde gevend. Er zijn aanwijzingen dat Putman niet alleen stond, maar dat zijn interpretatie het algemene negentiende eeuwse standpunt weergaf. Onder letterkunde werd in de kolonie alles verstaan wat met enige zorg voor de vorm geschreven en gedrukt was. Had William Lee ook al niet over ‘literature’ gesproken als een van de ‘pleasures’ die zijn krant zou kunnen opleveren? In de krant zelf werd er nadere inhoud aan het begrip gegeven door middel van een reisverhaal vol met ‘romantropologische’ bijzonderheden, dat nadrukkelijk van het etiket ‘letterkunde’ werd voorzien.[45] Maar het poëtische genre domineerde. De negentiende eeuwse Curaçaose dichters onderscheidden twee soorten literatuur. Voorzover de schaarse documenten reiken, bleek ‘letterkunde’ al het geschrevene te behelzen, maar ‘poëzie’ een veel beperkter want meer verheven betekenis te hebben. Ten opzichte van die speciale vorm van ‘hogere’ letterkunde die men poëzie pleegde te noemen werden de standpunten niet zelden in dichtvorm verkondigd, als de Curaçaose ‘rijmers’ elkaar weer eens in de poëtische haren vlogen. Bij wijze van illustratieve uitzondering, hiervan een voorbeeld.

Aan sommige Curaçaosche dichters Poëten! staakt uw vuur en wilt uw drift bedwingen, Met langer op dien trant en in die maat te zingen: De ed'le dichtkunst wordt door u geheel ontluisterd, De taal waarin gy schryft wordt zelfs door u verduisterd. Of is het vader Cats, die scheen voor uwen geest, Wiens Godenvol men thans met Hoofd en Vondel leest? O neen! zy die eertyds de roem van Neerland waren, Wier namen staan met eer in 's lands historieblaren, Zy kenden zulk een zang en zulk een taal ook niet Als men schier iedere week in onze Cranten ziet. Doch zou het Helmers zyn, te vroeg voor ons verloren, Wiens dichterlyke geest in u thans is herboren?

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Of heeft de gryze Feith wiens lier hangt aan den wand, Zyn' wysheid en zyn kunst misschien aan u verpand? En Tollens zal in u als hy uw verzen leest,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

86 Zyn mededingers zien, wier roem en naam hy vreest; Hy zal gewis uw taal, uw styl en vuur bewondren, Dit zal hem duis'len doen, 't zal hem in d'ooren dond'ren; Doch neen! dit zal 't hem niet. -Hy zal van schaamte blozen, En over uw gezang van droefheid zuchten lozen; Hy zal, dit is gewis, 't naauwelyks gelooven, Dat men die schoone kunst van alles kan berooven, Waarmee zy heerlyk prykt en alles overtreft; En tot een halven God, den ed'len mensch verheft. Doch was het ook de zucht om deugden te verspreiden, Die u heeft aangezet en tot den zang kon leiden? Waarom die dan toch niet in prosa neergesteld? Misschien hadt ge ons vermaakt maar niet ons zoo gekweld, Maar zyt ge er voor bestemd, op den Parnas te leven, Is uw dit voorregt dan van uw' geboort' gegeven? Dan vrienden hoort myn raad en trekt er tot besluit, Indien gy rymen moet, de volgend' lessen uit, Tracht eerst met vlyt en spoed uw' moedertaal te kennen, Aan hare schoonheid, kracht en rykdom te gewennen, Leest dan met aandacht eerst 's lands beste schryveren na, Voor dat gy in die taal met dichten verder ga, Leest, wat het zeggen wil te zien op voet en maat, En kykt naauwkeurig na hoe elken regel staat, En stemt met het verband - Ziet! zoo, zoo moet 't wezen, En niet gelyk voorheen dat wy 't niet konden lezen, Of 't werd voor ons zoo raar en 't draaide voor ons oog, Als of m'iets binnen had, dat op kwam naar om hoog. Zoo gy myn raad maar volgt, als gy weer rymen moet, Apoll' zal dan misschien U schenken van zyn gloed; Doch hebt gy hem vergramd door in zyn taal te spreken, Ei! wilt dan tot hem gaan, en om vergif'nis smeken, Beleidt uw' misdaan hem, want zoo gy schuld bekent, Zal hy vergeving biën, verhooren U in 't end. (C.C. 6 XII 1817)

Uit zo'n rijmstuk blijkt dat de Curaçaose gelegenheidsdichters zich zelf wel degelijk als serieuze dichters beschouwd wilden zien. Men kraakte andermans (vrouwen publiceerden nauwelijks) produkten af en gaf - nog interessanter - aan hoe het dan wèl moest. Een dichter had een lange weg af te leggen eer hij de top van de Helicon beklommen had - om in de metaforiek van de dichters zelf te blijven. Hij moest zijn taal, zijn moedertaal waarmee onveranderlijk het Nederlands bedoeld werd, allereerst goed leren en ervoor zorgen dat hij daarbij vooral de grammatica beheerste. Daarna moest hij de beste schrijvers lezen als lichtende voorbeelden op zijn dichterspad. Een dichter moest, wilde hij zich aan de verheven poëzie wagen, ‘geest’ en ‘vernuft’ bezitten, zijn taal en stijl moesten blijk geven van ‘dichtvuur’ en ‘Apollo's gloed’, anders kon hij zich beter op proza toeleggen, geschikt voor een minder verheven en meer alledaags onderwerp. Woorden moesten bewust geschreven worden, zonder dat er een letter te veel gebruikt werd. Een goed gedicht werd gepolijst: men schoeide de woorden als op een leest. Men wees

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

87 het rijm niet af, maar wel de rijmelarij. Rijm moest onopvallend en origineel toegepast worden, het mocht niet versleten zijn en men mocht het niet ‘slaafsch’ of dwangmatig gebruiken. Daarnaast moest de dichter maat houden, het gedicht mocht niet ‘in en uit de maat huppelen’. Als de grote vaderlandse voorbeelden werden beschouwd, de zeventiende eeuwers Cats, Hooft en Vondel, de achttiende eeuwers J.F. Helmers, L.W. van Merken en R. Feith, en de negentiende eeuwers Tollens en Bilderdijk. Soms plaatsten de dichters boven hun gedichten een motto, dat ook aangaf waar men zijn poëtische referentiekader zag: Vondel, Spandaw, Langendijk, Da Costa uit het vaderland, Shakespeare en Byron, Boileau en Voltaire, Schiller uit het buitenland. Verder gaven vertalingen en bewerkingen de traditie gestalte: Byron en Shakespeare, Klopstock, Voltaire en Lamartine, plus een aantal dichters van wie wij nu zelfs de namen niet meer kennen, waarnaast incidenteel nog uit het Latijn, Zweeds en Italiaans vertaald werd. Dit alles gaf weer wat de Curaçaose dichters kenden en waardeerden, wat het beeld was dat zij hadden van wat tot de belangrijke literatuur behoorde. Wat in zovele historische werken bewezen werd, dat de kolonist zo weinig geworteld was in het land van verblijf en nog zo gericht was op het moederland waar zijn wortels lagen, werd hier literair bevestigd. Uit de namen die men aan de genootschappen gaf kan ook nog het een en andere worden afgeleid: de algemene ambitie om het goed te doen, maar ook wat men als functie van letterkunde zag. Het genoegen stond aanvankelijk voorop, ‘om den lezer vermaak aan te doen’, maar naarmate de eeuw vorderde kwam het ‘nut’ steeds nadrukkelijker te pas, wat bleek uit de namen van een toneelvereniging waar dat nut al vooropstond. Aan het einde van de 19de eeuw was het ‘utile dulci’ algemeen. Voorzover er in de kolonie gelezen werd, bestond die lectuur uit buitenlandse voorbeelden, waarvan het literaire deel een klein, hoewel zeker niet onbelangrijk segmentje vormde. Wat de leesgezelschappen aanschaften kon jammer genoeg niet achterhaald worden; maar zou het daar zo anders zijn geweest? Boeken werden geïmporteerd door particulieren of door een krantenuitgever, wiens zaak ook als boekdistributiecentrum fungeerde. Ook het Fransen Nederlandstalige toneelrepertoire was buitenlands. De eigen produktie begon via de krant, maar bestond eveneens uit navolging van de dominante koloniale vormen, die men van het moederland afkeek. Tussen de literatuur en de oratuur stond niet alleen de taalbarrière, maar ze waren kennelijk zo volstrekt van elkaar gescheiden dat er onderling nooit verwijzingen plaatsvonden. Tot de emancipatie werd het Papiamento systematisch uit de deftige krant geweerd. Zo leek de situatie zich in de statische maatschappij vrijwel ongewijzigd te handhaven tot de emancipatie op 1 juli 1863. In de lijn van de door de Engelsen afgedwongen verbod op de slavenhandel in 1807, schaften, na moeizame besprekingen en taai verzet van de plantocratie, de Engelsen in 1833, de Fransen in 1848, het Nederlandse parlement in 1863, de slavernij eindelijk af. De Verenigde Staten volgden na een bloedige burgeroorlog in 1865, de Portugezen in Brazilië in 1888, de Spanjaarden in Cuba in 1898. Het traditionele leven in de Nederlandse kolonie kwam, na de emancipatie die in 1865 gevolgd werd door een nieuw regeringsreglement, in een stroomversnelling terecht, die het culturele leven een geheel andere wending zou geven. Ex-slaven, creolen, kolonisten en talrijke nieuwkomers stonden toen voor de immense taak de traditioneel op slavernij gebaseerde maatschappij, waarin de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

eeuwenlange segmentering gekoesterd werd, om te vormen tot een nieuwe samenlevingsvorm waaraan het hele volk kon deelnemen en deelhebben.

Eindnoten: [45] In de C.C. 20, 27 VII, 3, 10 VIII 1822 verscheen onder het nadrukkelijke hoofdje ‘letterkunde’ het Dag verhaal eener uitrusting 1400 mylen boven Orinoco, en 300 mylen beneden Arraca; met een verhaal van het land, de manieren der volkeren, en hunne militaire verrigtingen, &c. door J.H. Robinson, gewezen chirurgyn by de Patriotsche armee. Uit de Kingston (Jamaica) Chronicle den 31sten Mei. Fragmenten van dit verhaal verschenen in het oorspronkelijke Engels en in Nederlandse vertaling.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

89

Hoofdstuk IV Post-emancipatoire civilisashon ‘In de boezem van een gemeenschap, die zich alleen door commerciële beweegredenen laat leiden, is het even zeldzaam dichters aan te treffen als rozen in een onvruchtbare woestijn. Toch heeft Curaçao in zijn culturele periode, behalve toonkunstenaars, zangers en schilders, ook mannen voortgebracht, die hun inspiratie kregen van de muze der poëzie.’ (John de Pool: Zo was Curaçao 1935, 1961: 267)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

90

1864

Het meisjespensionaat Welgelegen vestigt een grote naam met zijn Spaanstalig onderwijs.

1865

Collegium Neerlandicum wordt opgericht.

1866

Een nieuw regeringsreglement treedt in werking. De van 1820 vigerende preventieve censuur wordt afgeschaft.

1867

A. Bethencourt richt een drukkerij-uitgeverij-boekhandel op Curaçao op.

1870

Paters Dominicanen beginnen hun missie-werk op Curaçao. Moeizame verhoudingen met Guzman Blanco van Venezuela.

1871

Oprichting van Sociëteit De Gezelligheid. De ‘affaire Sassen’. De Civilisadó is de eerste Papiamentstalige krant. In Teatro Naar wordt de eerste toneelvoorsteling gegeven. The Impulse, a journal of news and literature.

1873

Het oudste Papiamentstalige feuilleton verschijnt in Civilisadó.

1880

Het symfonie-orkest Harmonie o.l.v. Chris Ulder wordt opgericht.

1882

Het Letterkundig Genootschap Tot Nut en Beschaving wordt opgericht. Ludovicus Jansen richt de Sint Jozef Gezellen Vereeniging op. De Buiten Sociëteit wordt opgericht. De soirée littéraire et musicale wordt populair in de Salon van Lelia Capriles.

1883

De auteurswet zorgt voor registratie van de uitgaven in de kolonie in de officiële C.C.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het Leesgezelschap Tot Nut en Genoegen. 1884

De Amigoe verschijnt in het Nederlands en Papiamento.

1885

Cornelis en Michiel D. Gorsira richten op Ararat een museum in.

1886

Notas y Letras is het eerste literair-muzikale Antilliaanse tijdschrift. De Fraters van Zwijsen stichten het Colegio San Tomas.

1888

Tijdens het ‘Fiesta Willem III’ wordt de vijfentwintigjarige emancipatie uitbundig herdacht.

1889

In het eerste La Union verschijnen de dialogen van Ipi en Cobi.

1890

W.C. Grünings geeft op Aruba het wekelijkse nieuwsblad El Semanario uit.

1892

De vierhonderdste geboortedag van de ‘ontdekking’ van Amerika wordt herdacht op de ‘Columbus-feesten’.

1895

De damesclub Entre Nous wordt opgericht.

1896

Het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap zal zes ‘jaarlijksche verslagen’ publiceren.

1897

A. Jesurun schrijft over het Papiamento en de Compa Nanzi verhalen. Voor het eerst vindt er een voorstelling van cinematografische gezichten plaats.

1900

Het missieblad La Cruz verschijnt in het Papiamento. St. van de Pavert begint de Reunion San Hosé in Otrobanda.

1901

De Sint-Thomas Kring ‘voor jongelieden uit den gegoeden stand’. Naar aanleiding van het verbieden van Benito Perez Galdós: Electra breekt een heftige censuur-discussie los.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

91

4.1. Un pueblo nobo / een nieuw volk Toen op 1 juli 1863 de klok van de vrijheid sloeg, bezongen de ex-slaven ‘ingetogen’ en ‘zonder enige wanorde’ hun emancipatie, maar zweeg de stem van de shons. Waar de laatsten weldra opgelucht constateerden dat hun preventieve maatregelingen tegen gevreesde ordeverstoringen en leegloperij kennelijk effectief waren, ervoeren de eersten dat ze nu weliswaar vrij waren, maar dat het er economisch gezien bepaald niet florissant met hen voorstond. Een kleine groep van overwegend witte bevoorrechten domineerde als voorheen de massa van gekleurden en zwarten. Wat wel degelijk veranderde, was dat er onder de slogan ‘civilisashon’ op allerlei manieren een streven ontstond om nu het héle vrije volk te betrekken in de maatschappelijke ontwikkeling. De ex-slaaf moest ‘opgeheven’ worden ‘uit zijn lage staat’ en tot volwaardig lid van de nieuwe maatschappij gevormd worden. In de Nederlandse Antillen werden in totaal 11.654 slaven geëmancipeerd, van wie 6684 particuliere en 67 gouvernementsslaven op Curaçao woonden, op Sint-Maarten en Sint-Eustatius ongeveer duizend, en op de overige eilanden niet meer dan enkele honderden. Op alle eilanden was het aantal reeds eerder gemanumitteerden en witten intussen al veel groter, ruim boven de twintigduizend. Hoetink (1958: 109) heeft de bevolkingsstructuur aan het einde van de negentiende eeuw schematisch weergegeven, waarbij hij niet alleen drie op kleur gebaseerde sociaal-economische lagen onderscheidde, maar ook de onderlinge verschillen in elk daarvan aangaf: de zwarten in de stad, in Band'Ariba en in Band'Abao; de kleurklassen en welvaartsverschillen tussen de gekleurde bevolking; de standengrens tussen hogere en lagere protestanten, en de religieuze, culturele en economische barrière tussen enerzijds de witte protestanten en anderzijds de Joden. Deze verscheidenheid die ook na de emancipatie aanwezig bleef, moest tot een nieuw volk worden gesmeed, dat niet alleen tolerant zou zijn, maar onderlinge saamhorigheid, eenheid en lotsverbondenheid zou accepteren. De landbouw kende als vanouds een kwijnend bestaan, op de plantages van Curaçao evenzeer als op de Bovenwindse, ondanks het gedwongen ‘paga tera systeem’ waarbij de ex-slaaf gedwongen werd nog enige dagen per week voor de ex-shon te werken in ruil voor woning en enige grond. In de Bonaireaanse zoutpannen viel niet meer dan een zeer karig loon te verdienen. Daar was armoede troef, evenals op de Bovenwinden. Met de economisch minder zwakken ging het ook niet al te best. Met name de handel kende wisselende tijden, omdat die nogal eens ongewild in internationale politieke verwikkelingen verzeild raakte. De gehele eeuw door waren de Benedenwinden asiel voor talrijke politieke bannelingen van de overwal, vooral uit het grote buurland Venezuela. In het laatste kwart van de eeuw oefenden deze ‘exilados’ grote invloed op met name Curaçao uit. Toen de handel op het verkeerde paard wedde, werd in het midden van de jaren zeventig door de Venezolaanse president niet minder dan 30% invoerrechten op alle van de Antillen afkomstige goederen afgekondigd. Ondanks dat soort schermutselingen werden individuele handelaren zeer rijk. Vanaf het midden van de jaren tachtig was de totale begroting van de kolonie voor het eerst een decennium lang sluitend dankzij het Curaçaose en vooral Arubaanse fosfaat dat in het begin van de jaren zeventig werd ontdekt en geëxploiteerd. In diezelfde tijd nam het scheepvaartverkeer enigszins toe en werd

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de kolonie door middel van scheepvaartlijnen en de ‘kabel’ in het internationale verkeer opgenomen. We kunnen veilig aannemen dat de onderlinge verschillen in de standenmaatschappij zeer groot waren, met rijkdom voor weinigen en gebrek voor velen. Aan de bovenkant van de nog zo verdeelde bevolking vinden we de traditioneel welvarende elite van vooral de Joodse handelsstand, naast haar nam de hogere Protestant zijn invloedrijke positie in, een kleine middenklasse en de grote massa van het volk hadden het niet breed of leden zelfs ronduit

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

92 armoede omdat ze van een schamel loon niet konden rondkomen. De bloeiperiode in de jaren tachtig en negentig was slechts zeer tijdelijk. Aan het begin van de twintigste eeuw zou het socialistische kamerlid H. van Kol bij zijn bezoek zonder voorbehoud van een ‘noodlijdende kolonie’ spreken. Dat geld niet alles is blijkt wel uit de algemeen aanvaarde visie dat vooral Curaçao in het laatste kwart van de negentiende eeuw ondanks de economische problemen een bloeiend cultureel leven kende, waarover de nostalgische John de Pool zich in 1935 ronduit lyrisch zou uitlaten. De socioloog Hoetink (1955) schetste het klimaat van de toenmalige Curaçaose culturele elite wat bedachtzamer maar niet minder positief, want ook hij achtte het intellectueel niveau aan het einde van de negentiende eeuw hoger dan dat in de eerste helft van de twintigste. Hoetink schetste de dubbele culturele oriëntatie binnen de groepen van witte Curaçaoenaren. Aan de ene kant was binnen de Spaans-Portugees-Joodse gezeten handelsstand een intellectueel geen zonderling, zelfs geen uitzondering: de oude generatie telde kenners van muziek en klassieke literatuur. Velen hadden in het buitenland gestudeerd: zij hoefden zich bij terugkeer niet geïsoleerd te voelen, want ze vonden een klankbord binnen hun eigen homogene groep. Hun referentie was internationaal-kosmopolitisch. Zij bewerkstelligden mede de zo sterke latinisering, die iedere beschouwer kenmerkend acht voor die tijd. Een groot aantal in het midden van de jaren vijftig uit Coro gevluchte repatriërende Joden en talrijke Zuidamerikaanse ‘exilados’ in het laatste kwart van de eeuw versterkten dit latijnse element. Naast en soms tegenover deze elite stond de groep van de Curaçaose Protestant-blanku, die zijn blik allereerst op het moederland richtte. Deze ambtenaren-plantagehouders stonden economisch minder sterk dan de Joden, ‘maar gestempeld als ehrentfest, leergierig, degelijk (naar binnen toe) en ambitieus, waren zij in hun culturele aspiratie wellicht eerzuchtiger dan de Hollandse burger, gestimuleerd als zij werden door een sterk, latent gevoel van culturele inferioriteit ten opzichte van Europa, ten opzichte van het moederland.’ (Hoetink 1958: 64) Deze dubbele cultuur-oriëntatie zal in de hierna te beschrijven talrijke laat-negentiende eeuwse organisaties steeds weer opduiken. Beide uitingswijzen waren die van een kleine bovenlaag, waaraan het volk niet deelnam. Die tweevoudige cultuurkloof van taalculturele en sociale verscheidenheid moesten de culturele organisaties zien te overbruggen om het hele nieuwe volk de zegeningen van de moderne ‘civilisashon’ deelachtig te doen worden. Cola Debrot zou de jaren na de emancipatie kenschetsen als die van het ‘geschreven woord’ dat via ‘bewuste kunstbeoefening’ voor het eerst streefde naar ‘programmering, planning en openbaarheid’ van het culturele gebeuren.[1] Daarnaast zien we in deze tijd ook enige geografische cultuurspreiding, omdat er rond het eeuweinde ook op Aruba en Sint-Maarten van een aanzet tot cultureel ontwaken gesproken kan worden. Er zijn een aantal redenen om in de jaren zestig en zeventig een nieuwe periode in de Antilliaanse literatuurgeschiedenis te laten beginnen. Na de emancipatie en het nieuwe regeringsreglement dat de opheffing van de preventieve censuur aankondigde, verscheen er plotseling een lawine van bladen, die niet alleen nieuws brachten, maar die ook als het begin van een opinie- en ideële pers gezien kunnen worden. In hoeverre de afschaffing van het Nederlandse dagbladzegel in 1869 daarbij een rol heeft gespeeld, valt niet te achterhalen. In die pers die zowel algemene als meer specifiek

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

literair-culturele bladen voortbracht, speelde het Papiamento van meetaf aan een aanzienlijke rol. Deze pers kan gezien worden als een roep om plaatselijke invloed op de gang van zaken. Het gebeurde dan ook nogal eens dat een krant direct ter openbare verdediging van een persoonlijke problematiek of vete begonnen werd. Dat was in het bijzonder het geval rond de zo diep in de kolonie ingrijpende ‘Multatuliaanse’ Affaire Sassen, die in feite een eerste confrontatie tussen plaatselijk bestuur en Haags dirigisme

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

93 betekende. De bevolking liet zich niet langer zonder meer de koloniale wet voorschrijven. De als persoonlijke wrijving tussen twee hooggeplaatste ambtenaren begonnen twist, kreeg de vorm van een diepgaand conflict, met godsdienstige, economische en raciale accenten. (Sjiem Fat 1986) Internationaal waren de politieke toestanden zeer onrustig. In 1855 werden de begin negentiende eeuw uit Curaçao naar het Venezolaanse Coro geëmigreerde Joden van daar verjaagd - ze repatrieerden naar hun eiland van herkomst of zochten elders een veilig heenkomen. Op Curaçao kregen ze grote economische en culturele invloed. De steeds weer dreigende en ook uitbrekende Venezolaanse revoluties brachten talrijke invloedrijke bannelingen naar de Benedenwindse eilanden. Hoewel de rol van deze ‘exilados’ misschien wel eens overschat wordt, hadden ze niettemin grote invloed op het culturele leven, via de zich ontwikkelende pers, maar vooral via de door hen op Curaçao gestichte Spaanstalige elitescholen. Naast deze instituten die hoogwaardig internationaal erkend onderwijs verzorgden, bemoeiden Missie en sociale organisaties zich met het volksonderwijs in het Papiamento. De roep om sociabiliteit deed het sociëteitsleven, de letterkundige verenigingen en de leesgenootschappen opbloeien. De in de etablissementen aanwezige leestafels en een zich ontwikkelend bibliotheekwezen bevorderden de leescultuur. Met de opening van Teatro Naar kreeg het toneelleven in 1871 een belangrijke impuls. Het fundament van dit zich ontwikkelende culturele leven werd gevonden in het ideële streven om in het nieuwe tijdperk dat men was binnengetreden, niet alleen een kleine bovenlaag maar het hele vrije volk te dienen, te beschaven, op te heffen tot hoger geestelijk peil. Een streven dat ook na het Engelse tussenbewind in het begin van de eeuw even voelbaar was geweest, maar dat toen al spoedig gesmoord werd in de segmentatie van de door slavernij beheerste maatschappij. Nu zag de elite het volk wél en boog zich om het op te heffen door middel van alfabetisatie, onderwijs en literatuur die men als nuttig beschavingsmiddel bij uitstek zag. Dat doel streefden Joden, Protestanten, Liberalen en Rooms Katholieken gelijkelijk na, hoewel bepaald niet eendrachtig. De opiniepers en het verenigingsleven dienden niet alleen om het volk te verheffen maar evenzeer en vaak met meer inzet om elkaar te bestrijden. De ontwikkeling van de literaire kritiek was er een bijkomend symptoom van. Het zich bewust worden van een persoonlijke culturele voorhoederol bracht de eerste als zodanig erkende schrijvers in de kolonie voort, die hun produkten als letterkunde presenteerden. Behalve in de wereld van het toneel, de literaire salons en de soirées werden de vrouwen nog niet tot het letterkundig leven toegelaten. Na de kolonist die in de tijd voor 1863 het voortouw had genomen, streefden in deze nieuwe tijd de Spaanse exilados, de Nederlandse paters en de Curaçaose creool gezamenlijk naar de post-emancipatoire civilisashon.

De taalsituatie Na de emancipatie ontstond er al snel groter en ook algemener aandacht voor het Papiamento; het werd niet alleen beschouwd als taal voor een bepaald deel van de bevolking, maar als algemene landstaal, niet alleen als het vehikel voor de eenvoudige dagelijkse omgang maar ook als cultuurtaal. De laatste decennia van de eeuw kenmerkten zich door een sterke uitbreiding van het Papiamento in allerlei sectoren

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

van het maatschappelijk-culturele leven, waar alle standen de taal spraken. Naast kerk- en schooltaal ontwikkelde het zich in hoog tempo tot geschreven cultuurtaal. Het Nederlands verkeerde van twee kanten in de verdrukking en functioneerde nauwelijks meer. Als cultuurtaal verloor het prestige aan het dominerende Spaans, welks positie door de talrijke ‘exilados’, door de uit Coro gevluchte Joden, door het Spaanstalige onderwijs, de literaire produktie en de rol van uitgeverij Bethencourt e Hijos werd versterkt. Wel was het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

94 Nederlands officiële bestuurstaal, taal van de Protestantse en Joodse eredienst, onderwijstaal voor de stadselite, taal van een deel van de pers en letterkundige verenigingen. Maar als gesproken huistaal moest het plaats maken voor het Papiamento en was het in deze tijd bij de ‘echte’ Curaçaoenaars nagenoeg verdwenen. Zelfs het Nederlands georiënteerde Neerlandia moest in haar Curaçao-nummer van 1905 erkennen, ‘onder de 13 leden van den Kolonialen Raad zijn er geen drie, in wier gezin Nederlandsch de omgangstaal is. Er zijn in Curaçao misschien geen 20 huisgezinnen, behalve der macamba's (zooals de Hollanders hier heeten), die nu en dan onder elkander Hollandsch spreken en zeker geen tien waar dat regel is.’ Dat de gevoelens ten aanzien van deze ontwikkeling gemengd waren, bleek uit een aantal reacties, vooral van diegenen die de koloniale banden niet alleen wilden bewaren maar ook verstevigen, zoals A.N.V.-secretaris en kapitein J. Snijders, die in 1907 schreef dat onze voorvaderen hier hunne moedertaal als huistaal hadden prijsgegeven en waren afgedaald tot den neger, in stede van dezen tot zich op te heffen.’[2] Samenvattend zou gezegd kunnen worden dat de kolonie een eigen taalontwikkeling doormaakte, waarin het Spaans domineerde, met een zeer sterke Papiamentstalige onderstroom en het Nederlands als geaccepteerde derde. Deze talen liepen op natuurlijke wijze steeds weer door elkaar heen. Wat iemand ook sprak of schreef, verstaan werd hij door iedereen. In deze periode moet onderscheid gemaakt worden tussen de bestudering van het Papiamento als taal, zijn standaardisering door middel van de beschrijving van spelling, grammatica en woordenboeken, en het gebruik van het Papiamento in allerlei organisaties. Beide aspecten ontwikkelden zich sterk, niet alleen op Curaçao maar in deze periode ook voor het eerst op Aruba.[3] In vergelijking met wat de R.K. paters in de eerste helft van de eeuw deden, was er sprake van een verschuiving in belangstelling. Was het hen eerst vooral begonnen om het Papiamento als middel tot geloofsverbreiding, hier was kennis van de taal het doel. Het verschijnsel kan als ‘missionaire linguïstiek’ aangeduid worden. Toch zou de rol van de kerk steeds enigszins dualistisch blijven, omdat de Nederlandse paters het Papiamento als volkstaal, het Nederlands evenwel steeds als hogere cultuurtaal verdedigden. Desalniettemin veranderde de waardering voor de taal, want in dit koor van pro-Papiamento-stemmen leek A. Jesurun (1897: 98) een uitzondering met zijn nogal negatief oordeel: ‘het is slechts een taal voor dagelijksch gebruik, het dient dan ook niet voor literatuur’. Wel werd hier Papiamento en literatuur voor het eerst met elkaar in verband gebracht, maar dat zegt niet zoveel omdat in die tijd vrijwel algemeen alles wat geschreven was als ‘literatuur’ werd gekarakteriseerd. Op de Bovenwinden heerste als vanouds het Engels onbedreigd en werd het Nederlands zelfs als koloniale bestuurstaal nauwelijks meer gebruikt.

Eindnoten: [1] H. Hoetink 1955; ‘Gouverneur opende schouwburg “Centro Pro Arte”’ (B/N 7 IX 1968)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[2] Neerlandia 1903: 60; 1905: 149; J.A. Snijders: Vragen van den dag 1907: 842. [3] Men hield zich vooral bezig met grammatica, spelling en woordenboeken, de herkomst van de taal ondervond minder belangstelling: 18..

een woordenboekje door Ch.A. de Larrey (nergens meer bekend)

1869

Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden. Curaçao: Drukkerij Vicariaat

1874

H. van Ewijk: Grammaire voor de papiamentse taal. Arnhem.

1875

Van Ewijk: Nederlandsch Papiamentsch - Spaansch woordenboekje. Curaçao.

1876

N.N.: Guia para los Españoles hablar Papiamento, y vice versa, para qu los de Curaçao puedan hablar español. Curaçao: Imprenta del Comercio

1882

H. Schuchard: Kreolische Studien I. Wiener Sitzungsberichte; Phil. Hist. Classe

1885

N.: Woordenlijst en Zamenspraak in de Nederlandsche en Curaçaosche Landstaal. Curaçao.

1897

A. Jesurun: Eenige beschouwingen over de volkstaal. Eerste Jaarlijksch Verslag. Amsterdam: J.H. de Bussy

1898

A. Jesurun: Het Papiëmentsch. Tweede Jaarlijksch Verslag. Amsterdam: J.H. de Bussy

1898

N.J. Evertsz: Compendio de la Gramática del papiamento, ó sea mêtodo para aprender á hablarlo y á escribirlo en corto tiempo. Curaçao: A. Bethencourt

1898

A. Sintiago: Gramatica corticoe di idioma Papiamentoe. Curazao: Bethencourt

1898

A. Pijpers: Theoretische spraakkunst der Papiamentsche taal. Curaçao: Neuman

1913

J.A. van Ginniken: ‘Het Papiamentoe of Negerspaansch’. In: Handboek der Nederlandsche Taal. Deel I Nijmegen: L.C.G. Malmberg

1914

A.A. Fokker: ‘Het papiamentoe of basterd-spaans der West-Indiese eilanden’ Ts. voor Ned. Taale Letterkunde, dl. 33

1915

G.J. Eybers: ‘Iets over Papiamentu en zijn schrijfwijze’ Amigoe 2, 9, 16, 23, 30 X; 6 XI 15; La Cruz 27 X 15; De

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Vrijmoedige 30 XII 15 (met discussie van opponenten en medestanders) 1918

W.M. Hoyer: Papiamentoe i su manera di skirbié. Curaçao.

1918

W.M. Hoyer: Woordenlijst en samenspraak Hollandsch-Papiamentsch-Spaansch. Curaçao.

1928

J.A. v.d. Veen Zeppenfeldt: Praktische handleiding der Papiamentsche spraakkunst. Curaçao.

1928

R. Lenz: El Papiamento. Santiago de Chile: Anales de la Universidad de Chile

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

95

4.2. De spruiten wiesen uit de bodem Op 1 januari 1866 trad een nieuw regeringsreglement in werking, waarin de preventieve censuur die vanaf 1820 van kracht was geweest, werd afgeschaft. Vanaf dat moment ‘wiesen de vele spruiten uit de bodem’, zoals J. Hartog (1944) dat zo beeldend beschreef. Het monopolie van de deftige op het establishment gerichte Curaçaosche Courant dat ongeveer een halve eeuw geduurd had, was definitief voorbij, de fel-partijdige opiniepers zou zijn intrede doen. Voorlopig werd het nieuws wekelijks gebracht in een meestal op zaterdag verschijnend blad, dat in de regel vier pagina's telde met soms een supplement. Het formaat kwam overeen met de huidige Papiamentstalige kranten. Zulke bladen bevatten nauwelijks illustraties, weinig advertenties en vooral volle kolommen dicht op elkaar gedrukte tekst onder veelal kleine koppen, zodat er toch nog wel heel wat te lezen viel. Het was heel gebruikelijk dat ingezonden-stukken-schrijvers (en die waren er veel in die dagen!) op elkaar reageerden in verschillende bladen, wat dus veronderstelt dat men gewoon was meer dan één krant te lezen. Nagenoeg zonder uitzondering waren deze bladen meertalig. Gebruikte de redactie al één taal, dan waren er altijd wel advertenties, ingezonden stukken of zelfs bijdragen van medewerkers in andere talen. Bevatte De Curaçaosche Courant alleen nieuwtjes, na 1870 ontstonden de eerste ‘opiniebladen’, en de bladen die het woord ‘literatuur’ of ‘letterkunde’ in hun ondertitel, redactieverklaring of werkelijk programma voerden. Hartog (1944; 1972) gaf van deze laatste een beredeneerde inventarisatie van meer dan twintig voorbeelden. Maar alle bladen bewogen zich van tijd tot tijd op wat wij heden ten dage gewoonlijk tot literair terrein rekenen, of wat men in die dagen als letterkunde zag.

De functies van de krant in het literaire leven Evenals in het begin van de eeuw is ook in deze tijd de krant de belangrijkste bron om nog iets van de organisatievormen en activiteiten van het literaire leven te achterhalen. Zonder uitzondering namen alle bladen ingezonden (gelegenheids)poëzie op, in allerlei talen, maar eind negentiende eeuw overwegend in het Spaans, op afstand gevolgd door het Nederlands. Engels en Frans kwamen maar heel incidenteel voor, en Papiamento-poëzie verscheen pas vanaf het begin van de twintigste eeuw. Advertenties voor boeken en tijdschriften informeerden omtrent produkten uit plaatselijke drukkerijen, maar meestal kondigden ze geïmporteerd werk aan. Aan de gouvernementele verplichting om via de in 1883 in werking getreden wet op het auteursrecht alle nieuwe uitgaven te melden, werd nauwelijks gehoor gegeven.[4] De krant is nagenoeg de enige overgeleverde bron van berichtgeving omtrent het algemene gezelligheidsleven en het wetenschappelijke en literaire genootschapsleven dat eind negentiende eeuw vooral op Curaçao een korte bloeitijd doormaakte. Advertenties, aankondigingen, verslagen en de in die jaren voor het eerst in de opiniebladen verschijnende recensies zijn een bron voor met name de kennis van de toneelgeschiedenis. Werd een nieuw boek meestal slechts kort vermeld als ‘in dank ontvangen’, een toneelvoorstelling van een buitenlands en (vooral) een eigen gezelschap werd gewoonlijk uitgebreid gerecenseerd. De krant vermeldde de ‘soirées

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

littéraires et musicales’ die aan het einde van de eeuw in de gunst van een talrijk publiek stonden. Schooleigenaren-directeuren adverteerden hun school- en examen-programma's en zorgden voor uitvoerige verslagen van hun prijsuitreikingen, waarop aan het einde van het schooljaar voordrachten, improvisaties en toneel in vele talen voor ouders en belangstellende buitenstaanders te bewonderen vielen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

96 Het was gebruikelijk om allerlei actuele kwesties in dialoogvorm in de krant te behandelen. Uitgever-drukker-boekhandelaar-drogist A. Bethencourt adverteerde zijn winkelprodukten zelfs in klanten-dialogen die heel populair waren; ook Bonaire en de Bovenwinden kenden hun voorbeelden, terwijl er op die eilanden toch nog niet veel geschreven werd in die tijd. ‘Cursiefjes’, volgens de contemporaine aanduiding veelal ‘feuilletons’ genoemd, kenden een bloeitijdperk rond de eeuwwisseling. Dat zijn typische voorbeelden van een soort letterkunde, dat alleen in de krant tot zijn recht kwam. Naast de algemene nieuws- en opiniebladen waarin letterkunde niet meer dan een onderdeeltje vormde, kende Curaçao na de emancipatie een aantal bladen die groter aandacht aan de letterkunde wilden geven. Wijdden The Impulse en Civilisadó in de jaren zeventig relatief al meer ruimte aan de letteren, Notas y Letras wilde een halve generatie later een zelfs puur literair- en muziekblad zijn, het eerste van de Antillen.[5] De krant verschaft schaarse gegevens over het boekaanbod, dat na 1865, getuige de veelvuldige advertenties, langzaamaan op een wat groter deel van de bevolking gericht leek te worden. In de kranten werden van tijd tot tijd boeken te koop aangeboden.[6] De talen waren Frans en Spaans, maar ook wel Nederlands, want Nederlandse boekhandelaren probeerden ook rechtstreeks op Curaçao te verkopen, zoals J.H. de Bussy. Naast die rechtstreekse import werden boeken tweedehands verkocht. Het merendeel van de boeken werd echter via de drukkerijen en kranten aangeboden. De journalist trad ook in die dagen niet alleen op als auteur, maar eveneens als drukker, uitgever en boekhandelaar, daarmee een einde achttiende eeuw begonnen traditie voortzettend.[7] De import overheerste de eigen produktie; hoewel daarover geen exacte gegevens bestaan, is die conclusie toch wel gewettigd. De kranteredacteur en de Drukkerij van het Vicariaat publiceerden weliswaar, maar het aantal viel bij de import in het niet.[8] Toen de wekelijkse bladen zo rond het einde van de eeuw een wat langere traditie kenden, zouden de drukkers nogal eens diverse ingebonden jaargangen van The Impulse, Civilisadó en andere aanbieden. Die bleven dus bewaard; bij een gering aanbod van lectuur bleek de krant minder eendagsvlieg dan tegenwoordig. De letterkundige publicaties waren in dit totaalaanbod te verwaarlozen. Het is uit deze advertenties onmogelijk na te gaan wat er daadwerkelijk gekocht en gelezen werd. Wel doen de soms maandenlange herhalingen van steeds weer dezelfde advertenties met steeds weer dezelfde titels bange vermoedens rijzen dat het publiek niet erg kooplustig was, want het lijkt nauwelijks aannemelijk dat er een grote voorraad van elke titel geweest zal zijn. Iets beter dan over deze journalisten-boekhandelaren zijn we nog ingelicht over de verreweg belangrijkste onder hen, de firma A. Bethencourt e Hijos, die sedert 1867 op het eiland gevestigd was. Deze adverteerde veel in alle bladen en gaf een eigen tweewekelijks Boletin uit (1879-1897), daarna El Anunciador (tot 1908), waarvan enkele nummers bewaard bleven. Bovendien bezit de nationale bibliotheek van Caracas een uitvoerige catalogus uit 1882, die laat zien hoeveel de zaak voor export drukte en plaatselijk wist te distribueren.[9] De belangrijkste informatiebron is definitief verdwenen; het eigen archief van de drukker ging in 1937 verloren.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

The Impulse, a journal of news and literature Vreemd genoeg voor de taalsituatie van het Curaçao van de tweede eeuwhelft, was het oudste blad dat het woord ‘literatuur’ in zijn ondertitel voerde Engelstalig. In totaal verschenen er niet meer dan twintig wekelijkse nummers van elk vier pagina's op iets groter dan A-4 formaat.[10] Hoofdredacteur-uitgever-eigenaar van het blad (alle functies in één) was leraar en officieel tolkvertaler Daniel de Sola (1846-1896). The Impulse (2 X 1871-12 II 1872) was in zijn tijd een van de vier verschijnende bladen en naast de grijze en eerbiedwaardige De Curaçaosche Courant van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

97 het establishment, de felle tegen de gouverneur gerichte Onpartijdige, en de beschaver Civilisadó, was het de voorzichtig liberale. Het ‘journal of general news and literature’ bevatte vooral het eerste en daarvan nog weer overwegend het internationale nieuws, zozeer dat aan het einde van het eerste kwartaal de lezers zelfs vroegen om meer lokaal-politiek commentaar. Dat is wel begrijpelijk want op dat moment stond heel Curaçao op zijn kop in verband met de affaire Sassen, het politie-optreden dat daarbij plaatsvond, de massale sympathiebetuigingen, de rechtszaken, de ‘pasquins’ waarin ‘fatsoenlijke en brave menschen op eene hoogst beleedigende wyze aan de kaak worden gesteld’. (Sjiem Fat 1986) Maar de toon van de krant bleef politiek afstandelijk en zoveel mogelijk neutraal, vol vooruitgangsgeloof, optimisme en het besef na de emancipatie in een verlichte tijd te leven, die verplichtingen schiep, niet alleen voor organisaties als onderwijs en pers, maar voor ieder individueel. Wie met hedendaagse ogen naar ‘letterkunde’ gaat zoeken, zal in The Impulse gauw uitgekeken zijn. De eerste afleveringen bevatten twee ‘mini-feuilletons’ en vier gedichten, waarvan twee eigenlijk advertenties, een overgenomen liefdesgedicht en een gelegenheidsgedichtje bij de eerste kwartaaldag van het blad. Maar met een eventueel verwijt dat het blad dan maar de helft van zijn ondertitel waar zou maken en het verzoek van lezers ‘to give literature a wider sphere’ was de redacteur het in het geheel niet eens. Goedgeschreven beschouwingen over onderwerpen als vrouw, echtgenote en huwelijk, en filosofische mijmeringen over moraliteit en opvoeding, over de taal van de natuur, over instinct en verstand, vooruitgang en geluk, geest en leven, waarin auteurs zich de moeite gaven een verzorgde stijl te hanteren, vielen volgens hem alle onder het literatuur-begrip. ‘Poëzie’ had voor hem (en zijn lezers) kennelijk een veel specifieker betekenis. ‘Dit is geen poëzie, maar waarheid’, schreven ‘eenige ooggetuigen’ op 15 januari 1872. Metaforen als ‘goddelijkheid’, ‘verhevenheid’, het ‘oneindige’, ‘tempels’, ‘schoonheid’ en het ‘sublieme’ verwoordden een literatuurbegrip dat in geen van de creatieve bijdragen aan het blad werd waargemaakt.[11] Culturele organisaties, evenementen als prijsuitreikingen van particuliere onderwijsinstellingen (daarbij gehouden toespraken werden in hun geheel afgedrukt) en toneelopvoeringen kregen steevast uitgebreide verslagen, evenals de opening van Sociëteit De Harmonie. Met het onderscheid prozaïsch = alledaags en poëëtisch = verheven sloot het blad nog aan bij de opvattingen van voor de emancipatie. De redacteur zag de journalistiek in zijn algemeenheid trouwens ook als een letterkundige bezigheid. Literatuur was kennelijk alles wat geschreven was, een niet zo vreemde opvatting in een maatschappij met een sterk orale traditie. Het blad was voorzover de kopij van de redacteur afkomstig was, geheel Engelstalig. Daarnaast verscheen nu en dan een stukje in het Nederlands, Spaans of Frans, er kwam geen Papiamento in voor.[12] The Impulse was een klein blad met in het begin kennelijk niet meer dan vijftig abonnees, maar droeg op zijn bescheiden wijze, terughoudend waar anderen felle partijdigheid toonden, bij aan het besef dat de kolonie na de emancipatie een nieuwe tijd tegemoet was gegaan, waarin het héle volk, niet meer een bepaalde stand, moest kunnen deelnemen aan en delen in de vooruitgang op materieel en cultureel gebied. Het gaf een beeld van een optimistisch geloof in een nieuwe maatschappij, die onder andere door middel van de literatuur kon worden opgebouwd na een lange nacht van slavernij.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

De volksbeschaver Civilisadó Bestond The Impulse maar vier en een halve maand, Civilisadó (1 VII 1871-31 XII 1875) hield het vier en een half jaar vol. Redacteur-directeur-eigenaar Casten David Meyer streefde evenals Daniel de Sola de verheffing en opvoeding van het volk na. Het ‘zuiver filantropische blad,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

98 gewaardeerd door slechts enkelen, bestreden door sommigen en miskend door velen’ richtte zich evenwel meer op het hele volk, met name op de niet-blanken in de kolonie, terwijl het zeer kritisch stond tegenover de macht, zowel ten opzichte van het grote buurland Venezuela als binnenlands wegens de ‘Affaire Sassen’. Er viel in die dagen genoeg te schrijven. Deze bladen waren dan ook naast bronnen van nieuws, opiniërend van aard - ze vormden het begin van een strijdbare Antilliaanse pers. Medewerkers waren de zakenman Gaspar Monsanto, de onderwijzer José N. Malo en talrijke ‘exilados’. De redactie hanteerde consequent het Papiamento, de taal waarin ook heel wat artikelen werden geschreven, vaak voorzien van toelichtende omschrijvingen, als de auteur kennelijk dacht dat een woord niet bekend was. Daarnaast kwam er nogal wat Spaans, Nederlands, Frans en Engels voor, met name in de ingezonden stukken. De inhoud was allereerst, dat valt van een krant niet anders te verwachten, algemeen van aard met aandacht voor buiten- en binnenlands nieuws. Van dat laatste was het vooral de ‘affaire Sassen’ en de ‘schutterij’ die heel kritisch benaderd werden, want de krant was uitgesproken anti-militaristisch. De kolommen van de krant stonden wijd open voor allerlei ingezonden stukken, van persoonlijke en algemene aard. In de rubriek ‘colaboracion’ vinden we nogal wat instructieve vervolgseries over ‘civilizacion’ in het algemeen, over onderwijs en opvoeding, over de geschiedenis van Curaçao, over meteorologie, de middelen van bestaan, de Codigo Penal, lijkverbranding, spiritisme, over Toussaint L'Ouverture, over de grote slavenopstand van 1795 en over de emancipatie. Deze bijdragen konden heel uitgebreid zijn en gingen met omhaal van woorden uitvoerig op hun onderwerp in, om op deze wijze het ideaal van de volksopvoeding gestalte te geven.[13] Letterkunde, hoewel de redactie die niet in de titel voerde, werd wel degelijk beschouwd en daadwerkelijk gebruikt als een middel om het volk op te voeden, en kreeg nogal wat ruimte in het blad. Dialogen die nu nog geciteerd worden[14], adverteerden A. Bethencourts produkten en gaven een humoristisch-kritische kijk op de actualiteit. In 1873-1874 verscheen een vertaalde, geromantiseerde levensgeschiedenis van de bekende Noordamerikaanse abolitionist John Brown. Dit was dan voor het eerst dat een Antilliaans blad een feuilleton opnam, dat men buitenlandse literatuur in de eigen taal vertaalde (beide zouden een lange traditie worden) en dat men zo kritisch over een zo nabij verleden durfde te schrijven (dat is nu nóg geen traditie). Meer dan The Impulse bracht Civilisadó de poëtische praktijk. Dat deed het door incidenteel buitenlandse poëzie uit het Frans, Spaans of Engels (al dan niet in het Papiamento vertaald) op te nemen, maar meer door gedichten ‘van eigen bodem’ te plaatsen, die door ‘exilados’ als Manuel M. Dagnino en M.M. Bermudez Avila op Curaçao geschreven werden of door mensen van het eiland zelf, al is dat laatste moeilijk na te gaan omdat nagenoeg iedereen zich achter pseudoniemen of initialen verborgen hield.[15] Wegens de thema's zouden we met Cola Debrot deze dichters eerder tot de ‘dichterlijke naturen’ dan tot de ‘echte’ dichters willen rekenen. Het merendeel van hun produkten was de gelegenheidspoëzie van auteurs die slechts een enkele keer de pen publiekelijk opnamen. Medewerker ‘P’ die zeventien gedichten voor zijn rekening nam en bovendien nog in De Onpartijdige publiceerde was hierop een uitzondering, maar ook zijn werk was dat van een amateur.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Poëzie werd gezien als middel om de idealen van opvoeding en beschaving in christelijke zin uit te dragen. Nu ‘men’ in deze roerige en corrupte tijden het oprechte woord monddood wilde maken, moesten grote voorbeelden als Byron, Shakespeare, Milton, Breton de los Herreros en Morantin Larra als gids dienen. (30 IX 1871) Naast de poëzie werd vooral het toneel als beschavende ‘hefboom’, als ‘barometer’ gezien. De metaforen zijn welsprekend en de macht die men het medium toedacht was groot. Door zijn kritische toon moest het blad nogal wat kritiek,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

99 ook officiële van de gouverneur, verduren. Dat is niet het ergste, wel wordt het benauwd als de criticaster dan ook daadwerkelijk zijn abonnement opzegde, zoals de bisschop uit protest deed en met hem drie kwart van de lezers in de eerste zes maanden van 1874. Omdat de wel trouwe abonnees nog herhaaldelijk om betaling moesten worden gemaand, waren ook organisatorische problemen aanzienlijk, nog versterkt omdat subsidie voor de school geweigerd werd. Toch schijnt het blad veel gelezen te zijn, door mensen uit alle maatschappelijke groeperingen. (Abraham-Van der Mark 1990) De Pool (1935, 1961: 188) oordeelde over het blad, dat het zulk een belangrijke taak vervulde, dat het alleen met het latere La Union kon worden vergeleken, waarbij Civilisadó er zich dan nog op kon beroemen dat het geen orgaan van een bepaalde groep was en in een tijd verscheen, dat de welstand gering en het algemeen levenspeil laag was. Het brengen van ‘civilisacion’ aan een volk dat net een paar honderd jaar slavernij achter de rug had en nog in een zeer zwakke economische positie verkeerde was geen sinecure. Dat was de mening van iemand die na een halve eeuw terugkeek, maar wat is het standpunt nu? Het blad is gecanoniseerd, met de hoofdkarakterisering dat het als eerste Papiamentstalig blad een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de emancipatie van de eigen taal. Die unieke zaak kan niet voldoende benadrukt worden. Maar in de koloniale maatschappij kreeg zoiets weinig aandacht. Abraham-Van der Mark (1990) sprak van ‘een mislukt beschavingsoffensief’, als het gevolg van tegenwerking, want ‘de redactieleden waren in de eerste plaats idealisten met een blind geloof in onderwijs en opvoeding. Zij meenden dat de hogere strata door middel van redelijke argumenten ertoe konden worden gebracht hun vooroordeel en eigenbelang op te geven en dat vervolgens, wanneer de lagere groepen het juiste onderwijs zouden hebben ontvangen, vanzelf een betere samenleving zou ontstaan.’ Daar zou nog aan toe te voegen zijn dat de liberaal denkende Casten David Meyer het niet alleen moest opgeven tegen het establishment, maar ook tegen de steeds machtiger wordende R.K. kerk, die zich binnen enkele jaren van de macht van de pers als vormer van de publieke opinie zou verzekeren.

Notas y Letras, het eerste literaire tijdschrift Notas y Letras, semanario de literatura y bellas artes (3 VII 1886-.. II 1888) met ruim zeshonderd pagina's, verspreid over meer dan zeventig nummers, wordt algemeen als het eerste echt belangrijke Antilliaanse literaire tijdschrift beschouwd. De redacteuren J.S. Corsen en E.H. Römer constateerden in hun openingsartikel verdedigenderwijze dat er weliswaar al zoveel bladen op het eiland waren, waarom dan nog een nieuw erbij, maar dat hun Notas y Letras wel degelijk bestaansrecht had, want het wilde anders zijn door alléén ‘agradabel, inofensiva’ letterkunde en fraaie kunsten (zie de ondertitel) te brengen, zich daarbij met name ook richtend op de jeugd in het gezin. Het was de tijd dat het ‘familieblad’ opkwam.[16] De omvang van elke aflevering was acht pagina's, het dubbele van wat veel andere bladen boden, maar het formaat was kleiner.[17] J.S. Corsen was alleen de eerste dertig nummers mede-redacteur, waarna Ernesto H. Römer in zijn eentje het redacteurschap overnam.[18] De tot dan toe in de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Antilliaanse letteren heersende gewoonte om anoniem of onder pseudoniem te publiceren werd niet in Notas y Letras gevolgd; nagenoeg iedereen ondertekende zijn bijdrage met naam en toenaam, wat duidde op zelfbewust schrijverschap dat zich niet wilde verbergen voor eventuele kritiek. Niet minder dan tweehonderd (!) medewerkers publiceerden in het tijdschrift.[19] Bekende Curaçaose medewerkers waren J.S. Corsen, die ten tijde van zijn redacteurschap maar ook daarna nog heel trouw het meest publiceerde, A.Z. Lopez Penha en A.A. Wolfschoon.[20]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

100 Notas y Letras was voornamelijk een blad dat gevuld werd door buitenlandse exilados en passanten. Niet alleen nodigde de redactie kennelijk gerenommeerde auteurs tot medewerking uit, artikelen werden ook vaak aangeboden.[21] Door de ruil met internationale bladen kreeg het Curaçaose tijdschrift bekendheid in diverse landen, het werd daar soms ook lovend besproken. De in het tijdschrift overheersende taal was het Spaans, in welke taal overwegend origineel werk gepubliceerd werd, met incidenteel vertalingen van Franse of Engelse auteurs. Naast poëzie kwamen een drietal feuilletons, proza in de vorm van verhalende stukken, maar vooral ook informatieve artikelen voor. De redactionele mededeling dat het blad uitsluitend aan ‘letterkunde en schone kunsten’ zou worden gewijd toonde andermaal dat het begrip ‘letterkunde’ in die tijd ruimer was dan nu. Artikelen over zo diverse onderwerpen als insecten, kinder- en ouderliefde, over journalistiek, zonsverduistering, het gebruik van de barometer, de Etna, over luxe, over Simon Bolivar, de echte Robinson Crusoe, over pseudoniemen, over de invloed van muziek op het zenuwstelsel werden alle tot de literatuur gerekend. Notas y Letras bevatte op toneelgebied niet meer dan enkele dialogen. Het blad geeft ons nu nog enig inzicht hoe men aan het einde van de negentiende eeuw met letterkunde omging en wat populair was. Veel bijdragen waren bestemd voor de poëzie-albums, ‘album de autografo’, we komen charades tegen, ‘cuentos’ in diverse vormen als ‘cuento fantastico’, ‘cuento oriental’ en ‘cuento tradicional’, ‘discursos’ en ‘pensamientos’. De poëzie was wel ver verwijderd van wat tot dan toe aan gelegenheidspoëzie gebruikelijk was. We zien veel persoonlijker werk, ook in die zin dat het moest functioneren voor bepaalde lezers aan wie het werd opgedragen. Dat daarbij vooral ook de poëzie-albums een grote rol bleken te spelen, toont ons dit genre als onderdeel van het normaal geachte sociaal verkeer van de elite in die dagen. Daarbij hoorden in elk geval ook de ‘arte de hablar’, declamatie en ‘elocuencia’. Het leeuwendeel van het blad was creatief, slechts weinig bijdragen behoren tot secundaire literatuur, en die dan nog in de traditie van die tijd over toneel en de invloed van lezen. Er waren geen recensies zoals wij die nu kennen. Over de waardigheid van de dichter en de waarde van lezen koesterde men de meest verheven gedachten die in lyrische ontboezemingen neergeschreven werden. Schooldirecteur L.M. Diaz waarschuwde tegen de invloed van slechte lectuur op de mens in het algemeen en de jeugd in het bijzonder, en speciaal op de gevaren van het ‘zolaismo’, de romans van Emile Zola en zijn naturalistische school. Over de grote invloed van lezen, positief èn negatief, was men het eens. In De Curaçaosche Courant werd de geboorte van het tijdschrift kort aangekondigd met de vermelding van wederzijdse ruil, maar het werd niet gerecenseerd. In geen van de andere Curaçaose bladen uit die tijd stond ook maar één reactie. De redactie maakte dankbaar melding van de aandacht door buitenlandse bladen, maar ook daarin stond geen inhoudelijke kritiek, alleen lof en dank voor een ontvangen (present)exemplaar. Wel leert dit gebruik van onderlinge uitwisseling (canjes) ons nu iets over de verspreiding in het buitenland. De distributie door Latijns-Amerika was er niet alleen toen het tijdschrift door Bethencourt e Hijos gedrukt werd, maar ook al ver daarvóór, misschien als gevolg van de internationale contacten van deze boekhandel. Niet minder dan 152 bladen werden in de rubriek ‘canjes’ vermeld. Misschien duurde zo'n ruil niet lang, maar het aantal is niet mis. Dat wil dus zeggen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

dat de redacteur ook al die bladen ontving! Notas y Letras werd op zijn beurt door al die redacties ontvangen (en gelezen, want sommige namen bijdragen in hun bladen over). Het Curaçaose blad werd nagenoeg naar heel Venezuela en naar alle grote steden van Colombia gestuurd. Daarnaast naar Ecuador, Peru, Argentinië, Costa Rica, Nicaragua, Mexico, Puerto Rico, Santo Domingo, Cuba, Jamaica, Trinidad, de Verenigde Staten (New York, Saint Louis), Spanje (Barcelona, Madrid), Frankrijk (Parijs). Nummer 49 en nummer 53 gaven een opsomming van bladen die werk uit het tijdschrift overdrukten. Dat bleken niet minder dan 23 bladen in de landen Venezuela,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

101 Colombia, Peru, Mexico, Puerto Rico en Spanje te zijn die samen 44 artikelen overnamen. Hiervan waren er zeven van Curaçaose auteurs, te weten vijf van J.S. Corsen en twee van A.Z. Lopez Penha.[22] Dit geeft niet alleen de verspreiding van het tijdschrift aan, maar ook de eigentijdse waardering. Tot dan toe had de kolonie steeds de literaire invloeden van buiten ondergaan: door de import van boeken, door de komst van Spaanse toneelgezelschappen, door het onderwijs van Zuidamerikaanse exilados of Nederlanders aan de colegios. Notas y Letras draaide met haar medewerkers Corsen en Lopez Penha als eerste in de Antilliaanse literatuurgeschiedenis deze ‘source - target’ richting (enigszins) om: Spaanstalige Curaçaose letteren werden nu in Zuid-Amerika gelezen en gewaardeerd. (Het zou nog bijna vijftig jaar duren eer door Cola Debrot het eerste Nederlandstalig Antilliaans literair werk in Nederland bekendheid kreeg.) Hoewel het blad nu algemeen genoemd en geroemd wordt als het eerste Antilliaanse literaire tijdschrift, was Notas y Letras voornamelijk een tijdschrift voor buitenlanders, geen tijdschrift waarin de Antilliaan, noch produktief als dichter-medewerker, noch als lezer, het voortouw genomen heeft. Het tijdschrift was als materieel produkt weliswaar Antilliaans, maar zijn niet op de Antillen gerichte inhoud, zijn internationale verspreiding en geïntendeerde lezerskring zwakten dat ‘Antilliaanse karakter’ sterk af. Zo valt Notas y Letras in de Spaanse periode van onze literatuurgeschiedenis rond de eeuwwisseling te vergelijken met De Stoep, die een halve eeuw later dé exponent van de ‘holandisashon’ zou worden.

Het apostolaat van de pers Na 1870 breidden de activiteiten van de R.K. kerk zich op de Antilliaanse eilanden sterk uit. Bax (1988) en A. Lampe (1988; 1992) bespraken de emancipatie en expansie van de R.K. kerk in respectievelijk Nederland en de Nederlandse Antillen, vanuit de ‘regime-theorie’, die ervan uitgaat dat ook een religieuze organisatie op maatschappelijke macht uit is.[23] Na de aanvankelijk maar marginale invloed van de Spaanse zwerfpriesters, werd in de negentiende eeuw de Nederlandse priesterstand een actief bolwerk in de kolonie.[24] Na hun komst op 11 juli 1870 organiseeerden de Paters Dominicanen zich op hechte wijze. De ‘juiste’ lectuur en literatuur golden naast de kanselprediking als belangrijke missie-middelen om de gelovigen op het rechte pad te houden. Dit ‘gouden tijdperk van het katholiek regime’ (ALampe 1991a) bracht grote invloed op de letterkunde met zich mee, via diverse kanalen. De kerk bezat een eigen Vicariaatsdrukkerij en uitgeverij, waar ze boeken produceerde voor de eredienst, het onderwijs en ter verstrooiing. Daarnaast waren vooral eigen periodieken van belang om niet alleen de gelovigen maar iedereen, ook buiten de muren van de kerk te bereiken en het R.K. gedachtengoed te verspreiden en te verdedigen. Via het middelbaar onderwijs kon ze door middel van letterkundeprogramma's, -examens en de jaarlijks terugkerende prijsuitreikingen haar ideeën over literatuur verspreiden. Via een goed georganiseerd verenigingsleven probeerde ze jongeren en ouderen ook 's avonds te bereiken en met inleidingen en debat te oefenen in de toen zo populaire ‘elocuencia’ en het toneel. Een niet te onderschatten mogelijkheid was de distributie van geschikt geachte lectuur via eigen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

verspreidingskanalen en speciale R.K. bibliotheken voor militairen en burgers. Het streven was erop gericht het hele communicatieproces te beheersen, vanaf de produktie van gedichten, dialogen, feuilletons en verhalen in de krant of in boekvorm, de distributie daarvan, de advertenties en de recensies in de eigen bladen door de eigen mensen geschreven. Het prestige van ‘shon pastoor’ versterkte dit effect, waar literatuur geen doel maar gewichtig missie-middel was, zo zeer alle facetten omvattend dat ‘regime’ daarvoor geen overdreven aanduiding was.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

102 Pater R.J.C. Wahlen vatte de betekenis van de pers voor de missie kernachtig samen toen hij in de Amigoe opmerkte: ‘Het apostolaat der pers kent geen grenzen. Dit machtig hulpmiddel der beschaving en der verspreiding van ons H. Geloof wordt in de arme Missie van Curaçao zeer deugdelijk gehanteerd.’ Al in het tijdperk van de slavernij was de missie actief geweest op publicitair gebied, met name door middel van eenvoudige evangelisatie-boekjes in het Papiamento.[25] De geestelijkheid stimuleerde door haar activiteiten de volkstaal sterk, omdat ze niet alleen in maar ook over het Papiamento publiceerde. Daarnaast verschenen er godsdienstige liederenbundels, meditaties en apologetische geschriften. Naast - maar in de praktijk meestal tegenover - de op dat moment al talrijke liberale bladen werden de Amigoe (1884), La Union (1889-1897) en La Cruz (1900) opgericht. Van alle drie bladen werden de redacties door de geestelijkheid gevormd, met een pater als hoofdredacteur.[26] Het Amigoe- program werd in een aan het eerste nummer voorafgaande circulaire verwoord: ‘Het zal er naar streven, steeds het merkwaardigste uit de politieke wereld onder de oogen zijner lezers te brengen; den stoffelijken bloei en zedelijke beschaving van Curaçao te helpen bevorderen en niet het minst, den katholieken geest onder de geloovigen van Curaçao levend of levendig te maken.’ De pers was in die dagen, zoals we al eerder constateerden, zeer strijdbaar en wakkerde bestaande tegenstellingen eerder aan dan dat ze die verdoezelde; de Amigoe was hierop geen uitzondering. Hartog duidde deze overgangsperiode van de krant als pure nieuwstijding naar het ontstaan van een opiniepers aan als een ‘worstelperk’.[27] Waar veel kranten ‘geboren werden’ en bijna net zo veel het al spoedig weer begaven, hield de R.K. pers het, met de institutionele backing van de missie, wél uit. De R.K. pers nam al gauw een cruciale plaats in en oefende op diverse manieren veel invloed op de letterkunde uit: creatief door bijdragen te leveren, waarbij niet minder dan acht ‘poëtische paters’ actief waren, die bij R.K. hoogtijdagen traditionele gelegenheidsgedichten schreven, die het volk wilden opvoeden door middel van dialogen, die zich gingen bedienen van een voor Curaçao nieuwe vorm als de feuilletons onder de streep, en die algemeen opiniërende stukken over lectuur en literatuur schreven of specifieke voorstellingen en boeken via recensies op de R.K. literaire zeef legden.[28] In de eigen organen waren in groot formaat geplaatste advertenties van eigen boeken, tijdschriften en toneelvoorstellingen natuurlijk economisch haalbaar. Heel populair werden de dialogen van Ipi (Ludovicus) en Cobi (Vincent), achter welk pseudoniem zich de gebroeders Jansen verscholen.[29] Zulke dialogen waren een typisch genre voor de krant en vanaf het begin van de pers kwamen ze dan ook voor. Met name in de Civilisadó maakten auteurs er gebruik van, maar er was haast geen blad zonder. Ipi en Cobi waren al begin 1884 in Amigoe begonnen met hun ‘Nobo di coenucoe’. De dialogen werden tot briefwisseling toen Ipi op reis ging: Cobi vertelde van het eiland, Ipi van de Verenigde Staten vanwaaruit hij verslag deed van zijn bezoek aan New York, de Niagarawatervallen, van Europa dat hij bezocht. Cobi zorgde voor de vrolijke noot en schreef over plaatselijke situaties en toestanden, terwijl Ipi de eilandelijke beperking van zijn vriend complementeerde met het verschaffen van wereldnieuws. Deze feuilletons verbinden het aangename met het vormende. Bovendien sloten ze door steeds weer personages sprekend in te voeren,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

nauw bij de oratuur aan. Toen pater Ludovicus in 1889 zijn eigen orgaan voor de Sint Jozefgezellen stichtte, verschenen zijn dialogen natuurlijk in La Union. Waren deze dialogen bij de minder begaafde journalisten-kunstbroeders vaak belerend en moraliserend, Ipi en Cobi wisten hun commentaar en kritiek op de actualiteit, want dat was kenmerkend voor de inhoud, altijd met een glimlach te presenteren. Ze schreven steeds in het Papiamento. Naast de originele bijdragen in het Papiamento, wist de clerus deze taal via talrijke vertalingen verder te populariseren en als schriftelijk medium te ontwikkelen. Zonder over-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

103 drijving kan gezegd worden dat de Missie de zo invloedrijke vertaal- en adaptatie-traditie van allerlei talen naar het Papiamento toe gevestigd en ontwikkeld heeft. Talrijke berichten, nieuwtjes, wetenswaardigheden, maar ook feuilletons, verhalen, dialogen, toneelstukken en literair-kritische stukken kwamen onder het oog van de Antilliaanse lezers door de vertaalactiviteiten van de redacteuren en medewerkers van de katholieke pers. De feuilletonisten van de jaren twintig tot veertig zullen direct bij een door de paters gevestigde traditie aansluiten, in de jaren vijftig zullen de adaptaties uit het internationale toneelrepertoire een al decennia eerder maar inmiddels in onbruik geraakte kerkelijke traditie opnieuw met veel succes in ere herstellen. De pastorale pers was (na de Civilisadó) de plaats waar belangrijke teksten in het Papiamento vertaald en gepubliceerd konden worden. W.F.M. Lampe (1971: 44) schreef dat wat De Pool over het Curaçao van voorheen schreef, mutatis mutandis ook grotendeels op Aruba en Bonaire van toepassing was. Hij duidde daarmee op de door De Pool benadrukte sfeer van gezelligheid en gemoedelijkheid, niet op de talrijke culturele activiteiten, want die waren op deze twee kleine zuster-eilanden in die dagen aanzienlijk geringer. Op Aruba dateerde de oudste krant van 1874, en verschenen er in de jaren negentig van de vorige eeuw gedurende een korte periode zelfs drie. Maar deze bladen bleven nergens bewaard zodat niet kon worden nagegaan of ze eveneens gegevens omtrent vroeg literair Arubaans leven bevatten. Op Sint-Maarten zou de pers zich eerst in het tweede decennium na de eeuwwisseling ontwikkelen.

Eindnoten: [4] Vanaf 1883 werd een nieuw auteursrecht mede op Curaçao rechtsgeldig (P.B. 1883, # 5) en verschenen ook alle in Nederland geregistreerde uitgaven in lange maandelijkse lijsten in de C.C. Het was kennelijk de bedoeling dat ook de op Curaçao gepubliceerde werken werden gedeponeerd, maar de Procureur-Generaal moest veelal zijn maandelijkse ‘nihil’ melden, ook als er in die tijd aantoonbaar wel was gepubliceerd. Literair werk werd kennelijk niet gedeponeerd, Spaanstalige schoolboeken wel. [5] Bij gebrek aan overgeleverd materiaal is het onmogelijk andere bladen dan het Franstalige door M. Bauvois uitgegeven L'Echo de Curaçao (1872-1873), waarvan alleen het prospectus beschikbaar was, en El Poema (1895-1896) te behandelen. Hartog (1944; 1972) gaf enkele bijzonderheden. De drie wel beschikbare ‘literaire’ tijdschriften worden geanalyseerd op hun aard, formele regelingen, doel, de verschenen nummers, de redactie, de inhoudelijke activiteiten verdeeld over talen, genres en bijdragen, de opvattingen over wat literatuur was, en de receptiegeschiedenis. [6] Ook in deze tijd bestond het boekenaanbod nagenoeg uitsluitend uit import, die langs verschillende kanalen plaatsvond. Soms boden plaatselijke agenten van buitenlandse firma's rechtstreeks in Europa, Noord-Amerika of Venezuela nieuw verschenen werk aan. Ze hadden ‘novelas de los mejores autores del dia’ te koop, alsmede boeken over opvoeding, redevoeringen of gebeden (oraciones), wetenschap en kunst, grammatica's van verschillende auteurs, aardrijkskundige werken, atlassen en woordenboeken van allerlei soort. De importeurs accepteerden ook - zelfs kleine - orders tegen de in Parijs geldende prijzen. Botica Capriles bood een keer een aantal medische encyclopedieën aan en 27 titels over zaken als bevalling, kinderziekten, cholera, epilepsie, farmacie en genezing, allemaal in het Frans. J.H. de Bussy

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[7]

[8] [9]

[10]

[11]

[12]

[13]

[14]

bood in 1885 bijvoorbeeld veel ‘Hollandsche, Fransche, Engelsche, Duitsche, Amerikaansche en Italiaansche Tijdschriften’ en ‘uitgaven van belangrijke boeken, vooral voor Oost- en West-Indië’ aan. Een proefnummer van De Indische Mercuur en de catalogus waren gratis. ‘De gunstig bekende bibliotheek van den heer C. Gorsira’ werd geveild volgens een bericht in C.C. 30 IX 1869. Andere advertenties in C.C. 5 II 1870; 3 III 1877; 24 IX 1881. De Neuman's boden boeken aan in hun C.C., Casten David Meyer deed het in zijn Civilisadó en De Vrijmoedige - dat leverde meteen een goedkope wijze van adverteren op, in het eigen blad. Meyer reserveerde zelfs vaak onbekommerd een groot deel van de voorpagina voor zijn boekaanbiedingen. Meyer had in 1872 te koop, ‘eene collectie Spaanse romans van de beste schrijvers’, negen titels filosofischgodsdienstig werk in het Frans, en drie titels in het Nederlands. Een jaar later verkocht hij een collectie Franse romans en enkele wetenschappelijke werken. Bovendien was hij distributeur van de ‘De Nederlandsche Mail’ wekelijksche Courant van Oost- en West-Indië. Uit advertenties blijkt dat men veel woordenboeken te koop had, in allerlei combinaties van Frans, Nederlands, Engels, Duits, Spaans; grammatica's van dezelfde talen; werken over geschiedenis en natuurkunde, en wat de letterkunde betreft voornamelijk romans in verschillende talen. Amigoe 9, 23 VIII 1902; WIG IV, 1922-1923: 59-61; Amigoe 24 VI 1922, 30 XII 1933; Hartog 1944; Lent 1969; Martinus 1972 bevatten bibliografieën. Enkele nummers bevinden zich in het Amsterdamse Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. Met dank aan Mw. Maritza Coomans-Eustatia die een fotocopie van de catalogus verschafte. ‘Jammer is dat men bij een poging een nauwkeurige lijst samen te stellen van wat er al zo door Bethencourt en Zonen op ons eiland is gedrukt, spoedig vastloopt tegen wat ik zou willen noemen de muur der slordigheid en gebrek aan interesse om oude dingen, die van culturele waarde zijn, te bewaren. De firma Bethencourt, die nu nog bestaat, heeft zelf zo goed als niets meer van wat vroeger bij haar is gedrukt en/of uitgegegeven.’ (Luis H. Daal: ‘Ontmoetingen met het boek in Curaçao's verleden’ (WIG XL, 1960-1961: 190-200) Agustin Bethencourt was een begaafd cellist en initiator van het culturele leven, maar vooral ook handelaar met een uitgebreide drogisterij, een grote algemene boek- en muziekhandel en leesbibliotheek. (De Pool 1935) Behalve dat was hij bekend drukker-uitgever van talrijke boeken en het literair-muzikale tijdschrift Notas y Letras. In tegenstelling tot anderen die werk in verschillende talen aanboden, had Bethencourt nagenoeg uitsluitend Spaanstalig werk in voorraad en aanbieding. Zijn firma distribueerde niet alleen tijdschriften en boeken op het eiland zelf, maar over heel de regio. Daarmee werd Curaçao van ontvanger tot donor, wat nog niet eerder voorkwam in de literatuurgeschiedenis. Vanaf 1867 trad Bethencourt e Hijos op boekgebied in de traditie van zoveel andere handelsfirma's; Curaçao werd door de firma Bethencourt een cultureel distributiecentrum van buitenlandse boeken en een vrijplaats waar ‘exilados’ hun werken konden publiceren. Bekend werd Bethencourts reeks ‘Parnaso Venezolano’, een goedkope volkseditie van Venezolaanse dichters, tachtig tot honderd pagina's voor drie kwartjes, een serie van twaalf deeltjes voor acht gulden. (C.C. 6 IV 1888) In de Amigoe 2 VIII 1884 bood Bethencourt, in een Nederlandstalige advertentie, boeken van Hendrik Conscience aan. Bethencourt verspreidde ook volksuitgaven; zo verkocht hij twintig titels voor veertig cent per stuk. Het blad is nagenoeg compleet aanwezig in de K.B., onder nummer 1160 A 63. Enkele supplementen en de aan het eigenlijke blad voorafgaande prospectus ontbreken. Dat het blad maar zo kort bestaan heeft, was waarschijnlijk het gevolg van een ruzie tussen eigenaar-uitgever-redacteur Daniel de Sola en drukker Osorio. Het blad beleed ideeën, die geen dichter in de kolommen waarmaakte, al was men vast overtuigd van de waarde van poëzie en redekunst voor lezer en toehoorder beide. De ‘elocuencia’ vormde in die dagen kennelijk een belangrijk onderdeel van de literatuur, niet het minst in het onderwijs. Via ingezonden stukken en advertenties zien we toch nog iets over de taalsituatie. Handelaren wilden hun potentiële klanten bereiken in het Engels (40%), Spaans (45%) en Nederlands (15%). Van de achttien ingezonden ‘communications’ waren er vijf in het Engels en het Frans, zes in het Nederlands, en maar twee in het Spaans, alle uiteraard zonder vertaling. Dat het de redacteur daarmee ernst was bewees wel dat hij naast zijn krant een school ondere dezelfde naam (Civilisadó) oprichtte om kosteloos onderwijs aan min- en onvermogenden te verschaffen: onderwijzer J.N. Malo werd directeur. Op 9 mei 1874 had de school 73 leerlingen, van wie er 23 Spaanstalig waren. ‘Propaganda pret di Bethencourt’ Independiente VII-25, maart 1991: 22-23

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[15] In de jaargangen vinden we vrij redelijk over de gehele periode verdeeld, maar wel met zekere ‘oprispingen van dichterlijke activiteit’ en afnemend naar het einde toe, iets meer dan zeventig gedichten, waarvan ruim 70% in het Spaans, ruim 20% in het Nederlands en nog twee in het Engels, één in het Frans en Portugees. [16] Notas y Letras ‘dedica sus columnas exclusivamente á la literatura, á las artes; se propone contribuir á despertar y desarollar en nuestra juventud el amor á las letras, y llevar al seno de las familias, no enconadas polémicas y acerbas diatribas, no resumen de lo que en cámaras, parlamentos y senados se debate, sino agradable inofensiva lectura acompañada de ligeras piezas de música; en una palabra. NOTAS Y LETRAS se pondrá siempre á gran distancia del ardor de la batalla, y buscará en cambio el suave calor del hogar.’ Familiebladen waren bijvoorbeeld El semanario del hogar (1885); La Ilustración (1886); El Observador (1886); El Ganimedes de las Damas (1893). Uitvoerig hierover in Hartog 1944. [17] Nergens is het tijdschrift volledig aanwezig. Hartog (1944) was onterecht positief zeker over het totaalaantal van 72 nummers en 575 bladzijden. Het blad werd in elk geval niet opgeheven op 19 januari zoals hij schreef, nummer 72 was van 13 januari, maar ik vond ook nog een (losse) bladzijde 601, zodat er ten minste 76 nummers geweest moeten zijn tot februari 1888. Dr. H. Coomans bezit een prachtig gerestaureerd exemplaar, maar ook daarvan ontbreken er tegen het einde een aantal pagina's en zijn er na nummer 72 nog maar een paar bladzijden, zodat de afsluiting niet zeker is. [18] Haim Senior werd alleen in de eerste twee nummers als ‘editor’ vermeld, daarna niet meer. De eerste dertig nummers werden op de persen van Tipografía Excelsior gedrukt, pas toen vanaf nummer 31 Ernesto Römer alleen als redacteur overbleef, nam drukkerij Bethencourt e Hijos de taak over onder de aanduiding ‘Imprenta de la Librería’. Het blad werd steeds op (aan het einde van de 19de eeuw gebruikelijk) slecht papier gedrukt, zonder illustraties en advertenties. De prijs was een gulden per maand; vijftig cent voor een los nummer. Over de oplage was helaas niets te vinden. [19] Dat cijfer wordt wel wat minder indrukwekkend als we zien dat er hiervan 127 maar één keer meewerkten (ruim 60%); 25 twee keer (ruim 10%); 18 drie keer (9%); maar dan blijven er nog altijd zo'n vijftien procent, oftewel 30 trouwe medewerkers over. Sommigen zetten nadrukkelijk hun landaard onder hun bijdragen, veelal op Curaçao verblijvende Venezolanen (42) en Colombianen (16). Daarnaast kende het blad bijdragen uit diverse Zuidamerikaanse landen. Ecuador (5), Mexico (7), Peru, Chili en Argentinië (elk 2). Ook Cuba, Puerto Rico en de Verenigde Staten leverden incidenteel medewerkers. Europa werd door een tweetal Fransen vertegenwoordigd. [20] J.S. Corsen ondertekende 25 gedichten, maar waarschijnlijk heeft hij veel meer geschreven want toen de redactie in nummer 49 melding maakte van andere bladen die artikelen overnamen, schreef ze dat van J.S. Corsen werd overgenomen ‘La lengua y la pluma’, een artikel dat onder de initialen K.I. was verschenen. In het exemplaar dat ik raadpleegde (van Dr. H. Coomans dus en vroeger eigendom van de bekende Soublette) is voorin een handgeschreven lijstje bijgebonden, waarop Corsens bijdragen tot en met nummer 48 zijn vermeld. Hier blijkt dat Corsen eveneens onder de initialen ‘K.I.’ en ‘F.Q.’ schreef en dat hij als redacteur kennelijk niet al zijn werk ondertekende. [21] Lijst van medewerkers en het door hen gehanteerde genre: D: toneel; E: essay; L: poëzie; P: proza; R: recensie Aclaraciones: 3 Manifestacion: 2 Miscelánea: 1; 2; 4; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 12; 14; 15; 17; 18; 21; 22; 23; 24; 25; 26; 27; 28; 29; 30; 32; 33; 34; 35; 36; 38; 39; 40; 41; 42; 43 Notas y Letras: 1 (An.): P3; P5; P6,7; E9; E12; P13,14; P16; E19; P20; E21; P28; E32; E33; E37; E40 ***: L4; L50 Acosta, C. (Ven.): L28; P47 Acosta de Samper, S.: P28-48 Albaladejo, E. (Sp.): E49; L52; P61; L70; P72 Andrade, O.V. (Arg.): L32; L41 Andrés: P23 Aquino, J.: L10

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Aristarco: E46 Arsaces: E2 Arteta, L.P. (Ecuad.): L30; L39 Arvelo, J.A. (Ven.): L28; L53 Avellaneda, N.: E32 Azuaga, A.M.: L7 Baralt, R.M. (Ven.): L66 Becquer, G.A.: P41; L46; P49; P51 Bermudez Avila, M.M. (Ven.): L44; L63 Blanco, R.: P8; E46 Blasco, E.: P42; P47 Bornat, Ch. (Fr.): L62; L64; L66 Brémon, J.F.: P22; E24; P31; E32; P59 Byron: L70 Calcaño, E. (Ven.): P1; L14; E39; E46; L69 Calcaño, J.A. (Ven.): L1; L13; L43 Calcaño, J. (Ven.): L27; L61 Calcaño, S. (Ven.): L18 Campoamor, R. de: L68 Candao, J.S.: L9 Cardona, J.V. (P. Rico): L22; L39; L44 Carmelo: P1,2; P3 Caro, J.E.: L13 Castelar, E.: E6; E22; E36; E48; E55; E70 Catalina, S.: E6 Chatraian, E.: P67, 68, 69 (drie afl.) Concepcion Valdez, G. de la: L16 Conto, C.: L43 Corsen, J.S.: L2; L6; L11; L13; L15; L16; L17; L21; L25; L28; L43; L47; L49; L50; L51; L53; L54; L56; L57; L58; L61; L66; L68; L69 Diaz, L.: L68 Diaz, L.M.: E48; E59; E63; E71; E72 Diaz Guerra, A. (Col.): E2; L6; L8; L14; L31 Dios Mendez hijo, J. de (Ven.): L31 Dominguez, R. (Mex.): L42 Dumas, A.: Pv70 Echegaray, J.: L29 Echeverría, C.E. (Ven.): L61; L62; L63; L66 Ernst, G.: L5; L8; P8; L13; L22 Febres, G.P. (Ven.) L35; L40; L47; L57; E65; L67 Fenelón: E27 Fernanflor: P52 Figueroa, B. Baez: L35; L38; L40; L44; L49; L50; L60; L62; L68 Flores, A. (Ecuador): Ls68 Flores, L. (Col.): L3 Flores, M.A. de (Col.): L3 Flores, M.M. (Mex.): L56; L64 Garbán, D.: L11; L15; L18; L23; L31; L39; L51; L63; L67 García de Agüero, M.: L10; L59 Garsdun, W.: P67 Guarcia Llansó, A.: E31 Guardia, H.M. de la (Ven.): L21; L25; L59 Guarin, J.D. (Col.): L58 Gimeno de Flaquer, C.: E29,30 Gomez, A.L. (Col.): L61 Gonzales, J.T. (Ven.): P3 González, N.A. (Ecuador): L53 Gonzalez Guinán, F.: E63 Gonzales Narvaez, J.I. (Ven.): L17

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Gormaz, C.M.: E17 Gourdon, R.: P3 Guadelajara, J.E. (Ven.): L5; L26 Guardia, H.M. de la (Ven.): L58 Guinet, E.: Ev5 Gutierrez Coll, J. (Ven.): L30; L48; L50; L70 Gutierrez Gonzalez, G. (Col.): L27; L63 Gutierrez de Alba, J.M. (Sp.): L28 H., A.: P16, 17, 18, 19, 20; E24; Henriquez, M.L. de: P23 Hernández, D.R. (Ven.): L66 Hertado, M.A. (Chili): L54 Hugo, V.: P22; P25; P28; P59; E69 I., K.: E17; E21; E29; E33 Irving, Washington (V.S.): E57 Jacyn (Fr.): L34 Jesus, M. de (Col.): L70 Klopstock: P37 Lazarrada, A.L. (Ven.): L32 Leon y Gómez, A. (Col.): L27 Lirio: P15 Listo, K. (Ven.): L23; L44 López, C.V.: L12 Lopez Carvajal, F. (Mex.): L69 Lopez Penha, A.Z.: L1; L6; L11; L18; L25; L31; L32; L33; L36; L41; L43; L46; L55; L62; L66; L76; Lozano, A. (Ven.): L38 Llanos, J.: E28 Llona, N.P. (Ecuador): L19 Llorente, T.: L39 M., L.M.: P16 Manfredo (Ven.): D15 Manrique, J.M.: P54 María: L34 Marmol, J. (Arg.): P26; P27 Martinez, C.: P61 Mayora, M.: E6 Mekainos, D.: L45 Méndez, C.: P70 Méndez y Mendoza, E. (Ven.): L22; L33; L60; L65 Menezes, C. de: P4 Merchan, R.M.: E54 Michelet: P49, 50, 51, 52, 54, 55, 57, 58, 60, 61 (10 afl.) Molina, M. (Peru): L14 Montegazza, P.: L34 Montero, B.: E31 Muñoz, G.E. (Ven.): L30; L33; L36 Nolasco, J.P. (Fr.): P56; P57; P60; P61; P62; P64; P66; P68 P69 Núñez de Cáceres, J.M.: P31 Obeso, C. (Col.): L67 Obregón S., P.: E19 Olmedo, J.J. (Ecuador): L48; P., E.: L11 P., M.E.(Ven.): L54 P., R.L.: E36 P., V.: L38 Pachano, J.R.: P1; E4; E10; P11; P21; P24 Palacio, E. del: E12; E21; E43; E58 Palacio, M. del: E27; E30

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Palacio, M.F.: L9; L12; L34 Palacio, V.R. (Mex.): L61 Palma, J.J. (Cuba): L36 Palma, R. (Peru): P35; L35; L45; P49; P58; L60; P62; P65; P68 Paolo: P16 Pardo, F.G. (Ven.): L46 Pardo, M.E. (Ven.): E12; L16; L22; L25; L35; E39; L72 L51 L46; L64 Peraza, N. Bolet (Ven.): E11; E14; P16; P18; E40; P66; P71 Pérez, J.J. (Dom.): L16; L19 Perez, L.M. (Col.): L59 Perez Bon., J.A.: E60 Perez Triana, S. (Col.): L42 Peza, J. de Dios (Mex.): L21; L30; L49; L54; L56; L61; L67; L68; L70 Pichardo, M.S.: L70 Pimentel hijo, F. (Ven.): L36 Pimentel Coronel, M. (Ven.): L43 Ponberg, E. (Ven.): E4; E5; E5; E6; E6; E7; E8; E8; E9; E24; E25; E34; E35; P68 Potentini, T.I. (Ven.): L64 Prieto, G. (Mex.): L10 Q., F.: E8; E11; E22, 23, 24, 26, 28 Quijano: L9; L19; L22 Quijano Wallis, J.M. (Col.): L49 Quintero, J. (Ven.): L3; L4; L6; L7; L24; L26; L28; L30; L31; L33; L37; L41; L46 Ramos, D.S.: P52 Reina, M.: E5 Renato: E11 Restrepo, A.J. (Col.): L29; L40; L59; L61 Reyes, R.: P44 Rigiabensi, G.: E63 Robles, S.A. (Ven.): L42 Roderik: L29 Rodriguez, C.: E12 Romero, P.A. (Ven.): L52 Rosa de Amézaga, J.: E53 Rosaret, Baron de: L27 Rubin, L.G. (Mex.): L55 Ruedas, S.: L8 Salazar, J.M.: E50 Salboch, J.: E13 Saluzzo, M.A. (Ven.): L29 Samper, J.M.: E43 Sanchez de Castilla, E. (Sp.): D17 Sanchez Pesquera, M. (Ven.): L2; L8; L12; L24; L54 Scanlan, E. (Ven.): L32; L56 Scot[t], W.: P66 Selgas, J.: P56 Siena, E.A.: E50 Silva, A.A.: P10; E19; E23; P27 Silva, F.V. (Ven.): L53 Silva, J.A. (Col.): L23 Silva, P.V. (Ven.): L51; L56; L59 Silvio: E8; E9; E10 Soffia, J.A. (Chili): L47; L57 Southy, R.: P45 Stromer, Th.: P42 Sylva, C.: P38 Tamayo Y Baus, M.: L70 Tejera, F. (Ven.): L16; L47; L64 Tenazas, Pío (Ven.): E4; E7; L12; E14; E21

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Toledo, L.C.: P16 Torres Abandero, L. (Ven.): L21; L24; L41; L45 Troanes, R.M.: E68 Urdaneta, B. (Ven.): E29 Urdaneta H., L.: E53 Veyas, J.J.: E64; L69 Vigil, G.: P51 Villasmil, J.R.: E17 Villegas Y Gonzalez, C. (Col.): L17 Wanderer: E11 Whitier, J.G.: E64 Wolfschoon, A.A.: L12; L69 X: L54 Z., G.: E13 Zéndegui, G.: P3; P11; P13 Zenea, J.C. (Cuba): L32 Zumeta, C.A. (N. York): E12; P15; P63 Z.Z.Z. (Col.): L53; L56 [22] Van J.S. Corsen verschenen in buitenlandse bladen: Los colores (La Ilustración Spanje); Amor filial (El Gladiator Venezuela); La Hija del Emir (El Correo Venezuela); Calipso (La Revista Social Peru); La lengua y la pluma (La sombre de cepede Mexico). Van A.Z. Lopez Penha: Fantaseo (El Ferrocaril Mexico); Gotas (La Revista Social Peru) [23] Bax (1988: 10) definieert een religieus regime als: ‘een meer of minder geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde constellatie van afhankelijkheidsverhoudingen welke gelegitimeerd wordt door een religieuze gedachtengang en gedragen door een religieuze elite.’ Hij schrijft ook nog: ‘Een religieus regime is een dynamisch verschijnsel; zowel naar sociale vorm als culturele inhoud verkeert het in gedurige ontwikkeling.’ (Bax 1988: 13) Lampe (1991: 23) paste deze omschrijving op de Curaçaose situatie als volgt toe: ‘Met de komst van de Nederlandse dominicanen in 1870 begon een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de kerk op Curaçao. Hun beleid was erop gericht om de invloed van het katholieke geloof verder uit te breiden. Deze missionarissen brachten een mentaliteit met zich mee, die de machtspositie van de kerk binnen de samenleving alleen maar zou versterken. De Nederlandse dominicanen projecteerden ten onrechte de typisch Nederlandse problematiek van de verzuiling (eigen politieke partijen, eigen vakbonden, eigen media, eigen sociaal-culturele verenigingen) op de missie van Curaçao. Was in Nederland de verzuiling gericht op de emancipatie van de katholieken in de samenleving, op Curaçao betekende het vechten voor de emancipatie van de katholieken indirect de verdediging van de rechten van de armen. Immers, op Curaçao waren de arme Afro-curaçaoënaars tevens katholiek.’ Lampe sprak van ‘het gouden tijdperk van het katholieke regime’. (Lampe 1991: 26) [24] J.H.M. Chumaceiro oordeelde in het ‘Curaçaonummer’ van Neerlandia 1905: 156, dat ‘de R.K. geestelijkheid thans, bijna zonder uitzondering, in Nederland is geboren en dat zij, buiten kijf, hare Spaansche ambtgenooten over het algemeen in karakter en kennis verre overtreft’. [25] R.J.C. Wahlen werd geciteerd uit Gouden jubileum 1920: 174, 183-185. In Amigoe 9, 23 VIII 1902 nam de redacteur een lijst van Vicariaatspublicaties in het Papiamento op: in de jaren zestig: 9; zeventig: 10, tachtig: 21 en negentig: 17 titels. ‘Wij besluiten met de bemerking, dat er nog heel wat aan toe te voegen is, zoo wij ook melding willen maken van de verschillende couranten die in de volkstaal geschreven werden en nog verschijnen. De afzonderlijke uitgegeven litanieën, gebeden of proeven van poëzie moesten buiten bespreking blijven.’ Zie ook Martinus Arion (1972) en noot 8 van dit hoofdstuk. [26] Curaçao volgde hierin kennelijk de algemene situatie. Pius' IX encycliek ‘Syllabus Errorum’ veroordeelde niet alleen de liberale denkbeelden, maar zorgde ervoor dat de katholieken zich op een eigen politiek gingen bezinnen. Daardoor werd ook de belangstelling voor een eigen pers groter, waar geestelijken het roer als hoofdredacteur in handen namen. [27] De circulaire is van 21 XII 1883, ook in Gouden jubileum 1920: 170-171; Amigoe 21 XII 1933. Pater Latour oordeelde rond 1950 over dit proces in verdedigende geest: ‘De priesters moesten ook buiten de kerk het volk kunnen voorlichten en verdedigen, de aanvallen op de katholieke godsdienst kunnen weerleggen... Voortaan zou katholiek Curaçao van zich afbijten; het had

