PDF van tekst - Dbnl

Loading...
Indische Letteren. Jaargang 14

bron Indische Letteren. Jaargang 14. Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, Alphen aan den Rijn 1999

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/_ind004199901_01/colofon.php

© 2012 dbnl

i.s.m.

1

[Nummer 1] Redactioneel Wat zijn de lusten en lasten van de biograaf, en welke problematische en euforische momenten doen zich aan hem voor? Daarover schrijven in dit nummer Tom van den Berge naar aanleiding van zijn onlangs verschenen studie over de intrigerende figuur van Karel Frederik Holle (1829-1896) en Kees Snoek die de laatste hand legt aan zijn biografie van E. du Perron (1899-1940). Daarnaast is er een artikel opgenomen van de hand van Koos Arens over de invloed van het werk van W.L. Ritter (1799-1862) op de Maleise, zogenaamde pre-Indonesische literatuur. Ten slotte stelde Herman Kemp de ‘Lijst van Indische letteren 1996’ samen. De volgende lezingenmiddag van onze Werkgroep, op vrijdag 21 mei 1999 (zie Uitnodiging achterin dit nummer), zal het ‘eigen gebied’ tot onderwerp hebben en een theoretisch-principieel karakter dragen. Dit naar aanleiding van een aantal in de laatste jaren verschenen publicaties die grote verschillen van mening blootleggen waar het de definiëring van het begrip Indisch-Nederlandse (of Nederlands-Indische?) literatuur betreft. Op grond waarvan (bijvoorbeeld in Nieuwenhuys' Oost-Indische Spiegel) heeft die letterkunde haar ‘status aparte’ gekregen en is dat terecht? Moet een auteur per se deel hebben uitgemaakt van de koloniale maatschappij om een Indisch schrijver te zijn? En in samenhang daarmee: wat zijn de argumenten om het werk van de zogenaamde ‘tweede generatie’ tot de Indische literatuur te rekenen? Wat die afgrenzing in de tijd betreft: als men ‘Indisch’ en ‘koloniaal’ als synoniemen hanteert, dient dan literair werk uit de VOC-tijd niet uitgezonderd te worden van de bedoelde letterkunde? Kunnen, weer een andere vraag, behalve Nederlandstalige ook anderstalige teksten (en hun eventuele vertalingen in het Nederlands) tot die Indisch-Nederlandse literatuur horen? Deze en andere kwesties worden door een zestal sprekers in korte inleidingen aan de orde gesteld. Er zal ruimschoots gelegenheid zijn voor discussie, zowel binnen als mét het door de sprekers (en eventueel anderen) gevormde forum.

Indische Letteren. Jaargang 14

2 Een laatste mededeling betreft ons jaarlijks symposium. Zoals de twee voorgaande jaren zal dit plaatsvinden in Bronbeek (Congres- en reüniecentrum Kumpulan), en wel op zondag 26 september 1999. Het thema zal zijn ‘Humor en satire in de Indisch-Nederlandse literatuur’. In het juninummer van dit tijdschrift zal nadere informatie (onder andere betreffende programma en aanmelding) worden gegeven.

Website Indische Letteren Zoals ook op de omslag van ons tijdschrift staat vermeld, heeft Indische Letteren inmiddels zijn eigen website. Behalve foto's van evenementen die in het kader van Indische Letteren hebben plaatsgehad, kunt u hier ook actuele informatie vinden over komende lezingenmiddagen en symposia. Als extra service biedt de website een overzicht van de inhoud van alle tot nu toe verschenen jaargangen van Indische Letteren.

Indische Letteren. Jaargang 14

3

Problematische en euforische momenten bij het maken van het boek over K.F. Holle Tom van den Berge Een biografie is een biografie als er ‘een biografie’ op staat. Een willekeurige greep uit mijn boekenkast leert mij dat. Pierre en Simone Dubois schreven Zonder vaandel. Belle van Zuylen. Een biografie, Michel van der Plas schreef Vader Thijm. Biografie van een koopman-schrijver, Willem Otterspeer schreef Bolland. Een biografie. Een boek kan ook een biografie zijn als er géén ‘biografie’ op staat. Angenies Brandenburg schreef Annie Romein-Verschoor. Leven en werk. Hans Goedkoop schreef Geluk. Het leven van Herman Heijermans. Cees Fasseur schreef Wilhelmina. De jonge koningin. Maar zijn verantwoording opent hij met de woorden: ‘Deze biografie van koningin Wilhelmina...’. Maar wat te zeggen van P.A. Daum. Journalist en romancier van tempo doeloe van Gerard Termorshuizen? In de inleiding spreekt hij over ‘het biografische karakter van deze studie’. Maar is zijn P.A. Daum een biografie? Is een boek een biografie als in de titel van het boek de naam van een persoon voorkomt? Eventueel nog met geboortejaar en sterftejaar? Hoe het ook zij, ik heb mijn K.F. Holle. Theeplanter in Indië 1829-1896 bewust geen biografie willen noemen. Wel heeft het boek over Holle een ‘biografisch karakter’ zoals Termorshuizen dat van zijn studie gezegd heeft. En dan kom ik tot een van de problematische momenten bij het maken van dit boek, waar Termorshuizen bij het schrijven van het zijne ook mee te kampen had: het gebrek aan persoonlijke gegevens over je held. Problematische momenten? Noem het maar gerust de permanente problematiek. Ik zal hieronder drie problematische en drie euforische momenten bespreken, die ik ervoer bij het schrijven van mijn boek.

Problematische momenten Het eerste problematische moment bij mijn onderzoek betreft het gebrek aan ‘persoonlijke’ gegevens over mijn held Holle. Iedereen weet wel dat Karel Frederik Holle als jongetje van veertien met zijn familie in 1844 in Nederlands-Indië aankwam. Dat hij daar als zovelen onmiddellijk gegrepen werd door land en bevolking. Dat hij al op jonge leeftijd

Indische Letteren. Jaargang 14

4

Gezicht op de theeonderneming Waspada: het woonhuis, het logeergebouw en daaronder de fabriek, ‘te midden van het groen op de helling van den Tjikoerai’ (fotocollectie KITLV, Leiden).

Indische Letteren. Jaargang 14

5 carrière maakte binnen de koloniale overheid en dat hij later eigenaar werd van de theeplantage Waspada bij Garoet. Dat hij een zeer eigenzinnig man was, die tegen alle gewoonten in zich inzette voor het lot van de Soendanese bevolking en innig bevriend was met de lokale leiders. Door zijn bevlogenheid en charmante voorkomen verwierf Holle een invloedrijke positie in de binnenlanden van Java. Van 1871 tot aan zijn dood in 1896 was hij adviseur-honorair voor Inlandse Zaken. Holle was een idealist die op zoek was naar het grootste geluk voor het grootste aantal, maar zelf berooid in Buitenzorg stierf. De idealist Holle schreef niet of nauwelijks over persoonlijke zaken. Er is bitter weinig bekend over Holles gevoelsleven. Een enkele maal heeft hij het in vertrouwelijke brieven over zijn eigen gezondheid. Over het overlijden van zijn jongste zus in 1891 schreef hij: ‘Zij is, helaas, gisteren namiddag ontslapen.’ En dat was het dan. In geen enkele brief ook maar een verwijzing naar de dood van zijn vader, zijn moeder, zijn broers Wilhelm, Adriaan en Albert, zijn vriend Moesa. Niet klagen maar dragen, moet Karels adagium zijn geweest. Nooit heeft Holle ook maar een woord over zijn vrouw of zijn dochter geschreven. En die moet hij wel gehad hebben. Evenmin heeft hij ooit gesproken over de hoofdpanghoeloe van Garoet, Mohamad Moesa, als zijn zwager. En dat moet Moesa wel geweest zijn. Hoe weten we dan dat Holle een vrouw en een dochter had en dat hij Moesa's zwager was? Dat Holle en Moesa zwagers waren, staat in een van de delen van het Onderzoek naar de mindere welvaart der Inlandsche bevolking op Java en Madoera, een officiële publicatie van de Nederlands-Indische regering uit het begin van deze eeuw. Kennelijk was hun nauwe verwantschap een publiek geheim. Dat Holle een dochter had, staat in een persoonlijke brief - nee, niet van Holle, maar van Holles vriend J.A. van der Chijs aan een andere zwager van Holle, N.P. van den Berg. Van der Chijs was erbij aanwezig, toen in 1899 een monument onthuld werd ter ere van Holle op de aloen-aloen in Garoet. Onder de duizenden aanwezigen, zo schrijft Van der Chijs, bevond zich ook Holles dochter die haar tranen de vrije loop liet, toen ze het bronzen portret van haar vader zag. Maar ze zat niet op de tribune bij de genodigden. Het is opmerkelijk dat hij, die zo oprecht en ook zo eenvoudig geweest moet zijn, nooit met een woord over haar gerept heeft. Wel kreeg zij na Holles dood een toelage van de Indische regering. Vreemd. En wat ook vreemd blijft: velen hebben Holle op zijn theeonderneming bezocht, maar of er een vrouw in het witte huis op Waspada woonde, daarover heeft niemand ooit een letter op papier gezet. Heeft Holle dan helemaal geen persoonlijke correspondentie gehad? Jawel. Er zijn brieven van hem waarin hij verwijst naar een persoonlijke correspondentie tussen hem en zijn zwager en vriend, de zoëven genoemde N.P. van den Berg. Die brieven moeten er geweest zijn. Of