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

zijn verdediger en woordvoerder.’ (Latour: ‘De R.K. Missie’ tweede drukproef van een nooit verschenen encyclopedie, ongeveer 1952) [28] De acht poëtische paters: Ludovicus A.J. Jansen (1845-1921); Vincent Jansen (1850-1890); M.V. Zwijsen (1858-1930); F.J.A. van den Donk (1862-1920); St. van de Pavert (1860-1930); R.J.C. Wahlen (1871-1946); P.J. Poiesz (1875-1919); Jan Paul Delgeur (1869-1931) [29] Pater Ludovicus Maria Jansen was redacteur van het veertiendaagse blad van de Sint Jozef Gezellen Vereeniging, La Union: ‘Hij gaf er, in zijn pakkende en populaire artikelen het beste en schoonste van zijn rijken geest en edel priesterhart, zoodat men zonder overdrijving kan zeggen, dat hij eigenlijk het volk heeft leeren lezen.’ (Gouden jubileum 1920: 137-138) Zie over deze gebroeders Jansen ook Nooyen & Van der Lee 1970: 35-37.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

104

4.3. Beschaving - nut - genoegen in gezellige vereniging Weliswaar kende Curaçao aan het begin van de negentiende eeuw al een eerste dichtgenootschap en enkele toneelgezelschappen en had Sint-Maarten in diezelfde tijd een leesgezelschap gehad, maar van een echt literair genootschapsleven was pas in de decennia ná de emancipatie sprake. De verschillende typen genootschappen die geformaliseerde organisatievormen kenden, kunnen beschreven worden in hun formele regelingen, zoals een officiële naamgeving, de oprichtingsdatum, de vergaderplaats en de doelstelling, in hun activiteiten en in de samenstelling van het bestuur en ledenbestand, waaraan de contemporaine en latere receptie toegevoegd zouden kunnen worden.[30] De Vrijmetselaarsloges dateren als oudste verenigingen al van de achttiende eeuw. De Sociëteiten als algemene gezelligheidsverenigingen zijn van het begin van de negentiende eeuw. Zij hadden het ‘onderling gezellig verkeer’ als hoofddoel gesteld voor hun bijeenkomsten en werden al vrij snel populair nadat Curaçao, na ruim een decennium Engels bewind, in 1816 opnieuw een Nederlandse kolonie was geworden.[31] Maar ze raakten in de loop van de eeuw alle in de versukkeling. Na de emancipatie vond er een plotselinge herleving en opleving van dit soort verenigingen plaats, maar er ontstonden ook nieuwe typen, bijvoorbeeld met een natuurwetenschappelijk doel[32], zoals het rond de eeuwwisseling zeer bekende ‘Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap’ (1896-1902) en de ‘Curaçaosche Maatschappij van Landbouw’ (1902).[33] Deze verenigingen waren mede van literair belang, omdat ze in de lokalen waar de leden samenkwamen leestafels hadden ingericht of zelfs goed geoutilleerde bibliotheken met een eigen bibliothecaris exploiteerden. Met uitzondering van het ‘Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap’ dat zes ‘Jaarlyksche Verslagen’ in Nederland liet publiceren en zich daarmee internationaal presenteerde, waren de diverse verenigingen vooral gericht op het lokale publiek of zelfs alleen maar de eigen kring van leden. Ze passen dus in de categorie van lokale, niet publicerende ‘gesloten’ genootschappen die geen aanspraak maakten op de titel ‘geleerd genootschap’. Dat schept bepaald geen gunstige voorwaarden voor archief-materiaal. Deze Curaçaose genootschappen vallen daarom ook maar heel fragmentarisch te reconstrueren, zo onvolledig als de bronnen schaars waren. Naast deze verenigingen, genootschappen of maatschappijen - de namen werden willekeurig door elkaar gebruikt - kende Curaçao in het laatste kwart van de eeuw diverse toneelverenigingen en was er bovendien sprake van een levendig literair salonleven, waar de ‘elocuencia’ bloeide. Ook in het onderwijs besteedde men via de jaarlijks uitvoerig gevierde prijsuitreikingen veel aandacht aan al of niet geïmproviseerde voordracht en toneel. Dit toneelleven, de ‘soirées littéraires et musicales’ en de scholaire prijsuitreikingen komen achtereenvolgens aan de orde. Eén specifiek letterkundig genootschap legde zich vooral op het bespreken van gelezen werken toe, enkele andere verenigingen hadden meer het karakter van leescirkels. Ze zullen in een volgende paragraaf over de leescultuur aan de orde komen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Teatro Naar als katalysator van een eigen toneelleven Als literaire genootschappelijkheid omschreven wordt als ‘alle activiteiten, zowel creatief als reflectief, op het gebied van de dichtkunde en de welsprekendheid, voor zover die in verenigingsverband werden bedreven’[34], hoorde daar zeker het toneel toe, want dat bracht immers zowel spelers als publiek met de idealen van (literaire) sociabiliteit in aanraking. Het Antilliaanse toneel kende een sterke opleving nadat J.J. Naar in 1871 op persoonlijk initiatief en eigen kosten een particuliere schouwburg openstelde, die onder de naam ‘Teatro Naar’ bekend werd en bleef. De nieuwe schouwburg werd het ontmoetingscentrum voor vijf soorten toneel.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

105 Voorzover het uit de schaars overgeleverde bronnen te reconstrueren valt, waren de Spaanse passanten op toernee heel actief in de meestal korte tijd van hun verblijf. De belangstelling voor dit beroepstoneel wisselde en nam tegen het einde van de eeuw duidelijk af. De kranten gaven van deze optredens lang niet altijd recensies en vaak leken ze uit de koker van bevrienden te komen, zodat ze als niet meer dan verkapte reclame beschouwd moeten worden. Een tweede groep van passanten-toneel werd gevormd door militairen die of van het liggend garnizoen of van bezoekende marine-schepen afkomstig waren. Ze vormden incidenteel een clubje of organiseerden echte toneelgroepen met (werkende) leden, een bestuur en een officieel reglement. Ze waren veelal slechts korte tijd actief met Nederlandstalig, over het algemeen lichtvoetig-ontspannend amateur-toneel. Dat was dus van heel ander kaliber dan het Spaanstalige beroepstoneel! Het ‘eigen’ toneel was afkomstig van Antilliaanse verenigingen die toneelclubjes voor hun jaarfeesten vormden, de geformaliseerde toneelgezelschappen en de georganiseerde toneelactiviteit rond de jaarlijkse prijsuitreikingen in het onderwijs. Deze vijf groepen speelden een repertoire van zeer diverse aard, maar altijd ging het om bestaand, buitenlands toneelwerk; een eigen toneelliteratuur zou nog even op zich laten wachten. Het op 27 augustus 1871 officieel ingewijde Teatro Naar pakte de al in 1821 begonnen toneeltraditie weer op, speelde met zijn ‘aficionados’ onder dezelfde zinspreuk ‘On fait ce qu'on peut, non pas ce qu'on veut’. Het werd in de eigen tijd zeer bekend en heeft in de twintigste eeuw een wel haast legendarische faam verworven. Iedereen was in het nieuwe theater welkom, de amateurs werden niet uit de cultuurtempel geweerd. Al maanden voor de officiële opening vond er in de pers een stevige discussie plaats over de volgens sommigen ongeschikte situering, maar volgens andere gezaghebbenden voldeed de voltooide schouwburg geheel aan de eisen ‘die goede smaak met billykheid gepaard, aan zulk een gebouw op Curaçao kan stellen. Fraaije en nette inrigting, goede verlichting geven het Theater een regt lief gezigt’.[35] ‘Het Tooneelgezelschap van Liefhebbers’ onder voorzitterschap van J.J. Naar en David L. Henriquez als secretaris, gaf als eerste voorstelling het uit het Frans vertaalde stuk La Gracia de Dios, onder regie van Anjel J. Jesurun. Vóór de openingswoorden en een gedicht van een Venezolaanse auteur door voorzitter Naar, had in het met bloemen versierde theater het ‘Wien Neerlands bloed’ al geklonken, gespeeld door het korps van militairen van het garnizoen. Daarna werd volgens traditioneel recept het drama opgevoerd, gevolgd door een komedie La Redaccion de un periodico o Mis Colaboradores. Alle overwegend nog jonge, voor het eerst optredende, spelers werden in niet minder dan acht in diverse kranten gepubliceerde recensies achtereenvolgens uitvoerig genoemd, becommentarieerd en bewonderend geprezen. Dat zou het vaste patroon van alle recensies blijven.[36] De tevreden spelers bedankten regisseur en directeur publiekelijk in de krant, een vorm van zelf-reclame die herhaaldelijk zou blijven voorkomen. Dit soort uitvoeringen verschafte volgens de reacties niet alleen ‘genoegen’, maar was ook ‘een opwekkend voorbeeld’, een uiting van ‘vooruitgang’ en vooral van ‘civilisatie’. Wie bezochten het theater? De prijzen waren niet gering en nooit onder een gulden, voor welk bedrag men in die tijd ook al een aardig boek kon kopen, maar desondanks was het toneel een populair cultureel tijdverdrijf.[37] Een extra stimulans om naar de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

schouwburg te gaan was het ‘goede doel’, want meestal speelde men ten bate van iets of iemand. Nog een reden waarom ook matige voorstellingen bezocht werden, gaf R. Boskaljon (1958: 84) die het zelf allemaal nog net als jongeman had meegemaakt. Wat voor de muziek van toepassing was, mag mutatis mutandis voor het toneel gelden: ‘tachtig procent van de theater bezoekers zijn mensen, die veel gereisd hebben en in Europa en Amerika de beste opera voorstellingen hebben gezien. Maar men gaat er naar toe om eens uit te gaan en elkaar te ontmoeten en neemt de voorstelling maar op de koop toe. Zo was Curaçao!’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

106 Na de opening gaf de ‘Nueva Compañia de Aficionados’ op 30 oktober 1871 opnieuw een voorstelling, dit keer ten bate van de armen van het eiland. Toneel als uiting van vooruitgang, civilisatie en moraal, toneel als nut en genoegen, zou voortaan hand in hand blijven gaan met liefdadigheid; de eventuele opbrengsten werden altijd voor een of ander goed doel bestemd. Het publiek getuigde van zijn enthousiasme door middel van herhaald applaus, bravo-geroep en naar de spelers geworpen bloemen. De recensent noemde als gebruikelijk alle jonge, debuterende spelers en prees ze uitbundig.[38] Twee jaar later trad een Nederlandstalig Tooneelgezelschap van Liefhebbers op, dat zich nu ‘Thalia’ noemde.[39] Op 23 juli 1873 speelde een nieuwe ‘Compañia de Aficionados’ het sentimentele drama Flor de un Dia.[40] In de volgende jaren werd toneel schaars. Inmiddels was J.J. Naar op reis naar Europa getogen. Pas in 1879 (dat is dus na vijf jaar, maar dat had misschien te maken met de grote orkaan van 23 september 1877, die Teatro Naar verwoestte, waarna het weer helemaal hersteld moest worden), speelde de Compañia de Aficionados ‘Placer del Estudio’ ten behoeve van het ‘Fonds Frederik der Nederlanden’ van de Loge ‘De Vergenoeging’. Na het toneel van Joodse ingezetenen, zien we hier dus de Vrijmetselaars op de bühne. Ook deze groep wilde onderwijs en beschaving onder het volk bevorderen. Dat deed ze door haar voorstellingen waaruit ze schoolgelden van kinderen van minvermogende leden financierde.[41] Naast de specifieke toneelgroepen waren er besloten verenigingen die toneel als een van hun mogelijkheden beschouwden om incidenteel publiekelijk naar buiten te treden. Ze speelden dan ook niet in de officiële schouwburg, maar in de salons der grote herenhuizen. In 1879 vormde zich zo een gezelschap van jonge amateurs, ‘La Jeunesse’, dat een komedie in twee bedrijven in het huis Scharloo 7 opvoerde. Toneel hoorde bij een goede opvoeding, het was een nuttig tijdverdrijf, want men leerde declamatie, ‘eene gezorgde uitspraak’, men oefende de geest en verwierf zich algemene ontwikkeling. Hoewel deze toneelgroepen soms het karakter van een georganiseerde vereniging aannamen, lijken ze op toneelgebied toch niet meer dan incidentele produkties te leveren, geen traditie op langere termijn te realiseren.[42] In de jaren rond 1890 trad een korte tijd de door rabbi J.H.M. Chumaceiro opgerichte ‘Young Men's Hebrew Association of Curaçao’ op, die niet alleen een eigen tijdschrift Home Journal uitgaf, maar ook toneel speelde. Op 8 juni 1890 gaf de Association voor een ‘vrij talrijk’ publiek de twee-akter in verzen Los corazones de oro en de toegift A pluma y a pelo, wat tweehonderd gulden voor het Bedelaarsfonds opbracht.[43] Opvallend was dat jongeren zich zo actief met het toneelspel bezighielden. Alle tot nu toe genoemde opvoeringen vonden op Curaçao plaats, van de andere eilanden weten we van geen toneelactiviteit, behalve dat op Bonaire op 6 december 1893 de jeugdige vereeniging ‘Harmonie’[44] in de feestelijk verlichte en versierde zaal in de woning van Mevrouw de Weduwe Leseur speelde voor de velen die ook op Bonaire ‘verlichting en beschaving i.e.w. die vooruitgang in hun vaandel voeren’.

Soirées littéraires et musicales

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Sociëteit en schouwburg vonden een vorm van samensmelting in de zogenaamde ‘soirée littéraire et musicale’ waar het algemene gezelligheidsaspect van een culturele component werd voorzien in een dramatisch-lyrisch-muzikaal totaal-gebeuren, wat in deze jaren een tijdlang zeer populair werd. Toneelopvoeringen gingen veelal vergezeld van muziek, hetzij van een band van militairen van het garnizoen of van andere bestaande amateurgezelschappen. Rond de jaren tachtig werd dit samengaan van het zogenaamde lyrisch-dramatische, een tijdlang mode. Pierre

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

107 Lauffer (1974) karakteriseerde het Huis Vredewijk, waar Lelia Capriles op deze wijze bijeenkomsten organiseerde en als het ware een literaire salon hield met een veelheid van activiteiten, als een Curaçaos Muiderslot. Zo'n soirée bleek volgens een vast patroon te verlopen. Kenmerk was de variatie, zowel in de gebezigde talen, als inhoudelijk door instrumentale en vocale muziek af te wisselen met voordrachten, toneelfragmenten, dialogen, tableaux vivants en ‘elocuencia’. Niet één langademig avondvullend toneelstuk in zoveel bedrijven, maar flitsende afwisseling van steeds weer nieuwe en verrassende korte stukjes toneel, voordracht en muziek. Recensent ‘A’ prees het verschijnsel zeer door te schrijven, ‘thans is er een nieuw geslacht opgekomen, en de jongelieden willen zich ook aan de schoone kunsten wyden. Zy willen zich oefenen in tooneel- en zangkunst. Zy willen medewerken tot de beschaving en verlichting onzer maatschappy. Beschaving en verlichting, zeggen wy, want wat de tegenstanders van het tooneel ook beweren en volhouden mogen, zeker is het dat welgekozen stukken bydragen om het schoonheidsgevoel te verbeteren, om de deugd in het licht, waarin zy verdient gezien te worden, voortestellen, terwyl de schoone zangkunst, behalve het aangename tydsverdryf dat zy ons verschaft, het hart veredelt, het gevoel verfynt.’[45] Het nieuwe genre werd een traditie, die zo sterk was dat we in diezelfde tijd vaak in de kranten kunnen lezen dat de voorstellingen van passanten-toneel maar matig of slecht bezocht werden. Op 25 november 1882 vond er een soireé plaats waarover men nog lang napraatte, want ‘nimmer te voren werd op Curaçao zulk een feest gevierd’, dat bovendien nog vierhonderd gulden opbracht voor een goed doel. Het Letterkundig Genootschap Tot Nut en Beschaving, het Muziekgezelschap Harmonie en de Buiten-Sociëteit organiseerden die avond gezamenlijk ‘recitatiën’, ‘voordragten’ en muziek onder leiding van de bekende C. Ulder, voor een massaal opgekomen publiek, waaronder ook de gouverneur. Voorzitter Sol. C. Henriquez opende de feestviering, waarna C.A.H. Barge een ‘in kuische taal’ gestelde feestrede ‘overvloeyende van zaakkennis en vaderlandsliefde’ hield over ‘het karakteristieke van het Nederlandse volk’. In een slotrede zou dokter en dichter D.R. Capriles nog door middel van een ander in die dagen geliefd literair genre een eloquent improviserende samenvatting in het Spaans geven van wat er die avond gepresenteerd was. Hiermee zien we hoe de ‘elocuencia’ als een vast onderdeel van een literair genootschap in die dagen de letterkunde binnendrong. Maria Henriquez reciteerde de Amerikaanse dichter Longfellow in het Engels, en Rebecca C. Henriquez droeg Delavignes beschrijving van Columbus' laatste reisdagen voor. In een Spaanse dialoog hielden Lelia en Rachel Capriles twee pleidooien over respectievelijk ‘handhaving of afschaffing van onze landstaal, het Papiëmentsch’, een door D.R. Capriles geschreven bijdrage.[46] Marie Kleyne droeg tenslotte een fragment van H.J. Schimmel's Anna Boleyn in het Nederlands voor. Een veeltalig en veelzijdig gebeuren, dat volgens de recensent ook vroeger wel mogelijk was, maar dat zich nu kristalliseerde via het georganiseerde genootschaps- en gezelschapsleven; institutievorming als voorwaarde voor culturele ontplooiing.[47] Ter gelegenheid van de twintigjarige emancipatie, op 1 juli 1883, organiseerde de Muziekvereniging Harmonie een genotvolle soirée, waarop W.W.M.B. Forbes als feestredenaar over de slavernij sprak, waarop ook V.A. Zerpa en Daniel de Sola als

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

orator optraden, en mej. J. en H. Nuboer een dialoog presenteerden: ‘het onderhoud van eene slavin met de Nederlandsche Maagd betrekkelyk het bestaan en de opheffing der slaverny in de Nederlandsche koloniën’. De Vereniging Buiten-Sociëteit werd al in 1884, na een slechts tweejarig bestaan, ontbonden en vervangen door Salon Capriles, waar geregeld muziekuitvoeringen plaatsvonden met voordrachten in het Spaans en Nederlands. Daarnaast presenteerde men soms tableaux vivants. De voorstellingen kenden over het algemeen een goede opkomst en een batig saldo voor diverse goede doelen.[48]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

108

Entre Nous Op 14 november 1895 werd Entre Nous opgericht. Toen deze ‘damesclub’ onder leiding van Rebecca Cohen Henriquez een soireé gaf ter gelegenheid van de koninklijke verjaardag op 30 augustus 1896, die nogmaals een goed inzicht gaf in de ‘soirée littéraire et musicale’, was er intussen een vijftienjarige traditie volgens een vast programma ontstaan. In het prachtig met loof en blauw-witte vaandels, portretten, rood-wit-blauw en een huldebord versierde Teatro Naar speelden na het ‘Wien Neêrlandsch bloed’ en een speciaal voor dit feest gecomponeerde ‘Wilhelmina-mars’ twee jonge dames twee scènes uit Breton de los Hereros' Spaanse bewerking van Schiller's Maria Stuart. Na een muzikaal intermezzo voerden zeven dames en twee heren het Nederlandse blijspel Een zegen des hemels op. Daarna werd het tableau vivant Geloof, Hoop en Liefde vertoond ‘door drie dames die deze deugden voorstelden’. In een korte pauze werden verversingen gepresenteerd, waarna een scène uit de opera Der Freischütz volgde, een Spaanse komedie Conjuración feminina voor drie dames en vier heren, en tenslotte een Andalusisch volkliedje ‘Coro del abanico’ door vier dames het programma afsloot. Tegen twaalf uur hield presidente R.C. Henriquez ‘een boeiende rede, van geestdrift en vaderlandsliefde blakende’, waarna om precies middernacht (het begin van de 31ste augustus, de verjaardagsdatum) een tableau vivant, ‘voorstellende de elf provinciën van Nederland in nationale kleederdracht’ te zien en het Wilhelmus te horen was. Uit het uitvoerige kranteverslag vallen werkwijze en voortgang van dergelijke soirées mooi te reconstrueren. (C.C. 4 IX 94) Entre Nous kondigde al haar activiteiten in het Frans aan; de programma-onderdelen vonden plaats in het Spaans, Nederlands en zelfs Duits. Uit het kranteverslag kunnen we impliciet opmaken aan welke eisen een soireé moest voldoen. In tegenstelling tot een avondvullende toneelvoorstelling werden alleen fragmenten gebracht, waardoor korte afwisselende programma-onderdelen ontstonden. Inhoudelijke variatie was bij een soireé ‘een voornaam vereischte’, evenals een goede organisatie, zodat de verschillende nummers vlot werden afgewerkt. De belangstelling van het enthousiaste publiek was overweldigend, zodat de uitvoerenden met toejuichingen overladen werden. Het genre van de soirée, ook ‘velada’ genoemd, heeft een bloeitijd tussen 1880 en 1910 gekend. Toen Entre Nous na een lange stilte in 1933 het standbeeld van Koningin Wilhelmina onthulde in het al naar haar genoemde park, schreef de Amigoe (10 XII 1932) als een soort samenvattend oordeel: ‘Alles wat feministerij of modern vrouwengedoe gelijkt, is aan deze damesvereeniging geheel vreemd. Zij zijn stille werkers, houden zich heel bescheiden op de achtergrond, waartoe ook het doel dezer vereeniging medewerkt.’ Dat doel was, geciteerd uit Emilio Lopez Henriquez (1937), gepubliceerd ter herinnering aan Shon Beca, om ‘hare leden in de gelegenheid te stellen door gemeenschappelijke beoefening der letterkunde en de schoone kunsten naar zelfveredeling te streven’. Hier zien we tevens wat er in een halve eeuw veranderd was. Sprak men in de jaren 1880 algemeen over ‘civilisatie’ van de gehele Curaçaose post-emancipatie-maatschappij, in 1930 is de persoonlijke ontwikkeling een meer op de voorgrond tredend adagium.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Letterkundig Genootschap Tot Nut en Beschaving Onder het genootschapsleven viel uiteraard het ‘Letterkundig Genootschap tot Nut en Beschaving’, dat geen creatief dichtgenootschap was, maar veeleer een gezelschap waarin gelezen werken gedeclameerd en besproken werden. Voor deze elocuencia werd een goed voorziene bibliotheek belangrijk geacht. De bronnen der ‘beschaving’ werden niet in eigen gelederen, maar elders gezocht. Misschien was dit toch wel een nieuw verschijnsel. Na een tijd waarin iedere

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

109 verzenbakker in De Curaçaosche Courant zich dichter noemde was er een kritischer kijk op wat literatuur hoort te zijn ontstaan. Volgens zijn officiële reglement had het genootschap een tweeledig doel: de beoefening der letterkunde en der uiterlijke welsprekendheid, en de bevordering van kunsten en wetenschappen. Om dat nogal ruim gestelde doel te bereiken hield men veertiendaagse bijeenkomsten, ‘waar zoowel de leden als uitgenodigde sprekers optreden’. Men onderscheidde dan ook zogenaamde ‘werkende leden’ en ‘gewone leden’ naast eventuele ‘ereleden’. Alleen de eerste categorie vervulde spreekbeurten volgens een vastgesteld rooster. De leeftijdslimiet was achttien jaar. Er was een apart hoofdstuk van de reglementen aan ‘ballotage’ gewijd. Een aspirant-lid verzocht schriftelijk om het lidmaatschap, waarover de leden op de vergadering stemden. De financiële drempel lag op tien gulden contributie per jaar, vooruit te voldoen in vier kwartaaltermijnen. Er was nergens sprake van een beperking van het ledenaantal; het genootschap kon niet ontbonden worden zolang het twintig leden telde. Introduktie van vreemdelingen en eilandbewoners was in beperkte mate toegestaan. Het bestuur bestond uit een voorzitter, een ondervoorzitter, een secretaris, een penningmeester, en een bibliothecaris. Er was specifiek sprake van het bijhouden van notulen, de financiële boekhouding en een controlerende kascommissie. De bibliothecaris beheerde en administreerde de bibliotheek en was ‘verplicht een catalogus te houden van alle zich in de boekery bevindende boeken, platen, voorwerpen van kunst enz.’ Hij werd eveneens jaarlijks gecontroleerd door een commissie van drie leden ‘om een verslag uit te brengen omtrent den staat der boekery’. Voorzover bekend is er niets van dit materiaal - dat toch een blik zou gunnen in de concrete activiteiten van zo'n genootschap - bewaard gebleven. Het achtste hoofdstuk was met artikel 42 tot en met 46 specifiek gewijd aan de bibliotheek, evenals aan het einde artikel 49 in geval van opheffing. Deze bibliotheek nam dus kennelijk een belangrijke plaats in bij dit letterkundige genootschap. Voor de geplande en de daadwerkelijke activiteiten van het genootschap zijn er twee bronnen. Dat is ten eerste het officiele reglement van 7 februari 1883. Men was van plan op iedere gewone vergadering ‘eene voordracht’ te houden en ‘eene stelling’ te verdedigen, volgens een door de secretaris bijgehouden rooster. ‘Voordrachten noch stellingen mogen godsdienst of politiek tot onderwerp hebben’ vermaande artikel 41, wat in verband met de kleinschaligheid van de toenmalige kolonie, de segmentatie in liberaal, katholiek, protestant of jood, de internationaal roerige tijden en de vele Zuidamerikaanse politieke ballingen die op Curaçao verbleven, waarschijnlijk ook wel verstandig was. ‘Hy, die eene vreemde taal wenscht te bezigen, moet daarvoor de toestemming van het bestuur verkregen hebben’, luidde artikel 37. Daarmee werd kennelijk bedoeld een taal anders dan de Nederlandse. Er was geen sprake van het gebruik van de ‘landstaal’ Papiamento. Niet voor niets was de gouverneur de officiële beschermheer! Of deze regeling van werkzaamheden op den duur niet meer beviel, blijkt nergens. Wel maakte het bestuur op 20 december 1883 een reglementswijziging bekend, waarin juist de algemene aanduiding ‘voordracht’ veel specifieker omschreven werd met allerlei mogelijke variaties als lezing, bijdrage, declamatie, lezen en bespreken van een fragment uit een werk, een artikel uit een letterkundig tijdschrift of een opstel over eenig letterkundig of wetenschappelijk onderwerp op de vorige vergadering

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

opgegeven, improvisatie en recensie. Het verdedigen van een stelling zoals oorspronkelijk gepland, werd niet gewijzigd en onveranderd opnieuw opgenomen. De tweede bron vinden we in De Curaçaosche Courant, die als blad van het koloniale establishment getrouwelijk verslag deed van de bijeenkomsten van dit aanzienlijke genootschap. De onderwerpen liepen ver uiteen; van geografie en kosmografie, elektriciteit naar strafrecht, onderwijs en taalkunde, en naar poëzie in het Nederlands, Engels en Frans van bekende

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

110 Europese dichters. Van de doelstelling kwamen de ‘wetenschappen’ aan hun trekken, ook wel de ‘welsprekendheid’ en de ‘letterkunde’, maar de ‘kunsten’ niet. Op geen enkele vergadering werd eigen literair werk voorgedragen of ter discussie aangeboden. Wat er na februari 1883 plaatsvond valt niet meer te achterhalen. In een algemene vergadering op 10 maart 1885 werd besloten tot likwidatie. Uit de kranteverslagen blijkt dat slechts weinigen van het genootschap behoorden tot de categorie ‘werkende leden’; maar die vulden dan ook de vergaderingen. Het genootschap had in 1882 tussen de vijftig en zestig leden. Het was bovendien een zeer aanzienlijk gezelschap. De gouverneurs traden op als beschermheer, en ook de sprekers waren aanzienlijk: Nederlanders die lange tijd op Curaçao woonden en daar verantwoordelijke ambten bekleedden, of vooraanstaande Curaçaoenaars.[49] Het was geen macamba-gezelschap, ondanks het gebruik van de Nederlandse taal. Hoe groot de contemporaine invloed geweest is, valt niet meer te meten bij gebrek aan gegevens. De Pool (1931) en Emmanuel (1970) vermeldden het weliswaar, maar het raakte in tegenstelling tot Teatro Naar en Entre Nous in de vergetelheid.

R.K. Verenigingen Naast de Joden en Liberalen zag ook de R.K. kerk de mogelijkheden die toneel en voordracht boden. In tegenstelling tot de eerste twee groepen die voor de elite optraden, richtte de Missie zich voornamelijk op het volk, dat ze in de ‘kinderjaren van zijn beschavingsgeschiedenis’ wilde ‘opheffen’. In haar ijver wilde de kerk alle levensgebieden van haar jonge parochianen onder controle brengen en houden, 's morgens en 's middags op school, 's avonds op de club, in het weekend in de kerk, van de wieg tot het graf. De R.K. organisatie wilde daarbij alles onder eigen paraplu, ze streefde naar kerkelijke autarkie, waarbij de totale persoonlijke, godsdienstig-sociale (en culturele) ontwikkeling moest harmoniëren met iemands economische positie. Men leerde de jeugd een ambacht, zorgde voor goedkope huizen, vulde een eigen orgaan als La Union, richtte organisaties op coöperatief en cultureel gebied op, een strijkorkest, toneelgroepen en avondscholen waar Spaans, Engels, Nederlands en rekenen werd onderwezen, men organiseerde conferenties en wekelijkse debating-avonden.[50] Pater Ludovicus Jansen en Pater St. van de Pavert richtten in oktober 1882 respectievelijk de Sint Jozef Gezellen Vereeniging in Pietermaai, met niet minder dan 86 leden van het eerste uur, op, en in september 1900 de Reunion San Hose in Otrobanda. De laatste vergaderde in het Sint Thomas College en werd al spoedig gesplitst in twee leeftijdscategorieën: voor de jeugd tot 17 jaar was er de Union Chikito San Hose, de eigenlijke gezellenvereniging was bestemd voor jongeren van 17-21 jaar. Jammergenoeg hebben we geen ledenlijsten van deze verenigingen meer, anders was het daaruit misschien mogelijk geweest te achterhalen in hoeverre de Missie erin slaagde, via de op de vergaderingen ontplooide activiteiten zoals het houden van voordrachten, het spelen van toneel en het lezen van ‘goede lectuur’ een kader van toekomstige leiders te vormen. Vanuit het opvoedkundige principe om de jeugd aan te spreken op de haar eigen wijze, vonden alle activiteiten in het Papiamento plaats. Waar de kerk echter ‘hoger’ mikte hanteerde ze de cultuurtalen Spaans en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Nederlands, zoals op het Sint Thomas College. In 1901 werd daarnaast de Sint Thomas Kring voor ‘jongelieden uit den gegoeden stand’ opgericht, die pas vanaf 1908 tot bloei kwam. Het doel was ‘om de jongelingen der gegoede standen te vereenigen, om ze zoodoende te vrijwaren tegen het bederf buiten den familiekring’. Middelen daartoe waren een eigen bibliotheek en ‘apologetische voordrachten in pakkend-populairen vorm’ tegen de Vrijmetselaars en om de ‘Kerk te doen stralen in haar schoonheid’. Waar bij de Sint Jozefsgezellen en R.S.H. het Papiamento dienst deed voor ‘de lieden van den gewonen stand’, werd bij de Sint Thomas Kring uitsluitend Nederlands gebruikt. Maar we zijn dan ook al enige jaren op weg in de twintigste eeuw, die de tijd van de ‘vernederlandsing’ zou worden.[51]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

111 In het in 1920 gepubliceerde gedenkboek Gouden jubileum keek Mgr. I. Verriet op al deze vormen van vereniging terug. Voor zijn eigen tijd kon hij niet anders meer spreken als van een ‘lijdensweg’ van veel arbeid, veel teleurstelling en weinig resultaat. Er was geen medewerking van de ouders, de initiatieven sloegen niet aan op de wijze die de kerkelijke leiding voor ogen had. Met de komst van de nieuwe tijd was het paternalistisch regime voorbij.

Prijsuitreikingen in het onderwijs Direct na de emancipatie stond de kolonie voor de taak, een heel volk te ontwikkelen, waarvan het grootste deel tot dan toe, uit gouvernementele onverschilligheid of welbewust, buiten de normale openbare onderwijsvoorzieningen was gehouden. Het onderwijs was grotendeels aan goedwillende particulieren en organisaties als de Missie overgelaten.[52] Bovendien stelde dat onderwijs niet veel meer voor dan wat eenvoudige vaardigheden als lezen en rekenen, gegeven aan leerlingen die veelvuldig verzuimden. Vanaf 1863 moest allereerst dit basisonderwijs ter hand genomen worden, maar dat bereikte aanvankelijk nog niet veel.[53] In schril contrast met dit volksonderwijs stond het ontwikkelingspeil in de particuliere scholen voor voortgezet onderwijs, die de laatste decennia van de eeuw tot grote bloei kwamen en internationale bekendheid kregen. Ze werden als ondernemingen uit eigen middelen gerund.[54] Die elite-scholen werden bezocht door gegoede jongeren uit het buitenland en van Curaçao zelf. De onderlinge concurrentie[55] tussen deze scholen zorgde ervoor dat de schooldirecteuren-eigenaars advertenties plaatsten, dat ze in de kranten reclame maakten door het reglement en/of programma af te drukken, door aankondigingen en berichten van openbare examens, het uitgeven van jaarverslagen en door diploma-uitreikingen. Op deze wijze werden de kwaliteiten van de scholen breed uitgemeten. Dit soort verslagen, al zijn ze vaak niet meer dan onkritische reclame, zijn met enkele gedenkboeken de niet al te betrouwbare bronnen om te achterhalen wat het letterkunde-onderwijs in die dagen behelsde, met welke literaire bagage de jeugd de school uiteindelijk verliet. Werden de meeste particuliere scholen door buitenlanders opgericht, Collegium Neerlandicum was het gevolg van een eilandelijk initiatief.[56] Het doel was het stichten van een middelbare school waar onderwijs gegeven werd dat recht van toelating aan een universiteit in Frankrijk, Engeland of Nederland verschafte. Die drie talen zullen dus wel op niveau gegeven zijn. De leraren waren buitenlanders en mensen van het eiland; de te onderwijzen talen werden bij voorkeur door ‘native speakers’ gedoceerd.[57] Overgeleverde leerlingenlijsten tonen een meerderheid aan van de internen (dus de buitenlandse leerlingen), maar het aantal Curaçaose jongelui op de school was zeker niet te verwaarlozen.[58] Dat dergelijke scholen elitair waren bleek alleen al uit de kosten, die zonder meer aanzienlijk genoemd moeten worden.[59] Op deze scholen werd nagenoeg altijd Spaans, Engels, Nederlands en Frans, soms ook Latijn en zelfs Grieks en Hebreeuws onderwezen. Het Collegium Neerlandicum merkte op dat de ouders over 't algemeen de meeste waarde hechtten aan het onderwijs in het Frans, Duits, Engels en Spaans[60], ‘terwijl het doceren van de zuivere uitspraak

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

van het Nederlandsch als eerste eisch werd gesteld’, maar Colegio Colonial kon in 1877 met moeite een klasje van twaalf leerlingen voor de Nederlandse taal vinden[61] Naast de vakmatig onderwezen talen onthullen de prospectussen ook de in het totale onderwijs gebezigde voertaal. Zo vermeldde J.A.H. Illidge in augustus 1871, dat ouders of voogden de taal konden kiezen ‘waarin zy verlangen dat hunne kinderen of pupillen onderwezen worden.’[62] Was het onderwijs door het internationale leerlingenbestand principieel veeltalig, over het weren van het Papiamento op dit soort scholen was men het volstrekt eens. Het Collegium Neerlandicum klaagde van meetaf over de slechte beheersing van het Nederlands, terwijl niet alleen de ‘inlanders’ maar ook de ‘deftige families’ altijd en bij elke gelegenheid ‘vlug en gaarne’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

112 het ‘patois’ spraken. Illidge vermeldde in zijn prospectus van 1871 uitdrukkelijk, kennelijk als reclame bedoeld: ‘het spreken van de landstaal wordt streng verboden’. José R. Henriquez ging in zijn Colegio Colonial misschien wel het verst, toen hij bij de eerste prijsuitreiking van zijn school, in 1877, medailles uitreikte voor goed gedrag en voor degene die gedurende het gehele schooljaar het minst Papiamento had gesproken. Niet minder dan 21 leerlingen van de 72 hadden geen Papiamento gesproken. De prijs ging naar Julieta Pinedo. (C.C. 13 I 77; Anales 1877: 3-4) Literatuuronderwijs vond er gedurende al die taallessen alleen in de hoogste afdelingen plaats, soms in facultatieve lessen. Het Colegio Brusse & Leon vermeldde ook nog Italiaans, terwijl de leiding met keuzevakken wat extra dacht te verdienen want het adverteerde: ‘het Latynsch en Grieksch, de Fabelleer, Rede- en Dichtkunst worden ook onderwezen, wanneer er daarvoor genoegzame leerlingen zyn, voor welke vakken, volgens nader te maken overeenkomst, afzonderlyk betaald wordt.’ Op Colegio Sto. Tomas bestond er een ‘instruccion complementaria’, waar onder meer ‘retórica’, ‘declamacion oratoria’ en ‘elementos de literatura’ onderwezen werden.[63] Bij de jaarlijkse ‘diploma-uitgifte’ hoorde het uitdelen van boeken, maar ook en vooral het culturele programma dat op zo'n feestelijke avond geboden werd. De ‘prijsuitreikingen’ ondervonden steeds heel veel belangstelling van het plaatselijke establishment, zoals de gouverneur en de onderwijs-examen-commissie, die nagenoeg altijd acte de présence gaven bij het jaarlijkse schoolse visitekaartje, dat alleen al uit reclame-overwegingen wilde tonen wat de leerlingen het afgelopen jaar wel allemaal geleerd hadden.[64] Door voordrachten en liederen, kleine toneelstukjes en dialogen in alle op school onderwezen talen, Spaans, Nederlands, Duits, Engels, Frans of zelfs Latijn, en soms ook improvisaties door de leerlingen, de van elocuencia getuigende redevoeringen en ‘aanspraken’ door directeur, leraren, examencommissieleden, studenten of een enkele keer zelfs de gouverneur. De leerlingen kwamen op intensieve wijze in aanraking met de heersende retorica en de (buitenlandse) literatuur. De programma's leken nauw bij de populaire ‘soirées’ aan te sluiten. Het is jammer dat de schaarse verslagen zo weinig inhoudelijke gegevens verschaffen over wat er gedaan werd, waardoor we iets van de literaire schoolcanon van die dagen zouden kunnen achterhalen. Slechts incidenteel gaf een krant het complete programma.[65] Wel werd Colegio Sto. Tomas steeds uitgebreid in de ‘eigen’ Amigoe besproken, waaruit blijkt dat, naast muziek en korte voordrachten in vier verschillende talen, ieder jaar door de leerlingen een door Rector M.V. Zwijsen zelf geschreven drama werd opgevoerd.[66] De prijsuitreikingen leren in elk geval dat de leerlingen een fikse letterkundige bagage meekregen in de vorm van kennis van literaire voortbrengselen in diverse talen, theoretische kennis omtrent de retorica, praktische voordrachts- en debattechnieken en oefening in improvisatie en toneelspel. Het onderwijs was bij gebrek aan eigen produktie op een internationaal repertoire gericht, met uitzondering van de improviserende ‘elocuencia’.

Colegio Santo Tomas

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Al in de jaren dertig en veertig hadden Pastoor Niewindt in Barber en Putman te Santa Rosa ontdekt dat prediking en verbreiding van het evangelie niet zonder goed (volks)onderwijs konden, als gevolg waarvan ze ijverden om scholen te stichten. Daarnaast zagen ze het belang van leerboekjes voor kerk- en schoolonderwijs. Gaven de priesters aanvankelijk uitsluitend eenvoudig volksonderwijs, voor het middelbaar onderwijs op R.K. grondslag werden twee instituten van belang.[67] Het eerste was het meisjesinternaat Habaai/Welgelegen (1864-1940) met interne leerlingen uit Venezuela, Santo Domingo en Colombia, en meisjes van Curaçao zelf, die alle opgeleid werden tot deftige salondames, met onderricht in de talen, zang, muziek, handwerken. De instructietaal was Spaans, met veel aandacht voor Frans en Engels. Het tweede was

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

113 het beroemd geworden Colegio Santo Tomas (1886), ‘deze kweekplaats van beschaving en opvoeding’, onder leiding van Victor M. Zwijsen, de rector-dichter (1894-1909).[68] Voor de letterkunde waren intern de examenprogramma's van belang, maar naar buiten toe vielen ook hier vooral de jaarlijkse prijsuitreikingen op, met name die van 1896, de plechtigste uit de tijd dat het Colegio op zijn hoogtepunt was. Op de prijsuitreikingen werd gewoonlijk een door Rector Zwijsen geschreven drama uit de geschiedenis van Latijns-Amerika opgevoerd, waarvan er een is overgeleverd als vroeg voorbeeld van ‘eigen’ toneelliteratuur. In het jaar 1898 behandelde de Pater in het onder een Latijnse titelvlag geschreven Spaanstalige Vexilla Regis Prodeunt de vierhonderdjarige herdenking van het moment dat Columbus het vasteland van Zuid-Amerika betrad. De teneur van het stuk was in het kort: ‘Columbus heeft Christendom en Beschaving naar ons continent gebracht!’ Een oude magiër, Cara, heeft van zijn stervende vader de voorspelling gekregen dat zodra de vulkaan Capaco vuur en donder zal spuwen er blanke mannen zullen komen, die een nieuwe taal, een nieuwe wet en een nieuwe godsdienst zullen brengen. De twee kinderen van de oude cacique Barona, Samaná en Goma, willen wegens een innerlijke stem die hen het natuurlijke godsbewijs voorhoudt, niet meer aan de traditionele rituelen deelnemen. Juist op het moment dat daarover een hevig conflict zal losbarsten, rommelt de vulkaan en komt Columbus inderdaad, vergezeld van een priester en zijn manschappen. De ‘blanke god’ spreekt tot zijn ‘rode vrienden’ over zijn Koning en zijn Godsdienst: vaandel en kruis en zwaard zullen de heidenen redden. Als bewijs laat hij de musketten vuur spuwen en donderen; van een zonsverduistering maakt hij handig gebruik om de oude cacique te overtuigen. De Indianen aanvaarden de onderwerping aan vaandel en kruis en Columbus dankt zijn god in een slotwoord. Het zal duidelijk zijn dat het stuk de historische gebeurtenis aangreep om de overwinning van de Moederkerk te demonstreren en om tot moderne bekering op te roepen. Dat Columbus en de Indianen direct probleemloos met elkaar konden converseren, trok de auteur in een voetnoot recht door op te merken, dat voor Thalia de interpretatie van Clio niet hoefde te gelden. Een beetje dichterlijke vrijheid mocht, want de historie werd immers in de literatuur alleen maar gebruikt om een eeuwige waarheid te verkondigen. Volgens de Amigoe-recensent werd het spel ademloos gevolgd door de talrijke en aanzienlijke aanwezigen, onder wie Gouverneur en Geestelijkheid en de elite die ‘tout Curaçao’ vertegenwoordigde. Literatuur diende volgens de R.K. kerk in de eerste plaats een moreelreligieus doel, waaraan elke esthetiek ondergeschikt moest worden gemaakt.

Eindnoten: [30] Mijnhardt (1983: 72) en Singeling (1991: 12); De Jonge-Mijnhardt (1983: 253-259); Van den Berg (1983: 153). In verhouding tot de andere koloniën was Curaçao nogal laat. Suriname bezat aan het einde van de achttiende eeuw al zijn eerste literaire genootschappen, zoals onder andere het bekende ‘Surinaamsche Lettervrienden’, dat onder de spreuk ‘Zo word in dit gewest, gelyk

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

aan Bato's strand - / de Zucht tot Weetenschap en Kunsten voortgeplant’ van 1785-1787 een viertal bundeltjes Letterkundige Uitspanningen in het licht gaf. (Kalff 1921: 237-256) Daarmee liep Suriname in de pas met het Europese moederland, maar ver vooruit op de andere Nederlandse koloniën. Nederlands-Indië zou immers pas ruim een halve eeuw later volgen. (Kalff 1921; Nieuwenhuys 1972: 119-126) [31] Zo dateerden van 1818 de ‘Sociëteit van Heeren’ en de ‘Sociëteit de Harmonie’ en van tien jaar later ‘De Vergenoeging’ en een sociëteit die onder een niet overgeleverde naam in het City Hotel bijeenkwam, en weer wat later ‘Concordia’. Maar Hartog (1971: 25) schreef: ‘Om welke reden dan ook, na kortere of langere tijd hebben deze eerste vijf sociëteiten van Curaçao haar deuren moeten sluiten. Omstreeks 1870 ontbrak het dus op ons eiland aan een gelegenheid, waar de handel, de ambtenaren en anderen elkander gezellig, informeel, zouden kunnen ontmoeten en praten over het nieuws van de dag.’ Ook het al in 1817 door de eerste Landsonderwijzer G.G. van Paddenburg opgerichte Curaçaosche Departement van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, waarvan gouverneur-generaal Albert Kikkert zelf beschermheer werd, was slechts een kort leven beschoren geweest en heeft maar weinig activiteiten kunnen ontplooien. Curieus is daarom een krantebericht in de C.C. 15 VII 1892, waarin gemeld werd dat er op Aruba een departement werd opgericht op 29 mei 1892, ‘op genoemden datum hebben wij de eerste vergadering gehouden. 12 Heeren zijn toegetreden: 11 leden en een begunstiger. Een voorlopig bestuur is gekozen en aan het Hoofdbestuur te Amsterdam, zal van de feitelijke oprichting van het Departement Aruba kennis gegeven worden.’ [32] Dit genootschap met een specifiek wetenschappelijk doel hield rond 1870 zogenaamde ‘natuurkundige voorlezingen in de Engelsche en Hollandsche taal’. In hoeverre er van een officiële vereniging sprake was, viel niet te achterhalen. De Vrijzinnige dominee G.J. Simons schijnt de stuwende kracht geweest te zijn. Men was wel vrij actief want op een gegeven moment kondigde de krant al de zesde lezing aan. In 1871 werden de bezittingen zoals een luchtpomp, een elektriseermachine en een ‘zon- en stammicroscoop’ via een verloting verkocht, omdat de schulden te groot waren geworden. [33] Gelukkig weten we iets meer van het Geschied-, Taal-, Land-, en Volkenkundig Genootschap, waarvan J.H.J. Hamelberg de initiator en stuwende kracht was. Dit genootschap had een officieel goedgekeurd reglement en een bestuur en is later vooral bekend gebleven door de zes ‘Jaarlyksche Verslagen’ die in Amsterdam werden gepubliceerd. We hebben hier inderdaad te maken met een genootschap met wetenschappelijke pretenties. Het doel van het genootschap, de geschied-, taal-, land- en volkenkunde van de Antillen te bevorderen, zoals de naam al zegt, moest bereikt worden op vier manieren: 1. Het verzamelen van hetgeen in druk bestaat en uit archieven of in handschriften te bekomen is. Dit is de eerste keer dat er op Curaçao op georganiseerde wijze geprobeerd werd eilandelijke bronnen te verwerven; in een bericht van 2 april 1897 werd bijvoorbeeld gevraagd naar boeken betreffende de eilanden 2. Het uitgeven van bijdragen en het uitgeven of ondersteunen van afzonderlijke werken. De zo bekend geworden en nu nog vaak geraadpleegde (en herdrukte) zes ‘Jaarlyksche Verslagen’ zijn het belangrijkste produkt van het genootschap gebleken. 3. Het stellen van vragen ter beantwoording en het aanmoedigen en bekronen van verdienste jke werkzaamheden. Hierover zijn geen bijzonderheden bekend. 4. Het onderhouden van betrekkingen met andere wetenschappelijke instellingen en personen. Ook hierover is verder niets te vinden; de formulering geeft wel aan dat het genootschap zichzelf als wetenschappelijk zag. Wat we nu nog willen achterhalen moeten we uit de verslagen lezen, omdat dit genootschap zich vooral schriftelijk presenteerde - wat een uitzondering is in het Curaçao van die dagen. Vanaf 1902 lezen we helemaal niets meer over het genootschap, waarschijnlijk omdat ‘motor’ Hamelberg naar Venezuela en Nederland werd gezonden. Het schijnt nog tot 1909 slapend bestaan te hebben. In 1912 schrijft Gouverneur Nuyens in een brief (nr. 3522) dat het genootschap ‘hier feitelijk niet meer bestaat. Het bestuur is niet behoorlijk aangevuld. Er is geen secretaris meer. Ook is er niet één contribuerend lid meer. Jaarverslagen worden er niet meer uitgegeven. De boeken die aan het genootschap werden toegezonden, werden zooals ik vernam, ongeopend in de kast gezet, die de bibliotheek van het genootschap inhield.’ [Met dank aan Maritza Coomans-Eustatia voor deze gegevens uit het Archief Teylers museum. nr. 253] Voor ons zijn de artikelen van A. Jesurun over het Papiamento en de Compa Nanzi verhalen uit de jaarlijkse verslagen het meest interessant, maar ook Hamelbergs studies over de Antilliaanse geschiedenis leveren zulk belangwekkend materiaal op, dat ze ook nu nog geregeld geciteerd worden. De in de jaarverslagen opgenomen ledenlijsten tonen aan dat het een aanzienlijk genootschap betrof, met steeds ruim honderd leden uit de kringen van kerkelijke en wereldlijke overheden, hogere ambtenaren en militairen, juristen,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[34] [35]

[36]

[37]

[38]

[39]

[40] [41]

[42]

artsen, notarissen, apothekers, uitgevers, schooldirecteuren, rijke kooplieden en grondeigenaren, kortom het aanzienlijk deel van de Curaçaose bevolking, zowel echte Curaçaoenaars als import uit Europa, die al geruime tijd op het eiland verbleef. W. van den Berg 1983: 149 De Onpartijdige (31 VIII 1871). Teatro Naar werd gebouwd ‘op eene plaats, waar men veel van onaangename uitwasemingen van het nabyzynde water te lyden heeft, waar de bezoekers en liefhebbers van tooneelvoorstellingen van de luimen zullen afhangen van de eigenaars der naburige huizen, die servituten over de wegen en gronden die daarhenen leiden hebben.’ (C.C. 11 II 1871) Er waren nog wel verbeteringen nodig, zoals stoelen op de ‘palcos’, een buffet buiten en een amifitheatergewijze vloer. Al vrij snel klaagde De Onpartijdige (26 VI 1873) over te weinig zicht op het toneel, vooral vanaf de loges. ‘Eenige Tooneelbezoekers’ reageerden een poos later door ook over het brandgevaar te klagen, vooral omdat er slechts één deur was en de ramen niet geopend konden worden. (De Onpartijdige 17 VII 1873) Dergelijke klachten over brandgevaar zouden later herhaaldelijk terugkeren. Al in 1892 vatte men het plan op een betere schouwburg te bouwen, waarvoor al snel het voor die tijd bepaald niet geringe bedrag van zeventienduizend gulden aan aandelen werd geplaatst, maar de plannen vonden geen verwezenlijking. Op 12 februari 1898 was er bij gelegenheid van een ‘soirée littéraire et musicale’ voor het eerst elektrische verlichting aangebracht. Er waren dus wel steeds verbeteringen, maar de klachten bleven, èn de plannen om een beter theater te bouwen. In 1921 werd de naam veranderd in Teatro Americano, omdat er vanaf dat moment ook films werden gedraaid. Jan Paul Delgeur schreef in de Amigoe (24 X 25), ‘...dit verwaaide zaaltje met appendix...doet je denken aan 'n variëtétheater vierde klas, waar ze hevige drama's met veel bloed en dolken en rollende oogen debiteeren, en waar door 't pruimende auditorium fabelachtige hoeveelheden scharretjes en harde eieren worden verorberd...’ In 1930 zou het R.K. Theater Brion geopend worden, maar het duurde tot 1931 eer de Curaçaosche Schouwburg Maatschappij met de nieuwe Stadschouwburg voor een echt alternatief voor Teatro Naar zou zorgen. Toen bestond de particuliere schouwburg dus al zestig jaar. Reacties: De Onpartijdige 31 VIII 71; C.C. 2 IX 71; Civilisadó 2 IX 71. De spelers waren Rachel Naar de Henriquez, Liana Penso, Julia Penso, J.J. Naar, Jesurun Penso, Mord. Henriquez Cadet, Mord. Cohen Henriquez, Aron Capriles, David Lopez, J. Pardo en Castro. Het theater kende drie rangen, namelijk balkon, waarvoor de zitplaatsen meestal per vier of zes tegelijk besproken werden tegen aanvankelijk Fl 1,50 en later Fl 2,- per plaats, stalles tegen Fl 1,50 per zitplaats, en parterre waar men voor Fl 1,25 recht op een (staan)plaats verwierf. Voor plaatsbespreken rekende men een dubbeltje extra. Kinderen betaalden in de regel een gulden. Voor Spaanstalig buitenlands toneel waren alle prijzen doorgaans vijftig cent hoger. Dat waren voor die tijd wel heel forse prijzen! Bequita Baiz, Naneta Baiz (negen jaar oud!), Aaron Capriles Daniel Capriles, Elias Capriles, M. de Castro, M.A. Jesurun, Gedeon Salas en Haim Senior. Wie deze namen vergelijkt met die van de eerste voorstelling, ziet allemaal andere. De jonge groep (in twee betekenissen) had dus heel wat ‘werkende’ leden. Verder valt het op dat het wel een zaak van enkele families lijkt. Spelers waren C.H. Jonckheer, W.A. Jonckheer, K. Zeppenfeldt, F. Faarup, G. van Leeuwen, J. Palm Fz, J. Blasini en L. van Eps. Het aantal leden was kennelijk nog niet erg groot, want het valt op dat twee spelers dubbelrollen vervulden, en C.H. Jonckheer zelfs drie, waaronder die van ‘eene Griekin’. In tegenstelling tot de vroegere gezelschappen bleek deze groep geen vrouwelijke werkende leden te hebben. Argos roemde in De Onpartijdige (31 VII 1873) de prestaties van de jonge acteurs en actrices Rosita Penso, Luisa Timmer, W. Kristen, Isaac Cardozo en Isaac Flores. Het kende een volledig bestuur met M.P. Curiel als president, Eduard van Lier als secretaris en Lucien L. Kranwinkel als penningmeester. De leider van het toneelgezelschap was de onderwijzer P.C. Leon, Isaac Marchena was secretaris. De C.C. (16 II 1883) meldde dat weer een ander toneelgezelschap van liefhebbers, jonge dames en heren, gisteren avond ten huize van Mev. de Weduwe C.M. Neuman ‘eene schoone voorstelling gegeven’ had, La muerte en los labios, een drama in drie bedrijven, gevolgd door het blijspel in een bedrijf No mateis al alcalde. ‘Moge dit gezelschap niet het lot van menig ander deelachtig worden; menig gezelschap blyft, ofschoon zyne opvoering wel geslaagd mag heeten, by zyne eerste voorstelling; de laauweren, een enkele maal behaald, worden voldoende geacht.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[43]

[44]

[45]

[46]

[47]

[48]

[49]

[50] [51]

[52]

[53]

‘De Nederlanders brachten in hoofdzaak religieuze, katholieke invloed, en de Zuidamerikanen Spaanstalige farces, operetteachtig theater. Het is een mengelmoes waarin je al die oorsprongen (nu) nog kunt herkennen.’ (Felix de Rooy in een interview met Willem van Toorn 1983) De optredenden waren Rebeca Salas, Celia Marchena, Arturo de Marchena, D. Dario Salas, David M. Chumaceiro, Manrique Capriles, Moises Salas M. en David A. Correa. Uit deze namen blijkt dat de later bekende Spaanstalige auteurs D.D. Salas (1872-1937) en D.M. Chumaceiro (1877-1922) respectievelijk 19 en 13 jaar oud, hier het literaire pad betraden. Onlangs door eenige jonge dames en heeren opgericht, op initiatief (naar ik meen) van de heer Rich. F. Muskus.' (De Vrijmoedige 14 II 1893) De jeugdige spelers waren de dames J.E. Debrot, M.M. Jarman, M.A. Moller en J.C.G. Seler, en de heren J. Jarman, R.F. Muskus en H.A. Willemsen. ‘Voor velen was het een verrassing te vernemen dat er op dit eiland dezer dagen een tooneelgezelschap van liefhebbers was opgerigt, dat by zyne voorstellingen zich niet enkel tot het dramatische zou bepalen, maar zich ook aan het lyrische zou toewyden...’ (C.C. 1 V 1880) De uitvoering vond in besloten kring plaats in de tot een theater herschapen zaal van het huis van Rose Capriles, ter gelegenheid van haar verjaardag. Leden van De Harmonie musiceerden, men voerde een zangstuk op en onder regie van Julio Capriles werd de Venezolaanse eenakter El corazon y la cara uitgevoerd door Raquel en Lelia Capriles, de beide neven Capriles, Jesurun, Baiz en Castro. ‘Deze samenspraak, met vrymoedigheid en gepaste gebaren, onverbeterlyk voorgedragen, lokte zoowel door zyne originaliteit als door de daarin voorkomende redeneeringen voor en tegen het gebruik der landstaal, daverende toejuichingen uit van de zyde der voor- en tegenstanders van ons patois.’ (De Vrijmoedige 30 XI 1882) ‘Tot Nut en Beschaving aan de eene zyde, Harmonie aan de andere, hebben de liefde voor de letteren, voor de toonkunst uit hare sluimering, uit haren winterslaap gewekt, haar nieuw leven ingeblazen. En zonder de schoone, de prachtige zaal van de Buiten Sociëteit, voor dien avond sierlyk met loof en bloemen, tropheën en portretten getooid, zou die soireé onmogelyk door zoovelen hebben kunnen worden bygewoond.’ (C.C. 1 XII 1882) ‘De Gouverneur der kolonie met zijn adjudant, en verscheidene voorname uitgewekenen van Venezuela, waaronder twee oud-presidenten der republiek, vereerden de soireé met hunne tegenwoordigheid.’ (C.C. 27 VII 1894) Zo niet het patriciaat, dan wel het establishment. Mr. C.A.H. Barge zal van 1890 tot 1901 gouverneur worden, Pinedo en Chumaceiro werkten in de advocatuur, Daniel de Sola was redacteur van het literaire blad The Impulse, onderwijzer en tolk-vertaler. Ed. Lansberg was notaris en lid en voorzitter van de Koloniale Raad, A. Brouwer was sinds 1854 onderwijzer in de kolonie en werd later hoofd van Colegio Brouwer en Collegium Curaçao, M. Calisch was onderwijzer met volledige bevoegdheid, J.P.G. Ecker was een aanzienlijk koopman. De voorzitter van het eerste bestuur was Sol. C. Henriquez, de Procureur-Generaal. Bibliothecaris was M. Bethencourt, bepaald geen onbekende naam op boekgebied. Gouden jubileum 1920: 137-138; Nooyen & Van der Lee 1970: 25-28; 43-44; 49-50 Voor de militaire bezetting van ongeveer tweehonderd manschappen werd een lokaal ingericht, was er een bibliotheek, kortom, ‘alles werd gedaan om ze tegen het bederf der slechte gezelschappen te vrijwaren’. Pas in 1916 werd op Aruba de Sint Dominicus Kring opgericht. Dat de missie zich zo sterk op het hoofdeiland Curaçao concentreerde was het gevolg van de geringe ontwikkeling en de kleine bevolking van Aruba en Bonaire in die dagen. Op de Bovenwinden waren veel minder R.K. (Nooyen & Van der Lee 1970) Het onderwijs werd in de kolonie voor het eerst in 1819 geregeld. (Provisioneel Reglement op het Schoolwezen P.B. 29 november 1819, nr. 28) Pas in 1873 trad de eerste ‘verordening regelende het onderwijs in de kolonie’ in werking. In C.C. 23 XII 1876; 13 I 1877; 27 I 1877; 10 II 1877; ?; 17 III 1877 schreef ‘J’ dat er niet alleen te veel scholen waren en dat beperking van het aantal de kwaliteit ervan zou verbeteren, waar dan bovendien zoveel talen die op Curaçao nu eenmaal nodig waren, beter gegeven zouden kunnen worden. Hij bestreed daarom het klakkeloos uit het hoofd leren, besprak niet alleen de moeilijkheden van het Papiamentstalige kind, maar ook het gebrek aan methode en aangepast lesmateriaal en gebrek aan belangstelling van de ouders om de kinderen wat langer op school te houden: ‘Onmogelyk is het aan een kind, zelfs aan een jongeling, eene taal goed te doen kennen. Gemakkelyk daarentegen is het een kind de grammatica uit het hoofd te laten leeren. Aan het gemakkelyke wordt dus de voorkeur gegeven.(...) Men gebruikt meestentyds als

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[54]

[55]

[56]

[57]

[58]

[59]

[60]

[61]

[62]

leesboeken, werken waarin van dooi, vorst, en yzel, sneeuw en hagel gesproken wordt, zaken waarvan een kind, dat nooit uit de tropische gewesten is geweest, zich geen denkbeeld vormen kan.(...) Na het verlaten der school nemen zy geen boek in handen, lezen niets en studeren nog minder. Zy vergeten dan in een paar jaren dat weinige wat zy mogten geweten hebben.’ Hartog 1961: 880-882 kwam tot een overzicht van niet minder dan 94 tussen 1816 en 1916 opgerichte scholen, waarvan meer dan 50% van na de eeuw-helft. De belangrijkste particuliere scholen waren: Colegio Vargas 1863 - 1877 (Luis Maria Diaz); Collegium Neerlandicum 1866 - 1871, (P. Maronier); Welgelegen - Habaai 1867 - 1942; Scool di Civilisadó 1872 - 1875 (Paul Curiel); Collegium Curaçao; Colegio Colonial; Joseph Illidge; Colegio Brusse & Leon 1871; Sint Jozefschool 1885; Colegio Santo Tomas 1886; Colegio Baralt 1894. De Pool 1931 gaf hoog op van de kwaliteit van het particuliere onderwijs, dat hij zo goed achtte wegens de sterke onderlinge concurrentie. Amigoe (6 I, 2 II, 9 II 1935) en Oudschans Dentz 1942: 269-277 schreven uitgebreid over de concurrentie tussen het Collegium Neerlandicum en de scholen van B.J.H. Huyke en A. Brouwer. Over taal en onderwijs: Smeulders 1987. Over de geschiedenis van het Collegium Neerlandicum Amigoe 26 I, 2 II, 9 II 1935; Oudschans Dentz 1942: 269-277 (die ruim gebruik maakte van de drie Amigoe-artikelen). Over Colegio Santo Tomas: Fraters 1936, 20-24. Maronier, directeur van het Collegium Neerlandicum was bevoegd om Frans, Duits en Engels te onderwijzen. (P.B. 2 XI 1866, nr. 674) Spaans werd aan zijn school door de Curaçaoenaar Pierre Chevalier Leon gegeven, die na de opheffing van het C.N. in 1871 een eigen school zou beginnen. Wie de ‘oude talen’ gaf viel niet meer na te gaan. Voor het vak Nederlands werd er door Colegio Vargas een Curaçaoenaar of Nederlander aangetrokken in de persoon van J.H.A. Quast en later Ds. G.J. Simons. Colegio Vargas telde de volgende leerlingen-aantallen, de bronnen zijn advertenties: augustus 1866: intern 37, semi-intern 4, extern 31 (totaal 72); 14 oktober 1871: intern 50, semi-intern 8, extern 35 (totaal 93); 20 februari 1873 (totaal 113). Onder de semi-internen moeten we de leerlingen rekenen die van de afgelegen plantages van maandag tot vrijdag op school bleven (Oudschans Dentz 1942: 275) Collegium Neerlandicum begon bij de opening op 5 XI 1866 met 30 leerlingen; in januari 1867 was dat aantal al aangegroeid tot over de honderd. Later kwamen er ook nog internen uit Santo Domingo, Sint Thomas en de kust van Zuid-Amerika bij. Een externe in de hoogste afdeling van Colegio Brusse & Leon betaalde in 1875 $ 48 lesgeld, voor een semi-interne kwam daar voor voeding maandelijks $ 5 bij, een volledig interne betaalde jaarlijks niet minder dan $ 248. ‘De pryzen zyn als volgt: De leerlingen der 1e Afdeeling betalen jaarlyksch dertig dollars ($ 30); die der 2e. Afdeeling, zes en dertig ($ 36) en die der 3e. Afdeeling acht en veertig ($ 48). De halve kostgangers krygen hun ontbyt van de Inrichting, en betalen, behalve het schoolgeld, maandelyksch nog vyf dollars ($ 5). De kostgangers wonen, onder het onmiddellyk toezicht van de Directeurs, in het Colegio, zyn aan de zorg van dezen toevertrouwd, en betalen, behalve het schoolgeld, voor kost, inwooning, bewassching en schryfbehoeften, jaarlyks nog twee honderd dollars ($ 200). De Inrichting voorziet de leerlingen enkel van schryfbehoeften; de leerlingen schaffen zich de schoolboeken aan. Het school-, zoowel als het kostgeld, wordt drie maanden vooruitbetaald.’ (C.C. 31 XII 1875) Colegio Sto. Tomas vroeg voor de verschillende afdelingen bedragen tussen de Fl 135,- en Fl 165,- per trimester, wat dus aanzienlijk meer was. De externen betaalden per maand tussen Fl 3,- en Fl 15,-, maar door extra lessen konden die bedragen aardig oplopen. Dit soort cijfers wordt interessant als we ze afzetten tegen een lerarenjaarsalaris uit die dagen. Een leraar verdiende in die tijd tussen achttienhonderd en drieduizend gulden per jaar; een onderwijzer 2de klasse tussen veertien en tweeëntwintighonderd gulden; een onderwijzer 3de klasse niet meer dan tussen achthonderd en zestienhonderd gulden. Op Colegio Vargas (1863) was de verhouding tussen studerenden Engels + Frans ten opzichte van Nederlands 3:1. In 1872 telde dit colegio: een les Latijn, twee Nederlands en Duits, niet minder dan vijf Spaans en zelfs zes Frans en negen Engels. (De Onpartijdige 20 II 1873) De lessen Nederlands werden ook buiten het normale programma aangeboden en kostten twee gulden per maand extra voor een dagelijks extra uurtje oefenen onder leiding van docent J.H.A. Quast. (C.C. 29 XI 1879) Uit foto's die Mevrouw Maritza Coomans-Eustatia me ter beschikking stelde, blijkt dat het bekende Colegio Santo Tomas (1886) bepaalde afdelingen had waarin alleen een bepaalde taal mocht worden gebruikt; zo was er een ‘patio Español’ en een ‘patio Ingles’.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[63] Op 19 maart 1868 hield Colegio Vargas een literatuur-examen over de thesis ‘Todo lo que es justo es util’, behandeld door de leerlingen Alejandro Andrado, Federico Cook en Rafael Lopez. Wat er precies mee moest worden gedaan, werd uit de krant niet duidelijk: schriftelijk als opstel, een verhandeling, of mondelinge improvisatie, redevoering of dialoog? Inhoudelijk lezen we er verder niets meer over. Diezelfde school eiste voor retorica op 5 december 1869 de behandeling van een controversieel thema, waarover de literaten Don Je. Gomez Hermosilla en Don Vicente Salvé elkaar kennelijk in de haren hadden gezeten: ‘¿Las composiciones peticas deben tomar su denominacion del asunto sobre que versan i del tono de la poesia, o de la clase del metro en que esta ecritas?’ [64] Verslagen over Colegio Vargas: C.C. 7 IX 1872; Brusse & Leon: Civilisadó 12 XII 1874; Welgelegen: Amigoe 20 I 1892; Colegio Sto. Tomas: Amigoe 13 XII 1890; 14 XII 1895; 28 XI, 12 XII 1896; 11 XII 1897; 27 XI, 24 XII 1897; 10 XII 1898. [65] Civilisadó 12 XII 1874 gaf het complete programma en een verslag, waaruit we kunnen leren dat er naast de toespraken door advocaat A.M. Chumaceiro en muziek afwisselend vijf keer in vijf verschillende talen gedeclameerd werd. ‘De prijsuitdeeling was verdeeld in vyf afdeelingen tusschen welke telkens de muziek zich deed hooren, en de jongelingen vyf tooneelstukjes, in even zooveel verschillende talen, opvoerden.’ (C.C. 16 XII 1878) [66] De prijsuitreiking aan Colegio Vargas in 1872 werd opgeluisterd door een gedicht van Manuel M. Bermudez de Avila: ‘Canto Al Colegio Vargas’, dat werd voorgedragen door de interne student Manuel Tomás Leander. Op verzoek van schooldirecteur L.M. Diaz nam Notas y Letras nr. 44 (8 VI 1887) het gedicht nog weer eens op de voorpagina op, na vijftien jaar! Het was het jaar dat Colegio Vargas werd opgeheven; kon hij wat reclame gebruiken? (C.C. 7 IX 1872) De voordrachten aan Colegio Sto. Tomas waren in 1896 ‘Despedida de la Virgen del Recuerdo’, ‘Des Sangers Fluch’, ‘Yo tambien tengo algo’ (toneel); in 1897: ‘Las Banderas de Pizarro’, ‘Una Leccion de Elocuencia’; in 1898 ‘Louis XVII’, ‘Roderick the Goth in Battle’, ‘Kaiser Albrechts Hund’, ‘El Bostezador y el Médico’. [67] Op 14 II 1842 arriveerden de Zusters van Roosendaal; over hun geschiedenis schreven B. Halabi 1983; R.R. Donk 1992. [68] Het instituut is nooit erg omvangrijk geweest, want had de school na vijf jaar zestig leerlingen, het maximum na tien jaar was 84. Het grootste deel was uit het buitenland afkomstig, maar er waren ook veel Curaçaose jongens onder. In feite was de bloei van het instituut geheel afhankelijk van de steeds wisselende politieke toestand in Venezuela, de concurrentie van Colegio Baralt (1894), en de oprichting van scholen in Venezuela zelf. Bij gebrek aan leerlingen werden in 1904 de Sint Aloysius school en het Colegio Santo Tomas verenigd. Op 21 XII 1904 verlieten de laatste internen het Colegio Santo Tomas. (Fraters 1936)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

114

4.4. Oratuur, auratuur en literatuur Na de anonimiteit en het zich verschuilen achter initialen, traden na 1865 uit de verschillende organisatievormen als kranten, tijdschriften en verenigingen de eerste als zodanig erkende auteurs naar voren, van wie een aantal door de latere overzichtsschrijvers officieel zouden worden gecanoniseerd. Een aantal groepen vallen er naar de aard van hun bijdragen te onderscheiden, maar gemeenschappelijk was dat ze zich alle (althans in onze ogen) in de randgebieden van de letterkunde ophielden, tot ze ertoe overgingen de eerste afzonderlijke als literair bestempelde uitgaven op de markt te brengen. Waar diverse kranten steeds weer lezers vonden, waren specifiek literaire tijdschriften slechts van tijd tot tijd beschikbaar. De post-emancipatoire culturele bloei werd niet in de eerste plaats door geschreven en gedrukte publicaties bewerkstelligd maar door het verenigingsleven waar de oratuur in de vorm van eloquente improvisaties nieuwe impulsen ontving en waar de auratuur voor het eerst opgang maakte: het geschreven woord dat mondeling, van mond tot oor, werd doorgegeven. Onze oudste bronnen gaan wat de oratuur betreft tot de jaren rond de eeuwwisseling terug. De zegslieden van onderzoekers als Cappelle, De Pool en Parsons, maar ook latere als Brenneker/Juliana, Johnson en Sypkens Smit waren meestal nog aan het einde van de negentiende eeuw opgegroeid of geboren; ze konden dus over persoonlijke ervaringen uit hun jeugd vertellen. Daarnaast waren de oudste geschreven contemporaine getuigenissen ook uit deze tijd afkomstig, zoals die van A. Jesurun, Ipi en Cobi en Mevrouw Van Grol. Dat met name na de emancipatie de aanvankelijk zich in de verborgenheid afspelende oratuur meer in het openbaar werd beoefend, lijkt af te lezen uit de juist in deze jaren geuite bezwaren tegen de tamboerdans en ‘ocho dia’ waarover tijdens de slavernij nooit geklaagd werd. De moderne ‘orator’ trad onofficieel ‘onder de boom’ op, in een vereniging, tijdens een vergadering of bij een openbare gelegenheid waar hij (want vrouwen verschenen er in deze tijd nog niet op het spreekgestoelte) zijn hecht doortimmerde, welklinkende en met brille gebrachte improvisatie vertolkte. De orator en zijn elocuencia werden in de sociale organisaties algemeen hoog gewaardeerd. Zonder ooit een pen op papier te zetten, kon iemand zo algemene bekendheid en waardering verwerven. Hij was bij culturele hoogtijdagen een onmisbare figuur. Dokter D.R. Capriles en de advocaten A.M. Chumaceiro en Mr. Eduard I. van Lier (Ego) waren illustere voorbeelden van dit populaire genre, maar in feite behoorde het vermogen tot improviseren bij de algemene bagage van iedereen die cultureel wilde meetellen. Naast de zeer levende orale traditie ontwikkelde zich de auratuur. Elocuencia, ‘eene gezorgde voordragt’ was absolute noodzaak bij een graf-, lijk-, lof-, tijd- en kanselrede, en bij zo diverse gelegenheden als prijsuitreikingen, genootschapsbijeenkomsten, jaarvergaderingen, en vooral jubilea en feestelijke herdenkingen.[69] De actualiteit werd in verhaalvorm verwerkt. Daarnaast speelden verhalen over spoken of gruwelijke moorden, smokkelvertellingen, raadsels en uitingen van obeah-geloof een belangrijke rol. (Sypkens Smit 1981: 45-46) Het kerkelijk lied was weliswaar geschreven maar werd tijdens de diensten auraal gebracht. Dialoog en toneel waren enorm populair. Het gesproken woord vergezelde

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de hoogtepunten van het sociale leven zo indringend dat het begrip ‘publiceren’ in deze tijd ruimer dan als ‘schriftelijk beschikbaar maken’ moet worden genomen. Alleen de orator die bij zijn gehoor groot succes boekte, ging met zijn rede naar de drukker. Naast de letterkundige bijdragen in krant en tijdschrift waren de plaatselijk uitgegeven herdenkingsgeschriften ter gelegenheid van een feestelijk jubileum of triest sterfgeval populaire mogelijkheden de lier te doen klinken. De retorische traditie schreef vorm en inhoud voor, van zelfstandige kritische reflectie was in deze geschriften nauwelijks sprake. Kenmerkend

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

115 voor deze op schrift voorbereide publicaties was dat ze veelal eerst werden voorgedragen, daarna eventueel in brochurevorm gepubliceerd. Door een gelukkig bewaard gebleven, door A. Bethencourt e Hijos uitgegeven herdenkingsuitgave El Centenario del Libertador Simon Bolivar en Curaçao (1883) is exact bekend hoe auratuur het honderdjarig Bolivar-jubileum opsierde. Gedurende een in drie delen geprogrammeerde feestavond zongen studenten van het Colegio Colonial een ‘Homenaje a Bolivar’, droeg de Venezolaanse studente Maria Henriquez een gedicht ‘A Bolivar’ voor, en concerteerde C. Ulder met zijn Harmonie. Maar het hoogtepunt van zo'n avond waren de redevoeringen. Die van voorzitter R. Goenaga was daarom zo uitstekend omdat ze diepgaande studie en onderzoek toonde, èn ‘filosofia propia para apreciar hechos, relacionar causas y deducir resultados’. Hij werd dan ook meermalen met applaus onderbroken. Wonderlijk genoeg hield de gastredenaar van de avond, de om zijn ‘elocuencia’ alom befaamde Nederlandse advocaat Eduardo I. Van Lier zijn ‘discurso’ in het Nederlands, een taal die heel wat ‘exilados’ waarschijnlijk niet verstonden. Het toonde andermaal de principiële multilinguale situatie van het eiland. Terwijl elk van de drie delen van zijn toespraak werd omsloten door poëzie, was de hele redevoering een staalkaart van stijlfiguren als enumeratio, repetitio, antithese en retorische vraag. Inhoudelijk zou zijn standpunt met dit merkwaardige citaat zijn samen te vatten: ‘Door Nederland werd aan Spanjes macht den eersten stoot gegeven, Amerika gaf haar den laatsten. Wat door onzen onvergetelijken Willem van Oranje begonnen [sic], werd door Bolivar geëindigd.’ R. Goenaga hield het in zijn uitvoerig historisch exposé meer op klassieke vergelijkingen en citaten uit oude beschavingen, met het in dit zinnetje samen te vatten thema: ‘No obstante, por la ley del progreso, Bolivar era superior á los héroes de Roma.’ Naast de ‘elocuencia’ werd de voordrachts-poëzie gewaardeerd, zeker als ze het produkt was van eigen mensen. A.D. Capriles vertolkte na een korte introductie ‘Delirio de Bolivar sobre el Chimborazo’, de tot nu toe te weinig bekende ‘joven poeta curazoleña’, ‘José Sikman Corsen’, had voor de gelegenheid drie sonnetten geschreven die hij voordroeg. De eerste als zodanig algemeen erkende ‘schrijvers’ waren in deze tijd dus nog niet vanzelfsprekend publicerende auteurs. Dokter D.R. Capriles bracht tijdens zijn leven zelf geen enkel literair werk uit. A.A. Wolfschoon en J.S. Corsen droegen hun geschreven werken eveneens bij gelegenheid voor, terwijl hun poëzie die door tijdgenoten als hoogstaand erkend werd, eerst na hun overlijden door vrienden bezorgd werd: de publicatiedrempel lag in die dagen kennelijk hoog.[70] Sommige genres bewogen zich in de overgangsfase van oratuur en auratuur naar literatuur. Zo werd het gewoonte om rond het jaareinde de schandaaltjes van het afgelopen jaar naast de gezongen tambú, ook via de populaire banderitas, kleine gekleurde vlaggetjes, te boekstaven. De puñas, steken onder water, werden in enkele dichtregels opgeschreven, waarna ze bezongen werden. ‘Men kon er hele verzamelingen van aanleggen en in elke vlag, in elke kleur, in elk nieuws kon men de persoon terug herkennen waarop het sloeg en het gewraakte voorval werd met genoegen herbeleefd en weer eens uitvoerig besproken.’[71] Boelbaai (1990: 22-25) gaf de volgende karakteristieken: korte teksten van twee tot drie zinnen, geschreven op een ‘vlaggetje’ van zeven bij twaalf centimeter, bevestigd aan een stokje van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

ongeveer achttien centimeter. De inhoud was de reactie op een ruzie, maar ook wel een openbare uiting van genegenheid voor iemand. Een vergelijkbaar verschijnsel waren de zogenaamde ‘dropletters’ van de Bovenwinden, brieven die men opzettelijk ergens ‘kwijtraakte’. Will Johnson zei over het genre: ‘Als je iemand op zo'n manier wou uitschelden dat iedereen ervan wist, schreef je een anonieme brief en die liet je ergens op straat vallen. De eerste de beste persoon die de brief opraapte, las hem en liet hem door het dorp circuleren. Dan wist iedereen dat die persoon iets had gedaan, dat niet in de publiciteit mocht komen.’ (De Roo 1989b)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

116 Dat het geschreven, niet gedrukte, dichterlijke woord meer dan tegenwoordig het dagelijks leven begeleidde, bewezen de einde negentiende eeuw zo populaire poëzie-albums, die volgens De Pool (1935, 1961: 116-118) getuigden van de gastvrijheid die talloze passanten op Curaçao genoten, van het toenmalige culturele peil van de samenleving, van ‘de vriendelijkheid en de bijzondere schoonheid van onze dames’, en van een ‘stukje geschiedenis, misschien een beetje sentimenteel, maar in ieder geval iets unieks’.

Dichterlijke naturen De grens tussen journalistiek en literatuur was einde negentiende eeuw nog steeds vaag. De krant was de letterkundige proeftuin bij uitstek. Zodra de naam van een bepaalde persoon herhaaldelijk opdook, was het haast voorspelbaar dat zo iemand na verloop van tijd zich ook eens aan een niet direct kritisch stukje maar aan een verhaal of gedicht ‘bezondigde’. De aanvankelijke ingezonden-stukken-schrijver werd op deze manier ingezonden-dichter of ingezondenverhalenschrijver. Veelal slechts gedurende korte tijd, waarna het grote zwijgen weer volgde. Op deze ‘dichterlijke naturen’, volgens Debrots aanduiding, zou ook Hartogs karakterisering ‘lyrische worstelaars om het woord’ van toepassing kunnen zijn. Sommigen waren zich van hun beperkingen welbewust en verkozen daarom wijselijk onder pseudoniemen als ‘Scrutator’, ‘Tringa’ of een initiaal als ‘P’ of ‘F...a’ te schrijven, maar anderen tekenden met hun volle naam. Met het min of meer contemporaine oordeel van John de Pool dat ‘journalistiek met de beste wil van de wereld geen letterkunde’ genoemd kan worden zullen we deze bevlogen ‘worstelaars’ laten voor wat ze waren. De Missie, die in die dagen zulke befaamde kansel- en gelegenheidsredenaars telde, streefde ook in de literatuur naar een gemonopoliseerde machtspositie over doen en denken van haar gelovigen, waarbij zowel de produktie als distributie en receptie in de juiste R.K. banen en opvattingen geleid werden. Het effect daarvan werd versterkt door op de voorgrond tredende priester-auteurs die in de R.K. pers een cruciale plaats innamen. Op het gebied van de auratuur produceerden zij in de eerste plaats het nieuwe kerkelijke lied, dat, door hen geschreven en op de kerkelijke persen gedrukt, voornamelijk bekend werd omdat het tijdens de mis gezongen werd. Daarnaast timmerden een aantal op deze wijze hecht georganiseerde Nederlandse ‘poëtische paters’ met hun in de katholieke pers gepubliceerde gelegenheidsgedichten bij elke kerkelijke of koloniale hoogtijdag aan de populaire literaire weg. Onder hen werden F.J. van den Donk, St. van de Pavert, P.J. Poiesz (die als enige van hen door Debrot en Lauffer gecanoniseerd zou worden) en M. Victor Zwijsen het bekendst.[72] Pater P.J. Poiesz (1875-1919) was oprichter van de Reunion San Hose te Pietermaai. Hij schreef poëzie, waaronder als bekendste de vele Papiamentstalige kerkliederen en populair verstrooiend en belerend proza in de vorm van brieven en reisverslagen, die hij als feuilleton in de krant aanbood. Met het schrijven van talrijke toneelvertalingen en -adaptaties, en als regisseur bracht hij de R.S.H.-jeugd in kennis met serieus en ontspannend toneel. Hij vertaalde J.S. Corsens ‘Atardi’ in het Nederlands, en droeg het voor in de salon van Lelia Capriles te Vredewijk. Hij gold

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

als een groot orator en kanselredenaar. (Amigoe 11 II 11) In de Amigoe-discussie van 1915 zou hij het Papiamento tegen Frater Walboomers verdedigen. Het contemporaine en latere oordeel over zijn literaire kwaliteiten was onverdeeld gunstig. ‘De Eerw. Schrijver beschikt over een wel versneden pen, een gemakkelijken, gladden stijl, en zeer heldere wijze van voorstellen. De verhevenste waarheden worden heel eenvoudig en duidelijk verklaard en voor een ieder bevattelijk gemaakt,’ schreef de Amigoe (11 XII 09), en bij zijn overlijden vatte het blad op 4 oktober 1919 het algemene oordeel samen: ‘Hij was dichter. Hij kende onze volkstaal in al zijn finesses meer en beter dan wie ook, en hij heeft dat talent gebruikt om liederen te dichten ter

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

117 eere Gods, ter eere van het H. Hart, ter eere van de H. Maagd. Hij wist die taal, zoo stug en onhandelbaar voor de vreemdeling, te kneden en te plooien, in die taal de fijnste roerselen zijner ziel tot uiting te brengen.’ Veel later zou Debrot in zijn overzichten schrijven, dat Poiesz ‘een belangrijke plaats onder de literatoren die hebben bijgedragen tot de vorming van een stichtelijke poëzie in de Antillen’ innam, en oordeelde niemand minder dan Pierre Lauffer (1974) dat de kerkelijke poëzie van deze pater puur was en andere liederen zelfs overtrof. Het verschijnsel van de publicerende ‘allochtoon’ was natuurlijk niet nieuw. We zagen ook al voor 1865 de passanten- en kolonistenliteratuur van niet-Antillianen die hier tijdelijk verbleven of definitief voor het land kozen, nieuw was echter wel dat steeds weer dezelfde auteurs optraden en onder hun bijdragen vaak hun functie vanwaaruit ze hun literaire bijdrage leverden voluit vermeldden. Omdat ze geestelijk gezag hadden, de pers beheersten en onderwijs gaven konden ze met hun opvattingen over wat goede literatuur was grote invloed uitoefenen. ‘Des ridders kracht ligt in zijn zwaard, / Des priesters in zijn woord. / Waarmee hij, - werktuig Gods op aard, - / Het diepst der ziel doorboort,’ schreef M. Victor Zwijsen over zijn invloed als priester-journalist-rector van een middelbare jongensschool. Door de eigen bladen met ‘goede’ lectuur te vullen kon men het volk ‘veilig’ leren lezen, door het ‘nuttige met het aangename te verbinden, zonder gevaar’. (Amigoe 13 IX 13) Een volgend literair randverschijnsel waren de talrijke pamflettisten die in politiek roerige tijden op wel heel kritische wijze luide van zich deden horen. Onder hen werd de advocaat-journalistveelschrijver A.M. Chumaceiro met zijn controversiële standpunten inzake uiteenlopende onderwerpen als de ‘verkoop’ van Curaçao, politiek, allerlei onderwerpen in een serie ‘kwesties van den dag’, kiesrecht en onderwijs het bekendst. Kenmerkend voor hun werk is de felle reactie op de actualiteit in scherpe trefzekere taal, waarop door het establishment verontwaardigd gereageerd werd, maar waaraan literaire kwaliteit niet ontzegd kan worden. Op Curaçao heerste die dagen kennelijk een cultureel klimaat dat tot het neerschrijven van het innerlijk beleefde noopte.[73] Als aparte groep zou de criticus-auteur genoemd kunnen worden. In de zich in die dagen in kranten en tijdschriften voor het eerst ontwikkelende toneelkritiek traden enkele vaste critici steeds weer op. Ze behoorden tot de ‘exilados’ als Manuel Dagnino, of waren van het eiland zelf, in welk geval ze zich meestal nog verborgen achter schuilnamen als ‘enige toneelbezoekers of -liefhebbers’, achter initialen of pseudoniemen. Rechtstreekse kritiek was een nog pril fenomeen en controversieel. De ‘critici’ gaven uitgebreide theoretiserende uiteenzettingen, maar beoordeelden ook de praktijk van de bijgewoonde voorstellingen volgens die vooraf geëxpliciteerde normen. De uitgebreide theoretische aandacht en de voorzichtig kritische toon ten opzichte van het werkelijk gebrachte spel vallen misschien uit de kleine Curaçaose maatschappij te verklaren, waar kunstkritiek al gauw persoonlijk werd opgevat. Recensies moest men daarom vooral tussen de regels lezen. Van eigenlijke literaire kritiek was er nog nauwelijks sprake. De R.K. pers nam als eerste korte recensies omtrent allerlei buitenlandse uitgaven op; ze zijn als ‘idil’-lische lectuurvoorlichting

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

voor eigen parochie te beschouwen. Naast deze toneelbeschouwingen was de ‘vriendelijke’ inleiding op een nieuw verschenen bundel gebruikelijk.[74] Tenslotte waren er die auteurs die niet alleen in de bestaande media publiceerden, maar die, bewust van hun schrijver-zijn, overgingen tot het uitbrengen van zelfstandige publicaties die als literatuur gebracht werden, onder de volledige eigen naam, zonder enige valse schroom. Deze eerste ‘echte’ auteurs bleven bekend en werden in latere overzichten min of meer gecanoniseerd. Emmanuel (1970: 453-455) noemde niet minder dan tien Joodse auteurs uit deze periode, van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

118 wie A.Z. Lopez Penha, B.A. Jesurun, D.D. Salas en D.M. Chumaceiro in de letterkunde-overzichten bewaard zijn gebleven. Daarnaast waren er de R.K. jonggestorven onderwijzer A.A. Wolfschoon en de als eerste Papiamentstalig dichter beroemd geworden J.S. Corsen. Het hoogtepunt van hun produktie viel na Notas y Letras, in en na de jaren negentig. Het Spaans was de dominante taal, de poëzie het dominante genre, maar roman en toneel kwamen ook al voor. De afzonderlijke uitgaven werden door de plaatselijke drukkers-uitgevers verzorgd, met name door A. Bethencourt e Hijos. Ze werden niet wettelijk gedeponeerd, hoewel de mogelijkheid daartoe in die jaren bestond, en ze werden niet gerecenseerd, zodat de contemporaire receptie onbekend is, evenals trouwens de oplage- en verkoopcijfers.