Indische Letteren. Jaargang 14

6 misschien zijn ze er nog steeds. Maar niemand weet waar. Ook niet in de mappen en de dozen van de Stichting Indisch Thee- en Familiearchief, waarin wel van Rudolph Kerkhoven zo veel persoonlijke brieven berusten. Het tweede problematische moment betreft het schrijven: de compositie. Zijn er geen persoonlijke brieven, er is wel een bulk aan ander materiaal. Wat voor materiaal? Holle heeft veel geschreven en over de meest uiteenlopende onderwerpen. Op zijn naam staan meer dan tweehonderd publicaties: over de teelt van zoetwatervis en de rijstcultuur, over Oudsoendanese inscripties en Soendanese spreekwoorden, over herendiensten en bosvernieling. En dan zijn daar ook nog eens de honderden adviezen en nota's die hij als adviseur-honorair voor Inlandse Zaken aan het gouvernement richtte. Hoe dit alles om te vormen tot een verhaal, tot een compositie, tot een blijvend lied? Wat laat je weg en wat laat je staan? Wat zeg je eerst en wat zeg je later? Anton Tsjechow heeft dat eens een keer zo treffend verwoord: ‘Als er in het derde bedrijf een geweer afgaat, tone men in het eerste een geweer.’ Met mijn boek wilde ik de veelzijdigheid belichten van de theeplanter Holle. Ik heb daarover lang nagedacht. En dit is het resultaat: het eerste deel behandelt voornamelijk zijn economische activiteiten, terwijl het tweede en het derde deel vooral zijn activiteiten op het gebied van onderwijs en wetenschap en op dat van bestuur en politiek beschrijven. In dat derde deel van mij gaat er, overdrachtelijk gezien, een geweer af, maar of ik dat in het eerste deel ook duidelijk genoeg getoond heb, dat weet ik nog steeds niet. Waarmee begin je en waarmee eindig je? Ook daarover heb ik lang nagedacht. Ik had natuurlijk kunnen beginnen met: ‘Karel Frederik Holle kwam op vrijdag 29 oktober 1829 om drie uur 's nachts ter wereld in Het Wapen van Stralsund, een klein burgerhuis op de Lijnbaansgracht in Amsterdam.’ En ik had kunnen eindigen met: ‘Op 3 mei 1896 overleed Karel Holle berooid in Buitenzorg.’ Maar zo'n begin en zo'n eind zouden erg saai geweest zijn. Ik had kunnen beginnen met zijn zoektocht naar een juiste plek voor een theeplantage in 1861 en kunnen eindigen met zijn definitieve vertrek van Waspada in 1890. Dat zou ook de ondertitel van mijn boek gedekt hebben: Theeplanter in Indië. Maar ook daarover was ik niet tevreden. Holle was weliswaar in de eerste plaats theeplanter, maar hij is meer dan theeplanter alleen geweest. Mooi is het niet, maar misschien had die ondertitel moeten luiden Meer dan theeplanter in Indië. Ik had ook kunnen beginnen en kunnen eindigen met een beschrijving van het graf van Holle op Tanah Abang in Jakarta, waar hij al meer dan honderd jaar rust in de roodbruine aarde. Indachtig aan Genesis: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Maar dat was al meer gedaan. Bij voorbeeld in het door mij bewonderde boek van Frits van Oostrom, Maerlants wereld. Ik wilde