Auteurs David Ricardo Capriles (1837-1902) schreef veeltalig en divers. Zijn studentikoze Diary or Daybook (1857-1858) bevat naar de geest van de tijd citaten, ideeën, aforismen, short stories en gedichten. Die dagboek-poëzie was de uiting van een licht ontvlambaar, bewogen en verliefd jongelingsgemoed. Daarnaast was hij pamflettist en ingezonden-stukken-schrijver over beroepsaspecten als inenting, diphterie en ‘De geneesheer der armen’. Voor de Koloniale tentoonstelling van 1883 publiceerde hij Het Krankzinnigen-gesticht op Curaçao en De Armenverzorging te Curaçao, die veel verontwaardigde reacties verwekten. Onvindbaar bleken het veel vroegere satirische Reid y Engordad tegen de Joodse reformgemeente Shemah Israel, en de brochure met biografische aantekeningen op David Lopez Penha. (C.C. 25 VIII 82) In zijn psychiatrische praktijk schreef hij talrijke, uiteraard niet gepubliceerde ziektegeschiedenissen. Op literair gebied viel zijn veeltalige poëzie op. Hij was als gelegenheidsdichter beroemd om zijn elocuencia. Hij was een ware multi-linguaal, want hij schreef in het Engels, Spaans, Frans en Nederlands. Het mag opvallend genoemd worden dat hij nauwelijks in de literaire overzichten is doorgedrongen, ook niet na Van Zanen (1969), terwijl hij toch een van de eerste echte Curaçaose dichters is geweest die in de post-emancipatie maatschappij veelzijdig produceerde en een een contemporain algemeen erkend prominente plaats innam. Debrot (Van Zanen 1969; Debrot 1985: 46-65) verwoordde vanuit ‘het perspectief van de koloniale geschiedenis’ de taalpositie van Capriles met enige terughouding: ‘Capriles was ook door zijn meertaligheid een typische Curaçaoenaar. De multilinguaal kent vele talen, maar mist daardoor de vertrouwdheid met de ene taal, die vereist is voor de verwezenlijking van een genuanceerd schrijverschap. Het gevolg is dat de meertalige niet de taal hanteert, maar integendeel door de taal wordt gehanteerd en daardoor zich moeilijk vermag los te maken van de conventionele uitdrukkingsvormen die in de verschillende talen op verschillende wijzen hun neerslag vinden.’ Joseph Sickman Corsen (1853-1911) publiceerde vooral in het Spaanstalige Notas y Letras, maar heeft later met zijn gedicht ‘Atardi’ een ereplaats als ‘vader van de Papiamentstalige poëzie’ verworven. Bij de dood van Corsen op 8 oktober 1911 nam

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

La Cruz na een waarderende inleiding, nog niet ‘Atardi’ maar ‘Roeman di caridad’ ter herdenking op. De Vrijmoedige (12 X 11) schreef over de Spaanse gedichten: ‘Geboren dichter, zijn er van zijn hand, doch meestentijds ongeteekend, dichtstukken verschenen, die klaarblijkelijk van zijne onmiskenbare dichtader getuigden. Zijne vertaling in het Spaansch - in welke taal hij gewoonlijk in dicht en ondicht schreef - van Borger's gedicht “Aan den Rijn”, in dit ons blad indertijd openbaar gemaakt, bezorgde hem grote loftuitingen van de zijde van de Venzolaansche zoowel als van Spaansche letterkundige bladen.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

119 Posthuum werd door enkele vrienden de verzamelbundel Poesias (1914) bezorgd. B.A. Jesurun beschreef in zijn proloog de drie in de bundel opgenomen Papiamentstalige gedichten uitgebreid en meldde onder andere: bij meer dan een gelegenheid gaf Corsen met uitstekend resultaat in de volkstaal vorm aan zijn inspiratie, op die manier bewijzend dat het zo vaak verguisde Papiamento welzeker geschikt is voor de akkoorden van de lier. A.A. Wolfschoon (1863-1889) was onderwijzer aan Colegio San Tomas en schreef bijdragen aan Notas y Letras. Dat tijdschrift heeft een echte katalysatorfunctie gehad. Enkele vrienden publiceerden de nagelaten Poesias (1894), waarvoor D.M. Chumaceiro een inleidende beschouwing schreef. Vooral het gedicht ‘La voz de caridad’ was beroemd. Het verscheen zelfs als zelfstandig pamflet in november 1887. Nog op 25 april 1907 droeg E. Lopez Henriquez het ‘zielroerend dichtstuk op zulk eene wijze, dat aan veler oogen tranen ontsprongen’ voor in Teatro Naar, ter gelegenheid van een ‘uitvoering ten voordeele der dakloozen alhier’. (De Vrijmoedige 2 V 1907) De Pool (1935, 1961: 268-271) roemde Wolfschoons uitzonderlijke talent, zijn gevoeligheid, verbeeldingrijkheid en technische kennis. Terlingen (1961: 15-16), noch Debrot (1985: 123, 196), noch enige andere criticus geeft bijzonderheden. Heuvel & Van Wel (1989: 20) melden dat Wolfschoon ‘de taal met groot meesterschap hanteerde’: ‘Romantiek en het spel met woorden waren de indrukken die wij na lezing van een met de hand geschreven bundel verzen van hem overhielden.’ Het moge duidelijk zijn dat de auteurs van rond de eeuwwisseling nog aan nadere analyse en interpretatie onderworpen moeten worden, eer wij een wat scherper beeld van hun betekenis kunnen vormen. Over de dichter A.Z. Lopez Penha (1865-?) is slechts weinig bekend. Hij schreef bijdragen in het Spaans, Engels en Frans in diverse literaire tijdschriften, waaronder Notas y Letras en Azul (1893). Hij publiceerde poëzie en de zedenroman Camila Sánchez (1898). Contemporain nog in later tijd is er iets over Penha te vinden. Pas in 1993 zet Liesbeth Wit de auteur voor het eerst in de schijnwerpers. Zij onderscheidt drie hoofdthema's in Penha's romantische poëzie, te weten ‘liefde’, ‘filosofische contemplatie’ en ‘religie’. (Wit-Echteld 1993: 25-36) B.A. Jesurun (1867-1936) schreef voornamelijk literair-kritische inleidingen bij het ‘verzameld werk’ van vrienden als D.M. Chumaceiro en J.S. Corsen. Daarnaast publiceerde hij in diverse bladen ook eigen poëzie en proza, die hoog gewaardeerd werden. De Pool (1935, 1961: 267) schreef over Jesurun: ‘Zijn “Muerte a Lord Byron” is een volmaakt sonnet’. David Darío Salas (1872-1937) was tandarts en apotheker-opticien, maar daarnaast journalist, amateur-toneelspeler, dichter, prozaïst en dramaturg. Hij was Curaçaos meest produktieve auteur uit deze periode. Als lid van de Young Men's Hebrew Association speelde hij al op jonge leeftijd toneel en droeg hij bij aan Home Journal (1889-1891). Hij was (mede)redacteur van El Ganimedes de las Damas (1893-1904); El Poema (1895-1896), La Patria Venezolana (1898-1900); El Iris (1910-1911) en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Boletin Comericial (?-1933). Hij publiceerde drie poëziebundels, twee romans en twee toneelstukken. Toch zijn er geen contemporaine recensies omtrent zijn werk te vinden, slechts enkele korte berichtjes in de C.C., de Amigoe, De Vrijmoedige en de Curaçaosche Courier. Terlingen (1961: 17-18) karakteriseert Salas' romantische veelzijdigheid achteraf met enige terughouding. Alle andere overzichtsschrijvers van de Antilliaanse literatuur noemen alleen Salas' naam en hooguit enkele titels, ook Debrot (1977, 1985: 196). Heuvel & Van Wel (1989: 20) melden op gezag van Luis Daal dat Salas' werk ‘breder van innerlijke structuur’ was dan dat

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

120 van J.S. Corsen, dat hij de ‘Spaanse traditie volgde’ in zijn toneelwerk en dat hij ‘een dichter van grote verfijning’ was. Daarmee moet deze produktieve auteur het doen, zowel in zijn vader- als in zijn moederland. D.M. Chumaceiro (1877-1922) werd in het voorwoord tot zijn bekende werk Crisálidas (1898) door B.A. Jesurun in de traditionele romantische lijn van Becquer en Campoamor geplaatst. Over Adélfas (1902) oordeelde de R.K. pers dat het jammer was dat het einde zo melancholiek en niet wat ‘mannelijker’ was. Later schreef De Pool dat hij alleen Chumaceiro's jeugdgedichten kende als ‘een mooie belofte wat inspiratie en versificatie betreft’, maar dat zijn latere werk ongetwijfeld nog beter was door de talrijke contacten met Zuidamerikaanse literatoren. Hij karakteriseerde de gedichten als ‘luchtig, romantisch, vriendelijk en teder, passend bij een leeftijd waarin men vervuld is van hoop, beloften en idealen’. Latere onderzoekers als Terlingen, Debrot en Heuvel & Van Wel sloten zich bij deze contemporaine visie aan. De titel van deze paragraaf ‘oratuur, auratuur en literatuur’ mag in genen dele suggereren dat er van een ontwikkeling van oratuur, via auratuur naar uitsluitende of zelfs maar dominante literatuur sprake zou zijn. Alle drie presentatievormen stonden als gelijkwaardige varianten naast elkaar. Geconstateerd kan worden dat de eigen produktie veelal oraal en auraal was, maar dat de consumptie eveneens via het gedrukte woord plaatsvond door middel van boeken-import. Kwam de eigen literatuur nog maar mondjesmaat, de auratuur bloeide. Daarnaast waren de politieke verwarringen in Zuid-Amerika oorzaak van een afname van het Spaanse passantentoneel dat in de jaren rond de eeuwwisseling bovendien minder populair werd en steeds minder bezoekers wist te trekken. Men beluisterde en waardeerde vooral het door eigen mensen gebrachte. Door de activiteiten van importeurs en Nederlandse exporteurs nam de mogelijkheid om zich buitenlandse boeken of tijdschriften aan te schaffen in deze tijd echter steeds meer toe, en daarvan werd dankbaar gebruik gemaakt.

Eindnoten: [69] Literatuur begeleidde jubilea van verschillende aard. Individuele helden als Bolivar in 1883, Columbus in 1892 en De Ruyter in 1907 werden uitbundig geëerd. Geestelijken als de paus, de bisschop of lagere Curaçaose geestelijken werden bezongen. Vijftig jaar aanwezigheid van paters en fraters op het eiland vormde eveneens een gerede aanleiding tot auratuur. Weldoener Montefiore werd in 1884 bezongen. De emancipatie na 25 jaar werd in 1888 met een speciale uitgave vol dichterlijke bijdragen herdacht. Daarnaast kregen leden van het Koninklijk huis bij geboorte, huwelijk, regeringsaanvaarding of -jubileum steeds weer de volle aandacht. Over drie van deze jubilea zijn we uitvoerig geïnformeerd wegens de voor die gelegenheid gepubliceerde feestgidsen waarin programma's, commentaren, verslagen, redevoeringen en gedichten waren opgenomen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Op 24 juli 1883 werd de honderdste geboortedag van Libertador Simon Bolivar groots gevierd, door zowel ‘la Sociedad Curazoleña’ zelf als haar Venezolaanse en Colombiaanse gasten, onder leiding van een comité gevormd door overwegend de laatsten. De Curaçaos-Joodse gemeenschap feestte bij de Centenario de Sir Moses Montefiore en Curazao (27 X 1884), met een Hebreeuws lofdicht door Rabbijn M. de Leao Laguna, een Engelstalig acrostichon door M. de Sola, twee Nederlandstalige preken door H.F. Israel Santcroos en M.de Leao Laguna, en drie redevoeringen (twee in het Nederlands en een uit het Papiamento vertaald in het Engels) door achtereenvolgens M. de Sola, Herman C. Henriquez en E.J. van Lier. Op 1 juli 1888 gaf een comité van notabelen een compleet door A. Bethencourt e Hijos fraai uitgevoerd, 32 pagina's tellend, gedrukt gedenkboek uit onder de titel: Fiesta Willem III; Curaçao; Hulde uit dankbaarheid; 1 juli 1863 - 1 juli 1888. Elocuencia en poëzie gingen in de nationale feestbundel veeltalig hand in hand. [70] Cola Debrot bezat een handgeschreven, nooit gepubliceerde bundel van Haim Senior. Carel de Haseth publiceerde in de Amigoe Kerstkrant 19 XII 1991 een niet eerder uitgegeven tekst van C.B. Gorsira (1848-1924): ‘In de bergen van Gilead’, in de Amigoe Kerstkrant 22 XII 92 ‘A journey to the coast of Egypt’. Er is nog meer ongepubliceerd werk bewaard gebleven. Over D.R. Capriles (ps. Hidropoética): De Pool 1935, 1961: 190, 278-280; Biographie du Docteur David Ricardo Capriles par Baez Le Vastida; traduit de l'Espagnol par le docteur J. Pérès. (Toulouse, 1898, 12 p. (C.H.A. 16-19); Van Zanen 1969; Debrot 1969, 1985: 46-65; Emmanuel 1970: 381, 400; Rust, onrust, halfrust 1986: 9-13. [71] Civilisadó 2 XII 1871 beschreef al de gewoonte om satirische liederen op bekende mensen te zingen aan het einde van het jaar; Van Meeteren 1947: 190-191; het gegeven citaat is uit Christoffel II-4, 1956: 180 dat de banderita ook nog een recapitulatie van de belangrijkste gebeurtenissen van het afgelopen jaar, de buitenissigheden, aberraties, complicaties van de medeburgers noemde; ENA 1969, 1985; Lauffer 1971: 39 gaf drie voorbeelden; Edgar Palm 1981: 50, 54: ‘Had je geen woorden voor een tambú, dan kocht je zo'n vlaggetje om dan die tekst te zingen.’; Rosalia 1983: 45. [72] Pater Ludovicus A.J. Jansen (1845-1921) richtte in 1882 de Sint Jozefgezellenvereniging op, was redacteur van La Union en was samen met zijn broer als Ipi en Cobi populaire feuilleton-schrijver in Amigoe en de eerste La Union. Binnen het onderwijs waren twee personen wel heel actief en dat gedurende een lange periode. M.V. Zwijsen (1858-1930) was mede-redacteur van de Amigoe en hoofdredacteur van La Cruz (1901-1909). Hij schreef talrijke Nederlandstalige gelegenheidsgedichten, waarin kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders werden bezongen en zijn ‘muze de feestdagen ter eere van H.M. onze Geëerbiedigde Koningin en andere nationale vierdagen opwekkend’ inluidde. (Amigoe 23 X 1909) Als rector van het Sint Thomas College (1894-1909) schreef hij Spaanse toneelstukken over Latijnsamerikaanse historische figuren als Columbus, Sucre en Bolivar, die bij de jaarlijkse prijsuitreikingen werden opgevoerd. Hij was actief ANV-lid en goed spreker. Zwijsen was passant, want hij werd in 1909 naar Nederland teruggeroepen, waar hij in 1912 hoofdredacteur van De Tijd werd. F.J.A. van den Donk (1862-1920) was hoofd van de Jozefschool, redacteur van de Amigoe en Rector van het Spaanstalige Meisjespensionaat Welgelegen (1899-1919). Hij schreef een groot aantal gelegenheidsgedichten, ‘als fijn litterator, beschikkend over een welversneden pen’. In hoeverre droegen deze priesterrectoren hun literaire ideeën op de jeugd over? Hoe groot is hun invloed geweest via hun poëtische voorbeeld en hun lessen? Auteurs-getuigenissen ontbreken voor deze tijd, van later datum hebben we ze gelukkig wél. Pater Stephanus van de Pavert (1860-1930), kapelaan in Otrobanda en pastoor op Aruba, kerkbouwer en oprichter van Coöperatieve Vereeniging & Nijverheid, was voor de literatuur van belang als beheerder van de R.K. bibliotheek en als regisseur van toneelopvoeringen met zijn Reunion San Hose jongerengroep en met enkele Arubaanse jongens in het ‘openlucht-theater’ van Catiri. (Nooyen & Van der Lee 1970: 55-56) Hij publiceerde in Trenza literaria (1916) twee prozastukken en ‘enkele juweeltjes van volkspoëzie in de volkstaal, met mooie passende wijzen’. (Amigoe 24 IX 1927) R.J.C. Wahlen (1871-1946) was weliswaar geen ‘poëtische’ pater, want hij publiceerde geen gedichten, maar wel een ‘prozaïsche’ want hij schreef veel en goed als hoofdredacteur van de Amigoe (1901-1918) en La Cruz (1909-1940). Als mede-oprichter van het Algemeen Nederlands Verbond, Onze Vloot en de Sint Thomaskring werd hij een van de priesters die het Nederlands in de kolonie propageerden. Bekend geworden is zijn reisverslag de ‘Bovenwindsche stemmen’ (Amigoe 22 1-18 XI 1916)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het bekendst was toch wel Pater P.J. Poiesz (1875-1919) die tot de canon doordrong. [73] De Pool 1935, 1961: 239-241; A.d.C. 1936; Van Zanen 1969: 3; Emmanuel 1970: 445-449. Minder bekend, maar niet minder fel, was Mr. E.I. van Lier (Ego, 1842-1906) over de fosfaatmaatschappij. Hij viel dokter Capriles' kritiek op de gezondheidszorg bij, contra de officiële sussers. Hij was bovendien een gevierd orator bij diverse culturele aangelegenheden. (Emmanuel 1970: 449) [74] D.M. Chumaceiro op A.A. Wolfschoon: Poesias; B.A. Jesurun op D.M. Chumaceiro: Crisalidas en J.S. Corsen: Poesias.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

121

4.5. Een volk dat leest is een beschaafd volk De Pool (1935) getuigde dat er einde vorige eeuw op Curaçao veel gelezen werd, hij las er het hoge peil van de toenmalige beschaving aan af. Welke mogelijkheden bezaten de inwoners? De georganiseerde leesactiviteiten zouden in vijf categorieën ingedeeld kunnen worden. Naast de particuliere, zouden er verenigings-, winkel- en openbare bibliotheken onderscheiden kunnen worden. Daarnaast waren er georganiseerde leesverenigingen. De leesbevordering werd in de decennia na de emancipatie serieus genomen.[75] Wie dat wilde kon eind negentiende eeuw een aardig particulier bibliotheekje opbouwen uit de winkelvoorraden waarmee de aan drukkerijen en krante-redacties verbonden boekdistributiecentra wekelijks in de bladen adverteerden. Neumann, Jonckheer en vooral Bethencourt waren goed voorzien. Daarnaast bleek het door de steeds beter en sneller wordende verbindingen mogelijk rechtstreeks van de Nederlandse exporteur zowel boeken als tijdschriften te betrekken. Gedetailleerde gegevens of er van deze mogelijkheden gebruik werd gemaakt ontbreken. De zich in de krant weken- of zelfs maandenlang herhalende advertenties duidden in elk geval niet op een grote omzet of omloopsnelheid van de aangeboden titels. Wie niet wilde of kon kopen had echter diverse mogelijkheden om via lenen zijn lectuurvoorziening op peil te houden. Even veelzijdig als het verenigingsleven was, ontwikkelden zich de verenigingsbibliotheken in sociëteit, loge, maatschappij, militair tehuis of toneelgebouw. Geen enkele organisatie wilde het zonder een eigen boekerij stellen.[76] Indien het financieel enigszins mogelijk was, richtte men als zichzelf repecterende vereniging een leestafel met kranten en tijdschriften of een leesbibliotheek in, voorzien van boekwerken, een administratie en een bibliothecaris. Er waren rond de eeuwwisseling veelvuldig particuliere initiatieven om boeken aan te schaffen en uit te lenen. Dat soort zaken werd in die dagen nog niet als een cultuurtaak van de overheid gezien. Maar wat was er nu precies aanwezig in die bibliotheken? Wat zouden ze ons nu nog kunnen leren omtrent lezen en letterkunde?

Het Leesgezelschap Tot Nut en Genoegen Een leesgezelschap was volgens de contemporaine Van Dale een ‘gezelschap van personen, die voor gemeenschappelijke rekening boeken enz. lezen. Ook: gezelschap waar voorlezingen gehouden worden’. Beide vormen komen we tegen rond de eeuwwisseling; over beide zijn nadere gegevens schaars. Begin jaren zeventig bestonden op Curaçao in elk geval twee leesgezelschappen. Over ‘het zeer geheime Concordia’ liggen vele sluiers die om opheldering vragen[77], van Concordia et Profectus (1880) is nauwelijks iets bekend[78], wat ook geldt voor het leesgezelschap ‘Wilhelmina’ dat in 1905 als instituut lid was van de Groep Nederlandsche Antillen van het Algemeen Nederlandsch Verbond. Van La Precaucion is iets meer overgeleverd, het wilde in 1872 een zondagsschool openen, voor ‘kosteloos onderwijs aan de armen, in de Nederlandsche en Spaansche taal en de vakken voor het lager onderwijs’. De inschrijving hiervoor vond plaats in de vergaderzaal, die dit gezelschap dus kennelijk had.[79]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

De voordrachten voor leden, een geleerde bibliothecaris in de persoon van L. Kranwinkel, een eigen zaal waar zo'n honderd mensen in konden, de maandelijkse bijeenkomsten, en het zondagsschool-initiatief duiden op een aanzienlijk leesgezelschap. Van het ‘Leesgezelschap Tot Nut en Genoegen’ is een keurig gedrukt officieel reglement bewaard, gedateerd op 7 februari 1883, dat als voornaamste doel noemde, ‘aan de leden, zooveel de middelen dat toelaten, nuttige en aangename lectuur te verschaffen’. Het aantal leden bestond uit niet meer dan vijfentwintig. Toelating moest schriftelijk aan het bestuur verzocht

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

122 worden. Dat jaarlijks gekozen bestuur bestond uit vijf ‘commissarissen’ die een voorzitter uit hun midden kozen en de werkzaamheden onderling regelden. De algemene vergadering besliste over de aanneming van de leden. Er was een nogal hoge financiële drempel. De middelen werden verkregen door ‘entreegelden’ ten bedrage van vijftien gulden, een forse contributie van 25 gulden per jaar (per kwartaal vooruit te voldoen), boetes die lang niet mals waren, en een jaarlijkse verkoopactie, waar ‘de gerouleerd hebbende boeken’ verkocht zouden worden aan de meest biedende. Wie op deze kennelijk belangrijk geachte vergadering niet aanwezig was, betaalde niet minder dan drie gulden boete. Wanneer de ‘lijst’ niet behoorlijk werd ingevuld moest een gulden boete betaald worden; op de ‘lijst’ werd bijgehouden welke werken iemand leende. Het ‘doorlenen’ aan derden kostte een lid direct al niet minder dan vijf en bij herhaling zelfs tien gulden boete, een fors bedrag! Een strenge bepaling die op Curaçao kennelijk niet overbodig was, gezien de herhaaldelijk gemelde gewoonte om kranten en boeken van en aan elkaar te lenen in plaats van zelf te kopen. Een rekensommetje leert dat het gezelschap in elk geval kon beschikken over een aardig bedrag aan inleggelden, contributies, talrijke mogelijke boetes en de jaarlijkse verkoop van de gelezen exemplaren. De nuttige en aangename lectuur werd gevormd door tijdschriften, ‘illustraties’ en boekwerken, zonder verdere aanduidingen, die door het bestuur besteld zouden worden, kennelijk zonder inspraak van de leden. De kranten, vaak zo'n veelzeggende informatiebron, zwegen over dit leesgezelschap: er waren geen berichten over vergaderingen. Maar uit een oproep voor de jaarlijkse verkoop (C.C. 23, 30 VIII 1895) blijkt dat het leesgezelschap na ruim tien jaar nog bestond en Nederlandse, Duitse, Engelse en Franse tijdschriften met algemene inhoud liet rouleren[80], lectuur die het nuttige en aangename verenigde. Deze groep mensen organiseerde zich om populair-wetenschappelijke tijdschriften voor gezamenlijke rekening te lezen, een ‘leescirkel’ dus. Een bode bracht de leesstof rond; er was geen sprake van regelmatige bijeenkomsten om over het gelezene te discussiëren, alleen van een jaarvergadering en algemene vergaderingen. Het gezelschap bezat geen eigen lokaliteit, de algemene vergaderingen werden bij een van de leden thuis gehouden en de jaarlijkse verkoop vond binnen het Fort plaats. Wie waren de leden? Gezien de aanzienlijke inleggelden en contributies moeten het wel leden van aanzienlijke stand geweest zijn. De namen van de bestuursleden verraden iets, de overige leden bleven in het duister, want de ledenlijsten en de administratie zijn niet bewaard. De eerste voorzitter E.D.E. van den Bossche was Gezaghebber van Aruba, Bonaire en Sint-Maarten en Voorzitter van de Koloniale Raad. Eerste secretaris J.A. Tydeman was predikant op Bonaire en Curaçao. Willemse zou misschien de latere waarnemend gezaghebber van Saba geweest kunnen zijn. Een aanzienlijk gezelschap van Nederlanders dus. Hoeveel leesgezelschappen er rond de eeuwwisseling waren, hun officiële status, doel en werkwijze, hun activiteiten, wie er lid waren, wat ze lazen, in welke talen en over welke onderwerpen, en hoe ze hun boeken aanschaften, dat blijven voorlopig nog open vragen.

De bibliotheek van Sociëteit De Gezelligheid

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

De op 12 april 1871 op W.K.C. Sassens initiatief opgerichte sociëteit richtte al heel snel een speciale leeskamer in, waar alle enigszins op de voorgrond tredende bladen als de Star Herald van Panama, de Revista Chilena, de Fliegende Blätter, de Illustrierte Zeitung, El Mundo Nuevo, Harper's Magazine, de New York Herald, een keur van Nederlandse bladen, waaronder de Nieuwe Rotterdamsche Courant en de Maasbode lagen. Alles wat op Curaçao verscheen, controversieel

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

123 of niet, werd automatisch ter lezing gelegd in deze cosmopolitisch georiënteerde bibliotheek. (Hartog 1971) Het eerste reglement van de bibliotheek dateert van 17 september 1874. Men stelde een ‘bibliotheekknecht’ aan, die later officieel bibliothecaris werd genoemd. De uitleen-afdeling was niet minder dan zeven uur per dag open.[81] De bibliotheek was overwegend literair. Van de talen was het Nederlands het best vertegenwoordigd met een heel gevarieerd aanbod. Maar Spaans was een heel goede tweede, zeker als we in gedachten houden dat men de boeken in Nederland aanschafte. (Hartog 1971) Er waren ook veel in het Spaans vertaalde werken. In het Frans vertaald werk daarentegen kwam weinig voor, in het Duits op enkele Russische auteurs na helemaal niet. Dat zegt iets over de taalvoorkeur bij het lezen.[82] Er is hier van een aanzienlijke verenigingsbibliotheek sprake, met een grote voorraad algemene naslagwerken, informatieve boeken, serieuze literatuur en ontspannende lectuur in vier talen - kortom ‘nut en genoegen’ in overvloed voor de bemiddelde leden. De Franse Dumas was er ook in Nederlandse en Spaanse vertaling, niet in het Engels. De Spaanse auteur Perez Galdos kwam niet in vertaling voor. De Duitse Goethe kon men ook in het Engels en Spaans, niet in het Nederlands lenen. Charles Dickens was er in het Engels, Nederlands en Spaans, Flaubert in het Frans en Spaans, evenals P. Bourget. Uit deze vertalingen blijkt nogmaals dat Spaans een relatief belangrijke taal in de bibliotheek moet zijn geweest. Tegenover al deze boeken valt het op hoe weinig er van en over Latijns-Amerika was. Over de regio bezat men alleen een paar reisbeschrijvingen, zoals die van Dominee G.B. Bosch, H. van Kol en K. Martin. Dat men van eigen Curaçaose bodem alleen maar Spaanstalig werk had, in de vorm van almanakken, Corona Funebre, en van D.D. Salas Raul en Josefina toont nog een keer het belang van het Spaans aan. Dit soort sociëteitsbibliotheken, die open waren voor lezen en lenen ten behoeve van leden en hun introducees, kregen al min of meer het karakter van een algemene bibliotheek, want ze waren niet meer strikt besloten. Maar veel vragen blijven onbeantwoord wegens het ontbreken van gegevens omtrent de administratie: welke titels werden hoe frekwent aan wie uitgeleend. Alleen ‘heren’ waren sociëteitslid, wat was de rol van de vrouw, namen de herenleden ook boeken mee voor de dames thuis?[83]

De winkelbibliotheek van de Gebroeders Jonckheer Tegenover de relatief besloten verenigingsbibliotheken, die zich toch allereerst op de eigen leden richtten, zouden we de zogenaamde winkelbibliotheken kunnen stellen, die hun economische bestaansrecht juist aan een zo groot mogelijke lezerskring moesten ontlenen. Hadden de eerste vooral de ‘nuttige’ boeken die tot een verstandelijke, zedekundige of religieuze ontwikkeling moesten bijdragen, de tweede zullen ongetwijfeld de ‘aangename’ in voorraad gehad hebben, waarvan de eigenaar van zo'n winkelbibliotheek veronderstelde dat ze veel zouden worden geleend en dus de investering zouden rechtvaardigen. Commercie contra ideologie, of idealisme dat economisch dekkend was?

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het post-emancipatoire Curaçao heeft in elk geval twee belangrijke uitleenbibliotheken gekend, die aan een drukkerij-uitgeverij-boekhandel verbonden waren. Met name A. Bethencourt y Hijos moet in zijn zaak een grote bibliotheek gehad hebben, maar alle gegevens daarover ontbreken.[84] De krantenadvertenties en Bethencourts speciale bladen om zijn boeken aan te kondigen maakten geen specifieke melding van de bibliotheek. Van de bibliotheek van de Gebroeders Jonckheer bleef op gelukkige wijze een catalogus bewaard, waarin tegelijk het uitleenreglement werd opgenomen.[85] Voor de klanten gold een vaste abonnementsprijs, niet een tarief per werkelijk geleend exemplaar. De leners moesten twee gulden per kwartaal of 75 cent per maand vooruit betalen. Daarvoor mochten ze één boek maximaal twee weken in huis

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

124 halen. Als we van een langzame lezer uitgaan, was de prijs per geleend boek dus al gauw een kwartje, wat niet gering was in vergelijking met de toenmalige boekenprijs. Een snelle lezer was natuurlijk veel voordeliger uit. Wie dat wilde, kreeg nadrukkelijk de mogelijkheid om het geleende boek te kopen voor de prijs die voorin steeds vermeld was. Hier zien we dus de koppeling bibliotheek-boekhandel tot stand komen. Zodra tien abonnés om een boek vroegen, werd het gekocht en in de bibliotheek geplaatst. Zou dat leenaantal het economische break even point geweest zijn? Jonckheers winkelbibliotheek was bepaald niet zo groot. Voor hun geld konden, volgens het wervende praatje in de catalogus, ‘las numerosas clientes’ kiezen uit 77 auteurs en 190 titels die samen goed waren voor 375 banden. Iedere titel bestond dus uit gemiddeld twee delen - een vorm van normale klantenbinding. Hier verraadt de taal dat de gebroeders, in tegenstelling tot de deftige heren-sociëteit, kennelijk in de eerste plaats aan ‘dames’ uitleende. De winkelbibliotheek stond op een behoorlijk literair peil met een overwegend aanbod van fictie in de vorm van romans.[86] Van Curaçao zelf was D.D. Salas met Josefina te leen, verder niets. Deze winkelbibliotheek lijkt te bevestigen dat men romans geneigd was te lenen. Maar de aanzienlijke verenigingsbibliotheken bezaten juist weer wel veel naslagwerken en informatieve lectuur. Het is jammer dat we over geen enkele administratie van dit soort bibliotheken meer beschikken. Na en naast de particuliere bibliotheken van incidentele lees-enthousiastelingen, besloten en enigszins elitaire leesgezelschappen die zich op eigen kring of de ontwikkeling van het volk richtten, verenigingsbibliotheken die hun deuren mede op een kier zetten voor introducees, commerciële winkelbibliotheken die openstonden voor iedereen die wilde betalen, verschenen in het eerste decennium van de twintigste eeuw de semi-openbare bibliotheken op basis van particulier initiatief en particulier kapitaal, maar met officieel overheidstoezicht. Pas in de jaren twintig zouden de eerste ‘echte’ openbare bibliotheken ontstaan op initiatief en met geld van de overheid. Na de Sociëteiten, de Vrijmetselaarsloges, (lees)verenigingen en de Kerk zal nu de Koloniale Overheid haar taak als volksopvoeder in dezen gaan inzien en aanvatten.[87]

Lezen in missieland Wat de ‘leesbevordering’ betreft verkeerde de R.K. kerk in een dualistische positie. Ze erkende het grote belang van lezen voor de volksontwikkeling en kende aan lectuur een essentiële karaktervormende invloed toe. Het was dus zaak dat het hele volk las en dat boeken en tijdschriften zo dicht mogelijk bij het lezerspubliek gebracht werden. Maar dan wel de juiste, katholieke lectuur. Daartoe dienden de verenigingen eigen bibliotheekorganisaties te ontwikkelen. Zo kregen de op het eiland gestationeerde en bezoekende militairen speciale ‘veilige’ boekerijen, en werd de jeugd door middel van de bibliotheek van de Runion San Hose en de Sint Thomas kring opgevoed. Moest de jeugd enerzijds afgeschermd worden van ‘slechte lectuur’, want die zou zeer nadelig zijn en die werd dan ook in felle bewoordingen bestreden, anderzijds was het lezen belangrijk om de eigen visie te verspreiden. Het gevolg was het propageren van eigen bladen en die vullen met de juiste pakkende leesstof in de vorm van populaire dialogen, feuilletons, recensies, algemeen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

ontwikkelende en vormende artikelen over de kerkgeschiedenis en grote religieuze voorgangers in verleden en heden: ‘De katholieke bladen bewerkte[n] het volk en wezen op het groote nut van goede en degelijke lectuur. Daar moest immers een dam opgeworpen worden tegen dien verderfelijken stroom van Spaansche en Engelsche lectuur, die het godsdienstig leven in zoovele harten en huisgezinnen verpestte.’ (Gouden jubileum 1920: 141) Bladen en boeken kenden via kerkelijke medewerkers hun eigen verspreidingskanalen, die ook al weer dichter bij het volk stonden dan de officiële boekhandels. Het ‘belangeloze’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

125 auteurschap van de paters kende geen financieel winstoogmerk, waardoor de juiste lectuur, bovendien gedrukt op de eigen persen en door vrijwilligers gedistribueerd, voor enkele dubbeltjes bij de naar men nastreefde talrijke lezers terecht konden komen. De oplagen waren aanzienlijk.

Eindnoten: [75] Met Luger (1982) moet ook voor Curaçao geconstateerd worden dat de meeste leesbibliotheken met hun inventaris erbij geheel verdwenen zijn. Van enkele kennen we de leesvoorwaarden, van vele kennen we de namen, van geen enkele de boekhouding en de administratie of een lijst van abonnés. [76] F.P. Römer startte in 1872 een leesbibliotheek in het vertrek van Sociëteit Union, waarvoor hij in het Nederlands adverteerde. Het tweede artikel van het reglement, ‘Naar gelang der middelen, waarover de sociëteit kan beschikken, worden couranten en illustraties aangeschaft, en in het locaal der Sociëteit neergelegd tot lectuur voor de bezoekers’, kan als representatief gelden voor een aantal verenigingen uit diezelfde periode. De Biblioteca Mason Igualdad in de jaren zeventig, de ‘Curacaosche Maatschappij tot Bevordering van Landbouw, Veeteelt, Zoutwinning en Visscherij’, die meer dan honderd leden telde, begin twintigste eeuw. In 1907 was er een R.K. Leeszaal voor Militairen, met ‘katholieke lectuur en ‘bijzondere Voordrachten op R.K. godsdienstigen grondslag’. Al in 1857 was er in Fort Amsterdam een Militaire Boekerij geweest, ‘die over de 1500 romantische en wetenschappelyke boekwerken in de Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche taal bevatte,’ aldus A.T. Brusse (1882). Reunion San Hose bezat werken in het ‘Hollandsch, Fransch, Engelsch, Spaansch en Papiëmentsch’; in 1911 waren er ongeveer 1250 boeken, verdeeld over de categorieën ‘novellen, geschiedenis, literatuur, wetenschap en kunsten, hagiographie en biographie en godsdienstige wetenschappen’. De deftige Sint Thomaskring kende een leesvereniging, evenals het toneelgezelschap Prinses Juliana. [77] ‘Abraham Capriles heeft de leestafel ingevoerd in Hotel Concordia als een vorm van entertainment. Het idee van Abraham Capriles sloeg zo in, dat uit de leestafel van Hotel Concordia het oudste leesgezelschap van Curacao werd gevormd in 1854.’ (Hartog 1971) Of het leesgezelschap van 1871 nog hetzelfde is en zijn naam aan het hotel ontleende, was nergens te vinden. [78] Hartog (1971) meldt nog een voorbeeld in 1880, die onder de naam ‘Concordia et Profectus’ onder leiding van P.C. Leon, J. Vos, J. Ecker, Ch. Dania en J.D. Henriquez van plan waren ‘een echte bibliotheek samen te stellen en letterkundige bijeenkomsten te houden’. [79] Bibliothecaris L. Kranwinkel (en vooraanstaand persoon in de Curaçaose maatschappij van die dagen) hield bij de opening een eloquente toespraak voor negentig aanwezigen die zich hadden ingeschreven. Met een berichtje van secretaris J.D. Henriquez dat de ‘Algemeene Maandelyksche Vergadering om half acht ure zal plaatsvinden’ houden onze gegevens (voorlopig) op. [80] Eigen haard; De Gids; Vragen van den Dag; De huisvrouw; Mannen van beteekenis; Uilenspiegel; de ‘Revue Brittannique’, ‘Harper's Monthly Magazine’, ‘Fliegende Blätter’. [81] Volgens Hartog (1971) overwoog men al in 1882 een catalogus te laten drukken - dan moeten er op dat moment al heel wat boeken zijn geweest. Het beginkapitaal bedroeg vijfhonderd zeventig gulden en het jaarlijkse budget voor aankopen was niet minder dan driehonderd gulden. Een dergelijke catalogus verscheen inderdaad in 1899, gedrukt in Zierikzee, zoals men ook de boeken zoveel mogelijk in Nederland bestelde. Deze catalogus is niet teruggevonden, maar wel een door de Gebroeders Jonckheer gedrukt, 146 pagina's tellend exemplaar uit 1913, dat in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in de Collectie Maduro onder nummer 0326 bewaard werd. Deze catalogus bevat 4660 nummers, die men als volgt naar de verschillende talen had verdeeld: werken ter raadpleging (176 nummers); Hollandsche (1613); Spaansche (967); Engelsche (780); Fransche (938) werken.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[82] Wat Spaans betreft spande B. Perez Galdos met 61 nummers de kroon, gevolgd door Carolina Invernizio (44 nrs) en Carlota M. Braeme (40 nrs). Men zocht zijn ontspannende lectuur ook in het Spaans; die taal lijkt naast het Nederlands de leesvoorkeur gehad te hebben. Wat de Nederlandse literatuur betreft, waren H. Conscience (39 nrs), Bosboom-Toussaint (24 nrs), L. Couperus (21 nrs), Melati van Java (21 nrs), Multatuli (14 nrs), J. Reyneke van Stuwe (14 nrs), Justus van Maurik (13 nrs) en J. van Lennep (12 nrs) favoriet. Van de in het Nederlands vertaalde werken Jules Verne (41 nrs), Charles Dickens (21 nrs) en Walter Scott met tien nummers. Bij Frans bleek nog weer dat Alexander Dumas een ideale bibliotheek-auteur was: met 39 titels in 103 banden was hij verreweg de kampioen van De Gezelligheid. E. Zola (26 nrs), V. Hugo (23 nrs), P. Bourget (23 nrs), A. de Lamartine (18 nrs) en Anatole France (18 nrs) volgden hem op grote afstand. Bij Duits waren er geen serie-schrijvers, er waren minder nummers, geen vertalingen, geen uitschieters. Uit alles blijkt dat dit het minst belangrijke deel van de bibliotheek is geweest. [83] De verdere lotgevallen van de bibliotheek van De Gezelligheid, de grote boekententoonstelling in 1939 en haar uiteindelijke opheffing in 1955 zijn door Hartog (1971) beschreven. [84] ‘De boekhandel Bethencourt met zijn enorm pakhuis, had een bibliotheek, die vele honderden delen telde. De meest gevraagde en geliefde waren de romans van Perez Escrich - specialist in kilometerlange romans, die oorspronkelijk in afleveringen gepubliceerd werden.’ (De Pool 1935, 1961: 145) In 1937 is de zaak afgebroken en daarbij zijn zowel de administratie als honderden oude en zeldzame boeken verdwenen. [85] Mw. Maritza Coomans-Eustatia stelde me de helaas ongedateerde Catálogo de la Biblioteca ‘Excelsior’ van de Gebroeders Jonckheer ter beschikking. [86] Van de aanwezige auteurs spande Alexandre Dumas, in Spaanse vertaling, met dertig titels, verdeeld over 93 banden verreweg de kroon. Een ideale auteur voor een winkelbibliotheek, net als bij de verenigingsbibliotheek! Een titel als Los Mohicanos de Paris telde zelfs tien delen. Daarnaast kwam een werk in zeven delen voor. Zes, vijf en vier delen kwamen bij veel auteurs geregeld voor. Er was veel in het Spaans vertaald werk van Franse auteurs, als bijvoorbeeld Daudet (6), Diderot (1), V. Hugo (11), E. Zola (1), H. de Balzac (7) en Chateaubriand (1). De Engelsen waren met Charles Dickens (5) en Walter Scott (12) prominent aanwezig. [87] In 1922 kregen Curaçao en Sint-Eustatius, in het jaar daarop Saba en Sint-Maarten hun nieuwe leeszaal en bibliotheek. Aruba zou tot 1949 moeten wachten, Bonaire bleef lang en veilig onder de vleugels van het A.N.V. en daarna het C.C.B.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

126

4.6. De dode letter en het levende woord Oratuur, auratuur en literatuur gingen eind negentiende eeuw zusterlijk samen. De ‘nieuwe Antilliaan’ zocht niet in de eerste plaats een eenzaam hoekje voor het lezen van zijn boekje, maar gezelschap in sociëteit, vereniging of schouwburg. Via improviserende oratuur en elocuente auratuur ontstond er bij allerlei openbare gelegenheden en in zeer diverse vormen een levendig contact tussen bevlogen producenten en hun enthousiast reagerende publiek. Men verkoos het levende woord boven de dode letter omdat het tegemoetkwam aan de hang naar sociabiliteit, waar ‘werkende’ en ‘gewone’ leden allemaal evenzeer naar op zoek waren. Dat de kunst daarbij een vooraanstaande rol speelde, was het gevolg van de gedachte dat deze ‘het gemoed veredelt, het hart verrijkt’ en daarom actieve of passieve beoefening verdient. De schrijver was ‘prozaïsch, maar de “poeet” vervulde een verheven rol: The poet, if he be truly gifted with “the vision and the faculty divine”, should, above all men, belong to that priviliged order of beings, who, in their exalted moments, stand face tot face with Divinity itself. His studies, his solitary musings, his close observations of the changing aspects of earth and sky, all tend to elevate his thoughts and purify his heart. When, after long and intimate communion with the spirit of nature, he enters her solemn temples, the veil that hid the mysteries of the universe is drawn aside, and he feels himself in the presence of the Infinite. (...) Great minds have written their thoughts in poetry, on which it exerts a most powerful influence. It leads our thoughts to all that is beautiful and sublime. The power of eloquence is understood by orators and they employ it to impress their hearers. It pleases, and orators know how to speak in a pleasing and convincing manner.’ (The Impulse 8 I 72) Ook toneel kon in haar aurale presentatie tot de opvoeding bijdragen. De liberalen stonden er zonder voorbehoud positief tegenover, de Missie enigszins argwanend wegens mogelijk zedenbederf. De C.C. (27 IX 79) schreef: ‘Bovendien is het tooneel de school der beschaving. Er zyn wel enkele stukken, die tot zedenbederf leiden kunnen, maar die stukken worden in den regel, zelfs in de groote steden slechts op bekende theaters gespeeld, en het publiek dat de voorstellingen bywoont bestaat enkel uit diegenen, die met kennis van zaken, de toehoorders willen zyn van wat daar opgedischt wordt. De veroordeeling dus van het tooneel door de Ultramontanen is niets anders dan een hunner overdryvingen. Om de uitzonderingen, sluite men niet het geheel uit. (...) Muziek en tooneelspel kunnen wel hand aan hand zamen gaan. Kunsten beide, die de ziel verheffen en den geest ontwikkelen.’ Waren de gesproken woorden dwingend voor het gemoed en levendig, men was zich ook wel bewust van de vergankelijkheid ervan ten opzichte van het gedrukte woord dat, ook in zulke vluchtige media als de nieuwsbladen, blijft en beklijft. Liberalen, Joden en Rooms-Katholieken waren het er daarom, ondanks al hun tegenstellingen, hartgrondig over eens dat de ‘civilisashon’ door lezen bevorderd werd: een volk dat leest is een beschaafd volk. Daniel de Sola (Anales 1877: 27) drukte dit idee op de voor hem kenmerkende optimistische manier, als volgt uit: ‘Seek your books and with pleasure. The more you see into their pages, the better you become acquainted with men and women, their habits and doings and the better you are prepared for respectable society.’ De Missie verwoordde haar visie op deze invloed, die van de negentiende tot het midden van de twintigste eeuw constant zou blijven en steeds weer verdedigd zou worden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Over de taal waarin die leesstof moest worden aangeboden was men het echter minder eens. Hier verkeerde de R.K. kerk in een dualistisch positie, waarin ze het Papiamento onvoorwaardelijk als meestgeschikte taal voor het volk koos, de meer ontwikkelden echter steevast Nederlands voorschotelde. Voor de Joods-liberale elite was het Spaans in die dagen de meest geschikte taal, met Nederlands als incidentele tweede en somtijds Frans. De Zuidamerikaanse exilados propageerden hun Spaans. De hogere Protestant koesterde in de huiselijke kring

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

127 het Papiamento, naar buiten toe stelde hij naast het Spaans het Nederlands nog zeer op prijs. Die taal was ook het vanzelfsprekend voertuig voor de Nederlandse nieuwkomer en passant. De multi-culturele samenleving was als vanzelfsprekend multi-linguaal. Waar de liberalen niet veel problemen zagen in de inhoud van de literatuur, zag de R.K. kerk hier juist veel gevaren. Ook hier was haar positie dualistisch omdat ze het in haar ogen zo belangrijke lezen wilde propageren, maar van de andere kant bang was dat door het volk niet de ‘juiste’ leesstof gekozen zou worden. Ze woog voortdurend het gevaar en het nut van slechte en goede lectuur tegen elkaar af, juist omdat ze oordeelde dat de invloed zo groot was. Omdat de R.K. kerk zelf zo'n groot deel van het aanbod in het Papiamento beheerste, kon ze dat relatief veilig aanbevelen, waardoor ze wel eens het verwijt van ‘het volk te willen domhouden’ op zich laadde - over wat eventueel in de andere talen gelezen zou kunnen worden had ze immers veel minder controle. De liberalen waren optimistischer gestemd en zagen in het leesproces meer beschavende voordelen dan morele gevaren. Trouwens, ideeën over voor- en nadelen van het lezen waren niet de belangrijkste punten van tegenstelling. De beide invloedrijke groepen hadden voortdurend wrijvingen op allerlei maatschappelijke gebieden. Hadden de katholieken niet meegedaan met het ‘Fiesta Willem III’ in 1888, ze vierden vier jaar later als enigen de vierhonderdjarige ontdekking van Amerika door Columbus, de grote brenger van het Christendom. Het liberaal-katholiek antagonisme culmineerde eind 1901 in een grote censuur-discussie, rond het al of niet opvoeren van Benito Perez Galdós Electra (1901), een discussie die de wederzijdse opvattingen over letterkunde fel belichtte. De première van het ook in Europa fel omstreden stuk was op 30 januari 1901 in Madrid geweest, in november van datzelfde jaar zou het al op Curaçao gebracht worden door het Spaanse passantentoneelgezelschap van Jose Nortes. Dat zegt iets over de snelheid waarmee het eiland op de hoogte werd gebracht van actuele culturele controversen. Dit drama in vijf bedrijven behandelde het probleem of iemand tegen haar wil en onder valse voorwendselen in het klooster ‘gepraat’ mocht worden. De aantrekkelijke, levenslustige Electra was verliefd op de wat oudere geleerde Maximo. Toen ze via haar tante en ene Pantoja valselijk hoorde dat Maximo haar onechte halfbroer zou zijn, nam ze uit wanhoop het kloosterkleed aan. Maar de schim van haar moeder openbaarde haar de waarheid, waarna ze ‘herleefde’: God is overal, zoek jij hem in de wereld...De strekking was dus duidelijk anti-katholiek. Waar ging het volgens de kranten om?[88] De discussie draaide om twee hoofdpunten: de strekking van het stuk en het al of niet kwetsende ervan; de kans dat het stuk ongeregeldheden zou veroorzaken bij het schouwburgpubliek en op het eiland in het algemeen. De paters beriepen zich (heel koloniaal) op Nederland waar het stuk ‘gekuist’ gebracht was door het schrappen van anti-katholieke passages en door het neutraliseren van het voor de katholieken beledigende karakter, bovendien waren op Curaçao wel eerder stukken verboden. De censuur was sinds 1866 dan wel officieel, kennelijk niet altijd in de praktijk opgeheven. Maatschappijkritiek was in die dagen nog geen aan de literatuur toegedachte functie. Literatuur diende het standpunt van de maatschappelijke elite te bevestigen, niet te ondermijnen. Met uitspraken dat toneel een positieve invloed op de mens heeft, als het stuk zelf edel is en mensen opwekt tot edele daden, maar níet als men dood, zelfdoding, overspel en verboden

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

zaken op het podium vertoont, verklaarde de redacteur zich in feite niet meer tegen dit ene stuk, maar tegen het moderne naturalistische, ‘Zola-istische’ toneel in het algemeen, dat meer slecht dan goed deed. Van de vooral negatieve invloed van modern toneel was men vast overtuigd. Bovendien waren het gesproken woord en het toneelspel in hun directe confrontatie met het schouwburgpubliek een levend genre in vergelijking met de dode letters van een roman.[89]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

128 Nu de andere kant. C.D. Meyer zag in het stuk niets wat anti-katholiek genoemd zou kunnen worden, niets onzedelijks, geen aanleiding tot ordeverstoring, want het publiek dat op Curaçao naar de schouwburg ging, bestond volgens hem niet uit het ‘gepeupel’, maar uitsluitend ‘uit beschaafde en verlichte Israëlieten, Protestanten en enkele Katholieken.’ ‘Iedereen weet, dat de lagere klasse hier de middelen niet bezit, om den schouwburg te bezoeken, en dit ook niet zou doen, al had zij die middelen, want onontwikkeld, onalphabeten, hoogst onkundig als zij is, heeft zij er niets aan.’ (De Wekker 16 XI 1901) Hij las het stuk (zoals kennelijk zeer velen in die dagen), en hij vond dat daar ‘literaire heldenmoed’ voor nodig was, wegens ‘die saaie, zouteloose en ellenlange samenspraken, vervat in zoo talrijke pagina's.’ Hij kon op grond van die lezing niets anders in het verbod zien dan het drijven van de R.K. partijgeest. Zijn bezorgdheid ging vooral uit naar het ongewenste precedent van de censuur. Dan was de houding van de Joden enkele jaren geleden heel wat waardiger, toen ze uit protest tegen La pasión de Cristo en masse wegbleven, maar niet om een verbod vroegen. Hadden de rellen in Spanje en daarbuiten in Europa voor veel publiciteit gezorgd, op Curaçao was het kennelijk niet anders, want ‘door het verbod is nu, blijkens de vele pogingen die er gedaan worden, om het drama ter lezing te bekomen en de talrijke bestellingen, die ervan gedaan zijn, - een flinke reclame voor een drama gemaakt, dat om diens onbeduidendheid en totaal gemis aan literarische waarde, hoogstwaarschijnlijk onopgemerkt zou zijn gebleven.’ (De Vrijmoedige 7 XI 1901) Tot zover zijn argumenten. Liberaal-esthetische en katholiek-zedelijke waarden botsten. Meyer wees het stuk op esthetische gronden af, maar hij zag overigens in het toneel een middel bij uitstek tot ‘nut en vermaak’ dat kon bijdragen tot de verdere beschaving van de maatschappij en de verstrooiing in het wat saaie eilandelijke leven: ‘Ons eiland is langen tijd verstoken gebleven van tooneelvoorstellingen, die den liefhebbers van dergelijke vermakelijkheden kunstgenot en voldoening verschaffen kunnen. Het gezelschap brenge wat leven in de brouwerij! Onze kleine maatschappij, die een niet eentooniger bestaan kon hebben, heeft van tijd tot tijd afleiding noodig, om zich niet te gaan verkniezen!’ (De Wekker 5 X 1901) Voor de kerk was elk laatste oordeel over een literair werk een moreel-religieuze visie. Dat gold het levende toneel in de eerste plaats, maar ook de romanlectuur. ‘Niet minder dan het drankmisbruik is de slechte en immoreele lectuur een “geesel onzer eeuw”,’ schreef de Amigoe niet zonder overdrijving. Uit het feit dat de krant daar steeds weer op terug kwam, bleek haar oprechtheid, want ‘in een aanlokkelijk gewaad komen de meeste romanboeken ter wereld. (...) Maar hoeveel van die boeken zijn er niet, die uiterlijk als goed onderhouden grafmonumenten zijn, maar van binnen vol verrotting, die de reinste sfeeren van onschuld en deugd in menig hart verpest.’[90] Het lezen van slechte boeken en kranten is als het innemen van vergif; goede lectuur is weliswaar een tegengif, maar het is natuurlijk niet verstandig om eerst beide zijden te willen kennen; je neemt ook niet eerst een portie vergif in en daarna een tegengif. Lees alleen het goede, dat wordt geadviseerd door personen die daarover kunnen oordelen, dus de priesters, aldus vrij samengevat het eerste artikel in het eerste nummer van La Cruz. (10 V 1900) Tegenover al dit soort negatieve uitspraken stelde de kerk positief, ‘dat de algemene en vaste beginselen, welke bij de beoordeeling der zedelijkheid van een kunstproduct als maatstaf behooren te worden aangelegd, moeten steunen op de verhouding der

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

menschelijke natuur in het algemeen, tot hetgeen Gods eeuwige Wet gebiedt of verbiedt.’ Op deze manier kan literatuur de verkeerde begrippen wegnemen; een goede richting geven aan het denkend en handelend leven van velen en vooral ‘het christelijk katholieke leven van ons volk, in zijn groei en bloei steeds hooger beuren.’ Eerste en laatste beoordelingsmaatstaf was niet een geaccepteerde esthetische waarde, maar het moreel-religieuze gehalte dat door de priester en hem alleen beoordeeld kon en moest worden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

129 Algemeen worden de jaren na de emancipatie gezien als het beginpunt van de Antilliaanse literatuur. Maar dat neemt niet weg dat ook in deze tijd de invloeden van buiten nog erg groot waren, door de import van boeken, het passanten-toneel en het door de Antillianen gespeelde buitenlandse repertoire, de literaire kritiek en dichterlijke tijdschriftbijdragen van exilados, en niet in de laatste plaats door het literatuuronderwijs. Waar bevinden we ons exact op het continuum tussen vreemd en eigen? We hebben immers ook uitgeversactiviteiten, de eerste literaire tijdschriften en eigen erkende literatoren kunnen aanwijzen. Het letterkundig verenigingsleven was divers en intensief. Het Papiamento kreeg een functie als cultuurtaal. De auratuur kreeg een prominente plaats als begeleidster van het dagelijks leven en op hoogtijdagen. De internationale oriëntering was nu niet meer uitsluitend op het moederland en Europa gericht, maar veeleer op de regio en Latijns-Amerika, niet meer Nederlands maar in de eerste plaats Spaans. Dat haalde de literatuur uit haar isolement en gaf haar geografisch regionale aansluiting, zodat ze via uitgever-boekhandel Bethencourt y Hijos de ‘source-target-rol’ omkeerde en op haar beurt voor het eerst een culturele uitstraling realiseerde. Zich ontwikkelende instituten als pers en onderwijs, verenigingen en kerk probeerden in de post-emancipatie-maatschappij samen een heel nieuw volk te ontwikkelen. Dat is niet gelukt. Het antagonisme liberaal-Rooms-Katholiek was behalve een tegengestelde visie op literatuur en leven, een tegenstelling in taalvoorkeuren, maar vooral een oriëntatie op enerzijds de elite en anderzijds het volk. De R.K. kerk heeft met haar bladen in het Papiamento het volk zonder meer een krachtige leesstimulans gegeven, die zeker een halve eeuw levenskrachtig is gebleken. Maar door haar angst voor ‘vergif’ heeft ze het volk ook kansen onthouden om meer tot zich te nemen dan de overwegend zoetelijke missieverhalen. In de decennia na de emancipatie valt op dat er alleen op Curaçao zo'n actief cultureel leven heerste, niet op de andere Antilliaanse eilanden. Zo er daar al toneelstukken gespeeld, voordrachten gehouden, gedichten geschreven werden - de bronnen geven de activiteiten niet aan. Wat er eventueel gebeurde bleef binnenskamers, trad niet in het openbaar. Er zal nog heel wat onderzoek (en geluk) nodig zijn om aan de weet te komen of er echt niets was of dat het tot nu toe verborgen bleef. Tot in de jaren tien van de twintigste eeuw was er ook op Curaçao volgens de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië nog geen literatuur, maar wij weten intussen beter. De Pool (1935) had weliswaar bedenkingen over het peil van een aantal auteurs in het schemergebied van journalistiek en literatuur, maar over anderen was hij heel enthousiast, vanuit zijn Spaanse optiek. Een enthousiasme dat door A.d.C. (1936) en Terlingen (1961) gedeeld werd, evenals door Debrot die in de jaren vijftig en zestig steeds weer geschreven heeft hoe belangrijk het was om de ‘oude meesters’ opnieuw te publiceren. Lauffer (1976) die een Papiamentse bril op had, sprak echter van de periode van de ‘imitatie’ die het nieuwe volk doormaakte; in zijn ogen kwam de ‘creatie’ pas na 1915 toen de oorspronkelijke, Papiamentstalige roman opkwam. Voorlopig zouden zowel het nog zwakke Papiamento als de grote broer daarvan, het Spaans, ernstig beconcurreerd gaan worden door het Nederlands toen de moederlanders zich onder invloed van de ‘ethisch-politieke richting’ in de eerste decennia van de twintigste eeuw van hun ‘koloniale opdracht’ bewust werden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Eindnoten: [88] Voor de algemene discussie, zie E. Inman Fox: ‘Galdós “Electra”’ (Anales Galdosianos I-1, 1966: 131-141). Van de veertien op dat moment op Curaçao verschijnende kranten waren er zes beschikbaar om na te gaan wat het redactiestandpunt in deze censuurkwestie was. Curieus was dat redacteur C.D. Meyer op dat moment de redactie over twee bladen voerde, De Vrijmoedige en De Wekker, waarin hij respectievelijk heel terughoudend en gematigd en op een zeer felle ruzietoon tegen de R.K. kerk ageerde. Hetzelfde gold trouwens voor de R.K. geestelijkheid die in Amigoe gematigd was, maar in La Cruz fel van leer trok. De kranten die op dat moment verschenen waren: De Curaçaosche Courant (J.P.E. Neuman); El Imparcial (Haim Penso); De Vrijmoedige (C.D. Meyer); De Wekker (C.D. Meyer); Amigoe (R.J.C. Wahlen); Oficina Maritima (A. Hendrik Senior); El Progreso (J.D. de Jongh); El semanario (W.C. Grünings); El Ganimedes de las Damas (D.D. Salas); El Anunciador (A. Bethencourt en Hijos); Diario del Comercio (M.N. de Castro); La Opinion Publica (H. Aumaillon); La Cruz (M.V. Zwijsen); El Positivista (G.K. Vinck). De Curaçaosche Courant meldde niets; De Wekker nam het redactie-artikel van La Opinion Publica in Nederlandse vertaling over. El Imparcial reageerde uitvoerig maar was nergens te vinden. Artikelen in De Wekker 9, 16 XI 1901; De Vrijmoedige 7 XI 1901; Amigoe 2, 9 XI 1901; La Cruz 6, 13, 20 XI 1901. [89] ‘Nunca un hende a mira den su bida un persona, koe a haja mehor sentimentoe pa via di comedia moderno! Personanan, koe a danja pa via di comedia, hende ta conta na miles; ma nan coe a conberti pa via di comedia, ta coe laterno mester busca nan.’ ‘tin un gran diferencia denter un pieza skirbir i un pieza representar; e di promer ta morto, e di dos ta biba.’ (La Cruz 6 XI 1901) [90] Amigoe 22 VI 1901, 7 VIII 1909. ‘No tin lugar di mundoe, oenda bao di flor di arte tin mas colebra scondí koe den teatro. Arte ta un boenita cos, arte ta jioe di Cieloe, arte ta refleho di Dios su boeniteza. Ma arte ta stop di ta jioe di Cieloe, asina el drenta den serbisji di maldad; anto mescos koe un dia Lucifer, Angel di Luz, a bira spiritu di tiniebla, arte ta bira un sirbiente di demonio.’ Dat laatste wordt het geval als er op het toneel stukken worden vertoond, ‘koe ta bofon di santidad di matrimonio, esnan koe tin combersacion, koe ta pone hende su cara bira corrá di berguenza, esnan koe ta representa esposo i esposa infiel, koe a ganja nan muher i nan marf; esnan koe ta moenstra amor tahá como un cos nobel, un cos boenita, un cos digna di imitacion, sí, tal piezanan ta corrumpi esnan koe ta tende i ta baha arte na un catiboe abominabel di mal pasionnan.’ (La Cruz 9 XII 1903) Het gaat dus kennelijk tegen komische stukken die een loopje nemen met de echtelijke trouw en de man-vrouw-verhoudingen. Wat romans betreft zag men eveneens gevaar: ‘Nos ta saluda coe gustoe tur boeki, koe ta defendé Cristianismo: ma nos ta doena nos spiertamentoe contra boekinan, koe bao di un bandera cristian, kier trecé inmoralidad contrario na doctrina cristian.’ (La Cruz 8 V 1901)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

131

Hoofdstuk V Holandisashon ‘Op school werd mijn liefde voor Nederland door het herhaaldelijk zingen van de schoone Vaderlandsche liederen, het luisteren naar boeiende verhalen uit Hollands onafhankelijkheidsoorlogen, grepen uit het leven van onze dappere helden in den ouden tijd, als Piet Hein, de Ruyter e.a. steeds wakker gehouden. Volgens mij was er geen ander land op gansch de wereld, dat zoo machtig was als Holland, geen één dat er mee kon wedijveren in dapperheid, of het kon evenaren in schoonheid, noch in roem, noch in sterkte. Dat zat vast in mijn kinderkop en werd dag aan dag onder de lessen meer en meer versterkt. Ik wil hiermede laten zien dat het van het grootste belang en zeer noodzakelijk is op deze wijze het Vaderlandsch gevoel warm en levend te houden in de gemoederen van onze jonge kinderen.’ (H.E. Lampe: Neerlandia 1923: 134)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

132

1899

Van Deventer schrijft zijn Gids-artikel ‘Een eereschuld’.

1902

‘Kan de Hollandsche Taal hier algemeen worden?’

1903

Op Sint-Eustatius ontstaat de eerste A.N.V.-bibliotheek.

1904

Het socialistische kamerlid H. van Kol spreekt van de door hem bezochte ‘noodlijdende kolonie’. De Groep Nederlandse Antillen van het Algemeen Nederlands Verbond wil ‘Nederland in Curaçao doen leven’.

1905

Op 27 september verschijnt Joseph Sickman Corsen: ‘Atardi’in La Cruz.

1907

Een nieuw onderwijsreglement eist het gebruik van zoveel mogelijk Nederlands op school. Uit protest sturen een aantal Sabanen hun kinderen naar Barbados.

1908

De betrekkingen met Venezuela bereiken een dieptepunt.

1911

J.C. Waymouth krant St. Martin Day by Day verschijnt; het zal zich sterk maken voor de Bovenwindse los-van-Curaçao-beweging.

1915

Curaçao wordt een ‘olie-eiland’. Een dominee, een pater en een frater discussiëren over het Papiamento als cultuurtaal.

1922

De Antillen krijgen een nieuw regeringsreglement. Er breekt een grote havenstaking uit. Het tweede La Union verschijnt, met daarin talrijke Papiamentstalige originele roman-feuilletons. Op Sint-Eustatius wordt de Gertrude Judson Library geopend; Curaçao krijgt een gouvernementsbibliotheek.

1923

Saba krijgt zijn Queen Wilhelmina Library, Sint-Maarten de Philipsburg Jubilee Library.

1924

De Lago vestigt zich op Aruba.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1925

Op Curaçao vestigt J.L. Stoit Dyck de eerste ‘Hollandsche Boekhandel’.

1929

De ‘Affaire Urbina’ zet de kolonie op stelten. La Charité wordt opgericht.

1930

Het R.K. Theater Brion wordt geopend met de opvoering van het Spaanstalige ‘Fabiola’. De Sint-Augustinus Boekhandel opent zijn deuren.

1931

In de Curaçaosche Schouwburg wordt de eerste voorstelling gegeven.

1932

Opnieuw wordt er heftig gediscussieerd over de taalkwestie. De Dietse Spelers brengen Nederlands toneel op Curaçao en Aruba.

1933

Wilhelm Netherwoord publiceert zijn Bovenwindsche Stemmen. Aruba onderneemt de eerste stappen voor zijn ‘status aparte’.

1934

Nederland en de kolonie vieren hun vierhonderdjarig verbond. Cola Debrot publiceert het eerste deel van ‘Mijn zuster de negerin’ in het tijdschrift Forum.

1935

Het eerste nummer van de Beurs- en Nieuwsberichten verschijnt. John de Pool publiceert Del Curaçao que se va. Toneelgroep Emmastad geeft haar eerste voorstellingen. Oprichting van de Curaçaosche Kunstkring.

1936

Wijziging van de Staatsregeling. A.d.C. pleit in zijn columns onder het pseudoniem ‘Je maintiendrai / Nos tambe lo warda’ voor de eigen cultuur, taal en literatuur. Het Nederlands krijgt het monopolie als onderwijsvoertaal.

1937

De Curom start eigen uitzendingen. De Sociedad Bolivariana wordt opgericht.

1939

Sociëteit De Gezelligheid organiseert een boekententoonstelling.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1940

Op de 10de mei raakt ook de kolonie Curaçao verwikkeld in de Tweede Wereldoorlog.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

133

5.1. Curaçao en Nederland zijn een Rond de eeuwwisseling stond de kolonie voor ingrijpende veranderingen, in eigen land en internationaal, en met name wat de verhouding ten opzichte van het moederland betrof. Onder invloed van de opkomende ethisch politieke richting zou ‘Curaçao en Onderhoorigheden’ van een ‘wingewest’ tot een ‘ontwikkelingsland’ uitgroeien, maar daarmee werd de na de emancipatie op de eilanden op gang gekomen eigen ontwikkeling verstoord. Economisch was dat misschien wel een zegen, maar cultureel? De regionale cultuuroriëntatie werd vanuit Nederland omgebogen naar een Europese. De eerste decennia van de twintigste eeuw zijn een periode van weg-ebbende Spaanse invloed en een steeds sterker wordend Nederlands ‘element’ in de Antilliaanse samenleving. Dat leidde tot uitgebreide pers-polemieken, waarbij de taalproblematiek in het onderwijs steeds centraal zou staan. De eerste fase van de ‘drie-traps-hollandisering’ leidde direct na 1900 tot een echo van de Nederlandse schoolstrijd tussen Bijzonder en Openbaar onderwijs, die op de Antillen tot een taalstrijd werd, omdat de Missie het Papiamento propageerde voor het volksonderwijs, terwijl het Gouvernement slechts Nederlands in alle typen scholen wilde zien, zowel op de Benedenals de Bovenwindse eilanden. In het moederland werd de discussie nauwlettend gevolgd en in de pers becommentarieerd. De tweede discussie werd in 1915 in de kolonie gevoerd tussen een Nederlandse dominee op Aruba, en een pater en een frater-Neerlandicus op Curaçao. De inzet van deze felle polemiek was de onvoorwaardelijke erkenning van het Papiamento als cultuurtaal. De derde discussie werd op initiatief van Curaçaoenaars gevoerd tegen de op het eiland woonachtige Nederlanders. De inzet was een protest tegen de verdrukking van het Papiamento door het Nederlands. De discussies werden gevoerd op drie verschillende momenten van economischpolitiek-sociale ontwikkeling van de kolonie. Ze gingen over de volkstaal, maar slechts de elite voerde het woord. De rond de eeuwwisseling nog traditionele Antilliaanse maatschappij betekende armoede voor velen en welvaart voor een kleine elitegroep. De economische toestand was, na een korte bloeitijd wegens de fosfaatuitvoer, opnieuw ronduit slecht. De landbouw bracht niet veel meer op dan wat voedsel voor eigen gebruik, divipeulen en geitevellen. In de stad zorgden de populaire strohoeden voor enige werkgelegenheid en aanvullende inkomsten. Wel werden de havenfaciliteiten uitgebreid maar de handelsbeperkingen met Venezuela waren nog steeds van kracht, zodat daar ook al niet veel brood in zat. Vele arbeiders waren daarom genoodzaakt naar het buitenland te gaan om daar te werken aan de Surinaamse Lawaspoorweg of het Panamakanaal. De Pool (1935) en later W.F.M. Lampe (1971) schetsten een idyllisch beeld van de elite en zagen de massale armoede niet. De tijden waren zeker gemoedelijk voor de weinige welvarenden, maar de vele armen leden bij durende droogte vaak ronduit honger. Internationaal ging het in het begin van de eeuw wel zeer slecht met de Venezolaanse contacten. Er was sprake van een reeks incidenten ten gevolge van de al sinds de jaren zeventig opgelegde additionele invoerheffingen, van scheepvaartbeperkingen, en van talrijke politieke wrijvingen die op het dieptepunt van de betrekkingen in 1908 zelfs leidden tot blokkades van Venezolaanse havens met behulp van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Nederlandse oorlogsschepen. Gelukkig klaarde de lucht daarna wat op, maar nog in 1929 zouden er met de ‘Affaire Urbina’ enkele donkere wolken voorbij drijven. De politiek-economische wrijvingen hadden culturele repercussies. ‘Als niet-economisch, maar cultureel gevolg van de beroeringen aan de Vaste Kust en de gespannen verhoudingen tussen Venezuela en Curaçao, werd om te beginnen al terstond in 1901 het Groot-Seminarie

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

134 Scherpenheuvel gesloten, omdat de studenten wegvluchtten naar hun geboorteland. De volgende jaren zijn de Spaanse colegio's, die hier op Curaçao bestonden, stuk voor stuk opgeheven. Alleen dat voor meisjes op Welgelegen bleef voortbestaan.’ (Hartog 1961: 771) Het aantal exilados nam drastisch af, Spaanstalige toneelpassanten kwamen nauwelijks meer, er verschenen geen toonaangevende Spaanstalige tijdschriften meer. De generatie van Spaans-romantische schrijvers publiceerde na 1910 ook nauwelijks meer. Het Latijnsamerikaanse karakter dat de Antilliaanse samenleving kenmerkte, verdween steeds meer als cultuurfenomeen, hoewel het zich in het dagelijkse leven wel degelijk handhaafde. De veelvuldige werkmigratie naar Panama, Santo Domingo, Colombia, Venezuela en Cuba had geen enkele invloed op de literatuur en nauwelijks op de toenmalige oratuur in eigen land. Terwijl de Spaanse invloed taande, presenteerde het Papiamento zich steeds nadrukkelijker als mogelijk literair alternatief. Maar voorlopig domineerde het Nederlands. Nam de Spaanse invloed dus af, vanuit een ethisch-politieke gedachte nam na de eeuwwisseling de bemoeienis van het moederland met de kolonie juist toe. In Nederland publiceerde Van Deventer in 1899 zijn lange Gids-artikel ‘Een Eereschuld’, waarin hij sprak van ‘onze plichten’ en het ‘ontoereikende van onze staatszorg’. Zoals Engeland al een eeuw eerder, moest Nederland breken met de ‘exploitatie der kolonie’ en overgaan ‘naar het thans algemeen als juist erkende beginsel, dat de middelen en inkomsten van een bepaald koloniaal gebied moeten strekken ten bate van dat gebied en zijn ingezetenen.’ (Van Deventer 1899: 216) Het wingewestidee moest plaats maken voor een ethisch gericht denken. De laisser-faire-opvatting diende door het gouvernement verlaten te worden om plaats te maken voor de gedachte dat de kolonie moest worden opgeheven, worden beschaafd in westerse zin, ‘het beginsel, dat onze koloniën behooren te worden bestuurd, niet overheerscht, veel minder geëxploiteerd’. (219) Een visserijdeskundige als Boeke (1902), de landbouwprofessor Went (1902) en het socialistische kamerlid Van Kol (1904) bezochten de ‘noodlijdende kolonie’ met de beste bedoelingen. De laatste interesseerde zich voor meer dan alleen de economische malaise. Hij had een open oog voor de cultuuruitingen van het volk en hij bezocht zowel een ‘ocho dia’-viering als een tamboerdans. Over de taal schreef hij na alle negentiende eeuwse Nederlandse negatieve berichtgeving, als eerste heel positief: ‘Men moge dit betreuren of afkeuren, het zachte en kinderlijke Papiementsch is de volkstaal geworden. In vriendelijke en vertrouwelijke gesprekken wordt zij voortdurend gebruikt, en van kindsbeen af heeft men liefde gekregen voor haar naïeve wijze van uitdrukken, waarbij aan de denkbeelden meer of minder kracht wordt bijgezet door verschillende stembuigingen; men zingt haar zoetvloeiende woorden. Driehonderd jaren van Nederlandsch Bestuur vermochten haar niet uit te roeien; zij is één geworden met de bevolking der Benedenwindsche Eilanden, zij kan niet van haar worden afgescheurd, het is de taal waarmede velen hunner het brood moeten verdienen, de voor hen onmisbaar gewordene verkeerstaal.’ (Van Kol 1904: 385) De nieuwe Nederlandse houding bleek eveneens uit de aandacht van de Nederlandse pers die nogal wat over de kolonie ‘Curaçao en onderhoorigheden’ publiceerde en bij controversiële kwesties het standpunt van het moederland onder de aandacht van het Nederlandse publiek bracht, waarbij niet alleen de N.R.C. en de Maasbode veel ruimte aan de koloniën besteedden, maar ook regionale bladen. Dat was een nieuw

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

verschijnsel. Het Nederlandse publiek had kennelijk belangstelling voor koloniale vraagstukken. ‘Terwijl vaak wordt verondersteld dat eerst met de komst van de Shell (1915) de “vernederlandsing” van Curaçao zijn intrede doet, stellen wij hier vast, dat deze Nederlandse golf zich al geruime tijd daarvoor aankondigde,’ constateerde Smeulders (1987: 65) al.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

135 Literair gezien hield deze veranderde houding in dat het moederland zich veel explicieter ging bemoeien met de culturele ‘verheffing’ van het volk, en meer specifiek met de propaganda van de Nederlandse taal, allereerst in het onderwijs, dat als middel gezien werd waarlangs het Nederlands vastere voet in de kolonie zou kunnen verwerven.[1] Naast de op het einde van de negentiende eeuw dominante Spaans-regionale oriëntering was met name de ‘protestant blanco’ in de Antillen traditioneel Nederlands gericht. (Hoetink 1958) Dat bleek bijvoorbeeld op hoogtijdagen waarop de gevoelens van verbondenheid met het vorstenhuis uitbundig gedemonstreerd werden. De in 1888 ter gelegenheid van een kwart eeuw emancipatie getoonde ‘dankbaarheid’ jegens de vorst uitte zich opnieuw in 1898, toen Curaçao, ondanks de slechte economische toestanden, op grootse wijze drie dagen lang de kroning van Koningin Wilhelmina vierde. De verbondenheid van de kolonie met het moederland en Europa werd steeds weer nadrukkelijk bevestigd. Was een deel van het literaire genootschapsleven traditioneel al Nederlands gericht, het in 1896 opgerichte Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap versterkte die tendens, niet alleen naar leden en taal, maar het publiceerde zijn zes bekend geworden jaarlijkse verslagen ook in het moederland (terwijl er zulke uitstekende drukkerijen op het eiland zelf waren). De oprichting en de op het moederland gerichte activiteiten van het A.N.V. vonden in 1904 geprepareerde aarde. Niet alleen de nieuwe gouverneur J.O. de Jong van Beek en Donk (1901-1909), die sterk pro Nederlands was, maar ook de koloniale elite wenste de culturele banden met Nederland en zijn taal aan te halen. Vanuit de ethische visie voelde het gouvernement zich nu voor het eerst verantwoordelijk voor het volksonderwijs, dat ze uit de vaste greep van de Missie losweekte. Daardoor werd het Papiamentstalige volksonderwijs in de verdediging gedrongen. Naarmate de eeuw vorderde rukte het Nederlands stapje voor stapje verder op. (Smeulders 1987) De eerste conflicten bleven onbeslist, met enig voordeel voor het Papiamento en het R.K. bijzonder onderwijs, omdat de nieuwe onderwijsverordening van 1907 uiteindelijk bepaalde dat het onderwijs ‘zo veel mogelijk’ in het Nederlands gegeven diende te worden, waarmee de deur voor het Papiamento op meer dan een kier open bleef. Maar de kerk zou nog geen decennium later door een discussie in eigen gelederen tussen paters (die voor het Papiamento in het onderwijs bleven) en fraters (die volgens woordvoerder frater Walboomers onvoorwaardelijk voor het Nederlands waren) veel terrein en geloofwaardigheid in deze verliezen. Het Papiamento kreeg in de loop van de eeuw in het onderwijs de wind steeds meer tegen, tot het in de jaren dertig van het schoolerf verbannen zou worden.

Kan de Hollandsche Taal hier algemeen worden? Waarom is in de kolonie Curaçao het Papiamento en niet het Nederlands de taal van het volk geworden? Begin twintigste eeuw vond er omtrent dit probleem een ingewikkelde pers-discussie plaats in Nederland en op Curaçao, die werd geopend door de Missie, maar die ook het gouvernement raakte, met name waar ze in feite een (taal)strijd tussen openbaar en bijzonder onderwijs openbaarde. Een drietal

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Amigoe-artikelen, die prominent op de eerste pagina werden geplaatst en waarschijnlijk de mening van hoofdredacteur Pater A.J.C. Wahlen zelf en dus die van de kerk in zijn geheel vertolkt hebben, besprak de kwestie.[2] Er was sprake van een historisch verzuim. Was dat uit voorzichtig beleid en praktische zin om overwonnenen niet nodeloos voor het hoofd te stoten, of wegens gemakzucht en gemoedelijkheid? Toen de Nederlanders kwamen, bezat het volk al een eigen taal. Nederlandssprekenden vormden al spoedig een minderheid in de kolonie, toen ook Portugeessprekenden immigreerden. Er zijn wel veel Nederlandse woorden overgenomen, maar die werden alle verspaanst. Het Nederlands

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

136 verschilde zoveel van de ‘zuidelijke’ talen dat het moeilijk was aan te leren, en de taal functioneerde zo weinig in de maatschappij dat ze spoedig vergeten werd, ze was volstrekt niet nodig voor het vervullen van een maatschappelijke taak voor de meesten.[3] De paradoxale conclusie, maar zo doordacht dat ze jarenlang dezelfde bleef, luidde: ‘Moet het hollandsch dan verdwijnen in deze hollandsche kolonie? Volstrekt niet. Integendeel, onze moedertaal moet meer algemeen worden, ook als spreektaal in het huiselijk verkeer. Maar alleen in de stad, voor hen wien het mogelijk is deze moeilijke taal te leeren en te onderhouden en wien de kennis dezer taal nuttig is wegens maatschappelijke positie en omgang. Voor hen alleen is het doenlijk de hollandsche taal meer algemeen te maken. Wil men werkelijk het hollandsch meer algemeen maken, men beginnen [sic] met het te beperken.’ (Amigoe 9 VIII 02) De discussie werd ingewikkelder doordat ze gekoppeld werd aan de onderwijsproblematiek. De paters en fraters verzorgden het Papiamentstalige volksonderwijs, dat ze vurig bepleitten; de in 1901 benoemde gouverneur J.O. de Jong van Beek en Donk wilde openbaar onderwijs in uitsluitend het Nederlands, waartoe hij al snel een nieuwe regeling ontwierp, die echter pas in 1907 van kracht zou worden.[4] Het consequente standpunt van de kerk was een tussenstandpunt: begin met de eigen taal van het kind, leer daarna de vreemde Nederlandse taal aan wie die moeilijke taal kan leren en die haar voor het beroep later nodig zal hebben. Dit alleszins redelijke (moderne) standpunt verzwakte men evenwel door ter vergelijking de taalsituatie in Indië aan te halen. Dit zou het odium op de redactie en de geestelijkheid kunnen laden, het volk dom te hebben willen houden met het Papiamento: ‘Waar de Javaan rijst noodig heeft, vóór alle dingen rijst, is het gladweg onzin om hem hollandsch te gaan leeren. Elke cent daarvoor besteed, is weggeworpen.’ In een volgend artikel stemde de krant daarom in met de gedachte dat het omgekeerde zou plaatsvinden en de Europeaan de landstaal zou aanleren: ‘Mochten ook wij hierin meer steun ondervinden van goed onderlegde papiamenters.’[5] Dat het standpunt met zijn teneur ten gunste van het ontegenzeggelijk recht van bestaan op en voortbestaan van het Papiamento, niet algemeen gedeeld werd, niet in het moederland en niet in de kolonie, bleek wel uit de daarop volgende discussie. De Amigoe bevond zich met zijn steeds weer in de krante-kolommen herhaalde standpunt tussen twee vuren. Vanaf 1900 waren er in het blad Neerlandia van het in 1898 opgerichte Algemeen Nederlands Verbond, dat als hoofddoel de verbreiding van Nederlands taal en cultuur had, al enkele artikelen verschenen die wezen op de geringe verbreiding van het Nederlands in de kolonie. Aan de andere kant verdedigde en propageerde het pas opgerichte Papiamentstalige La Cruz (1900) de volkstaal met verve. R.K. kringen protesteerden tegen het uitsluitend gebruik van het Nederlands op alle scholen en tegen ongenuanceerde uitingen als: de Gouverneur wil een einde maken ‘aan de stiefmoederlijke wijze, waarop veelal het Nederlandsch bij het onderwijs nog behandeld wordt’. Van de andere kant van de oceaan kreeg ‘men’ nu plotseling oog voor de taalproblematiek in het Curaçaose onderwijs. Het was een issue waar ook de Nederlandse pers zich mee dacht te moeten bemoeien en ‘het waren vooral de taal en onderwijstoestanden, welke de ergernis van zeer velen in het moederland opwekten’.[6]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Gaven twee Nederlandse kranten het standpunt weer zoals door de Amigoe verwoord, ‘Een vriend van Curaçao’ bestreed het in een derde met felheid, door te wijzen op het geringe aantal mensen ‘die eene gebrekkige, arme, primitieve taal spreken, een taal die geen enkel werk heeft voortgebracht en dat ook nooit zal doen’. Volgens hem isoleerde het Papiamento het volk van alle ‘geestesproducten van het menschdom’, daarmee aansluitend bij het standpunt van zovele 19de eeuwse Nederlandse auteurs.[7] Schreven in Neerlandia de ‘zeer goed ingevoerde’ Nederlander J.H.J. Hamelberg gematigd, de Curaçaoenaar J.H.M. Chumaceiro meer uitgesproken negatief over de volkstaal, fulmineerde de pas in de kolonie gearriveerde waarnemend administrateur F. Bartelink in een serie artikelen halsstarrig tegen het Papiamento,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

137 culminatie en negatieve climax was ongetwijfeld het anonieme artikel ‘Het verval van Curaçao’ dat met zijn strijd tegen de ‘wat taal aangaat nog lager dan den Hottentot’ geplaatste, die ‘zich de weelde veroorlooft een eigen en eenige taal er op na te houden - - een taal bovendien, die geen taal is. Dat is het werk der groote Kerk. Intusschen de arme neger is er het slachtoffer van, de blanke bevolking doet mee, en...de menschen in het vaderland kennen hun kolonie niet.’[8] Het artikel maakte een stroom van reacties los. Pater Euwens schreef uitvoerig en op rustig betogende toon over ‘Het beschavingswerk op Curaçao’, waarbij hij de verworvenheden van de Missie inzake de beschaving van de Curaçaoenaar - dat was voor hem de manier waarop deze zich een Westeuropese en godsdienstige levensstijl had eigen gemaakt - verdedigde.[9] A.N.V.-man J.A. Snijders schreef ironisch: ‘Sedert ongeveer 5 jaren heeft men ontdekt, dat in onze kolonie, waar bijna 3 eeuwen onze driekleur waait, onze stambroeders het Hollandsch niet als huistaal gebruiken.’ De ‘schuld’ daarvan lag volgens hem niet bij de Curaçaoenaar, zoals men meestal gewoon was te beweren, maar bij de Nederlander zelf, want die had de Curaçaoenaar van zich vervreemd. Na een vergelijking met Indië, Zuid-Afrika, Suriname en Noord-Amerika, besprak Snijders de andere omstandigheden van Curaçao, zijn handel, de huwelijken met vrouwen van de overwal en de rol van de jaja. Het natuurlijk gevolg was veeltaligheid. Als oplossing wilde Snijders dat de Nederlander zijn taal propageerde: ‘Spreekt met geen enkelen Curaçaoenaar Papiamentoe, Spaansch of Engelsch, maar steeds Hollandsch, tenzij gij in sommige gevallen niet verstaan wordt.’ De Curaçaoenaar moest het Nederlands accepteren: ‘Curaçaoenaars, wanneer gij Nederlanders wenscht te blijven bedenk dan, dat het eerste kenmerk van den Nederlander moet zijn, dat hij Nederlandsch spreekt.’ Daarnaast pleitte hij voor uitbreiding van het onderwijs, opleidingen voor ambtenaren, studiebeurzen in Nederland, en activiteiten als die van het A.N.V. als geëigende middelen om het Nederlands meer ingang te doen vinden. Snijders predikte kortom nagenoeg het officiële R.K. standpunt; hij verdedigde de geestelijkheid en haar preek- en onderwijspolitiek ferm, zodat hij op zijn beurt in de Amigoe uitvoerig en instemmend werd aangehaald. Tegenover al deze standpunten verdedigde La Cruz het Papiamento op zijn eigen wijze, in die taal zelf: ‘Papiamentoe ta un plantji, propio di suela di Curaçao, Bonaire i Aruba; un plantji indígena, koe a crece aki i koe tin bida: es plantji singular Holanda mester cultiva manera un cos procioso.’ (La Cruz 21 V 1902) La Cruz verdedigde het Papiamento zonder meer als cultuurtaal. Die taal kende immers al een lange geschiedenis, en was wel degelijk een taal net als andere die indertijd ook als dialect ontstonden: ‘nos idioma ta un lenga, koe tin un porvenir mescos koe cualkier otro lenga.’ (La Cruz 18 VI 1902) Ook ingezonden brieven verdedigen het Papiamento tegenover het Nederlands, dat ook maar een kleine taal was. Niemand kan een bepaalde vreemde taal opleggen aan een ander en ieder volk heeft recht op een eigen taal. De redactie pleitte zelfs voor tweetaligheid van alle officiële, gouvernementele stukken. Op de vraag of de taal in staat was abstracte ideeën te verwoorden, antwoordde de La Cruz redactie dat dat steeds weer gebeurde, zowel van de kansel als ‘den boeki di prosa i poesía den nos idioma’. (La Cruz 18 VI 1902) Vanaf 1900 verschenen de eerste Papiamentstalige gedichten in La Cruz, maar pas in 1905 zou

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Josef Sickman Corsens ‘Atardi’ in al dit schemerduister het Papiamento-gelijk zonneklaar bewijzen.