Indische Letteren. Jaargang 14

7 een positiever begin en een begin waarin al meteen duidelijk tot uitdrukking kwam dat de lezer in dit boek kennis zou maken met een alleskunner, met een homo universalis, met een erflater van de kolonie, met een mannetjesputter, met een alleseter. Ik denk dat beeld van alleskunner gevonden te hebben in het monument dat onthuld werd ter ere van Holle in 1899 op de aloen-aloen in Garoet met het gezicht op Waspada. Tijdens die plechtigheid werd in een tweetal toespraken een overzicht gegeven van Holles leven. Daarin werd benadrukt diens ‘onvermoeid streven’ om de welvaart en het welzijn van de Soendanese bevolking te verhogen. De sprekers prezen in het bijzonder diens verdiensten voor de inheemse landbouw en het inheemse onderwijs. Holle was meer dan theeplanter alleen. Natuurlijk, dat monument, daarmee moet je beginnen en daarmee moet je eindigen. Die man wás toch een monument. Achteraf bezien lijkt het allemaal zo logisch. Maar tijdens het schrijven, in de hitte van de strijd, zie je vaak niet wat het pakkendste begin en het pakkendste eind is. Wie schrijft over een persoon wil zien en wil horen wat die persoon gezien en gehoord heeft, wil ruiken en wil voelen wat die persoon geroken en gevoeld heeft, wil lopen waar die persoon gelopen heeft. Het derde problematische moment dat ik hier bespreek is de teleurstelling na mijn reis naar Waspada, de theeonderneming van Karel Holle, die ten zuidwesten van Garoet lag. In de zomer van 1996 logeerden Karel van der Hucht en ik op de sterrenwacht in Lembang bij de astronoom Bambang Hidayat, een collega en vriend van Karel. Vanuit Lembang vertrokken we naar Waspada met een jeep met chauffeur van de huidige theeonderneming. Na een prachtige rit door het hart van de Preanger kwamen we aan bij de voet van de Tjikoerai, de berg waarop Waspada lag. Misschien kent u die foto van Waspada wel uit Komen en blijven van Rob Nieuwenhuys: over twee pagina's het woonhuis, het logeergebouw en daaronder de fabriek, te midden van het groen op de helling van de Tjikoerai. Die foto staat overigens ook in mijn boek over K.F. Holle (pagina 37). Ook nu nog zag het er groen, niet meer het groen van de theeheesters maar van papaya, maïs en bomen. Ergens was nog wel een perceeltje thee, maar dat was te verwaarlozen als je dat vergeleek met wat er in de tijd van Holle geweest moet zijn. Daar stonden we dan aan de voet van de berg. Maar, wáár naar boven en hóe naar boven. Wist vroeger iedereen de plantage van Holle feilloos te vinden, nu bestond daarover bij de plaatselijke bevolking onduidelijkheid. En de wegen de berg op waren eigenlijk niet geschikt voor auto's. Het enige vervoermiddel was de ojek - de motortaxi -, of anders te voet. Toch besloten wij met de jeep naar boven te gaan. Dat lukte. Bij een nederzetting op 1200 meter kon de jeep het echter ook niet meer

Indische Letteren. Jaargang 14

8

Holle met fez, geportretteerd in de studio van de bekende fotografen Woodbury en Page, 1870 (fotocollectie KITLV, Leiden).

Indische Letteren. Jaargang 14

9 aan. Wie verder wilde, kon alleen over voetpaden gaan. Maar op Waspada waren we nog niet. Zei men. Daar stonden wel die kleine 50 cc motoren die een pendeldienst met het dal onderhielden. Twee motorrijders bleken dapper genoeg om ons dan maar over die voetpaden, langs steile hellingen en door het hoge gras te brengen naar wat eens Waspada geweest moest zijn en waar de mannen op de motor ook nog nooit het ronkende geluid van hun machines hadden laten horen. Na over de prijs onderhandeld te hebben stapten Karel en ik ieder achterop een motor, sloegen onze armen om het middel van de rijder en stoven er vandoor. Naar Waspada! Insyaallah! En we kwamen bij wat eens een waterreservoir uit de Nederlandse tijd geweest moet zijn, maar duidelijk niet uit de tijd van Holle. We kwamen een oude man met ontbloot bovenlijf tegen die een patjoel over zijn schouder droeg. Ik vroeg hem in het Soendanees of hij wist waar eens het huis van de Juragan en de fabriek gestaan hadden. Ja, dat wist hij nog wel en met een breed gebaar zei hij: ‘Daar ergens.’ Hij wist het dus ook niet meer. Wat hij nog wel wist waren de namen van de Nederlandse en Engelse administrateurs van Waspada van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Maar van de naam Holle had de oude man nog nooit gehoord. Wel zagen we op de terugweg de naam Waspada op een bord staan van het waterleidingbedrijf. We waren dus wel op Waspada geweest. U kunt zich voorstellen hoe teleurgesteld ik was over ons bezoek aan Waspada. Alleen de naam Waspada herinnerde nog aan de theeplantage. Op de terugreis in de jeep toen Karel en ik wat wegdommelden, schoten mij de onsterfelijke woorden van Johan Cruijff te binnen: ‘Elk nadeel heb z'n voordeel’. Wij hadden weliswaar niets meer teruggevonden van Holles Waspada, maar dat was nou net mooi voor het verhaal. Voor het einde van het verhaal: Holles naam was niet meer met Waspada verbonden, niemand kende Holle meer. Ik vat de problematische momenten samen: ten eerste, het ontbreken van persoonlijke gegevens; ten tweede, de compositie: wat is de opbouw; waarmee begin je en waarmee eindig je? en ten derde, het ontbreken van tastbare bewijzen en levende herinneringen. Maar, ‘elk nadeel heb z'n voordeel’. En dat brengt mij bij de euforische momenten bij het maken van mijn boek.

Euforische momenten Het eerste euforische moment, dat ik hier met u bespreek, beleefde ik in 1996 tijdens mijn onderzoek in het Nationaal Archief in Jakarta. Daar liggen de adviezen, de nota's en de overige correspondentie van Holle in tien dikke pakken papier verzameld. In een van die tien dikke pakken zat een brief van Van der Chijs aan Holle die mij dit euforisch moment zou bezorgen. De aanhef van die brief luidt: ‘Waarde Bhrag’.

Indische Letteren. Jaargang 14

10 Deze naam was ik al eerder tegengekomen in een feuilleton getiteld ‘Herinneringen uit het leven van een ambtenaar’, dat in de Java-Bode van 1872 verscheen. Daarin nam een anonieme schrijver leven en werk van een planter op de hak. In dit feuilleton heette die planter Bhrag. Het was duidelijk dat de schrijver hiermee Holle bedoelde, maar aan die naam Bhrag had ik toen niet veel aandacht meer besteed. Het toeval had hem profeet gemaakt. Zijn roem als ‘Indisch literator’ had hij met geluk verkregen. Hoewel Holle gold als stichter van een Soendanese letterkunde, waren de enkele schoolboeken die hij had geschreven uit het oogpunt van de taal ondeugdelijk en voor het onderwijs ongeschikt. Bovendien had Holle zijn vriend Moesa aangespoord om toch maar zoveel mogelijk werken in het Soendanees te schrijven. De hoofdpanghoeloe had met de in dichtvorm uitgegeven boeken heel wat overheidsgeld opgestreken. Hij werd ervan beschuldigd manuscripten die Soendanezen hem ter beoordeling hadden gegeven, op eigen naam naar de Landsdrukkerij te sturen en het geld hiervoor in eigen zak te steken. Maar wat betekent nou Bhrag? Eerst zocht ik in het Soendanees: bérag, vrolijk, opgewekt; berah, iemand afleiding bezorgen, opbeuren. Toen zocht ik in het Oudjavaans-Nederlands woordenboek. Kwam het misschien uit het Sanskriet? Ik vroeg het aan iedereen, zelfs aan een cryptogrammendeskundige. Die stelde voor het Maleise maar ook Soendanese bérak, mest. Het kon me niet behagen. Toen moest ik ineens denken aan wat mijn vader eens gezegd had over het behang dat bij mijn grootouders in huis hing: ‘berag’. Bhrag slaat waarschijnlijk op het Nederlandse woord ‘berag’, dat op ‘tengels gespijkerd jute’ betekent. In het feuilleton heet Holle dus meneer Jutezak. Dat kan ook wel kloppen, want de anonymus vond dat het dragen van een sarong, een rood kalotje en sandalen naar effectbejag riekte. Bhrag, meneer Jutezak, Holle dus, was een veinzer die toevallig op de juiste tijd op de juiste plaats geweest was. Alleen daaraan had hij zijn positie te danken. Het tweede euforisch moment betreft het schrijven. Bhrag stond voor Holle, maar wie was die anonieme schrijver van dat feuilleton en waarom wilde hij nou juist Holle te grazen nemen? Hoewel Van der Chijs in dezelfde brief vond dat Holle er in de Java-Bode betrekkelijk goed van was afgekomen, had zijn bloed gekookt onder het lezen ervan: Zoo'n ellendig Uilskuiken heeft zich vermeten een publiek oordeel te vellen over Uw doen en laten! En Huet heeft op nieuw bewezen, dat zijn gemeen gezicht de spiegel is zijner Asmodéeziel. Uit dit fragment kan worden afgeleid wie de anonieme schrijver van het feuilleton in de Java-Bode was. Met dat ‘ellendig Uilskuiken’ moet Van der Chijs de journalist J.A. Uilkens bedoeld hebben. De ‘drekpolemiek’ van de man die in 1874 hoofdredacteur van het Soerabaiasch Han-