Joseph Sickman Corsen: ‘Atardi’ Midden in deze taaldiscussie Nederlands-Papiamento verscheen wat nu algemeen als het oergedicht van het Papiamento beschouwd wordt, ‘Atardi’ van de Curaçaose musicus-auteur J.S. Corsen. Tegenover alle in die dagen gebruikelijke Spaans- en Nederlandstalige hoogdravende elocuencia en retoriek gaf het een eenvoudig-beklemmend beeld van een persoonlijk levensge-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

138 voel, gesymboliseerd in een zonsondergang en de daarop volgende schemering.[10] De La Cruz-redactie liet de publicatie vergezeld gaan van een inleiding die het Papiamento verdedigde als een voor poëtische doeleinden uitermate geschikte taal. F.J.A. van den Donk roemde de eenvoud van taal van deze begenadigde dichter, vertaler G. Pinedo schreef in zijn inleiding onder meer ook juist over de taalkwestie: ‘Ik hoop den belangstellende te helpen in het leeren kennen van den juisten zin van ons zeer dikwijls gelasterd en verguisd, maar toch machtig zoet en altijd liefelijk Papiamentsch.’ Corsens gedicht riep dus direct zeer gunstige reacties op in de kringen van de R.K. geestelijkheid en daarbuiten, voornamelijk wegens het gebruikte Papiamento.[11]

De Bovenwindse eilanden Op de Bovenwinden werd dezelfde Nederlandse-taaldiscussie gevoerd, maar met enigszins ander resultaat. Het ontging ook de meest fervente ‘Groot-Nederlanders’ niet dat op de drie S-eilanden een wereldtaal als moedertaal gesproken werd, waartegenover men toch anders stond dan tegenover het zwakke, door zo weinigen gesproken Papiamento. Werd er op Curaçao al nauwelijks Nederlands gesproken, op de Bovenwinden was de situatie ‘nog erger’, want daar begreep zelfs bijna niemand die taal. Van de ongeveer vierduizend inwoners van Sint-Maarten spraken er volgens opgave ongeveer vijfendertig Nederlands, dat wil zeggen dat die Nederlands konden spreken. Voor Sint-Eustatius en Saba waren die cijfers nog geringer. In een drietal prominent op de voorpagina geplaatste artikelen verdedigde de Amigoe-redacteur voor de Bovenwinden eenzelfde standpunt als voor Curaçao, omdat de omstandigheden dezelfde waren. Nederland had de verbreiding van zijn taal in het verleden verwaarloosd om praktische handelsredenen en het waren juist die omstandigheden en de ligging van die drie eilanden in een geheel Engelstalige omgeving, die ook nu nog voor het Engels pleitten. Nederlands was van weinig praktisch maatschappelijk en economisch nut, maar wilde je die taal op grond van nationalistische motieven verbreiden, dan moest je beginnen bij een kern van de beste leerlingen op de stadsschool, bij de ambtenaren (door in die branche vooral Nederlandssprekenden aan te stellen) en bij de rechtspraak. Of dat met die ambtenaren wat geworden is? Op school werden er door de onderwijzers in samenwerking met het Algemeen Nederlands Verbond wel enige (aandoenlijke) pogingen ondernomen om ‘Hollandsche feestavondjes’ te organiseren. Saba's A.N.V.- secretaris P.L. Gorsira moest echter meedelen dat de groep nog problemen had met ‘een echt Hollandsche avond’ omdat ‘slechts enkele Sabanen de Nederlansche taal machtig zijn’. Daarom zou onderwijzer J.H.P. Schrils een cursus Nederlands beginnen, ‘waartoe zoowel dames als heeren zullen worden toegelaten.’[12] Maar uit andere bron klonk een geheel andere reactie op het doorvoeren van het Nederlands via de onderwijsverordening van 1907. Op voorhand vertrokken zo'n driehonderd Sabanen met hun gezinnen naar het als ‘little England’ beschouwde Barbados, omdat ze niet wilden dat hun kinderen les zouden moeten volgen in het Nederlands.[13]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Deze discussies van het begin van de eeuw bewijzen hoe weinig verbreid het Nederlands in die tijd was op alle eilanden. Het koloniale gouvernement probeerde plotseling, dwars tegen de gegroeide traditie in, het Nederlands te propageren en in het onderwijs zelfs een monopoliepositie te geven. De felle reacties bewezen dat deze pogingen als on-welkom werden ervaren. Hiermee werd de kiem gelegd voor een (taal)conflict tussen Nederlanders en Antillianen, dat in schril contrast stond tot de co-existentie die tot dan aanvaard was.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

139

De taaldiscussie van 1915 In het tweede decennium van de eeuw stond Curaçao aan de vooravond van economisch en sociaal-demografisch zeer ingrijpende veranderingen, van een traditioneel patriarchale agrarische en handelsmaatschappij naar een moderne geïndustrialiseerde samenleving. De vestiging van de C.P.I.M., later opgegaan in de grote multinationale Shell en in haar gevolg een stroom van buitenlandse managers en arbeiders had tot gevolg dat traditionele bestuurders op het tweede plan gezet werden. De bevolking breidde niet alleen getalsmatig uit, maar werd ook veel gevarieerder, omdat nieuwe bevolkingsgroepen in alle lagen van de maatschappij doordrongen. Dat bracht vanaf de jaren twintig een grote taal- en godsdienstdifferentiatie mee. Maar voor het zover was barstte er binnen kerkelijk katholieke gelederen een felle discussie over het Papiamento als cultuur- en onderwijstaal los, die eerst bespreking verdient. In 1915 bereikte de discussie over het Papiamento naar aanleiding van enkele onschuldige spellings-artikelen van de op Aruba wonende en werkende dominee G.J. Eybers, de felle reacties daarop van de leraar-Nederlands Herman Walboomers en de daarop reagerende stukken van pater P.J. Poeisz en pater P.A. Euwens een voorlopig hoogtepunt.[14] De discussie is met één lang citaat van Pater Poeisz over het Papiamento als volgt samen te vatten: ‘In die taal heeft de Kath. Kerk het volk opgevoed. Daarin wordt gepreekt, biecht gehoord, gebeden, gezongen, katechismus gegeven. In die taal worden dikwijls tooneelstukken opgevoerd, boekjes geschreven. In die taal verschijnt elke week een Courant, die door het geheele volk gelezen wordt. Is dat alles geen cultuur? Nu de deftige Curaçaosche families, die het Papiamentsch gebruiken van de wieg tot aan het graf, en die er hun hoogste en heiligste belangen in bespreken, en hun lief en leed uitdrukken met een klaarheid en kracht, die wij hun in 't Hollandsch niet zullen verbeteren. Ook van hen geldt hetzelfde dilemma. Een van de twee; Ofwel deze families bezitten geen “beschaafde en ontwikkelde mentaliteit” en dat is een grove belediging. Ofwel het Papiamentsch dat hun tot conversatietaal dient, is wel degelijk een cultuurtaal.’ (Amigoe 23 X 15) Verdedigden de paters al bijna een halve eeuw het Papiamento als taal voor het volksonderwijs en de volksontwikkeling, de fraters dachten er vanaf hun komst in 1886 heel anders over: Walboomers propageerde in de felle discussie van 1915 het Nederlands, en zijn standpunt zou in de komende decennia algemeen aanvaard worden, door de media in het moederland krachtig ondersteund. Walboomers gaf af op het Papiamento als een onbeschaafde taal en pleitte met veel historische en taalvergelijkende argumenten voor het volgens een directe methode aanleren van de cultuurtaal Nederlands ‘als een nationale plicht als zonen en dochteren van Groot-Nederland’, want ‘gelijkheid van taal is het schoonste symbool van één-voelen en één-zijn’.[15][15] De fraters zijn achteraf beschouwd de kampioenen voor het Nederlands geworden, door het Papiamento op school te bestrijden waar het mogelijk was. ‘Een frater of zuster, die zijn [sic] leven wijdt aan de opvoeding van de jeugd op Curaçao, zich zelf geeft, zijn persoon, doet meer voor de culturele belangen van Nederland, dan een half dozijn krantenschrijfsters en -schrijvers die rustig in Holland zitten en uit de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

treure den mond vol hebben over cultuur en over de taak van Nederland op Curaçao.’ (Amigoe 3 XI 28) Maar terug naar 1915. Als Curaçaose woordvoerder schaarde W.M. Hoyer zich prominent aan de zijde van de paters. Hij zag in de volkstaal een cultuurtaal, die op den duur vanzelf ook literatuur zou voortbrengen, want hoeveel literatuur bezaten de Europese talen in de eerste eeuwen van hun ontwikkeling? Hij verstond volgens contemporain gebruik onder literatuur nog al het geschrevene: ‘Koe Papiamentoe no tin literatura, esai por ta berdad, pasobra poco boeki tin scirbi na Papiamentoe. Ma cuantoe boeki nan a skirbi na francés, spanjol, etc. den promer tres siglo di nan existencia? Podi ser no asina tantoe koe tin na Papiamentoe awor.’ (La Cruz 27 X 15) In

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

140 hetzelfde artikel maakte hij daarna toch wel onderscheid door preken, proza en poëzie apart te noemen; vooral zij moesten bewijzen dat een taal beschaafd was, maar wat belangrijker was, dat ze onze moedertaal, de taal van ons land was: ‘Nan por jama nos lenga: een onbeschaafde taal, es decir, un lenga koe no por hiba nos na regionnan altoe, ma afortunadamente pulpito, prosa i poesia den nos lenga ta doena un respondi basta cla riba es acusacion aki. Papiamento por ta un dialecto, un lenga inciviliza, ma e ta keda lenga di nos mama, idioma di nos tera, loke ta caro pa toer hende.’ (La Cruz 27 X 15)

De ‘olie’ In de rond 1915 nog steeds zorgwekkende sociaal-economische toestand met zijn kwijnende grootlandbouwbedrijf en in het algemeen geringe gelegenheid tot werk en inkomsten, was de vestiging van een Shell-overslagbedrijf en raffinaderij een uitkomst, zeker toen deze na enkele aanloopjaren al in de jaren twintig flink kon uitbreiden. De ‘olie’ betekende een nieuwe fase in een nu nog ingrijpender vernederlandsing. De ongekend snelle industrialisatie maakte de komst van gediplomeerde buitenlanders, onder wie vele Nederlanders (en Surinamers), als technisch personeel, voor het bestuur van land en eiland, de wetgeving, het onderwijs, de politie, maar ook het zakenleven en in de bedrijven (pletters) onvermijdelijk. Zij allen waren economisch koopkrachtig en demonstreerden een Nederlands-Europese leefstijl, waarbij de eilandelijke werker nog verder in de achterhoede raakte, ook als hij een bestaan bij de ‘international’ zocht. De onvrede vond een uitweg in de stakingen van 1921, en in de grote havenstaking van het jaar erop. De door de industrialisatie en bevolkingstoename noodzakelijke uitbreiding van de tot dan toe zeer eenvoudige of zelfs gebrekkige infrastructuur leverde veel werk op. De tot in de jaren twintig durende arbeidsemigratie naar Cuba en andere landen in de regio, werd tot een immigratie van Bovenwinders, Arubanen, Bonaireanen en Surinamers, vanuit de Engelse Cariben, van Venezolanen en Colombianen, zelfs van Portugezen, Libanezen en Oosteuropese Joden. Deze zo grote verscheidenheid aan mensen werd door het koloniale gouvernement zoveel mogelijk volgens nationaliteit, dus in gescheidenheid gehuisvest. In 1930 was ruim 28% van de Curaçaose bevolking van buiten het eiland afkomstig en sprak geen Papiamento; 24% verstond het zelfs niet. (R.A. Römer 1979: 69) Omdat de door Nederlanders geleide Shell zich als een autonoom ‘eiland in een eiland’ gedroeg, en de Nederlandse gouverneur zich veelal zeer gevoelig toonde voor alles wat ‘des Shells’ was, kreeg de Curaçaoenaar zelf meer en meer de indruk vreemdeling op eigen eiland te zijn, waar anderen voor en over maar zonder hem beslisten. (Van Soest 1977) Een antagonisme tussen Curaçaoenaar en macamba (Nederlander) was het gevolg. De Nederlander die einde negentiende eeuw min of meer in de eilandelijke samenleving integreerde, omdat hij langer bleef, soms zelfs in een oude familie introuwde en in elk geval het Papiamento aanleerde (Smeulders 1987: 42; Jesurun 1897: 96), was niet met deze generatie te vergelijken, die maar voor een korte periode ‘uitkwam’ en vanuit een modieus besef van meerwaardigheid absoluut niet integreerde, maar zich zeer afzijzig hield van de Antilliaanse

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

maatschappij, zowel in zijn persoonlijk leven als organisatorisch in eigen club. Door het Shell-beleid om de Nederlandse stafleden in Emmastad en Julianadorp achter hoge hekken te huisvesten werd de uitzonderingspositie gesymboliseerd. De nadrukkelijke demonstratie van Nederlandse leefcultuur completeerde het antagonisme. De Shell maakte op deze manier (waarschijnlijk onbedoeld) van een autochtoon begonnen proces van holandisashon een allochtoon verschijnsel, waarvan de Curaçaoenaar zich al spoedig afkeerde, niet alleen de zwarte maar ook en met name de uit zijn machtspositie onttroonde protestant blanco. ‘Tegen deze achtergrond wordt het verschijnsel, dat juist deze meest “Hollandse” groep van de oude Curaçaose samenleving sterke ressentimenten

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

141 ging koesteren tegen de “nieuwe Hollanders”, begrijpelijk en minder paradoxaal dan het lijkt.’ (R.A. Römer 1979: 91) Het scheppen van distantie uitte zich onder meer in een verzet tegen de holandisashon, in een taalverzet, waarbij het Papiamento hèt kenmerk werd van de autochtone Antilliaan tegenover de buitenlanders en de invloeden van buitenaf. De nieuwe maatschappij eiste een ander, minder afzijdig overheidsoptreden, ook op cultureel gebied. Nieuwe Openbare bibliotheken, steun voor een Hollandsche Boekhandel met Nederlandse leesstof en een nieuwe schouwburg waren het resultaat. Een bijkomend gevolg was de secularisering, althans ‘de-katholisering’. Aan het regime van de R.K. kerk kwam na verloop van tijd en na een aantal achterhoedegevechten een einde, want ze raakte meer en meer haar maatschappelijke invloed kwijt. Niet de kerk verschafte de nieuwe banen bij de traditionele handelaars en kantoorhouders op voorspraak van Meneer Pastoor, maar de onpersoonlijke zakelijkheid van de buitenlandse manager van de raffinaderij. De R.K. kerk die tot dan toe zo'n sterke invloed had op het sociaal-culturele leven, reageerde door zich nog meer vast te klampen aan het oud-vertrouwde van haar traditie. Waar ze een halve eeuw eerder onvoorwaardelijk voor de ‘civilisashon’ had geijverd, keerde ze zich nu tegen de ‘civilisashon moderna’, waar ze bij de eerste emancipatie voorop had gelopen, raakte ze in de achterhoede bij de tweede. Ze wist op de nieuwe omstandigheden geen ander antwoord dan het oude paternalisme, dat weliswaar vóór maar nooit dóór het volk besliste. Ze was meer met de emancipatie van haar organisaties als vakbonden, krediet- en begrafenisvereniging en het weekblad La Union bezig dan met die van de individuele gelovigen tot zelfstandige mensen. Ze voelde zich in de verdediging gedrongen en was genoodzaakt de tendens tot secularisering, die door al die nieuwkomers gevoed werd, fel te bestrijden. Op cultuurgebied betekende dat een zich blijvend afsluiten in eigen kring, isolement van eigen organisaties, een pleidooi voor het traditionele toneel, argwaan tegenover de bioscoopfilm en pogingen om de lezers te blijven pakken door middel van feuilletons, dialogen en conta cuenta. ‘De R.K. Missie heeft zich steeds ingezet voor het welzijn van de arbeidende klasse; haar benadering was evenwel te conformistisch en haar houding te autoritair-paternalistisch om de zelfwerkzaamheid van de arbeiders te stimuleren.’ (R.A. Römer 1979: 100) Op taalgebied handhaafde ze haar gewoonte om het kerkvolk in het Papiamento te benaderen. In het onderwijs ging de Missie geheel overstag en werd ze een onvoorwaardelijk voorstandster van het Nederlands. Het eind negentiende eeuw door haar gepropageerde Spaans verdween achter de horizon van de Nederlands-Europese cultuur-oriëntatie.

De taaldiscussie in de jaren dertig Na een korte periode van inzinking rond de crisisjaren breidde de Shell in het derde decennium weer sterk uit, wat opnieuw een toename van het aantal werknemers van buiten het eiland betekende. In deze tijd werd het Nederlands de taal voor de sociale mobiliteit. Niet alleen bij de Shell, ook bij het Bestuur, het bedrijfsleven, en zelfs als men een eenvoudig baantje als huishoudster of werkster ambieerde, werd Nederlands als voorwaarde gesteld. Werd er nog aan het begin van de eeuw gediscussieerd of

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

het Nederlands wel algemeen kon of moest worden, in de jaren dertig was daarover van koloniale zijde geen twijfel meer mogelijk.[16] Dat niet iedere Curaçaoenaar dat voetstoots en protestloos wilde accepteren bewees de taaldiscussie die in 1932 losbarstte nadat een met ‘Patriota’ tekenende ingezonden-stukken-schrijver in het Papiamentstalige La Union zijn liefde voor zijn taal beschreven had. ‘Een waar Patriot’ viel hem in de Amigoe in het Nederlands aan: ‘Gij jongelui, “die vooruit wilt komen” spreekt Hollandsch. Anders komt ge niet vooruit. Ontwikkelt U in en door het Hollandsch.’ Waarop

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

142 ‘Een Curaçaos Patriot’ zich in een speciaal protestnummer van La Union afvroeg of ‘zoo'n mensch die hier komt om zijn brood te verdienen, of waarvoor dan ook’ zo maar het recht mocht hebben om ‘de heiligste gevoelens van de Curaçaoenaars te schenden’, daarmee de taaldiscussie naar het antagonisme Curaçaoenaar - Nederlander ombuigend: ‘Curaçao spreekt en zal altijd zijn Papiamentsch onvervalscht blijven spreken, al komt er een miljoen van zulke hatelijke Hollanders van het gehalte van “een waar patriot” ons iets anders voorschrijven.’ De strijd liep dermate hoog op dat er protestbrieven naar de gouverneur werden gestuurd en dat de bisschop tussenbeide moest komen om de zaak te sussen.[17] Twee jaar later stonden er van Nederlandse kant mooie woorden in het Gedenkboek Nederland-Curaçao 1634-1934: ‘Elke koloniale mogendheid heeft uit oude tijden zware schulden goed te maken; geprezen onze tijd daarin, dat wij eerlijk de onze willen inlossen met die nieuw verworven wijsheid die samenhang en doordringing beoogt, zonder minachting en verwaarloozing van het autochthone. Bij zulke hooge beginselen leeft ook de nieuwe zendingsmethode; en zullen wij eveneens de ons toevertrouwde Nederlandsche onderdanen op Curaçao, blank en bruin, tot telkens rijker zegen zijn.’ (p. 378) Maar de werkelijkheid was anders omdat ‘het drijven van de C.P.I.M.’ (Römer 1979: 86-87) koste wat kost de vernederlandsing van Curaçao propageerde. Shell-employees wilden dat het onderwijs werd afgestemd op de Nederlanders die tijdelijk op Curaçao woonden, zodat hun kinderen in Nederland zonder strubbelingen konden doorstuderen. Met name op de Shell-school van Negropont voerde men een compleet Nederlands programma door, wat de overige scholen sterk beïnvloedde. Men eiste dat het Papiamento verboden werd, opdat ‘onze Moedertaal grondig wordt geleerd en gesproken’. (Amigoe 3 VIII 35) Stapje voor stapje realiseerde men in het onderwijs een steeds verder strekkende verhollandsing, tot bij wet van 1935 (PB 43) het Antilliaanse onderwijs een copie van het Nederlandse werd. Voortaan was het Papiamento binnen de schoolmuren taboe, de Europese waardenoriëntatie was verzekerd. De mulo kreeg in 1935 staatsexamens met Nederlandse leerstof.[18] Betekende de nieuwe onderwijs-verordening de definitieve overwinning van het Nederlands, zijn positie bleef nooit onbesproken en de discussies ten gunste van het Papiamento laaiden al direct na de eerste statenverkiezingen van december 1937 weer op. Was het onderwijs een middel om Curaçao te verhollandsen, het was niet het enige. Mochten er als gevolg van de tegenstellingen tussen katholieken en gouvernement specifiek R.K. bibliotheken tegenover de Openbare Leeszaal en Bibliotheek ontstaan zijn, mocht het R.K. Theater Brion een concurrent van de Curaçaose Schouwburg Maatschappij vormen, de St. Augustinus Boekhandel een tegenwicht van de Hollandsche Boekhandel betekenen, in de propaganda van het Nederlands steunden de organisaties elkaar. Het gouvernement ondernam pogingen om de ambtenaren zoveel mogelijk Nederlands te doen spreken, als het enigszins mogelijk was tegen het publiek, maar in elk geval onder elkaar. De techniek maakte de afstand met het verre moederland kleiner door de mogelijkheid van vliegverkeer en door de directe radio-ontvangst nadat de Curom ‘overzeese’ uitzendingen vanuit Nederland was gaan verzorgen, met onder veel meer Anton van Duinkerkens Nederlandse

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

boekbesprekingen. De Shell versterkte het Nederlandse element door een eigen nieuwsblad Beurs- en Nieuwsberichten en een toneelvereniging Emmastad. Tegen dit Nederlandse ‘cultuurimperialisme’ konden de verdedigers van het Papiamento weinig stellen. Auteurs als M.A. Fraai, W.M. Hoyer, W.E. Kroon en S.M. Suriel propageerden bovendien door middel van hun feuilletons en gedichten een Papiamento dat zo dicht mogelijk bij het Spaans aansloot, maar ze gaven die pogingen in de loop van de jaren dertig eveneens teleurgesteld op.[19] In een oordeel achteraf vond Ernesto Petronia, die in 1932 een romanfeuilleton volgens de moralistische missie-traditie in de R.K. weekbladpers plaatste, dan ook dat het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

143 Papiamento in de jaren dertig geen middel tot een ‘way up’ meer was, maar onder kerkelijke curatele een rem geworden was op iemands persoonlijke ontwikkeling: ‘Het was een zegen dat het Nederlands verder domineerde. Voor onze generatie was het Nederlands de voorwaarde om te ontsnappen. De arbeidsplaatsen waarop de rooms-katholieke missie geen invloed meer had, de raffinaderij en de overheid voorop, waren de tastbare mogelijkheden om vooruit te komen en daar had je Nederlands voor nodig. Ik heb daar gebruik van gemaakt. Het schrijven van romans als “Venganza di un Amigo” hoorde daar niet bij.’[20] Ondanks het Nederlandse ‘succes’ was de taal van bovenaf opgelegd, ze was niet het resultaat van een volksbeweging, ze bleef derhalve een dun vernisje, een oneigen element; wat de Nederlanders echter nooit wilden toegeven. Dit koloniaal opgelegde ‘Nederlandse element’ bleek op Curaçao verreweg het sterkst. De daar eind negentiende eeuw ingezette ontwikkeling van een creoolse cultuur werd door het Nederlands verbroken, zonder dat die ontwikkeling evenwel ook maar enige plaatselijke Nederlandstalige oratuur, auratuur of literatuur van betekenis voortbracht. Die moest via Cola Debrot in de jaren dertig vanuit Nederland komen. Op de andere Antilliaanse eilanden was het Nederlands veel minder dominant. Hoewel Aruba door zijn Amerikaans gerunde Lago-raffinaderijen een vergelijkbare sociaal-economische ontwikkeling doormaakte, heeft daar nooit zo'n sterke invloed van het Engels bestaan. Tegenover het Nederlands bestond er zoveel reserve dat het nooit de status van ‘eigen’ kreeg, ondanks enkele nieuwsbladen en boekuitgaven. Op de min of meer onaangeraakte eilanden kon een creoolse cultuur in eigen tempo evolueren, al moet wel worden gezegd dat Shell en Lago zoveel arbeidskrachten van de Bovenwinden wegzogen dat die werkmigratie en de ten gevolge daarvan ontstane postwissel-economie een eigen ontwikkeling ernstig heeft belemmerd. De Nederlandse pogingen om door middel van onderwijs en bibliotheek het Nederlands te pushen hadden ‘boven de wind’ weinig succes; ze waren daarvoor te zwak en het Engels was te weerbaar. Aan de andere kant werd de Engelse invloed op Curaçao vergroot door de arbeidsmigratie van de Bovenwinden en de Engelse Caraïbische eilanden. Op Aruba was dat proces zo sterk dat zich in met name San Nicolas decennia lang de grootste concentratie van Engelssprekenden van de Antillen bevond, in getal groter dan op de Bovenwindse eilanden zelf. In deze fase bracht dat op het eiland nog geen literatuur voort, wel een nieuwsblad en enkele boek-uitgaven, geschreven door Amerikanen.

Eindnoten: [1] ‘Waar het Hollandsch nu toch al weinig genade vindt in de oogen der Curaçaoenaars, daar is de Openbare School de eenige plaats, waar de kinderen gedwongen worden, het grootste gedeelte van den dag Hollandsch te hooren en te gebruiken. De school moet dus als een der hoofdmiddelen om de Hollandsche taal in eere te doen houden en haar door de jeugd als voertaal bij het aanleeren der andere vakken te doen gebruiken, hoog gehouden worden door allen, die dit een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[2] [3]

[4]

[5]

[6] [7]

[8]

[9] [10]

hoofdvereischte vinden voor eene Hollandsche kolonie.’ (H. Michelsen, dir. Hendrikschool in het Curaçao-nummer van Neerlandia 1905: 148) De artikelen over deze taaldiscussie staan in Amigoe 26 VII, 2, 9 VIII 1902; 5 XII 1903; 18 XI 1905; La Cruz 16 XII 1903; ‘Een volkstaal kan niet met geweld worden ingevoerd, zij ontstaat langzamerhand, groeit op met het volk en leeft op 't innigst verbonden daarmede. Taal en volk zijn één, in de taal ligt zijn geschiedenis. (...) Ook het papiëmentsch is de ziel van een volk.’ (Amigoe 26 VII 02) ‘Nu in Nederland de belangstelling voor de Kolonie gaandeweg grooter wordt, zal door onderlinge samenwerking van Hollanders en Curaçaoenaars (...) ook de Nederlandsche taal, meer en meer de huistaal worden, ten minste van de gegoede burgers in het stadsdistrict.’ (Amigoe 11 I 08) Het blijkt nog weer eens overduidelijk dat het Nederlands in die tijd geen huistaal (meer) was, dat men de positie van de landstaal zo volkomen verweven achtte met de bevolking, dat men voor het Nederlands alleen maar meer mogelijkheden in beperkte beter gesitueerde kringen in het stadsdistrict zag (of wilde zien, want we geven hier het standpunt van de Amigoe, dus van de R.K. kerk weer). De nieuw benoemde gouverneur Jhr. J.O. de Jong Van Beek en Donk (1901-1909) was in Nederland onder meer schoolinspecteur geweest en had grote belangstelling voor onderwijs. Hij liet dat niet meer voornamelijk over aan het particulier initiatief van de R.K. kerk, maar maakte er een overheidszaak van in koloniaal Nederlandse zin, tegen de kerk. (Smeulders 1987) ‘Maar is het aanleeren van de Nederlandsche taal nu hoofddoel geworden van het onderwijs in onze kolonie? (...) Hoofddoel dient steeds te blijven de geleidelijke ontwikkeling en beschaving van het kind door het logisch te leeren denken en die gedachte behoorlijk uit de leeren drukken. Dit tracht men voornamelijk te bereiken door het onderricht in lezen, schrijven en rekenen. In welke taal dit geschiedt, is bijzaak. Het meest redelijke is natuurlijk die geleidelijke ontwikkeling van 't kind te bevorderen door het te leeren denken, schrijven en spreken in die taal, welke het kind reeds van huis uit kent, omdat het reeds begonnen is daarin zijn gedachten te openbaren. Zijn echter de eerste beginselen al gelegd, (...) dan is het zeer aan te bevelen tot verdere, meer uitgebreider ontwikkeling van den leerling ook nog onderricht te geven in een andere taal, dan die welke het kind dagelijks hoort en spreekt, opdat het zijn blik verruime en wat verder en dieper de wereld leere zien.’ (Amigoe) J.A. Snijders in Vragen van den Dag 1907: 833 ‘Wij, in Nederland, nemen waar, met belangstelling. Die waarneming en belangstelling zijn vooruitgang, want vijf of tien jaren geleden bestonden zij niet.’ (Neerlandia 1903: 61) Diverse kranten namen berichten over het Nederlands op Curaçao op. De Maasbode 24 VIII 02; Het Vaderland 29 VIII 02; Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage 14, 15 IX 02 gaven de discussie weer, maar ook Het Deventer Dagblad, De Tijd, de Amsterdamsche Courant en de N.R.C. waren diverse keren pro of contra van de partij door het opnemen van ingezonden brieven of het overnemen van artikelen. De R.K. kerk kreeg het verwijt het volk met zijn taal dom te willen houden. Daarna zien we het bij herhaling gehanteerde argument van de kleinschaligheid, ‘Zoolang Curaçao door het Papiamentsch stelselmatig geïsoleerd blijft van de vooruitvliegende buitenwereld, hem verarmd, verstompt en onbeschaafd achterlaat, zoolang de goegemeente aldaar deze taal en de ellendige theorieën van verdediging verkondigt, zal ze ondergaan in haar krachtelooze kringetje...’ De discussie werd ronduit racistisch met: ‘Doch tevens als blanke bewoner van deze Nederlandsche kolonie, moet hij niet vergeten waarlijk blank te zijn en niet de oude, arme slaventaal der negers blijven aanhangen en verdedigen en zoodoende zich en zijn gezin van zijn blank vaderland vervreemden. Hij moet niet den neger, doch de neger hem tot voorbeeld nemen. Men breke met de opvatting op Curaçao dat de negertong te fijn is en zijn hersens te grof zijn voor het Nederlandsch.’ Het zure slot van het artikel spreekt voor zich, ‘Santa Barbara Bedita, de rijkdommen van John Godden mogen haar teruggegeven worden, doch het ellendige Papiamentsch zal de eenige kolonie onzer Nederlandsche bezittingen, waar Europeanen als kolonist zich blijvend kunnen vestigen, verder ten verderve voeren, de eenige kolonie, die een ware kolonie voor Nederlanders zou kunnen zijn.’ (Neerlandia 1906: 27-29) De artikelen van Pater Euwens in Neerlandia 1906-III; van Snijders in Vragen van den dag 1907: 833-849; 913-926 ‘Atardi’ verscheen in La Cruz 27 IX 05, ontving gunstig commentaar van de redactie en riep direct daarna al een enthousiaste reactie op in La Cruz 4 X 05 en een voorbeeld van produktieve receptie in de vorm van een gedicht ‘Mi parabien, dedicá na Sr. J.S.C.’ in La Cruz 11 X 05, door ene Haëss [Haim Senior?], en een vertaling in het Engels door G.P(inedo) in El Imparcial

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

13 X 05. (zie A.G. Broek in Ñapa 22 VIII 87; B/N 24 II 89) De redactie van La Cruz werd op dat moment gevoerd door pater M. Victor Zwijsen, van 1901-1909 redacteur. Voor de noodzakelijke vertalingen in het Papiamento zorgde drukker Alfredo F. Sintiago, die ook wel de opsteller geweest zal zijn van het positieve oordeel in La Cruz, waarbij sterk de nadruk op het Papiamento werd gelegd. A.F. Sintiago had in 1898 een grammatica gepubliceerd bij A. Bethencourt e Hijos. [11] ‘Es poesia aki no tabata destiná pa publicidad. Precisamente p'esai e ta mas boenita i mas natural. No bisa, koe Papiamento na ta presta pa expresa sintimentoe tierno na un manera tierna. Leza es poesía aki i sigur bo mester modifica bo opinion. Aki profundidad di sintimentoe i simplicidad di expresion ta uní coe boeniteza i ternura. Ma lezador mes huzga riba es poesía den e dusji lenga di Curaçao.’ (La Cruz 27 IX 05) F.J.A. van den Donk schreef: ‘Su autor ta parce mi unoe di es hombernan privilegiá, koe nan sá jama: “poéta pa gracia di Dios”. Ata versonan sin ningun pretensión, simpel, sencillo, frescoe y gracioso manera muchanan inocente...Awor mi sabi kiko lamar ta canta, ora solo ta drenta y dia ta será. Un poeta pa gracia di Dios a revela mi es misterio. I, ennusiasmá, mi ta gradicié.’ (La Cruz 4 X 05) G. Pinedo wordt geciteerd uit Amigoe 14 X 05 Pater Poiesz vertaalde ‘Atardi’ in het Nederlands, een vertaling die erg bekend werd en vaak geciteerd. (Amigoe 14 X 11; J.Ph. de Palm 1979) Poesías (1914) verscheen door bemiddeling van enkele vrienden. Jesurun gaf in zijn inleiding op de bundel geen voorbeelden, maar noemde de drie in de bundel gepubliceerde Papiamentse gedichten samen. Pater Poeiesz (La Cruz 3 II 15) was erg op ‘Roeman di caridad’ gesteld. La Cruz (9 VI 15) juichte de bundel in haar geheel, niet specifiek ‘Atardi’ toe in tonen die geheel binnen haar literatuuropvatting pasten: ‘Aki ta trata di un librito di poësia koe sin ningun reserva nos por recomenda su lectura na nos lectornan. Ta poësia di un estilo senciljo, pero puro, coe ideanan nobel, koe ta doena homenahe na Dios Creador, koe tin bista pa boeniteza di naturaleza, koe gozo i felicidad di bida di famia ta encanta i entusiasma. Lectura di es poësia ta eleva nos pensamentoe, ta agrada, ta enoblece, ta purifica nos alma, pasobra ta palabra, ta ideanan di un artista creyente.’ De geringe redactionele aandacht voor het Papiament bleek uit het klein aantal in die taal opgenomen gedichten: drie terwijl er meer waren. (Rutten 1983: 15; Broek 1990a) De Amigoe (12 VI 15) schreef echter wel, ‘iemand, die in het Papiamentsch een stemmingsstukje dichten kan als Atardi verdient geëerd en gehuldigd te worden.’ Jules de Palm (1979: 25-26) vertelde over de jaren twintig en dertig: ‘Een enkele keer kon men op een feest een dronken gast in een melancholieke roes de onvergetelijke strofe van J.S. Corsen horen stamelen: Ta pakiko mi no sa...Ik heb lange tijd niet geweten dat deze regels nog gevolgd werden door tien strofen van een gedicht dat ‘Atardi’ heet omdat er altijd wel iemand was, die bij het horen van ‘lamá’ zich geroepen voelde om de vertaling van Pater Poiesz met luide stem te declameren om er dan een daverend applaus mee te oogsten...Pierre [Lauffer] bleek de beschikking te hebben over de bundel Poesías van J.S. Corsen: ‘Ik herinner mij nog goed, dat ik erg teleurgesteld was toen ik ontdekte, dat er behalve “Atardi” nog maar twee Papiamentse gedichten waren omdat Corsen hoofdzakelijk in het Spaans had gedicht.’ Het gedicht werd in de literatuuroverzichten meestal genoemd, zonder nadere bijzonderheden. Dennert (1952b): ‘de eerste gedichten die in de landstaal (het Papiament) geschreven waren, werden in een bundel van Joseph Sickman Corsen, “Poesias” gedrukt.’ Debrot (1953b; 1955) was de eerste die in zijn literatuuroverzichten gedetailleerde aandacht voor Corsen èn ‘Atardi’ vroeg: ‘Boven alles is hij de schrijver van het gedicht Atardi, waarin hij zichzelf heeft overtroffen. Hij beschrijft daarin de beangstigende atmosfeer van de schemer op een wijze, die de goedkeuring van de zwaarmoedigste existentialist zou hebben weggedragen. Men moet J.S. Corsen ongetwijfeld beschouwen als een van de beste auteurs die Curaçao heeft voortgebracht.’ Debrot (1955) leverde op zijn beurt een vertaling van ‘Atardi’. Debrot (1966): ‘“Atardi” behoort tot de meest geliefde gedichten in de Antillen en bezit dus de mogelijkheid om een blik te werpen in de inborst van het volk van onze eilanden.’ Debrot (1977, 1985: 198-202): ‘Het Antilliaanse existentialisme wordt het duidelijkst vertegenwoordigd door Joseph Sickman Corsen, de dichter van “Atardi” (...) Wij kunnen gemakkelijk een romantische binding aantonen door een vergelijking van het eerste couplet met de beginregels van het bekende Lorelei-gedicht van Heine (...) De pur-sang romanticus, die Heine was, kon zich een “Märchen für alles” veroorloven, de existentialist Corsen moest zich tot een blik in het innerlijk bepalen.’ Na Debrot werd het gedicht algemeen geroemd: Martinus Arion 1958; Labega 1959; Habibe 1975b; Joubert 1976 (met een nieuwe vertaling van ‘Atardi’ in het Spaans); Abraham-Van der Mark 1980; W. Palm 1986; Smeulders 1987; Phaf 1987; Heuvel & Van Wel 1989; Habibe B/N

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

1990. Ze lieten ‘Atardi’ aansluiten bij de Duitser Heine, bij de Spaanse dichter Bécquer en bij het Zuidamerikaanse ‘modernismo’. F. de Haas (B/N 5 V 69) meldde Chris Engels' vertaling van ‘Atardi. Hij noemde Corsen de dichter die aan de wieg van de Antilliaanse poëzie stond, want ‘hij opende een venster waardoor Papiamento naar buiten kon waaien’. Maar dat nam niet weg dat hij ernstige kritiek op het gedicht had: strofe 2, 4, 5, 8, 9, 10 hadden wat hem betreft weggelaten mogen worden. Maar hij had het in elk geval gelezen, wat uit al die andere kritieken minder duidelijk bleek. Samenvattend komen we tot de volgende receptie: 1. Contemporain speelde vooral het taalaspect, maar nog Pierre Lauffer (1971: 28) schreef, dat ‘Atardi’ na discussie met Corsens vrienden verscheen, om daarmee de mogelijkheden van het Papiamento te bewijzen. De Spaanse kritiek zag het gedicht over het hoofd. (De Pool 1935; Lopez Henriquez 1943) De laatste decennia geldt ‘Atardi’ als een beter gedicht dan Corsens Spaanstalige werk. 2. Met name Debrot maakte ‘Atardi’ bekend; hij wees op het inhoudelijke, op de sfeer die uit het gedicht sprak, beoordeeld als romantisch, Antilliaans existentialistisch. 3. De laatste jaren probeerde men invloeden te onderzoeken, een bepaalde literaire stroming in Zuid-Amerika. 4. Analyses en interpretaties van enige omvang en diepgang ontbreken, op De Haas (1969) en Habibe (1975; 1990) na. [12] ‘De dag zal nog lang in herinnering blijven, toen op Saba voor het eerst echt Nederlandsche muziek met echt Nederlandsche woorden de in het Nederlandsch opgevoerde komediestukken afwisselden’. Aldus een opgetogen Amigoe-correspondent in zijn verslag. De ‘holandisashon’ zette ook op de Bovenwinden welgemoed in en het waren de onderwijzers die daarbij het voortouw namen. [13] Johnson 1979, 1983: 31; Skol y Komunidat XVII-9: 10 [14] Artikelen verschenen in Amigoe 2, 9, 16, 23, 30 X, 6 XI 15, La Cruz 27 X 15, De Vrijmoedige 31 XII [15] Zie ook Smeulders 1987: 178-193; Fraters 1986, die de affaire uitvoerig weergeven. [15] Het citaat komt uit Amigoe 16 X 15. Walboomers was zeker geen gehate leraar. Hij oogstte van niemand minder dan Cola Debrot bewondering. Hij bleef slechts vier jaar op het eiland. Walboomers verbood het Papiamento rigoureus, ook op het schoolplein en deed van alles om het Nederlands meer ingang te doen vinden. Hij schreef daartoe een directe methode voor het eerste en tweede leerjaar, en publiceerde een woordenlijst van het-woorden om de leerlingen te helpen met de voor hen zo moeilijke lidwoorden. [16] Na 1920 ontstond er een zeker antagonisme tussen makamba en Curaçaoenaar. Men begon erop te letten of en hoeveel van de wederzijdse groepen bij elkaars activiteiten aanwezig waren. (voorbeelden in Amigoe 15 I 21; 21 I 28) Met name de arrogantie van de Nederlandse Shell (met steun van de Nederlandse gouverneurs) en vaak tegen de Koloniale Raad in, wekte in de jaren dertig de wrevel. (Van Soest 1977) De verbreiding van het Nederlandse taal- en cultuurgoed werd fanatiek ter hand genomen, wat verschillend beoordeeld werd. Tegenover een standpunt dat de Nederlanders uitnodigde tot een zekere assimilatie, stond de idee dat Curaçao zonder meer Nederlands was. Twee citaten ter adstructie: ‘Van zekere zijde kan men niet zetten, dat de Curaçaosche samenleving haar eigen taal spreekt. Waarom niet? Wie zal zijn moedertaal willen verloochenen? En waarom zouden de in Nederland geborenen op Curaçao zich die taal niet eigen maken, wanneer zij aan die Curaçaosche samenleving willen of moeten deelnemen? Wij zouden zeggen: laat het Papiamentsch in zijn waarde. (Amigoe 5 XI 32) ‘Curaçao is Nederlands en geen Nederlander - ook niet hij die de volkstaal niet spreekt of verstaat - mag daar als vreemdeling beschouwd en behandeld worden.’ (Curaçao 5 VIII 39) [17] W.M. Hoyer entameerde deze discussie onder het pseudoniem ‘Patriota’ in La Union 27 VI, 6 VIII, 1 IX 32, waarbij hij fel werd aangevallen door ‘Een waar Patriot’ in Amigoe 6 VIII, 5 XI 32. De discussie leverde zelfs een speciaal protestnummer op: La Union 1 IX 32. Smeulders (1987: 193-199) beschreef de zaak uitvoerig in de veronderstelling dat het ook hier een taaltwist tussen fraters en paters betrof, wat dus maar half waar was: alleen de verdediging van het Nederlands kwam voor rekening van de fraters, waaruit wel blijkt hoe dezen de Nederlandse zaak inmiddels dienden. [18] ‘Het onderwijs werd gegeven in de Nederlandsche taal en al die jaren door mag men, zoowel het openbaar als het bijzonder onderwijs, een lange taaie worsteling noemen van het Nederlandsch tegen wat men met een weidsch woord noemt de volkstaal. Het lijkt er niet op,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

dat het Nederlandsch het hierbij gewonnen heeft en tallooze malen treft men nog menschen aan, die niet in staat zijn om een woord Hollandsch te begrijpen of in onze taal antwoord te geven, doch langzaam aan ziet men onder de jeugd het verschijnsel optreden, dat men in het Hollandsch gaat converseeren en menigmaal kan men thans in het hartje van de “koenoekoe” verrast worden door een Hollandsch antwoord uit den mond van een jongen of een meisje, die eenige jaren de kleine plattelandsschooltjes hebben bezocht. Dit verschijnsel stemt tot groote verheugenis.’ (Veertig jaren 1938) Römer (1979: 86-87) beschreef de Europese waardenoriëntatie. [19] Zie hiervoor Broek (1990b: 71-78; 138-150), waarbij het echter wel enigszins onwaarschijnlijk lijkt dat deze auteurs het Papiamento daadwerkelijk geheel wilden opheffen. Dat schreef Broek dan ook niet in zijn dissertatie, al benadrukte De Roo dat wel sterk in zijn Amigoe-interview (15 IX 90) naar aanleiding van deze dissertatie. Er was eerder sprake van een protest tegen het vernederlandsen van het Papiamento (Henriquez in Natuur en Mensch 1934: 32; Tuyuchi's persiflage La Cruz 1 III 39) [20] Broek in B/N 24 III 90; Black Flash II-4, december 1992: 4-9. Van niet-kerkelijke zijde werd de verschuiving van Spaanse naar Nederlandse cultuurinvloeden met instemming begroet: ‘Deze avond deed tevens de gedachte rijzen, dat het Spaansch aan cultuurinvloed gaat verliezen en dat het Hollandsch de overhand gaat krijgen. Want geen originele Spaansche gedichten werden hier voorgedragen, doch wel Nederlandsche gedichten, vervaardigd door leden van de club.’ (Curaçao 18 XI 39)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

144

5.2. Dicht en ondicht in en op de pers Ook na de eeuwwisseling waren journalistiek en literatuur nog nauw verbonden.[21] De journalisten, in het bijzonder de Rooms-Katholieke, kunnen beschouwd worden als de voorbereiders die de bevolking vertrouwd maakten met het lezen van nieuws en opinie, maar ook met bijdragen die ter verstrooiing bedoeld waren. Ook begin twintigste eeuw werd het meeste nieuws voornamelijk wekelijks gebracht. Maar nu niet alleen meer op Curaçao, want ook op andere eilanden kwam de pers op: eind negentiende eeuw op Aruba, enkele decennia later op de Bovenwinden.[22] Terwijl er van Aruba niets meer terug te vinden is, zijn de vier van de Bovenwinden bewaard gebleven bladen nog een bron om iets over het letterkundig leven uit de begintijd aan de weet te komen. Er waren (schaarse) gelegenheidsgedichten, feuilletons, dialogen, verslagen over een enkele soirée littéraire, culturele verenigingen, bibliotheken en enkele stukken over de opvattingen die men in het begin van de eeuw omtrent literatuur koesterde. Bladen kwamen voort uit persoonlijke of groepsbelangen, ze waren spreekbuis voor eilandelijke of internationale tegenstellingen. Ze werden geredigeerd door mensen van het eiland zelf of passanten. Zoals eind negentiende eeuw enkele bladen aan de Venezolaanse kwestie waren gewijd, zo zouden in de jaren dertig de Emmabode (1929) en de Beurs- en Nieuwsberichten (1935) zich geheel op het Nederlands nieuws en de Nederlandse passanten richten. De plaatselijke verenigingen zochten hun communicatie eveneens via een weekblad, zoals La Union vanaf 1922 en Curaçao sedert 1938. Liberaal en katholiek bestreden elkaar heftig. Opvallend genoeg waren nieuwsbladen die in hun programma en praktijk cultureel-literaire belangstelling toonden tussen 1900 en 1940 schaars, specifiek literaire tijdschriften waren er zelfs in het geheel niet. Voor nagenoeg elk blad, het een meer dan het ander, was het opnemen van ingezonden gelegenheidspoëzie normaal, vooral voor de Spaanstalige El Heraldo en El sol. Ook familiebladen met artikelen en bijdragen voor ieder lid van het gezin, namen soms letterkundige bijdragen op, zoals het societyblad Miniaturas (1925-1926). De R.K. bladen als Amigoe (1884), La Cruz (1900) en La Union (1922) herbergden de vroegste Papiamentstalige literatuur. Evenals Ala blanca en Hou en Trouw voor de jeugd wilden ze vooral de bevolking geschikte R.K. leesstof in de eigen taal bieden. Was de Amigoe aanvankelijk tweetalig Papiamento-Nederlands geweest, al spoedig had men de ‘fout van tweetaligheid’ ingezien, wat resulteerde in een geheel Nederlandstalige Amigoe en een Papiamentstalig La Cruz. Tussen de twee bladen was een aanzienlijk niveau- en cultuurverschil, de ‘belangrijke stukken’ verschenen in het Nederlands, daarmee opnieuw het heen en weer zwenken tussen volks- en cultuurtaal van het R.K. taal-dualisme tonend.[23] Positief was dat de missie bij gebrek aan ‘goede’ lectuur de gelovigen iets te lezen wilde geven: dialogen, toneel, brieven, (roman)feuilletons, ‘columns’, gelegenheidsgedichten, conta cuenta, en recensies van toneelopvoeringen boden naast het eilandelijke en internationale nieuws veel wekelijkse leesstof.

Lyrische worstelaars om het woord

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Na Salas (1911) en Corsen (1914), beide uitgegeven als vriendendienst, verschenen er enkele decennia lang geen dichtbundels meer, terwijl er bij gelegenheid toch heel wat voorgedragen werd. Gedrukte poëzie verscheen in die tijd verbazingwekkend genoeg uitsluitend in de algemene nieuwsbladen, meestal in de rubriek ‘ingezonden’. Aan deze incidentele dichters en hun gelegenheidsprodukten werd later nauwelijks aandacht besteed, en de vervaardigers werden al helemaal niet in de canon opgenomen. Broek (1990a) verklaarde deze bijdragen vanuit ‘de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

145 behoefte om bepaalde gelegenheden’ in ‘meer of minder poëtische woorden vast te leggen’ om het belang ervan te ‘onderstrepen en om de uitwerking ervan enigszins te bestendigen’, maar hij bevond het merendeel ‘van een weinig inspirerend literair niveau’. Hij categoriseerde ze volgens de gelegenheid waarbij en waardoor ze ontstond, en die aanleidingen waren er vele[24] Analyse ervan leerde dat ze niet alleen inhoudelijk sterk op het Europese moederland gericht was, maar ook qua vorm de Europese retorische traditie zocht te imiteren. Zoals in deze periode de Benedenwindse eilanden aansluiting zochten bij de internationale stromingen, zo deden dat ook de Bovenwinden. Men sprak in die jaren nog uitsluitend in het algemeen van literatuur, het idee van een eigen Antilliaanse literatuur bevond zich nog decennia lang achter de gezichtseinder. De ingezonden gedichten waren afkomstig van allerlei personen, onder wie bekend geworden auteurs als de door Broek genoemde J.S. Corsen (met enkele van zijn onbekend gebleven gedichten in het Papiamento); E.H. Davelaar; W.M. Hoyer; W.E. Kroon; E. Lopez Henriquez en J.S. Panneflek, aan welke lijst wat de Engelstalige Bovenwinden betreft nog toe te voegen zouden zijn: E.S.J. Kruythoff; W.F.A. Labega; L.C.C. Percival; Susan A. van Romondt; A.K. Valk en J.C. Waymouth, en van de Benedenwinden een aantal half of helemaal onbekenden als J.A. Dania; ‘F’; J.M. Hellburg; M. Jansen; H.E. Lampe; J.L.C. Monsanto; J.S.E. Pieters; J.S. Sint Jago; ‘Tringa’; G.F. Nicolaas; H.C. Goeloe, C.D. Bernabela; C. Martis; A.E. Leito (die in 1939 onder ps. Chobil een aantal gelegenheidsgedichten aan La Cruz bijdroeg), die stuk voor stuk meerdere keren een gedicht in de krant lieten plaatsen. Slechts een paar van al deze auteurs zijn in de canon opgenomen. Opvallend was dat de gelegenheidsdichters van alle eilanden, niet alleen van Curaçao, afkomstig waren. Bovendien verenigden ze de professionele journalistiek met de letteren als vrije-tijdsbesteding. W.M. Hoyer (1862 - 1953) schreef talrijke artikelen in diverse tijdschriften en ettelijke boekwerken omtrent de Curaçaose historie. Zijn taalkundige belangstelling ging vooral uit naar de spelling en woordenschat van het Papiamento. Hij mag als een ware voorvechter van zijn moedertaal beschouwd worden. Hij schreef in het Papiamento over literatuur en publiceerde talrijke ingezonden gedichten en de toneelwerken ‘Tres artista’ (La Union 3 IX-24 IX 31) en ‘Caridad’, een melodrama in drie bedrijven dat op 15 februari 1933 in het Brion-theater werd opgevoerd. F. Labega (1871 - 1937) was hoofdonderwijzer op St. Maarten. In 1924 verhuisde hij naar de Dominicaanse Republiek, waar hij ook in het onderwijs werkte. Hij onderwees Spaans, Engels, Nederlands en Frans, in welke laatste drie talen hij eveneens in de krant publiceerde. Maar zijn romans en gedichten waren voor die tijd te ‘gedurfd’ om gepubliceerd te worden. (J. Ph de Palm 1985: 286) E. Lopez Henriquez (1884 - 1967) was naast tolk en beëdigd vertaler vooral en in hart en nieren journalist, die aan een veelheid van bladen bijdroeg. Hij was erelid van de Sociedad Bolivariana, voorzitter van de Loge Igualdad en gevierd orator van Loge La Perseverancia. Naast de elocuencia beoefende hij de literatuur. Hij schreef honderden Spaanstalige gedichten waarvan er niet meer dan achttien in de posthume bundel Recordatorio (1977) terechtkwamen, waarvan elf sonnetten uit de lange periode van activiteit, 1906 - 1953.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

E.S.J. Kruythoff (1893 - 1967) gold als kenner van de Antilliaanse geschiedenis, literatuur en folklore. In zijn poëzie beschreef hij vooral de schoonheid van de natuur. Zijn gedicht ‘Mount William at sunrise’ werd wel het bekendst. De poëtische krantenbijdragen kunnen in drie rubrieken verdeeld worden: soms nam een redactie buitenlandse poëzie op (dat vond met name in de Spaanstalige kranten plaats, in El Imparcial bijvoorbeeld in 1916 met een frekwentie van iets meer dan een per week); daarnaast was er de traditionele ingezonden poëzie (poesia mandá), tot slot de poëzie van medewerkers.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

146 Vaak verschenen de gedichten her en der in de krant, maar soms ook in aparte rubrieken, die de lezer erop wezen dat deze hier met literatuur te maken had, bijvoorbeeld onder een kopje ‘ingezonden’, ‘colaboracion’, maar ook ‘literatura’ (La Cruz), ‘Album poetico’ (El Imparcial), ‘literatura’, ‘reproduccion’, ‘seccion literaria’ (El Heraldo). Het gebeurde nogal eens dat een auteur eerst een aantal ingezonden artikelen plaatste, maar het daarna eens met een verhaaltje probeerde of een gedicht; het was hier dat de journalist en literator elkaar ontmoetten, maar ze waren op beide gebieden ‘amateur’, dat wil zeggen ‘liefhebber’. De karakteristieken als ‘dichterlijke naturen’ en ‘lyrische worstelaars om het woord’ golden de Beneden- en de Bovenwinden evenzeer.

Feuilletons Verschenen al in 1871 in de Civilisadó de eerste vervolgverhalen, het feuilleton in de moderne betekenis was het produkt van de paters die in hun persorganen Amigoe, La Cruz en La Union het genre populariseerden.[25] Beide vormen van feuilleton: over een actueel en serieus onderwerp op een onderhoudende manier persoonlijk opiniërend schrijven, en de roman-feuilleton - kwamen in de Antilliaanse pers voor. Zoals elders dit van oorsprong journalistieke genre tot literatuur gepromoveerd werd wegens het literair prestige en de stilistische kwaliteiten van de beoefenaars, zo kunnen we dat ook voor de Antillen constateren. Het genre was zo populair dat vrijwel geen enkel blad erzonder wilde.[26] Een feuilleton werd door de redactie ontleend aan buitenlandse auteurs die met name genoemd werden, of geschreven door passanten-kolonisten als J.H.J. Hamelberg, P.A. Euwens, Mgr. Van Baars en R.J.C. Wahlen. Vaak zien we beurtelings aparte en vervolgafleveringen. De inhoud van de feuilletons in de R.K. bladen was allereerst opvoedend, leerzaam en sterk moraliserend, geheel volgens de opvatting van wat in Missie-ogen literatuur hoorde te zijn. De bijdragen onder de streep moesten de kennis van het land en zijn geschiedenis versterken, maar ook een huwelijksmoraal vestigen, een geweten ontwikkelen en lessen voor het leven geven. Voor de idee om via aangename lectuur het volk op te voeden, leken diverse verhalen ter gelegenheid van het kerkelijk jaar, Kerstmis, Pasen, de Heilige Communie, verhalen uit de begintijd van het Christendom waar de heidenen de gelovigen weliswaar vervolgden, maar niet afvallig konden maken, verhalen over wonderbaarlijke bekeringen, arbeidsethiek en dagelijks leven, en gedrag in het gezin en daarbuiten in de maatschappij, verhalen over pausen en heiligen, alle geschikt. Deze feuilleton-verhalen werden de wegbereiders van de latere Papiamentstalige roman-feuilleton die uit deze traditie lijkt voortgekomen. Er waren korte verhalen van maar een enkele aflevering, langere verhalen van enkele tot soms tientallen afleveringen, en toneel-feuilletons van stukken die al of niet eerder waren opgevoerd op Curaçao. ‘Een goed geredigeerd volksblad, dat bij het volk gewild is, zoals La Cruz kan zeer veel bijbrengen tot maatschappelijke en godsdienstige opvoeding van het volk,’ schreef de Amigoe op 8 mei 1909, toen de collega zijn tweede lustrum vierde. La Cruz kende een ‘seccion amena’ met raadsels en puzzels die tot dat ‘gewild zijn’ zullen hebben bijgedragen, maar ook de ‘seccion

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

recreativa’, het feuilleton. La Cruz telde in 1905 een oplage van duizend exemplaren, wat toch niet gering was. ‘Er wordt nog veel te weinig gelezen in onze kolonie. La Cruz kan door iedereen worden verstaan...’ leraarde de Amigoe (29 IV 05). La Cruz heeft een leescultuur en - traditie willen vestigen voor het volk. De paters hebben literaire genres als toneel en feuilleton in de krant gebruikt als geloofspropaganda, als civilisatiemiddel, als moraliserend instrument. De aanduiding ‘seccion recreativa’ geeft al aan dat ook de redactie zich bewust was van het doel van dergelijke verhalen onder de streep, namelijk het aangename, ontspannende, maar om langs die weg bij de volksopvoeding als uiteindelijk doel terecht te komen. Toen in La Union (1922) de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

147 oorspronkelijk Curaçaose roman-feuilletons verschenen, konden de auteurs op een decennia lange ervaring van vertaalde feuilletons teruggrijpen. Ze zetten de ontstane traditie naar vorm en inhoud voort. La Cruz en Amigoe bedienden twee soorten lezerspubliek, wat zich mede in de soort feuilleton uitte; die van de eerste waren sterk moralistisch-godsdienstig, de tweede meer divers van inhoud en minder minzaam belerend. ‘Catiboe Samboe i su famia’ is illustratief voor de eerste soort.[27] De hoofdfiguur Samboe wordt als negentien-jarige slaaf van Afrika naar Curaçao verkocht, maar tot zijn geluk aan de goede R.K. eigenaar Julio Webster. Samboe trouwt (!) en krijgt kinderen. Als de eigenaar sterft, kan zijn vrouw enkele schulden niet aflossen en wordt ze gedwongen om Samboe, diens zoon Ben en kleinzoon John te verkopen aan een wrede slavenhandelaar. Emilio en Maria vluchten met hun jonge zoon naar Ohio, met hulp van de medelevende eigenaresse. Onderweg worden ze geholpen door enkele gelovige blanken die tegen de slavernij zijn. Samboe en Ben worden naar het Zuiden getransporteerd, maar nadat ze een negenjarig meisje van de verdrinkingsdood gered hebben, worden ze door een goede eigenaar gekocht. Een familielid van mevrouw Webster, de heer Rojer, helpt uiteindelijk met haar financiële problemen. Zo vernemen we beurtelings nieuws van de verschillende ‘fronten’, tot uiteindelijk de familie Samboe herenigd wordt en haar vrijheid krijgt. Wat leert zo'n verhaal? De tijd van de slavernij was een wrede, onmenselijke tijd. Maar het geloof verzachtte de mores van gelovige slaven-eigenaars èn de ellende van de slaven die mochten weten dat God hen beschermde. Wie dat geloof niet kende, was niet best af. Toen er een slavin overboord sprong, de Mississipi in, om aan de slavernij te ontvluchten, luidde het ‘E pober pagana koe no a sinja nunca di busca consuelo den su pena den religion koe ta adora e berdadero Dios’. Wat een geluk dat de slavernij nu is afgeschaft, ‘Ai ki terible tabata e sclabitud; ki gradicimentoe nos ta debe na Dios, koe a doena nos jioenan e emancipacion!’ Zo werd het verleden gebruikt om zedelijke lessen voor het heden te geven en wel ten bate van de eigen parochie. Toen de slaven van mevrouw Webster hun vrijheid kregen, was er die avond een groot feest, ‘ma di manera decente’. Pater Antonius, die een helpende rol vervulde bij de vlucht van de slaven, bad ‘koe e libertad no bira un libertinahe, ma un libertad di cristian koe tin dirigi su bida segun mandamentoe di Dios i Santa Iglesia.’ Of een feuilleton over het tijdperk van de slavernij ging of over de zeer populaire eerste christenvervolgingen en -bekeringen, steeds werden ze gebruikt als materiaal voor actuele evangelisatie en catechisatie.

J.H.B. Gravenhorst J.H.B. Gravenhorst mag als Nederlandstalig publicist als voorbeeld van de tweede soort optreden, omdat hij de eerste Antilliaan was die een Nederlandstalige ‘roman’ schreef en publiceerde. Jammergenoeg laat hij zich niet exact identificeren.[28] Na een aantal algemene commentaren en artikelen over de landbouw en diverse actuele kwesties, waagde hij zich aan een verhaal, gebaseerd op de historische verdwijning van De Zeemeeuw in 1824, waarna in 1914 een breedvoerig feuilleton ‘Van Curaçao

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

tot New-Orleans; Langs een omweg’ gepubliceerd werd. In diezelfde tijd waagde hij zich aan enkele gedichten. Hij schreef steeds in het Nederlands en bood zijn stukken aan twee kranten aan. Waar de meeste gelegenheidsschrijvers dezelfde weg gingen van ingezonden artikelen naar incidenteel verhaal en gedicht, was het geval van J.H.B.G. opvallend omdat hij enkele ‘oprispingen’ van schrijfarbeid vertoonde - als de initialen en naam steeds voor dezelfde persoon stonden, anders zou het verschijnsel net als bij de anderen verlopen zijn: een korte schrijfperiode en daarna definitief zwijgen. Het genoemde roman-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

148 feuilleton lijkt op het eerste oog een reisverslag, en dus aansluitend bij een toen heersende mode, maar die vlag dekt de lading niet.[29] Het ‘verhaal’ speelt zich af in het Caraïbische gebied en langs de kusten van Zuid-Amerika. Kapitein Edgard (een achternaam vernemen we nergens) vaart met zijn schip ‘De Zeemeeuw’ in 1878 op de kusten van de Guajira, waar hij met het Indianenmeisje Himare Mehija trouwt. Er is sprake van Indiaanse stammenoorlogen en rooftochten, van pacificatie en bekeringen tot het Christendom, van goudvondsten en transporten. Tochten door het Indianenland, vergezeld van ziekten, koorts en doden, worden afgewisseld door zeereizen met ‘De Zeemeeuw’. Kairam, de broer van Himare, sterft aan boord; er is oorlog en revolutie. Nu eens ontmoet het reisgezelschap redelijke mensen als de havenmeester van de stad J. en de Fransman L., dan weer komt men met kinderslachters in aanraking, die hun gasten een pasteitje van kindervlees aanbieden, maar worden opgehangen als men dat merkt. Er is sprake van een grote aardbeving en revoluties in Venezuela. De geschiedenis eindigt met een storm bij Vera Cruz, waarna men bij New Orleans schipbreuk lijdt, en schip en bemanning (en het verhaal) in de baren verzwinden. Fictie wordt geplaatst tegen een ‘historisch’ decor, met zijn Venezolaanse revolutie, de Guajiri-indianen, en de legende van het vergaan - al was dat dan in 1825 - van het bekende schip ‘De Zeemeeuw’, dat een grote lading goud aan boord gehad zou hebben. Als het roman-feuilleton gewoonlijk al als ‘eenvoudig van psychologie, maar rijk aan actie en spannende episodes’ gekarakteriseerd wordt, een verhaalsoort waarin in elke aflevering weer iets bijzonders moet plaatsvinden dat in een volgende aflevering wordt opgelost, dan slaat dit voorbeeld alles, maar dan in negatieve zin. Toch plaatste pater-redacteur Wahlen het in de degelijke Amigoe en (zij het na het gewone feuilleton) toch als tweede op de plaats onder de streep. Dat J.H.B. Gravenhorst elke aflevering met zijn volle naam tekende, wat in die dagen van pseudoniemen, afkortingen en anonimiteit uitzonderlijk genoemd kan worden, duidde mogelijkerwijze op bij hemzelf gevoeld bewust schrijver-zijn.[30]

J.P. Delgeurs ‘equilibristische toeren op literair gebied’ Was het feuilleton als genre zeer populair, het was het produkt van steeds wisselende schrijvers. Slechts weinig individuele auteurs kregen bekendheid. Onder hen was de Nederlandse pastoor Jan Paul Delgeur (1869-1931) ongetwijfeld verreweg de produktiefste, bekendste, populairste en meestbegaafde. Gedurende zijn parochie-werk op Sint-Eustatius en Curaçao droeg hij gedurende dertig jaar ongeveer tweehonderd feuilleton-stukjes aan de Amigoe bij over, zoals dat bij het genre hoorde, allerlei actualiteiten, ook literatuur, waarbij hij met zijn kritische zin trouw volger bleef van wat de R.K. kerk leerde.[31] Hij schreef over deze actuele onderwerpen in een levendige spreektaal: ‘Ik ben geen mensch van fijn-gestyleerde volzinnen, van tropen en figuren. Ik schrijf van “stukkie” en “nou” en heusch’ en ‘zaakies', en ik werp mijn zinnen dikwijls zonder fatsoen op 't papier. Ik schrijf zoals ik spreek.’ (Amigoe 4 III 05) Maar bescheiden als hij zich voordeed voelde hij zich toch wel degelijk schrijver, ondanks alle (zelf)spot, getuige zinswendingen als op 31 december 1921, ‘Van die escapades

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

(uitweidingen) heb ik altijd last gehad, mijn vrienden noemen 't “zwammen”, maar dat is nonsens, 't zijn slechts “litteraire pirouettes op 't kleurig fleurig causerie-stramien”, anders niet.’ Misschien voelde hij zich wel eens stiekem een beetje Multatuli, want soms deed hij aan die grote negentiende eeuwer denken, zoals ‘Ik schrijf rondborstig mijn opinie, bevreesd voor niemand, en ik wil gelezen worden, en ik word gelezen,’ (31 VII 17) of door middel van typische stijlwendingen als ‘Beursmannetjes verkopen hun effecten toch ook niet, als ze gestadig omhoog springen. Ik bedoel natuurlijk de effecten.’ (9 XI 13) Delgeur bezat een singulier gevoel voor humor. Zo gaf hij interviews met zichzelf en citeerde hij Father Delgeur in zijn eigen stukjes als

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

149 zeer gezaghebbende bron. Wat te denken van een ezel die hij ‘cigarette’ noemt omdat beide niet willen trekken als ze nat zijn? Flauw of kenmerkend voor de tijd van ontstaan en de eenzame positie van een pastoor in het district, die een uitlaatklep zoekt? Wat vonden de tijdgenoten ervan? Toen Jan Paul op 10 augustus 1921 zijn zilveren priesterfeest vierde, prees men hem als ‘ridder van de pers’ en verdediger van echt katholieke waarden: ‘Jan Paul schrijft een geheel eigen stijl, altijd even frisch en verrassend. Zijn humor is van de beste soort, steeds even fijn. Hij doet u lachen, en lachend zegt hij u de waarheid, maar dikwijls ook doet hij een traan wellen uit uw oog, een snik uit uw hart. Want onder die uiterlijk daar zoo maar los neergeschreven woorden klopt een fijn hart, een medelijdend, apostolisch hart, - onbewust openbaren zij ons den liefderijkdom van het priesterhart.’[32]

Het roman-feuilleton Na en naast alle vingeroefeningen van in het Papiamento vertaalde en bewerkte buitenlandse feuilletons en enkele Nederlandstalige, met name door enkele paters geschreven, stonden er in de jaren twintig en dertig enkele Curaçaose schrijvers op die de ontstane traditie met origineel werk voortzetten. Waren rond 1920 E.H. Davelaar, R.A. Henriquez, J.R. Rib en een onbekende ‘corresponsal di Aruba’ met een aantal korte verhalende teksten begonnen, W.E. Kroon, M.A. Fraai, S.M. Suriel en J.S. Sint Jago waren Curaçaoenaars die in totaal ruim twintig romanfeuilletons produceerden in het Papiamento, in het al twee decennia bestaande en goed lopende La Cruz en vooral in La Union[33] Ook hier nam traditiegetrouw een pater, in de persoon van P.I. Verriet (1922-1931) en na hem R. Dellaert (1931-1933) het redacteurschap op zich. Toen C. Casiano redacteur werd, verdween het roman-feuilleton. De bovengenoemde auteurs schreven naast de roman-feuilletons eveneens journalistieke stukken voor de krant, en ze traden bij feestelijke gelegenheden steevast als woordvoerders en feestredenaars op: zij werden kennelijk als mannen van de gave van het woord gezien en ze handelden ernaar, door journalistiek, elocuente auratuur en literatuur in een persoon te verenigen. Voor elk van hen gold het ‘amateurisme’ omdat geen van hen de letteren als professie diende. In 1924 beschreef ‘onzen bekenden Curaçaoschen novelist’, de commercieel-artistiek schilder W.E. Kroon in Giambo bieuw a bolbe na wea (Oude liefde roest niet) hoe een Curaçaos gezin uit de arbeidersklasse door het winnen van de loterij tot grote welstand komt en zich overgeeft aan luxe en vertier. Maar rijkdom is niet synoniem aan geluk, welk tijdig besef een herbezinning en terugkeer naar de oude waarden bewerkstelligt. Naar aanleiding van de eerste boekuitgave in 1928 schreef de Amigoe over het ‘zuiver papiamentsch, waarvan maar weinigen zooals hij het geheim bezitten’ en over de ‘prachtigen kijk op Curaçaosche toestanden’. (Amigoe 17 III 28) Dat een feuilletonist werd gezien als opvoeder, die goede raad verstrekte, bleek eveneens uit M.A. Fraai: Un sacrificio (Een offer), dat een jaar later verscheen. Ook Fraai waarschuwde tegen verkeerde ‘Curaçaose toestanden’ zoals slechte

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

vriendschappen en gebrek aan goede raadgeving. Hij propageerde een R.K. moraal tegen verderfelijke socialistische invloeden. De romans hadden veelal betrekking op de actuele maatschappelijke problemen. W.E. Kroon: Castigo di un abuso (Straf voor een fout 1929-1930) behandelde het incestmotief en het onmogelijke huwelijk van halfbroer en -zus, een in die jaren vaker voorkomend thema, zoals bij Ernesto Petronia en Cola Debrot. M.A. Fraai: Un yiu di pueblo (Kind van het volk 1931-1932) is niet zozeer een moraliserende als wel een sociale roman omdat het vakbondswezen en de tegenstellingen tussen werkge-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

150 vers en werknemers uitgebreid aan de orde komen. De roman pleit ervoor de arbeiders te doen ontwaken uit de lethargie waarin ze verkeren en hen op te roepen tot solidariteit. S.M. Suriel: Muhe culpable (Schuldige vrouw 1932-1933) moraliseerde weer veel sterker. Hij beschreef het huwelijk van een rijke en drukbezette advocaat met een cabaretdanseres. Ze zijn gelukkig tot een slechte vriendin met haar roddelpraatjes komt, waarna de vrouw haar vertier buitenshuis gaat zoeken en in précaire situaties verzeild raakt. Met deze verhaalinhoud waarschuwde Suriel voor de verleidingen van de ‘civilisashon moderna’ en pleitte hij voor handhaving van de traditionele waarden. Er werd nauwelijks gereageerd op deze roman-feuilletons, althans niet officieel en schriftelijk. Maar bij de talrijke ‘gewone’ lezers ondervond het genre veel waardering, dat bewijzen de aankondigingen die als lokaas voor de verkoop golden. Toen Suriels ‘schuldige vrouw’ in 1978 werd herdrukt, leverde A. Rosario er in Tempu (7 VII 80) nogal wat kritiek op. Ze vond dat de auteur zich te vaak direct tot de lezer richtte, dat hij het verhaal hinderlijk met persoonlijk commentaar onderbrak, dat hij de compositie onnodig gedetailleerd maakte door (te) veel aandacht aan neven-personages te geven, dat hij moraliseerde en voortdurend op het belang van de godsdienst wees, waarbij alles Gods werk was. Zij concludeerde dat iedere periode zijn eigen normen heeft en daarom ook dit boek historische waarde bezit. Het informeerde over het leven van vijftig jaar geleden en was een van de eerste romans in het Papiamento. Dit soort zuinige reacties is kenmerkend voor de latere ontvangst. Ook de talrijke artikelen en de dissertatie van Broek (1990b) en de visie van Habibe (Amigoe 27 VI 87) hebben de terughoudendheid waarmee deze moraliserende roman-feuilletons vandaag benaderd worden niet doen veranderen. Een dergelijke concentratie van oorspronkelijke Papiamentstalige romans was tot dan toe, maar ook daarna, uniek. In tegenstelling tot de Spaanstalige literatuur rond Notas y Letras hebben deze roman-feuilletons echter nooit veel aandacht gekregen van de literaire kritiek; wel waren ze ten tijde van hun publicatie heel populair. La Union had rond 1930 zo'n drieduizend abonnés, maar de reikwijdte van de feuilletons zal door het traditionele voorlezen ervan aan de velen die met leesmoeilijkheden kampten en de normale gewoonte om een blad door te lenen veel groter geweest zijn. De R.K. kerk beschikte, getuige advertenties, via particuliere kerkelijk meelevende medewerkers bovendien over een goed distributie-apparaat tot ver in de knoek en had in de stad vanaf 1930 de eigen St. Augustinus boekhandel. Van de twintig door Aart Broek (1990b) achterhaalde romans drong maar een-vierde deel door in de overzichten zoals ze tot 1990 geschreven werden, waar ze dan meestal even genoemd en nooit besproken werden. De Pool zag noch in 1931 noch in 1935 de waarde van deze feuilletons voor het Papiamento of de Antilliaanse literatuur, zodat hij ze gewoonweg negeerde. In het pionierswerk van A.d.C. (1936) werden Fraai, Kroon en Suriel en elf van hun werken echter wel degelijk genoemd en geroemd. Nog niet eerder in de Antilliaanse literatuurgeschiedenis, met uitzondering van enkele inleidingen op Spaanstalige bundels rond de eeuwwisseling wellicht, was er zo'n uitgebreide kritische aandacht voor contemporaine eigen auteurs geweest. A.d.C. wees op het sociale karakter van M.A. Fraais stakingsroman Un yiu

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

di pueblo, op de in S.M. Muriels Muher culpable geschetste gevaar van verleiding en fatale familieconflicten, die ontstaan onder invloed van ongeremde luxe, cabaret en danspartijen. W.E. Kroons werk spande volgens hem evenwel de kroon wegens zijn magistrale analyse van Curaçaose sentimenten, ideeën en volksmentaliteit, en wegens het taalgebruik, dat gekenmerkt werd door een ‘concieze, directe en scherpe stijl’ die aan ‘ons Papiamento eigen’ is. Zijn werk vond A.d.C. daarom ook moeilijk vertaalbaar.[34]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

151 Na deze lofzang verdwenen de feuilleton-auteurs achter de horizon van zowel de Nederlands- als de Spaanstalige overzichtsschrijvers, tot Debrot (1955) ze weer in herinnering riep, echter zonder inhoudelijke karakteristieken, laat staan een analyse of interpretatie van hun werk. Debrot noemde Kroon (Oude liefde roest niet) en Suriel (Zondige vrouw) na de ‘nestor van onze literatuur W.M. Hoyer’, in één adem met Tuyuchi, A. Nita en Oscar van Kampen (Debrot 1955, 1985: 149). In 1977 volgde hij eenzelfde procédé. Dit keer noemde hij Kroon en Suriel auteurs van ‘bijzonder conventionele romans’, waaronder hij beelden bevestigend, traditioneel verstond. (Debrot 1985: 214) Dat bleef daarna bepalend voor het beeld van deze feuilletons. Maar de namen en titels waren door Debrot bekend geraakt en in navolging van hem werden Kroon, Fraai en Suriel langzamerhand gecanoniseerd, waarbij steeds dezelfde werken genoemd werden, en men de overige(n) ‘vergat’. Lauffer (1971) nam mondjesmaat werk van hen op, in 1976 noemde hij ze alleen maar in hun R.K. context als de meest opvallende leerlingen van frère Richardus. (Lauffer 1976) Wel werden de bekendste werken, Giambo bieuw a bolbe na wea (1979) en Muher culpable (1978) in opdracht van de Curaçaose regering als teken van waardering herdrukt. Pas na de artikelen van Broek (1986 vv) en met name zijn dissertatie van 1990 volgde echte aandacht, zonder dat evenwel Broeks invloed zo groot bleek dat zijn visie algemeen ingang vond. Broek behandelde in zijn dissertatie deze feuilletons als tendensromans binnen de R.K. ideologie, een stelling die hij met een analyse van drie ervan toelichtte: W.E. Kroon: Giambo bieuw a bolbe na wea, M.A. Fraai: Lucha i triunfo en M.A. Fraai: Un yiu di pueblo, terwijl hij uit S.M. Suriel: Muher culpable enkele voorbeelden gaf. De gepropageerde hoofdtendens in de ‘novela intima curazoleña’ was tégen de ‘civilisashon moderna’ die als uitvloeisel van de opdringende holandisashon gezien werd, en vóór het behoud van traditioneel R.K. waarden en een dicht bij het Spaans aansluitend Papiamento. Broek constateerde voldoende gemeenschappelijkheid om van een literaire periode te spreken.[35] Habibe (1987) nam Debrots aanduiding ‘Papiamentse beweging’ over, met de karakteristiek dat in de thematiek van deze romans stelling genomen werd ‘tegenover de opkomst van het materialisme en kapitalisme, dat binnengehaald werd met de vestiging van de Shell. De visie is sterk Rooms-katholiek: God grijpt in bij moeilijkheden.’ (Amigoe 27 VI 87) Maar tegelijkertijd zag Habibe, op werk van Fraai na, nog weinig echt engagement in de schildering van huwelijkskwesties, vrouwenvriendschappen en dubbele moraal waar mannen meer toegestaan werd dan vrouwen.[36] Overigens was het niet de R.K. kerk alleen die klaagde over het materialisme van de moderne tijd, die met al haar welvaart geen aandacht meer voor culturele waarden zou hebben De Pool (1931; 1935) was een heel welbespraakt voorbeeld in deze, en in navolging van hem ook E. Lopez Henriquez (1943). Wat Lauffer (1976) de Papiamentstalige ‘periodo di kreashon’ noemde was voor hen ‘nuestra decadencia’ omdat het Spaans steeds meer terrein verloor. Na deze oorspronkelijke roman-feuilletons namen in de jaren dertig andere auteurs als G.A.P. van Uytrecht, J.S. Sint Jago, O.E. Sint Jago, José Kleinmoedig, maar vooral A.E. Leito (Tuyuchi) de oude vertaaltraditie weer op.[37] Liefdesintriges vormden de thematische hoofdmoot, tot Tuyuchi met zijn beroemd geworden

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

vertaligen van ‘Tom Richardson, detective di fama mundial’ in 1939 een luchtige variant op de moralistische traditie introduceerde. Al deze auteurs verdwenen achter de literaire horizon, op Tuyuchi na, die met name door Debrot steeds genoemd werd, maar dan vooral als dialoogschrijver. Hij was dan ook wel erg produktief, van hem liepen er in La Cruz, de krant waarin hij publiceerde, soms zelfs twee vertaalde romanfeuilletons tegelijk.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

152

Combersashon De traditionele dialoog die door Ipi en Cobi eind negentiende eeuw in de Amigoe en de eerste La Union werd geïntroduceerd, bleef populair. Vooral de R.K. pers gebruikte het bekende en geliefde genre om allerlei geloofsproblemen aan te kaarten. Was de catechismus zelf ook niet in vraag en antwoord gesteld? Want daar kwamen de verhalen vaak wel op neer: de onnozele of onwetende vrager werd terechtgewezen door de wijze weter, met name in La Cruz. In ‘Sambo and Buddy’, een humoristische in de jaren dertig in De slag om slag langdurig verschenen Engelstalige dialoog, was de eerste uitsluitend de aangever, de tweede de gretige verteller, die zijn kritische kijk op de actualiteit verwoordde in sappig Sint-Maartens Engels. In tegenstelling tot het feuilleton kreeg de ‘combersashon’ geen vaste plaats, maar zwierf ze door de krantekolommen. Tussen de omstandige begroeting en het wijdlopige afscheid (de vaste begin- en eindformule van de combersashon) kon de steller zijn moralistische boodschap kwijt. Zo schreef, om een voorbeeld te geven, La Cruz in 1918 in vier afleveringen een conversatie tussen Buchi Paula en Compa Nanzi tegen de door de Koloniale Raad aangenomen regeling omtrent de lijkverbranding die strijdig werd geacht met de Roomse leer. De dialogen ontleenden hun populariteit aan de erin verwerkte humor, soms op taalgebied door een Nederlander een mixture van Nederlands en Papiaments te laten gebruiken, of door de plaatselijke taalvariant van het Engels te gebruiken. In de dialoog demonstreerde zich een eigen taalbewustzijn dat in de ‘officiële’ literaire genres nog (lang) op zou zou laten wachten. De aanduiding ‘combersashon’ gaf de aard van de dialogen goed weer, want ze zocht nauwe aansluiting bij het bekende uit toneel en oratuur, door personages sprekend en handelend op te voeren, waarbij soms de ‘optredende’ personen aan het begin vermeld werden, met regieaanwijzingen als in een toneelscript. In La Cruz (23 V 17) begon een keer een dialoog met de vermelding dat Ipi een krant gekocht had, die door zijn oudste zoon aan het hele huis was voorgelezen! In tegenstelling tot het feuilleton dat zich tot Curaçao beperkte, waren de dialogen van alle eilanden, zowel Beneden als Boven de wind. Bovendien waren alle ‘combersashon’ origineel werk, geen vertaling van buitenlandse voorbeelden.[38]

Conta cuenta Van het populaire ‘conta cuenta’ waaraan vele journalist-auteurs zich ‘bezondigden’ werd slechts A.E. Leito, die in La Cruz publiceerde, door overzichtsschrijvers opgenomen in de canon.[39] Hij was ongetwijfeld de actiefste onder hen en produceerde niet alleen ettelijke lange vertaalde feuilletons maar ook veel Papiamentstalig origineel werk. Nagenoeg wekelijks (met een korte onderbreking in 1938) bracht hij dialogen en beschouwende en verhalende bijdragen, en zelfs een aantal keren poëzie. Hij schreef in La Cruz onder zijn eigen naam, A.E. Leito; daarna en daarnaast gebruikte hij het pseudoniem Tuyuchi, en vanaf 1939 Chobil.[40] Onder het hoofdje ‘conta cuenta’ werd door hem veel en veelsoortig werk geproduceerd, vaak dialogen tussen ‘Tuyuchi en Kozijn’, ‘Jan en Gerá’, ‘Perul en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Chobil’, die in sommige bijdragen zelfs uitliepen op een gedicht, daarnaast humoristisch-verhalende en serieus-beschouwende bijdragen. Genreonderscheidingen waren kennelijk niet zo belangrijk. ‘Conta cuenta’ was, op te maken uit wat er allemaal onder kon vallen, zoiets als dat van de moderne columns. Maar omdat de geschreven vorm veelal vertellend van aard was, is er tevens sprake van een overgangsvorm van oratuur naar literatuur. Onder ‘conta cuenta’ werd kennelijk alles geplaatst wat op aangenaam vertellende wijze allerlei aspecten van de actualiteit vertellend onder de aandacht bracht. Tuyuchi schreef over van alles, van opvoeding thuis en op school, binnen- en buitenlandse actualiteiten, de komst van de Snip en de eerste verkiezingen, over taalverschillen en

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

153 het moderne leven (civilisashon moderna). Hij was daarbij serieus of ging satirisch te werk in afwisselend dialogiserende, verhalende en essayistische vorm. Dat alles onder de verzamelnaam ‘conta cuenta’, dat door hem een begrip werd. De populariteit ervan valt secundair af te meten aan de korte advertenties die de redactie eind jaren dertig in de verhalen ging plaatsen. Sommige verhalen van Tuyuchi pasten ook inhoudelijk in de door de oratuur gevormde traditie, bijvoorbeeld geënt op sprookjes met een rijke mooie prinses, die veroverd wordt door de domme Daniel; een duivel in een fles en dergelijke. Ook liet hij zich inspireren door de Compa Nanzi traditie met Shon Arey en Nicolaas die de rijke shon door middel van zijn welbespraaktheid een hoge beloning afhandig maakt, en personages als Compa Warawara en Tortuga, verhalen waarin Compa Nanzi zelf ook optreedt. Tuyuchi was hiermee één van de heel weinigen die in die jaren het bekende orale genre produktief verwerkte. Dat Tuyuchi zich heel taalbewust met Papiamento bezig hield, bleek uit een persiflage ‘Loke Chobil a scucha di dos muher anciana’, waarin het met Nederlands doorspekte Papiamento van Mina en Lina belachelijk wordt gemaakt.’ - Hallo Mevrouw Mina, com ta, hoe gaat het? Ta lange tijd koe nos no a mira mekaar. Masha hopi dia. Toer momento mi ta zoeken uit un geschikte dag pa bini cerca bo, pero je kunt zelf begrijpen, Mevrouw Lina, coe mi tantoe bezigheden ta onmogelijk pa mi bepalen un dia pa mi sali.’ (La Cruz 1 III 39) Tuyuchi paste geheel in de door Aart Broek geschetste traditie. Het ‘modernisme’ zag hij als een vergif dat alle moraliteit in de mens doodde, hij hekelde te blote kleding, de mode, het zich opmaken, het bioscoopbezoek, het uit rijden gaan met auto's en de populaire picknick's: ‘Toer ke show, toer ke sport, i despues kico lo ta resultado?’ (La Cruz 21 II 40) Van de talrijke door Mgr. Verriet opgerichte kerkelijke verenigingen en goede bibliotheken maakte men volgens hem geen gebruik meer. Hij klaagde de moderne vrouw aan die van sport, van uitgaan, van alle luxe, kortom van alle geneugten van het moderne bestaan wilde genieten, in een schets die besloten werd met een moraliserend gedichtje waarvan de tweede strofe luidt: ‘Ai si, esai t'e gran abismo / Cobá p'e maldita modernismo / Koe muchoe, si muchisisima / Ta keda triste victima’. (La Cruz 25 X 39) Maar waar de roman-feuilletons zwaar van ernst waren, bracht Tuyuchi dezelfde moraal in zijn conta cuenta beknopt, lichtvoetig-humoristisch. Debrot (1985: 118-119, 207) besprak als enige het werk van Tuyuchi wat uitvoeriger. Hij plaatste het in de rubriek volksliteratuur, met de karakteristiek: ‘Om te beginnen de populaire “dialogen”, een vorm vooral in de mode gebracht door Tuyuchi met zijn stukken uit de dertiger jaren in het papiamentse weekblad La Cruz, onder de rubriek “Conta Cuenta” (vertellingen), waarin hij sociale misstanden hekelde. Het zijn meer of minder gepeperde twistgesprekken, de laatste jaren niet zelden met een politieke achtergrond of strekking.’ Later liet hij zich nog als volgt uit: ‘Tot de humoristische literatuur moeten ook worden gerekend de geschreven parodieën van Tuyuchi (pseudoniem van A. Leito), met zijn bijdragen jarenlang voor het Curaçaose dagblad [sic] La Cruz. (...) De parodieën zijn in dialoogvorm geschreven. Het zijn een soort dialogen niet bezijden maar wel bezuiden de waarheid die als voorlopers van het toneel kunnen worden aangemerkt.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Balans Naast alle nieuws- en opiniebladen waren specifiek literair-culturele bladen nagenoeg afwezig. Minerva (1922) is nu compleet onbekend, en een society-blaadje als Miniaturas (1925) hield het maar ruim een jaar vol. Zagen er op eigen of ‘vriendelijk’ initiatief in de jaren tien nog enkele Spaanstalige poëziebundels als van D.D. Salas en J.S. Corsen het licht, na 1915 verschenen dergelijke afzonderlijke publicaties in het geheel niet meer, terwijl de romanproduktie slechts bestond uit het publiceren van enkele succesrijke eerder verschenen feuilletons. De economische

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

154 welvaart in de snel veranderende maatschappij bracht bepaald geen culturele bloei met zich mee, althans niet op literair gebied. In deze turbulente jaren verschenen er op de Beneden- en Bovenwinden echter wel enkele uitgaven met mémoires. Kennelijk was er een behoefte om even stil te staan en alle snelle veranderingen te verwerken, met name op Curaçao en Aruba, waar de komst van de grote multinationals Shell en Lago de samenleving in sterke mate vernederlandsten of onder Amerikaanse invloed brachten. De economische veranderingen zetten, na een tijdelijke inzinking ten gevolge van de mondiale crisis rond 1930 al spoedig weer onstuitbaar door. De welvaart sloeg volgens velen door naar materialisme dat geen oog meer had voor cultuur en letterkunde. Op Curaçao legde de Shell als machtige multinational het koloniale gouvernement in alles haar wil op. De bevolking breidde zich niet alleen in aantal maar ook qua samenstelling sterk uit, waarbij het dominante ‘Nederlandse element’ in Curaçao niets anders dan een ‘tropisch Nederland’ zag en zich daar ook zeer ostentatief naar gedroeg. Elke verandering betekende in deze tijd een vernederlandsing. Deze plotse overgang van een traditioneel agrarische en handelssamenleving naar een modern geïndustrialiseerd tijdperk noopte tot bezinning, voor sommigen zelfs nostalgie. Het Papiamentstalige roman-feuilleton was in de ogen van de dominante cultuurgroep niet meer dan een onbelangrijk randverschijnsel dat geen serieuze beschouwing waard was. In de periferie van de letterkunde manifesteerde zich een nieuw bewustzijn dat de balans van deze nieuwe tijd wilde opmaken. Het gebeurde van binnenuit op diverse Antilliaanse eilanden en van buitenaf in Nederland. De belangstelling gold het Spaans, Nederlands, Engels en Papiamento. Aruba bevond zich na de komst van de Lago in een stroomversnelling. Er verschenen in de jaren dertig een aantal nieuwe bladen die ook aandacht aan de letterkunde en cultuur schonken. De schok van de overgang van het oude bezadigdheid naar de nieuwe bedrijvigheid was groot. De eerste op het eiland gestationeerde Amerikanen vonden geen enkele uitgave die hen enigszins op de hoogte kon brengen van wat het eiland te bieden had. Om het onderlinge contact zo goed mogelijk te verstevigen richtten ze een eenvoudig gestencild tijdschriftje op, de ‘Pan Aruban’, dat in 1932 ten behoeve van tijdelijk op Aruba verblijvende Amerikaanse Lago-employees een History of Aruba publiceerde met talrijke bijzonderheden over het land, zijn volk en geschiedenis, over goud, fosfaat, aloë, klimaat en geologie, transport en olie. Het eens zo stille en arme eiland was door de Lago-raffinaderij een nieuw tijdperk ingegaan en het was voor de toestromende buitenlanders zaak te weten hoe het allemaal eens was. In diezelfde tijd schreef H.E. Lampe zijn Aruba voorheen en thans (1932), dat in het gebruik van de Nederlandse taal en inhoudelijk enerzijds de verinnerlijking van de holandisashon vertoonde, die niet alleen van buitenaf koloniaal werd opgelegd, maar door hem in ‘dicht en ondicht’ persoonlijk doorleefd, anderzijds in zijn ‘onvermomd exposé’ de blijdschap dat het oude, in zijn ogen arme en primitieve, Aruba door de komst van Lago- en Arend-raffinaderijen gelukkig plaats had gemaakt voor een moderne en welvarende eilandelijke gemeenschap, al ging dat enigszins ten koste van de gemoedelijke sfeer, zeker in deze crisisjaren. Hij toonde de schriftuurlijke variant van de Arubaanse séparación-beweging, de politieke stroming

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

die ‘los van Curaçao’ rechtstreekse banden met het moederland wenste, die juist deze jaren door Henny Eman krachtig werd. Het zich ontwikkelende eiland wilde niet meer in alles van het grote zustereiland afhankelijk zijn en op eigen benen staan. Datzelfde Curaçao beschreef hij twee jaar later overigens in lyrische bewoordingen, geheel in de trant van de in die jaren kennelijk populaire mixture van feitelijk almanak-achtige en persoonlijke beschrijvingen van land en volk. We moeten ons realiseren dat het toerisme naar de eilanden voor het eerst op gang kwam.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

155 Recensent B. de Gaay Fortman kon niet erg enthousiast zijn over de uitgave: ‘Ik heb twee bezwaren tegen het geschrift. Het komt mij onbegrijpelijk voor, dat de schrijver zijn handschrift niet op het Nederlandsch heeft laten nazien; het zou er slechts bij hebben kunnen winnen. En in de tweede plaats ontsieren des schrijvers uitstapjes buiten zijn onderwerp het geheel.’[41] Maar recensent M.L. was veel positiever over Lampe's beschrijving van ‘het verschil tusschen Aruba van dertig jaar geleden en nu, een verschil dat het bijna ongeloofelijk is, voor hem die het niet van nabij heeft meegemaakt’. Het boekje verkocht uitstekend, wat nogmaals duidt op de populariteit van het genre. Waar de negentiende eeuwse Nederlanders beschrijvingen van land en volk gaven, was nu de tijd gekomen dat ‘landskinderen’ deze taak overnamen, zowel Beneden als Boven de wind. Deze eerste balans sloeg door naar een afwijzen van het oude en het omarmen van de nieuwe welvaart. Al een paar jaar eerder had J.C. Waymouth zijn herinneringen genoteerd. (Sypkens Smit 1981: 86) Waar Aruba en Curaçao economisch bloeiden, leden de Bovenwinden verlies, omdat hun beste arbeidskrachten naar de goed betalende olie-industrie van die eilanden getrokken werden. ‘It is Curaçao über alles,’ moest Waymouth constateren, die tien jaar eerder in zijn weekkrantje St. Martin Day by Day (1911-1920) zijn ‘los van Curaçao streven’ nog zo fervent verdedigd had. Waymouth beperkte zich in zijn herinneringen tot de geschiedenis, met name die sinds 1852; hij deed geen uitspraken over heden of toekomst. Maar het is opvallend dat ook hij de balans aan het opmaken was, in een tijd die moeilijker was dan een beter verleden, waardoor de weg naar de nostalgie geplaveid was. Maar de feitelijkheden beletten de benadrukking daarvan. Deze keer zag recensent B. de Gaay Fortman vooral de kleinschaligheid, waardoor eilandhistorie persoonlijk-autobiografische geschiedenis werd, en het nagenoeg afwezige Nederlandse karakter van de eilandgemeenschap, ondanks de opdracht van dit gedenkschrift aan Koning Willem I, II en III.[42] Tien jaar na J.C. Waymouth gaf S.J. Kruythoff The Netherlands Windward Islands uit, een eilandgids in de trant van Lampes boekje over Curaçao, maar een nog nadrukkelijker aandacht voor het opkomend toerisme. Voor de letterkunde was het van belang omdat het een aantal gedichten bevatte, aandacht besteedde aan oratuur en een verzorgde stijl toonde. Recensent Schalkwijk noemde het een ‘aanwinst voor onze koloniale literatuur’: ‘Zijn geesteskind verschilt van dorre Baedekers en van andere “handbooks” wel hierin, dat het is geschreven in de bloemrijke taal, welke mij zoo dikwijls heeft getroffen in het proza van de Bovenwindsche literatuur; de tekst wordt bovendien verlevendigd door verscheidene hooggestemde gedichten, waarin de schoonheid der eilanden wordt bezongen.’[43] Een balans die zonder meer positief uitviel. Van Nederlands-koloniale zijde werd het regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina werd in 1933 herdacht, evenals de vierhonderdste geboortedag van Vader des Vaderlands Willem van Oranje; een jaar later werd driehonderd jaar Nederlands koloniale aanwezigheid drie dagen lang geestdriftig gevierd, een officieel ‘Gedenkboek’ (1934) werd gepubliceerd. God, Nederland en Oranje waren ook op Curaçao onverbrekelijk één, culturele verheffing was het wachtwoord.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Op Curaçao publiceerde de veelzijdige John de Pool in 1931 en 1935 zijn artikelen over de door hem ervaren decadentie in de jaren dertig en het bekend geworden Del Curaçao que se va (1935), de nostalgische herinneringen aan het cultureel bloeiende Curaçao van rond de eeuwwisseling. De Pool was naast literator, journalist, fotograaf, schilder en vooral verwoed reiziger die ‘thuis’ was in ettelijke landen in Midden- en Zuid-Amerika. In scherpe tegenstelling tot de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

156 ‘decadencia’ en culturele armoede van zijn eigen tijd, zag hij de eind negentiende eeuwse organische samenleving als één grote familie, de bloei van het onderwijs, de leescultuur, de sociëteiten, Curaçaos grote mannen. Hetzelfde jaar was zijn werk al op Curaçao beschikbaar en werd het drie keer gerecenseerd, wat uitzonderlijk was voor die dagen toen er nog geen recensietraditie bestond. Maar of het in het Spaans geschreven werk in die tijd veel invloed had? Later zou het als algemeen referentiepunt in alle literaire overzichten gaan dienen. John de Pool was, ondanks zijn uitlandigheid en reizend leven, sterk bij het eilandgebeuren betrokken gebleven, wat zich uitte in vele bijdragen aan de plaatselijke pers. In het buitenland was hij een vooraanstaand society-figuur. De Pool beschreef de in de Spaanse cultuur gewortelde elite van het eiland, een heel andere fase in de Curaçaose geschiedenis dan die van rond 1935, getuige de onthullende passage van recensent Menkman: ‘Van oneenigheid of antipathie tusschen de eilanders en de uit het moederland afkomstige tijdelijke mede-inwoners, lezen wij vrijwel niets; de Hollanders zullen destijds in de Curaçaosche samenleving nog wel geheel als gasten beschouwd zijn - en verkeerd hebben - en er was toen geen reden om in hen de met een superioriteitscomplex behepte moderne conquistadores te zien.’[44] Als Menkman meer geweten had van de rol die de kolonisten eind negentiende eeuw in de culturele genootschappen speelden, zou hij gezien hebben dat het culturele sectarisme van de Nederlanders iets van het Shell-tijdperk was. Menkman zag in het boek het algemene leven van de eilandbewoners als een idyllisch, patriarchaal en vreedzaam in eenheid met elkaar leven van Protestanten, Rooms-Katholieken en Joden, waar noch politieke, noch religieuze verschillen de goede harmonie verstoorden. Hij noemde onder meer het Papiamento, het sociëteitsleven, het genootschapsleven, de gedichten-albums, musea, de ‘cuenta di nanzi’, waardoor deze mémoires waarde hadden als ‘documento humano, een zeldzaamheid in de Curaçaosche literatuur van den nieuweren tijd.’ In zijn beschrijving van de elite zag De Pool nostalgisch terug op het streven naar ‘civilisashon’ van de totale post-emancipatie maatschappij, een streven dat in de latere tijd van de holandisashon kennelijk geheel verloren was gegaan. Schreef De Pool zijn mémoires als émigré in Panama en publiceerde hij ze in Chili, tezelfdertijd verscheen Cola Debrots ‘Mijn zuster de negerin’ in het Nederlandse tijdschrift Forum. Dit werk dat het begin van de Nederlands-Antilliaanse literatuur aankondigde gaf, dit maal in gefingeerde vorm, uiting aan een terugblikken op een jeugd, waar het persoonlijk ervaren van de twee hoofdpersonages Frits en Maria symbolisch werd voor een oud en nieuw Curaçao. Nadat Frits Ruprechts ouders gestorven zijn komt de dertiger na zestien jaar afwezigheid op zijn geboorteeiland terug om de erfenis te regelen en om een ‘bizar avontuur’ te hebben. Maar in de plaats daarvan vindt hij op de voorouderlijke plantage naast de oude rentmeester Wantsjo zijn halfzuster Maria. Debrots boodschap was dan ook dat zwart en wit op Curaçao niet alleen moeten samenleven in ‘hetzelfde huis’ maar dat ze als familie door bloedbanden met elkaar verbonden zijn. Een visie die niet iedereen in en buiten de roman wilde delen! Hoewel het boek op Curaçao beschikbaar was, werd er nauwelijks aandacht aan besteed, althans niet in een reguliere kritiek. De Curaçaosche Volkskrant (20 VII 35) nam een positieve recensie over uit de Haagsche Post (15 VI 35); de Amigoe (27 VII 35) reageerde daarop om de lezers te waarschuwen tegen het boekje, door

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

een negatieve recensie uit de Boekenschouw over te nemen, voorzien van het eigen commentaar: ‘Wij hebben op dit boek niet de aandacht willen vestigen om geen reclame er voor te maken. Nu echter de Cur. Volkskrant Zaterdag een recensie opnam van H.P. [sic] achten wij ons verplicht om te waarschuwen.’ Hoewel de krant al tientallen jaren enige recensie-traditie van buitenlandse boeken had, kwam ze niet tot een eigen standpunt; de redactie sloot zich bij het conservatief-katholieke Nederlandse standpunt aan. Mijn zuster de negerin was klaarblijkelijk een van de vele voorbeelden waarbij de priesterlij-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

157 ke kok waarschuwde tegen het vergif dat een lezer zou innemen, om in de beeldspraak van de kerk zelf te blijven. Het pas verschijnende Beurs- en Nieuwsberichten reageerde niet. Hoofdredacteur J. van de Walle (1974: 83) herinnerde zich later dat het boekje nagenoeg onbekend was. De aandacht voor deze eerste in het Nederlands bij een Nederlandse uitgever gepubliceerde Antilliaanse novelle was minimaal. Hollandsche Boekhandelaar Stoit Dijck kende het, maar verkocht hij het ook? Recensent Menkman wees het boekje ook af, op grond van een koloniale visie. Als passant had hij oog voor de raciale kwestie: ‘Op mij heeft des auteurs wereldverachting, speciaal zijn geringschatting van de wereld der blanken, niet den indruk vermogen te maken van echt en verantwoord te zijn.’[45] Debrot zelf sprak later over ‘een vervlechting van twee duidelijke hoofdmotieven: de INTER etnische verhouding, dus de vermenging der rassen, en de incestueuze verhouding, dus de verbreking van het INTRA familiale taboe. Het zijn twee motieven die zich zonder meer aan ons opdringen in de samenlevingen der Benedenwindse eilanden, op het ene eiland sterker dan het ander.’[46] Waar De Pool uitsluitend de witte eilandelijke elite beschreef en weinig oog bleek te hebben voor het ‘volk’ en zijn cultuur, zocht Debrot juist naar de trait d'union van wit met zwart, van de elite met het volk. J.Ph de Palm (1986: 182-183) vertelde hoe hij op het St. Thomascollege vroeg om het boek op zijn literatuuurlijst te mogen zetten: ‘De frater schudde vervaarlijk het hoofd, hield een vermanende vinger onder mijn neus en verklaarde plechtig dat dat boekje beslist niet thuishoorde op de lijst van een leerling van het Sint Thomas College. Dat hij hiermee het aantal lezers met tenminste vijftien deed toenemen, moet hij geweten hebben.’ Was het boekje op Curaçao op zijn gunstigst enigszins bekend, in Nederland riep het vele reacties op. Dat betreft dan een nieuw verschijnsel in de op dat moment aan haar wieg staande Nederlands-Antilliaanse literatuur. Debrot schreef en publiceerde in het moederland, waar hij gedistribueerd, bekritiseerd en gelezen werd. De Antilliaanse literatuur die een halve eeuw eerder via Notas y Letras enigszins in Latijns-Amerika was doorgedrongen, liet nu voor het eerst een duidelijke stem in Europa horen. En daar werd het eigen geluid terdege opgevangen. Opnieuw een jaar later verdedigde ‘de tegendraadse columnist’ A.d.C. in een aantal Union-artikelen het eigen Curaçao tegen de overheersing door de vreemdeling. Zijn meest steekhoudende argument was zijn inventarisatie van Papiamentstalige literatuur, die de volwaardigheid van deze taal moest aantonen. A.d.C. werkte op het kantoor van een winkel in Punda (oficina di pakus), maar hij wilde zijn naam niet bekendmaken; noem mij maar ‘Amigo di Corsouw’, ‘Adoptivo di Corsouw’ of ‘Arubiano di Corsouw’. Het ging niet om wie schreef, maar om wat er geschreven werd. Na alle feestelijkheden rond de driehonderdjarige koloniale band tussen Curaçao en Nederland, in de tijd van de definitieve doorvoering van het Nederlands als enige onderwijstaal, schreef A.d.C. in La Union nagenoeg wekelijks in totaal niet minder dan 23 ‘columns’ onder het pseudoniem ‘Je Maintiendra; nos tambe lo warda’, wat zijn streven zuiver weergaf.[47] Wij zijn verbonden met Nederland, maar we hebben een eigen cultuur; wij zullen die cultuur, onze eigenheid, onze identiteit ook handhaven (zoals de Nederlander dat deed).

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Hiermee roeide A.d.C. op het hoogtepunt van de holandisashon dwars tegen de stroom in. In zijn laatste twee artikelen vatte hij zijn schrijfarbeid en zijn streven samen. Hij was het eens met de stelling, ‘nos ta un territorio holandes’, maar dat wilde nog niet zeggen dat dan ook ‘tur cos ta i mester ta holandes’. Curaçao en Nederland zijn weliswaar met elkaar verbonden, maar zeker niet één in de betekenis van identiek. De regering is verplicht de eigen Curaçaose cultuur te beschermen en mag het volk die niet afpakken. A.d.C. was sterk voor het Papiamento: de taal en de literaire verworvenheden, de Papiamentstalige pers, Papiamentstalig toneel van La Charité en San Genesio. Hij was voor de oprichting van een Papiamentse academie, welke

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

158 institutionele backing het Papiamento een vaste plaats in de gemeenschap zou geven. Hij verdedigde de traditionele paters en hun streven de Curaçaose cultuur te versterken, hij was bang dat de nieuwe clerus steeds Nederlandser werd. Net als een halve eeuw eerder zouden de geestelijken weer Papiamentstalige religieuze literatuur moeten publiceren. A.d.C. was een fervent verdediger van de eigen cultuur tegen de macamba die beweerde dat Curaçao geen cultuur had; hij wilde een actieplan om die eigen cultuur te propageren. Hij was voor de eigenheid en tegen het schermen met modern genoemd maar vals internationalisme. Hij was tegen de holandisashon in het onderwijs en bepleitte terwille van de efficiency Papiamento als schooltaal. Zijn artikelen over Papiamento-literatuur waren een onderdeeltje van het bewijs dat Curaçao wel degelijk op velerlei gebied eigen cultuur bezat. In zijn afscheidscolumn vatte hij de hoofdpunten nog een keer samen: een Papiamentse pers en academie, die een officiële erkenning van het Papiamento moesten inhouden. In tegenstelling tot zijn collega-feuilletonisten sprak uit zijn polemische columns niets van enige moralisering. We constateerden aandacht voor Engels, Spaans, Nederlands en Papiamento. Op Aruba, Sint-Maarten en Curaçao werd de balans van de snelle veranderingen opgemaakt. De publikatiekanalen waren binnen- en buitenlands, in de vorm van artikelen en boeken. Uit al dit werk bleek het gevoel op een breukvlak van twee perioden te leven, op de drempel van een nieuwe tijd te zijn gekomen, wat men toejuichte of betreurde.

Eindnoten: [21] Debrot 1977, 1985: 194 schreef: ‘de eerste generatie van auteurs is in het engagement van de journalistiek geboren’. De kranten zijn als oudste en vaak de enige bron voor de literatuur, helaas zo onvolledig overgeleverd dat een reconstructie van de band die er tussen die twee bestond nooit enige volledigheid kan pretenderen, slechts representativiteit van wat bewaard bleef. [22] Op Aruba verschenen tussen 1874 en 1900 vier bladen, het eerste decennium van de twintigste eeuw twee, maar de werkelijke opkomst van de pers moet in de jaren dertig gesteld worden. (Hartog 1944: 15-24). Op Sint-Maarten verschenen tot 1940: St. Martin Day by day (1911-1920), New Life (1924-1925), Bovenwindsche stemmen (1933-1942) en De slag om slag (1934-1939). Op Curaçao lag de produktie kwantitatief veel hoger: ‘Sedert 1870, dus in ruim 50 jaar, zijn hier op ons eiland tusschen de 70 à 80 nieuwsbladen opgericht. Daarvan bestaan er nu, als wij ons niet vergissen, nog juist 7. De andere hebben meestal reeds na een kortstondig bestaan het leven afgelegd. Er is een tijd geweest, - nu ongeveer 25 jaar geleden, - dat hier tegelijk 16 of 17 grootere en kleinere nieuwsbladen bestonden.’ (Amigoe 4 IV 25) Zie voor bibliografieën en aantallen ook: WIG IV (1922-1923): 59 (66 nrs.); Amigoe 24 VI 22 (80 nrs.); 30 XII 33 (112 nrs.); B. de Gaay Fortman: Oost en West XXXIV-3: 5 III 34: 36-37; La Prensa 9 IV 34; Hartog 1944; Oranje 1948: 367-373; J.A. Lent: Ruku I-2, 1969: 11-25. Aart G. Broek: ‘Zoektocht naar Curaçaose periodieken’ (B/N 3 II 90) is van speciaal belang omdat hij naging wat er aan literatuur verscheen in de bewaard gebleven periodieken waarvan hij ook de vindplaats aangaf. [23] Zie Hartog 1944: 89. De B/N was mede bedoeld ter bevordering van de Groot Nederlandse gedachte van saamhorigheid en eendracht, ‘zij het alleen slechts door het ruimer gebruik door

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[24]

[25]

[26]

[27] [28]

[29]

de inheemsche bevolking van de Nederlandsche taal, draagster van de Nederlandsche cultuur en sleutel tot verdere ontwikkeling en welvaart.’ (W. van Eijk: Curaçao 13 V 44) Vergelijk wat dit betreft Civilisadó dat konsekwent elk stuk van elk niveau in het Papiamento redigeerde. La Cruz kostte een gulden per vier maanden; drie gulden per jaar; bij het eerste lustrum in 1905 was de oplage 1000. Zie Ñapa 22 VIII 87. Broek kwam tot de volgende aan het gevonden materiaal ontleende inventarisering en rubricering: een internationale gebeurtenis (Boerenoorlog, WO I); de lokale R.K. leef-en denkwereld: jubilea, kerkelijk jaar; de band Curaçao-Nederland: verjaardagen, verloving, huwelijk, geboorte leden van het koninklijk huis, regeringsjubileum, de 300 jarige sterfdag van W.v. Oranje, kolonisatie; de Kerstvlucht van de Snip; afschaffing van de slavernij; aandacht voor Curaçaose en Zuidamerikaanse helden: Brion, Piar, Bolivar; familiegedichten: huwelijk(sjubileum), geboorte, overlijden; lirika sosial (hij ontleende de term aan Lauffer 1973; zie discussie met Habibe over ‘lirika sosial’ Amigoe 31 III, 7, 12 IV 90); Papiamentu; Himno di Korsou. Sint-Maarten's los-van-Curaçao-beweging in 1919, het grote verleden van Sint-Eustatius als ‘The golden rock’, de suikerriet-oogst, de viering van het populaire carnaval, beschrijving van de natuur, tegenvallende oogst, algemeen sociaal-politieke kritiek, problemen met Venezuela in 1908, berijmde spreekwoorden zouden hieraan toegevoegd kunnen worden. Voor het begrip feuilleton, zie Boon-De Gouw 1984: 292. De feuilletons in La Cruz waren in het Papiamento, sinds 1900 nam Amigoe alleen Nederlandstalige feuilletons op: ‘Daar in het vervolg voldoende wordt gezorgd voor lectuur in de papiamentsche taal door het nieuwe weekblad La Cruz, zal ons feuilleton niet meer in het papiamentsch maar in het hollandsch geschreven worden.’ (Amigoe 16 VI 1900) ‘Onder een dikke horizontale balk over de volle breedte van de voorpagina verscheen alles wat de lezer maar zou kunnen ontspannen: voornamelijk vervolgverhalen, maar ook anekdotes, filosofische bespiegelingen, reisverslagen, enz.’ (Boon-De Gouw 1984: 292) gold eveneens voor de R.K. bladen, wat niet zo verwonderlijk is als we de intensieve contacten die er tussen de Curaçaose en de R.K. Nederlandse bladen als met name De Maasbode bestonden, verdisconteren. Aanvankelijk waren de afleveringen nog kort en besloegen ze niet meer dan een of twee nummers. Dat de feuilletons direct populair waren, bleek uit de aparte uitgaven ervan na verschijnen. Zo werd al in 1902 ‘Historianan recreativa’ voor dertig cent te koop aangeboden. Bij de roman-feuilletons zal later met name het feuilleton als lokmiddel tot een abonnement gebruikt worden. Waren er in de Antilliaanse kranten zulke diverse feuilletonisten als de onder pseudoniem schrijvende Tochi in La Cruz van 1904, met zijn ‘Carta di Tochi’, of de zich achter initialen verbergende ‘A.K.’ in de Amigoe van 1912 met zijn ‘St. Martijnsche Flikjes en Flakjes’, ‘H.M.H.’ die zijn ‘Curaçaosche sprokkelingen’, ‘Buitenstemmen’ en ‘Uit het Curaçaosche leven’ in de Amigoe van 1929 publiceerde, ‘Mac’ op Aruba, ‘Kris en Kras’ op Bonaire, ‘Midget’ met zijn ‘Saba's Bits and Scraps’, ‘Argus’, ‘Speurder’, ‘Pionier’, ‘Jack’, ‘Detective’, ‘Franco de Veras’ en nog anderen, die samen bewijzen hoe populair het feuilleton was in het eerste kwart van deze eeuw. Meestal droegen ze maar een korte poos enkele stukjes bij, en veelal met niet al te veel schrijftalent. Het feuilleton verdient die naam pas echt als de auteur ervan blijk geeft van een onafhankelijke kijk op de zaken die hij beschrijft in een persoonlijke stijl. In elf afleveringen drukte La Cruz (6 IX - 15 XI 11) het verhaal af. Er was een bekende J.H.B. Gravenhorst die op 5 VIII 09 stierf; en een die 29 IV 19 stierf. Het is niet na te gaan of alle artikelen van de laatste waren. Hij publiceerde nogal wat. Journalistiek: De Vrijmoedige: ‘De landbouw op Curaçao’ (24 VIII 11); ‘Curaçaosche aangelegenheden’ (15 V 13); ‘Iets over den slaventijd’ (10-24 VII 13); ‘De moord Lensvelt’ (9 X 13); ‘Nederland en Curaçao’ (4-11 XII 13); ‘Eene ontdekking door het maken van een sommetje’ (11 VI 14); ‘Denkt zij wellicht zoo?’ (10 IX 14); ‘De 23e september 1877 en 23e september 1915 (23 IX 15); ‘Onze buitenwegen’ (14 X 15). Verhalend: De vrijmoedige: ‘Een drama afgespeeld op de Caraïbische zee’ (6 II 08); Amigoe: ‘Van Curaçao naar New-Orleans Langs een omweg’ (13 VI-24 XII 14). Poëzie: De Vrijmoedige: ‘Eenige woorden gewijd aan de nagedachtenis van HAAR’ (30 X 13); ‘Opgedragen aan Mej. S.’ (12 VIII 15); ‘Bij de militaire muziek’ (21 X 15). Pater P.J. Poeisz' feuilleton ‘Di Corsouw pa Amsterdam’ in La Cruz (1 VII / 26 VIII 1914) en ‘Di Amsterdam pa Corsouw’ in datzelfde blad (26 V / 25 VIII 1915), Pater R.J.C. Wahlens ‘Bovenwindsche Stemmen’ (Amigoe 22 I / 18 XI 1916), en zovele andere Europeanen die hun reisbelevenissen die dagen aan het papier toevertrouwden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[30] In De Vrijmoedige (6 II 08) schreef Gravenhorst een mooie mixture van oratuur en literatuur in een stuk over de ‘ware’ geschiedenis van ‘De Zeemeeuw’, zoals een oude zeeman die aan zijn kapitein vertelde toen ze een keertje rustig op het schiereiland Guajira bivakkeerden. Dezelfde namen keerden terug in zijn feuilleton. Het piratenschip Beluche heeft in dit zeemansverhaal op 1 februari 1825 De Zeemeeuw van zijn enorme Arubaans-Curaçaose goudvoorraad beroofd. Een dame die aan boord was, mevrouw D., werd naar het piratenschip overgebracht, waarna De Zeemeeuw en haar bemanning in de grond werden geboord. Deze mevrouw D. zou later ten zuiden van Bonaire vergiftigd zijn door de piraat. Het goud kwam via het piratenschip terug op Curaçao, want later zouden een bisschopskruis en de gouden haarkam van Mevrouw D. op het eiland gedragen en herkend zijn. Gravenhorst was dus kennelijk zo geïntrigeerd door deze geschiedenis, dat hij er tien jaar later nog weer mee speelde. Als de man niet alleen journalistiek, maar ook enig literair talent had gehad, zouden we in hem de eerste Nederlandstalige Curaçaose auteur hebben mogen begroeten. [31] Naast zijn feuilleton-afleveringen schreef Jan Paul Delgeur nog enkele brochures, zoals over Sint Eustatius in 1905 en ‘Curaçaosche Schetsen’ die in een oplage van 20.000 exemplaren werden uitgereikt tijdens de Rotterdamse Missieweek in 1920, toen Jan Paul met verlof in zijn geboortestad was. Al in zijn studietijd schreef hij, getuige de in de Amigoe-feuilletons van 1906 opgenomen, ‘Kinderrampen’ en ‘Kostschoolleven’. Ergens liet hij zich ook ontvallen in zijn schooltijd poëzie geschreven te hebben. Jan Paul Delgeur schreef in zijn vele ‘Ditjes en Datjes’ over de eilanden waar hij woonde en werkte. Sint-Eustatius had zijn liefde en hij was een vurig pleitbezorger voor dat eiland. Hij was overtuigd van de vele mogelijkheden voor de veeteelt, voor de noodzaak van goede bootverbindingen met een stevige steiger, een goede medische verzorging met een permanent op het eiland wonende dokter, betere huizenbouw en andere sociaal-economische noodzakelijkheden. Hij kon bezorgd zijn als het weer eens lang droog bleef en jubelen als het regende en de oogst goed leek te worden. Hij beschreef het dagelijks doen en laten van de mensen en de schaarse feesten en bijzondere bezoeken van gouverneur, militairen of buitenlandse wetenschappers. Dan leefde hij helemaal op en werden zijn stukken ronduit lyrisch, waaruit zijn gevoelens van relatieve eenzaamheid blijken. Hij spoorde ‘zijn’ mensen aan, hij wilde ze opvoeden in zowel lichamelijk hygiënische zin als geestelijk-moreel. Dat hij daarbij neerbuigend-vertederd over zijn ‘blackies’ sprak als over ‘kinderen’ die nog opgevoed moesten worden, stempelt hem tot produkt van zijn tijd. Uit zijn geschriften laat zich de houding van de R.K. geestelijkheid ten opzichte van het volk en zijn noodzakelijke intellectuele en zedelijke ontwikkeling goed aflezen. Delgeur uitte felle kritiek tegenover de liberaal-blanke die zich volgens hem niets aan het volk gelegen liet liggen. Hij was een liefhebber van reizen, die kon genieten van vooral tochten per boot naar de naburige eilanden, met de onderzeeër K XIII toen die op bezoek was, en later met de auto op Curaçao. Hij bewonderde de techniek en maakte er progressief gebruik van, waarbij hij de mogelijkheden direct onderkende. Maar ook de zedelijke gevaren. Zo progressief als het om de techniek gaat, zo conservatief in morele aangelegenheden komt hij in zijn feuilletons over. [32] Er waren eigenlijk maar heel weinig lezers die reageerden. W.E. Kroon waardeerde Jan Paul, getuige een artikel in La Union (27 IV 23), wegens zijn verdediging van de arbeider. Anderen herdachten hem toen hij 25 jaar lang zijn stukjes bijgedragen had en toen hij stierf. Delgeur kreeg een aanbod van de N.R.C. om aan dat blad als feuilletonist mee te werken, maar hij schreef liever voor zijn eigen publiek op Curaçao. [33] Kroon, Fraai en Suriel kwamen in de canon terecht, dat lukte Sint Jago niet, evenmin J.G. Kleinmoedig en J.R. Luidens die uitsluitend korte feuilletons bijdroegen. (Broek 1990b: 299-300) Van de drie gecanoniseerde auteurs werden echter lang niet alle werken bekend; meestal bleef het in de overzichten bij het noemen van enkele ervan. Het mag dan ook als grote verdienste van Broek (1990b) gerekend worden voor dit niet tot de canon doorgedrongen werk aandacht gevraagd te hebben. Het blad La Union wilde de leden van de C.R.K.V. onder meer aanzetten tot het lezen van de eigen volkstaal. (Hartog 1944: 52) Daarin paste dus het beleid om feuilletons te brengen volkomen. [34] ‘Un yiu di pueblo’ p.e. Dr. M.A. Fray a dirigi atencion riba condicionnan social di nos sociedad i especialmente di nos trahador. Es novela ta conta origen, lucha i fin di un huelga..., sin duda el a haya su inspiracion fo'i huelga famoso di nos trahador di Puerto. Sr. Fray a haci nos comprende mentalidad ‘social’ di diferente clase di nos tera. Sr. Minguel den Muher Culpable a trata riba un otro aspecto di bida Curazoleño, esta riba influencia fatal di Cabaret i di Luho

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[35]

[36] [37]

[38]

[39]

[40]

[41]

exagerá den fiestanan di Baile i cos semehante. El a spierta contra peligro di seduccion i otro mal ocasion cu ta trece conflictonan moral terrible den seno di nos familianan. Sr. W.E. Kroon, mas ainda cu e dos otro escritor, ta penetra den mentalidad di nos pueblo. Sin mengua balor di otronan nos por bisa cu e ta analiza maestralmente sintimentonan, ideanan, caracter di nos pueblo i den esay -segun mi- ta consisti especialmente balor di Sr. Kroon como Novelista. Su estilo a condensá, directo, skerpi, mas adaptá cu otronan na es manera conciso, cortico di expresion cu ta un marca special i original di nos idioma Papiamento.’ (La Union 19 III 36) In De Gids (CLIII-7/8 (1990): 618-626) besprak hij opnieuw enkele thema's in de feuilletons, als ‘het nastreven van materieel gewin, luxe en status, het zich overgeven aan het uitgaansleven en bandeloosheid, het aangaan van oppervlakkige vriendschappen en het gebrek aan integriteit’, ‘cambrada’, ‘incest’ en ‘interetnische verhoudingen’ in deze romans. Naar aanleiding van enkele gedichten van deze auteurs leidde dat tot een polemiekje met Broek: B/N 24 II, 3, 10 III 90; Amigoe 31 III, 7, 12 IV 90. La Cruz was bij uitstek een leesblad. Naast Tuyuchi traden vele andere auteurs op, van wie op de voorgrond traden, Gerard A.P. van Uytrecht: ‘Dos Roeman muher’ (1934), ‘Misterio di amor’ (1935), ‘Sombra di maldad’ (1935); Andres G. Brion: ‘Venganza di un doncella’ (1934-1935); J.S. Sint Jago: ‘Envidia castigá’ (1935); José Kleinmoedig: ‘Dos siman di amor’ (1935); O.E. Sint Jago: ‘E prendanan perdí’ (1936-1937), ‘Amor puro no ta cambia’ (1939). Enkele voorbeelden. In La Cruz kwamen in de rubriek ‘varias’ komen dialogen voor (5 VII 05); ‘Pakiko bai misa?, M(arcelo) en A(lberto)’ (22 VII 14); ‘Combersacion di un poliz holandes coe un muher bieuw di Bonaire’ (23 V 17); ‘Combersacion di dos Rinconero, Ipi en Ben’ (11 IV / 28 XI 17); ‘Combersacion di dos compades, Jos en Juan’ (19 XII 17); ‘Combersacion di dos Playero’ (29 I / 1 V 18); Buchi Paula en Compa Nanzy: ‘Combersacion riba Kimatorio’ (25 IX / 16 X 18). In La Union: Ipi: ‘Comversacion entre dos Amigo di Aruba, Kai cu Chas’ (26 VI 24); Willy: ‘Goi cu Chimi: combersacion di actualidad’ (20 XII 28 / 13 II 30); Chandi: ‘Combersacion di actualidad na Aruba; Chago cu Zenin’ (14 IV 32); Piedra Plat: ‘Combersacion Arubiano’ (22 III 34). Het C.S.C. Praatje van de Curaçaose Sportclub (1939) was geheel in dialoogvorm tussen bestuur en leden geschreven (Hartog 1944: 62). In De slag om slag: ‘Sambo and Buddy Jep’ (wekelijks, vanaf 1935). Auteurs als José M. Hellburg: ‘Na cama di morto di un artista ricoe, hermosa... i toch pober’ (La Cruz 6 III 35); G.F. Nicolaas: ‘Cuenta’ (La Cruz 13 X 37; 20 X 37 vv.); Doys Bernabela: ‘Primavera’ (La Cruz 31 VIII 38); H.C. Goeloe: ‘Mi biahe na Italia’ (La Cruz 9 XI / 7 XII 38); ‘Mi promer paso riba campo Arubano’ (La Cruz 23 VIII 39 vv) bleven geheel onbekend. A.E. Leito droeg in de jaren dertig de volgende vertaalde feuilletons aan La Cruz bij: ‘Amor sin sufrimento ta prenda sin balor’ (1934), ‘Un matrimonio na scondi’ (1934-1935), ‘Dolor di mama’ (1936-1939), ‘Senda di amor’ (1937-1939), ‘Tom Richardson, detective di fama mundial; Ruina di vapornan transatlantico’ (1939-1940), ‘Aventura di Beatriz’ (1939-1940). In de rubriek conta cuenta verschenen nagenoeg wekelijks bijdragen aan La Cruz. Ik noem hier de voorbeelden, voorzover van een titel voorzien: ‘Loke Chobil a scucha di dos muher anciana’ (La Cruz 1 III 39); ‘Aventura di Beatriz’ (La Cruz 24 I 40). Onder het hoofdje ‘conta cuenta’ verschenen: ‘Historia di un coenukero i la muerte’ (La Cruz 30 I 35); ‘Un jioe obedecido na su mama’ (La Cruz 20 XI 35); ‘E tocador di harpa’ (La Cruz 23 XII 36); ‘Perul a pela chino’ (La Cruz 22 II 39); ‘Entená no ta jioe Menchi no ta mama Muher a traha horca pa homber’ (La Cruz 15 III 39); ‘Tres pa mi, dos pa bo!’ (La Cruz 5 IV 39); ‘Adios telefon’ (La Cruz 26 IV 39); Chobil: ‘Di un mucha muher koe a salba su patria’ (La Cruz 13 IX 39); ‘E senjora moderna’ (La Cruz 25 X 39); ‘Com Compai Zorro a nek Compai Tortuca’ (La Cruz 17 I 40); ‘Pakico Warawara ta cohe Puito’ (La Cruz 24 I 40); ‘Modernismo’ (La Cruz 21 II 40). Poëzie van A.E. Leito in La Cruz: Tuyuchi: ‘Gerá a haci anja’ (La Cruz 19 VI 35); ‘Poder di placa’ (La Cruz 23 IX 36); Tuyuchi: ‘Gerá a haci anja’ (La Cruz 22 VI 38); Chobil: ‘Contestacion di Chobil na su amigo’ (La Cruz 1 III 39); Chobil: ‘E cachor misterioso’ (La Cruz 15 III 39); Chobil: ‘Carson koe no sa keda henter’ (La Cruz 17 V 39); Chobil: ‘Un debe koe toer mester paga’ (La Cruz 17 V 39); Chobil: ‘E berdadera mama di cas’ (La Cruz 19 VII 39); Chobil: ‘Bon anja! Mi Westpunt stimá’ (La Cruz 27 XII 39); Chobil: ‘Dedica na un tal costurera koe pa prome bez a bai foi tera’ (La Cruz 3 I 40). H.E. Lampe (1884-1953) was een ‘dichter’ die geen gelegenheid voorbij liet gaan om in het Nederlands zijn aanhankelijkheid aan moederland en vorstenhuis te tonen: ‘1898-september-1923’ (Neerlandia 1923: 134); ‘Gedenklied 1634 - Curaçao - 1934; 29 juli’, opgedragen aan gouverneur Van Slobbe (CHA O-D 29-22; ‘Curaçao en Holland een’ (La Prensa 5 V 34; Broek Ñapa 22 VIII 87); ‘Aan Nederland’ (La Union 25 VI 34). In La Cruz XII 34

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

dichtte hij over de komst van de Snip (Broek 1987: 52-53); ‘Rouwlied aan de leeuwerik’ (El Observador IV 35); afscheidsgedicht voor gouverneur Van Slobbe en welkom voor gouverneur Wouters; ‘Nationale belangstelling’ (Neerlandia 1936: 205); ‘Het vijfde gebod’ (El Observador 1 V 35); ‘Hoe Aruba meeleefde met het prinselijk huwelijk’ (Neerlandia 1937: 58-59; ‘Ik zal handhaven, 1898 - september - 1933’ (Boletin Comercial 3 IX 38); ‘Onze gids uit hogerhand’ (Boletin Comercial 3 IX 38); ‘Hr. Ms’ Gelderland voor Aruba' (Neerlandia 1938: 25-26); ‘d'Oranjezon zal schijnen’ (Neerlandia III 41: 10); Vertaalde ‘canticanan di evangelio’, een hymnbook Engels-Papiamento; WIG XX, 1938: 275 (over de betekenis van Shi in Shi Maria). Afzonderlijke uitgaven: 1932

Aruba voorheen en thans. Rec. B. De Gaay Fortman: WIG XV, 1933-1934: 171-172: ‘Achterlijk was Aruba, nog maar 35 jaar geleden, zegt de schrijver zelfs, maar geluk en tevredenheid schijnen ermee verloren te zijn gegaan.’ De Gaay Fortman heeft bezwaar tegen het gehanteerde Nederlands en ‘het kreupelrijm over de hoogst ernstige gebeurtenis van 8 juni 1929 op Curaçao is beneden peil.’; M.L. in Amigoe 20 I 34;

1934

Mijne indrukken van Curaçao. Curaçao: Tip. Electrica.

Het Neerlandia- ‘Aruba-nummer’ dec. 1911 noemde H.E. Lampe als ANV-lid. Hij was kennelijk ambtenaar van politie. Hij zwierf nog al, want hij was in de jaren twintig op Cuba en woonde eveneens op Curaçao. [42] J.C. Waymouth: Memories of Saint Martin. Barbados: Advocate Co. Ltd. [ong. 1928] Rec. De Gaay Fortman: WIG XI (1929-1930): 443-444 [43] S.J. Kruythoff: The Netherlands Windward Islands and a few interesting items on French St. Martin; a Handbook of useful information for visitor as well as resident. Antigua: The Excelsior Printery. 1938 Rec.: F.G. Schalkwijk: WIG XXI, 1939: 148-150. D.C. van Romondt en A.K. Valk hadden eveneens manuscripten over de geschiedenis van hun eilanden geschreven, maar niet gepubliceerd. Kruythoff (1938) citeerde eruit. [44] Menkmans recensie: WIG XVII: 290-297. Debrot beschreef in zijn bijwoord op de Nederlandse vertaling minder de idyllische kant dan wel de door De Pool zelfgekozen ‘exilado-stemming’, die zich in het boek compositorisch bewoog als ‘een opwaartse vlucht van het singuliere naar het universele’. Recensent Hoetink (1962) bestreed dat laatste; hij vond wel twee duidelijke kernen: de schetsen over gewoonten en gebruiken, en de portretten van vooraanstaande personen. Daarnaast wees hij erop dat De Pool een ‘half-geamuseerde, half-geïntrigeerde houding der blanke elite tegenover de bevolking toonde’. Broek (1987: 49-52) benadrukte dat laatste ook, en noemde als derde kern de beschreven culturele organisaties. Volgens hem tekende De Pool de moraal, zeden en gewoonten die het leven tussen c. 1860 en 1890 gekarakteriseerd zouden hebben, als eten en drinken, de mode, huisversieringen, dansen en muziek, verloving en huwelijk, begrafenis, vrije tijdsbesteding. Daarna volgden de instellingen en personen die als de dragers van de beschaving golden, zoals de Buitensociëteit, de particuliere onderwijsinstellingen, het Letterkundig Genootschap Nut en Beschaving, uitgever Bethencourt, advocaat pamflettist Chumaceiro, Doctor Capriles, Shon Nene Gorsira. De schuldvraag waarom deze culturele bloei ‘voorbij ging’ legde De Pool bij de door de Shell veroorzaakte exclusieve aandacht voor het materiële, de achteruitgang van het (particuliere) onderwijs, maar impliciet en vooral bij de Nederlanders die zich wegens de tijdelijkheid van hun verblijf niet echt aan het eiland wilden binden. Gunstige uitzondering daarop vormde de Missie, waarbij hij met name La Union ophemelde. Waar De Pools Del Curaçao que se va, in navolging van Debrot (1955) algemeen gerekend werd tot de Spaans-romantische school van het einde der negentiende eeuw, pleitte Broek (1987:

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

49-52) voor een plaats in de jaren dertig. De Pools kritiek op het moderne leven, met zijn materialisme en culturele ‘decadencia’, plaatste hem, ondanks zijn geheel andere literaire vormgeving, naast de auteurs van de Papiamentstalige feuilletons, zoals W.E. Kroon, M. Fraai en S.M. Suriel, omdat die ‘eenzelfde bezorgdheid’ toonden ‘ten aanzien van de sociaal-culturele ontwikkelingen’ in die jaren. Nauwelijks een jaar later echter nam Broek (Journal of Caribbean Studies VII, 1989-1990: 148) dit standpunt terug door de verschillen te benadrukken: de sociale en etnische afkomst, het geheel andere leespubliek, het genreverschil en de houding ten opzichte van de R.K. kerk. Evenmin zou De Pool bij de latere Nederlandstalige schrijvers ingedeeld kunnen worden; hij nam een unieke positie in de literatuurgeschiedenis van Curaçao in. [45] Menkman in WIG XVII: 271. Jules de Palm: Kinderen van de fraters (1986: 182-183) [46] Debrot zei dit in een interview met Kees Smit: Amigoe Kerstkrant 1974. Cola Debrot: Mijn zuster de negerin.

In Forum dec. 34/ jan. 35; 1935; 1949; 1955; 1961; 1962; 1967; 1975; 1977; 1978; 1982, 1986. Na een lange aanloop-periode ontstond er toenemende en blijvende aandacht in de jaren zestig en zeventig. Vertalingen: My sister the negro (1958); Moja sestra crnkinja (1963); Ma soeur noire (1965). Verfilming door Dirk Jan Braat (1980). Mijn zuster de negerin wordt nu algemeen beschouwd als het begin van een Nederlands-Antilliaanse literatuur. De contemporaine Nederlandse receptie-aandacht was groot. Ze beschouwde Debrot vanuit de Nederlandse literatuur, benadrukte de het terug naar de jeugd (vergelijk E. du Perron: Het land van herkomst; S. Vestdijk's Anton Wachter romans; Proust's A la récherche du temps perdu, de moderne stijl en de sfeerbeschrijvingen omdat die aansloten bij het Nederlandse proza, en het psychologische inzicht. Reacties: E. du Perron: De Groene Amsterdammer 1935; V.E. van Vriesland: N.R.C. 25 V 35; De Telegraaf 26 V 35; Haagsche Post 15 VI 35; Boekenschouw 1935; Nederland LXXXVII-6; H(erman R(obbers): Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 7 1935; M. ter Braak: Het Vaderland 18 VIII 35; M. Uyldert: Algemeen Handelsblad 31 VIII 35; C. van Wessem: De Stem 9 1935; E. R(aedt) de C(anter): Groot Nederland 9 1935; G. Knuvelder: Roeping 5 1936; J. Engelman: De Nieuwe Eeuw 1935. Ondanks de overwegend positieve reacties kwam er voorlopig geen herdruk. Na de herdruk in Meesters der Nederlandse vertelkunst (1949) en de tweede druk (1955) benadrukte men naast de stijl en sfeer, het koloniale, Antilliaans exotische in sterker mate. Rec.: G. Stuiveling: B/N 24 IV 53; J. Niemeyer: Nieuwe Haagsche Courant 27 VI 55; N.R.C. 12 X 55; F. de C.: De Volkskrant 12 XI 55. Met Kees Smits Amigoe-interview met Debrot zelf (Kerstkrant 1974) startte een discussie die nog lang zou doorklinken op de Antillen zelf. Jos de Roo beschouwde de novelle vanuit een Caraïbisch perspectief. Hij zag hoofdpersonage Frits Ruprecht als een blanke Curaçaoenaar die zijn positie tussen het oude en nieuwe moest bepalen: is er contact met de zwarte Curaçaoenaar mogelijk; kunnen de raciale scheidsmuren geslecht worden; welke rol speelt het verleden daarbij; het antwoord is dat zwart en blank elkaars familie zijn. (Amigoe 17 II 79) De invloed van zijn interpretatie was aanzienlijk, met name op latere Nederlandse scriptieschrijvers: Theirlynck (1986); Van Esch & Thuis (1986); Van Os & Van der Pluym (1987); Van Eyck (1988). Voor overige benaderingen vanuit Caraïbisch perspectief: Hoetink (1958); Van der Wal & Van Wel (1980); Lobbrecht (1983); Van Neck-Yoder (1986); Reinders & Martinus (1988); Heuvel & Van Wel (1989). Van Neck Yoder (1986) bracht een nieuw element in de receptie door het werk in de Caraïbische, aan Shakespeare's The Tempest ontleend ‘Prospero-Caliban-topos’ te plaatsen. De Antilliaanse receptie verliep merkwaardig, omdat het werk aanvankelijk helemaal geen aandacht kreeg, daarna slechts weinig en dan in de talrijke overzichten vaak in negatieve zin omdat Debrot in het Nederlands schreef. Maar de laatste decennia staan Cola Debrot en met name Mijn zuster de negerin in het centrum van de Antilliaanse literaire kritiek. Daar heeft het literatuuronderwijs sterk aan mee gewerkt. De aandacht culmineerde in een groot Debrot symposium, januari 1986 aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen (UNA) gehouden. (Reinders & Martinus 1988)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

In Nederland bleek de aandacht uit een grote Debrot-tentoonstelling in het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1985), het verschijnen bij Meulenhoff van het zeven delige Verzamelde Werk (1985-1989) en de door J.J. Oversteegen geschreven biografie (ter perse, 1994). [47] A.d.C. in La Union 23 I / 9 VII 36

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

159

5.3. Verenigd in Groot-Nederlands verband Het na de emancipatie tot bloei gekomen verenigingsleven zette zich gedurende de eerste eeuwhelft voort. Naar cultuursfeer kunnen we organisaties onderscheiden die zich op de eilanden zelf richtten, en die welke de banden met het moederland of met Zuid-Amerika wilden aanhalen. De groepen die het Nederlands propageerden of van die taal gebruik maakten, domineerden en werden een verdere stimulerende factor voor de holandisashon. Al bleef de R.K. kerk voor haar prediking en in de pers van het Papiamento gebruik maken, via het door de fraters en soeurs gegeven onderwijs en de kerkelijke organisaties vernederlandste ook zij in de loop van de eeuw.[48] Een in 1937 opgerichte Sociedad Bolivariana ontplooide niet die krachten die nodig waren om de Antillen weer zo'n Spaans karakter te geven als ze aan het einde van de negentiende eeuw kenden.

‘Nederland in Curaçao doen leven’ Het Algemeen Nederlands Verbond werd opgericht ter gelegenheid van de herdenking van de Vlaamse Guldensporenslag. Op 11 juni 1894 verscheen het eerste nummer van het Verbondstijdschrift Neerlandia. Op 3 april 1898 werden in een algemene vergadering in het stadhuis van Antwerpen de statuten besproken en vastgesteld. Ze beoogden ‘versterking van de volkskracht bij de volksgroepen die tot de Nederlandsche stam behooren, en van het bewustzijn van haar verwantschap’. Dit werkterrein sloot de koloniën in, want het was inclusief ‘de volksgroepen van niet-Europeesche afkomst, welke een gebied bewonen, waar het Nederlandsch of een andere Dietsche taal landstaal is of als zoodanig erkend wordt’. Het verbond trachtte zijn doel te bereiken door ‘handhaving en verbreiding van de Nederlandsche taal, alsmede vergemakkelijking van het aanleren en het gebruik’ daarvan. Een Indische afdeling werd in 1899 opgericht, Suriname volgde in 1902. Op Curaçao werden de voorbereidingen getroffen door de ‘onvermoeibare’ Nederlander J.H.J. Hamelberg, die door het koloniale gouvernement echter in 1903 op missie naar Venezuela gestuurd werd, waarna Luitenant J.A. Snijders het initiatief overnam. (Gedenkboek 1934: 290-297) Een eerste officiële vergadering vond op dinsdag 29 november 1904 in Sociëteit De Gezelligheid plaats. Het Bestuur van de Groep Nederlandse Antillen zou volgens het bekende sociale recept ‘drie Joden, drie Protestanten en drie Roomschen’ bevatten. In 1908 kregen Aruba op initiatief van onderwijzer J.H.P. Schrils, en Bonaire door het streven van C.J. Krijt eigen afdelingen. Was het A.N.V.-hoofddoel in het algemeen de ‘Groot-Nederlandse gedachte’ van verbondenheid in taal en cultuur tussen alle Nederlandssprekenden ter wereld te bevorderen, op Curaçao ging het specifiek om ‘in de Kolonie meer en meer een Nederlandsche geest te ontwikkelen en den band met het moederland te versterken’. In de officiële doelomschrijving van het reglement kwam niet minder dan vijf keer het woord ‘Nederlandsch(e)’ voor en drie keer het woord ‘kolonie’; het doel om de kolonie te vernederlandsen overheerste zonneklaar. Dat hield dus, hoewel onuitgesproken, even duidelijk in: alle pogingen ondernemen om het Papiamento terug te dringen.[49]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Vanaf het begin toonde het A.N.V. een dubbele holandisashon; de eerste werd door het ‘Nederlandse element in de kolonie’ en het koloniale gouvernement opgelegd, de tweede was een nog belangrijker want ‘innerlijke’ verhollandsing die uitging van de wens van de Antillianen zelf. De geschiedenis van de Groep Nederlandse Antillen valt in drie tijdvakken uiteen: met ups and downs van 1904 - 1940, een bloeitijd van 1940 - 1945, en tenslotte na 1945 een periode

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

160 van achteruitgang en een geruisloos verdwijnen ergens in de jaren zestig toen het Verbond door de Sticusa en op de eilanden, verdrongen werd. (Neerlandia 1945-XII: 4-7; 1958: 35) Breekt er, nadat de Sticusa op haar beurt eind 1988 opgeheven werd, nog een vierde periode aan? (Amigoe 10 IX 92) Het verbond kende naast gewone leden, die Fl 2,50 per jaar aan contributie betaalden, wat een niet onoverkomelijk hoog bedrag genoemd kan worden, ook begunstigende leden die Fl 25,00 of meer betaalden, maar daarvan waren er maar weinig. Men moest tenminste achttien jaar oud zijn. Dat het gouvernement het belang van deze vereniging voor haar beleid inzag, bewees de voor koloniale begrippen (overheidssubsidie voor cultuur was tot dan toe ongekend) zeer gulle jaarlijkse bijdrage van vijfhonderd gulden. Op de Curaçaose oprichtingsvergadering kon men direct al zesenvijftig leden verwelkomen van het eigen eiland en dertig correspondenten van de andere eilanden. Uit de beschikbare gegevens valt op te maken dat er in de beginjaren steeds tweetot driehonderd leden zijn geweest, al zou de grootste bloei tijdens de Tweede Wereldoorlog komen toen er op een bepaald moment zelfs 745 leden waren. Steeds was op Curaçao het ‘Nederlandsche element’ verreweg het sterkst, en op de Bovenwinden het zwakst vertegenwoordigd.[50] Maar vanaf het begin was secretaris Snijders optimistisch over de laatste eilandengroep, want ‘ofschoon wij moeten toegeven, dat onze taal op de Bovenwindsche eilanden nog zeer weinig gesproken wordt, hopen wij toch dat langzamerhand door het oprichten van boekerijen en andere middelen, het gebruik onzer taal zal toenemen. In hun hart zijn de ingezetenen Hollanders, waardoor wij vertrouwen in ons pogen te zullen slagen.’ (Neerlandia 1906: 93) In tegenstelling tot de meeste genootschappen en verenigingen van die dagen waren bij het A.N.V. ook vrouwen nadrukkelijk welkom. Al in het eerste jaar maakten op Curaçao daar vier damesleden gebruik van. Maar Secretaris Snijders zou er graag meer verwelkomen, want ‘gy allen zult beseffen welk een groote steun het voor ons Verbond zal zijn, wanneer wij in ons streven meer en meer de sympathie verwerven van de vrouwen in deze Kolonie. Dat zal ons groote kracht geven. Hebben we de vrouwen op onze hand, dan volgen de mannen vanzelf.’ (Neerlandia 1906: 90) Per slot was het hoofddoel het verspreiden van de schone Hollandse moeder-taal. In het bondsorgaan werden lijsten opgenomen waarop de nieuwe leden werden vermeld, vergezeld van het door hen opgegeven beroep. Dat stelt ons in staat na te gaan wíe de leden waren en welke sociale positie ze bekleedden. Het A.N.V. mag gerust als een club van de eilandelijke elite of in elk geval het establishment bestempeld worden. Vanaf het begin werd de gouverneur beschermheer. De overgrote meerderheid van de leden was koopman (dat is trouwens een ruim begrip); velen behoorden tot de hogere militaire rangen, de koloniale bestuurslaag, de hogere geestelijkheid, en de aanzienlijken in de vrije beroepen. De gewone ambtenaar, onderwijzer, klerk, soldaat of geestelijke werd geen lid, wel de hogere in rang. Van meetaf overheersten de Curaçaoenaars zelf, niet de Nederlanders. Op Aruba en Bonaire lagen de zaken niet zo heel anders; ook daar werd het aanzienlijke deel van het eiland lid. Dit gegeven gekoppeld aan het doel, rechtvaardigt de conclusie dat er direct na de eeuwwisseling van het A.N.V. inderdaad een krachtige impuls moet zijn uitgegaan ten bate van de ‘holandisashon’ van de kolonie.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

In een terugblik noemde oud-gouverneur Van Slobbe enkele activiteiten: ‘Ik heb waargenomen hoe dit Verbond in Curaçao door het houden van voordrachten, door het vertoonen van films, door het uitloven van prijzen aan scholieren, Nederland in Curaçao deed leven en ik heb dat werk zeer toegejuicht.’ (Neerlandia 1939: 6-7) Al voor de officiële oprichting van de Groep Nederlandsche Antillen was het Nederlandse A.N.V. actief geweest op het gebied van de boekverspreiding. Door het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

161 Nederlandse Hoofdbestuur werd het sturen van ‘goede boeken, geen treinlectuur’ en het oprichten van bibliotheken een van de belangrijkste middelen geacht om de ‘Groot-Nederlandse stamverwantschap’ inhoud te geven.[51] Sint-Eustatius' Gezaghebber G.J. van Grol zag hierin al snel mogelijkheden voor zijn eiland, waar op dat moment vijftien mensen Nederlands kenden, maar van wie er slechts twaalf personen het ‘zonder moeite’ konden lezen. In die tijd woonden er ongeveer dertienhonderd mensen op het Engelstalige eiland; voor nog geen één procent daarvan werd er een Nederlandse bibliotheek ingericht. ‘Hollandsch leeren, ondanks en met het Engelsch, gaat betrekkelijk vanzelf. Men vatte de dikwijls zoo misbruikte uitdrukking: “die moeielijke Nederlandsche taal” toch niet te letterlijk op.’[52] Tegenover dit optimisme lezen we ook van kritische stemmen die het nut niet zagen van boeken in Nederlandse vertaling die op de eilanden allang in het originele Engels waren gelezen. Men pleitte daarom voor het opnemen van moderne oorspronkelijke Nederlandse literatuur, geheel in de trant van de koloniale assimilatie-gedachte. Aruba volgde het Bovenwindse voorbeeld al in 1904, Bonaire kreeg in 1905 een eerste A.N.V.-boekenkistje. Veel werd er echter nog niet gelezen in het begin, en dan ook nog niet volgens de verheven doelstellingen, want ‘meestal lichte romannetjes en novellen, bij hooge uitzondering enkele werken van andere strekking. Gedichten vonden geen aftrek, geschiedenis evenmin. Deze bijzonderheid vindt zijn oorzaak hierin, dat het drukst gebruik van de bibliotheek wordt gemaakt door dames,’ schreef vertegenwoordiger C.J. Krijt, die in zijn verslag over 1906 ook al niet veel te roemen vond, want ‘ter lezing werden slechts 85 boeken afgegeven, meest aan dames. De gekozen werken waren romannetjes en novellen. Drukker gebruik mocht verwacht worden; de boekerij toch was aanmerkelijk vermeerderd.’ Ook Aruba klaagde al spoedig over teruglopende belangstelling, maar hier was het wegens gebrek aan nieuwe boeken. Men besloot tot ruilverkeer met Bonaire. Hier hebben we de eerste ondubbelzinnige aanwijzingen dat de Antilliaanse ‘dames’ lazen, zij het niet wat ze volgens de ‘heeren’ eigenlijk zouden moeten lezen. Elke activiteit van het A.N.V. was gericht op het verhollandsen van de kolonie, wat blijkt uit soms korte berichtjes als: ‘Het Bestuur der Groep Ned. Antillen heeft aan den Heer Gouverneur beleefdelijk het verzoek gericht het Hollandsch spreken door ambtenaren op de Kantoren van het Gouvernement wel te willen bevorderen. De Gouverneur heeft op dit verzoek goedgunstig beschikt.’[53] Beroemd waren in die dagen de zogenaamde ‘Hollandse Avondjes’. De jaarvergaderingen waren op zich al een ‘krachtige manifestatie van Nederlandsgezindheid’, als er tenminste voldoende leden acte de présence gaven. Op deze feestelijke bijeenkomsten werden de zakelijke verslagen gevolgd door lezingen en toespraken, waarbij men eigen mensen kon beluisteren of van buiten eigen kring uitgenodigde gelijkgezinden. Of het over letterkunde of een andere kunst ging, Nederland stond centraal bij deze elocuente ora- en auratuur en werd kritiekloos als voorbeeld opgehemeld.[54] Naast de eigen bijdragen nodigde men ook Nederlandse artiesten uit, na alle Spaanse passanten een nieuw verschijnsel in de kolonie. Zo kwam het ‘Hollands Ensemble’ in 1906, Albert Vogel in 1913 en Paul de Groot in 1919, Charlotte Köhler in 1936. Ook hier ging het vanaf het begin om Nederlands taal en cultuur te verbreiden, want ‘een bezoek van een Hollandsch tooneelgezelschap aan onze Kolonie achtten wij een zaak van zulk een groot belang en daarin zagen wij zulk een krachtig

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

middel tot versterking van den band tusschen moederland en kolonie, dat wij onmiddellijk besloten al onze krachten te zullen inspannen om het ondernemende troepje Hollandse tooneelisten op eene waardige wijze te ontvangen.’[55] Mondjesmaat was er tegenover al deze Nederlandse culturele beïnvloeding ook sprake van enig contact in omgekeerde richting. Al snel gaf het bondstijdschrift enkele speciale eilandnummers uit. Het Curaçao-nummer van 1905 was een dubbelnummer in een oplage van niet minder dan 7500 exemplaren, met het doel ‘in het moederland meer kennis te verspreiden

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

162 omtrent onze Kolonie’, waarna een jaar later een speciaal Bonaire- en in 1911 nog een Arubanummer volgden. Het verstrekken van studiebeurzen aan Antilliaanse studenten voor een opleiding in Nederland, werd gezien als ‘een der krachtigste middelen om de band tusschen moederland en kolonie te versterken’.[56] Tot 1919 kreeg het A.N.V. hiervoor een jaarlijkse subsidie van het gouvernement, daarna nam dat zelf deze beurzenverstrekking over. Het A.N.V. richtte zich met haar propaganda-activiteiten sterk op de jeugd. In de jaren dertig werden voor haar Nederlandse films vertoond en waren er voordrachtswedstrijden van Nederlands proza. De bekende Neerlandia-dagen waarop de Neerlandia-prijzen werden uitgereikt aan wie het beste Nederlandse opstel had geschreven vonden voor het eerst in de jaren twintig plaats.[57] Met name deze activiteit om een ‘kweekplaats van Nederlands-Antilliaans talent’ te scheppen werd heel bekend. Auteurs die later op diverse terreinen naam zouden maken, als José Kleinmoedig, O.E. van Kampen, Jules de Palm en Frank Martinus Arion hoorden tot de bekroonden.

De Sint Thomaskring en de letterkunde Het R.K. verenigingsleven, dat in de laatste decennia van de negentiende eeuw tot bloei gekomen was, zette zich onvermoeibaar voort, ook al constateerde men achteraf, dat ‘een tijd van weelde een moeilijke tijd voor innig geloofsleven’ was. Met name in de jaren dertig ontstonden nieuwe verenigingen op velerlei gebied.[58] Voor de wereld van de letteren was de Sint Thomaskring van groot belang. In 1882 waren in Pietermaai, in 1900 in Otrobanda de Sint Jozefgezellenvereeniging en de Reunion San Hosé opgericht die uitsluitend Papiamento hanteerden, maar toen begin twintigste eeuw de Sint-Thomaskring voor afgestudeerden van het Sint-Thomascollege tot stand kwam, gold voor deze hoger opgeleiden het Nederlands als maatstaf voor alle activiteiten. De start was kennelijk moeizaam, want de eerste poging in 1901 en de tweede in 1908 mislukten. In 1929 volgde een derde poging, ditmaal van Pater M. Hulsman, maar met steeds weer hetzelfde doel, het ‘godsdienstig, maatschappelijk leven der Curaçaosche burgerjongelingen’ te bevorderen, ‘een vereeniging van R.K. Jongemannen, die zich ten doel stelt de godsdienstige, cultureele en maatschappelijke verheffing van haar leden’. (Amigoe 9 II 29; 11 III 33) Daartoe dienden lezing, voordracht en toneelspel, waarbij ontspanning en godsdienst samengingen en waarbij de hoger opgeleide Curaçaose jongeren met de R.K. literatuuropvattingen in aanraking werden gebracht. In deze debatingclub voor volwassenen kreeg de literatuur een godsdienst en zeden dienende rol toebedeeld. (Annalen 1953: 87) Over het jaarfeest van 1933 oordeelde de Amigoe (11 III 33): ‘Het is een avond geweest van Roomsch apostolaat, van Roomsche schoonheid. We hebben genoten van zang en muziek, vooral genoten van een enthousiaste lezing, gloeiend van apostelvuur, treffend door zijn innigheid, raak om zijn inhoud, schoon in zijn samenstelling en voordracht.’ De Nederlandse leraar Nederlands F.J. Linnartz[59] sprak in ‘Beschouwing in zakformaat’ over historische kerkvervolgingen en ketterijen, het brandend geloof der middeleeuwen, en de nieuwe religie, met onder meer een behandeling van Dostojewski, Tolstoi en Romain Rolland (litteratoren die zich een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

zedelijk gezag veroverden), het goede en slechte boek, en verschilpunten tussen humanisme en katholicisme, eindigend met een opwekkend woord en een passus over ‘katholiek zijn’. ‘Na de pauze werd in 't bizonder gesproken over Just Havelaar, het vitalisme en de nasleep van het liberalisme der 19e eeuw. Hierbij werden besproken de litteratoren Marsman, Menno ter Braak, Potgieter e.a. Het geheel was gekruid met gedichten van den spreker. De verzen van de spreker, door de lezing verspreid, maakten diepen indruk, waaronder we vooral noemen, Kruisdraging, De Geheven Vuist, Gebeden.’ (Amigoe 11 III 33)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

163 Het zal duidelijk zijn dat literatuur hier als middel tot missie en katholieke emancipatie gehanteerd werd. Maar naarmate de eeuw vorderde twijfelde men meer aan het succes van de priesters die als passanten geen blijvende invloed konden uitoefenen. In hoeverre dat de lekenonderwijzers wel gelukt is? ‘De tragiek van al die mannen is geweest dat zij geen “school” hebben gemaakt en dat daarom bij hun heengaan, er niemand was die de fakkel van hun geestdrift en van hun liefde overnam en zoo is het gekomen dat hun levenswerk meer en meer aan 't verdwijnen is...of reeds verdwenen is!?’[60] Na de oorlog zou de kring een nog slechts kwijnend bestaan leiden. (Annalen 1953: 87-88)

De Curaçaose Schouwburgkwestie Teatro Naar bleek al vrij snel na de opening in 1871 de eerste minpunten te vertonen. Men klaagde over het slechte zicht op het toneel, over brandgevaar en over de warmte tijdens de voorstellingen. Feuilletonist-pastoor Jan Paul Delgeur herinnerde zich hoe hij in 1897, toen hij pas op Curaçao was aangekomen, het Teatro Naar in nog redelijke staat aantrof, maar in 1925 was het helemaal in verval en niet meer aangepast aan de moderne eisen die het zich snel tot het industriële tijdperk ontwikkelende Curaçao mocht stellen aan een dergelijke cultuurtempel. Werd de naam gemoderniseerd tot ‘Americano’, toen er ook films vertoond werden, dat betekende nog geen automatische verbetering van het gebouw zelf.[61] Al in 1915 ontstonden de eerste plannen tot vervanging van Teatro Naar door een modern gebouw. Onder voorzitterschap van H.H.R. Chapman werd op 2 juni 1915 de N.V. Curaçaosche Schouwburg Maatschappij officieel opgericht, met een beginkapitaal van Fl 14.300, - dat tot eerst zestig- daarna tot honderd- maar in een latere fase tot zelfs driehonderdduizend gulden zou moeten worden uitgebreid. Van activiteiten blijkt niets. De N.V. bleek in 1925 wel in het bezit van het oude theatergebouw, waarvan de waarde op dat moment begroot werd op elfduizend gulden. Door middel van emissie van aandelen, het organiseren van feestavonden (april 1918) en loterijen (1927 en 1930) probeerde men fondsen te verwerven, maar dat ging kennelijk dermate langzaam dat het tot 1931 zou duren eer het benodigde bouwkapitaal ten bedrage van Fl 125.000, - bij elkaar gegaard was. Voorzover er berichten over zijn, was de belangstelling niet groot. In 1928 werd er een prijsvraag uitgeschreven om tot een ontwerp voor een theater- en concertgebouw, gesitueerd aan de Pietermaaiweg te komen. De prijs van Fl 300, - was voor Joh. W.M. Valks ontwerp ‘als het meest geschikt voor uitvoering’. In juli 1931 zocht het bestuur een exploitant, waarna de opening op 7 november 1931 eindelijk plaatsvond.[62] Maar toen was het een hele plechtigheid, ‘een avond van groot kunstgenot en gratie, een inwijdingsvoorstelling waardig’. Opgevoerd werd het blijspel Entre Doctores, maar de hoofdmoot bestond die avond uit muziek. De elite was op deze avond waarvan ‘grote beschavende invloed’ uitging, aanwezig, waaronder de Gouverneur en zijn familie. Wie binnen geen plaatsje kon vinden kon buiten staande, via luidsprekers de voorstelling volgen, een novum op het eiland. De Amigoe was niet al te scheutig met de berichtgeving, want per slot was de stadsschouwburg de concurrent van het R.K. ‘Theater Brion’, dat een jaar eerder werd ingewijd.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Tot nu toe was een schouwburg bestemd voor het hele volk en werd er geen kwalitatief onderscheid gemaakt bij de vraag wie hem bespeelde. De recensies tonen aan dat in het verleden in Teatro Naar zowel amateurs met een wel heel licht en op knullige wijze gebracht repertoire, alsook professionals optraden. Er was plaats voor iedereen, ook voor de eenvoudige uitvoeringen van verenigingen en scholen tijdens hun meestal drukbezochte jaarfeesten en prijsuitreikingen. Maar de geesten scheidden zich rond 1930, en daarmee werd voor het eerst een onderscheid tussen ‘cultureel’ en ‘populair’ toneel aangebracht. Was Theater Brion voor het volk, de stadsschouwburg, al gauw Roxy genoemd, was er vooral voor de elite. Dat bleek alleen al uit de gevraagde entree-prijzen. Betaalde men in Brion een gulden entree, in Roxy was dat

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

164 in de regel niet minder dan vier. In een overigens heel vriendelijke polemiek met Amigoe's feuilletonist Jan Paul bleek dat men van de stadsschouwburg meer verwachtte dan alleen een gebouw waar amateurs hun toneelspel vertoonden. De secretaris R.B(oskaljon) schreef aan Jan Paul, daarbij duidelijk kwaliteitsonderscheid aanbrengend tussen amateurs en beroepsspelers: ‘En dan, hoe is 't mogelijk, dat ge ons theater-bouwerij kunt vergelijken met het doel, wat gij nastreeft? (...) Dat het peil van hetgeen men gewoonlijk in het thans tot Teatro Americano herdoopt Theater Naar presteert, zoo laag staat, is overdreven. Tot voor eenige jaren was dat de eenige gelegenheid, die Curaçao op dit gebied bezat en zijn er (...) verschillende uitvoeringen, vooral op het gebied van tooneelkunst, in gegeven, die er mochten zijn. Daarom doet het zoo vreemd aan als voorbeeld van veredelende en opbouwende kunstprestatie een uitvoering van de St. Jozefsgezellen aan te halen. 't Was toch geen meenens van U, want 't zit 'm immers niet alleen in den inhoud van het stuk? Zonder maar het minst te willen afdingen op de acteurstalenten van de St. Jozefsgezellen, gij wilt het spel van dilettanten toch niet vergelijken met dat van beroepsmensen?’[63] In Roxy werden al snel ook films vertoond, een op dat moment nog nieuw medium voor het eiland, maar de gouverneur merkte de stadsschouwburg aan als een ‘witte bioscoop’ - zodat er alleen rolprenten van goede, zedelijke strekking mochten worden vertoond - en niet de films die dienden om de lage hartstochten te prikkelen en een verkeerde invloed uit te oefenen op het volk. (Brief Henriquez 11 VIII 1933, C.H.A. Curaçao: 29-16) In tegenstelling tot de moeizame fondswerving voor de stadsschouwburg, slaagde het Damescomité van de Tooneelclub ‘La Charité’ binnen een paar jaar erin voldoende fondsen te verzamelen om een eigen katholiek theater te bouwen. De jeugdige toneelspeelsters traden onder leiding van Mevrouw M. Dijkstra en het adviseurschap van Pater Koenen in juli 1928 voor het eerst op, en trokken daarna steeds weer stampvolle en enthousiaste zalen. Al gauw ontstond het plan voor een beter toneelgebouw, omdat het zaaltje van de Volksbond niet voldeed. Waarschijnlijk was de concurrentie met de hannesende Curaçaosche Schouwburg Maatschappij hier niet helemaal vreemd aan. Op 2 september 1930 kon een nieuw en multifunctioneel gebouw in gebruik genomen worden[64] Op de feestelijke openingsavond werd een ‘vloeiend Spaans drama’ Fabiola, ‘een echt door en door Roomsch stuk’ en geheel in poëzie, gespeeld. Dat was kennelijk populair want het was al bij diverse eerdere gelegenheden gebracht. De gouverneur was aanwezig, presidente M. Dijkstra sprak in het Nederlands en Spaans. Daarnaast was er zang, voordracht en een Jazzband Concordia, terwijl op andere avonden radiomuziek ten gehore zou worden gebracht. Al direct daarna kon het gebouw zijn nut bewijzen toen men een voorstelling gaf ten bate van de slachtoffers van een Isla-ongeluk en een ramp in Santo Domingo. (Amigoe 20 IX 30) Met name Laura de Maduro trad geregeld op en bracht in haar programma's steeds weer ‘kunst en poëzie, hand aan hand met godsdienst en wetenschap’. (Amigoe 18 VIII 34) Op de feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van het eerste lustrum van La Charité drukte Pater Koenen het doel van het toneelgezelschap en het R.K. Theater Brion als volgt pregnant uit: ‘het verspreiden en ook vervullen van de christelijke naastenliefde onder ons katholieke volk (...), Theater Brion te maken tot centrum van vol katholiek leven, niet zoozeer dus een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Theater maar een middelpunt van katholieke vernieuwing op alle gebied.’ (Amigoe 6 V 33) In de toneelwereld was de segmentering van R.K. contra neutraal voortaan een vaststaand gegeven, waarbij de moraal het opnam tegen de kunst als doel in zichzelf.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

165

Het passantentoneel en zijn invloed op taal en zeden Het viel op dat zowel bij de opening van Theater Brion als die van Stadsschouwburg Roxy een toneelstuk in het Spaans gebracht werd. Het Curaçaose toneel was en bleef voorlopig drietalig, al zou het Nederlands ook hier een relatief steeds belangrijker plaats gaan innemen. In 1906 had onder auspiciën van het toen nog maar kort functionerende maar actieve Algemeen Nederlands Verbond het Hollands Ensemble als eerste Nederlandse toneelgroep met succes de Nederlandse Antillen bezocht. Pas in 1932 kwam, na heel wat moeilijkheden wegens de afstand en de daarmee gepaard gaande hoge onkosten overwonnen te hebben, opnieuw een speciaal voor de gelegenheid gevormde groep, De Dietse Spelers. Na alle voorstellingen door Spaanse passanten, die al vanaf de eerste helft van de 19de eeuw optraden, zagen de Curaçaoenaars nu voor het eerst professioneel toneel uit het moederland.[65] De Dietse Spelers brachten twee bezoeken aan de Antillen, in juni 1932 en zeer langdurig in augustus en september 1933. Het bleek voor de toneelleiding moeilijk het publiek juist in te schatten op smaak en schouwburgervaring. Men speelde Europees toneel uit de traditie, met de grote namen als Shakespeare, G.B. Shaw en Oscar Wilde, maar ook eenvoudige blijspelen.[66] De prijzen van de abonnementen waren niet onaanzienlijk, maar wie had niet een fiks bedrag over voor een ‘propaganda-reis voor onze Nederlandsche taal’.[67] Volgens voorzitter Ir. de Pril vormden het A.N.V. in Nederland, de Groep Nederlandse Antillen van dit A.N.V. en De Dietse Spelers als het ware ‘een drievoudige verbintenis met hetzelfde doel, de Groot-Nederlandse gedachte en taal te bevorderen’. (Amigoe 16 VII 32) Hoe stond het Curaçaose publiek tegenover dit Hollandse toneel? De Dietse Spelers waren gast van het A.N.V. Steeds gaf de elite acte de présence, de gouverneur ontving het gezelschap in plechtige audiëntie, men noemde het toneelbezoek een gebeurtenis van nationale betekenis. De Nederlandstalige Amigoe begeleidde de tournees intensief met commentaar uit Surinaamse en Nederlandse kranten en eigen recensies, in 1932 zelfs met pagina-grote advertenties. Was het publiek volgens de recensies in 1932 matig enthousiast over sommige voorstellingen, in 1933 liet het het, evenals in Suriname, afweten: de opkomst was toen niet meer dan de helft van het jaar ervoor. (Amigoe 19 VIII 33) Op Aruba traden De Dietse Spelers in 1932 drie keer op, het was de eerste keer dat Nederlandse professionele toneelspelers op het eiland waren. Bij gebrek aan een schouwburg moest men improviseren, wat lukte omdat E. de Veer zijn gebouw gratis beschikbaar stelde en J.G. Eman voor de speciale toneelverlichting zorgde. Hoe reageerde het publiek? A.N.V. secretaris H.A. Hesseling schreef een verslag, waarin hij stelde van verschillende kanten de vraag gehoord te hebben: Hollandse toneelspelers, kan dat wel wat zijn? Die vraag maakte hem boos, omdat ze toonde dat men op Aruba vol vooroordelen zat tegen alles wat uit het moederland kwam. Hij maakte dan ook onderscheid tussen het Nederlandse en het Arubaanse publiek! Het eerste optreden had minder succes dan het tweede, wat misschien te wijten was aan de moeilijkheidsgraad van het stuk en het onderwerp, dat niet tot de verbeelding sprak noch actueel was. (Amigoe 7 VII 32) Op deze recensie volgde een interessante reactie

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

van F.J.U. Oduber, die stelde dat Hesseling niet op de indrukken van een ‘enkeling’ moest afgaan, omdat zoiets de ‘kiem zou kunnen zaaien van haat tusschen zonen van Groot Nederland’. Tracht liever in nauwer contact te komen met welbekende Arubanen. Om de banden tusschen Moederland en Kolonie nauwer aan te halen, dient elk vooroordeel opzij te worden gezet. (Amigoe 30 VII 32) Hier leek de houding van een A.N.V. bestuurder dus averechts te werken op het Groot Nederlandse ideaal. Maar de spelers oogstten succes en het A.N.V. kon meer dan honderd nieuwe leden inschrijven. Het is interessant de verslagen van dit soort avonden te lezen omdat ze iets weergeven van de kleine eilandelijke gemeenschap van die dagen. Zo behelsde een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

166 verslag niet meer dan enkele regels omtrent het stuk en het spel, maar werden alle organisatoren en commissieleden met naam en toenaam uitgebreid genoemd en geprezen. De ‘sponsor’ was kennelijk het belangrijkst. In 1933 trad de groep opnieuw met succes op Aruba op. De voorstellingen werden redelijk bezocht hoewel net op het moment van optreden zich een sterfgeval in een der belangrijkste families had voorgedaaan zodat velen niet konden of wilden komen. Uit de reacties kunnen we op zijn minst drie benaderingen van dit Nederlandse toneel destilleren: de wens om op deze wijze de Nederlandse taal en cultuur in de kolonie te kunnen implementeren, een op het literair-esthetische gerichte benadering en tot slot een moreelreligieuze visie. Omdat goed gespeeld toneel zo'n indringend medium werd geacht, vond men het van groot belang erop te reageren en erover te reflecteren. Naast het Groot Nederlandse hoofddoel zag A.N.V.-voorzitter Ds. Millet de Saint Aubin in zijn openingstoespraak in 1933 een algemeen ideaal van het toneel, toen hij ‘met eenige mooie woorden’ memoreerde ‘hoeveel werkelijk goeie toneelspelers kunnen bijdragen voor de opvoeding van den mensch en het is werkelijk te apprecieeren dat ons thans de gelegenheid wordt aangeboden die van onze nationale acteurs te kunnen bewonderen.’ (Amigoe 19 VIII 33) Men beschouwde het toneel als iets wat door zijn uitbeelding meer tot de verbeelding sprak dan het alleen maar lezen van een tekst. Er zijn meer aanwijzingen dat men toneelbezoek, evenals eind negentiende eeuw, nog steeds indringender vond dan lezen. Naar aanleiding van E. Verkades Hamlet-voordracht schreef een recensent dan ook: ‘Tooneelkunst is iets levends, het is als 't ware de schoone uitdrukking van het contact van deze speler met de ziel van den schrijver: als men zoo de tekst van Shakespeare leest zou men niet vermoeden dat er zoo veel inzit: maar dit alles heeft de Heer Verkade er uit gehaald door zijn artistiek begrijpen van Shakespeare.’ (Amigoe 16 IX 33) In 1933 traden De Dietse Spelers ook enkele keren op voor R.K. groeperingen, zoals ‘Het Apostolaat ter Zee’, in het R.K. Theater Brion. Dat was bij die gelegenheid dan wel geheel bezet, wat erop wijst dat de R.K. kerk een stevige greep had op of, aardiger gezegd, band had met zijn publiek. Deze opvoeringen leveren langs de weg van de recensies tegelijk inzicht in de vraag op, wat de R.K. visie op toneel in die dagen was. Naar aanleiding van de opvoering van Een huwelijk van Lodewijk XIV schreef de recensent: ‘Hier en daar was er wel eens een minder juiste voorstelling van zaken van katholiek standpunt uit bezien: zoo bijv. over de ontbinding van een huwelijk, zelfs de Paus kan het huwelijk waarover het ging, niet ontbinden! overigens in alle opzichten een succes.’ (Amigoe 16 IX 33) In 1938 vatte recensent ‘M’ in een terugblik de zaken nog eens samen. Hij schreef dat het succes niet groot was, ook al om andere redenen als het toneelspel, want ‘men had hier genoeg van Hollandse toneelspelers’. (Amigoe 30 VII 38) Zo zag men het op de Antillen, wat was de visie van de Nederlandse tonelisten? Toen Willem van der Veer zelf in een interview de balans opmaakte zei hij, deze aspecten samenvattend: ‘In den grond der zaak komen de Dietse Spelers een brokje cultuur brengen van het Moederland, en die cultuur is een Nederlandsche cultuur. De menschen hier echter spreken veel Spaansch en Engelsch en hebben daarbij ook nog hun eigen Moedertaal. Door zijn ligging is dit eiland aangewezen vooral op de omringende Spaanschsprekende Republieken en ook wel op de Verenigde Staten; vanzelf zal er hier dus betrekkelijk weinig Nederlandsch gesproken en gelezen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

worden. De Nederlandsche cultuur als zoodanig blijft dan vele menschen vreemd: dat blijkt ook nog wel hieruit dat bij opvoeringen door Spaansche gezelschappen, er veel meer volk tegenwoordig is. (...) Van der Veer meende dan dat het wel de taak was van Nederland om in dit Nederlandsche gebiedsdeel propaganda te maken voor de Nederlandsche taal en cultuur. Dat was ook het doel der Dietse Spelers.’[68]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

167 In 1938 kwam nog één keer een Nederlands gezelschap langs, voordat de oorlogssituatie dit onmogelijk zou maken. Nu trad niet meer het A.N.V. maar de inmiddels opgerichte Curaçaose Kunstkring als organisator op. De Amigoe reageerde niet zo heel erg enthousiast, mede omdat ze aanvankelijk geen advertenties aangeboden kreeg. Men wisselde bovendien het optreden in de Stadschouwburg Roxy niet meer af met Theater Brion, maar met Club Asiento. Al vooraf schreef de krant, naar aanleiding van vragen van lezerszijde over ‘wat het Hollandse toneel (...) voor ons katholieken brengt’, dat twee stukken van het repertoire ‘voorbehouden’ waren, dat wil zeggen dat ze ‘ondanks zekere passages of grondgedachten zonder nadeel door gevormde personen kunnen worden gezien’. Toneelstukken als Henri Clerc: De despoot, Henri Bernstein: De Dief en Samson, Jan Fabricius: De rechte lijn, en Sacha Guitri: Jacqueline passeerden alle de revue, waarna de auteur zonder specifieke titels af te keuren in algemene termen besloot met: ‘We geloven met deze korte inhoud van de verschillende stukken, onze katholieke vragenstellers voldoende op de hoogte te hebben gebracht, zodat zij zelf kunnen beoordelen, naar welke uitvoering zij met hun kinderen kunnen gaan, naar welke niet.’ (Amigoe 9 VII 38) Het blijkt dat de Amigoe op dat moment over een vaste toneelrecensent beschikte die zich verborg achter het initiaal ‘M’. (Pater Möhlmann?) Zijn recensies waren tijdens het optreden redelijk positief ‘om het succes zo groot mogelijk te laten zijn’, maar achteraf vatte hij zijn kritiek in drie punten samen. Er werden maar twee Nederlandse stukken gespeeld, voor het overige was er een ‘invasie’ van vertaald werk, voornamelijk uit het Frans en ‘van een Hollands gezelschap, dat de culturele band met het Moederland wil versterken, mag men wat anders verwachten’. De literaire en artistieke kwaliteiten van het gebrachte waren sterk wisselend. Het Franse toneel voldeed niet aan de eisen die men hier stellen mag aan cultureel peil en waardevolle inhoud. Belangrijker dan de literaire bezwaren waren de morele, waarbij de auteur zich niet alleen spiegelde aan het oordeel van het Surinaamse blad De West en uitspraken van Eduard Verkade, maar ook tot een eigen oordeel kwam: ‘Het gros van het Curaçaose publiek apprecieert wat anders dan de onbelangrijke en in vele gevallen decadente producten, waarop het gezelschap ons getracteerd heeft.’ Nu was het wel zo dat juist de ‘decadente’ stukken (toevallig?) in Theater Asiento werden opgevoerd. Het eerste daarvan bood niet anders dan ‘een zwaar gedegenereerde Franse “upper ten” in al zijn geraffineerde sensualiteit en innerlijke holheid’. Wat het tweede stuk betrof was recensent ‘M’ het helemaal eens met het niet Katholieke Surinaamse De West, dat schreef: ‘De bedorven lucht, die op dien avond van het toneel af de zaal inwalmde, is voldoende door ieder helderdenkend mens geroken!’ ‘M’ kon het daarom goed begrijpen dat mensen gedurende de voorstelling wegliepen of niet meer naar de volgende gingen, hoewel ze in het bezit waren van een abonnement. Het Hollandse Toneel hield te weinig rekening met de katholieke waarden van zijn Curaçaose publiek. (Amigoe 30 VII 38) Wel van heel positief gehalte achtte hij de Vondelherdenking, die onder meer onze schooljeugd gebracht heeft tot meer begrip en belangstelling voor deze nationale auteur, ondanks enige teleurstelling over het peil bij het ‘zeggen van de verzen’.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

De ‘eigen’ toneelgroepen en de holandisashon Ook in de twintigste eeuw waren de opvoeringen door van het eiland afkomstige groepen meest in het Spaans. Speelde de toneelclub van de Protestantse Damesvereeniging ‘Eendracht maakt macht’ in Teatro Naar en het Kransgebouw (ook) in het Engels, de damesvereeniging Entre Nous speelde consequent in het Spaans, evenals enkele clubjes die een incidentele voorstelling gaven. Maar ook het veel later opgerichte La Charité speelde, ondanks haar Franse naam, steeds weer ‘in Cervantes' taal’. Ook de schoolvoorstellingen van Meisjespensionaat Welgelegen werden

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

168 tijdens de jaarlijkse prijsuitreikingen in het eigen schoolgebouw dat voor dergelijke uitvoeringen goed geoutilleerd was, consequent in het Spaans gebracht. De door de R.K. verenigingen als de St. Jozefgezellen en R.S.H. gerealiseerde opvoeringen waren traditioneel in het Papiamento. Het toneel dat zich aan het einde van de vorige eeuw zo hecht in het maatschappelijke leven verankerd had, bleef dus nog lang op de traditionele voet doorgaan, zowel wat de gehanteerde talen als de aard van de stukken betreft. Dugo Schenker die zijn ‘farandulas’ met zijn in 1938 opgerichte toneelgroep ‘De Zwaan’ bracht, voor het eerst op 13 oktober 1941 in Roxy, is te beschouwen als een moderne vertegenwoordiger van de oude veladas. Muziek, dans, modeshow, poëzie en folklorische elementen waren de vaste ingrediënten van elke voorstelling. (Dugo Schenker 1986) Tenslotte waren er, vanaf de jaren dertig, opvoeringen in het Nederlands, van enkele groepen die zich specifiek op die taal toelegden. Curaçao bezat begin jaren dertig in beide stadsdelen een goede schouwburg, de CPIM had op Negropont haar eigen lokaliteit. Het A.N.V. ontdekte dat juist toneel kon bijdragen aan zijn streven tot ‘holandisashon’. Het bracht in 1930 een Nederlands toneelstuk dat zich op een passanten-thema richtte: Van Wermeskerkens Handschoentje. Veel is er echter van dit A.N.V.-toneel niet bekend, al zijn er met name op Aruba heel wat A.N.V.-voorstellingen geweest, maar ze dateerden van de periode na 1940. De activiteiten van de ‘olie’ richtten zich ook op de vrijetijdsbesteding van de ‘uitgekomen’ medewerkers, in de vorm van sport en muziek, maar sedert 1935 ook via het toneel. Jaarlijks zou toneelgroep Emmastad een of twee Nederlandstalige voorstellingen geven in haar eigen goed geoutilleerde clubgebouw. In dezelfde jaren dertig speelde van tijd tot tijd op Curaçao wonende Surinaamse groepen eveneeens Nederlandstalig toneel. Ook de fraters voerden met de St. Thomaskring in die tijd toneel in het Nederlands op. Met de juist in die jaren gegeven voorstellingen van Nederlandse tournees vormden zo van heel verschillende zijden afkomstige Nederlandse toneel een bijdrage tot de vernederlandsing. De oudste aanwijzingen dat het Arubaanse onderwijs de holandisashon door middel van toneel zocht te bevorderen dateren van het begin van de eeuw toen onderwijzer J.H.P. Schrils op de Julianaschool met zijn leerlingen een schooltoneelclub startte. Zijn opvolger E.A. Goilo zette het initiatief in de toneelvereniging ‘Prinses Juliana’ voort. De altijd goedbezochte uitvoeringen werden in het schoolgebouw zelf gegeven, meestal in de grote vakantie. (W.F.M. Lampe 1971: 25) Pastoor St. van de Pavert organiseerde voor het eerst kerkelijk toneel toen hij met enkele jongelui in een geïmproviseerd openluchttheater te Catiri in 1917 een kerstspel opvoerde. (Amigoe 2 VII 70; B/N 5 V 90). Het zou toch nog ruim tien jaar duren eer dit soort incidentele opvoeringen tot reguliere evolueerden. Pas in het begin van de jaren dertig ontwikkelde zich een eigen parochietoneel, toen op initiatief van Zr. Dorothea de Savaneta-groep Las Violetas in december 1932 het door Betsy de Kort geadapteerde E ciego di Betlehem opvoerde. Het kerststuk had zoveel succes dat meerdere voorstellingen volgden, niet alleen in de overdekte speelplaats van de school in Savaneta, maar ook in Teatro Gloria en Rialto te Oranjestad. Tot de oorlog ontplooide de groep vele activiteiten onder leiding van Simeon de Cuba en Betsy de Kort. Gedurende het tienjarig bestaan speelde de groep

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

onder meer Sneeuwwitje, Roodkapje, Albañiza, De tevreden wasvrouw, E capilla den mondi, Jopie als standbeeld (in het Papiamento), Niño, E llanto di un angel, en folkloristisch werk.[69] De titels verraden het karakter van het gebrachte: religieus-moraliserend, maar ook humoristisch toneel, gebracht in het Papiamento, Nederlands en Spaans. Daarmee ging Het Arubaanse Las Violetas in een tijd dat alles Nederlands was al heel vroeg een eigen veeltalige weg.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

169 Ook op de Bovenwinden diende het toneel de noodzakelijk geachte holandisering. Onderwijzer H.J. Vooren werd voor het karretje van het A.N.V. gespannen toen hem in 1909 gevraagd werd met zijn leerlingen een ‘Nederlandsch komediestukje door de leden der Jongelieden afdeeling’ (Amigoe 23 X 09) te doen opvoeren. Onderwijzer Lampe bracht met gevorderde leerlingen op 30 juli 1909 ‘een paar Hollandsche komediestukjes’ onder de titel Schotlands trouw en Mozart. Men zong ‘Vergeet-mij-niet’, ‘Wegwijzer’, ‘Avondlied’ en ‘Wien Neerlandsch bloed’. De onderwijzers werden geacht door middel van hun onderwijs en buitenschoolse activiteiten aan de holandisashon bij te dragen. Maar of het hielp? Naast deze incidentele activiteiten bleek er niets van enige geregelde toneelactiviteit op de Engelstalige eilanden, ook niet van de toch wel actieve ‘Philipsburg Mutual Improvement Association’ die concerten en voordrachten organiseerde. (De Slag om Slag 9, 17 XII 38) Rest nog de vraag of de talrijke activiteiten van al deze toneelverenigingen ook enige eigen toneelliteratuur tot gevolg hadden of dat ze uitsluitend een buitenlands repertoire speelden. Dat laatste was met het Nederlands- en Spaanstalige toneel zeker het geval. Iemand als Rector Zwijsen die eigen stukken voor de schoolvoorstellingen schreef, was een uitzondering. Wonderlijk genoeg werd het in 1911 door D.D. Salas gepubliceerde drama Los Escollos voorzover bekend nooit opgevoerd. Het Papiamentstalige toneel zette de traditie van de vertalende adaptaties voort en produceerde daarnaast incidenteel eigen werk, waarvan in La Union wel eens iets verscheen. Een eigen, oorspronkelijke en enigszins ontwikkelde toneelliteratuur zou nog enkele decennia op zich laten wachten.[70]

De Curaçaosche Radio Omroep Vereniging De twintigste eeuwse technische ontwikkelingen hadden hun repercussies op de cultuur van de ‘overzeesche gebiedsdeelen’, omdat het moederland ze gebruikte om de ‘nationale’ banden aan te halen. Het begin van de radio-omroep kende op Curaçao drie fasen. Eerst was er de Nederlandse zender K.R.O., die uitzendingen met een Katholiek karakter voor haar over de wereld verspreide missionarissen verzorgde, maar het programma kreeg wijder perspectief omdat iedereen die Nederlands verstond of zich met het moederland verbonden voelde luisterde. De K.R.O. bracht ‘Nederlandsche cultuur gedragen door het christendom’. Daarnaast verzorgde de Phohi een tijdlang uitzendingen die eveneens veel beluisterd werden. Een tweede fase begon toen juni 1933 de CUROM de radio-ontvangstmogelijkheden vergrootte. Wekelijks was het nu mogelijk enkele uren naar woord en muziek te luisteren, die een krachtige propaganda voor Nederlands taal en cultuur betekenden. Spoedig gingen er stemmen op om ook op Curaçao zelf Nederlandstalige programma's te verzorgen, waarbij mede gedacht werd aan Nederlandse letterkunde: ‘Voor de meer ontwikkelde jeugd zouden we litteraire uurtjes kunnen organiseren, daar we ongetwijfeld op Curaçao mensen hebben die met de literatuur voldoende op de hoogte zijn; ik denk aan een uurtje zang en declamatie uit Guido Gezelle; aan Vondels Reyen; de moderne religieuse poëzie enz.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

enz.’ (Amigoe 29 VI 35) Vanaf 1 maart 1937 begon de Curom met eigen uitzendingen in het Spaans, Papiamento en Nederlands, met eigen programma's ter versterking van het eigen karakter. Maar cultureel domineerde het Nederlands. Het begin van de radio op Curaçao diende de holandisashon.[71]

De Curaçaosche Kunstkring Een zevenkoppig bestuur (M.J. van Weststriens, S.M.L. Maduro, V.S. Noorduyn-Keith, R.W.F.Boskaljon, C.S. Gorsira J.P.Ezn, David Capriles en J. Kroon) leidde vanaf 12 augustus 1935 De Curaçaosche Kunstkring. Het drievoudige statutaire doel van de nieuwe vereniging was

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

170 het aanmoedigen en steunen van muziek, toneel en andere kunstuitvoeringen door ingezetenen van Curaçao, het organiseren van het optreden van beroepsartiesten, en het doen houden van lezingen en tentoonstellingen op kunstgebied.