Indische Letteren. Jaargang 14

11 delsblad zou worden, deed Van der Tuuk schrijven: ‘Uilkens is een schurk’. De hoofdredacteur van de Java-Bode, Conrad Busken Huet, die zulke artikelen in zijn krant had opgenomen, was in de ogen van Van der Chijs nog verdorvener: Asmodée, de duivel van de onreine liefde, volleerd in de kunst om de nieuwsgierigheid te bevredigen. Had die ‘duivel’ van een Huet geen reden om Holle te belagen, Uilkens had dat wel. Daar kwam ik al schrijvende en combinerende achter, toen ik mij een brief van Holle uit het Nationaal Archief herinnerde. Uilkens was niet alleen journalist, hij was ook samensteller van een Soendanese woordenlijst. In 1871 zond hij Holle deze lijst met het verzoek die vooral gunstig te beoordelen, ‘want hij had vrouw en kinderen’. De inktkoelie Uilkens had geld nodig, maar kreeg nul op het rekest. Holle had hem in zijn afkeurend oordeel, volgens eigen zeggen, ‘in de zachtste termen’ geantwoord dat zijn arbeid ‘ontijdig’ was. Misschien té zacht. Want één jaar later bood Uilkens hem weer een woordenlijst ter beoordeling aan, die wel in omvang was toegenomen, maar daarom zeker niet als ‘een consciencieuze arbeid’ mocht worden aangemerkt en met de uitgifte waarvan de regering zich ‘deerlijk zou compromitteeren’, aldus Holle. Niet beter was het gesteld met de acht andere handschriften die Uilkens tegelijkertijd had aangeboden. Wanneer hij zich teleurgesteld voelde over het feit dat zijn manuscripten geen gunstig onthaal vonden, deed hij beter, meende Holle, de reden ervan te zoeken in: [...] overschatting van eigen kunde, dan zijn wrevel lucht te geven in dagbladartikelen een fatsoenlijk man onwaardig. Of is het een eerlijke daad, als hij den Hoofdpanghoeloe van Garoet valschelijk beschuldigt, het werk van anderen over te schrijven en de premie, welke het Gouv[ernemen]t er voor te goed doet, in zijn zak te steken? Geen twijfel meer mogelijk: de anonieme schrijver was J.A. Uilkens, de man die zoals u wellicht weet ook een plaats gekregen heeft in de Oost-Indische spiegel van Rob Nieuwenhuys. Het derde euforisch moment betreft de vormgeving van mijn boek over Holle. De steun en informatie die ik mocht ontvangen van de Stichting Indisch Thee- en Familiearchief Van der Hucht cum suis. Ik bepaal mij hier tot de foto's die ik van de stichting heb mogen gebruiken. Vrijwel al die foto's zijn bijzonder. Maar één ervan is wel heel bijzonder. Dat is namelijk een foto waarop een foto staat afgebeeld. N.P. van den Berg was niet alleen Holles zwager, maar ook zijn vriend en bewonderaar. Hij en zijn vrouw noemden hun tweede zoon niet voor niets Karel Frederik. Hij vond Holle een van de nobelste figuren die hij op zijn levenspad had ontmoet. Zijn bewondering voor hem blijkt het duidelijkst uit een foto die nu in het bezit is van een achterkleinzoon van

Indische Letteren. Jaargang 14

12 Van den Berg. Op zijn werkkamer van De Nederlandsche Bank - hij was voordien president van de Javasche Bank in Batavia; in 1889 keerde hij terug naar Nederland - had president Van den Berg een portret van Holle aan de muur hangen. Ik vat de euforische momenten samen: ten eerste, het vinden van een veelzeggende brief in een grote stapel papieren; ten tweede, het combineren van gegevens tijdens het schrijven; en ten derde, het in handen krijgen van tastbare bewijzen, in dit geval een foto. Zo heb ik drie van de vele problematische momenten en drie van de vele euforische momenten bij het maken van het boek over Holle besproken.

Indische Letteren. Jaargang 14

13

De lusten en lasten van de biograaf Du Perron en zijn Indische jeugd Kees Snoek Wie een biografie schrijft over Du Perron, ziet zich geplaatst voor de moeilijkheid dat veel gegevens over het leven van deze schrijver uit diens eigen koker komen. Die gegevens vind je terug in brieven, essays, romans en verhalen. Naarmate ik mij meer in Du Perrons leven verdiepte, begon ik duidelijker te onderscheiden hoe groot het autobiografische gehalte is van zijn romans Een voorbereiding (1927) en Het land van herkomst (1935) alsook van een aantal van zijn verhalen. In de verhalen overheerst de maskerade, maar de twee romans blijven heel dicht bij de werkelijkheid, met name Het land van herkomst. Uiteraard speelt het probleem van de verhouding tussen de autobiografische werkelijkheid en de weerslag daarvan in de literatuur. Dit is een probleem dat ik enigszins uit de weg ben gegaan in mijn dissertatie De Indische jaren van E. du Perron, waarin ik bewust het accent heb gelegd op Du Perrons verblijf in Indië in de jaren 1936-1939, terwijl de jeugd slechts als een aanzetje fungeerde. Maar in de biografie moest en zou de jeugd een belangrijk onderdeel van de levensbeschrijving zijn. Dit ligt niet voor elke auteursbiografie voor de hand: er zijn schrijvers van wie de jeugd niet zo'n belangrijke of interessante periode in hun leven is, zodat de biograaf daar rustig met zevenmijlslaarzen doorheen kan gaan. Bij Du Perron ligt dat anders: zijn ontwikkeling als schrijver en intellectueel heeft voornamelijk in Europa plaatsgehad, maar Indië heeft hem emotioneel gevormd. Ook het feit dat hij afkomstig was uit het koloniale patriciaat is van belang voor zijn visie op leven en maatschappij, en verder moeten we rekening houden met de overheersende rol die zijn ouders hebben gespeeld. Zonder een gedegen en volledige beschrijving van zijn jeugd vallen er gaten in het beeld van de latere Du Perron. Evenals J.H.W. Veenstra heb ik dus veel plaats ingeruimd voor de eerste Indische periode van Du Perron, terwijl ik ook een overzicht geef van het voorgeslacht en een hoofdstuk wijd aan zijn ouders.1 Du Perrons jeugd was kleurrijk en levert een mooi verhaal op, maar de biograaf kan zich niet beperken tot het navertellen van Het land van

Indische Letteren. Jaargang 14

14

Eddy du Perron met zijn ouders en de min Nia (coll. mr. A.B. du Perron).