Sociedad Bolivariana Dat de eilandelijke bevolkingen van Curaçao en Aruba door de werkmigratie steeds meer gemengd werd, had het oprichten van ‘nationale’ verenigingen uit de herkomstlanden tot gevolg - een proces dat in de jaren dertig begon. Naast alle pogingen om de banden met moeder Nederland aan te halen, probeerden de in 1937 opgerichte afdelingen Curaçao en Aruba van de Sociedad Bolivariana de connecties met Venezuela weer in de oude glorie van een halve eeuw eerder te herstellen.[72] Het officiële doel was Bevrijder Bolivar te eren, filantropische werken te verrichten, het cultureel leven op de eilanden te bevorderen en de banden met Latijns-Amerika aan te halen. De eerste belangrijke activiteiten op literair-cultureel gebied zouden pas na 1940 plaatsvinden.

Eindnoten: [48] W. Meyer (Oranje 1948: 374-392) onderscheidde studieclubs, vakverenigingen, nationale verenigingen, gezelligheidsverenigingen, culturele en sociale verenigingen, jeugdverenigingen, padvinderij, schaakvereniging en liefdadigheidsvereniging, van welke lange rij hij met name de sociaal-culturele clubs (elf in getal) nogal wat aandacht kon geven. Het in april 1936 opgerichte Unitas had tot doel: bevorderen van de algemene ontwikkeling der leden en de beoefening der kunst van het spreken in het openbaar. Voor de ongeveer 25 leden was Nederlands de normale voertaal, al waren er ook lezingen en voordrachten in andere talen. Uit haar initiatief kwam in 1948 de Volksuniversiteit voort. (Oranje 1948: 376) [49] Van de Statuten van het A.N.V. en Reglement van de Groep Nederlandsche Antillen beschikken we over een exemplaar van de Curaçaosche Handelsdrukkerij 1908, 24 pp. Het reglement van 1919 meldde in art. 2 als het streven van de Groep: 1e: het bevorderen van het geven van een Nederlandsch karakter aan alle pogingen tot vooruitgang en in het byzonder elke poging tot vermeerdering van de beschaving en ontwikkeling onder de bewoners van de kolonie Curaçao; 2e: het bevorderen van de kennis van het Nederlandsch bij de bevolking van de kolonie; 3e: het wekken van belangstelling voor Nederlandsche kunst, wetenschap, letterkunde en vooral voor practisch wetenschappelijke Nederlandsche geschriften; 4e: voor zooover ouders of voogden hunne kinderen of pupillen elders dan in de kolonie wenschen te doen opvoeden, het bevorderen, dat zulks aan Nederlandsche inrichtingen van onderwijs geschiede en het verschaffen van hulp en aanbeveling aan zulke jongelieden; 5e het uitgeven en verspreiden van nuttige geschriften. (Reglement van de Groep ‘Nederlandsche Antillen’ van het Algemeen Nederlandsch Verbond, 1919. (K.I.T. Collectie Maduro Br 0285) Het Reglement 1938 meldde in art. 3: ‘De Vereeniging beoogt... verhooging van de geestelijke, zedelijke en stoffelijke kracht van de volken en volksgroepen, die tot den Nederlandschen of Dietschen stam behooren, en versterking van hun bewustzijn van onderlinge verwantschap.’ Art.4 gaf de middelen om dit doel te bereiken: b. al datgene, wat bevorderlijk kan zijn tot het handhaven en versterken van een nationalen geest onder de bevolking van Curaçao; wat strekken kan tot versterking van de zedelijke en stoffelijke banden tusschen Curaçao en het moederland;

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

en wat bevorderen kan het gebruik der Nederlandsche taal, als omgangstaal en als voertaal bij het onderwijs op Curaçao.’ [50] De ledenopgave uit jaarverslagen en voorzover bekend: A

B

C

S

SE

SM

Tot.

1905

12

09

99

1

9

5

135

1906

20

23

177

2

8

8

238

1907

40

23

178

3

9

7

260

1908

36

19

179

3

9

14

260

1910

36

20

230

5

7

4

302

1911

33

14

188

5

6

7

253

1913

25

13

174

3

5

5

225

1914

27

05

165

3

3

5

208

1916

25

11

161

3

4

3

207

1918

21

15

237

2

6

4

285

1919

20

13

282

2

2

5

324

1924

173

202

1928

184

1932

115

1940

162

35

283

1941

212

44

404

3

5

10

678

1942

252

23

452

3

5

10

745

1943

221

1944

363

1951

102

[51] Zie Neerlandia 1929: 119-122; 1932: 146-150. In feite begon het ANV al met de boekverspreiding op 16 oktober 1902, ‘waartoe de noodlottige afloop van den 2den vrijheidsoorlog der Boeren In Zuid-Afrika’ de directe aanleiding was, omdat men de Nederlandse taal in dat land voor de ondergang dacht te kunnen behoeden door middel van het Nederlandstalige boek, dat er in 1903 een afdeling ‘boekencommissie’ werd opgericht, die zich tot doel stelde, ‘het inzamelen en inkopen van Nederlandsche boeken en dagbladen - en de verzending daarvan naar alle oorden, waar het Nederlandsch element met het ontvangen van zulke boeken, tijdschriften en dagbladen gebaat is.’ (Huish. Regl. febr. 1906, art. 1; Neerlandia 1932: 147) [52] Door bemiddeling van Dr. Greshoff, directeur van het Koloniaal Museum in Haarlem, vroeg en kreeg Van Grol in het najaar van 1903 een kist met Nederlandse boeken toegezonden. In 1905 waren er 305 boeken, waarvan zes Duitse en vier Engelstalige. Het aantal lezers bedroeg twaalf, die samen 546 boeken kwamen lenen, oftewel zo ongeveer een boek per week. Over 1906 meldde bibliothecaris S. van de Vrede: ‘De lezers die er nu zijn, ruim een 20tal, kunnen niet alleen Hollandsch lezen, maar ze doen het ook.’ Aruba kreeg 11 juni 1904 een kist met 165 boeken die in datzelfde jaar al 577 keer werden uitgeleend. Bonaire kreeg in februari 1905 een kistje met 75 boeken, die van mei tot december daaraanvolgend 170 keer werden uitgeleend. [53] ‘Dat streven naar ver-hollandsing leidde nog wel eens tot overdrijving en daardoor tot vermakelijke scènes. De Spaanse opschriften op veel winkels waren het A.N.V. een doorn in het oog. La Casa Primavera veranderde daarom haar naam in De Lente, ‘met het gevolg dat een Venezolaan, die er binnen trad om een bril te koopen (Lente is in het Spaansch bril) zeer verontwaardigd door het misleidend woord en met een opgewonden woordenstrijd den winkel

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

verliet. De te vroege “lente” kon geen stand houden en werd weer Primavera als vanouds!’ (Neerlandia 1918: 161) [54] Pater M. Victor Zwijsen sprak op 2 maart 1908 over Guido Gezelle ‘als dichter der natuur, als Vlaamsch dichter, als warm vaderlander en als geestig man’. Zijn lezing werd door Albertine Lens muzikaal opgeluisterd door ‘van tijd tot tijd’ onder pianobegeleiding een ‘liedeke’ van de dichter te zingen. Een recensent-verslaggever schreef prijzend: ‘Guido Gezelle te vertolken, den eenvoudigen man in de schoonheid van zijn karakter, ja in zijn geheele ziel te doen leven voor het publiek, op eene wijze zooals op dezen avond geschiedde, dat kan alleen een man als Rector Zwijsen, die zelf dichter is. Zijne lezing was een letterkundig gewrocht, dat eere gaf aan den maker. Herhaaldelijk werd spr. toegejuicht.’ (Neerlandia 1908: 68) Op de vergadering van 29 juli 1911 droeg Karel Muller, adelborst 1e klas, de volgende fragmenten van de Nederlandse poëzie voor, die een beeld geven van wat er in de kolonie werd geïntroduceerd: Speenhoff's ‘De suikertante’; Multatuli's ‘De banjir’; De Genestet's ‘Het haantje van den toren’; Justus van Maurik's ‘Hoe Jetje gezoend werd’ en Ter Haar's ‘Ab-d-el-kader’. Neerlandia (1911: 209-210) oordeelde in een verslag: ‘Al deze litteraire stukken, sommigen algemeen, anderen minder bekend, van ver uiteenlopend karakter en toon, werden door den Heer Muller met zeer veel talent voorgedragen. Hij wist zijn gehoor te boeien door meesterlijke voordracht en toonde zich een waardig en hoogst talentvol navolger van Albert Vogel en Royaards.’ Donderdag 27 mei 1915 sprak Lt. Vreede op de Algemeene Vergadering over Rembrandt, door voorzitter Pater A.J.C. Wahlen aldus verslagen: ‘... de prins, de koning der Hollandsche schilders, de eerste in Nederland en nergens ter wereld de tweede. Als volbloed Hollander is hij in al zijn stukken echt Hollandsch, oprecht en eerlijk. Hollandsch glorie wordt ook gedeeld op Curaçao, ook in de kolonie verheugt men zich over de grootheid van Hollandsch roem. (...) Het land van Rembrandt is ons moederland en meer dan ooit.... hebben wij dezen avond gevoeld de eenheid van den Hollandschen stam en de zedelijke grootheid van Nederland.’ (Neerlandia 1915: 177-178) Ook de dames waren actief. In een meer dan volle bovenzaal van De Gezelligheid hield N.J.C. van Bremen-Kruyt een voordracht over het ‘Nederlandsche lied’ die werd opgeluisterd met zang door H.M. Chumaceiro-Lopez Penha, A. Gravenhorst, Ida Lopez Penha en een meisjeskoor van de Wilhelminaschool. Op de jaarvergadering van 1918 zongen een aantal dames-leden behalve het volkslied, ‘twaalf Hollandsche liederen... o.m. van Rennes, H. van Tusschenbroek, Hubert Cuypers, Gottfried Mann, Martin Schuil, Richard Hol en Arnold Spoel. Het laatste vers van het slotlied “Wij willen Holland houden” werd door de vergadering met geestdrift staande meegezongen.’ [55] Neerlandia 1907: 88. Over het optreden van Paul de Groot in 1919: ‘Deze ‘Hollandsche Zanger’ bracht Nederlandse, Franse en Amerikaanse liederen, declameerde fragmenten uit Rostand's Cyrano de Bergerac, vertaald door W.K. Het publiek kwam zeer talrijk op, onder ander de gouverneur, de P.G. en meerdere autoriteiten (Amigoe 8 II 19). Zijn optreden voor A.N.V. leden was van minder kwaliteit. Hij bracht het internationale lied, maar ‘een A.N.V. avond moet toch blijven een Hollandsche avond’. Ter geruststelling aan de lezers merkte de Amigoe-redacteur nog op: ‘het lyrisch, dramatisch en komisch element wisselen elkaar aardig af en de rijke inhoud zonder een zweem van wat kan stooten is voor ons een welkome gelegenheid onzen lezers een bezoek aan de a.s. zangavonden, warm aan te bevelen.’ (Amigoe 25 I 19) ‘Wij willen alleen tot aller gerustheid nog opmerken, dat er absoluut niets stootends in het repertoire voorkomt, ook niet in het stuk “le dernier Tango”. Dit kunnen wij onze lezers garanderen.’ (Amigoe 1 II 19) Hij trad ook op Bonaire op, schitterend, onder andere door dat hij Scheepspraet van Huygens voordroeg. Op 26 februari trad hij met Henri Lavedan: Servir (In dienst van het vaderland) op, een oorlogsdrama in drie bedrijven. De entree-prijzen varieerden van vijftig cent, tot twee gulden vijftig. In 1936 trad Charlotte Köhler op voor de Curaçaose Kunstkring, Asiento en op het Sint Thomas College. Ze vertolkte bijbelfragmenten uit Prediker, Hooglied en Psalmen, waarover de Amigoe (3 VII 36) opmerkte, ‘dat het meest verheven en meest subtiele geschrift ons naderbij gebracht kan worden, als het de verklanking krijgt van een begenadigd kunstenares, die zich met grote ernst en groot verantwoordelijkheidsgevoel aan dezen stof geeft.’ In Roxy droeg ze voor onderwijzers en de hoogste klassen MULO voor, ‘om onderwijzend personeel te laten voelen de Schoonheid en heerlijkheid van Nederlandse taal en Nederlandse poëzie. Zij bracht schoonheid qua taal, voordracht en verheven inhoud.’ Ze ging ook naar Aruba en Maracaibo, de in die dagen normale combinatie wegens de gebruikelijke scheepvaartroutes.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[56] Neerlandia 1906: 91. De eerste A.N.V.-bursalen waren J.G. Veeris en J. Sprockel, die twee jaar lang Fl 120,- zouden ontvangen om met hun hoofdakte diploma van ‘onderwijzer derde klasse’ naar de kolonie terug te keren. [57] De eerste boekwerken voor wie ‘de beste vorderingen in het Nederlandsch gemaakt hebben’ werd Koninginnedag 1927 uitgereikt (Neerlandia 1927: 186) [58] Oranje 1948: 104. Nooyen 1970: 81-82 somde 22 in de jaren dertig onder Mgr. P.I. Verriet tot stand gekomen R.K. verenigingen op. Gedenkboek 1934: 183. Vergelijk de Debatteerclub Jong Curaçao, opgericht 3 V 32 in Kransgebouw van Eendracht maakt Macht; per 3 IX 32 een eigen blad De Onpartijdige in ‘keurig Nederlandsch geschreven’. (Amigoe 10 IX 32) Vz. J.W.S. Beaujon; E.A. Romer; C.H.W. Royer - Hueck; N.M. Chumaceiro; Jossy Capriles; H. Suarez Cz.; C.S. Gorsira. Ook deze club wilde ‘cultuur voor jongeren van de hogere stand’. [59] Linnartz, F.J. (* 15 III 07 Roermond) oordeelde over zijn uitkomen (en dat van anderen) naar de kolonie: ‘iedere katholiek, die naar de koloniën vertrekt, draagt noodzakelijkerwijze het christelijk zegel mee!’ (Amigoe 13 V 33) Omdat hij zich tegenover leerlingen en iedereen die maar aanwezig was bij zijn lezingen ronduit uitsprak, lijkt het nuttig na te gaan welke opvattingen hij over letterkunde vertolkte. Hoe groot de invloed daarvan geweest is, valt natuurlijk niet (meer) te meten. Linnartz was van 1932-1934 op Curaçao. (adv. Amigoe 28 IV 34 ‘Vaarwel!’), zo kort wegens gezondheidsredenen van zijn vrouw. Hij gaf les op het St. Thomascollege (Amigoe 22 II 75), onder meer aan Pierre Lauffer, die zich deze leraar later nog goed herinnerde. ‘Toen Pierre eens een boek van Karl May gelezen had, schreef hij een vrij opstel over indianen. Zijn onderwijzer in die tijd heette Linnartz, die ook gedichten schreef. Meneer Linnartz schreef met grote rode letters onder dat opstel “Dit is geen eigen werk”. Pierre werd kwaad (en dat kàn hij), hij streepte het woord “geen” door, en duwde zijn opstel onder de neus van de meester. Die gaf de brutale vlerk zo'n oplawaai dat hij tegen de deur vloog. Dat was het moeizame begin van de schijverscarrière van Pierre Lauffer.’ (Sonia Garmers: Amigoe 22 II 75; zie ook Eustatia 1986a: 8) Linnartz was tevens tolk/vertaler voor Frans t.b.v. het gouvernement; hij was bekend om zijn lezingen voor de St. Thomaskring over cultuurgeschiedenis en zijn artikelen in de Amigoe. Later in Nederland schreef hij een Westindische kroniek in het boulevardblad Vrijdag; hij was aangesloten bij De Nieuwe Gemeenschap en redacteur van het Thijmfonds; hij schreef verhalen in de Katholieke Illustratie; Christofoor, de Linie; Roeping; Het Binnenhof. Weergaven van toespraken: Amigoe 22 VII 33 (bij de opening van de nieuwe St. Thomaskring bibliotheek); ‘Aan een tweesprong’ (10,17,24 III 34 (oproep tot katholieke actie en geïnspireerd Katholiek gemeenschapsleven) Artikelen: Amigoe 13, 20 V 33 (een oproep tot volledige Katholieke cultuur) Op Curaçao publiceerde hij een verhaal: ‘Hoe het petrolspietje in de hemel kwam’ (Amigoe 17 VI 33) en in een van zijn toespraken het gedicht: ‘November anno 1931’ (Opgang 20 II 32; Amigoe 10 III 34) In Nederland publiceerde hij: 1945

Erts (gedichten);

1946

Columbus, de laatste kruisvaarder;

1947

Gabriël Gorris (ps.): Palabroea de witte uil van Hato. Tilburg: Nederlands boekhuis (bekroond door Nederlandse Boekhuis) Rec. V.M.: WIG XXIX, 1948: 242-243: ‘Alhoewel het boekje van Gorris als literair product de bekroning ten volle verdient, heeft de schrijver in zijn verhaal blijk gegeven van zulk een grote onbekendheid met de psychologie van het Curaçaose volk, de geographie, geschiedenis en folklore van het eiland, dat het boekje voor den Curaçaosen lezer en voor de velen, die een tijdje op het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

eiland hebben gewoond, jammer genoeg, ongenietbaar is.’ 1948

[60]

[61]

[62] [63] [64]

[65]

[66]

[67]

Gabriël Gorris: Mayobá de goede kacike. Haarlem-Antwerpen: J.H. Gottmer (bekroond met Gottmer Prijs) Gabriël Gorris: Over grondeloze diepten.

Onder het pseudoniem Ray Franklin schreef hij de Winfair-serie (jeugdboeken). Over hem: Lectuurrepertorium (1952; 1966); Jan Greshoff: ‘voortreffelijke leesstof (...) hoewel wij er geen enkel kenmerk van het kunstwerk in ontdekken, blijft het een goed “leesboek” dat gevoelige lezers menige traan zal ontlokken.’ (Amigoe 22 IV 77) Een uitgebreid interview over leven en werk op Curaçao met Kees Smit: Amigoe 22 IV 77. Amigoe 20 V 33. Van de 10 X 38 opgerichte R.K. Bond voor onderwijspersoneel ‘Don Bosco’ (Oranje 1948: 377) zijn geen specifiek literaire activiteiten of uitspraken over literatuur bekend. Voor de 1938 opgerichte Kath. Surinaamse Kring St. Aloyisius, met 120 leden in 1948 evenmin. Een van haar trouwe leden was de auteur Jac Smeulders: Vergeten grond; De opperste tragedie van de Neger is Schaamte over zijn Ras; Gele vlinders [1976]. ‘Wat wij onze schouwburg noemen, is, door zijne slechte ventilatie en verdere gebrekkige inrichting, als het ware daargesteld om er zweetbaden in te nemen en zich longziekten op den hals te halen.’ (De Vrijmoedige 6 X 1892) Delgeur schreef: ‘...'t onooglijk tooneeltje van 't onooglijk Teatro Americano-zaaltje. Ja, onoogelijk, want heusch dit verwaaide zaaltje met appendix is heusch als schouwburg 't tot 'n wereldhaven groeiende Willemstad onwaardig.’ (Amigoe 24 X 25) De officiële Beschikking om een nieuwe schouwburg te bouwen was van 2 VI 15, nr. 494. Over de opening: Amigoe 31 X 31; 7, 14 XI 31; Boskaljon 1958: 111-112 Discussie in Amigoe 24, 31 X 25; 7, 14, 28 XI 25 La Charité werd opgericht op 25 IV 28 en goedgekeurd op 5 VIII 29 (C.H.A. objectdossier 29-17) La Charité trad op 22, 25 en 29 juli 1928 voor het eerst op (Amigoe 28 VII 28) Een commissie (Amigoe 19, 26 I 29) organiseerde een collecte (opbrengst Fl 10.000, -), een prikkaartenactie (nieuw voor Curaçao, opbrengst Fl 12.500, -) en een fancy fair (opbrengst Fl 9000, -) Theater Brion werd ontworpen door J.H. Werner Jr. De ruime en frisse zaal in de ‘Coral di Obispo’ bij het Brionplein in Otrobanda kon niet alleen als theater dienst doen, maar ook als clubgebouw, vergaderplaats, plaats voor ontspanning en ouderavonden, bioscoop-, muziek- en gymnastiekzaal, zodat het aloude adagium ‘utile dulci’ nog volledig van toepassing geacht werd. De Amigoe roemde het toneel als het hoogste en meest ruime van het eiland, de schilderingen, de frisse ruime zaal, de elektrische verlichting, de comfortabele stoelen (al moest het eigenlijke meubilair nog uit het buitenland arriveren). In de bioscoop zullen sprekende films worden vertoond, want ‘we zijn niet zoozeer van krachten voorzien, dat we elke week of elke maand een tooneelvoorstelling kunnen bieden.’ (Amigoe 30 VIII 30) In 1920 probeerde men een groep te sturen maar het mislukte. In 1931 weer, nu met Cor Hermus NV Het Schouwtoneel. In de loop van de 20ste eeuw nam het bezoek van Spaanse toneelgezelschappen af. Na 1916 kondigden de kranten in elk geval geen groepen meer aan. Volgens de leider van De Dietse Spelers, Willem van der Veer, was het moeilijk zo'n toernee te organiseren; in 1933 lukte het pas na zes vergeefse pogingen. (Amigoe 19 VIII 33) In 1934 zou het definitief mislukken (zoals ook in 1920 en 1931 toneelbezoeken niet waren doorgegaan wegens de grote financiële risico's en de hoge garantiesommen die het gouvernement niet wilde en het A.N.V. niet kon opbrengen). De route was: Paramaribo, Curaçao, Aruba of Bonaire, Maracaibo en soms via Paramaribo terug. Suriname had meer Nederlands toneel dan Curaçao. Naar aanleiding van de voordrachtavond met klein toneel, vroeg de Amigoe zich aarzelend af: ‘Over het algemeen vonden we deze avond wat te zwaar voor Curaçao en stelden we ons ook de vraag of sommige stukken wel goed gekozen waren: en past klein tooneel ook niet beter in plaatsen, waar meer intimiteit is als in een schouwburgzaal?’ (Amigoe 2 VII 32) Amigoe 25 VI 32. In 1932 waren er vijf voorstellingen, waarvoor door A.N.V.-leden, afhankelijk van de derde, tweede of eerste rang, tien, twaalf gulden vijftig of vijftien gulden, door niet-leden twaalf, vijftien of zeventien gulden vijftig betaald moest worden. Losse kaarten kostten tussen een rijksdaalder en vier gulden vijftig.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[68] Amigoe 16 IX 33. Het bezoek in 1934, het herdenkingsjaar van driehonderd jaar Nederlandse koloniale aanwezigheid, ging niet meer door, ondanks de grootse plannen van Willem van der Veer om samen met de bevolking een groot herdenkingsstuk te organiseren. Het liep mis op de centen, omdat het A.N.V. noch op Curaçao, noch op Aruba, noch voor Maracaibo de gevraagde garantie van respectievelijk 2500, 1500 en 500 gulden wilden of konden geven. De gouverneur, die toch zo hoog opgaf van Groot Nederland, schreef koeltjes: ‘aan deze beslissing schijnt, naar ik verneem het weinig succes, dat Uwe tournee in 1933 bij het Curaçaosche publiek heeft gehad, niet vreemd te zijn.’ (Brieven van 29 V 34; antwoord van de gouverneur 23 VI 34, nr. 2102) Daarop ging de groep wel naar Suriname waar men kennelijk meer belangstelling had voor het Nederlandse toneel. [69] Gegevens uit het Programmaboekje Aruba International Theatre Festival '90, dat aan Las Violetas opgedragen was. Over dit vroege parochietoneel: Aart G. Broek in B/N 5 V 90. [70] W.E. Kroon: ‘Lucha pa derecho’ (La Cruz 30 III / 20 IV 21); W.E. Kroon: ‘Artesano pa nobleza’ (La Cruz 1 VI / 13 VII 21); J. Rib: ‘Calumnia i su funesto desenlace’ (La Union 6 / 27 VII 23); M.A. Fraai: ‘Lucha i victoria’ (La Union 24 VIII / 14 IX 23); W.M. Hoyer: ‘Tres artista’ (La Union 3 / 24 IX 31; onder de titel ‘Caridad’ opgevoerd). (Zie voor gegevens ook Broek 1990b: 113-122, 299-300; Broek: B/N 5 V 90) [71] Curaçao 22 II 41. In juli 1928 was het eerste rechtstreekse programma vanuit Nederland te beluisteren: Radio-concert Philips Eindhoven: Wilhelmus, muziek, A.M. de Jongh: Merijntje Gijzens jeugd; Hebbel: Judith (fragmenten voorgelezen). Het was slecht te verstaan (Amigoe 28 VII 28) De radio-uitzendingen van de K.R.O., rechtstreeks vanuit Nederland, waren oorspronkelijk bedoeld voor de missionarissen, maar al snel algemeen beluisterd door wie Nederlands verstonden, bevatten de rubrieken wereldnieuws, Nederlands nieuws en missienieuws. De Curom (opgericht 20 II 33) telde in het begin ongeveer zestig leden die acht gulden contributie betaalden per jaar. Anton van Duinkerken sprak gergeld voor de radio over Nederlandse onderwerpen als ‘Wat in Nederland verscheen’; Johan Koning hield zijn ‘Boekenpraatje’ (1934); Vanaf februari 1936 zond PHOHI (Philips Omroep Holland-Indië) uit: ‘Over de wereld klinkt Neerlands stem’ (Neerlandia 1936: 235). ‘Het uurtje dat van Holland spreekt’, karakteriseerde P. de Waart de programma's in ene terugblik. (WIG XIX, 1937: 16-20) Lokale radio-lezingen over literatuur door Ds. C. Millet de Saint Aubin behandelden eveneens Nederlandse schrijvers en dichters. Andere voorbeelden van holandisashon waren het uitzenden van een voordrachtsavond van Louis de Vries, en de boekbesprekingen door Mw. T. Broekman-Bolsius en Mw. Saveur. (Amigoe 3 VIII 40) [72] Op Curaçao opgericht: 24 VII 37, op initiatief van Pedro E. Portillo A. Eerste vz. was C.N. Winkel (Oranje 1948: 385-386). Op Aruba opgericht door W.H. Jolley, lid van Sociedad Bolivariana in Venezuela, op 10 augustus 1937 (Oranje 1948: 473-474). De Arubaanse statuten werden officieel goedgekeurd 6 IV 40. Het doel was: ‘Sociedad Bolivariana tin como obhetivo pa rende homenaje na e memoria di Simon Bolivar, e gran Libertador di America Latino, pa haci obronan riba terreno filantropico, pa promove bida cultural y trata na logra un acercamiento y hermanamiento cu otro paisnan, especialmente cu e paisnan bolivariano.’ (Observador 8 VIII 62) De Sociedad Bolivariana was een uitzondering, want de meeste verenigingen uit die tijd gebruikten als vanzelfsprekend het Nederlands als voertaal. Bijvoorbeeld de ‘Vereeniging ter behartiging van de staatkundige, economische en cultureele belangen van het gebiedsdeel Curaçao’. (Zie hierover uitgebreid: hoofdstuk VI, noot 6) Op 29 VIII 39 werd het ‘Curaçaos Genootschap der Wetenschappen’ opgericht, als een hernieuwd Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap (1896-1902), het was niet literair.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

171

5.4. Ontspannende, de goede zeden bevorderende lectuur Nadat particulier initiatief voor het establishment van de kolonie en daarvan specifiek het mannelijke deel sedert zowat 1880, de mogelijkheid had geschapen om als lid van een besloten sociëteit of vereniging boeken te lenen, te lezen of zelfs in groepsverband te bespreken, ontstonden na de eeuwwisseling de eerste semi-openbare bibliotheken. Terwijl de bibliotheek van De Gezelligheid sterk Nederlandstalig georiënteerd was, herbergden de bibliotheken van A. Bethencourt e Hijos en de Gebroeders Jonckheer meer Spaans, maar alle drie boden ze hun leden een veeltalige keuze. De A.N.V.-bibliotheken die na de eeuwwisseling ontstonden waren specifiek Nederlands gericht. Ze werden kennelijk nogal amateuristisch geleid en floreerden daarom niet al te zeer. De kleine eilanden Aruba, Bonaire, Sint-Maarten en Sint-Eustatius verwierven zich elk zo'n bibliotheekje, maar Curaçao had er wonderlijk genoeg geen.[73] Was daar sprake van de wet van de remmende voorsprong omdat er op dat hoofdeiland al zoveel verenigingsbibliotheken waren?

Curaçao: Vrijmetselaars, Katholieken en Overheid In het eerste decennium van de twintigste eeuw gaf de Vrijmetselarij van Curaçao antwoord op de Nederlands-gerichte A.N.V.-uitdaging, toen ze in 1908 probeerde via een officiële vereniging tot een eerste openbare boekerij te komen. De gedachte dat goed georganiseerde openbare bibliotheken tot de overheidstaken hoorden was nog onbekend. De ‘Vereeniging tot oprichting en instandhouding eener Openbare Boekerij op Curaçao’ wilde volgens haar reglement ‘nuttige, ontspannende, doch tevens de goede zeden bevorderende lectuur’ aan de Curaçaose bevolking verschaffen, zonder ‘aanzien van geslacht, stand of kerkelijke overtuiging’. Zonder dat het met zoveel woorden geschreven was, bleken de bibliotheken van de sociëteiten in feite alleen voor de mannelijke leden toegankelijk. Maar nu kregen vrouwen voor het eerst nadrukkelijk toegang. De financiële drempel was heel laag. Iedereen kon lid worden door minimaal anderhalve gulden per jaar te betalen of donateur met een bedrag ineens van ten minste vijf gulden. Het bestuur en de jaarlijkse ledenvergadering beslisten over de lectuuraanschaf, die volgens de reglementen nut en ontspanning in zedelijk verantwoorde banen wilde leiden.[74] In tegenstelling tot de A.N.V.-bibliotheken die het Nederlands nadrukkelijk propageerden, zeiden deze statuten niets over de talen. Het bestuur telde elf leden, waarvan er slechts drie uit de algemene ledenvergadering werden gekozen en de overige acht uit de vrijmetselaarsverenigingen werden aangewezen. Op het voor haar kerkleden ‘morele gevaar’ van een door vrijmetselaars gerunde bibliotheek, reageerde de Missie direct door haar bibliotheek van de Reunion San Hosé in Otrobanda ook voor niet-leden open te stellen. Dat was volgens de pers een ‘daad van schoone, nuttige naastenliefde’, omdat ‘vooral wij katholieken de plicht hebben ons van iedere verdachte, gevaarlijke, onzedelijke lectuur te onthouden, ze te weren en anderen ervoor te hoeden’.[75] De leiding berustte bij het bestuur, waarvan pastoor St. van de Pavert directeur was, bijgestaan door de administrateurs J.C. de Pool en J.C. Palm, en bibliothecaris J.A. Dania. Wel konden de leden een persoonlijk verzoek indienen tot aanschaf van een bepaald boekwerk, maar de beslissing daarvan

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

lag geheel bij het bestuur. Het abonnementsgeld bedroeg slechts twintig cent per maand of vijftig cent per kwartaal, waarvoor telkens een boek maximaal twee weken mocht worden geleend. Er was een catalogus, waarin de Nederlands-, Frans-, Engels-, Spaans- en Papiamentstalige ‘wetenschappelijke werken en ontspanningslectuur’ werden genoteerd. In de oude pastorie werd voor militairen eveneens een bibliotheek ingericht, een goede gelegenheid om ‘lectuur die het hoofd instrueert zonder het hart te verderven’ te raadplegen en eens een woordje met de adviseur pater M. van der Elsen, te wisselen. (La Cruz 29 XII 09)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

172 Maar het liep niet zo'n vaart met de vrijmetselaarsbibliotheek. Het lijkt erop dat het bij plannen bleef, want er werd niets meer van de vereniging vernomen tot na afloop van de Eerste Wereldoorlog toen er ditmaal via het A.N.V., van nieuwe plannen voor een openbare gouvernementsbibliotheek sprake was. Maar niet voor 1920 werd er daadwerkelijk een commissie ingesteld, door gouverneur N.J.L. Brantjes zelf ditmaal. Deze commissie was nauw aan onderwijs en A.N.V. gelieerd, omdat de inspecteur van het onderwijs en drie leden van het A.N.V. in de vijf man tellende commissie zitting namen. De bibliotheek zou, geheel vanuit de koloniale onderwijsfilosofie van die dagen en de A.N.V.-gedachte, een ‘specifiek Nederlandsch karakter’ dragen, de noodzakelijke uitgaven zouden worden ‘gekweten uit den post voor onvoorziene uitgaven der lopende begrooting’, de vestiging was dan ook in het Fort. Het zou nog tot 15 april 1922 duren eer deze eerste Antilliaanse gouvernementsbibliotheek haar officiële reglement kreeg; in juni werden de eerste leden ingeschreven, per 1 juli was de officiële opening, per 25 juli werden de deuren van de leeszaal voor het publiek geopend. De eerste Antilliaanse gouvernementsbibliotheek was een feit, en vanaf dat moment zou de Overheid in een goed ontwikkeld bibliotheekwezen een krachtige stimulans voor de volksontwikkeling zien.[76] De R.K. organisaties bleven proberen eigen bibliotheken te stichten. In 1933 werd een nieuwe bibliotheek van de St. Thomaskring geopend, bij welke gelegenheid onderwijzer F.J. Linnartz de katholieke visie op het bibliotheekwerk nogmaals uitvoerig en helder uiteenzette. Paters, fraters en leken-onderwijzers mochten van mening verschillen over het gebruik van Papiamento en Nederlands, over beschavend nut maar tegelijkertijd groot zedelijk gevaar van het lezen, in welke taal dan ook, was men het gedurende tientallen jaren roerend eens. Echt goed leek het niet te gaan met de bibliotheek, want toen Pater Brada in 1938 directeur ervan werd, moest hij alle moeite doen om haar enig nieuw leven in te blazen (Amigoe 9 III 38), wat ook hem evenwel slechts korte tijd lukte. Aan het einde van de jaren dertig klaagde men over de geringe leesbelangstelling. Er waren, in de vorm van bioscoopbezoek, de mogelijkheid om per auto erop uit te trekken, naar de radio te luisteren, ‘zoveel’ alternatieve vrije-tijdsbestedingsmogelijkheden ontstaan. De Katholieke bibliotheken functioneerden niet goed en werden te amateuristisch geleid, want sommige leden plaatsten de geleende boeken domweg in hun eigen boekenkast thuis, van de goedkope openbare bibliotheek werd te weinig gebruik gemaakt. De belangstelling voor lezen, die rond de eeuwwisseling volgens De Pool zo groot was geweest, ging kennelijk tijdens de periode van economische welvaart sterk achteruit. (La Union 5 V 38)

De Bovenwinden De noodzaak om tot openbare bibliotheken te komen hing kennelijk in de lucht. Behalve op Curaçao kwamen in de jaren twintig op de Bovenwinden, na de op Sint-Eustatius en Sint-Maarten al twee decennia eerder gevestigde A.N.V.-boekerijen, de eerste semi-openbare bibliotheken tot stand. Ze werden particulier geleid, maar door de overheid gefinancierd. Het vijfentwintigjarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina zorgde voor de naamgeving. In 1918 had secretaris H. Bierman de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

A.N.V.-leden opgeroepen om Nederlandse leesboeken af te staan ‘ten einde op het eiland Saba een kleine boekerij te kunnen stichten’, maar het zou tot 1923 duren eer de Queen Wilhelmina Library onder voorzitterschap van W.F.M. Lampe werd opengesteld.[77] De Gertrude Judson Library op Sint-Eustatius werd in 1922 genoemd naar de Amerikaanse die samen met C. Grand Pierre voor de eerste boekcollectie zorgdroeg. De restanten van de oude A.N.V.-boekerij werden opgenomen. Op 6 maart 1923 werd de plechtige opening gevierd. Achthonderd delen literatuur van de voornaamste schrijvers, historie en andere takken van wetenschap, lectuur in het Engels, Nederlands, Frans en Duits vulden de vijf kasten. Eveneens in 1923 kreeg Sint-Maarten zijn Philipsburg Jubilee Library.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

173 Hoe functioneerden de bibliotheken? Van Saba is een artikel van ‘a bookworm’ bekend, dat er niet om loog in zijn beschuldiging van elitarisme en racisme. De bibliotheek werd al twee keer gesloten. Het lidmaatschapsgeld van resp. vijf, vier en drie gulden, vond de ‘boekenwurm’ zo hoog dat alleen een klein (blank) deel van de eilandbevolking gebruik kon maken van de ‘public library’. Hij constateerde dat van de vierhonderd inwoners van The Bottom er veertig blank waren, van wie slechts twaalf lid van de bibliotheek, de helft dames van boven de veertig of zelfs vijftig jaar, die Nederlandse kranten als de Haagsche Post alleen bekéken omdat ze geen woord Nederlands konden lezen. (Amigoe 30 I 32) Of het op de andere eilanden even erg was? Sint-Maartens bibliotheek sloot in 1936 toen deze maar veertien leden meer had (De slag om slag 27 II 37), een reorganisatiepoging had in juli 1937 in zoverre succes dat de bibliotheek, ondanks oude schulden, met vijfentwintig leden weer geopend werd. (De Bovenwindsche stemmen 20 X 37) Op de vergadering van 8 oktober 1937 bleek dat er zeven nieuwe leden waren, dat er zesendertig gulden in kas was, dat er eenenzestig nieuwe boeken en acht nieuwe tijdschriften waren. Uit dat soort bijzonderheden is toch bezwaarlijk de conclusie te trekken dat de bibliotheek bloeide. De bibliotheken waren klein, werden enthousiast maar amateuristisch geleid, bezaten maar een gering aantal boeken, telden heel weinig leden, die op hun beurt weinig belangstelling toonden, en leidden financieel een kwijnend bestaan, met name door de karige gouvernementsbijdragen. De bibliotheken werden vanuit de onderwijsinspectie gestimuleerd en georganiseerd. Daarmee werd onderstreept dat lezen vooral voor de schoolgaande jeugd nuttig en nodig geacht werd. Het bibliotheekwezen kreeg zo het odium een verlengstuk van het onderwijs te zijn, niet een plezierige vrije-tijdspassering in het algemeen en voor iedereen. Het voortdurende streven van deze inspectie om vooral Nederlandse boeken in de bibliotheken te plaatsen, deed de ontwikkeling en populariteit ervan met name op de Bovenwinden geen goed. Zo er bij de besturen een bewuste bedoeling voorzat om via het bibliotheekwezen het Nederlands te propageren en de beheersing en het gebruik daarvan te bevorderen, moet er geconstateerd worden dat deze fase voor dat doel nog niet veel opleverde, omdat de bevolking nog nauwelijks van de Openbare Bibliotheken gebruik maakte. Pas in de latere decennia zouden de zich dan sterk ontwikkelende bibliotheek-activiteiten een krachtige impuls voor het Nederlands worden. Lukte het nog niet om de bibliotheken een grote rol te laten spelen in de holandisashon, ze droegen in hun gerichtheid op de Nederlandse taal en cultuur in deze tijd in het geheel niets bij tot de ontwikkeling van een Antilliaanse literatuur. De collecties waren nauwelijks op Curaçao en de Antilliaanse eilanden zelf gericht.[78] Wat deze bibliotheken aan literatuur bezaten, zou uit de catalogi kunnen blijken. Maar ook hier moet geconstateerd worden dat het bekend is dat die catalogi er inderdaad waren, maar dat ze niet zijn overgeleverd. Waren de werken van auteurs als J.S. Corsen, A.A. Wolfschoon, D.M Chumaceiro, D.D. Salas en W.E. Kroon, M.A. Fraai, Cola Debrot en H.E. Lampe in de bibliotheek aanwezig? Er valt weinig te zeggen over eventuele Antilliaanse literatuur, maar in deze fase lijkt de constatering dat de bibliotheken vooral als medium fungeerden voor buitenlands literair werk niet te gewaagd, al was het maar wegens de geringe eigen produktie.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Nederlandse boekhandels in de ‘Overzeese Gebiedsdeelen’ ‘Overtuigd als wij zijn, dat de verspreiding van het Nederlandsche boek in de overzeesche gewesten van ons Rijk behoort tot een van de belangrijkste hulpmiddelen tot bevestiging van onzen vaderlandschen stam,’ verzocht de Nederlandsche Uitgeversbond medio 1925 op Curaçao een ‘Hollandsche Boekhandel’ te mogen beginnen. Gouverneur Brantjes willigde het verzoek

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

174 graag in, omdat er ook volgens hem en na ingewonnen advies, op het eiland ‘niet van een eigenlijken boekhandel mag worden gesproken’. Nauwelijks een jaar later werd de ‘Algemene Importboekhandel J.W.F. Sluyter’ geopend, onder leiding van filiaalhouder J.L. Stoit Dyck.[79] Het kan verkeren, want was A. Bethencourt e Hijos nauwelijks enkele decennia eerder niet een uitgeef-distributiecentrum van internationale betekenis geweest? Was die zaak in verval geraakt, of zag de moederlands gerichte blik van de gouverneur alleen maar Nederlandse boeken? Hoe groot het verkoopsucces van de boekhandel was, is niet bekend, al was Stoit Dyck een kennelijk dynamisch persoon.[80] In februari 1934 ging boekhandel J.W.Sluyter over in handen van de firma Mensing & Co en kreeg ze de naam Hollandsche Boekhandel. Ze betekende in deze periode een zoveelste stimulans voor het lezen van specifiek Nederlandse taal en cultuur. Enkele jaren nadat Stoit Dijck zijn deuren geopend had, stichtten ook de paters een eigen boekencentrum. Met de R.K. Boekhandel ‘St. Augustinus’ werd het regime-circuit van de R.K. kerk gesloten: na de prediking, de pers, het toneelleven, het taal- en literatuuronderwijs, het verenigingsleven waarin ook het (literair) debat werd gevoerd, beschikte ze nu ook over een professioneel distributie-centrum, waardoor de leesbevordering in katholieke zin nog gerichter kon geschieden. De aanleiding was van 1929, toen de in het onderwijs werkzame Zusters van Roosendaal een geslaagde boekententoonstelling organiseerden, met de gelegenheid de tentoongestelde boeken te kopen. De in 1930 opgerichte boekhandel was zo weliswaar ontstaan uit de behoefte aan ‘goede godsdienstige lectuur’, wegens ‘het ontbreken van een voor katholieken betrouwbare boekhandel, en oorspronkelijk alleen bedoeld als verkoop-centrale van devotieboekjes en kinderlectuur’, maar kreeg al direct een veel weidser perspectief toen pastoors en schoolhoofden bij het project betrokken werden. In een circulaire werd hun medegedeeld, ‘dat de boekhandel alles zou kunnen leveren, waaraan op de r.-k. scholen behoefte bestond: ontspanningslectuur, geestelijke werken, kerkboeken en religieuze artikelen als beelden en platen. De boeken zouden geleverd worden tegen catalogusprijs, het overige tegen kostprijs.’[81] De leiding berustte (vanzelfsprekend) bij de fraters zelf, frater Alardus van 1930-1931, daarna frater Rigobert tot 1948. Groots opgemaakte, vaak een hele pagina vullende advertenties, die in de eigen bladen Amigoe en La Cruz verschenen, toonden aan dat de meerderheid van de aangeboden boeken religieus was of in elk geval een religieuze strekking en inhoud had. Boekhandel Sint-Augustinus vervulde dus een duidelijke functie als zoveelste missie-middel.[82] De boekhandel kreeg, toen door de oorlogsomstandigheden de contacten met Europa wegvielen, voornamelijk een functie als distributie-centrum van schoolboeken en papier, die aanvankelijk nog uit Indonesië, maar later uit de Verenigde Staten en Argentinië werden aangevoerd. Men ging er bovendien toe over eigen boeken te produceren.[83] Na de oorlog zou ‘de verkoop van missaals, kerkboeken, geestelijke werken en jeugdlectuur’ weer hoofdzaak worden. De boekhandelsactiviteiten beperkten zich nog nagenoeg uitsluitend tot Curaçao, waar naast Mensing en St. Augustinus ook de later zo bekend geworden Boekhandel Salas onder de naam La Colombiana zijn eerste boekhandelsactiviteiten al was begonnen. (Hartog 1992: 123-124) Pas eind jaren dertig kreeg Aruba een eerste

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

kleine boekhandel in San Nicolas, Oranjestad zou nog een decennium langer moeten wachten. Wel bleek uit advertenties in De Bovenwindse Stemmen dat op Sint-Maarten eind jaren dertig D.C. van Romondt & Co. en J.H. Darrell in hun zaken boeken verkochten, zonder dat er van een echte boekhandel gesproken kon worden.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

175

Lezen en onderwijs Bibliotheken en boekhandel richtten zich niet alleen op een algemeen publiek maar via inspectie en kerk ook speciaal op de jongeren in het onderwijs. Stimuleerde dat het lezen van de jeugd en wat wat las deze? Prof. Dr. J.G. Sleeswijk schreef over de taalsituatie die hij anno 1930 tijdens zijn studiereis aantrof: ‘De verkoop van Nederlandsche boeken staat nog beneden dien van Engelsche. Langzaam aan echter wint het eerstgenoemde veld, en wel voornamelijk omdat de thans schoolgaande jeugd beter Nederlandsch leert dan vroeger en ook omdat door de toenemende vestiging (van Nederlanders) onze taal er veel meer gesproken wordt. (...) De oudere Curaçaoenaar leest weinig in onze taal. Dit komt, omdat hij niet voldoende op de hoogte is van de moederlandsche literatuur.’ Sleeswijk constateerde een ‘besliste voorkeur voor lichtere lectuur: niet te zware romans, reisbeschrijvingen en detectiveverhalen. Daarnaast worden populair-wetenschappelijke boekjes, vooral medische, vrij gretig gekocht.’ Op gezag van boekhandelaar Stoit Dyck schreef hij, dat het ‘intellectuele deel van de C.P.I.M.’ minder boeken kocht dan de arbeiders, ‘gunstige uitzonderingen daargelaten’. Dat spoort met het klagen van De Pool (1931) over het cultuurverval, de materiële welvaart en de geestelijke onverschilligheid. De taalvoorkeur was in de volgorde Engels, Nederlands en Spaans. Er was in elk geval nauwelijks leesstof van eigen bodem die geschikt was voor het onderwijs. Volgens Van der Walle, in die jaren hoofdredacteur van de Beurs- en Nieuwsberichten, was Cola Debrots Mijn zuster de negerin ook nagenoeg onbekend. Boekhandelaar Stoit Dyck kende het, maar of hij het in de winkel verkocht weten we niet. Jules de Palm, die in die jaren nog op het Sint Thomascollege zat vertelde later dat de fraters het boek zelfs aan hun leerlingen ontraadden.[84] Fraters en leken-onderwijzers propageerden de Nederlandse literatuur. Alles-lezer Pierre Lauffer las op het St. Thomascollege naast de werken van Van Deyssel en Van Schendel, ook Dante, Karl May en vele andere. De eerste ongetwijfeld op school, de andere thuis en bovendien stiekem als ze op de index stonden (Amigoe 22 II 75). Jules de Palm moest voor zijn Nederlandse literatuurlijst van hetzelfde college in 1937 Marie Koenens ‘Het hofke’ en ‘De moeder’, Augusta de Wits ‘Orpheus in de dessa’ en Anton van Duinkerkens ‘De ravenzwarte’ lezen, terwijl een gedicht van Guido Gezelle ‘zonder meer een goede examenbeurt betekende’. Op de bijeenkomsten van de St. Thomaskring werden de Nederlandse Tachtigers behandeld. Waar het Openbare Onderwijs van de Hendrik- en Wilhelminaschool van meetaf aan helemaal op het Nederlands was gericht, was het R.K. onderwijs gaandeweg steeds meer overstag gegaan waar het de hoogste klassen betrof en zeker op het aanzienlijke St. Thomascollege. In 1935 werd het Nederlandse staatsexamen voor de mulo ingevoerd. In de nieuwe onderwijsregeling van 1936 werd de literaire onderwijsblik geheel op Moederlandse en Europese werken gericht.

De boekententoonstelling van De Gezelligheid in 1939

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Politicus M.F. da Costa Gomez verwoordde het zo mooi in zijn openingsrede van de grote boekententoonstelling die de bibliotheekcommissie van Sociëteit De Gezelligheid eind 1939 had georganiseerd: ‘Wij willen door onze tentoonstelling van letterkundige en geschiedkundige werken, en door de voordrachten van deze avond allen, die mee willen werken tot den opbouw van een nieuwe cultuur, nader brengen tot het Curaçaosch eigene van vroeger en het moderne nieuwe in Curaçao. Tusschen de polen van het eigene en het nieuwe zoeken wij het nieuwe eigene, een nieuwe cultuur, bescheiden en aangepast aan de kleine wereld, waarin we leven.’ Vanouds was de bibliotheek van De Gezelligheid een van de meest prestigieuze op het eiland, en bovendien collectief eigendom van de eilandelijke notabelen. De bewaard gebleven catalogus van 1914 leert ons wat de bibliotheek bezat rond de eeuwwisseling. In 1929 stond de bibliotheek

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

176 voor Fl 2467,22 op de balans, in de jaren dertig kon er voor niet minder dan negenhonderd gulden per jaar worden aangevuld. Afgezet tegen de toen normale nieuwprijzen betekende dat waarschijnlijk evenzovele boeken als guldens.[85] Zo'n bedrag krijgt nog meer relief als het vergeleken wordt met de eerst honderdvijftig en sinds 1937 met pijn en moeite tweehondervijftig gulden, waarmee het gouvernement de Openbare bibliotheek van Sint-Maarten subsidieerde, een bedrag waarvan ook de bibliothecaris en alle bureau-onkosten betaald werden. Toch leidde ook de bibliotheek van De Gezelligheid in de jaren dertig een kennelijk niet al te florissant bestaan, en volgens Van de Walle werd er niet veel gebruik van gemaakt. Maar dat werd weer anders toen op de vergadering van 20 mei 1938 besloten werd dat de bibliotheek gemoderniseerd zou worden, een catalogus zou worden uitgegeven, en een bibliothecaris werd benoemd met een maandsalaris van dertig gulden. Op 15 juni 1939 werd een nieuwe bibliotheekcommissie benoemd, die besloot om op korte termijn een biblifiele tentoonstelling van het ‘curieuze’ boek te organiseren.[86] De tentoonstelling werd van 31 oktober tot 6 november 1939 gehouden, maar wegens succes werd ze verlengd tot 11 november. Ze was dan ook grondig en met veel publiciteit voorbereid door een commissie bestaande uit M.F. da Costa Gomez, J. van der Walle, Lucila Engels-Boskaljon, Chris Engels, H. Jorissen en F. van der Molen.[87] Er waren handschriften van Curaçaose en andere auteurs te zien, genummerde en gesigneerde exemplaren, oude boekjes als Niewindts catechismus uit het begin van de 19de eeuw, het eerste nummer van De Curaçaosche Courant, Putmans leesboekjes, Fiesta Willem III van 1888. Daarnaast waren er Curaçaose schilderijen en muziekcomposities te bewonderen, dat alles bijeengebracht uit de oude en nieuwe boekenvoorraad van De Gezelligheid zelf, het particulier bezit van leden en niet-leden en buitenlanders (uit Nederland). Samen geeft dit een indruk wat de bibliotheek bezat en welke boeken men belangrijk vond. Tegenover de vanuit diverse organisaties gedemonstreerde belangstelling voor het buitenlandse Nederlandse - boek was hier nadrukkelijk en vanuit een invloedrijke hoek, sprake van een zich serieus verdiepen in het eigen literair-culturele geschreven en gedrukte erfgoed, zoals een halve eeuw eerder het eveneens aanzienlijke Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap hetzelfde had nagestreefd. Tijdens de tentoonstelling vond er een muzikaal-literaire avond plaats, waarop Frits van der Molen ‘eenige gedichten en een vertaling van Klabund’, H. Jorissen eigen dichtwerk en een verhaal van Van Schendel, en Van de Walle een schets die hij eerder in Groot Nederland had gepubliceerd, voordroegen.[88] Voorzitter-auteur W.F.M. Lampe sloot de volgens de berichten zeer geslaagde avond, die met een rede van M.F. da Costa Gomez geopend was. (B/N 2 XI 39) Het valt op dat de hele avond in het Nederlands werd gehouden. Spreker Da Costa Gomez constateerde een andere belangwekkende merkwaardigheid, namelijk het streven om een geestelijke breuk te herstellen tusschen het oude en het nieuwe Curaçao, het eigene van het stil-traditionele maar armoedige en de spanningen van het moderne geïndustrialiseerde welvaartsleven, de uitingen van geestelijke belangstelling van vroeger en de geestelijke armoede van nu, maar ook het herleven van de belangstelling voor kunst en wetenschap in breder kring - een visie die merkwaardig overeenkomt met wat De Pool (1935) en vooral Lopez Henriquez (1943) beweerden. De materiële welvaart

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

had ook volgens hen de laat negentiende eeuwse cultuur vernietigd, maar thans zouden er tekenen aanwezig zijn van hernieuwde bloei. De periode van culturele recessie was volgens hen voorbij.

Eindnoten: [73] Op Aruba was er in 1914 een Leeszaal Tooneel Vereeniging Prinses Juliana (TVPJ) onder leiding van A.E. Goilo. (La Cruz 13 V 14). In 1924 bezat de Julianaschool, hoofd J.K.Z. Lampe, een bloeiende bibliotheek van 468 boeken, die per leerling veertig keer werden uitgeleend. (CHA Obj. doss. 28.43) De eerste openbare leeszaal en bibliotheek zou pas in 1949 geopend worden. [74] Bij beschikking nummer 182 van 9 maart 1908 keurde gouverneur O. de Jong van Beek en Donk de statuten goed. Het ontworpen Reglement werd gepubliceerd in Amigoe 7 VIII 09. Artikel 1 en 2 gaven de doelstelling als volgt weer, ‘mede te werken tot de geestelijke ontwikkeling van de bevolking van Curaçao, zonder aanzien van geslacht, stand of kerkelijke overtuiging...door nuttige, ontspannende, doch tevens de goede zeden bevorderende lectuur aan de bevolking te verschaffen.’ Het bestuur werd gevormd door J.B. Gravenhorst (vz.), J.P.G. Ecker (vice-vz.), C.D. Meyer (secr.-penningm.), H.J. Cohen Henriquez, D. Evertsz, L.C.C. Hueck, C. Eusebio Leon, Th.P. van der Linde, M.C. Valdeblanquez en F.W.P. Winkel. [75] Amigoe 7 VIII 09. In 1911 bezat de R.S.H. in de Conciëntiesteeg 17, naast de koraal van de bisschop, 1250 werken, verdeeld over novellen, geschiedenis, literatuur, wetenschappen en kunsten, hagiografie en biografie, godsdienstige wetenschappen. (Amigoe 14 I 11) In 1918 was de bibliotheek in een deplorabele toestand. Ook in later jaren ging het kennelijk slecht met de katholieke bibliotheek. In de Amigoe (4 XI 33) lezen we over een bibliotheek San Tarcisio (zonder verdere bijzonderheden); in datzelfde jaar werd de bibliotheek van de St. Thomaskring geopend. J.M. Kroon zocht giften ter oprichting van een Katholieke bibliotheek (Curaçaosche Volkskrant december 1938), omdat ‘er momenteel te weinig gelegenheid bestaat voor onze katholieke bevolking en voor de van elders naar hier gekomen katholieken, om het boek te lezen wat in hun handen past, te weinig nog kunnen zij gebruik maken van de in alle talen voor handen zijnde vertrouwde en opbouwende boeken, waarin God's Wil en Wet tot uitdrukking komt.’ (Amigoe 15 X 38; 17 XII 38) Het bleek niet mogelijk om te achterhalen of het wat geworden is. [76] Amigoe 6 IV 18; Beschikking 17 III 20, nr. 311/963. In de commissie van voorbereiding zaten P.A.A. Euwens, G.J. Eybers, Jos. C. Henriquez, C. van Roggen. Dat pater Euwens meedeed, was waarschijnlijk het gevolg van de deplorabele toestand waarin de R.S.H.-bibliotheek al sinds 1918 verkeerde (La Cruz 23 X 18) In 1924 waren onder meer onderwijsinspecteur H.J. Meerdink, Ds. G.J. Eybers, H.J. Schroeder lid. E. Irausquin was de ambtenaar-bibliothecaris. Ter bescherming van de jeugdleden gold de bepaling: ‘De ouders of verzorgers dezer jongeren kunnen aan den Voorzitter van de Commissie van Beheer hun wenschen omtrent het lezen of niet-lezen van bepaalde boeken kenbaar maken, wat dan op de leeskaart wordt aangeteekend.’ (art. 3) Van meetaf waren er 172 ingeschreven lezers, waarvan 47 onder de zeventien. In juni 1922 werden er al 586 boeken uitgeleend. (Amigoe 8 VII 22) [77] Over het bibliotheekwerk op de Bovenwinden in het algemeen: Hartog 1992. Over de Bibliotheek van Saba: GB. 25 II 25, nr. 172. Over Sint-Eustatius: Statuten 2 VII 23, nr. 617; Amigoe 31 III 23. Over Sint-Maarten: Statuten 15 VII 24, nr. 687. Het bestuur bestond in 1937 uit A. van Meerten (vz), G. Roodenhuis (vice-vz.), C.S. Hynam (secr.), R. Carty (penningm.), L. Connor, C. Clark en C. Darrell. (De Bovenwindsche stemmen 20 X 37) De bijdrage van het gouvernement werd in 1937 verhoogd van Fl 150, - naar Fl 250, [78] Einde 1938 beschikte de Openbare bibliotheek Curaçao over 2750 Nederlandse en in het Nederlands vertaalde boeken, en 800 Nederlandse voor de jeugd, naast een veel kleiner getal Engelse, Franse, Spaanse en Duitse boeken. (Neerlandia 1940-VIII: 107) ‘Wie eenige eenvoudige en overbekend[e] boeken zoekt als bijvoorbeeld, om een greep te doen, Teenstra, Bosch Reizen, de werken van van Kol, Brusse, van de Walle, Ds. Simons of van Ds. van Dissel, Hamelberg en Amelunxen, zal lang moeten zoeken. Noch in de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[79]

[80]

[81]

[82]

[83]

gouvernementsbibliotheek, noch in de Club de Gezelligheid zal hij deze werken compleet kunnen vinden, zoodat hij aangewezen is op de hulp van particulieren of moet putten uit het archief van het Apostolisch Vicariaat.’ (Curaçao 2 VI 39) Het valt op dat de redacteur hier alleen passanten noemde, niemand van de Spaanstalige auteurs voor de eeuwwisseling en ook degenen die over en in het Papiamento schreven vergat. ‘...personen die in West-Indië vertoefden deelden mee, dat daar van een eigenlijken boekhandel eigenlijk niet mag gesproken worden, dat eene enkele zaak zich wel belast met op aanvraag boeken bestellen, doch dat een boekenvoorraad nergens te vinden is, dat niemand van boeken op de hoogte is en dat derhalve de Nederlandsche literatuur noch het Nederlandsche wetenschappelijke boek daar in voldoende mate worden verspreid of zelfs bekend gemaakt.’ (Brief Ned. Uitg. Bond 20 VI 25 aan de Gouverneur van Curaçao) Gouverneur N.J.L. Brantjes antwoordde dat ‘slechts de firma's A. Bethencourt e hijos en N.J. Evertsz alhier eenigen handel drijven in Spaansche en Engelsche boeken’. (Brief 25 VII 25) Luis H. Daal oordeelde nog in 1960, dat Bethencourt van Caraïbische en Zuidamerikaanse betekenis was geweest: ‘Deze firma is het geweest die, feitelijk, Curaçao heeft gemaakt tot cultuurcentrum, van waaruit het boek zijn weg vond naar de meeste landen van Zuid-Amerika. Hoe ongeloofwaardig dit moge klinken, Venezuela, Colombia, Cuba, Mexico, Chili, Argentinië en andere landen zijn jarenlang afhankelijk geweest van Curaçao voor wat hun boeken en ander drukwerk betreft.’ (NWIG XL (1960-1961): 190-200) J.L. Stoit Dyck adverteerde in de Amigoe (23 X 26) om een leesgezelschap op te richten: met 42 tijdschriften en elke 14 dagen een roman te leen. Maar het ging waarschijnlijk niet door. Sluyter gaf een enkele keer ook zelf een boekje uit, bijv. Carel J. Brensa's reisverhaal: West-Indië; beschouwingen van een tourist (1931). (Zie over deze boekhandel vooral ook Aart G. Broek: Ñapa 18 X 86) Hij was als lid van de bibliotheekcommissie van De Gezelligheid een van de initiatiefnemers van de in 1939 gehouden grote boekententoonstelling van die sociëteit. ‘via de scholen, ook die van Aruba en Bonaire, vlogen de voorradige boeken niet alleen weg, maar kwamen bovendien steeds meer aanvragen binnen, zodat er voortdurend nieuwe bestellingen de deur uit gingen.’ (Th. van Rijen 1961: 59-62; Fraters 1936: 65) Een voorbeeld uit vele: in 1931 bood de boekhandel ‘zes bekroonde R.K. jeugdboeken’ aan uit Nederland: ‘Door deze bekroonde jeugdboeken, geschreven door talentvolle auteurs, is men er in geslaagd het bestaande tekort op het terrein der Katholieke Jeugdlectuur aan te vullen. Jeugdboeken, waaraan reeds zoolang behoefte bestond: geen boeken dus van overdreven vroomheid of zoetelijkheid in het godsdienstige! Wel is er echter voor gewaakt dat de geest dezer keurboeken steeds katholiek is en dat de katholieke levens- en wereldbeschouwing overal waar dit pas gaf, op natuurlijke wijze tot uiting kwam. Er waait een frissche wind door deze bekroonde jeugdboeken, zóó zelfs dat ze ongetwijfeld ook bij niet-katholieken vele lezers zullen vinden.’ (advertentie Amigoe 14 XI 31) Toen de boekhandel door de Tweede Wereldoorlog werd afgesneden van de Nederlandse bevoorrading werd contact opgenomen met Wolters te Djakarta (Batavia) en de boeken kwamen. Papier werd via de VS besteld, later ook fotografische herdrukken van boeken. Nieuwe schoolboeken en herdrukken werden geïmporteerd via Desclee de Brouwer in Argentinië; Scherpenheuvel ging daarnaast zelf ook schoolboekjes drukken in een oplage van 2000. Er was sprake van woordenboeken voor Spaans en Nederlands, en een catechismus in het Papiamento.

Eigen uitgaven waren Hou en Trouw, dat in 1929 niet meer dan vier pagina's telde in een oplage van 100 exemplaren, maar in 1936 uitgegroeid was tot telkens 24 pagina's in een oplage van 3200. Het doel was om ‘De katholieke jeugd der Nederlandse Antillen zo goedkoop mogelijk gezonde en interessante lectuur te verschaffen’. (Fraters 1936: 65) [84] Sleeswijk publiceerde zijn verslag in De Telegraaf 20 V 30, Aart G. Broek schreef het gedeeltelijk over in Ñapa 18 X 86. J. van de Walle: Beneden de wind 1974: 81-85; Jules de Palm: Kinderen van de fraters 1986: 182-183 [85] Zie ook het vorige hoofdstuk. De ledenaantallen waren: per 1 V 37: 102 gewone leden, 10 buitenleden, 6 buitengewone leden, 4 ereleden; 1 V 38 was het ledenaantal resp. 255, 52, 5 en 4; in 1939 in totaal 325 leden (resp. 254, 56, 11 en 4; in 1940 in totaal 324 leden (resp. 257, 51, 14 en 2) Boekhandelaar J.L. Stoit Dyck was lid van de bibliotheekcommissie van Sociëteit De Gezelligheid. ‘Hij wist gedaan te krijgen, dat de boekenpot werd verhoogd tot Fl 900, -, waarvoor hij...kon kopen: 400 Nederlandse, 200 Spaanse, 150 Engelse en 150 Franse en Duitse boeken.’ (Hartog 1971: 72)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

In het CHA bevindt zich het Archief van De Gezelligheid, O.D. # 49; in een van de, helaas ongedateerde, documenten daarin is sprake van zeven kisten met boeken: Nederlandse romans: 650; Engelse romans: 260; Franse boeken: 240; Spaanse romans: 180; Duitse romans: 25; Wetenschappelijke boeken: 275. In een kast in de leeszaal bevonden zich 380 romans in diverse talen; 160 wetenschappelijke werken. In totaal waren er dus bijna 2200 boeken aanwezig, voornamelijk romans in vier talen, maar ook vele naslagwerken, echter niets noemenswaardigs in het Papiamento. [86] Zie Van de Walle 1974: 45-52. L.C. Kwartsz maakte de nieuwe catalogus, die door Blok werd gedrukt, en ‘tegen f. 1, - per exemplaar verkoopbaar gesteld. Slechts weinig leden hebben zich tot nu toe van een exemplaar voorzien.’ (Notulen verg. 5 VIII 40) De leden van de bibliotheekcommissie waren Ch. Engels, M.F. da Costa Gomez, J. van der Molen, L.C. Kwartsz en J. van de Walle. [87] Aankondigingen en verslagen in La Union 26 X 39; B/N 28 X 39, 31 X 39, 1 XI 39, 2 XI 39, 6 XI 39; Amigoe 2 XI 39, 11 XI 39. De R.K. pers was nogal gereserveerd tegenover dit gebeuren dat buiten de kerk omging; op 11 XI 39 beweerde ze dat de catechismus van Niewindt eigenlijk het interessantste van de hele boekententoonstelling was geweest. Zie ook Engels- Van de Walle 1990: 58 (foto), 63, 66 [waar Engels (op 20 II 72) zegt de hele kartotheek van de tentoonstelling nog in zijn bezit te hebben], 130-131, 137-138. [88] A. Roland Holst, Van de Bom, E, Raedt de Canter, S. Streuvels, C. van Wessem, S. Vestdijk werden in het B/N-verslag van 2 XI 39 genoemd.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

177

5.5. Snollenliteratuur en goddelijke titels John de Pool kenmerkte in 1931 en 1935 zijn eigen tijd als een tijd van economische bloei, maar cultureel verval: ‘Nuestra decadencia cultural y la esperanza de su renacimiento’. De Pools slotwens dat de oude cultuur ‘herboren’ zou worden ging niet in vervulling, want tien jaar later vertolkte Emilio Lopez Henriquez nogmaals ditzelfde standpunt. De bloeitijd van Curaçaos cultureel leven zou in het Spaans van het vorige eeuweinde gelegen hebben, daarna trad het verval in. Dit standpunt werd door Terlingen (1961) nogmaals herhaald; ook voor hem waren de jaren 1915-1940 een ‘periodo pasivo’. Diametraal daartegenover stelde Lauffer (1976) juist deze tijd als ‘e periodo kreativo’ voor. Vanuit hun tegenovergestelde standpunten hadden beide partijen ‘gelijk’. In de letteren van de eerste eeuwhelft verdween het tot dan toe dominante Spaans en profileerde het Papiamento zich voor het eerst als literaire taal, maar het Nederlands won terrein als onmisbare taal voor succes en vooruitgang. Het streven om ‘Nederland en Curaçao een’ te doen zijn domineerde op alle maatschappelijke gebieden.

Oratuur, auratuur en literatuur De studie van de oratuur ontwikkelde zich in een tijd, dat de traditionele oude verhalen en liederen uit de slavernij volgens zegslieden op alle eilanden in hoog tempo aan het verdwijnen waren. Ze stonden van drie verschillende zijden onder druk. Allereerst was er de algemene schaamte als gevolg van een verlichtings- en beschavingsidee dat verbood nog aan dit soort primitief folkloristisch ‘bijgeloof’ te hechten. Vervolgens bleef de R.K. kerk, Jan Paul Delgeur getuigde er triomfantelijk en zonder blikken of blozen van, minstens zo onverzoenlijk als in eerdere tijden. Tenslotte waren er de industrialisatie en techniek (die met het door de machine opgelegde ritme de oude werkliederen overbodig maakte). Weliswaar kon Sypkens Smit (1981: 53) nog een aantal liedjes uit de kindertijd van zijn bejaarde zegslieden achterhalen, Kruythoff (1938: 135) schreef: ‘Modern comforts and modern ways of thinking have effected the gradual disappearance of the old ghost stories. Tales of ghosts and “jumbies” (wandering spirits) which were quite popular 50 years ago, are today as much a source of amusement to our youngsters, as Aladdin's Lamp is to American boys and girls. Stories of wherewolves and their spooky habits have become [...] obsolete and discreditable.’ Voor de Benedenwinden constateerden verzamelaars hetzelfde. Statia ([1991]: 99-101) gaf voor Curaçao als oorzaken de door de arbeidsmigratie ten gevolge van de vestiging van de olieraffinaderij veranderde samenstelling van de bevolking en de door de komst van de Shell gewijzigde economische en technische structuur, waarmee de traditionele arbeidsliederen zich slecht verdroegen. Maar er was in het begin van de eerste eeuwhelft nog wel degelijk een verteltraditie inzake eigentijdse verhalen, wat door het moderne onderzoek van bijvoorbeeld Rose Mary Allen, Ini Statia en Iteke Witteveen bevestigd wordt.[89] Voorzover door deze moderne onderzoekers oude zegslieden over hun jeugd worden ondervraagd, werden deze juist in deze tijd geboren. Ze spraken dus over het begin van de twintigste eeuw. Onderzoekster Ini Statia noemde als nieuwe oratuur liederen over de Eerste

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Wereldoorlog en de arbeidsmigratie naar Cuba. Daarnaast was er de blijvende invloed van de jaja en de bedienden. Pedrito's verhalen in Cola Debrot: Mijn zuster de negerin van 1935 vormen een niet te miskennen bewijs, maar ook de oudere John de Pool getuigde er in hetzelfde jaar van. Met name leefde de oratuur voort in aanzienlijke Joodse kringen, waarvan May Henriquez in haar Yaya ta konta voorbeelden gaf in de vorm van door Lita vertelde verhalen en liederen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

178 De traditionele ritmische werkliederen bleven aanvankelijk voortbestaan, al werden ze aangepast aan de andere omstandigheden: een voorbeeld van orale dynamiek. Sypkens Smit onderscheidde onder meer liederen van vaarwel, werkliederen in de zoutpannen, jollifications [burenhulp], zangen bij een verhuizing, gezongen protest tegen belastingen, propagandadeuntjes bij verkiezingen en historische liederen. Hij merkte op: ‘Het zijn niet zozeer de woorden - die creole/Engels zijn - maar de wijs die oeroud overgeleverd is. (...) Met het toenemen van de geldeconomie, de welvaart en het onpersoonlijker worden van de maatschappij, zijn de jollifications volledig verdwenen, en met hen de worksongs en de chanties. Het langst hebben ze nog stand gehouden aan de Franse kant, en wel in de vallei van Colombier (...) “The conditions for the survival of a vital folklore tradition are fading fast”.’ (Sypkens Smit 1981: 54-57) Het lied voor het cunucu-werk bleef, maar er traden eveneens adaptaties voor bijvoorbeeld het steenkoolsjouwen in de haven en de mijnbouw van Santa Barbara op. (Statia [1991]: 97-98) Deze adaptatie van traditionele landbouwsfeer naar handel en industrie bleef, tot machines het handwerk vervingen en het ritmische werklied zijn functie verloor. Wat niet wegneemt dat cantica en cuenta nog wel degelijk een functie na het werk bleven houden, tot ze verdrongen werden door andere vrijetijdsbestedingen als filmbezoek, radio en later t.v., die natuurlijk op hun beurt weer nieuwe vormen van oratuur voortbrachten. De voorbeelden van oratuur die door onderzoekers werden gegeven, betroffen steeds de talen Engels en Papiamento. De werkmigratie naar Venzuela en Cuba werd ook in het Spaans bezongen en verteld. Het Nederlands diende ook nu niet voor oratuur. Documenten betreffende literaire verschijnselen zijn schaars op de Antilliaanse eilanden. Ook actieve en bloeiende letterkundige verenigingen hielden kennelijk niet veel archieven bij en ze bewaarden het historische materiaal niet, zeker niet na de opheffing van de vereniging. Wat bewaard werd kwam in lang niet alle gevallen bij het Centraal Historisch Archief terecht. Sommige particulieren koesteren de oude paperassen zodanig dat geen onderzoeker kans tot inzage krijgt. Omdat in de bewaarde kranten soms berichten stonden, bleven nog wel namen bekend, maar verder geen bijzonderheden. Misschien waren er meestentijds ook maar weinig documenten. In verenigingsverband speelde de traditionele welsprekendheid, de elocuencia, een dominante rol. Men maakte zijn letterkundige produkten mondeling publiek, men schreef zijn poëtische bijdragen om deze in de club voor te dragen, al lezend van het papier, of liever nog uit het hoofd geleerd en gereciteerd. De gevoelvolle voordracht prevaleerde boven de gedrukte publicatie. Men kon ook in de eerste helft van de twintigste eeuw nog een gevierd ‘auteur’ zijn zonder een letter uit te geven. Van de andere kant werden schrijvers tegelijk vaak geliefde orators - een vanzelfsprekend samengaan voor die dagen en later. De feuilleton-schrijvers van La Union waren tegelijkertijd de belangrijkste sprekers van de Curaçaose Rooms Katholieke Volksbond. Zo bloeide een viertalige auratuur in het Spaans, Nederlands en Engels, met een enigszins stiefmoederlijke behandeling van het Papiamento dat zich kennelijk niet al te best met de officiële gelegenheden verdroeg. De debatingclubs werden in die dagen een modeverschijnsel.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Ook toneel is als een vorm van auratuur te beschouwen. De gespeelde buitenlandse Spaans-, Engels- en Nederlandstalige gedrukte stukken gingen verloren, wat jammer is omdat daarmee tevens de aanwijzingen verdwenen of en hoe deze stukken door de regie werden aangepast aan de lokale situatie. De talrijke vertaalde en geadapteerde toneelstukken werden niet bewaard, een toneel-archief van enige omvang werd in het verleden nooit aangelegd. Dat spoorde met de gedachte dat spreken, uitbeelden, horen en toekijken veel effectiever waren dan lezen. De gedrukte tekst, zo die al bestond en de groep zich niet met een aantal met de hand geschreven copieën tevreden stelde, hoefde daarom niet bewaard te blijven. De indringende

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

179 toneelopvoeringen kregen drie functies toebedeeld. Ze werden vanuit Nederlandse organisaties en het ‘Nederlandse element’ op de eilanden zelf een middel bij uitstek geacht om tot de vernederlandsing van de kolonie bij te dragen, in de ogen van de elite droegen ze onuitwisbaar bij tot de noodzakelijke beschaving, en in de visie van de Missie konden ze de traditionele kerkelijke moraal propageren, tegen de decadentie en de zo verafschuwde civilisashon moderna: Toneel was altijd een sterke kracht om het volk te instrueren, om zijn gevoelens te veredelen en te verhogen voor de schoonheid van de kunst. (La Cruz 21 V 13) Het begrip ‘lezen’ moet in die tijd toen het nog lang niet vanzelfsprekend was dat iedereen in voldoende mate gealfabetiseerd was, enigszins ruimer genomen worden dan nu. Het moderne ‘gesproken boek’ had zijn voorganger in het, veelal door de jongere generatie bedreven, voorlezen in de besloten familiekring of buurt van de wekelijks in de krant verschenen feuilletons. Er waren in de eerste decennia van deze eeuw geen specifiek literaire tijdschriften, zodat kranten moesten fungeren als het normale kanaal voor allerlei vormen van literatuur.[90] Schrijvers gebruikten in de pers alle vier talen, die kwantitatief redelijk verdeeld waren. Al werd het Spaans meer en meer verdrongen door het Nederlands, het bleef een (kleine) rol spelen.[91] In deze jaren werd het Papiamento steeds belangrijker, dat kon het dominerende Nederlands niet verhinderen. Wel werd niet alles in het Papiamento even belangrijk gevonden. Er ontstond een zekere scheiding tussen hogere en populaire kunst, in de toneelwereld en schouwburg, maar ook in de literatuur: de conta cuenta sloeg men als populaire vorm niet al te hoog aan (‘novelanan insignificante, conta cuenta i otro cosnan menos importante’ werden op één hoop gegooid. La Union 5 V 38), evenmin als de talrijke vormen van gelegenheidspoëzie (De Bovenwindsche stemmen 8 X 38). In de kranten, hoewel niet in alle kranten in gelijke hoeveelheid, verschenen zulke diverse literair gezien perifere genres als gelegenheidspoëzie, feuilletons, conta cuenta en combersashon nog steeds. Er waren maar weinig specifiek literaire uitgaven, en slechts een paar roman-feuilletons waren zo populair dat ze na de krant ook afzonderlijk konden verschijnen. Was in de nieuwe maatschappij van na de emancipatie tot de eeuwwisseling, de literatuur als de positieve verbreidster van de civilisashon voor een heel volk gezien, na 1920 werd haar met name op Curaçao de negatieve taak van het protest tegen de ‘civilashon moderna’ toegedacht. Ook buiten het hoofdeiland begon het geschreven woord een zekere rol te spelen, in de vorm van enkele mémoires en beschrijvingen van land en volk voor eigen mensen en voor toeristen. Op geen van de eilanden ontwikkelde zich een geschreven recensiewezen voor de schaarse eigen boeken. Voorlopig nam de krant buitenlandse recensies over. Ook in de specifiek op het Caraïbisch gebied gerichte West-Indische Gids kon wie dat wilde zich oriënteren.

De invloed van lectuur Toen La Cruz in 1905 het Papiamentstalige gedicht ‘Atardi’ van J.S. Corsen plaatste, waren de reacties drieërlei: de redactie en met haar vele anderen vonden in het gedicht

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

het onomstotelijke bewijs dat het Papiamento zich tot een volwaardige literaire taal had ontwikkeld, vanuit nietkerkelijke, liberale hoek achtte men de inhoud een teken van de voortgaande beschaving van de Curaçaose bevolking, de Missie verkondigde de waarde van de zedelijk-religieus geachte inhoud van het gedicht. ‘Atardi’ verhief de gedachten wegens zijn zuivere stijl, zijn nobele ideeën, het eerde God de Schepper en prees de schoonheid van de natuur, in zijn pleidooi voor het familieleven reinigde het de ziel.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

180 Waar de liberale hoek wat minder spraakzaam over de letterkunde was, gaf de kerk veelvuldig, uitgebreid en veelal polemisch haar visie, die vanaf de vorige eeuw tot 1940 onveranderlijk dezelfde zou blijken te zijn. In 1913 verdedigde het R.K. orgaan La Cruz zich fel en verontwaardigd strijdbaar tegen de in die dagen nogal eens geuite aantijging als zou de Missie de bevolking door middel van het Papiamento dom willen houden. Het verwijt loog er dan ook niet om. Als de kerk de kinderen Spaans zou leren, zouden ze alles kunnen lezen; nu was er veel meer kerkelijke controle (censuur) mogelijk (Broek 1987: 54) De redactie weerlegde de beschuldiging in een aantal artikelen waarvan het zesde onder meer over literatuur ging. De argumenten behelsden voorbeelden van literaire activiteit op het gebied van toneel, de bibliotheek en de jaarlijkse prijsuitreikingen in het onderwijs.[92] Wel gaf de redactie toe dat de kerk boeken die tegen geloof en moraliteit waren weerde, maar zoals een regering terecht zorgt voor materiële zaken, waakt de kerk over ‘geestelijk voedsel’. Gedurende de eerste vier decennia van de twintigste eeuw hield de kerk onveranderlijk vast aan het standpunt dat ze had ingenomen: leesbevordering was van groot nut, maar omdat de invloed van lectuur zo groot was, somtijds ten goede maar veeleer ten verderve, diende de priester ervoor te zorgen dat de leek alleen goede boeken las en het ‘vergif’ niet onder ogen kreeg. Hoe ver dat ging bleek uit een bericht waarin verontwaardigd melding werd gemaakt van de noodzaak tot het vernietigen van ‘ongeschikte’ en geïndexeerde boeken.[93] Men onderscheidde wel het ‘literaire gehalte’ van de ‘morele idee’ in boeken, maar de laatste domineerde steeds weer, zowel bij de paters, fraters als lekenonderwijzers. Vanaf de negentiende eeuw tot na 1940 nog bleef het standpunt van de R.K. kerk onveranderlijk. Pastoor Jan Paul Delgeur verdedigde deze visie in zijn feuilletons. Over A.M. de Jongh: Merijntje Gijzen's jeugd oordeelde hij dat juist goed geschreven boeken als verderver kunnen functioneren: ‘Op de vaardigheid van de Jongh's pen valt niets af te dingen (...) zoo onweerstaanbaar sleept ie je vaak mee, dat ge je al spoedig een voelt met die sappige soepele kernachtige woordenschat en zinnenbouw (...) En toch, van deez’ boeken gaat 'n fatale invloed uit, vooral voor de eenvoudige kleine Roomsche luyden, luttel bedeeld met logisch beredeneerd denken; geloof me, 'n boek met geprononceerde anti-katholieke tendenz is lang zoo gevaarlijk niet (...) mag er niet aan denken hoevelen er door zijn schrijven verloren zijn gegaan, voor tijd en eeuwigheid.’ (Amigoe 6 X 28) Literaire techniek moet in dienst staan van zedelijkheid, getuige het volgende heldere statement: ‘En kom nu, in Godsnaam, weer niet aanzeulen met de dooddoener, l'art pour l'art, holklinkende woorden die niets zeggen. Luister 'ns: Kunst dient om den mensch te verbeteren, omhoog te heffen. Door de kunst tracht men 't schoone te bereiken. Het schoone bestaat in de harmonie, in 't evenwicht. Die harmonie bevindt zich volmaakt alleen in God. En 't Volstrekte Schoone is God.’ (Amigoe 24 X 25) Toen in 1933 de nieuwe bibliotheek van de St.-Thomaskring plechtig geopend werd, sprak leken-onderwijzer J.F. Linnartz over de lectuur als een middel om ‘geestelijke inzichten te verdiepen, de horizont, die aarde en hemel, oogenblik en tijdloosheid scheidt, te verwijden en te verhelderen, zijn dorst te lesschen aan de verzadiging van anderen, of zijn lijden dragelijk te maken door de ontdekking van gelijk of grooter lijden.’ Het ‘materialisme van onze tijd’ veroorzaakte volgens

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Linnartz oppervlakkige ontspanningslectuur, ‘snollenlitteratuur’, Courths Mahler in plaats van Engelman, Marsman, de Graaff, Nijhoff, Slauerhoff en A. Roland Holst. Het literaire kunstwerk moest volgens hem de ‘schoonheid dienen, een der goddelijke titels, die geestelijk genot verschaft en afhoudt van lager lijfelijk genot’. Vooral poëzie, maar ook de roman kan opheffen uit het alledaagse, uit het banale: ‘De goede romancier, die zijn zeer aparte visies op mensch en leven vorm en gestalte weet te geven, heeft in zijn hand een machtig cultuurwa-

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

181 pen...De doorsneemensch bezit in de goede roman een grote schat. Hij verschaft hem tegelijk genot en heft hem, uit zijn eigen soms bekrompen inzicht, binnen de zeer bizondere gezichtskring van den talentvollen auteur. Hij ziet er, in vele gevallen, zijn eigen visie in bevestigd of verlevendigd. Soms zal zich tengevolge van romanlectuur zijn oordeel wijzigen.’ De katholieke lezer moet een ‘census catholicus’ ontwikkelen, want ‘niet het verhaaltje maakt de goede roman uit, maar de wijze waarop en de mate waarin hij de spiegel is van een universum’. De auteur zal op zijn beurt ‘in een roomsche atmosfeer moeten ademen!’ ‘Met dit al blijft de roman een gevaarlijk product. Het is daarom wijs zich te laten voorlichten door vertrouwde bronnen bij de keuze der romanlectuur.’ (Amigoe 22 VII 33) Zo vooruitstrevend als de R.K. kerk was geweest bij de ‘eerste emancipatie’, zowel voor 1863 als in de decennia erna, zo conservatief stelde ze zich op bij de tweede, toen het erom ging het volk werkelijk invloed te geven. In haar paternalisme kon de kerk alles voor, niets door het volk laten beslissen. Dat heeft haar de aanvankelijk zo stevige greep op de achterban doen verliezen. Het regime liep ten einde doordat de kerkleer een randverschijnsel bleef dat door de bevolking niet werd verinnerlijkt. (Paula 1992) Maar de ‘literaire secularisering’ die hiervan het onvermijdelijke gevolg was, werd voltrokken door een aantal jonge auteurs die alle ‘kinderen van de fraters’ waren, op de Sint Jozefschool of op het Sint Thomascollege: Guillermo Rosario, Pierre Lauffer, Jules de Palm en vele anderen. Ook als ze gelovige katholieken bleven, maakten ze zich in hun literaire werk helemaal los van de traditioneel kerkelijke moraal, zoals die door hun voorgangers gepreekt was. In zoverre was de politiek van de kerk ‘ongewild’ en misschien ondanks haarzelf compleet geslaagd. Ook buiten de R.K. kerk achtte men, getuige de steeds weer juist dit onderwerp behandelende artikelen, de invloed van lezen op met name de jonge mens zeer groot, maar men spreidde niet zo'n krampachtig beschermende houding van verbod en censuur ten toon.[94] De niet-katholieken zagen in de lectuur het opvoedkundige en nuttig-noodzakelijke voor de ontwikkeling, niet het gevaar: ‘Incalculable harm can be done by the perusal of immoral books, while rich stores of knowledge and happiness are to be gained from the writings of those who scorn what is low or unworthy and are this the true benefactors of the human race.’ (De Bovenwindsche Stemmen 8 XI 37). De begin twintigste eeuw ingezette koloniale politiek tot vernederlandsing mislukte omdat ze veel te laat begon en nooit meer werd dan een klein vernisje van de Antilliaanse cultuur, die einde negentiende eeuw zich al zo stevig verankerd had dat ze door het moederland niet meer uit de regionale Latijnsamerikaanse en Caraïbische cultuursfeer los te weken viel. Misschien wel bij een klein deel van de elite en onder bepaalde omstandigheden, niet bij de brede lagen van de bevolking. Dat leidt tot de paradox dat de ‘holandisashon’ literair mislukte omdat ze op taalpolitiek gebied zo compromisloos succes nastreefde. De holandisashon mislukte, want ze leverde immers nauwelijks enige produktie in die taal op. De Antilliaanse journalistenauteurs schreven in hun bladen in het Papiamento of Engels, terwijl het Nederlands alleen door passanten-pastoors en -fraters gebruikt werd. De oratuur en auratuur waren voornamelijk in het Spaans. De holandisashon slaagde in zoverre dat de Nederlands-Europees-Westerse cultuuroriëntatie de superioriteit predikte van alles

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

wat uit het moederland kwam, en daaraan zou men in de Antillen toch niet kunnen tippen. De Antilliaan werd zodanig geïndoctrineerd dat hij het niet eens probeerde om in het Nederlands te schrijven. De holandisashon maakte van het Nederlands een vreemde taal, athans een taal van vreemdelingen, waardoor de Antillianen zich nog meer dan voorheen tot hun moedertalen wendden.

Eindnoten: [89] R.M. Allen in Amigoe Kerstkrant 1986; 1988; 1992; Statia 1991: 80-96; Casimiri 1992b; Witteveen 1992. Zie over de arbeidsmigratie ook Allen 1986 [Amigoe Kerstkrant] [90] In 1939 verscheen een rapport-Nijman, dat de op dat moment verschijnende bladen, hun oplage en hun financiële positie meldde: Amigoe en La Union reageerden in 1939 op dat rapport. De WIG XXI, 1939: 186-189 vatte samen: La Cruz: opl. 4000; Boletin Comercial: opl. 400; La Prensa: opl. 157 + 100 losse verkoop; De Curaçaosche Volkskrant: opl. 150; Amigoe: opl. 1200-1250; La Union: opl. meer dan B/N; El Despertador: opl. 300; Arubapost: opl. 200. Twee zaken vallen op: de geringe oplages, het eruitspringen van La Cruz. [91] Over de Clubavond van De Gezelligheid, tijdens de succesvolle boekententoonstelling, luidde het: ‘Deze avond deed tevens de gedachte rijzen, dat het Spaansch aan cultuurinvloed gaat verliezen en dat het Hollandsch de overhand gaat krijgen. Want geen originele Spaansche gedichten werden hier voorgedragen, doch wel Nederlandsche gedichten, vervaardigd door leden van de club.’ (Curaçao 18 XI 39) [92] Otrobanda heeft een bibliotheek met ongeveer 2000 boeken in het Spaans, Frans, Nederlands, Engels en Duits, waaruit tegen twee dubbeltjes per maand geleend kan worden: ‘I loke tas mas boenita ainda, nan ta limpi di toer mancha. Nan ta liber dje Peste bubonica di inmoralidad, koe a pega tantoe boeki awendia.’ Op de jaarlijkse prijsuitreikingen op zowel St. Thomascollege, Welgelegen als de volksscholen, wordt moderne poëzie in het Nederlands, Engels en Spaans uit het hoofd voorgedragen: ‘Koe toer e Senjores a keda encantá, i coe toer a gaba adelanto literario dje scool católico.’ (La Cruz 21 V 13) [93] In haar recensies van (buitenlandse) literatuur kwam de invloed van lectuur steeds ter sprake. Enkele specifieke krante-artikelen over de invloed van lectuur: La Cruz 21 V 13; 16 X 18; Amigoe 19 III 10; 24 X 25; 5 I 29; 2 VII 32; 10 VI 33; La Union 5 V 38; 10 V 39. ‘Van 25 kisten boeken, door particulieren hier cadeau gegeven aan een katholieke leesbibliotheek, moesten er 14 worden vernietigd wegens absoluut ongeschikt. In een kist ontvangen van een katholiek gezin, bevonden zich 40 boeken welke op de index der verboden boeken staan.’ (Amigoe 2 VII 32) [94] De Arubaanse El Observador 24 IV 35; De Bovenwindsche Stemmen 12 V 34; 6 V 37; 8 XI 37 (citaat); 13, 27 VIII 38; 24 IX 38; 8 X 38.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

183

Hoofdstuk VI Steunend op eigen kracht ‘De cultuurbevordering moet van de nationale gedachte uitgaan, het is niet anders dan natuurlijk, dat wij onze eigen cultuur stimuleren, maar wij moeten weten, dat een louter nationale cultuurbevordering tot isolement zou leiden, zeker in een kleine gemeenschap als de onze.’ (Cola Debrot: C.C.C.-bulletin 1 1950)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

184

1940

De Nederlandse Antillen worden bij de Tweede Wereldoorlog betrokken; op Bonaire wordt een concentratiekamp voor Duisers ingericht. Luc Tournier begint zijn ‘Nederlands Periodiek’ De Stoep. Recensies op De Stoep betekenen het begin van een reguliere Antilliaanse literaire kritiek. Het A.N.V. start een Antilliaans Neerlandia.