Indische Letteren. Jaargang 14

15 herkomst. Dankzij de autobiografische toelichtingen die Du Perron zelf in een met witte vellen doorschoten exemplaar voor zijn vriend Jan Greshoff heeft genoteerd, kunnen we de gebeurtenissen in de roman beter relateren aan de werkelijkheid, maar met deze aanknopingspunten begint pas het onderzoek. Hier en daar is het feitenmateriaal in de roman omwille van het literaire arrangement aangepast, dat wil zeggen soms vinden er vereenvoudigingen of verdichtingen plaats of is een anekdote die bij een bepaalde persoon hoorde toegeschreven aan een ander. Die gevallen zijn meestal door Du Perron zelf verantwoord, maar soms ook niet. Het gaat er dus om eigen onderzoek te verrichten om tot een vollediger en soms juister of zelfs afwijkend beeld te komen. Bovendien dient de roman onderworpen te worden aan een nauwkeurige, kritische lectuur en moeten er vaak details uit verschillende hoofdstukken bijeen worden geharkt om de chronologie beter in het vizier te krijgen. Het belangrijkste echter is het eigen onderzoek, dat kan leiden tot een nadere invulling óf correctie van het beeld dat Du Perron zelf heeft gegeven. In de kritische leeseditie van Het land van herkomst die F. Bulhof en G.J. Dorleijn in 1996 hebben gepubliceerd kunnen we zien wat voor bronnen de onderzoeker hierbij zoal ten dienste staan. Zo heeft Bulhof gebruik gemaakt van gegevens uit het Algemeen Rijks Archief. Op basis daarvan heeft hij een prachtig aanvullend portret geschilderd van de sympathieke zonderling Reneke Adriaan Eekhout, die in de roman voorkomt als de fantastische plannenmaker en Soendanezenvriend Evert Reedijk. Zelf heb ik geen onderzoek gedaan in het Algemeen Rijks Archief, maar wel in het Nationale Archief van Indonesië (Arsip Nasional) en in het Indisch Familie Archief. Over het Arsip Nasional kan ik kort zijn: het enige dat ik daar voor mijn biografie heb weten te vinden is een overzicht van de carrière van Du Perrons grootvader Henri bij de rechterlijke macht in Indië. Wie niet een veelomvattend onderwerp bestudeert, heeft maar weinig kans om in het Arsip Nasional iets van belang te vinden; de trefkans is eenvoudig te klein, waarbij nog komt dat lang niet alle stukken die op grond van hun summiere beschrijving in de index beloftevol lijken, ook bewaard zijn gebleven.

Op zoek naar getuigen Meer leverde het Indisch Familie Archief op. In een vroeg stadium van mijn onderzoek heb ik daar alle Indische familienamen die voorkomen bij Du Perron opgezocht. Soms had ik geluk en vond ik het adres van iemand die ooit gegevens had gedeponeerd. Zo ben ik de naam van ene Van der Groen tegengekomen, die woont in het plaatsje Concord in Californië en inderdaad een nazaat bleek te zijn van William van der Groen en Dora Pichel (1893-1972). Dora (Flora in de roman) was

Indische Letteren. Jaargang 14

16 het Indische meisje dat in Gedong Menu kindermeisje was en speelkameraadje van de zes jaar jongere Eddy. Ik heb haar zoon Edgar François, geboren in 1914 en niet toevallig luisterend naar de roepnaam Eddy, op 3 december 1993 in Jakarta gesproken en van hem en zijn zuster enkele indrukken gekregen van Du Perrons prilste jaren, waarover hun moeder graag mocht vertellen. Twee onmiddellijke getuigen van Eddy's jeugd heb ik gevonden dankzij een combinatie van geluk en enig doorzettingsvermogen. Ik was al geruime tijd op zoek naar telgen van de familie Jordaan, want in een toelichting in het Greshoff-exemplaar schrijft Du Perron, dat hij hoofdstuk 22 en 23 om esthetische redenen erg heeft bekort en zelfs zijn ‘aangenomen zusjes’ Jordaan, Gonda en Olga, heeft weggelaten.2 Na verschillende doodlopende sporen te hebben gevolgd, had ik eigenlijk al de hoop opgegeven om de ‘gezochte’ familie te vinden. Op 18 januari 1992 had ik een gezellige bijeenkomst met enkele leden van de familie Tissing. Adé Tissing, een van Eddy's trouwste jeugdvrienden, was op latere leeftijd getrouwd met Trude van den Berg, die uit haar eerste huwelijk een dochter had, Nel Jansen. Met deze stiefdochter van Adé Tissing, mevrouw Weke-Jansen, had ik enkele malen telefonisch contact gehad en zij was zich voor mijn onderzoek gaan interesseren.