1941

Oprichting van het Peter Stuyvesant College als eerste school voor middelbaar onderwijs.

1942

Pierre Lauffer publiceert onder het pseudoniem Antonio Martes: Carmen Molina. Koningin Wilhelmina houdt een rede waarin ze de Overzeese Rijksdelen meer zelfstandigheid belooft.

1943

Het tijdschrift Lux wil een lamp van Nederlandse taal en cultuur zijn. Guillermo Rosario geeft zijn eerste novela uit. De zangers van de Cancionero Papiamento I willen onder het pseudoniem Julio Perrenal het lied in de volkstaal populariseren.

1944

Pierre Lauffer publiceert zijn eerste dichtbundel Patria. Oda Blinder debuteert in De Stoep. Sociedad Bolivariana de Aruba opent haar nieuwe multifunctionele verenigingsgebouw.

1945

Tip Marugg debuteert met zijn eerste gedichten in De Stoep.

1946

De Jolly Fellows Society wil een tegenwicht van de Sint Thomaskring zijn.

1947

Salas vestigt zijn boekhandel op Curaçao.

1948

Oprichting van Sticusa.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Vestiging van Aruba Boekhandel in Oranjestad. Oscar van Kampen geeft op Curaçao zijn Lorito Real uit. 1949

Oprichting van het Radulphus College en het Maria Immaculata Lyceum. Aruba krijgt zijn eerste Openbare Leeszaal en Boekerij. C.C.A. en C.C.C. worden als eilandelijke cultuurcentra opgericht.

1950

Eerste openbare viering van het Curaçaose carnaval. Het Papiamentstalige tijdschrift Simadán wordt gepubliceerd.

1951

De gezamenlijke Curaçaose boekhandelaren organiseren voor het eerst een boekenweek.

1952

Paul Storm is de eerste door de Sticusa uitgezonden toneelregisseur.

1954

Het C.C.C. organiseert de eerste literaire prijsvraag. Het Statuut voor het ‘Koninkrijk nieuwe stijl’ wordt van kracht; de eilanden zijn ‘autonoom’. Door de automatisering in de ‘olie’ zal de werkgelegenheid op Aruba en Curaçao spoedig instorten; de toeristenindustrie zal pas op den duur voor vervangende werkgelegenheid zorgen.

1955

Boekhandel Van Dorp ontplooit de eerste Antilliaanse activiteiten. Cola Debrot start de Antilliaanse Cahiers.

1957

Frank Martinus Arion wordt wegens zijn Stemmen uit Afrika door de Nederlandse kritiek tot ‘zwarte Vergilius’ bestempeld.

1958

Opening van Cas di Cultura op Aruba. Tip Marugg publiceert Weekendpelgrimage bij de Amsterdamse Bezige Bij.

1959

Het Colegio Arubano wordt een volwaardige h.b.s.-opleiding.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Boeli van Leeuwen publiceert De rots der struikeling in Nederland en krijgt er later de Vijverbergprijs voor. 1961

Aruba organiseert voor het eerst een boekenweek. De Arubaanse toneelgroep Mascaruba debuteert.

1964

Het eerste nummer van Vitó wordt over Curaçao verspreid.

1965

Het eerste nummer van Kambio verschijnt.

1967

Oprichting van de Curaçaose toneelgroep Thalia.

1968

In Nederland geven enkele Arubaanse studenten het literaire tijdschrift Watapana uit. Het Antilliaanse voortgezet onderwijs volgt de Nederlandse mammoetwet, ook voor het literatuur-curriculum. Het Curaçaose Centro pro Arte wordt geopend. Op Curaçao wordt de jaarlijkse Cola Debrot-prijs ingesteld.

1969

De stakingen en onlusten van ‘dertig mei’ zullen onomkeerbare culturele gevolgen hebben. De eerste druk van de Encyclopedie van de Nederlandse Antillen verschijnt.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

185

6.1. Papiamentisashon Toen op 10 mei 1940 niet alleen voor Nederland maar ook voor de Nederlandse Antillen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd het in de laatste decennia steeds meer geïntensiveerde contact tussen overzees rijksdeel en moederland abrupt doorgesneden. De Antillen moesten plotseling ‘steunen op eigen kracht’, zoals het in de bekend geworden zinsnede uit de beroemde december-rede van Koningin Wilhelmina, die de koloniën in Oost en West interne autonomie in het vooruitzicht stelde, op 6 december 1942 luidde: ‘Ik heb ervaren dat in beide volken de wil en het vermogen tot harmonisch en vrijwillig samengaan aanwezig zijn. Ik heb daarbij een vorm voor ogen waardoor Indonesië, Suriname en Curaçao deel zullen hebben, naar de betekenis der gebieden, in het bestuur van het geheel, terwijl zij ieder op zichzelf de eigen, inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met de wil elkander bij te staan, zullen behartigen.’ Al op 16 juni 1941 had Gouverneur Wouters in de Staten woorden van dezelfde strekking gesproken. (Paula 1989: 16) Direct nadat het bekend werd dat Nederland in oorlog was, werden ‘vijandelijke onderdanen en staatsgevaarlijke Nederlanders’, in totaal ruim honderd personen, op Bonaire geïnterneerd. Andere noodzakelijke militaire maatregelen werden getroffen. Dat de grote waakzaamheid in verband met de op Aruba en Curaçao aanwezige olie-raffinaderijen niet voor niets was, bleek in 1942 toen Duitse onderzeeërs bij beide eilanden beschietingen uitvoerden. Maar intussen was er een groot contingent buitenlandse militairen aanwezig ter bescherming van de olie-belangen, die essentieel zouden blijken voor de geallieerde oorlogvoering. Zo betekende de Tweede Wereldoorlog ongemak wegens strenge verduisteringsvoorschriften, wachtlopen voor opgeroepen dienstplichtigen, een min of meer afgesneden zijn van de buitenwereld, maar ook grote economische bloei, omdat de raffinaderijen op topcapaciteit draaiden. Bracht de oorlog ‘een hausse van materiële welvaart mee, de beoefening der kunst bloeide ook’. Hartog (1961: 1076-1092) schetste aan de hand van drie voorbeelden hoe de Spaanse invloed rond deze jaren nog verder taande. In 1937 werd de drukkerij-boekhandel A. Bethencourt e Hijos afgebroken, waarbij ‘enorme voorraden boeken, tijdschriften, muziekwerken en zelfs manuscripten vernietigd’ werden. In 1940 sloot, door de onzekere toestand gedwongen, het Spaanstalige meisjespensionaat Welgelegen haar poorten. In 1951 tenslotte hield het sinds 1908 bestaande en invloedrijke dagblad Boletin Comercial definitief op te bestaan. Was deze ‘dehispanisering’ een geleidelijk proces dat al tientallen jaren aan de gang was, de zo intensieve contacten met Nederland waaraan de bevolking gewend was geraakt, hielden van de ene op de andere dag op. Vóór 1940 kwam alles uit Nederland: ingeblikte levensmiddelen (groenten, boter) zogoed als bouwmaterialen, maar ook kranten, tijdschriften en boeken. Passanten zoals ambtenaren, leraren, politieagenten, technici, priesters dominees en rabbijnen accentueerden de Nederlandse sfeer. Dit alles hield in mei 1940 plotseling op en werd vervangen door de ‘way of life’ van de Amerikaanse militairen, hun kranten, tijdschriften en films. Hartog merkte afkeurend op, dat de ‘smaak van het goede boek in de oorlogsjaren hier ongetwijfeld geleden’ heeft, ‘aangewezen als men was op Noord-Amerikaanse best-sellers en magazines’.[1] Bij de al jaren dominante ‘vernederlandsing’ voegde zich een

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

‘amerikanisering’, die een ‘verdere afbrokkeling van de eigen identiteit, die in de relatieve isolatie van het tijdperk van het “Curaçao-van-voor-de-Shell” was uitgekristalliseerd’, betekende. (Römer 1979: 94-95) Liep het inderdaad zo'n vaart op Curaçao? Het Rapport Nijman kon dan in 1939 wel beweerd hebben dat het Nederlands langzamerhand algemeen gebruikt werd, Pater Latour noemde het in 1937 nog een elite-taal, de pasgekozen Statenleden Maal en Capriles noemden het ‘Hollandsch voor ons Curaçaoenaars een vreemde taal’ en eisten meer aandacht voor het eigen Papiamento. (Smeulders 1987: 90-91)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

186 De oorlogstoest and leverde tweeërlei literaire reactie op, waarbij een dominerende stroming van voornamelijk Curaçaose passanten zich sterk maakte voor het Nederlands, en een tegenovergestelde beweging het Papiamento nieuwe literaire impulsen gaf. De twee talen zouden ook in de komende decennia elkaars opponenten en concurrenten blijven. In 1943 was 21,7% van de Curaçaose bevolking niet-Antilliaan, en 23,6% niet Papiamento sprekend, de geallieerde strijdkrachten niet meegerekend. (R.A. Römer 1979: 93) Van de door zowel Lopez Henriquez (1943) als Terlingen (1961) vermelde ‘renaissance’ van het Spaans-culturele leven bleek in de literaire produktie niets, terwijl het zo invloedrijk geworden Engels in de letteren slechts een minimale rol speelde. Op de Bovenwinden, Aruba en Bonaire waren de literaire activiteiten gering, zover dat naar buiten toe zichtbaar werd. Van de organisaties die in deze oorlogstijd op taal- en letterengebied van zich deden spreken, moeten allereerst de culturele of zelfs specifiek literaire tijdschriften genoemd worden. Een fenomeen dat voor het eerst en dan nog gedurende korte tijd optrad aan het eind van de negentiende eeuw, zou nu in een veelzijdige vorm dominant worden. Tijdens de oorlog waren er drie die zich op het Nederlands toelegden: De Stoep, Neerlandia en Lux.[2] Tegenover deze hegemonie betekende het pas in 1944 uitgekomen Papiamentstalige Gydelcra slechts weinig, maar in dezelfde tijd zou het Papiamento op andere en nieuwe wijze de Nederlandse hegemonie betwisten. Tegenover het streven ter propagering van het Nederlands stond een groep Antilliaanse auteurs die het Papiamento wilden bevorderen. Na het verdwijnen van de oorspronkelijke Papiamentstalige feuilletons, had de R.K. kerk met Mi biblioteca Papiamento in 1939 en 1940 nog even geprobeerd het verloren terrein terug te winnen, maar vergeefs. De tot twintig delen uitgegroeide serie sloeg kennelijk niet meer aan. Papiamentstalige literatuur seculariseerde en verscheen niet meer onder de vleugels van de R.K. organisaties. De oorlogstijd zou het moment worden waarop de eerste Papiamentstalige dicht- en verhalenbundels in afzonderlijke uitgaven het licht zagen, met name van Pierre Lauffer, Guillermo Rosario en Amador Nita. Broek (1990c) sprak hierbij zelfs van de ‘Julio Perrenal beweging’, naar aanleiding van het trio Lauffer, De Palm en De Rooy die populaire songs over actuele situaties dichtten, de muziek ervoor componeerden en vervolgens ook zelf zongen. (J.Ph. de Palm 1979) Door de oorlogssituatie konden Antilliaanse jongeren niet meer naar Europa om daar hun middelbare schooldiploma te halen. Het gevolg was het oprichten van een geheel volgens Nederlands systeem georganiseerd middelbaar onderwijs, waar in het literatuur-examen de Nederlandse en Europese literatuur gestimuleerd werd. De Antilliaanse eilanden traden de na-oorlogse tijd welvarend en ‘mondig-autonoom’ tegemoet, en wilden het in 1942 toegezegde ‘baas-in-eigen-huis-principe’ zo spoedig mogelijk verwezenlijkt zien. De discussies over de toekomst werden uitgebreid en via diverse politieke partijkanalen onder leiding van Doktoor M.F. Da Costa Gomez gevoerd. Hoewel het verarmde moederland naast economische zorgen van zijn wederopbouw, de politieke van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd kende, werd na de einde jaren veertig gestarte Ronde-Tafel-Conferenties, de daarop volgende Interimregeling van 7 februari 1951 en de Eilandenregeling, op 15 december 1954 het nieuwe Statuut voor het Koninkrijk van kracht. (Paula 1989) De Nederlandse Antillen, zoals het officieel heette, kenden voortaan inwendig zelfbestuur; de defensie

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

en buitenlandse contacten bleven Koninkrijksaangelegenheid. De autonomie werd bereikt op het moment dat een economische neergang in de vorm van automatisering en grootscheepse ontslagen bij de olie-industrie zich al aankondigde. Na de oorlog hielden Lux en Neerlandia op te verschijnen, maar het ‘Nederlands Periodiek’ De Stoep zette de werkzaamheden op vernieuwde wijze voort door nu ook (jonge) Curaçaoenaars

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

187 de gelegenheid te bieden in het Nederlands te publiceren. Een mogelijkheid die dankbaar werd aangegrepen, waardoor later bekend geworden dichters als Oda Blinder en Charles Corsen konden debuteren. Publiceerde Cola Debrot in deze na-oorlogse jaren enkele Nederlandstalige werken in Nederland, op Curaçao was er gedurende deze jaren, naast De Stoep, niet veel van Nederlandstalige literaire activiteit te merken. Maar het Papiamento bleef zich manifesteren. Enerzijds uit ‘wrevel’ tegen deze ‘blanke’ stoep, anderzijds uit de oprechte behoefte tot verdediging van de eigen taal stichtten enkele jongeren in 1950 het puur Papiamentstalige Simadán. Van Nederlandse en Antilliaanse zijde werd via artikelen en boekuitgaven de postkoloniale rekening opgemaakt.[3] Het tweede deel van de bekende zinsnede uit de decemberrede van Koningin Wilhelmina, die het autonomie-monument in Willemstad siert: ‘steunend op eigen kracht, doch met de wil elkander bij te staan’, wilde men van Nederlandse zijde verwezenlijken door het concept van de eenheid van ‘de West’. Enkele studiekringen en een organisatie als Wosuna (Wetenschappelijk Onderzoek Suriname en de Nederlandse Antillen), maar vooral tijdschriften als Eldorado en De West-Indiër, die bedoeld waren voor alle drie de landen van het Koninkrijk, werden met dat doel opgericht. Vanaf eind jaren veertig was het Algemeen Nederlands Verbond, na grote bloei tijdens de oorlogsjaren, op zijn retour, wat nog versterkt werd door de oprichting van de Sticusa, die hoewel bedoeld als (de naam zegt het al) een stichting tot culturele samenwerking, vooral een eenrichtingsweg van Nederlandse cultuur naar de Antillen zou blijken. Met name het Cultureel Centrum Curaçao verzette zich onder leiding van Cola Debrot tegen deze eenzijdigheid. Maar het getij was tegen. De tegengestelde doelen en aanpak bleken bijvoorbeeld uit de boekenweken (ter propagering van het Nederlandse boek) en diverse literaire prijsvragen (die vooral Papiamentstalig werk opleverden) begin van de jaren vijftig. Het C.C.C. streefde ernaar muziek, film en boek naar de knoek te brengen, omdat het volk niet naar de stad kwam. Het doel was de verbreiding van klassieke muziek, de betere films en goede lectuur (in het Nederlands en Papiamento). Het initiatief duurde maar kort, maar toonde aan dat men zich een taak tegenover de totale bevolking gesteld had, die enigszins vergelijkbaar was met de post-emancipatie-jaren van de vorige eeuw. De na-oorlogse jaren toonden grote linguïstische aandacht voor het Papiamento, met name om de spelling (eindelijk) eens definitief te regelen.[4] Politie, vakbonden, nutsbedrijven en ambtenarij gingen steeds meer tot het gebruik van de eigen taal over. In de politiek evolueerde het Papiamento van campagne- tot officiële vergadertaal. Al in 1951 was de mogelijkheid geopend om in de vergaderingen van de Eilandsraad het woord te voeren in de ‘Nederlandse of de Papiamentse taal’, op 25 maart 1958 werd deze taal voor het eerst gebruikt. (Smeulders 1987: 93). De Statenvergaderingen zouden pas in de jaren zestig dit voorbeeld volgen. Het betekende een kans voor de Antilliaanse volks-politicus die het Nederlands minder goed beheerste, het betekende ook dat de Nederlandse ‘macamba’ die geen Papiamento verstond voortaan buiten het politieke gebeuren kwam te staan. De jaren vijftig werden helaas ook de tijd van de automatisering in de raffinaderijen die de zo gevreesde massale ‘lay off’ tot gevolg had, op Aruba en Curaçao. De

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

toeristenindustrie was nog niet zo ver dat ze de klappen kon opvangen. Van hoog tot laag werden talrijke buitenlandse werknemers ontslagen, waarna deze naar hun (ei)land van herkomst remigreerden. Het Nederlandse en Amerikaanse element verzwakten sterk, het Antilliaanse sloot de gelederen nog hechter, met het Papiamento als symbool. In deze tijd begon Nilda Jesurun Pinto haar verzameling Compa Nanzi verhalen aan te leggen; we zien een (her)opleving van de aandacht voor

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

188 de oratuur. Met de ‘democratiseringsgedachte’ hing de aandacht voor een Papiamentse kinderliteratuur samen. De nieuwe weinig rooskleurige economische vooruitzichten noodzaakten tot culturele heroriëntatie. Het Papiamento zou er zeer versterkt uit te voorschijn komen. Cola Debrot zou met de Antilliaanse Cahiers in de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste van de jaren zestig een veelzijdig compromis tot stand proberen te brengen. Op het gebied van het taalgebruik, betekende zijn tijdschrift uiteindelijk een sterke Nederlandstalige stimulans. Auteurs als Tip Marugg en Frank Martinus Arion debuteerden in dit tijdschrift, dat het contact tussen Nederland, de Antillen en het Caraïbisch gebied in wijder verband tot stand wilde brengen. Naast dit ‘gecanoniseerde’ tijdschrift presenteerden zich in deze tijd ook eenvoudige bladen als Antilliana en Wij in de Antillen in het Nederlands en een aantal zeer populaire humoristische Papiamentstalige tijdschriften, waarvan Oscar van Kampens Lorito Real wel het bekendst werd. Deze laatste werden geheel buiten het officiële circuit van boekhandel en bibliotheek om gedistribueerd. Op ditzelfde moment bloeide er een alternatief circuit van populaire Papiamentstalige romans, die in eigen beheer op slecht papier, maar in grote oplage in wekelijkse afleveringen aan de man (en vooral aan de vrouw) werden gebracht. Enkele ervan zouden later in de literaire overzichten genoemd worden. Amador Nita speelde hierin met zijn uitgeverij Editorial ‘Emile’ en een eigen distributienet een belangrijke rol. De kranten, de communicatiemedia als radio (en t.v.) en de politiek lieten duidelijk zien hoe in de loop van de jaren zestig het Papiamento steeds meer doordrong in alle sectoren van het openbare leven, daarbij het Nederlands dat tot dan toe decennia lang was gepropageerd meer en meer verdringend. Uitzondering op deze ‘papiamentisering’ leek het onderwijs, maar ook daar trad een belangrijke verschuiving op toen de Nederlandse soeurs, frères en leken plaats maakten voor in steeds groter aantallen teruggekeerde Antilliaanse bursalen of op de Antillen zelf opgeleide onderwijsmensen. Het gebruik van het Nederlands, dat zowel voor de leerkracht als de leerling een niet-eigen taal was, creëerde in de lessituatie een vervreemdende sfeer. De leerling die nu niet meer geconfronteerd werd met een leerkracht die geen Papiamento verstond, ging buiten de les steeds meer tot het gebruik van de eigen taal over. Dat was met name in het lager onderwijs het geval, in het voortgezet onderwijs bleven relatief veel buitenlanders werkzaam. Dat trad eind jaren zestig dan ook volgzaam in het voetspoor van de Nederlandse mammoet. Het toenemend taalbewustzijn ging hand in hand met een politiek-kritische opstelling, verwoord in tijdschriften als Vitó en Kambio. De Antilliaanse student in Nederland ging zich meer en meer kritisch met het thuisfront bemoeien. ‘Dertig mei 1969’ was een misschien wel onverwachte, maar zeker achteraf geen onvoorspelbare gebeurtenis. Op 30 mei 1969 culmineerde als een ongewenste eruptie wat al een heel decennium in literair opzicht te zien was geweest. Voor het Papiamento betekende ‘Dertig mei 1969’ de definitieve emancipatie. Het laat negentiende eeuwse Spaans had haar renaissance niet mogen beleven; het Nederlands bleek niet meer dan een dun vernis. Het eigen Papiamento, zo lang verguisd maar niet minder verdedigd, bestond sedert ‘Dertig mei 1969’ als een vanzelfsprekende zaak.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Op de Bovenwinden hoefde een dergelijke taalstrijd niet gevoerd te worden. Het Engels handhaafde zijn sterke positie moeiteloos, al werd ook daar het Nederlands in het onderwijs steeds verder doorgevoerd. De jaren veertig tot en met zestig zouden chronologisch in vier golven kunnen worden onderverdeeld, in elk waarvan zowel het Nederlands als het Papiamento een belangrijke rol speelden:

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

189 de Tweede Wereldoorlog, de jaren erna tot het begin van de jaren vijftig, de tweede helft van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig, de tweede helft van de jaren zestig uitlopend op de ‘dertig mei beweging’. Samenvattend valt er een zevenvoudige Papiamentisering en Antillianisering te constateren, die parallelle ontwikkelingen te zien gaf. De taalvoorkeur verschoof in deze decennia steeds meer van Nederlands naar Papiamento. De organisatie van het literaire leven dat aanvankelijk voornamelijk door buitenlanders en passanten werd verzorgd, gaf een verschuiving van initiatief en uitvoering naar de eigen mensen toe te zien. Er voltrok zich een ontwikkeling van Nederlandstalige elite-tijdschriften naar de Papiamento-novelas en poëzie-bundels van de Julio Perrenal beweging, die in heel andere kringen gelezen werden; een ontwikkeling van het Nederlandse ‘De West concept’ en de organisatie van de Sticusa naar de plaatselijke ‘zuster-organisaties’ en hun zelfwerkzaamheid; van op het Nederlands gerichte boekenweken naar literaire prijsvragen die vooral Papiamentstalig werk opleverden; van de officiële literatuur die in de periodiek aanwezige, gecanoniseerde tijdschriften werd opgenomen naar het populaire en constant aanwezige alternatieve literaire circuit; van de verzameling van oratuur door buitenlanders, naar de bestudering ervan door de eigen mensen en met Papiamento als belangrijkste gebruikstaal, waarnaast de auratuur zich via de literaire vereniging, de podiumkunsten maar vooral de radio ontplooide; een ontwikkeling van passantentoneel naar eigen spelers, van de invloed van Nederlandse naar Antilliaanse regisseurs, van het aansluiten bij een internationaal repertoire naar Papiamentstalige adaptaties en origineel werk; van sterk door het Nederlands beïnvloede collectievorming in de door Nederlanders geleide openbare bibliotheken naar de Papiamentstalige activiteiten die samengingen met een geantillianiseerde personele samenstelling.

Eindnoten: [1] J. Hartog: ‘Antilla in brand’ (WIG XXVII, 1945: 193-256); J. Hartog: ‘West-Indië in de oorlog’ (Onderdrukking en verzet IV: 588-602) [2] Deze Antilliaanse tijdschriften stonden niet op zich, want ook in Nederlands-Indië ontstond november 1940 tot januari 1942 De Fakkel [zie L. Dolk: ‘Een uitgeweken Gids in Indië. Literaire aspecten van het tijdschrift De Fakkel (nov. 1940- jan. 1942), in Peter van Zonneveld: Indisch-Nederlandse literatuur. Utrecht: HES 1988: 243-277], Band in Belgisch Congo [van januari 1942 tot mei 1960 zie Frank Joostens: Schaven aan de zwarte ziel. Antwerpen: Restant 1991], in Londen verscheen het blad Vrij Nederland, in New York The Knickerbocker, in Melbourne Oranje en in Pretoria de Nederlandsche boekerij. Wel kunnen we zeggen dat Curaçao met niet minder dan drie bladen goed vertegenwoordigd was. [3] Cola Debrot 1945; B.J.O. Schrieke (red.) 1947; C.H.J. Engels 1948; Cola Debrot 1949; J. Hartog 1950; M. Möhlmann 1951. [4] Onder meer een woordenlijst van J.P. Jansen (1945-1947); Jesurun Pinto: Nos dushi Papiamento (1947); A.J. Maduro: A little guide English-Papiamentu-Netherlands (1949); Gouverneur Kasteel benoemde in 1948 een spellingcommissie die niets presteerde; A.J. Maduro: Ensayo pa yega na un ortografia uniforme pa nos Papiamentu (1953); L.H. Daal e.a.: Raport final (1961)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

190

6.2. Publiceren in oorlogstijd Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, zagen Curaçaose kringen die het contact met Nederland node misten en bang waren dat het streven naar ‘holandisashon’ dat in de voorgaande decennia zo krachtig bevorderd was, verloren zou gaan, het oprichten van een tijdschrift als middel bij uitstek om dat te voorkomen. Dat ze daarbij specifiek de Nederlandse taal kozen, kwam voort uit het idee dat die taal het cultuur-ideaal vertegenwoordigde in een nog vrij deeltje van het vaderland. De Stoep, Neerlandia en Lux waren op Nederland gericht in dubbele betekenis: het gevoel van verbondenheid met het land én de taal. De Antilliaanse pers was aan het begin van de oorlog aan een lichte vorm van censuur onderworpen.[5] Wat Bonaire en de Bovenwinden betreft, valt er niet veel te melden want daar verscheen (op dat moment) nauwelijks iets. Alleen Sint-Maarten zou nog tot de tweede helft van 1942 zijn Bovenwindsche stemmen hebben; toen moest ook dat gestencilde blaadje wegens materiaalgebrek de verschijning staken. Aruba bezat naast het sinds 1938 verschijnende Engelstalige dagblad Aruba Post, niet meer dan enkele bedrijfs- en verenigingsbladen en enkele kerkelijke blaadjes, geen tijdschriften van enige culturele betekenis. De talen waarin gepubliceerd werd, waren Engels, Nederlands en Papiamento. (Hartog 1944: 81) Op het hoofdeiland Curaçao lagen de zaken wat ingewikkelder. Het net voor de oorlog gestarte weekblad Curaçao[6] bleef regelmatig verschijnen, er waren de Nederlandstalige Amigoe en Beurs- en Nieuwberichten, La Prensa verscheen in het Spaans met soms een Nederlandse bijdrage en in de loop van de oorlog ten behoeve van de militairen een Engelse pagina, La Cruz en La Union verschenen al tientallen jaren in het Papiamento. De bestaande bladen handhaafden zich, en er kwamen veel nieuwe bij. Gedurende de oorlog domineerde de Nederlandse taal sterk. Uit Hartog (1944) valt te destilleren dat er tijdens de oorlog meer dan vijftig nieuwe bladen werden opgericht, waarvan zo'n drie-kwart in het Nederlands, slechts vijf in het Papiamento, drie tweetalig Nederlands-Papiamento, één zelfs drietalig Nederlands - Papiamento - Spaans, en tenslotte vier in het Engels. Deze bladen besloegen allerlei terreinen van het sociale, culturele en verenigingsleven; kennelijk was het overal gebruikelijk geworden het Nederlands in geschrifte te hanteren. Dat waren nieuwsen contactbladen met een beperkte verspreiding onder de leden, een type publikatie dat in de loop van de jaren dertig opgekomen was, zoals we eerder constateerden. Wat De Stoep, Neerlandia en Lux voorstonden, vormde een meer cultureel-literair ideaal: een vervanging van de Nederlandse tijdschriften die door de oorlogssituatie niet meer geïmporteerd konden worden. Dat roept natuurlijk de vraag op welke tijdschriften er voor de oorlog dan wèl kwamen, wat moeilijk na te gaan is omdat advertenties dienaangaande in de kranten ontbraken. Waarschijnlijk valt er te denken aan zowel culturele als ontspanningsbladen, aan het Nederlandse Neerlandia evenzeer als aan de Katholieke Illustratie. Tijdens de oorlogsjaren verwierven de Nederlandstalige tijdschriften welhaast een monopoliepositie. Het sinds augustus 1944 verschijnend Papiamentstalig Gydelcra [mw. Gysberta Delanoy-Cras], ‘revista social y deportivo’, het enige blad dat poëzie in het Papiamento wilde brengen, was slechts een kleine muis tegenover deze olifanten.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Dat deze Nederlandstalige tijdschriften (overigens niet in gelijke mate) een katalysatorfunctie hadden, is evenwel belangrijker. Door deze tijdschriften kwamen een aantal Antilliaanse auteurs tot eerste (en soms enige) publikatie. Het blijvend gevolg van met name De Stoep is een zich sinds dit tijdschrift gestadig ontwikkelende Nederlands-Antilliaanse literatuur geweest. Zonder De Stoep had Curaçao misschien nooit van een dichter Charles Corsen geweten. Zijn zuster Oda Blinder debuteerde eveneens in dit tijdschrift en had later een attente familie, die

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

191 haar nagelaten gedichten bezorgde, die ze zonder Luc Tournier nergens anders had weten onder te brengen. Tip Maruggs eerste poëzie verscheen in De Stoep, Pierre Lauffer en René de Rooy vonden er onderdak. Deze katalysator-functie zouden ook latere tijdschriften steeds weer hebben. Van de drie oorlogsbladen was De Stoep verrreweg de belangrijkste. Het Antilliaanse Neerlandia dat het gelijknamige blad uit het moederland in de hele westerse vrije wereld wilde vervangen, bleef toch vooral een verenigingsblad voor haar Antilliaanse leden, Lux was ondanks de algemeen culturele inhoud, in de eerste plaats een blad vanuit de interesse voor R.K. aangelegenheden. Alleen De Stoep was echt literair, een verschijnsel dat Curaçao sinds het verschijnen van Notas y Letras aan het einde van de negentiende eeuw niet meer in die vorm en mate gekend had.

De Stoep, van Nederlands naar Curaçaos periodiek ‘Nu de bodem van ons vaderland wordt betrapt door de laarzen van de ressentiment-maniakken’ (de retoriek is van de redacteur), besloot de sinds 1936 op Curaçao wonende, in Rotterdam geboren arts Ch.J.H. Engels (ps. Luc Tournier) op het (valse) bericht dat Ter Braak, Du Perron en Marsman vermoord waren, als daad van protest een tijdschrift te beginnen. Tournier was in zijn Nederlandse tijd incidenteel medewerker aan het blad voor jong-katholieken De Gemeenschap geweest en had al een dichtbundeltje op zijn naam staan. Sinds hij op Curaçao woonde, had hij zijn literaire activiteiten gestaakt, omdat hij die niet bij het beroep van arts vond passen. Maar nu nam hij de pen weer op. Hij bedacht een titel en maakte een inleiding gereed. Daarna belde hij de sinds 1937 op het eiland wonende Nederlandse journalist Frits van der Molen en vroeg hem mee te doen. Zo werd, volgens Engels, een nieuw ‘Nederlands Periodiek’ geboren, dat door ‘macambas’ geleid, het meer dan tien jaar, zij het somtijds moeizaam, zou volhouden.[7] Na het vertrek van Frits van der Molen naar New York in 1942, werkte de in Nederland geboren Beurs- en Nieuwsberichten-man H. de Wit als redacteur mee, maar het kan veilig beweerd worden dat Chris Engels zelf en zijn vrouw Lucila Boskaljon het leeuwedeel van het werk op zich genomen hebben. Bovendien droeg dokter Engels persoonlijk de kosten, die vele keren meer bedroegen dan de baten. Luc Tournier had al in Nederland gepubliceerd bij De Gemeenschap. In zijn tweede vaderland zou hij zich tot een groot organisator op cultureel gebied ontwikkelen. Hij was getrouwd met de Curaçaose kunstenares Lucilla Boskaljon. In 1939 richtte hij het Curaçaos Genootschap der Wetenschappen op, in 1945 de Vereniging Het Curaçaos Museum, dat in 1948 geopend werd. In 1949 werd dokter Engels zelfs nog kabinetsformateur. Zijn activiteiten waren kenmerkend voor de fase waarin het culturele leven zich tijdens en na de oorlog bevond. Met de komst van Cola Debrot in 1948 zou de cruciale rol van de passant door de autochtoon worden overgenomen. Frits van der Molen (1908-1984) was waarnemend griffier in Alkmaar geweest. Hij ontvluchtte in 1937 het steeds verder Nazificerende Europese klimaat. Op Curaçao werd hij bij Maduro secretaris van zeven consulaten. In 1942 vertrok hij naar New York. H. de Wit (*Oudshoorn 1910) was van 1943-1946 hoofdredacteur van de Beurs- en Nieuwsberichten. Daarna was hij verbonden aan het Commissariaat van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de voorlichting van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen. Hij publiceerde verhalen, gedichten, essays en vooral recensies. Aan De Stoep (1940-1951) werkten uiteindelijk drie groepen van medewerkers mee, die chronologisch gezien tevens drie fasen van het tijdschrift weergaven. Het tijdschrift was aanvankelijk bedoeld voor ‘rondzwervende Nederlandse schrijvers in de diaspora’ voor wie door

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

192 de oorlogssituatie Nederland als land van publicatie-mogelijkheid was afgesloten. Maar al gauw dienden zich een aantal ‘uit de inspiratie oprijzende op Curaçao verblijvende of kort vertoevende krachten, waarvan er meer bleken te zijn dan ooit gehoopt’ aan als tweede groep. De laatste fase kwam pas aan het einde van de oorlog en met name daarná, toen de eerste groep auteurs weer ‘regulier’ in Nederland terecht kon; ze werd gevormd door jonge Curaçaoenaars. Zo werd het ‘Nederlands’ periodiek steeds minder Nederlands en steeds meer Antilliaans, wat zich niet alleen in de inhoud, die evolueerde van heimwee- naar identiteitsliteratuur, maar ook in de gebruikte talen manifesteerde, toen naast het steeds sterk dominerende Nederlands ook Papiamento een (zij het heel klein) plaatsje kreeg, en ook Engels, Spaans en zelfs Frans. Van De Stoep verschenen van september 1940 tot mei 1951 op zeer onregelmatige tijden drie series, waarvan de eerste twee elk tien nummers, de derde en laatste nog zes nummers telde. Zo duurde het bijna drie jaar voor de eerste jaargang voltooid was en nam de tweede ‘jaargang’ wel vijf jaar in beslag. In totaal verschenen er dus gemiddeld twee nummers per kalenderjaar, met een gemiddelde van zo'n honderd pagina's jaarlijks. De prachtige lay-out (iets bijzonders in oorlogs- en papierschaarste-tijd) stond in schril contrast tot de povere verkoopresultaten. Was het aanvankelijk niet mogelijk een abonnement te nemen, later wèl, maar Hartog (1949) meldde het aantal van negen abonnees! ‘Ik liet op voorstel van Frits vijfhonderd exemplaren per nummer noteren, en daar verkocht Frits er wel eens tien van. Alleen het dubbelnummer “Poëzie uit de diaspora” met uit Nederland en België gesmokkelde verzen, ingeleid door Marnix Gijsen, raakte uitverkocht. (...) De drukkerij haalde na de oorlog de tweede prijs voor tijdschriftdruk in Europa; zo goed hadden Lucilla en ik, corrigerend in de nacht, haar hand vastgehouden en telkens een ander uiterlijk en andere letters gekozen terwille van de vrijheid.’ (Tournier 1977: 33-34) Wie de lange lijst van meer dan honderddertig medewerkers ziet, zou op het eerste oog concluderen dat een geweldig groot aantal personen regelmatig bij de twee redacteurs op de stoep stonden om er hun bijdragen af te leveren, maar dat viel tegen. Meer dan twee-derde deel werkte maar aan één nummer mee, en dan nog eens 33 maar twee tot vier keer. In feite waren er dus nog geen tien ‘regelmatige’ medewerkers, en die dan nog weer gedurende een veelal slechts korte periode: in het begin bijvoorbeeld, of alleen maar later. Onder die geregelde medewerkers was maar één Nederlander die geheel buiten de Antilliaanse samenleving stond: Jan Greshoff, de overigen waren ongeveer gelijk verdeeld over passanten (M. de Bruin, W. van Nuland, F. van der Molen, H. de Wit en Luc Tournier zelf die verreweg het meest bijdroeg) en Curaçaoenaars als Oda Blinder, Charles Corsen, Cola Debrot, Tip Marugg en Pierre Lauffer. Tournier beroemde zich erop dat zijn tijdschrift ‘experimenteel’ was. Hij zocht aansluiting bij het internationale literaire gebeuren. Dat kenmerkte ook de bijdragen van de door hem geïntroduceerde Curaçaose medewerkers. Chris Engels, die huisarts van de familie Corsen was, ontdekte de ‘non van de erotiek’ [zijn aanduiding voor de onder het pseudoniem Oda Blinder publicerende Yolanda], maakte haar werk publicabel door kleine veranderingen erin aan te brengen en gaf haar het pseudoniem dat de ouders jarenlang in staat stelde te doen alsof ze van niets wisten: op die wjze werd zij het eerste landskind dat ook in eigen land aan

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de literatuur van de twintigste eeuw deelnam. (Engels & Van de Walle 1990) Deze ‘pasionaria de la escalinata’ (deze aanduiding is van Nicolas Piña) doorbrak een aantal taboes door erotische poëzie vol onvervuld verlangen te publiceren, waar zij als vrouw in eigen kring niet eens geacht werd over te praten. Frank Martinus (1958) herkende in haar werk een gedreven dichterspersoonlijkheid die schreef uit roeping - waar dichten tot nu toe in het algemeen een gelegenheidszaak was. Haar werk viel de contemporaine critici nauwelijks op; ze kreeg pas later, toen haar bundels verschenen en haar verzamelde gedichten, de zo verdiende aandacht.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

193 De ‘dunste schaduw van het eiland’ - Tip Marugg - debuteerde, zonder nog door redacteur Engels gezien te zijn, in het na-oorlogse De Stoep van december 1945 met het gedicht ‘Bezoek’, waarna hij, tot het tijdschrift in mei 1951 ophield te bestaan, nog negentien gedichten zou bijdragen. Ongetwijfeld heeft hij meer gedichten aan redacteur Engels aangeboden, maar die keurde niet alles van deze ‘nacht, eenzaamheid en dood’ evocerende gedichten geschikt voor opname. Na zijn Stoep-gedichten zou Marugg niet veel Nederlandstalige poëzie meer publiceren. De gedichten vielen de recensenten niet speciaal op. Over het debuut schreef Amigoe (29 XII 45) als ‘een vreemd gedicht dat qua taal wel sterk is’, de B/N (8 X 46) vond Maruggs gedichten ‘oorspronkelijk’. Gedichten als ‘Op de glijbaan’ en ‘Rappe grauwe vlinders’ werden in de krant overgenomen, het laatste als illustratie van ‘de tweeslachtigheid en strijd van het tropenkind dat onder invloed van de westerse beschaving komt’. (B/N 29 IX 50) Pas later zou men van deze Nederlandstalige poëzie benadrukken dat ze ontoegankelijker was dan de in Simadán en elders gepubliceerde maar schaarse Papiamentse gedichten van dezelfde schrijver. ‘Ik presenteer U met onverholen genoegen een Curaçaose jongeling, een dichter, die toch zeker op het bezit van een pikante verbeelding zich beroepen mag,’ schreef Chris Engels, toen hij in 1948 eigenlijk zijn tijdschrift wilde beëindigen, maar plotseling de gedichten van Charles Corsen op de proppen kwamen, die hem deden besluiten door te gaan. (De Stoep II-10: 23) Charles Corsen (*1927) kan beschouwd worden als een echte Stoep-dichter, want hij publiceerde daar in korte tijd (1948-1951) een groot aantal gedichten, die hij naar eigen zeggen echter al op zestien-, zeventienjarige leeftijd geschreven had en in een schoenendoos bewaarde. Huisarts Engels ontdekte ze, en hoewel hij ze als puberteitsgedichten karakteriseerde, publiceerde hij ze in zijn tijdschrift. Toen Engels het in 1951 met zijn tijdschrift eindelijk voor gezien zou houden, publiceerde Corsen nauwelijks meer; hij schreef nog wel, maar pas na zijn dood zou dat werk het licht mogen zien. Corsen gaf als oorzaak van het niet meer publiceren het kritischer worden op hoger leeftijd en het ontbreken van een klankbord van gelijkgestemde vrienden. (Amigoe 19 V 78) Corsens Stoep-publicaties kregen veel contemporaine aandacht, meer dan die van zijn dichtende zuster Oda Blinder en Tip Marugg samen. Ze werden uitgebreid geprezen of gelaakt, nooit genegeerd. Heel vaak werden enkele voorbeelden in een recensie geciteerd. De reacties wezen steevast op de onbegrijpelijkheid, maar besteedden ook aandacht aan de (taal)vorm en thematische inhoud. Bij de lacherige reacties op elk nieuw Stoep-nummer moest Corsen het door middel van pastiches en persiflages nogal eens ontgelden. In de Amigoe (25 X 48) schreef een onbekende recensent dat deze dichter zijn wezen op geheel eigen wijze wist uit te zingen; de gedichten vond hij weliswaar moeilijk te verstaan: ‘die naar het spoor van de dichter blijft zoeken, wordt tenslotte een schoonheid geopenbaard, die treft door aanvoeling en zegging. Deze zegging dreigt echter zich soms in het duister te verliezen.’ Het weekblad Curaçao (31 XII 48) trachtte het gedicht ‘Maanziek’ via een persiflage geheel belachelijk te maken. Spotvogel Lorito Real kwam ook met pastiches van Corsens gedichten. Het in een afzonderlijke Stoep-uitgave gepubliceerde ‘Con sordino’ werd door La Prensa (5 X 49) als een hoogtepunt geprezen wegens zijn originele beeldspraak, de weg die de dichter moedig wist te banen naar een nieuwe werkelijkheid van ‘heerlijke individuele vereenzaming’, of misschien juist wel een poging om aan die vereenzaming te ontkomen. De criticus noemde de jonge dichter

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

scherpzinnig, blijk gevende van tere vervoering en ‘ontegenzeggelijk met 'n vreemde originele distinctie’. Deze kritische aandacht was niet alleen uitvoerig maar klonk positief. Maar de Amigoe (27 I 50) sprak van ‘gewilde bizarheid’ en ergerde zich aan de beeldspraak, toen ze aan de persiflage in Curaçao refererend schreef: ‘Loop de stoep eens af, recht in een Curaçaose maannacht, maar vermijd de knekelvelden, die voor jouw poëzie even fataal gevaar vormen als een mijnenveld voor een soldaat.’

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

194 De W.I.G. (XXX, 1949: 88) was het met de Amigoe eens en voegde eraan toe: ‘Ik geloof niet, dat het schande is, als men bekent, dat er in De Stoep gedichten voorkomen, die men niet begrijpt. Zou het teveel gevraagd zijn een dichter te verzoeken tevens mee te delen wat hij met een gedicht heeft willen zeggen?’ Dit soort reacties bewijst de onmacht van de criticus tegenover de tot dan toe onbekende wijze van dichten, waarover de dichter zelf later zou opmerken: ‘Dichten is feitelijk code. Er is geen zinnig mens die zich wil bloot geven (...) In de kunst geef je uiteindelijk geen werkelijkheid; je begint er wel mee, maar al tijdens het maken gaat het werk een eigen kant op (...) Ik voel me geen Curaçaose dichter. Ik voel me dichter, punt. De rest is een toevalligheid (...) Ik maak een gedicht waarschijnlijk met associaties van woorden. Er komt een bepaald woord bij me op, of een bepaald gevoel dat bepaalde woorden omvat, daar bouw je het gedicht omheen. En dan schrijf je dat ding neer. Daarna lees je het nog een paar keer over (...) Dan ga je er een beetje aan schaven (...) Meestal komt er ook niet één gedicht, maar een paar gedichten samen (...) een cyclus (...)’ (Amigoe 19, 27 V 78) De redactie-leden vulden zelf met ruim veertig bijdragen ongeveer een-zevende deel van alle nummers. Dit geeft het relatieve belang als Nederlands ‘exil-tijdschrift’ en de veel belangrijker functie van De Stoep als passantenblad en kweekplaats van eigen literatuur getalsmatig goed weer.[8] De oplage van vijfhonderd probeerde men te verspreiden via diverse verkoopadressen, ook op Aruba. Ze ging niet alleen naar de Antillen, maar naar al die landen waar Nederlanders woonden: Indonesië, Zuid-Afrika, Australië. Het was wat de geografische ruimte betreft een Nederlandstalig wereldtijdschrift. Na de oorlog nam Meulenhoff de distributie op zich, misschien zelfs de exploitatie. Meulenhoff benadrukte in zijn aankondiging het aandeel in de Nederlandse medewerking en het aantal Nederlandse medewerkers (te) sterk - voor de verkoop? Eerst werd het blad alleen los verspreid voor Fl 1,50 per nummer, later kon men zich ook abonneren à raison van acht gulden voor een serie van zes nummers. Van 1944-1950 kreeg De Stoep een jaarlijkse subsidie van zeshonderd gulden, wat omgerekend op een totaal van Fl 4200,- oftewel op driehonderd gulden per uitgebracht nummer kwam. (Snetselaar 1990: 42-46) Na het verschijnen van Simadán, een blad dat ‘proza en poëzie van eigen bodem’ bevatte, werd de subsidie beëindigd. Zowel de statenleden-politici als een onder pseudoniem schrijvend ingezonden-gedichten-schrijver ‘Valentine’ ervoeren de bijdragen aan De Stoep kennelijk als ‘vreemde letteren’: ‘Maar subsidie voor dat stoepje / ziet men liever doorgehaald, / Daar cultuur van vreemde letteren / Niet met landsgeld wordt betaald!’ (B/N 11 XI 44) Was de verkoop gering, het blad trok vanaf het begin sterke aandacht op het eiland. Het eerste nummer kreeg volgens contemporaine bronnen zeker geen algemeen gunstig onthaal. Dat werd niet in de eerste plaats veroorzaakt door het gebruik van de Nederlandse taal (die was immers in die tijd vrij algemeen als geschreven medium aanvaard) maar door het ‘gewild’ (in twee betekenissen) bij internationale stromingen aansluitend experimentele karakter van vele bijdragen, met name die van redacteur Luc Tournier zelf. Hij werd het kritisch epicentrum. Recensies spraken van spot en flauwe aardigheden, zotteklap en nare flauwiteiten die regelmatig over het tijdschrift verspreid werden. Neerlandia (2: 3) sprak van talrijke ingezonden stukken in de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

plaatselijke pers, vol lof en kritiek; Curaçao (21 XII 40) sprak van belachelijk maken van het tijdschrift op een ‘dilettanten-cabaret’, een uiting van ‘isla-smaak’. Hoe het ook zij, belangrijker dan de scherpte van de kritiek was het verschijnsel literaire kritiek zèlf op dat moment. Want met het verschijnen van De Stoep ontstond er een recensietraditie - de onregelmatig verschijnende nummers werden veelal uitgebreid besproken in voornamelijk Amigoe, B/N, Curaçao, La Prensa en Neerlandia - en dat was een volkomen nieuw verschijnsel. (Broek/Snetselaar 1993) Tot nu toe was het namelijk gebruikelijk geweest alleen toneelopvoeringen te recenseren, en proza en poëzie slechts kort aan te kondigen en aan te

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

195 bevelen als de redactie een present-exemplaar ontving. De drie bladen bespraken de verschenen nummers welwillend-kritisch, met aandacht voorzover het eigen streven erin teruggevonden werd. In de recensies besteedden de (nog wel) anonieme critici aandacht aan de proza- en poëziebijdragen, aan de plaats van het tijdschrift binnen de eigen literaire opvattingen, aan de Curaçaose literaire traditie en de verhouding van het tijdschrift ten opzichte van de Nederlandse literatuur. Naarmate De Stoep voortging te verschijnen, pleitte men ervoor dat het tijdschrift zich meer op het eigene zou richten, zowel wat auteurs als de thema's betreft. De waardering voor de proza-bijdragen was over het algemeen groter dan die voor de poëzie, met name de verhalen van W. van Nuland scoorden hoog. Terloops laten de recensies het verschil in opvatting zien over wat proza en wat poëzie is. Prozaschrijven zag men als een aparte kunst, een kunst wellicht, die eerder de beeldende kunst, het schilderij nadert, terwijl de poëzie, zelfs in De Stoep, dichter staat bij de muziek. (Curaçao 3 I 42) Ieder blad recenseerde het tijdschrift op eigen wijze. Geleidelijk ontstond in deze receptie een idee van een zekere scheiding naar niveau in de literatuur; een scheiding die tot dan toe nauwelijks gehanteerd was. De bladen waren het erover eens dat er nogal wat bijdragen waren van personen die eerder dichterlijke naturen dan echte dichters waren, dat er wel wat gemakkelijk tegen de journalistiek werd aangeleund in plaats van diepte en rijping te tonen. Wat meer zelfkritiek zou nuttig zijn. De bladen waardeerden over het algemeen het traditionele meer dan het experimentele, vooral de gedichten van Luc Tournier zelf moesten het, zoals gezegd, ontgelden. Het blad werd voor de Amigoe-recensent aanleiding zich uitgebreid over zijn Rooms-Katholieke opvattingen over literatuur uit te spreken: ‘Taal en letterkunde toch zijn één. En taal is wisselwerking. Taal is inwerking van mens op mens. Wanneer die wederzijdse inwerking - al is het maar van één zijde - een graad van volheid en diepte en spontane duidelijkheid bereikt, dan is deze taal: letterkunde, poëzie. En de mens, die aan deze gewaarwording vorm kan geven, is dichter. Een dichter is een schepper. Het Credo der Kerk is oorspronkelijk in het Grieks geschreven en daar staat in het eerste geloofsartikel, dat wij geloven in God, den almachtigen Poëet van hemel en aarde. Het scheppen met de taal benadert - al blijft de afstand volkomen het dichtst het werk van den Schepper. Hóóg is daarom de roeping van den Schepper. Hóóg is daarom de roeping van den dichter, die met zulk een machtige titel zich noemt. Vierkant staat deze hoge dichterroeping tegenover het voze “kunst-om-kunst” principe uit een vervlogen liberalistisch hol tijdperk, waarin letterkunde schier werd tot klinkend koperen instrumenten en luid kletterende bekkens. Het ligt voor de hand, dat zulke dichters eenlingen zijn en blijven. Er heerst een grenzenloze verwarring van begrip tussen twee klassen mensen: dichters en dichterlijke mensen. De eerste is waarlijk poëet en schept van klank een stijlvolle vorm, die gedicht wordt. De tweede kan in vele gevallen zeker even diep gevoelen als de eerste, doch hij mist dat vormgevend talent om een vaste vorm aan de klankenmengeling te geven. Hij kan slechts lijdelijk ondergaan, wat de andere actief opbouwt.’ (Amigoe 14 XII 40) Ontstond er gelijk opgaand met het verschijnen van De Stoep een Antilliaanse literatuurkritiek, het eigen karakter daarvan bleek al snel doordat zich een tweedeling ging aftekenen in waardering. Wilde de Antilliaanse kritiek meer werk van Antillianen zèlf, de niet Antillianen legden de nadruk op de Nederlandse bijdragen die veel hoger werden aangeslagen - een verschil van optiek die tot tegengestelde waarde-oordelen leidde.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Diverse Antilliaanse critici lieten zich door het blad verleiden tot een plaatsing van deze Curaçaose letteren binnen de eigen ontwikkeling, waarbij met name aan Notas y Letras gedacht werd. Iemand constateerde overeenstemming met de Nederlandse letterkunde van anno 1920: een overeenkomst met expressionisme en experimentele poëzie dus. Curaçao en Neerlandia oordeelden over de invloed van de Nederlandse literatuur op Curaçao in de afgelopen decennia.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

196 Curacao constateerde: ‘De invloed van het Nederlandsche letterkundige leven is op Curaçao de laatste jaren niet groot geweest. Wat werd hier gelezen? Daaromtrent een oordeel uit te spreken is zeer moeilijk, daar men particuliere bibliotheken in het algemeen niet kent. Informaties bij bestaande boekhandels ingewonnen, reeds jaren geleden, gaven niet bepaald een hooge dunk van de belangstelling, die voor het Nederlandsche boek gekoesterd werd, terwijl eveneens de boekenuitleenerij op onze eenige openbare bibliotheek, voor zoover wij weten, niet wijst op een bijzondere waardeering van eigentijdsche Nederlandsche letterkunde. En om velerlei redenen achten we het geen wonder, dat Slauerhoff, Marsman, Ter Braak, Du Perron, van Vriesland, Engelman, Vestdijk, Buning, en zelfs de veelschrijver Greshoff hier weinig of niet bekend waren. Modern Nederland was niet tot Curaçao doorgedrongen.’ (Curaçao 16 VIII 41) Neerlandia (IX 41: 11) schreef in een stuk dat zeker niet met het officiële A.N.V.-streven harmonieerde, dat ‘de neiging van die gebiedsdeelen tot eigen cultureele uitingen, althans in Europeeschen zin’ niet sterk was, ‘mede door de voortdurende infiltratie van werk uit het moederland.’ Maar die ‘infiltratie’ ging niet diep, want toen er geen Nederlandse literatuur meer binnenkwam ging men rustig over op boeken uit de Verenigde Staten, ‘hetgeen tot gevolg zal hebben, dat men zich meer en meer van de Nederlandsche letterkunde verwijdert.’ Neerlandia waardeerde het streven tot propaganda van het Nederlands, maar zag ook tekenen van een eigen ontwikkeling, van het ‘teere plantje van een langzaam uitbottende “eigen-landsche” cultuur’. Curaçao wees het volgens haar te sterke Nederlandse element af en waardeerde in het tijdschrift met name het streven naar geestelijke ontwaking. Dat de ontwikkeling van De Stoep van een blad voor Nederlanders, via een orgaan waarin voornamelijk passanten hun zegje konden doen, tot het bescheiden begin van deelname van eigen Antilliaanse auteurs al snel door de kritiek onderkend werd, blijkt hier wel. Curaçao en Neerlandia waren het erover eens dat er te veel op Curaçao verblijvende passanten in De Stoep schreven, wat niet meer dan goedbedoelde heimwee-literatuur opleverde of gedichten die te zeer naar Nederlandse smaak gemaakt werden. Impliciet pleitte Neerlandia hier merkwaardig genoeg dus voor de ontwikkeling van een eigen Antilliaanse letterkunde, naar we mogen aannemen in het Nederlands. Na alle ondergane invoed van buiten eindelijk een autochtone, creools-Nederlandse letterkunde! Waren Oda Blinder, Tip Marugg en Pierre Lauffer de voorlopers hierin, na de oorlog zou dat het eigenlijke recht van voortbestaan voor De Stoep blijken. De andere bladen bereikten dat stadium niet en hielden op te bestaan. De Stoep werd zo tot katalysator van een eigen literaire traditie die zich voor het eerst in het Nederlands uitte. In scherpe tegenstelling tot deze van de Antillen afkomstige kritiek stond die in het Melbournese emigranten-nieuwsblad voor Nederlanders in de Zuid-Pacific Oranje, dat alleen maar waardering voor de Europees-Nederlandse bijdragen kon opbrengen. Daar ontspon zich nog even een korte polemiek naar aanleiding van het dubbele poëzie-nummer aan het einde van de eerste serie. De recensent prees de traditionelen en wees de experimentele poëzie (met name van die van Leo Vroman) scherp af, waarbij hij het jammer vond dat er goed papier ten tijde van schaarste aan zoiets verspild werd. W.H. Jansen reageerde twee weken later door toe te geven dat de Nederlandse poëzie beter was dan die uit de diaspora, maar dat gaf Oranje (19 XI

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

43) niet het recht om de hele bloemlezing de grond in te boren, zeker niet in deze oorlogstijd. De redactie vatte haar standpunt als volgt samen: ‘Deze goede dichtkunst echter, die grootendeels uit bezet Nederland komt, werd door de redactie van “De Stoep” gebruikt als vlag ter dekking van de slechte Curaçaosche lading, welke met algeheel ontbreken van zelf-critiek door de samenstellers werd afgedrukt op duur papier.’ Ch.O. van der Plas bestreed dit standpunt nogmaals, wees erop dat De Stoep ‘het eenige blad was op Nederlandsch grondgebied, waarin Nederlandsche letterkunde vrij verschijnen kan’, maar belangrijker nog was het dat hij de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

197 mogelijkheid opperde van een creolisering van Nederlands-Antilliaanse literatuur door te veronderstellen dat ‘de dichtkunst van onze Curaçaosche Nederlanders stellig een andere nuance krijgt dan die van hen, die in Nederland bleven. Hoe sterk eigen is niet ten slotte de Zuid-Afrikaansche dichtkunst geworden’. Maar de redactie reageerde niet meer. In de eerste jaren na de oorlog kreeg elk nieuw nummer van De Stoep meestal welwillend-positieve aandacht, zowel op de Antillen als van daarbuiten. De kritiek richtte zich opnieuw op de onbegrijpelijkheid van veel bijdragen; daar werd dan ook nogal eens de draak mee gestoken. Die onbegrijpelijkheid schreef men vervolgens toe aan het surrealistische karakter van de poëzie, of men deed ze simpelweg af als aanstellerij. De op Curaçao wonende en schrijvende Neerlandicus B.v. G(revenbroek) vatte deze laatste zienswijze samen met ‘men kan geen tien jaar doorgaan met aanstellerij. Dan valt men door de mand. Tien jaar volhouden geeft recht op erkentelijkheid’. Zuiniger waardering kan nauwelijks. Hij zag invloed van Van Ostaijen en Bordewijk, maar ‘De Stoep is zichzelf en dat is zijn recht’. (Curaçao 18 XI 50) Belangrijker dan dit geschrijf over de onbegrijpelijkheid lijkt de aandacht die de critici vroegen voor de bijdragen van de eigen auteurs. Wat men in de oorlog aarzelend zag beginnen, zette na de oorlogsjaren sterk door. Men erkende dat er een nieuw literair fenomeen ontstond: serieuze Antilliaanse literatuur in het Nederlands, en daar legden de critici terecht de meeste nadruk op. In de jaren vijftig werd De Stoep beschouwd als initiator van een eigen Nederlands-Antilliaanse letterkunde: ‘Heeft De Stoep een eigen karakter? Stellig! Allereerst al, doordat in vele bijdragen, vooral van de Curaçaoënaars zelf, de Curaçaose levensgemeenschap en het Curaçaose landschap leven.’ (H. Godthelp: WIG XXXII, 1951: 92-99) Hij wees er vervolgens op dat De Stoep evolueerde van verzamelpunt voor alle schrijvers buiten Nederland tijdens de oorlog tot ‘een centrum van een op-bloeiend litterair leven op Curaçao zelf, met 't Nederlands als medium’. Dat eigen karakter benoemde Godthelp vervolgens door het tijdschrift te plaatsen op een kruispunt van enerzijds Spaans(-Amerikaanse), anderzijds Nederlandse invloeden: ‘Naar geest en stijl is het vitalistisch, vizioenair-expressionistisch, maar ook wel rauw- en existentialistisch-realistisch.’ Hij constateerde in de poëziebijdragen de overheersende ‘open vorm’ welke voorliefde volgens hem samenhing met de Spaans-Amerikaanse poëzie en met die van Garcia Lorca. ‘Ook is er naar geest en stijl verwantschap met Van Ostayen, Marsman, Hendrik de Vries, Vestdijk, Achterberg en Leo Vroman.’[9]

Het A.N.V. en een Antilliaans Neerlandia Was De Stoep als een zuiver literair tijdschrift bedoeld, het Antilliaanse Neerlandia (1940-1945) had in de eerste plaats het karakter van een verenigingsblad voor leden, waarin naast het ‘clubnieuws’ eveneens artikelen van meer algemene aard, maar wel voornamelijk over de specifieke doelstellingen van het Algemeen Nederlands Verbond een plaats vonden. De aanleiding voor het initiëren van een eigen Neerlandia was de omstandigheid dat de Groep Nederlandse Antillen dacht dat door de oorlog het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

algemene Neerlandia niet meer kon verschijnen, en het, toen de publicatie ervan wel door bleek te gaan, toch niet meer ontving, respectievelijk wilde ontvangen wegens de Nazi-controle op de inhoud ervan. Het eigen Neerlandia had als wel heel breed doel gekozen om ‘een verbinding te vormen tusschen de leden van het A.N.V. buiten de bezette gebieden; het wil trachten het zijne er toe bij te dragen om de saamhorigheidsgedachte tusschen de Nederlandsche gebiedsdeelen en om de Nederlandsche geest bij alle Hollanders, die nog in vrijheid leven, te versterken’. De initiatiefnemer-redacteur was de docent geschiedenis W. Meijer. Hij dacht met name aan de Nederlanders in alle delen van Amerika en het gebiedsdeel Nederlands-Indië. Het blad ging van

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

198 Curaçao uit, met medewerking van Aruba, op deze twee eilanden bezat de Groep Nederlandse Antillen dan ook haar krachtigste afdelingen; op Bonaire en de Bovenwinden sloeg de vereniging ook in oorlogstijd nauwelijks aan, een situatie die al vanaf de oprichting aan het begin van de eeuw het geval was geweest. Het blad was zoveel mogelijk een voortzetting van het oude Neerlandia, wat ook uit de lay out en inhoudelijke aanpak bleek, en uit het (opnieuw) samengaan met de Vereeniging Oost en West.[10] De Groep Nederlandse Antillen stond in oorlogstijd voor hetzelfde oorspronkelijke A.N.V.-ideaal. Nu de contacten met het moederland onmogelijk waren geworden, streefde ze het contact via de moedertaal na, de verbreiding van Nederlands taal en cultuur, en ze organiseerde dezelfde traditionele activiteiten om dat ideaal gestalte te geven. Belangrijk waren de jaarlijkse Neerlandia-dagen met de uitreiking van de Neerlandia-prijzen voor de beste Nederlandse opstellen en voordrachten van Nederlandse gedichten. Hoe groot zou de invloed daarvan geweest zijn? Waarschijnlijk niet gering, want in 1941 waren er op de Curaçaose Neerlandia-dag niet minder dan duizend, en op die van Aruba achthonderd kinderen aanwezig. Andere traditionele activiteiten waren het vieren van de verjaardagen van de leden van het Koninklijk Huis met aubades van Nederlandse liederen, de boekverspreiding van Nederlandse romans, filmvoorstellingen over Nederland om dat land meer bekend (en geliefd) te maken, het vieren van het Sinterklaasfeest, muziekuitvoeringen, de uitgifte van een kalender, een spreuk van Vader Cats, het ‘apologetische’ boekje The Queen who won't quit, dat in 1850 Engelstalige, 1050 Nederlandse en 2600 Papiamentstalige exemplaren verspreid werd. De getalsverhouding zegt iets over de taalverspreiding - en dat bij een publikatie door het A.N.V.! Op Aruba werd op 13 oktober 1944 een kleine boekerij met 250 Nederlandse boeken geopend. Bovendien was er op dat eiland al in 1941 een ANV-toneelgroep opgericht die jaarlijks een uitdrukkelijk Nederlandstalige voorstelling verzorgde.[11] Curaçao kreeg in 1943 een toneelgroep, maar die ontplooide minder activiteiten dan de Arubaanse pendant. Beide afdelingen hadden voortdurend het algemene A.N.V. doel van de vernederlandsing voor ogen. Alle activiteiten waren net als bij de oprichting erop gericht het Nederlands te propageren. Lofzangen op het Nederlands vormden de steeds terugkerende grondmelodie; het aanprijzen van de ‘eigen taal’ hield impliciet een negatie in van het Papiamento, dat niet als volwaardige taal gezien werd. Steeds weer heeft het A.N.V. er meer moeite mee gehad het Nederlands te verdedigen op de Bovenwinden dan op Curaçao, maar daar spraken de bewoners dan ook een wereldtaal waarvoor zelfs de ferventste A.N.V.'er begrip kon opbrengen. Van december 1944 tot februari 1945 brak er een klein polemiekje los omtrent de taalkwestie. Het Nederlands kreeg volgens deze discussie geen ‘betere plaats’ op Curaçao om vier redenen: een zekere animositeit tussen Nederlander en Curaçaoenaar; het groeiende zelfstandigheidsbesef; de R.K. geestelijkheid die (nog steeds) Papiamento gebruikte; een vorm van luiheid om zich het Nederlands goed eigen te maken (let op de volgorde). De teneur van een handvol hierop volgende artikelen was dat het Papiamento (dat er nu eenmaal was) als spreektaal kon fungeren, maar dat daarnaast een echte cultuurtaal voor schriftelijk en niethuiselijk verkeer noodzakelijk bleef. Het was echter niet zonder meer zeker dat dat geen Spaans zou

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

kunnen zijn, al bleef het Nederlands verre te verkiezen. Voor de Bovenwinden was Engels natuurlijk wel geschikt, maar zou het Nederlands daarnaast gepropageerd moeten worden. In feite was er dus wat de taalkwestie betreft sinds het begin van de eeuw niets nieuws onder de Caraïbische Oranjezon. Wat leverde het Antilliaanse Neerlandia literair op? Omdat het contact met het moederland verbroken was, kwamen er geen Nederlandse culturele tijdschriften meer binnen. Het blad heeft bij penne van de redacteur steeds weer geprobeerd bijdragen in die zin los te krijgen, maar de Antilliaanse medewerking liet volgens hem chronisch te wensen over, wat

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

199 achteraf uit de inhoudsanalyse gemakkelijk te beamen valt. Daarnaast wilde het Nederlandstalige blad bewust een dam tegen de groter wordende invloed van Spaanse en Engelse tijdschriften opwerpen - opdat het Nederlands niet verwaarloosd zou worden. Het blad slaagde er niet in zijn dubbeldoel om naast verenigings- en contactorgaan een algemeen cultureel en populair-wetenschappelijk blad te worden te verwezenlijken. Het bleef in beide opzichten bij de goede bedoelingen, want het blad sloeg te weinig aan en er was te weinig respons van actieve en bekwame medewerkers. Literatuur bevatte het tijdschrift niet veel. Er stonden wat incidentele en goedbedoelde gelegenheidsgedichten in van J.K.Z. Lampe, Dominee G.E. Alers en enkelen die zich achter pseudoniemen of initialen verborgen hielden. De Bovenwinder S.J. Kruythoff en de passanten C.J.H. Engels en J. van de Walle droegen enkele artikelen bij over respectievelijk de Bovenwinden en Curaçao, maar vaste medewerkers, waarvan een goed blad het toch hebben moet, ontbraken gewoonweg. Daarnaast was er ook weinig actieve respons in de vorm van recensies of levendige discussie. Had het artikel over de Nederlandse taal een polemiekje veroorzaakt, het artikel ‘Het zingende eiland’, geschreven door radio-man van de Curom, Herman de Man (in Nederland bekend als auteur van streekromans) maakte een discussie over taal en (volks)cultuur van Curaçao los. Tegen het eind van de oorlog begon enige discussie over de toekomst van de Nederlandse Antillen. Achteraf gezien was het tijdschrift een oriëntatiepunt van Nederlandse taal en cultuur in een door oorlogsomstandigheden van het moederland afgesneden rijksdeel. Het A.N.V. kende tijdens deze jaren een record aantal leden, maar daar waren toch wel erg veel Nederlanders onder, en dat was in tegenstelling tot de situatie in het begin van de twintigste eeuw toen vooral Antillianen zèlf lid waren. Dit ‘tweede A.N.V.’ was tijdens de oorlog wèl gewild bij de Arubanen, maar dat was misschien nog wegens het succes van De Dietse Spelers in 1932 en 1933. Na de oorlog verliep de belangstelling kennelijk snel. Als illustratie voor de na de oorlog zich wijzigende houding ten aanzien van het A.N.V. één gebeurtenis, die meteen het verschil tussen Curaçao en Aruba wat ‘het Nederlandse element’ betreft duidelijk tekende. De voordrachtskunstenaar Jan Musch bezocht Curaçao en Aruba, waarover aankomend auteur Tip Marugg in zijn kroniek meldde: ‘Voor een uitverkochte zaal van het Brion-theater trad de bekende Nederlandse toneelspeler en voordrachtskunstenaar Jan Musch in Willemstad op. Een geestdriftig publiek heeft de kans benut om van de artistieke begaafdheid van deze grote vertegenwoordiger van de Nederlandse toneelkunst te genieten. De aanwezigen waren een en al bewondering voor de verbluffende verscheidenheid van onderwerp en de voortreffelijke mimiek van de kunstenaar. Jan Musch trad op onder auspiciën van het Algemeen Nederlands Verbond.’ (Tip Marugg: ‘Curaçaose kroniek’, Eldorado I: 232) Op Aruba was de avond nauwelijks een succes, want het was, zoals een andere aankomende Curaçaose auteur, die op Aruba als onderwijzer gestationeerd was, beschreef, ‘een avond die voornamelijk werd bijgewoond door Nederlanders en Surinamers. Het is opmerkelijk hoe weinig belangstelling er van de Arubanen uitgaat voor dergelijke avonden...’ (Jules de Palm: ‘Arubaanse kroniek’, Eldorado I: 234) Aan het eind van de jaren veertig nam de toen pas opgerichte Sticusa het werk over.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Lux, een lamp van Nederlandse cultuur Het tweemaandelijks tijdschrift Lux (1943-1946) kwam voort uit R.K. kringen.[12] Het ontstond uit de behoefte aan degelijke Nederlandse lectuur, nadat met de val van Nederlands-Indië de laatste mogelijkheid om die te verkrijgen verdween. Wat zeker ook een rol speelde was dat De Stoep en Neerlandia in katholieke ogen niet voldoende kerkelijk nieuws brachten. Onder het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

200 motto ‘Post tenebras lux’ streefde de redactie tweeërlei doel na: het verloren contact met het moederland compenseren, en de propaganda van godsdienstige lectuur in R.K. zin. Lux was volgens de inleiding van de redactie als een ‘lamp tot het behoud van de kennis omtrent Nederlandse cultuur, geschiedenis en literatuur’. Het wilde, volgens dezelfde inleiding, meewerken aan een zedelijke hergeboorte: ‘Lux wil zijn een schat voor de geest, het verstand en het hart en een bron van Christelijke zin, van bloeiende schoonheid en vormende kennis.’ Wie aan dat doel wilde bijdragen, werd gevraagd mee te werken. Er werden inderdaad stukken ingestuurd, maar niet in groten getale. In het eerste nummer van de tweede jaargang vroeg de redactie zich dan ook af of er onder de Curaçaose intellectuelen nu niet meer medewerkers te vinden zouden zijn. Dit zinnetje gaf duidelijk aan dat het blad voor een elite-groep bedoeld was en dat het zich voornamelijk op Curaçao richtte. In totaal waren er veertig medewerkers, van wie iets meer dan de helft trouwens maar aan één nummer iets bijdroeg; tot de trouwe medewerkers (met meer dan vijf bijdragen) hoorden Dominee G.E. Alers, Goyau, de journalist J. Hartog, de paters M.D. Latour en M. Möhlmann, en W.Ch. de la Try Ellis. Dat waren dus op de laatste na allemaal passanten.[13] Wim van Nuland (pater Michael Möhlmann 1911-1969), die van 1939-1969 op Curaçao werkzaam was, begon al snel te publiceren en nam als Nederlandse priester de feuilleton-traditie van Curaçaose auteurs over. Hij schreef met een moreel doel, maar zonder de retoriek, vol eenvoud, waarbij de arme centraal stond. Hij putte daarbij uit tweeërlei bron: de Curaçaose volksmensen, en de Westeuropese traditie van hagiografieën en het Middeleeuwse mysterie- en mirakelspel. Daarnaast schreef hij veel pastorale stukken in de krant. Onder eigen naam publiceerde hij stukken met cultuuranalyse en -kritiek, onder pseudoniem vertellingen (schetsen), episch-lyrische stukken en religieus toneel, alles in het Nederlands. Carel de Haseth karakteriseerde Van Nulands werk achteraf als ‘deels realistische deels impressionistische schetsen’ Volgens hem hoorde Van Nuland tot de belangrijkste auteurs die aan ‘De Stoep’ hebben meegewerkt’. (J.Ph. de Palm 1985: 344) Dat was ook het standpunt van de contemporaine kritiek, die Van Nulands bijdragen het beste vond dat De Stoep geproduceerd had. Pogingen tot mooischrijverij en het steeds sterker wordende moralisme werden Nuland noodlottig en redacteur Engels weigerde verdere Stoep-bijdragen. Na Engels' weigering plaatste Van Nuland zijn pastorale schetsen en toneel voortaan in Lux, waarvan hij een der belangrijkste medewerkers werd. Debrot rekende Van Nuland tot de realisten onder De Stoep- schrijvers. Hij had waardering en kritiek, want Van Nuland ‘schrijft over de ‘vergetenen’: ongeneeslijke zieken, oude vrouwtjes, verwaarloosde jeugd. De waardering van Debrot blijkt uit het gegeven dat hij in 1955 het verhaal ‘Norma’ in zijn geheel afdrukte in zijn literatuuroverzicht. Maar hij vond ook dat Van Nuland ‘niet vrij te pleiten’ was ‘van impressionistische uitbundigheid, die zijn werk hier en daar, zoniet ontsiert dan toch wel ernstig verzwakt’. In 1977 was Debrot veel beknopter over Van Nuland; hij noemde Van Nulands werk ‘romantisch-impressionistisch’, dat werd doodgezwegen door de anti-klerikalen. Lux was algemeen-cultureel van inhoud met veel aandacht voor R.K. kerkelijke zaken, zoals de geschiedenis van het pausdom, kerkelijke figuren, de missie, het

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

onderwijs en de schoolstrijd, er werden ethische zaken als geboortebeperking en echtscheiding besproken. Zo was het tijdschrift inderdaad een licht op het R.K. levenspad. De redactie zette zich strijdbaar af tegen nietkatholieken en de kritiek die met name het ‘Shell-blad’ Beurs- en Nieuwsberichten op het nieuwe orgaan uitoefende; zo stapte ze in de traditie van de R.K. strijdende pers. Naast de kerkelijk gerichte artikelen bevatte het blad verslagen over onderzoeken betreffende Curaçao en het Caraïbisch gebied, vooral in historische zin, door Latour, Van Meeteren, Emmanuel en De La

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

201 Try Ellis. Ook voor actuele zaken met betrekking tot de oorlog in Europa en Nederlands-Indië was ruimte. Binnen dat gevarieerde geheel besloeg de letterkunde niet meer dan een klein plaatsje, enkele gedichten van niet-Antillianen in de R.K. sfeer, zoals Guido Gezelle, Antoon Coolen en Math. Kemp. Plaatselijke gedichten werden door de Arubaanse Dominee Alers bijgedragen; ze gingen over geloof en oorlog. Van meer belang dan deze poëzie was het religieus toneel door Pater Möhlmann. Luc Tournier, J. Smeulders en E. Winters schreven eveneens voor het blad. De literaire bijdragen, die alle in het Nederlands waren zoals het hele blad met opzet Nederlandstalig was, waren dus afkomstig van buitenlanders en passanten, niet van geboren Antillianen. Literair gezien stelde het blad dus niet veel voor, maar het was van belang ter illustratie van enerzijds de R.K. gedachte, anderzijds het streven om de Nederlandse culturele invloed te bevorderen. Dat zou kunnen worden samengevat met de karakterisering dat Lux een ‘West-Indische Gids-karakter’ had, maar waar dat laatste kerkelijk neutraal was, bezat Lux een specifiek R.K. signatuur. Dat bleek ook wel uit haar opvattingen omtrent literatuur, al was daar tegen het einde toch iets geheel nieuws mee aan de hand. In hoeverre vertolkte Pater Brenneker in juli 1946 de officiële mening van de redactie met zijn uitspraak over de ‘kunstenaar’: ‘Godsdienst en moreel goed leven staan niet in direct verband met kunst. Iemand kan een goed kunstenaar zijn, zonder dat hij godsdienstig is, zonder dat hij erkent, dat de oorzaak van al het schone bij den Schepper ligt, zonder dat hij erkent, dat zijn gaven hem door God geschonken zijn. Niettemin zal godsdienst en goed zedelijk gedrag den kunstenaar een grote hulp zijn.’ (Lux IV-1: 23-24) Waar de R.K. kerk in haar Papiamento volksuitgaven als La Cruz en La Union en ook nog in haar serie Mi biblioteca Papiamentu zo recht in de leer was, zo spreidde ze in haar Nederlandstalig eliteblad een wat liberaler standpunt ten toon, voor de lezers die geacht werden een meer zelfstandig onderscheidingsvermogen te bezitten. Met het einde van de derde jaargang (juni 1946) wilde de redactie het tijdschrift eigenlijk opheffen omdat er na de bevrijding van het moederland weer ‘degelijke Nederlandse tijdschriften’ verschenen, maar ‘de animo voor dit Curaçaose blad is nog zo groot, dat wij besloten hebben om iedere maand te gaan verschijnen. (Voorwoord bij de vierde jaargang, juli 1946) Die ‘wij’ waren waarschijnlijk alleen H.M. Hulsman en M. Rigobert, want die werden nu als enige redactieleden genoemd. Maar na drie nummers in de vierde jaargang hield het blad geruisloos op te bestaan. Volgens de redactie zelf was de ontvangst van haar nieuwe blad in 1943 over het algemeen gunstig te noemen, met uitzondering van de Beurs- en Nieuwsberichten. Met name Neerlandia herkende het parallelle streven, de Amigoe waardeerde het R.K. element. Maar documenten die dat bewijzen zijn er weinig; de reacties moeten mondeling gegeven zijn. Intussen was het wel opvallend dat noch Neerlandia noch Lux uitgebreid besproken werden, elk nieuw nummer van De Stoep echter wel. De drie Nederlandstalige tijdschriften vormden samen een krachtig pleidooi voor het Nederlands, een pleidooi dat evenwel slechts tot bepaalde kringen doorgedrongen lijkt te zijn. Als we letten op de redactieleden en de daadwerkelijke medewerking, waren dat vooral de kringen van Nederlandse passanten, niet de grote groep van Curaçaoenaars en zeker niet de Antillianen in het algemeen omdat deze drie bladen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

buiten Curaçao nauwelijks of in elk geval veel minder dan op het hoofdeiland van belang lijken te zijn geweest.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

202

Papiamento - proza en poëzie tijdens de oorlog Organiseerden de groepen die het Nederlands wilden propageren zich tijdens de Tweede Wereldoorlog rondom een drietal tijdschriften, voor de propaganda van de andere talen gold een dergelijke vorm van vereniging niet. Dat leidt bijvoorbeeld tot de vraag wat de in 1937 opgerichte Sociedad Bolivariana deed in deze tijd. Zowel Spaans als Engels lijken zich alleen gemanifesteerd te hebben in populaire songs die via de radio en de revues van bijvoorbeeld Romualdo Hanst hun verspreiding vonden. De taal die tijdens deze oorlogsjaren tot literaire bloei kwam, was het Papiamento. Niet onder de veilige vleugels van bestaande verenigingen, maar via individuen, als teken van een groeiend persoonlijk bewustzijn van zelfstandigheid en culturele eigenheid. Waar tot nu toe elk Papiamentstalig werk in de schaduw van de beschermende moederkerk verscheen, droeg deze generatie van auteurs zelf de financiële risico's en gaf ze haar werk in eigen beheer uit. Deze benadering van het schrijverschap was nieuw en de inhoud van die werken was dat ook. De aandacht voor het Papiamento uitte zich in drie nagenoeg gelijktijd optredende fenomenen die hier achtereenvolgens behandeling verdienen: het verschijnen van populaire songs, de afzonderlijke publicatie van ‘novelas’ in de ‘conta cuenta traditie’, en de driedubbele vernieuwing die Pierre Lauffer in 1944 aanbracht met zijn eerste Papiamentstalige dichtbundel Patria.

Populaire songs in de orale traditie Soms lijkt iets in de lucht te zitten. Broek (1990d: 190-208) vroeg aandacht voor Pedro Pablo Medardo de Marchena (1899-1968) die verdacht van communistische sympathieën en misschien mede op grond van vroegere anti-katholieke geschriften als Ignorancia ó educando un pueblo (1929), enkele ‘Carta pastoral’ en een groot aantal remitidos in De Onpartijdige in het interneringskamp op Bonaire terecht kwam en vijf jaar achter prikkeldraad moest doorbrengen. De Marchena was goed op de hoogte van de ideeën van de Noordamerikaanse zwarte leider Marcus Garvey. In dat concentratiekamp schreef hij een dozijn of meer liederen over lichamelijke schoonheid en over verliefdheid op een onbereikbare vrouw. De liederen hielden een pleidooi in vóór het Papiamento en tégen het uitsluitend gebruik van Spaans en Engels in de ‘tophits’. De op zilverpapier uit sigarettendoosjes geschreven collectie was tot Broek ze besprak geheel onbekend en wordt privé bewaard op Bonaire, Maar een van de songs ‘Esta dushi’ werd als ‘Bula waya’ beroemd door de Portorikeinse zanger Daniel Santos. Tot zover Broeks gegevens, die eraan toevoegde dat deze liederen niet gecanoniseerd werden omdat er nog geen pleitbezorger voor ze optrad, zoals Jules de Palm dat in 1979 wel deed voor de door hem en zijn twee vrienden gezongen liederen: ‘Een Antilliaans literaire pleitbezorger als Jules de Palm, een uitgever als de Bezige Bij en een financiële ondersteuning als die van STICUSA - zoals Julio Perrenal die, posthuum, genoot in 1979 - lijken belangrijke voorwaarden om het Papiamentstalige literaire rijk binnen te treden.’ (Broek 1990: 201)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

In 1979 verscheen bij de Amsterdamse Bezige Bij de bundel Julio Perrenal, waarin Jules de Palm verslag deed van de pogingen van hem en zijn vrienden Pierre Lauffer en René de Rooy ter propagering van het zingen van Papiamentstalige liederen. Er was in de oorlogstijd ten gevolge van de legering van zoveel geallieerde soldaten een levendig avondvertier in Willemstad en daarbuiten. Julio Perrenal vroeg in deze sfeer aandacht voor het Papiamentse lied. Ten eerste tegen de hegemonie van het Spaans en Engels, de talen die algemeen voor alle songs gehanteerd werden, want ‘de combo's, trio's waren doodsbenauwd,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

203 dat zij aan populariteit zouden inboeten indien zij liedjes in het Papiamentu ten gehore zouden brengen’! (De Palm 1979: 82). Ten tweede tegen de hegemonie van het Nederlands, zoals dat in onderwijs en officieel bestuur domineerde en het Papiamento bewust verdrong. ‘In een Curaçao waar angstvallig werd vermeden de moedertaal bij officiële gelegenheden te gebruiken, waar je op school gestraft werd indien je in een emotionele belevenis een Papiaments woord ontviel, was er beslist nog geen plaats voor Papiamentse poëzie.’ (De Palm 1979: 25). Ten derde tegen de tot dan toe vanzelfsprekende moralistische inhoud van het Papiamentse gelegenheidsgedicht: ‘Julio Perrenal wrikte in de Cancionero Papiamentu de thematisch gesloten Papiamentstalige (gelegenheids)poëzie helemaal open. Het blijkt meer en meer mogelijk om praktisch alles bespreekbaar te maken in gedichten, zonder zich te laten leiden door de leefregels van een religieus regime.’ (Broek 1990d: 193) Met een tiental op muziek gezette liederen in het ritme van de Antillen zelf, zoals wals, bolero, merengue en vooral de tumba, verklaarde het trio zich nadrukkelijk voor de orale traditie in de volkscultuur. Inhoudelijk vroeg het drietal aandacht voor de kleine ongemakken en de grote nieuwe ervaringen van de oorlog: het uitgaansleven, dansen, roken, drinken, erotiek, feesten, lichamelijk genot - zonder dat de moraal het plezier vergalde. Men moet constateren dat de poging geen direct succes opleverde. Het artikel dat René de Rooy er in Eldorado (1949) over schreef, door de Amigoe (7 VIII 74) na een kwart eeuw in extenso herdrukt, maakte de ‘cancionero’ ook nog niet bekend. Pas door De Palms uiteenzetting en Julian Coco's muziek (De Palm 1979) drongen ze na meer dan drie decennia uiteindelijk in de canon door.

Novela dramatico In de beginjaren veertig verschenen er (plotseling) een aantal Papiamentstalige prozaverhalen (novelas), die opmerkelijk waren om diverse redenen. Guillermo E. Rosario schreef in de proloog van zijn eersteling Un drama den Hanch'i Punda (1943) dat hij in het Papiamento schreef omdat er ten gevolge van de oorlog geen buitenlandse boeken meer binnenkwamen...Exact het argument van Lux en op hetzelfde tijdstip, maar de uitwerking ging in tegenovergestelde richting. Via een achttal novelas vroegen drie Curaçaose auteurs aandacht voor het Papiamento als literaire taal.[14] Ze deden dat als vanzelfsprekend zonder daarbij het dominerende Nederlands zijn plaats te betwisten. Daarbij bouwden ze voort op de traditie die door meer dan twee decennia van roman-feuilletons ontstaan was, en sloten zich aan bij de populaire conta cuenta en novelas zoals die met name door Tuyuchi in de Papiamentstalige bladen gepubliceerd waren en werden. Het betrof de drie Afro-Curaçaose auteurs A.P. Nita, P.A. Lauffer en G.E. Rosario, die het alledaagse leven van gewone mensen uit de bevolking op realistische wijze beschreven. De thema's waren eveneens bekend, zoals dat van twee halfbroers, incest, liefde en jaloezie die allerlei novela-achtige dramatische gevolgen opriepen. Dat de verhalen zonder enige psychologische diepgang of waarschijnlijkheid gecomponeerd werden, maakte ze eerder tot populaire volkslectuur dan serieuze literatuur.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Maar toch waren ze voor de ontwikkeling van met name de Papiamentstalige literatuur van belang. Ze luidden op diverse manieren een nieuw tijdperk in, doordat ze niet alleen voortbouwden op het bestaande maar op belangrijke punten ook braken met de traditie. De novelas verschenen niet meer als feuilleton in de krant, maar werden in eigen beheer uitgegeven als afzonderlijke publicaties - een nieuw verschijnsel. Weliswaar waren de boekjes veelal dun tot zeer dun (enkele tientallen pagina's), eenvoudig gedrukt op slecht papier (het was per slot oorlogstijd), maar ze werden geheel plaatselijk geproduceerd en waren voor het eigen publiek

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

204 bestemd. Daarbij droegen de auteurs zelf het risico van eventuele commerciële mislukking, ze maakten zich los van het traditionele R.K. patronage-patroon. Waar de traditionele feuilletonromans vaak sterk beïnvloed waren door buitenlandse voorbeelden en dientengevolge in allerlei exotische landen gesitueerd waren, beschreef deze generatie van jonge Curaçaose auteurs het eigen eiland. De verhalen speelden zich in een direct herkenbare omgeving af. De novelas beschreven andere waarden en normen, problemen van jonge mensen uit de arbeiders- of kleine middenstand, het lijkt wel bij voorkeur halfwezen en halfbroers, het uitgaansleven in Punda, het plezier dat gezocht werd in drank, prostitutie met buitenlandse vrouwen (de Curaçaose vrouw speelt slechts een heel geringe rol op de moederfiguur na), verliefdheid, jaloezie, huwelijksontrouw en overspel, de dubbele moraal in de verhouding man vrouw waarbij de eerste nagenoeg alles werd toegestaan en de tweede niets, wraak en dikwijls dood. Uit een keuze van deze ingrediënten werd een spannende intrige gemixt. Niet de moralistische functie stond voorop maar het divertissement. P.A. Lauffer publiceerde in 1942 onder het pseudoniem José Antonio Martes zijn eersteling Carmen Molina. In vijf hoofdstukken vertelt de ‘ik’ - Juancho - zijn affaire met de vrouw Carmen Molina, hun eerste ontmoeting in dronkenschap en prostitutie-situatie, hun ontwakende liefde, de echte liefde daarna die direct gevolgd werd door het onafwendbare afscheid van Carmen Molina, haar terugkomst en de huwelijksvoorbereidingen, haar zelfdoding omdat ze zich te gering acht voor de trouwe Juancho en diens herinnering aan haar. De novela sloot dus op het eerste oog naadloos aan bij het traditionele verhaal: Juancho (Juan Antonio Rodriguez) als brave, oppassende jonge man die bij de Isla werkt, redelijk verdient en trouw spaart. Hij is halfwees en zorgt voor zijn moeder, zoals hij zijn stervende vader beloofd heeft. De moeder blijft een duldende achtergrondfiguur. Alles lijkt goed, maar Juancho krijgt een slechte vriend, de buschauffeur Chebu. Ze gaan samen uit, drinken te veel en ontmoeten de buitenlandse prostituée Carmen Molina, een ‘exotische’ schoonheid. Het ik-verhaal wordt steeds onderbroken door moralistische overpeinzingen van Juancho, zoals: En zo, met roepen, zoentjes en alcohol ben ik een affaire begonnen die ik in mijn leven nooit meer zal vergeten. (...) Met spijt heb ik haar vaarwel gezegd en haar laten gaan in de gulzige en hongerige menigte die op ander vlees zat te wachten om het te verorberen. De volgende dag zoekt Juancho zijn Carmen weer op: ze praten heel wat af, waarbij de prostitutie met slavernij vergeleken wordt en Carmen haar levensgeschiedenis vertelt: ze was zestien jaar toen haar moeder stierf, haar vader was een dronkaard maar een tante kreeg medelijden en voedde haar op. Ze kreeg kantoorwerk en was zo in staat haar tante financieel te steunen. Toen werd ze verliefd, raakte in verwachting en werd in de steek gelaten, waarna ook de tante haar uit haar huis gooide. Uit arren moede ging ze het leven in, haar kind werd geboren en in een weeshuis geplaatst. Van haar aanvankelijke schoonheid is ze door deze levenswijze op haar tweeëntwintigste al heel wat kwijtgeraakt. Desondanks adoreert Juancho haar en doet haar een huweljksvoorstel, maar Carmen wil wachten. Hij houdt echter vol en schenkt haar een halskettinkje met een gouden kruisje eraan. Als ze op een zondag naar de baai gaan, wil Carmen eerst bidden in de kerk van St. Willibrord: Het leek me toe dat haar gelaat compleet veranderde toen ze bad. De kerk was stil en wij

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

tweeën vormden het enige comntrast in de gewijde stilte die heerste. De zon speelde een kleurenspel op Carmens gelaat en veroorzaakte dat haar timide uitdrukking bang werd als ze haar ogen nu en dan ophief om naar de crucifix te kijken terwijl ze haar gebeden murmelde. Carmen en Juancho verklaren elkaar diezelfde zondag hun wederzijdse liefde, maar Carmen moet de volgende dag van het eiland en zal nooit terugkomen. Maar twee weken later is ze er weer, waarop ze het tweede deel van haar levensverhaal prijsgeeft: ze moest trouwen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

205 met een jonge man die haar verzorgde, maar die kwam bij een auto-ongeluk om het leven. De voorbereidingen voor het huwelijk worden nu getroffen, maar Carmen wordt na tien dagen dood in hotel V. gevonden. Ze pleegde zelfmoord door middel van vergif, maar liet een brief voor Juancho achter: Ik voelde me niet waardig jou in het huwelijk te benaderen. Na de begrafenis kan Juancho geen andere troost vinden dan ‘tabata su destino’ [het was haar lotsbestemming], waarna hij van het geld dat de weer verkochte huisraad opbrengt een monument op het graf plaatst. Elk jaar legt Juancho bloemen op het graf, op deze wijze zijn geliefde herdenkend: Bloemen zijn prachtig. Maar eenmaal van hun wortels gescheurd, verwelken en sterven ze. (slotzin) In deze novela kwam geen geestelijke meer voor, ook niet bij de voorbereidingen voor het huwelijk of bij de begrafenis. De man voelde zich vreemd in de kerk. Niet de zonde (van de zelfdoding en de daarop onafwendbare weigering de dode in gewijde aarde te begraven) werd genoemd, maar het noodlot (tabata su destino...). Er werd wel heel wat gemoraliseerd maar in algemeen zedelijke zin, bijvoorbeeld over prostitutie als een vorm van slavernij, niet in religieuze termen. Niet de religieuze moraal die er uit het verhaal te trekken viel werd benadrukt, maar simpelweg het verdriet van een nog jonge man om de verloren geliefde. G.E. Rosario publiceerde in 1943 Un drama den Hanch'i Punda. De halfbroers Mario en Alfredo worden beiden verliefd op de Dominicaanse prostituée Elena, die om Alfredo die op Aruba woont echter het meest geeft. Mario schiet Alfredo uit jaloezie neer, maar verwondt alleen diens schouder. Hij krijgt een half jaar gevangenisstraf. Daarna trouwt hij alsnog met zijn verloofde Maria Josefina, die trouw op hem heeft gewacht. Alfredo trekt naar Santo Domingo waar hij Elena trouwt. In dit verhaal werd, samengevat, een R.K. schuldcultuur vervangen door een seculiere schaamtecultuur, die zich uitte in grotere bekommernis om het morele oordeel van de kritische buitenwacht dan een besef van zonde en absolutie. De eerste druk van A.P. Nita's populaire Marianita was van 1943. De hoofdfiguur Marianita trouwt, als ze zeventien is, met de schutter Dudu. Ze is de schoonheid zelve: ‘ni imita nada e parce un di e birgennan di Ethiopia’. Omdat de schutter dienst in het buitenland weigert, wordt hij anderhalf jaar opgesloten. Door een ‘pasquin’ verdenkt hij zijn jonge bruid van ontrouw en doodt haar, onschuldig natuurlijk, waarna slechts een altijddurend knagend geweten als van een Judas rest, geen vergeving. ‘Tuma un emmer di awa y tiré na suela y weta cu bo por recohé e awa atrobé. Si bo por..., pa bo, lo por tin pordon.’ Zoals het onmogelijk is om water dat uit een emmer op de grond uitgegoten is, in die emmer terug te krijgen, zo onmogelijk is de absolutie. Deze novelas werden kennelijk niet gerecenseerd; het lukte in elk geval niet contemporaine reacties te vinden. In de latere overzichten werden ze echter al spoedig wel degelijk geteld. Dat wil zeggen dat ze genoemd, maar nooit geanalyseerd werden. Martinus Arion (1958) karakteriseerde de vroege Papiamentstalige literatuur - zij het dat hij daarbij wel zeer diverse auteurs als Kroon, Suriel, Rosario, Fraai en Martina onder één noemer bracht - wel: ‘Hun werk, dat meestal de vorm van een novelle of kleine roman heeft, beweegt zich hoofdzakelijk op de vlakken van liefde, romantiek en noodlot; is gevoelig op het sentimentele af; ademt vaak een zeer godsdienstige

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

sfeer en is bovendien vol van de meest typisch Antilliaanse anecdotes, gewoonten en gebruiken, niet in [sic] het minst het glimlachend bijgeloof.’ (Martinus Arion 1958: 89-90) Later benadrukte Aart Broek[15] de secularisering om ze op die manier in hun historische context - na de moraliserende roman-feuilletons - te kunnen plaatsen: ‘Aan de hegemonie van de rooms-katholieke leef- en geloofsregels, evenals aan die van de verkondigers van die leer -

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

206 in het bijzonder de Paters Dominikanen en de Fraters van Zwijsen - is (voorgoed) een einde gekomen.’

P.A. Lauffer publiceert Patria in 1944 Toen Pierre Lauffer in 1944 op vierentwintig-jarige leeftijd zijn eerste geheel Papiamentstalige dichtbundel Patria publiceerde, betekende dat een drievoudige vernieuwing. Allereerst maakte hij zich geheel los van de Nederlandse taalhegemonie, zoals hem die in het onderwijs onderwezen was. Op het Sint-Thomascollege lazen de leerlingen Frans Bastiaanse, Gezelle en Perk, en was er geen plaats voor de ‘aberratie’ van het Papiamento, dat ‘ondanks het officiële Nederlands zich eeuwen gehandhaafd had, een onvervreemdbaar cultuurbezit was, dat gekoesterd diende te worden’. (J.Ph. de Palm 1979: 25, 47) De tweede vernieuwing was die van de inhoud en thematiek. Lauffers adagium was, ‘als je schrijven wilt, kijk dan om je heen’ en beschrijf in je eigen taal je eigen eiland, je eigen mensen en je eigen meest persoonlijke gevoelens, zonder in de retoriek van vreemde mooischrijverij naar aanleiding van buitenlandse voorbeelden te vervallen. Patria (vaderland - het was 1944 en nog oorlogstijd) beschreef zo in vier delen Curaçaos ‘suela’, ‘solo’, ‘hende’ en ‘flor di kadushi’ als voor poëzie bij uitstek geschikte onderwerpen. De derde vernieuwing betrof het serieuze karakter van deze poëzie, die zich niet alleen radicaal losmaakte van de nog steeds sterk met de orale cultuur verbonden liederen, maar ook van het populaire volkskarakter dat de ‘novela dramatico’ in zo hoge mate bevatte. Lauffer greep naar een tot dan toe onbekend, nooit op die wijze nagestreefd literair niveau - terwijl de andere vernieuwingen aansloten bij wat ook andere jongeren probeerden was zijn serieuze en hoge inzet iets van hem alleen! Op die manier betekende Patria in één klap de emancipatie van de Papiamentstalige poëzie, net zo revolutionair als J.S. Corsens ‘Atardi’ in 1905. Maar dat verscheen op instigatie van de La Cruz-redactie en betrof maar één gedicht, dit was een complete, geheel zelfstandig uitgevoerde bundel. Want Lauffer deed het helemaal zelf: de praktische organisatie en de financiën, maar ook de denkwereld erachter. Dat dit proces bewust was, bleek wel uit de metapoëtische gedichten in met name de laatste afdeling van de bundel, waarin de dichter er zich rekenschap van geeft wat voor hem poëzie betekende. Voor Lauffer was poëzie een allesbeheersende kracht in het leven - pöezie en leven waren voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als zodanig was Lauffer de eerste echte totale dichter van Curaçao, een ‘dichter bij de gratie Gods’ (Debrot 1955), die de ‘zondags- en sabbathsdichters’ verre achter zich liet. Werd de bundel opgemerkt? Over oplage noch verkoopcijfers is ook maar iets te achterhalen. Het recensiewezen stond in die tijd nog aan het begin, het was nog geen vanzelfsprekende traditie. In een merkwaardige Stoep-recensie vol cryptische wendingen sprak Luc Tournier over de bundel als over het ‘begin van het bedrijf van de onnut’, een zinswending die tot vandaag de dag zowel positief als negatief wordt uitgelegd. Tourniers waardering was gemengd: ‘Deze dichter heeft talent. Hij is zelfs knap.’ Maar dat laatste was dan weer nadelig, want het gaf aan de poëzie ‘het fanfare-achtige van gelegenheidswerk’, ‘Lauffer's constructieneiging is te sterk. Bijna

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

elk gedicht kreeg de zending lang te moeten zijn’. Maar tegenover deze detailkritiek plaatste Tournier de grote lijn waarvan vooral de inleiding gelezen zou kunnen worden als de erkenning van een compleet nieuw tijdperk in de Antilliaanse literatuur, nu de Afro-Curaçaose auteur is opgestaan en de literaire taak van de ‘blanken’ heeft overgenomen. Maar ook dat is een interpretatie van van een in essentie dualistische recensie. (De Stoep II-4: 46)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

207 Lauffers debuut heeft een lange aanlooptijd nodig gehad voor de waarde ervan erkend werd. Na Luc Tournier bleef het jarenlang zeer stil rondom de bundel. Ook hier was het weer Debrot die de bundel in het daglicht plaatste. Wel had hij kennelijk enig voorbehoud, toen hij in 1955 schreef dat Lauffers gedichten het sterkst waren, ‘waar, openlijk of verhuld, een sociale preoccupatie zich uitspreekt’, waarmee hij geen voorbeelden uit Patria op het oog had. In 1977 schreef hij over de debuutbundel als ‘romantisch’. Het in vele bloemlezingen opgenomen en populaire ‘Mi ta kansá’ noemde hij van ‘gemiddeld’ niveau: ‘Het behoort eerder tot de conventionele romantiek van de pseudo-onconventionele meneer “ku ta kría postín” (die een houding aanneemt). Het blijft aan de oppervlakte, het reikt niet tot de wezenlijke kern van de dichter.’ (Debrot 1985: 209) Na Debrot volgden de echo's, waarin de algemene waardering meer de latere dan deze vroege Lauffer zou gelden.[16] Mag de debuutbundel achteraf dan niet de sterkste blijken - ook bij Lauffer baarde de oefening kennelijk betere kunst - gezien in historisch perspectief, vanuit de fase waarin in 1944 zich de Antilliaanse poëzie bevond, betekende de bundel niet minder dan het begin van een nieuwe fase van de Papiamentstalige poëzie. Maar ook dat is achteraf - want de contemporaine receptiedocumenten lieten het afweten, zodat niet meer te achterhalen valt hoe groot de directe invloed is geweest. Nog een opmerking tot slot: het zou meer dan tien jaren duren eer er weer iemand een compleet Papiamentstalige dichtbundel zou publiceren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich op de Antillen een cultureel zelfbewustzijn, dat zich uitte in een toenemende literatuur in de eigen taal. Deze literatuur had evenwel nauwelijks de oorlog zèlf tot onderwerp; ook na de oorlog zou daar nauwelijks over geschreven worden. Dat werd overgelaten aan enkele Nederlandse passanten, zoals J. van de Walle met De Overtocht (1962) en W.A.G.M. Bergmans met De bastaard van Bonaire (1980). Zij schreven over Antilliaanse oorlogsgebeurtenissen op de wijze waarop hun collega-auteurs dat in Europa deden. Slechts Cola Debrot en Boeli van Leeuwen, die in de oorlogsjaren in Nederland verbleven, gebruikten de oorlog in bepaalde passages van hun werk. Ze deden dat op een wijze die enerzijds aansloot bij de manier waarop de Nederlandse literatuur na de oorlog zo'n stortvloed van werken aan de oorlog zou wijden, anderzijds gebruikten ze de oorlogsstof toch eigenlijk alleen maar om een eigen Caraïbische problematiek te verwoorden. Daarmee lijkt op dit punt een duidelijk verschil tussen autochtoon Antilliaanse en Nederlandse passantenliteratuur aangetoond. (Ñapa 5 V 90)

Eindnoten: [5] Voor een algemeen overzicht van de pers in oorlogstijd: A.G. Jansen 1957. Een eigenaardig probleem leverde de censuur in het begin van de oorlogsjaren op. Al vanaf 30 september 1931 werden diverse bladen verboden. Daarna werden er steeds bladen aan de lijst toegevoegd tot er einde 1939 een monsterlijst van zowel in Nederland als in Curaçao ‘verboden geschriften’ was ontstaan van 113 titels, en zes auteurs en elf uitgevers met al hun uitgaven. (CHA-Cur.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Objectdoss. 30-29) Van 4 juni 1940 - 1 september 1942 kende de kolonie Curaçao (als van 1820 tot 1865) preventieve censuur, wat voor problemen met de media zorgde. De Gouvernementspersdienst werd opgericht 24 juni 1940 door E.M. Elias, die ook de opdracht kreeg de ‘censuur’, zoals door de P.G. op 4 juni 1940 afgekondigd, te organiseren. Was ‘Censor en censuur’ (Amigoe 21 II 40) nog een algemeen informatief artikel, na het in de oorlog betrokken raken ontstond er protest, met name door het ‘Curom-conflict’, waarop de Amigoe met een blanco voorpagina met het woord ‘censuur’ verscheen. (Amigoe 17 VII 40) Het blad Curaçao protesteerde in 1941 herhaaldelijk tegen de censor en diens activiteiten (zie bijvoorbeeld Curaçao 11 X 41), maar het was in de eerste plaats de Amigoe die de strijd tegen de censuur aanbond. In de Amigoe verschenen in 1942 geregeld ‘witte plekken’, het blad werd zelfs op 19 en 20 maart 1942 een verschijningsverbod opgelegd. (zie voor een uitvoerige weergave Hartog 1944: 242-255) Voor de literatuur had de censuur geen directe consequenties. [6] De ‘Vereeniging ter behartiging van de staatkundige, economische en cultureele belangen van Curaçao’ werd 1 december 1938 (statuten in Curaçao 31 III 45) opgericht. Ze werd beschouwd als de opvolger van het laat negentiende eeuwse Geschied-, Taal-, Land en Volkenkundig Genootschap. (1896-1909) Het bestuur werd gevormd door Dr. W.P. Maal, vz.; J. Rustige, secr.; Norman Chumaceiro, penningm.; Jossy Capriles; H. Vaumont; J.H.P. Schrils. Haar doel werd uiteengezet in art. 3: a/e, waarvan a. ‘Het houden van vergaderingen ter bespreking en lezingen ter uiteenzetting van deze belangen’, b. ‘Het uitgeven van een orgaan’. Dat orgaan was het weekblad Curaçao, verschenen van 5 XII 38 - 29 IX 56, onder redactie van W.P. Maal & J. van de Walle (1938-1943); van 1944-1946 was er een redactie-commissie van vier personen met Jan Rustige als voorzitter (Hartog 1944: 61-62); vanaf september 1946 werd het blad uitgegeven onder auspiciën van de vereniging, niet meer onder directe verantwoordelijkheid van het bestuur. Het werd toen een veertiendaags blad. In 1949 vormden E. van Romondt en Mej. D. Ensingh de redactie. Het weekblad was ontstaan uit ‘protest’ tegen ‘de uitbreiding van het gematigde census- en capaciteitenkiesrecht tot een verkapt algemeen kiesrecht voor mannen’ (Curaçao 2 XII 39), zoals vastgelegd in het regeringsreglement van 1 IV 37. (Dus in feite een protest tegen het stemrecht voor de zwarte meerderheid van de bevolking; een protest van liberaal tegen R.K.) Dat is een negatief uitgangspunt. Positief wilde de vereniging met haar blad belangstelling wekken en ‘dieper en grondiger kennis van land en volk’ bereiken, ze was voor het versterken van het eigene, het Curaçaose element, bijvoorbeeld in de ambtenarenwereld, tegen het alles klakkeloos uit Nederland overnemen. (Curaçao 2 XII 39) Het blad was niet literair in eigenlijke zin; de cultuur kwam ook pas op de derde plaats, na staatkunde en economie. maar het blad volgde culturele ontwikkelingen en gebeurtenissen wel steeds uitgebreid en kritisch. Het is waardevol als kritische echo op het cultureel-literair gebeuren: besprekingen van tijdschriften, positiebepaling van de cultuur in het algemeen, toneel, de verslaggeving van de grote boekententoonstelling van 1939 en latere boekenweken. In het blad verschenen ongeveer 90 hekeldichten onder het pseudoniem Marie Bomba, getiteld ‘Dieren op Corsouw: sprookjes voor grote en kleine kinderen’ (25 VII 53 - 4 VI 55); verder nog 27 ‘Grafschriften’ (24 XII 55 - 28 VII 56). Zie hierover uitvoeriger Aart G. Broek in Plataforma VI-1, mei 1989: 22-24. Al eerder publiceerde Marie Bomba in Amigoe 1950. Marie Bomba was het pseudoniem van Dr. Hans G. Hermans (*1908; van 1950-1966 op Curaçao). Hij had het idee van Kees Stip, Trijntje Fop in De Volkskrant, overgenomen om politieke satirische gedichten te publiceren, zoals Oscar van Kampen satirische karikaturen tekende in zijn Lorito Real (1948-1958). Het succes van Paachi noodde tot navolging: een tijdlang waren humor en politieke satire zeer populair, bijvoorbeeld in andere bladen als Chaparrin (1950), Edward de Jongh's Sapo abusador (1951) en de Palabrua redado (1951-1956). [7] ‘Ik zat op mijn spreekkamer toen ik het althans letterlijk valse bericht kreeg van een onbekende (...) dat de Nederlandse schrijvers Menno ter Braak, de filosoof, en Henk Marsman, de dichter, en de Belgische schrijver en dichter Eddy du Perron uit de Oost, kort na de invasie van de Duitsers waren gefussilleerd. (...) Ik onderbrak mijn medisch werk voor een ogenblik, schreef op een blad papier een titel De Stoep... Ik riep nu op om ons te verzetten. Kom op de stoep. Een nieuw Nederlands Periodiek werd in de meidagen 1940 geboren. Het enige dat vrij zou zijn, dat zelfs niet van advertenties zou bestaan, dat alle gehoorzaamheid aan zijn laars zou lappen. (...) Ik belde onder hetzelfde spreekuur Frits van der Molen op, die me eens had voorgesteld onze wieken op het Molenplein te zwaaien. (...) Ik vroeg of hij dat nog wilde, een tijdschrift beginnen. Ja, zei hij. Ik zei, het heet De Stoep (blauwsteen is fijne harde steen en de eerste bladzijde is geschreven, kom maar oplopen.’ (Tournier 1977: 31-32) Tournier verwijst hier misschien naar de vage plannen die opgekomen waren tijdens de ‘Eerste Curçaose tentoonstelling

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

van handschriften en boeken’, die een half jaar eerder in Sociëteit De Gezelligheid had plaatsgevonden. Frits van der Molen werkte na de oorlog als journalist bij Elseviers Weekblad en Elseviers Magazine. In 1948 werd hij mede-oprichter van Mandril. Over hem: 2 × 70 (1979); Van der Molen is de naam; een hommage aan de journalist Frits van der Molen. (Amstelveen: Jeka speciaaldrukkerij [z.j.]) [8] Verschenen nummers: I-1 (IX 40); I-2 (XII 40); I-3 (IV 41); I-4 (VIII 41); I-5 (XII 41); I-6 (VII 42); I-7 (VIII-42); I-8 (X 42); I-9/10 (III 43); II-1 (IX 43); II-2 (43); II-3 (IV 44); II-4 (XI 44); II-5 (V 45); II-6 (XII 45); II-7 (VIII 46); II-8 (III 47); II-9 (I 48); II-10 (IX 48); III-1 (VII-49); III-2 (VIII-49); III-3 (II-50); III-4/5 (IX-50); III-6 (V-51) Alfabetische lijst van medewerkers: Redactie: E I-1; E I-6; E I-8; E II-3 [anoniem]: L II-4; L III-3 Aafjes, B.: L I-9/10 (3x) Achterberg, G.: L I-9/10 (8x) Alers, G.E.: L II-1 (2x) Beishuizen, T.: L II-3 (2x) Berg, H. van de: L III-4/5 (2x) Bijlsma, F.S.: L II-3 Binnendijk, D.A.M.: L I-9/10 Blinder, Oda: L II-4 (3x); L II-8; L II-9 (3x); L II-10 (3x); L III-4/5 (6x); L III-6 (3x) Bloem, J.C.: L I-9/10 (4x) Boom, Ch.: L III-1 Bouquin, E.: L I-1; L I-2; E I-2; L II-4 Boutens, P.C.: L I-9/10 (2x) Bourbon, L. de: L III-1 (2x) Braamse, J.: L I-9/10 (11x); L II-3 (7x); L II-4 (8x) Brabander, G.d.: L I-9/10 (2x); L II-8 Bromberg, P.: E I-7 Broosheuft, W.: L I-2 (2x); L I-7 Bruin, K. de: L II-9 Bruin, M. de: L I-2; L I-5; L I-9/10; L II-1 (2x); L II-3; L II-4 (2x); L II-10; L III-1 Budhia: E I-4 Bijlsma, F. Sybrand: L I-9/10 C, E.E.: E II-6 Campert, J.: L I-9/10 (2x) Cornel, H.: L I-2; L I-7 (2x); L I-9/10 (3x) Corsen, Ch.: L II-10 (28x); L III-1; L III-2 (7x); L III-3 (22x); L III-4/5 (19x); L III-6 (15x) Corsen, J.S.: L III-3 (3x) Daal, L.H.: L III-6 Debrot, C.: L II-8; P II-8; L II-9; E II-10; L III-1 (5x); D III-1 Debrot, E.: L II-10 (3x); P III-1 Delden, J. van: L I-9/10; L III-3 (4x); L III-6 (2x) Delmonte, C.: P I-2 Dendermonde, M.: L I-9/10 (2x) Dibbes, T.: P I-2 Donker, A.: L I-9/10 (2x) Dubois, P.H.: L I-9/10 Eggink, C.: L I-9/10 Elias: E I3; P II-4 Engelman, J.: L I-9/10 Engels, G.: P I-3 (2x) Engels, L.: L III-6 Eybers, E.: L I-9/10; L II-3 (2x); L II-4 Fransen, J.: L I-7 G.: P II-9 Gerhard, I.G.M.: L I-9/10

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Geuns, J.J. van: L I-9/10 Gijsen, M.: E I-9/10; L I-9/10 Gomperts, H.A.: L I-9/10 (3x); E II-6 Gossaert, G.: L I-9/10 Goudsmit, S.: L I-9/10 Greshoff, J.: E I-6; L I-9/10 (2x); P II-1; E II-1; P II-2; P II-3; E II-3 Grevenbroek, T.E. van: L II-9 Groot, J.H.: L II-9 Haaren, R. van: P I-7 Hagen: L I-4; L I-9/10 Haren, P. van: L I-9/10 Hattum, J. van: L I-9/10 Heerden, E. van: L II-1 (4x) Heerikhuizen, F.H. van: L I-9/10 Helman, A.: P II-7; P II-10 Henkes, D.: E II-8 Herreman, R.: L I-9/10 Hessels, W.: L I-9/10(3x); L II-1 (2x); L II-3 (6x); L II-6 (5x) Holst, A. Roland: L I-9/10 (2x) Holten, R. van: L I-3 (2x); L I-9/10; P II-1; P II-4 Hoornik, E.: L I-9/10 (5x) Hordijk, G.: P I-3 Idserda, J.: L I-9/10 Johanson, Tj.: L II-1 Keens, G. van: E I-3 Kemp, P.: L I-9/10 (24x) Kempen, J.: L II-1 Keuls, H.J.W.M.: L I-9/10 Klinkenberg, G.v.: L I-9/10 (2x) Koster, S.: P I-3; P I-4 Krelage, K.: P I-2 Krige, Us: L II-1 (4x) Laan, R. van der: P I-4 Laqué, H.: L I-1; P I-2 Lauffer, P.A.: L II-1; L II-4; L II-6 (3x); L II-9 Leeuwen, F. van: L I-9/10 (2x) Leuven, R. van: L II-1 (2x); L II-3 Leypold, C.L.: L II-3 Lier, R. van: L I-9/10 Linden, J. van der: L I-9/10 Louw, N.P. van Wyk: L I-9/10 Luytingh, M.: L I-9/10 M., Olga: L III-4/5 Marja, A.: L I-9/10; E II-8 Marugg, T.: L II-6; L II-7 (4x); L III-3 (6x); L III-4/5 (6x); L III-6 (3x) Minne, R.: L I-9/10 (2x) Mok, M.: L I-9/10 (2x) Molen, F.J. v.d.: L I-1 (2x); P I-1; L I-2; L I-3 (2x); L I-4 (2x); L I-5 (3x); L I-7 (2x); E I-7; L I-9/10 (2x); L II-1; L II-3 (2x); L II-4; L II-8 Morriën, A.: L I-9/10 MuIder, H.A.: P II-1 Naeff, T.: L I-9/10 Nieuwburg, J.J.: L I-9/10 Nijhoff, M.: L I-9/10 Nijlen, J. van: L I-9/10 (3x) Nord, M.: L I-9/10 Nuland, W. van: P I-2; P I-3; D I-4; P I-5; P I-7; P II-6; L II-7; P II-9; P III-4/5 Olmers, J.: L I-9/10; L II-6 Oosterhof, F.M.P.: L I-9/10 (4x)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Opperman, D.J.: L I-9/10 (16x); L II-3 Praag, S.E. van: P II-1 Putten, A. van: P I-1; P I-5 Roggeveen, J.H.: L II-4 Sandberg, H.: L II-1 (3x); L III-3 (3x) Schagen, J.C. van: L II-7 (2x) Scholliers, H.: P III-1; P III-3; P III-4/5 (2x) Schütte, H.E.: L III-6 Schuur, K.: L I-9/10 S(eppen), G.: E I-1; P I-5; P I-7; E I-7 Sille, J.: L II-8 Simons, R.D.: E II-4 Smeele, L.: L II-6 (3x) Steen, E. van der: L I-9/10 (4x); P II-1; L II-3; L II-4 Stoové, C.: L I-9/10 Stoppelman, J.: P II-4 Straten, H. van: E II-7; L III-6 (2x) Terborgh, F.C.: E II-3; P II-5 Tournier, Luc: L I-1 (5x); E I-1; P I-1; P I-2; L I-3 (4x); E I-3; P I-4; L I-4 (3x); L I-5 (4x); P I-5; L I-5; E I-7; L I-7 (6x); L I-9/10 (9x); L II-1 (6x); L II-3; L II-4 (5x); P II-4; L II-6 (5x); P II-6; L II-7 (9x); P II-8; LII-8 (12x); L II-9 (11x); L II-10 (5x); L III-1 (12x); L III-3; L III-4/5 (9x); L III-6 (14x) Trip, J.W.: L II8 Veen, A. van der: P I-8 (4x) Vestdijk, S.: L I-9/10 (14x) Viruly, A.: L II-4 Vries, H. de: L I-9/10 (2x) Vroman, L.: L I-9/10 (2x); P II-8 Waal, J. de: L I-7; L I-9/10; L II-1 Wessem, C. van: L I-9/10 (2x) Wijs, J. de: L I-1 Wing, Pr. Ch.K.: L II-4 Wit, H. de: P I-3; P I-4 (2x); P I-5; E I-5; E I-7; L I-9/10; L II-3 (2x); E II-4; E II-6 (2x); E II-7; E II-8; E II-9 (2x) Zijlstra, Mr. D.: E I-1; P II-4 [9] Zie Broek & Snetselaar 1993. Enkele van de belangrijkste artikelen uit de contemporaine receptie: Curaçao 21 IX 40; 21 XII 40; 16 VIII 41; 3 I 42; 12 IX 42; La Prensa 14 XII 40; 19 XII 40; Amigoe 21 IX 40; 14 XII 40; 7 III 41; 26 IV 41; 29 VIII 41; 24 XII 41; 11 VII 42; 29 VIII 42; 21 XII 42; 24 IV 43; 9 X 43; B/N 18 IV 41; 18 VIII 41; 24 XII 41; 23 VII 42; 10 IX 42; 11 IX 42; 6 V 43; 10 V 43; 14 X 43; Neerlandia 2 [december] 1940; september 1941; april 1943; Oranje 8 X 43; 5 XI 43; 19 XI 43; 3 XII 43. Na de oorlog: WIG XXVII (1946): 122-123; XXX (1948): 310-311; XXX, 1949: 88 (F.); XXXII, 1951: 92-99 (H. Godthelp); Amigoe 5 IV 47; 25 X 48; 6 XII 48; 17 IX 49; 22 V 65 (J. van de Walle); 16 X 76 (J. de Roo); 1, 8, 15 II 80 (W. Rutgers); B/N 26 XI 48; 9, 23, 27 II 88, 2, 8, 11 III 88, 11 VI 88 (N. Casimiri); 16 VI 90 (M. Snetselaar); Curaçao 31 XII 48; B.V.G.: 18 XI 50; La Prensa 5 X 49; De Linie 25 VII 47 (J. Hartog); Vrij Nederland 7 II 48 (H. de Wit); De Morgenster 13 IX 50; Haarlems dagblad 11 VIII 51; Elseviers magazine 9 VIII 1980; E. Krispyn (1982); J.J. Oversteegen gaf in 1988 een college-cyclus aan de UNA; SticusaJournaal XVIII-117, 31 XII 88: 21-24 (M. Snetselaar); Het oog in 't zeil VII-2/3, december/februari 1990: 42-46 (Marion Snetselaar). De Antilliaanse houding bleef lange tijd enigszins dualistisch: De Stoep bevatte weliswaar werk van eigen auteurs, maar dat was in drie opzichten on-Antilliaans: het bouwde niet voort op de tot dan toe ontwikkelde traditie maar zocht aansluiting bij modern-internationale westerse on-eigen stromingen, het uitte zich nagenoeg uitsluitend in het Nederlands, het werd door een Nederlander geredigeerd. Zo wekte de blanke gevel de bruine wrevel (om René de Rooy vrij te citeren). Dit zou tot in de jaren tachtig de heersende houding blijven. Toen veranderde er iets, mede als gevolg van een andere waardering van de totale Nederlands-Antilliaanse literatuur.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Die ontstond misschien wel rondom de op alle eilanden geëxposeerde Debrot-tentoonstelling en het grote op de U.N.A. gehouden Cola Debrot-symposium. Momenteel worden de Nederlands-Antilliaanse auteurs - mede door hun succes in het buitenland - als culturele ambassadeurs van hun land beschouwd. In dat veranderde kader werd Oversteegen in februari en maart 1988 uitgenodigd een tiental U.N.A.-colleges over ‘De Stoep als katalysator’ te geven. Hij constateerde in het tijdschrift een ontwikkeling, een Antillianiseringsproces dat als volgt samengevat werd: De Stoep begon als heimweeblad door en voor Nederlanders in de diaspora; daarna kwamen aarzelend Antilliaanse thema's naast de Nederlandse bestemd voor macambas; na de oorlog overheersten Curaçaose thema's die verwoord werden door Antilliaanse schrijvers, waarbij Nederlandse lezers die niet heel goed op de hoogte van Curaçaose gegevenheden waren, vaak zelfs werden uitgesloten. (Amigoe 11 III 88) [10] Tegen de bedoeling in waren er in feite drie tijdschriften ‘Neerlandia’, want tegen de verwachting in bleef het Europese verschijnen, en voor de Japanse bezetting gaf men in Indië ook een Neerlandia voor eigen land en Azië uit. Het Antilliaanse Neerlandia verscheen geregeld van november 1940 tot het zomer-herfstnummer 1945 in een oplage van aanvankelijk 1500, maar daarna zelfs tussen de 2000 en 2500 exemplaren. Het werd verspreid naar allerlei landen in Amerika, maar ook naar Azië en Australië. Hoewel het grootste deel van de oplage naar het buitenland ging, was op de Antilliaanse eilanden zelf de distributie bepaald niet gering: Curaçao 400; Aruba 200; Bonaire 40; de Bovenwinden samen 20. Deze opgave betreft dus een relatief groot aantal, in elk geval vergeleken met andere tijdschriften en bladen. Het was trouwens steeds ongeveer het aantal leden van het A.N.V., wat het verenigingskarakter van het blad nogmaals aangeeft. Buiten de Antillen sloeg het blad nauwelijks aan. Met name het New Yorkse Knickerbocker vond het (uit concurrentie-overwegingen?) overbodig. [11] A.N.V.-toneel van de afdeling Aruba: 2 VIII 41 Betje regeert; 7 II 42 H. van Wermeskerken: Tropenadel; 24 X 42 O. Wilde: Een ideaal echtgenoot; 17 VII 43 Paul Armont: Dicky; 24 VI 44 A. Ridly: De spooktrein. A.N.V.-secretaris Hessling schreef n.a.v. dit toneel: ‘Op onze toneelavonden toch komt men alzo in een Nederlandse sfeer en moet men in het Nederlands denken...De Toneelgroep verricht derhalve opbouwend werk in Nederlandse zin en vormt een onderdeel van het Nederlands geestelijk front.’ (Neerlandia juli 1943: 9) A.N.V.- toneel van de afdeling Curaçao: 19 V 43 De Overwinnaars (hoorspel voor de Curom); 25 III 44 Vadertje Langbeen; ? 45 M. Achard: De vrijbuiter. [12] Lux ontstond op initiatief van de ‘Vereniging Mgr. Niewindt’, die in artikel 3g van haar statuten het ‘uitgeven van een periodiek’ had vermeld, en de steun van de Sint Thomaskring (Hartog 1944: 73). De datum van het eerste nummer: juli 1943 (tachtig jaar na de afschaffing van de slavernij) mag als symbolisch gelden, omdat de R.K. kerk altijd al de rol van Mgr. Niewindt in dit emancipatieproces benadrukt had. De redactie werd gevormd door geestelijken en nauw met de kerk meelevende gelovigen: H.M. Hulsman O.P.; Fr. M. Rigobert; E.B.M. da Costa Gomez-Heiling; J.J.A. Ellis; Joh. Hartog; H.J.M. Hoogeveen. Waar de redactie dus in haar geheel R.K. was kon dat niet van alle medewerkers gezegd worden. Het blad verscheen van 1943 tot 1946. Het eerste nummer was van juli-augustus 1943; de volgende steeds keurig op tijd, iedere tweede maand. De eerste jaargang telde dus zes nummers, met in het geheel 268 pagina's, een redelijke omvang. De volgende jaargangen waren zelfs nog iets dikker: respectievelijk 280 en 354 bladzijden. Jaargang vier telde nog drie maandelijkse nummers die elk wat dunner waren. Wat de uitvoering betreft kan er dus van een goed georganiseerd tijdschrift gesproken worden, maar dat was steeds al kenmerkend voor de R.K. pers in zijn totaliteit. Lijst van ‘literaire medewerkers’: Redactie: E I-1; E I-2; E III-1; E IV-1 An. (red.): E I-3 (2x); L I-5; E I-5; E I-6; E II-2; E II-3; E II-5 (2x); L II-5; E III-2 (2x); L III-2; E III-2 (3x); L III-2; P III-2; E III-3; E III-4; E III-5 (2x); E III-7 Alers, G.E.: L I-3 (2x); L I-4; L II-1; L II-3 (3x); L II-4; L II-5 (9x) Babylon, F.: L II-6 Barbanson, W.L. de: E I-3; E II-4; E IV-1 Brada, Pater: E II-5; E III-3; E IV-1 Brenneker, V.: E IV-1 Bruyns, M.: L I-6 (2x) Coolen, A.: P I-3

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Costa-Gomez, M.F. da: E I-6 Emmanuel, I.S.: E I-4 Fidelius, M.: E I-1 Fr.v. Tilburg: E I-3; E I-6; E II-2; E III-4 Gezelle, G.: L I-1; L I-5 (3x) Gijsen, H.A.J.: L I-1 Goslinga, W.J.: E I-2 Goyau: E I-3; E I-5; E I-6; E II-2; E II-3; E II-5; E II-6; E III-2; E III-3; E III-5; E III-7 Graaf Fortman, B. de: E III-7 Grollenberg, L.: E IV-3 Hartog, J.: E I-2; E I-4; E I-5; E II-5; E II-6; E III-3 M.H.: E II-5 Kemp, M.: L I-3; L I-4; L I-6; L II-4 Laarschot, E. van de: E I-2 Latour, M.D.: E I-1; E I-2; E I-6; E II-4; E II-5; E II-6; E III-2; E III-5; E IV-3 Meeteren, N. van: E II-6; E III-3; E IV-2; E IV-3 Möhlmann, M.: E I-4; E I-5; E II-3; E III-1; D III-2; D III-3; D III-5; D III-6 Oever, K. v d: L II-4 Sar, A. v d: E II-4 Schipper, B.A.: E III-3 Smeulders, J.: P I-1 Steenhoff-Smulders, A.: L II-4 T(ournier), L.: L I-1; L II-2 Try Ellis, W.Ch. de la: E I-2; E I-4; E I-6; E II-2; E II-4; E II-6; E III-5; E III-7; E IV-1; E IV-2; E IV-3 Verriet, P.I.: E I-1 Vertommen, K.: L I-4 Verstappen, S.: L III-4 Viator: L III-5 Volkertsz, E.: L III-5 Vondel, J. van den: L II-5 Westermann, J.H.: E I-1; E I-3 Winters, E.: L II-4 Witte, A. de: E IV-1; E IV-2 [13] Een van de belangrijkste literaire medewerkers was Wim van Nuland (pater Michael Möhlmann 1911-1969), die van 1939 tot 1969 op Curaçao werkzaam was. Hij schreef journalistiek-pastorale stukken: Amigoe 29 XI 39 ‘Waarom?’; 23 XII 39 ‘Kerstmis’; 28 XII 39 ‘Stille nacht’; 30 XII 39 ‘Oudjaar’; 9 II 43 ‘Cultuurdwalingen’; 5 V / 27 VI 51 ‘Het spiegelbeeld van de Antillen’ [later verschenen als afzonderlijke uitgave bij N.V. Paulusdrukkerij Willemstad] Schetsen en toneel in De Stoep I-2: ‘In memoriam fratris’; I-3: ‘Francisco’; I-5: ‘Norma’; I-7: ‘Benita’; I-4: ‘Goud, wierook en myrrhe’ (voorspel); II-6: ‘Kerstmis op Niemandsland’; II-7: ‘Eucharistica’; II-7: ‘Angelita’; III-.: ‘Het hart van rode suiker’. Drie van deze ‘Curaçaose portretten’: Francisco, Benita, Angelita, werden later opnieuw afgedrukt in Antilliaanse Cahiers I-3: 1-60 (1956). In Lux 1944: 130-141 ‘Geboortebeperking en publieke meening’; 177-200 ‘Het brandende braambosch’; 108-130 ‘De grote leugen en de waarheid’; 1945-1946: 44-49, 102-106, 101-182, 338-353 ‘Het spel van Broeder Frans’[een berijmd toneelspel van het leven van Sint Franciscus]; 1946: 197-255 ‘Goud, wierook en myrrhe, een mysteriespel’. Bloemlezing: H. Godhelp: Geest en stijl. Zutphen, Thieme [ong. 1950] - C. Debrot 1955, 1977, 1985: 137-144; 214; Wim Rutgers: ‘Solidariteit’. (Ñapa 15 II 80)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

[14]

1942

José A. Martis: Carmen Molina

1943

Carlos M. Fernandes: Martirio di amor

1943

A.P. Nita: Marianita

1943

Guillermo Rosario: Un drama den Hanch'i Punda

1944

Guillermo Rosario: Su rival?

1944

A.P. Nita: Un drama na fiesta di San Juan

1945

A.P. Nita: Un drama na seru di Pietermaai

1945

A.P. Nita: Machi Dien

[15] H. Habibe verzorgde een lezingencyclus over ‘Algun novela na Papiamentu’ - in april 1987 aan de UNA, in mei 1987 in de B.N.A. - waar hij G. Rosario behandelde. Hij noemde de sociale en raciale aspecten van Rosario's werk. (Ñapa 27 VI 87) Zie ook Aart G. Broek 1989a. [16] Overzichtsschrijvers van de jaren veertig en vijftig als Albert Helman, Johan Hartog, Garmt Stuiveling en Henk Dennert noemden Patria nooit, terwijl de laatste zich toch zo nadrukkelijk beklaagd had dat er zo weinig over de Papiamentstalige literatuur gezegd en geschreven werd. (N.R.C. 10 IV 52; De West-Indiër 6 VI 52; W.I.G. XXXIII: 1952: 229-230) ‘Zijn twee bundels, Kumbu en Patria (Vaderland) zijn kenmerkend voor zijn klankrijke, klinkende, soms archaistisch aandoende, soms striemende, soms strelende poëzie.’ (Martinus Arion 1958: 87) ‘Ofschoon onder de bedrijven door steeds publicaties zijn geweest in het Papiamento kan men rustig aannemen, dat de bloei van de Papiamentse “school” gestimuleerd is door de dichter Pierre Laufer met zijn bundel “Patria” (...) Lauffer is erin geslaagd aan te tonen dat het Papiamento door zijn muzikaliteit uitermate geschikt is voor poëzie.’ (Jules de Palm: Wikor maart 1959: 84) De voorbeelden die De Palm daarna gaf waren echter uit volgende bundels. Henry Habibe oordeelde weinig gunstig over Patria, met name het eerste gedicht ‘Korsou’, als ‘een nogal hoogdravend gedicht, waarin ritme en rijm een grote rol spelen. Ik zou het haast willen vergelijken met een kapstok, waaraan de dichter zijn zorgvuldig gekozen woorden heeft opgehangen.’ (Watapana I-1: 9) Later wees hij er in een lezing nadrukkelijk op dat Patria jeugdgedichten bevatte, die Lauffer lang bij zich had gedragen eer hij tot publicatie kwam. (Lezing in de Biblioteka Publiko Korsou 19 IV 90; Amigoe 19, 21 IV 90; B/N 18 IV 90) Fred de Haas oordeelde: ‘In de bundel Patria zijn de thema's waarop Lauffer zich later zal inspireren reeds aanwezig. Hij werkt ze echter nog zeer oppervlakkig uit en moet de nalatenschap van de laat-romantische dichter J.S. Corsen (1854-1911) nog van zich afschudden. In Patria neemt de dichter afscheid van zijn jeugd, van de jaren waarin hij dacht dat de wereld een toneel vol genoegens was, van de tijd dat hij onbekommerd vreugde schepte in het aanschouwen van de heuvels in de mondi en in alles wat de natuur voor liefelijks bood.(...) In Patria zien we dat de dichter niet loskomt van een zekere kunstmatigheid bij het componeren van zijn gedichten. Maar men voelt reeds de moeite die hij heeft om zich aan bepaalde versvormen te binden, en de dartele inspiratie probeert steeds door te breken in de vorm. Duidelijk wordt al, dat de dichter de neiging heeft meer te letten op melodie en accent dan op het aantal lettergrepen. (...) In Patria komen we al de dichterlijke beelden tegen die de kracht zullen zijn van de latere Lauffer...(...) In Patria maken wij kennis met de gevoeligheid van de dichter en zijn gave om de eenvoudige dingen des levens te vertolken. (...) Goed minder goed en slecht gaan hand in hand.’ (Amigoe 5 XI 69) Hoewel Jos de Roo's interview-serie ‘De andere Lauffer’ de auteur en diens werk in het algemeen behandelde, was het toch opvallend hoe weinig Patria met name genoemd werd en er nauwelijks voorbeelden van goede poëzie uit dat debuut geciteerd werden. (Amigoe 8 III - 15 XI 83) In een Curaçaose U.N.A.- en Arubaanse B.N.A.-lezing, respectievelijk op 17 augustus en 25 september 1986, wees Jules Marchena op zowel de vernieuwing die Lauffer in 1944 bewerkstelligde als zijn latere ontwikkeling tot een veel hoger niveau dan het debuut. Carel de Haseth schreef over Lauffer als gids van de Papiamentse beweging, eerder dan als aanvoerder, want ‘ook hijzelf maakte een leerpoces door en experimenteerde met de

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

mogelijkheden van de taal. Deze evolutie in zijn werk is nogal opvallend: zo vallen de gedichten uit PATRIA qua taalgebruik in het niet bij zijn latere werk.’ (Eustatia 1986b: 28)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

208

6.3. Tijdschriften als katalysator van literatuur Na afloop van de oorlog probeerde Nederland de culturele banden met de overzeese gebiedsdelen zo snel mogelijk te herstellen. Naarmate het duidelijker werd dat ‘Indië verloren zou gaan’ kreeg Nederland meer aandacht voor een ‘De West-concept’ waarin Nederlandse organisaties Suriname en de Nederlandse Antillen (in die volgorde van belangrijkheid) als één gebied beschouwden, al de cultuur- en taalverschillen tussen die twee niet alleen geografisch zo ver uit elkaar gelegen landen negerend. Een aantal in het moederland verschijnende tijdschriften werden de spreekbuis van de vraag welke cultuur-oriëntatie het meest wenselijk was. Het ‘Rapport van de Commissie tot onderzoek en bestudeering van de in het staatsdeel Curaçao levende politieke opvattingen en wenschen’ (1946) schreef dat er twee redenen waren om de culturele band van Curaçao met Nederland te verinnigen: zo'n band zou de wederzijdse sympathie en het saamhorigheidsgevoel verhogen, ze schonk de bevolking het voordeel van een ontwikkelder cultuur. Maar die band zou op de Antillen niet mogen knellen: ‘Het is een groote vraag, of het mogelijk, ja zelfs of het wenschelijk is, dat Curaçao ooit zoo'n imitatie-Nederland wordt, als sommige menschen wenschen, maar zeker is het inconsequent, dit resultaat tot uitgangspunt te nemen, en Curaçao te behandelen alsof het reeds een “Nederland onder de tropenzon” was. Men moet Curaçao nemen, zooals het is: eilanden met een bevolking door vele banden aan Nederland verbonden, maar door afkomst, temperament, omgeving en klimaat en vele andere factoren wezenlijk verschillende van het Moederland.’ (p. 19) Het initiatief tot het aanhalen van deze banden zou volgens de commissie zeer wel uit kunnen gaan van de Shell-mensen, net die groep die zich zo superieur afzijdig hield. Ze pleitte met andere woorden voor aanpassing van de macamba aan de eilanden - niet omgekeerd. ‘De band met Nederland is er op zijn best een van sympathie, versterkt door enkele gemeenschappelijke, cultureele factoren, terwijl de band met dit halfrond een natuurlijke is, en dus aan alle sympathie en cultuur voorafgaat.’ (p. 21) De Nederlandse Antillen pleitten dus voor culturele autonomie.

Positiebepaling Toen aan het begin van deze eeuw de Nederlandse aandacht voor De West groter werd - misschien wel ontstond - had dat een aantal artikelen en boeken tot gevolg, de Encyclopaedie voor Nederlands West Indië 1914-1917, en de oprichting van de West-Indische Gids in 1919. Na de Tweede Wereldoorlog werd er in Nederland opnieuw aandacht gevraagd voor ‘De West’, nu veelal op initiatief van in Nederland verblijvende en studerende jonge ‘Westindiërs’ zèlf. Ze organiseerden zich en gaven met meer of meestal minder succes een blaadje uit om hun streven meer bekendheid en een klankbord te geven.[17] Voor de literatuur waren deze bladen nauwelijks van belang. Ze te signaleren is dan ook eerder bedoeld als het registreren van de tijdgeest. Die sprak duidelijk uit een blad dat het een jaar volhield, De West-Indiër. Het in het eerste nummer van 27 februari 1953 omschreven doel was om de band met hun landen van herkomst te onderhouden en om ‘De West’ in Nederland meer bekendheid te geven, officieel luidde het ‘de geestelijke en de materiële verheffing van de West-Indische landen

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

en volken; samenwerking van deze landen en volken met Nederland en alle andere daarvoor in aanmerking komende landen en volkeren op de grondslag van gelijkwaardigheid en gelijkberechtigdheid.’ Opvallend was dat de bladen spreekbuis werden van het streven naar autonomie, dat via de ronde-tafel-gesprekken zijn nieuwe politieke contouren kreeg. De bladen maakten als het ware de balans in eigen land en in het toekomstige rijksverband op.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

209 Van meer cultureel gewicht werd Eldorado, het ‘maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen’. Het stond dan ook onder redactie van invloedrijke mensen uit alle drie delen van het koninkrijk.[18] Het verscheen van januari 1949 tot februari 1950. Het doel was ‘een tijdschrift als medium van ‘bezinning’, om zich ‘opnieuw te oriënteren, om na te denken, te overzien en te groeperen, en om onze richting, onze verdere doelen te verkennen’. Men opteerde voor de ‘eenheid van het Koninkrijk na de onafhankelijkheid van Indonesië’. Maar direct al bleek de zwakte van dit concept, want de eerste culturele positiebepaling van de drie overgebleven landen in het Koninkrijk bracht direct al belangrijke Nederlands - Antilliaanse tegenstellingen aan het licht. Zo schreef de Nederlandse professor J.H.A. Logeman in het eerste nummer: ‘Het is nu eenmaal zo, dat de nederlandse taal, nederlandse geloofsvormen, nederlandse wetenschap (de algemene en die omtrent deze landen), nederlandse bewindsvormen, staatkundige opvattingen en maatschappelijke maatstaven een belangrijk deel van het cultuurgoed der volkeren van Suriname en de Nederlandse Antillen uitmaken, zij het niet voor alle in gelijke mate. Alle cultuur nu heeft behoefte aan duurzaamheid; wel aan vernieuwing, maar aan vernieuwing in continuïteit. Daarom is het een surinaams en antilliaans belang, om bij voortduring uit een zo sterke en levende cultuur als de nederlandse te kunnen blijven putten. (...) Suriname en de Nederlandse Antillen zullen met inachtneming van de algemeen erkende mensenrechten, zelf uitmaken, welke culturele politiek zij willen volgen. Nederland staat daarbij tot hulp bereid.’ (p. 6) Deze mooie woorden verheelden niet dat bij die zelfwerkzaamheid al direct het probleem van cultureel wantrouwen heerste. Debrot kreeg direct na Logeman het woord en schreef: ‘Er bestaat geen gebrek aan culturele belangstelling, wel moet men een uitgesproken wantrouwen constateren ten aanzien van Nederlandse of voor Nederlands gehouden personen en instellingen, die zich de uitbreiding van de cultuur voor ogen hebben gesteld. Deze verenigingen zijn van diverse pluimage, maar zij vertonen op één punt toch duidelijke verwantschap: zij dragen in meer of mindere mate een koloniaal karakter.’ (p. 9-10) Dat hield volgens Debrot het streven in ‘om de cultuur van een volk met een hoge beschaving over te planten op een andere samenleving, die in een geheel andere fase verkeert, in dit geval de Europese cultuur met een Nederlandse tint op een Caraïbische bevolking, die voor minstens 90% uit mensen van Afrikaanse afkomst bestaat’.[19] Het belang van het tijdschrift voor de literatuur was niet direct groot te noemen, want het nam voornamelijk algemene artikelen op over de culturele positiebepaling van de Antillen, op zichzelf en in Caraïbisch verband. Wel besteedde het veel aandacht aan de zo verschillende taalproblematieken in Suriname en de Nederlandse Antillen, verschenen er nu en dan besprekingen van boeken uit het Caraïbisch gebied, hielden de Curaçaose auteurs Tip Marugg en Jules de Palm respectievelijk een ‘Curaçaose kroniek’ en een ‘Arubaanse kroniek’ bij, maar echte creatieve bijdragen waren niet talrijk.[20]

Van autonomie naar revolutie

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Na de oorlog kende Curaçao zelf vele tijdschriften. Het moet een tijd geweest zijn waarin veel werd gelezen, al waren de bladen veelal eenvoudig en bestonden de meeste maar kort. Het verschijnsel dat elke vereniging of club een eigen orgaan uitgaf, was al in de jaren dertig begonnen, breidde zich tijdens de oorlog sterk uit en werd mode in de decennia erna, veel sterker dan tegenwoordig want het verschijnsel is de laatste decennia weer sterk afgenomen.[21] In nagenoeg elk van al deze zo van elkaar naar doel en uitvoering verschillende bladen werd wel eens een gedichtje opgenomen, maar alleen de specifiek literair bedoelde bladen komen hierna uitgebreider aan de orde. Deze literaire bladen waren dus maar een klein onderdeeltje van een na de oorlog wijdverbreid en bloeiend verschijnsel, geheel bedoeld voor het eigen publiek. Alle

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

210 bladen werden plaatselijk geproduceerd en buiten de Antillen nauwelijks gedistribueerd en geconsumeerd. Het ‘autonome tijdschrift-geluid’ maakte van 1940 tot 1969 een ontwikkeling door van algemene identiteitsbladen naar zeer kritische bladen die ‘Dertig mei 1969’ als het ware voorbereidden, een ontwikkeling van Nederlands initiatief naar de uitvoering door eigen mensen, van het Nederlands als meestgebruikte tijdschrifttaal naar het steeds meer ingang vinden van het Papiamento.[22] Net als in vorige tijdperken leidden de na-oorlogse tijdschriften een veelal kort bestaan. Naar oplage en verkoop is het achteraf slechts gissen, nog moeilijker valt te bepalen wat de reële invloed van een bepaald tijdschrift geweest is. Naast de puur literaire bladen waren er na de oorlogsjaren een aantal die als onderdeel van een algemene culturele opzet incidenteel literair werk opnamen, en waaraan bekende schrijvers hun medewerking verleenden. Een voorbeeld van zo'n tijdschrift was het nu onvindbare Social y Cultura (1952) waaraan Frank Martinus Arion meewerkte. Een ander dat wat gemakkelijker bereikbaar bleef, was Antillano, periodico di Sociedad Centro Antillano (1953-1954), dat het eigen geluid van de Papiamentstalige, nationale dichters propageerde, die hun poëzie naar het volk zouden brengen, met name in de cunucu. De methode om succes te behalen was: eenvoudig beginnen, en vervolgens opvoeden tot hogere cultuur...Chal Corsen en Pierre Lauffer werkten eraan mee, en het valt achteraf niet moeilijk in de doelstelling een echo van Cola Debrot's C.C.C.-ideeën te herkennen. Het blad bestond maar kort en werd vergeten, zodat het niet in de literaire overzichten doordrong.[23] Naast een dergelijk blad dat bedoeld was voor brede lagen van de bevolking, was Christoffel (1955-1960) bestemd voor de eigen culturele elite. Het ‘sociaal-cultureel maandblad van en voor de Nederlandse Antillen’ was van katholieke signatuur, het was bovendien Curaçaos, maar reserveerde ruimte voor bijdragen van passanten. Het streefde met haar ‘beschouwingen uit eigen hand en van eigen haard’ naar ‘culturele emancipatie van de brede lagen der bevolking’. Het tijdschrift was als een baken voor de eigen positiebepaling binnen de nieuwe politiek-economische, en vooral de culturele fase waarin de Antillen in de beginjaren van het nieuwe Statuut voor het Koninkrijk verkeerden. Het bepaalde de positie ten opzichte van het moederland en de westerse cultuur in het algemeen, tegenover een culturele ontwikkelingsorganisatie als de Sticusa, in verhouding tot de contacten met de regio en Zuid-Amerika en met betrekking tot het onderwijs en met name de taalsituatie. Het pleitte voor het Papiamento en vroeg aandacht voor de vreemde talen. In de formulering herkennen we opnieuw een echo van Debrots stem: internationalisering vanuit de zelfwerkzaamheid: ‘Moeten de vreemde talen ons de weg openen naar de cultuurschatten van andere volken, de moedertaal moet zelf als voornaamste cultuurbezit in de mens leven en hem als basis dienen voor zijn denken en handelen en de vreemde voertaal moet er op gericht zijn a.h.w. een tweede moedertaal te worden, d.w.z. dat niet alleen de verschillende klanken worden aaneengeregen en gebruikt, maar dat de taal wordt doorleefd en doorvoeld.’ (I-2: 72) In Christoffel kwam maar weinig literatuur voor: alleen enkele gedichten van Oda Blinder, Marie Bomba, Henk Dennert, J.M.H. Frencken, Pierre Lauffer en Marie Penon de Abbad.[24]

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Geheel anders van opzet en doelstelling was Wij in de Antillen, dat in het begin van de jaren zestig verscheen. Dit geheel Nederlandstalige blad wilde volgens de redactieverklaring een ‘brokje Antillenleven’ van ‘Antilliaans karakter’ brengen, maar zal daarbij - gezien de aanpak en inhoud - vooral de op Curaçao wonende Nederlanders aangesproken hebben. Het blad was als gezinsblad bedoeld en had hier gevoeglijk ongenoemd kunnen blijven, ware het niet dat een paar auteurs die zich eerder op verdienstelijke wijze in het Papiamento hadden onderscheiden er op

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

211 regelmatige basis in het Nederlands aan gingen meewerken: niemand minder dan Pierre Lauffer en Ornelio Martina. Beiden beschikten over een vaardige pen, maar Lauffer won het in humor. Hij schreef in de jaren vijftig en zestig een groot aantal ‘stukjes’ over Curaçao, die hem bij tijdgenoten en vrienden de naam van ‘Curaçaose Carmiggelt’ bezorgden. Had hij in Antillano tussen februari en oktober 1954 al negen columns geschreven, aan Wij in de Antillen droeg hij vanaf november 1960 bij. Nadat ook dat tijdschrift het gebruikelijke lot van opheffing had ondergaan, wendde Lauffer zich tot het traditionele en stabielere kanaal, het dagblad Amigoe, waarin hij van 15 september 1961 tot 30 september 1963, nagenoeg wekelijks een bijdrage leverde - bij elkaar dus zo'n honderd columns. Zo trad hij in het voetspoor van Pater Jan Paul Delgeur; de humor hadden ze gemeen, maar Lauffer was beter observator. Hij schreef in al zijn stukjes over het moderne, alledaagse leven op zijn eiland. Zijn Amigoe-titel ‘Zo is Curaçao’ verwees daarbij naar John de Pool, wiens nostalgische herinneringen op dat moment onder de titel ‘Zo was Curaçao’ vertaald werden. Lauffer plaatste zich dus welbewust in een oude traditie, maar waar De Pool de voorbije elite beschreven had, gaf hij op zijn humoristische manier het eigentijdse leven van de gewone mensen weer, die hij als politieagent dagelijks op straat kon waarnemen. Hij toonde daarbij een grote liefde voor zijn land en volk, de schoonheid van de natuur en de zwarte vrouw. Nadat Lauffer in 1963 naar Nederland en Engeland was gereisd, koos hij definitief voor het Papiamento. Hij nam kennelijk liever een centrale positie in een zich ontwikkelende Papiamentstalige literatuur in, dan een marginale in de Nederlandstalige. Er was in die jaren van Antilliaanse kant gezien, ruimte voor zowel Nederlands als Papiamento, er was wat de auteurs betreft geen sprake van een taalstrijd. Pas in de loop van de jaren zestig zou het Nederlands steeds vanzelfsprekender voor het Papiamento moeten plaatsmaken.[25] Als er in de tweede helft van de jaren zestig nog wel van het Nederlands gebruik gemaakt werd, was dat toch overwegend om op fel kritische wijze naar het koloniale moederland uit te halen. De twee meest felle protestbladen waren Stanley Browns populaire tweewekelijks op Curaçao verschijnende ‘afhankelijk tijdschrift’ Vitó (1964-1971), op Aruba het minder bekend geworden maar nauwelijks minder felle Feneta. (1969-1971)[26] Van de redacteuren F. Sprott, F. Célaire, J. Pereira, J. de Cuba en R. Todd Dandaré bleef al spoedig alleen de laatste over. In Nederland kwam met de kwantitatieve toename van de daar verblijvende Antillianen het verschijnsel van het door studenten geredigeerde tijdschrift op: Encuentro Antillano een het eind van de jaren vijftig, Kakiña in het begin van de jaren zestig, en Kambio in de tweede helft van dat decennium.[27] Vooral het derde was zeer fel in zijn protest tegen zowel Nederlandse als Antilliaanse ‘wan’toestanden - op politiek, sociaal-economisch en cultureel gebied. Om een idee te geven van de zestiger jaren retoriek een stukje uit een beginselverklaring: ‘Konservatieve ideeën zullen door progressieve visies aan het wankelen worden gebracht. Rechtse denkpatronen zullen door hun linkse pendanten op hun bestaansrecht worden getoetst. Traditionele instituten zullen door een atraditionele aanpak gedwongen worden hun bestaansrecht te bewijzen of zich aan

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

te passen aan de moderne eisen. Onze geschiedenis zal herschreven moeten worden.’ (Kambio II-6) Van literair belang zijn met name de artikelen van Harold Arends en Harold Hollander; Jos Eustatia en Federico Oduber droegen gedichten bij. Vooral de laatste, die in de Nederlandstalige bundel Beseffend (1961) in een verfijnde stijl romantisch-weemoedige jeugdgedichten over onbereikbare liefde en dood (Kambio I-1: 4) gepubliceerd had, evolueerde in Kambio naar romantisch-idealistische strijdliederen. Het sociale karakter van de poëzie van deze ‘angry young man’ paste goed in het streven van de redactie om met het bourgeoiskarakter van de traditionele Antilliaanse student te breken. De hak die

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

212 Pierre Lauffer wilde gebruiken om de Antilliaanse literaire bodem te bewerken, werd in Odubers latere gedichten en in zijn tweede bundel van 1973 Putesia (een contaminatie van ‘poesia’ en ‘puteria’) een zwaard: ‘den mannan di Oduber e “chapi” [di Lauffer] a bira un “spada”’ (Habibe: Watapana III-3, juni 1971: 3-6) Zelf zou Oduber later over de taak van de dichter zeggen: ‘Een dichter, die zeker in een kolonialistische maatschappij geen onrust, verontrusting zo u wilt, bij het establishment kan veroorzaken is een zwakke dichter en is slechts bestemd om vernissage te blijven voor de maatschappij waarin hij leeft en werkt.’ (Hacha VII-5, juni 1981: 8-9) De felle toonzetting was er, maar wat werd er bereikt? Verton (1977: 76-77) concludeerde dat Kambio als intellectueel blad nooit het Curaçaose volk bereikte; dat was vanuit het verre Nederland ook een beetje moeilijk. De redactie was het bovendien om een bewustmakingsproces bij in Nederland verblijvende Antilliaanse studenten te doen. Stanley Brown's Vitó verkeerde als op Curaçao geredigeerd, geproduceerd en gedistribueerd blad in een heel andere positie en had wegens zijn opzet en zijn van het ‘alternatieve circuit’ overgenomen verspreidingsnet wel grote invloed op het volk en drong terdege in de barios door. (Verton 1977: 80-82) Maar al was het dan voor andere doelgroepen, beide tijdschriften werkten aan het bewustzijn van de Antillianen, jongeren en ouderen. Ze verdedigden de eigen taal en met hun politieke stellingname kunnen ze achteraf als voorbereiders van ‘Dertig mei 1969’ gekarakteriseerd worden. Aan het slot van deze paragraaf moet een algemeen probleem gesignaleerd worden. Degenen die hun overzichten van de Antilliaanse literatuur gaven, richtten zich voor hun materiaalordening veelal zó op de auteurs en hun werken, dat een bespreking van de media waarin die werken verschenen niet aan de orde kwam. Zo zijn er geen serieuze tijdschrift-analyses voorhanden, en er is daarom ook geen oordeel of waardering, noch contemporain noch achteraf.[28]

Simadán en het Papiamento René de Rooy schreef in 1949 in het al eerder genoemde ‘De miskenning van Julio Perrenal’ (Eldorado 1949: 548-552), dat er ‘door een groep jonge dichters voorbereidingen voor de oprichting van een litterair blad, uitsluitend in de landstaal’ getroffen werden. Het tijdschrift zou niet lang meer op zich laten wachten, want al in 1950 vond Pierre Lauffer, ruim zes jaar ‘na de Julio Perrenal-beweging’, nu met René de Rooy en Nicolas Piña, opnieuw een kanaal om zijn idealen inzake de promotie van het Papiamento als literaire taal te realiseren: Simadán, revista literariocultural.[29] Zowel Jules de Palm als René de Rooy hebben hun herinneringen aan deze tijd op schrift gesteld, zodat eerstehands materiaal over het ontstaan en de ideeën achter deze Papiamentse beweging bewaard bleef. Toch sprongen beiden, lijkt het wel, een beetje vrij met hun geheugen om. René de Rooy stond kritisch tegenover De Stoep, maar dat hij een ‘bitter gevecht’ (J.Ph. de Palm 1979: 37) heeft moeten leveren om zijn poëzie daarin geplaatst te krijgen, wordt niet aannemelijk als we letten op zowel

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de hoeveelheid als de verspreidingsdata van zijn bijdragen aan dat tijdschrift, vanaf 1941 tot 1949 toe. Toch was er tweeërlei verzet van de kant van De Rooy: ‘waarom kunnen wij niet wat de makamba wel kan?’ (J.Ph. de Palm 1979: 37) en het verzet tegen het experimentele karakter van De Stoep, waardoor dokter Engels zich buiten de ontwikkelingsfase waarin de Antilliaanse literatuur zich op dat moment bevond, plaatste: ‘Terwijl dokter Engels bezig was zijn Stoep op te klauteren, waren er ook velen, die met beide benen op onze rotsachtige bodem bleven staan.’ (J.Ph. de Palm 1979: 44)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

213 In zijn posthuum verschenen herinneringen zou De Rooy schrijven: ‘Ondertussen is onze kleine culturele revolutie al van start: de blanke gevel wekt de bruine wrevel, schrijft een van ons. Mijn vrienden en ik bespreken de nieuwe literaire situatie en we groeien dichter naar elkander toe. Het mag dan nog wel enige jaren duren, maar Ruiz, Ramón, Hulio, Nicado en Andrés besluiten met mij het antwoord te geven in onze eigen taal zodat het eerste blad Sehu te doop wordt gedragen. Wij leven voller, onstuimiger, wij vergaderen, schrijven verzen, artikelen, liederen, en onze stem wordt gehoord. Wij voelen dat wij de grondslag leggen voor de toekomst.’ (Verworpen vaderland 1974: 40-41) De namen werden lichtelijk veranderd, maar de feiten kloppen. Het mag allemaal wat minder romantisch en heroïsch zijn toegegaan dan hier gesuggereerd werd, Simadán werd door redactie, medewerkers en kritiek ervaren als een geheel eigen produkt, gemaakt door en voor de Curaçaoenaars. Het was ‘eigen’ qua inhoud en taal, als poging het Papiamento een plaats in de voorste rijen te verschaffen en door gewoon aan de eigen omgeving de inspiratie te ontlenen. Inhoudelijk was er een groot verschil tussen de eerste twee ‘Curaçaose’ en het laatste ‘Arubaanse’ nummer. (Ñapa 28 IV 81) In het eerste nummer nam de poëzie de meeste ruimte in: niet minder dan vijftig procent. Daarnaast was er proza, twee essays over de spelling van het Papiamento (die stond op dat moment in het middelpunt van de belangstelling), een muziekstuk en een reproduktie. Deze verscheidenheid van beeldende kunst, maar vooral literatuur en muziek, doet aan Notas y Letras denken. Het besef van traditie was bij de redactie sterk aanwezig, getuige de opgenomen werken van J.S. Corsen en W.M. Hoyer. In totaal waren er elf medewerkers van wie Lauffer het meest bijdroeg; de redactie vulde de helft van het nummer. Ook in het tweede nummer was de poëzie het sterkst vertegenwoordigd. Twee nummers leverden niet meer dan tien bijdragen van buiten op, waar de redactie toch zo nadrukkelijk om had gevraagd. Het derde nummer was viertalig, met bijdragen van de Benedenwindse en Bovenwindse eilanden samen. Ook hier domineerde de poëzie. In totaal droegen 34 medewerkers bij, van wie 27 slechts aan één nummer (met slechts drie nummers niet zo verwonderlijk natuurlijk). De meeste bijdragen waren afkomstig van de redactie-leden Pierre Lauffer, Nicolas A. Piña en R. de Rooy. Zij vormden de ruggegraat van het tijdschrift, dat maar zo kort bestond, maar toch zo'n vaste plaats in de Antilliaanse literatuurgeschiedenis heeft veroverd. Waar Tip Marugg nogal wat gedichten in De Stoep gepubliceerd had die relatief weinig aandacht kregen, werden zijn Papiamentse gedichten in Simadán direct en uitvoerig becommentarieerd. La Prensa (4 II 50) oordeelde erover als ‘een beetje moeilijk om te begrijpen’ wat veroorzaakt werd door de ‘geheel andere manier van componeren’, wat hem echter wel ‘een echt eigen persoonlijkheid’ gaf. Over de hoge ‘moeilijkheidsgraad’ van Maruggs gedichten was men het volkomen eens. Zo schreef kunstbroeder Jules de Palm: ‘Tip Marugg, epigoon van De Stoeps Luc. Tournier, heeft zich ook in zijn eigen landstaal gehandhaafd in dezelfde trant als zijn Nederlandse pennevruchten. Hij is wat men noemt, een moeilijk dichter (...) Ontegenzeggelijk leeft er in hem een dichterlijke ziel en welt er een passie in hem op, die hij dan in klankrijke woorden wil uitzingen, doch wij menen, dat hij de klankvolheid primair stelt en daardoor wel eens in dichterlijke aberraties vervalt. Zijn gedichten moet men langzaam, heel langzaam proeven en dan trachten te achterhalen wat de dichter bedoeld kan hebben (...).’ (Eldorado II: 58-59)

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Redacteur René de Rooy (1919-1974) had de onderwijzersopleiding in Suriname gevolgd, in welk land hij ook geboren was. Maar hij woonde en werkte het grootste deel van zijn leven op Curaçao, waar hij bevriend was met Chal Corsen, Pierre Lauffer, Jules de Palm en Luis H. Daal. René de Rooy publiceerde onder de pseudoniemen ‘Marcel de Bruin’ (Marcel voor mijn broer, de bruin wegens mijn kleur) en ‘Andrés Grimar’ (Andrés voor mezelf, Grimar voor mijn

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

214 moeder). Zijn Nederlandstalige Stoep-bijdragen waren romantisch van inhoud. Ze beschreven in traditioneel dichterlijk jargon gevoelens van vriendschap, liefde, verdriet, vergetelheid, rust en verlangen dat onvervuld blijft. (Ñapa 15 II 80; 28 IV 81) ‘Hij heeft een bitter gevecht moeten leveren om zijn conventionele poëzie in het experimentele De Stoep gepubliceerd te krijgen’, schreef Jules de Palm. (Amigoe 26 X 84) In het Papiamento was De Rooy creatiever. In 1954 won hij de C.C.C.-prijs voor zijn Don Juan bewerking Juancho Picaflor. Cola Debrot schreef in zijn voorwoord tot de boekuitgave dat hij in Juancho Picaflor een originele verwerking van internationale stromingen en invloeden aantrof. Hij prees de grote taalbeheersing. Het stuk toonde volgens hem een ‘opmerkenswaardig verstechnisch vermogen in zowel het Nederlands als het Papiamento’. Het was een echte komedie, waarin lach en traan zich mengden (e no ta larga di abarcá tambe e sintimentonan trágico di nos bida). De Rooy's geromantiseerde levensgeschiedenis vinden we in Verworpen vaderland (1979). F. Martinus Arion schreef in een recensie over De Rooy's woede tegen en zijn liefde voor Suriname, over de eerlijkheid van de auteur ten opzichte van zichzelf en de verantwoordelijkheid voor zijn gemeenschap. (De Volkskrant 17 XI 79) Deze René de Rooy stond rond 1950 bepaald niet alleen toen hij in twee Simadán-artikelen pleitte voor traditie en realisme eer de Antilliaanse auteur zich op het gladde koord van het experiment zou wagen. Hij was in de decennia na de oorlog misschien wel de enige linguïst die vrijwel alle talen van het Caraïbisch gebied kende: zijn moedertaal was Frans-Creools, zijn vadertaal Sranan Tongo en Nederlands, hij beheerste het Papiamento, leerde Engels en Frans, en was docent Spaans. ‘Hij behoorde tot de weinigen die de nodige outillage bezitten om de grondslagen voor een vergelijkende literatuurwetenschap van het Caribisch gebied te leggen.’ (Debrot 1977, 1985: 206) Hij was de enige uit Suriname afkomstige auteur die diep in de Papiaments-Antilliaanse literatuur is doorgedrongen. Zijn naam dook al op bij de Julio Perrenal-beweging, hij publiceerde onder het pseudoniem Marcel de Bruin in het Nederlands in De Stoep, maar hij ontplooide zich pas in ‘zijn’ tijdschrift Simadán, waarin hij, onder het pseudoniem Andres Grimar, redacteur en literair-theoretisch woordvoerder werd. In Simadán nummer I: ‘Riba balor literario’ en nummer II: ‘arte moderno i abstracto’ schreef hij, vrij weergegeven: de criticus moet zijn aanvankelijk intuïtieve oordeel over literaire waarde bewijzen en illustreren met de analyse van elementen uit het werk zelf. Al vergelijkend zal hij tot een afgewogen oordeel over vorm en inhoud komen. Vanuit de fase waarin de Antilliaanse literatuur verkeerde, verdedigde De Rooy communicabele, traditionele en realistische kunstuitingen. Het experimentele is goed voor de fase waarin Europa verkeert. Zo was hij op natuurlijke wijze tegen De Stoep. Hij verdedigde realisme en traditie, hij wilde de communicatie als startpunt, zelfs als fundament. De in Venezuela geboren, dus van huis uit Spaanstalige, in die tijd op Curaçao wonende Nicolas Piña (1921-1967), was één van de gangmakers achter het jonge tijdschrift. Hij publiceerde weinig. Meestal werd zijn poëzie auraal gebracht. Zijn Simadán-bijdragen trokken de volle aandacht van Jules de Palm, die vond dat van Piña's bijdragen aan het eerste nummer, het gedicht ‘Kosecha’ (Oogst) beter gelukt was dan ‘Desesperansa’ (Wanhoop): ‘Dit laatste gedicht heeft veel van een moraliteit, maar lijdt aan een verwrongenheid en onzuiverheid, die vaak stotend is.’ (Eldorado

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

II, 1950: 58-59) Debrot noemde Piña de ‘woelige’ vanwege zijn zuidelijk temperament. Nicolas Piña werkte op Aruba bij de voorlichtingsdienst en het Bureau Cultuur en Opvoeding. Hij schreef constant, op de meest onwaarschijnlijke momenten, op elk maar voor de hand liggend kladbaadje. Hij was een gevierd orator en declamator, maar publiceerde nauwelijks. Zijn werk wordt in de B.N.A.-collectie Ito Tromp bewaard. Piña werd zo een veelgenoemde maar weinig bestudeerde Antilliaanse auteur - geen uitzonderlijk verschijnsel.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

215 Simadán kreeg een snel en positief onthaal van heel verschillende zijde. De kranten noemden het tijdschrift ‘een openbaring’ en benadrukten dat het geheel ‘van ons’ en dus in het Papiamento was. De recensie-traditie die met De Stoep was ontstaan zette zich aldus voort bij dit Papiamentstalige blad. De ontvangst was vergelijkbaar met de enthousiaste reacties op J.S. Corsens ‘Atardi’ in 1905. Het kleine Simadán maakte veel los, omdat het de taal op een hoger - puur literair - plan bracht. Het tweede nummer werd minder gerecenseerd.[30] Alleen de Amigoe (14 II 51) polemiseerde een beetje of Curaçao zich nu wel of niet met traditionele kunst tevreden moest stellen en de abstracte kunst afwijzen - de recensie lijkt van Luc Tournier afkomstig. Het stuk was gematigd positief, met kritische kanttekeningen. Achteraf werd het gebruik en de propagering van het literaire Papiamento als het belangrijkste programmapunt van Simadán beschouwd. Volgens Van der Wal & Van Wel (1980: 58) mislukte het tijdschrift omdat ‘de groep teveel wilde in te korte tijd’ èn wegens financiële tekorten. Dat is dan een heel ander geluid dan twee van de nauw betrokkenen zelf lieten horen. Dat Simadán al na twee nummers strandde, zou volgens Charles Corsen en René de Rooy te wijten geweest zijn aan een conflict binnen de redactie: ‘Je kreeg aan de ene kant Nicolas Piña en René de Rooy, die lyrischer en conservatiever waren, en aan de andere kant een Tip Marugg, een Charles Corsen, die meer naar het abstracte toegingen. En daardoor hadden we bij elke redactievergadering heibel.’ (Amigoe 19 V 78) R. de Rooy schreef in ‘Letterkundig leven op Curaçao’ (Vox Guyanae I: 17-24): ‘Simadán ging te gronde na een heftig dispuut, waarbij verscheurde verzen en hartstochtelijke beschuldigingen over de redactie-tafel geslingerd werden.’ Charles Corsen en Tip Marugg stapten op, en dat betekende het einde van het tijdschrift.

Antilliaanse Cahiers en de Caraïbische traditie Van 1955 tot 1967 verschenen vijf ‘jaargangen’ van het als ‘driemaandelijks’ aangekondigde Antilliaanse Cahiers. Het blad was een initiatief van het C.C.C. en werd financieel gesteund door de Sticusa. De redactie werd gevormd door Cola Debrot, Henk Dennert en Jules de Palm. De laatste hield het na een jaar voor gezien. Naast de auteur Cola Debrot was Henk Dennert vooral literair criticus, die over talrijke actuele culturele onderwerpen in allerlei Antilliaanse en Nederlandse organen publiceerde. Zijn incidentele poëtische bijdragen vielen niet erg op. Zijn grootste belang lag in zijn medewerking aan het C.C.C. en andere culturele organisaties. De vijf jaargangen van elk vier afleveringen bevatten meer dan vijftienhonderd pagina's zeer divers literair werk. Het tijdschrift werd terecht ‘cahiers’ genoemd, want er verschenen verhoudingsgewijs meer monografische nummers dan afleveringen met een gevarieerde tijdschriftinhoud. Net als De Stoep fungeerde het als een verkapte uitgeverij. Volgens René de Rooy (Vox Guyanae II: 17-24) was dat ook de opzet, om in ‘monografische vorm’ een beeld te geven van de Antilliaanse literatuur: van de Antilliaanse ‘Tachtigers’ en Papiamentse geschriften naar de ‘beste of meest representatieve werken van de huidige generatie teneinde deze voor het nageslacht te bewaren’.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Het blad kan beschouwd worden als een zuiver literair tijdschrift, dat vooral proza (50%) en poëzie (33%) bevatte. Toneel (10%) en essays (5%) namen maar een beperkte ruimte van het blad in, het toneel dan nog wegens het aan dat genre gewijde slotnummer. Het blad werd in Nederland uitgegeven bij De Bezige Bij, alle redacteuren woonden daar toen de eerste jaargangen verschenen. De gebruikte talen waren Nederlands, Engels en Papiamento. Het blad richtte zich op de Antillen en had tegelijkertijd veel belangstelling voor de rest van het Caraïbisch gebied. Het ligt voor de hand om hierin Debrots ‘credo’ te zien over de Antilliaanse zelfwerkzaamheid, maar met een open oog voor de regio.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

216 Zoals Christoffel vooral een culturele positionering in het algemeen was, zo bepaalde Antilliaanse Cahiers van meet af aan de specifieke positie van de literatuur. De cahiers sloten bij de gevormde traditie aan. De eerste nummers bevatten daarom Cola Debrots grote overzichts-opstel en Engels' keuze uit een aantal Stoep-gedichten. Als echter een bloemlezing als in De Stoep (I-9/10) vergeleken wordt met deze, wordt direct de veranderde optiek zichtbaar: de aandacht werd van de Nederlandse naar de Antilliaanse medewerkers verlegd, een mooie proeve van canonisering van een aantal auteurs en hun werk na anderhalf decennium. In zijn C.C.C.-beleidsnotities en in zijn literaire overzichten schreef Cola Debrot vanaf de jaren vijftig steeds weer over het belang van een heruitgave van de Spaans-Romantische negentiende eeuwers en enkele Papiamentstalige auteurs van de jaren twintig. Hoewel hij er in de ‘cahiers’ een begin mee leek te maken (De Pool werd vertaald herdrukt), is het hem niet gelukt iets substantieels van de grond te krijgen. Aan de Antilliaanse Cahiers werkte in totaal 38 auteurs mee, van wie zestien niet-Antillianen (die echter op de twee uitzonderingen B. Ashetu en Fl. Morand na niet meer dan één bijdrage leverden). Het meest gevarieerd droegen bij Cola Debrot zelf, Frank Martinus Arion en Tip Marugg. Daarnaast waren er de belangrijke Antilliaanse monografieën, zoals van Alette Beaujon: ‘Gedichten aan de baai en elders’ en ‘Poems while in Delos’, van Frank Martinus Arion: ‘Stemmen uit Afrika’, die van Tip Marugg: ‘Weekendpelgrimage’, de verzen van de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu: ‘Yanacuna’, de vertalingen/bewerkingen in het Papiamento van Raul Römer: ‘Marie di Malpais’, van May Henriquez: ‘Sjon Pichiri’, van Hubert Booi: ‘Golgotha, un drama religioso’, en de Engelse vertalingen van Cola Debrot: ‘Pages from a diary from Geneva’ en ‘My sister the negro’, tenslotte J. de Pool: ‘Zo was Curaçao’ uit het Spaans. Wie deze indrukwekkende rij overziet constateert dat er in twaalf jaar heel wat uitgegeven werd door de tweemans-redactie. Toch werd het tijdschrift niet een element van vernieuwing zoals het kleine Simadán algemeen beoordeeld werd.[31] Alette Beaujon moest ‘oom’ zeggen tegen de Cahiers-redacteur Cola Debrot. Voor haar vrije verzen liet Beaujon zich inspireren door zowel haar veelvuldige vakantieadres bij de Debrot-familie aan de Slagbaai op Bonaire, als al die andere in diverse werelddelen bezochte plaatsen. De baai bleef echter centrum, de overige ruimtes waren niet meer dan ‘elders’. ‘Gedichten’ verwierf een vaste plaats in de Antilliaanse literaire canon, zonder dat er evenwel latere herdrukken van kwamen of studies aan gewijd werden, maar dat was met nagenoeg alle poëzie het geval. Frank Martinus Arion (A.C. III-3:55-67; Schakels NA 27: 35-41) oordeelde over haar werk als ‘kosmisch en kosmopolitisch, divergerend en meta-poëtisch, jeugdig en los’, hoewel zij ‘hier en daar de neiging tot filosofie of zelfs moraliseren’ toont. In Weekendpelgrimage onderzocht Tip Marugg de positie die een (de) witte Curaçaoenaar innam nadat de plantage-economie had plaatsgemaakt voor het olie-tijdperk. Het antwoord na zijn verbeeldingsreis langs talrijke kroegen was een hoofdpersonage dat met heel zijn wezen met zijn eiland verbonden was, maar daar in de moderne tijd toch niet meer dan een minderheidspositie kon innemen. Frank Martinus Arion's Stemmen uit Afrika beschrijft in een reeks van 54 gedichten, die begint met het motief van de geboorte en eindigt met dat van de dood, een gids die een groep witte toeristen op hun weg door het zwarte wereldddeel begeleidt, met

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

de bedoeling uiteraard om hen een betere kijk - als een dwarsdoorsnede - op het werkelijke Afrika te verschaffen. Op die wijze zette hij met deze ‘négritude-bundel’ de zwart-wit-problematiek, waarover ook Tip Marugg schreef, in een internationaal kader. Zijn bundel werd als een pleidooi voor de zwarte mens en als een aanklacht tegen de westers-witte maatschappij gelezen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

217 Redacteur Debrot bracht een aantal belangwekkende analyses van mens en maatschappij en zo kreeg de literatuur in de ‘cahiers’ een sterk op het sociale gerichte functie. Van der Wal & Van Wel (1980: 88) zagen in het tijdschrift een ‘soort tehuis voor schrijvenden, opdat men later zou herkennen wat eigen en wat oneigen was’. Maar aan het slot van hun korte bespreking zagen ze niet veel verband of bewuste richting-keuze in de opgenomen bijdragen en oordeelden over de inhoud van het tijdschrift en zijn uitgeverij-functie als ‘een soort van public relations bedrijven, zonder dat men een richting kon bepalen’. In Heuvel & Van Wel (1989: 122) werd deze visie herhaald, met de toevoeging, ‘De bindende factor was wel, dat uitgegeven werd wat als van belang werd geacht voor de eigen literatuur in welke taal die dan ook geschreven werd’. Oversteegen ontwaart in zijn Debrot-biografie een zeer bewuste, dubbele opzet. Volgens hem wilde Debrot een aantal toppunten uit de Antilliaanse literatuur van het verleden laten zien, zoals John de Pool, èn aan de literatuur die op dat moment ontstond een podium bieden, met name van jonge en nog onbekende auteurs, zoals Alette Beaujon, Tip Marugg en Frank Martinus Arion. Vanaf het tweede nummer van de derde jaargang kregen de afleveringen een breder Caraïbische opzet, aan het eind richtte Debrot zich (via het toneelnummer met drie Papiamentstalige stukken) helemaal tot de lezer van de Benedenwinden. Achteraf valt te constateren dat Debrot - de bekende namen verraden het - meestal in de roos schoot. Maar soms ook niet, want een aantal auteurs zijn later nooit tot produktie van enige omvang gekomen. In deze fase rekende Debrot ook nog werk van ge-antillianiseerde Nederlanders tot de Antilliaanse literatuur.

Watapana en de Antilliaanse eigenheid Eind jaren zestig gaf de Arubaanse dichter-criticus-hispanist Henry Habibe met zijn Watapana het Antilliaanse studenten-tijdschrift in Nederland, zoals dat in de vorm van Kakiña en Kambio bekend was geworden, een naar de literatuur toe gerichte wending.[32] Habibe en twee andere Arubanen, Ramón Todd Dandaré en Pedro Velasquez, namen het voortouw. Alle drie studeerden ze Spaans en waren dientengevolge sterk georiënteerd op Latijns-Amerika; twee geheel Spaanstalige nummers ter gelegenheid van de ‘Dia de la Hispanidad’ (oktober 1970) en ‘Carifesta 1972’ bewezen het. Hoofdredacteur Habibe studeerde eind jaren zestig in Nijmegen en was in de jaren zeventig docent Spaans bij het Arubaanse middelbare onderwijs. Naast zijn dichtwerk zou hij zich later vooral als criticus ontpoppen. In 1968 publiceerde Habibe zijn eersteling Aurora, door Mayra van der Dijs als een cyclus van amoureuze gedichten aangeduid. (Amigoe 22 II 69) Al eerder had Habibe onder het pseudoniem Spartaco ‘geëngageerde poëzie’ geschreven, die hij zelf liever als ‘sociaal geëmotioneerd’ gekarakteriseerd zag. (Amigoe 22 II 69) Door de Arubaanse redactie kregen verschillende auteurs van Aruba een kans tot publiceren, die ze anders niet zo gauw gehad zouden hebben: Nena Bennett, Hubert Booi, Eduardo Curet, C.L. Every, Robert Henriquez, Luis Leañez, E. Lopez Henriquez, Nicolas Piña, Ernesto Rosenstand, Henri Tai, José Ramón Vicioso,

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

Brunilda Vicioso en Philomena Wong - dat is een respectabele lijst waarvan de meeste auteurs vrijwel nergens anders publiceerden, maar die op Aruba als schrijvers bekend staan. Van de Curaçaoenaars werkten Carel de Haseth als redacteur, Luis Daal en Lloyd Narain als auteurs trouw mee. Uit de auteurslijst valt op te maken dat de redactie aan traditie hechtte: in de introductienummers voor de Spaanstalige lezers werd werk van David Chumaceiro, D.D. Salas, A.A. Wolfschoon, Joseph Sickman Corsen uit de negentiende, John de Pool uit de vroege twintigste, en Oda Blinder uit de recenter traditie opgenomen.

Wim Rutgers, Schrijven is zilver, spreken is goud

218 De redactie maakte onderscheid tussen ‘literatuur in de Nederlandse Antillen’, waartoe Spaanse, Nederlandse en Papiamentse literaire oeuvres gerekend werden die door Antillianen waren geschreven, en ‘Antilliaanse literatuur’ die specifiek in het Papiamento geschreven werd. Ook deze Arubaanse redacteuren maakten de zo vaak aan Curaçaoenaars verweten fout, dat ze niet keken wat er op Bonaire en de Bovenwinden aan literatuur was. Gedurende de vier jaren van verschijnen was Watapana een drietalig tijdschrift, met Spaans (25%), Nederlands (50%) en Papiamento (25%), gericht op in Nederland wonende Antilliaanse studenten, Antillianen in hun eigen land, maar ook Nederlanders die geen Papiamento konden lezen. De opzet was om naast gedichten, korte verhalen, literaire essays en kritiek, vertalingen en artikelen over linguïstiek of met een algemeen educatief doel op te nemen. Vooral de essays waren in de vier jaargangen goed vertegenwoordigd (60%), daarna kwam poëzie (35%), het kleine restje van vijf procent was voor het creatief proza. De essay-afdeling met diepgravende kritieken over literaire en taalkundige onderwerpen maakte de ruggegraat en daarmee de belangrijkste verdienste van Watapana uit. (Ñapa 23 IV 82) Met hun artikelen over Antilliaanse cultuur en literatuur gaven Henry Habibe en Jules de Palm een positiebepaling van wat er bereikt was (I-3/4). Naast de algemene opstellen over Antilliaanse literatuur werd een relatief groot aantal aan afzonderlijke auteurs gewijd, voornamelijk uit de recente Papiamentstalige traditie: Pierre Lauffer, Luis H. Daal, Oda Blinder, Hubert Booi, G.E. Rosario, F. Oduber en P. Domacassé. Waren recensies in de dagbladen langzamerhand gebruikelijk geworden, Watapana was het eerste tijdschrift waarin de diepergravende literair kritische analyse een serieuze plaats kreeg. Naast deze literaire artikelen richtte Watapana zich op de taalkundige kant: de herkomst en ontwikkeling van het Papiamento, en het probleem hoe een geschikte tweede taal te kiezen, waarbij het in de discussie om het Engels en het Spaans ging, niet om het Nederlands. Koos W. de Bekker voor het Spaans, Frank Martinus pleitte voor het Engels dat bovendien, gezien de Bovenwinden en Aruba, al een eigen Antilliaanse taal was. Poëzie verschee