Bij Tegallega; vooraan: Eddy du Perron, Gonda en Olga Jordaan, 1921 (coll. mr. A.E. du Perron).

Indische Letteren. Jaargang 14

17 Zij was het ook die de familiebijeenkomst voor mij had belegd. We praatten wat over Adé en Feicko Tissing en bekeken oude foto's, wat de conversatie altijd bijzonder stimuleert. Opeens viel de naam van Phely Jordaan, oudere broer van de tweelingzusjes, en na enige tijd zei mevrouw L. Tissing-Dieudonné, dat er een zoon van Phely in Roden woonde. Daarop heb ik snel een brief gestuurd aan deze meneer, want op 5 februari zou ik naar Nieuw-Zeeland vertrekken waar mij een baan wachtte. Spoedig daarop werd ik gebeld door de dochter van Gonda Jordaan, die van haar neef had gehoord dat ik naar de zusjes Jordaan zocht. Welnu, haar moeder was nog springlevend en had een ‘ijselijk goed geheugen’, en ik was welkom. Dus op 29 januari reisde ik naar Amsterdam, waar Gonda Bontekoe-Jordaan woonde. Zij had voor zichzelf een aantal notities gemaakt en vertelde mij alleraardigste verhalen die Het land van herkomst niet hebben gehaald, maar wel in mijn biografie zullen komen. Diverse details die zij mij vertelde over Eddy's moeder kwamen overeen met het beeld dat Rob Nieuwenhuys van haar geeft in zijn levendige artikel ‘Op zoek naar het land van herkomst’.3 Ook Rob baseerde zijn schets van mevrouw Du Perron onder meer op de informatie die hij van ‘een Indische zegsvrouw’ had gekregen. Míjn Indische zegsvrouw zocht ik nog eenmaal op, tijdens een verlof; in augustus 1994 overleed zij op 91-jarige leeftijd. Een andere kroongetuige is Jules Edouard (Eddy) van Polanen Petel (geb. 1914), de oudste zoon van Eddy's halfbroer en een van die Indische mensen die zich niet meer veilig voelden in het onafhankelijk geworden Indonesië en liever dan naar het koude benauwde Nederland te gaan een ander woonoord uitzochten. Gelukkig voor mij was dat in zijn geval Nieuw-Zeeland, wat ik te weten was gekomen uit het archief van de redactie van de Brieven van Du Perron.4 Zodra ik enigszins op orde was in mijn nieuwe woonplaats Auckland, ging ik naar een openbare bibliotheek, waar ik alle telefoonboeken doornam op de naam Van Polanen Petel. Ik noteerde vele Van Polanens, want je weet maar nooit; pas toen ik aan een van de laatste districten toekwam, stuitte ik in het plaatsje Whangarei - twee uur rijden ten noorden van Auckland - op de naam: J.E. van Polanen Petel. Een afspraak was gauw gemaakt. Op 14 december 1992 nam ik de bus naar Whangarei, waar ik vergast werd op fraaie familie-anekdotes uit de mond van een echte Indische verteller. Ik geef er hier een die het ‘espagnolisme’ illustreert dat Du Perron aan zijn Indische jeugd had overgehouden: Eddy du Perron was een vaatje buskruit, was ongebreideld. Een anekdote was: toen woonden ze al in Gistoux bij Brussel. Toen wij daar kwamen met vakantie vanuit Holland werden we altijd met open armen ontvangen door mijn grootmoeder. Maar een keer waren zij en Eddy in Parijs voor het een of andere

Indische Letteren. Jaargang 14

18 geval en er was een grote optocht, een hoop mensen daar en ze waren allemaal aan het dringen om vooraan te komen en Eddy en zijn moeder stonden vooraan, en er was een vent achter, die zat almaar te douwen en op te douwen, en Eddy had al een paar keer tegen die vent gezegd: Hee, hee, doe dat niet, kan je niet zien, hier staat een oude dame, en die vent die begon te schelden en die noemde een naam die in Eddy's mening beledigend was voor zijn moeder en die draait zich om en die slaat die vent baf! absolutely knock-out achterover. In mijn Nieuw-Zeelandse tijd onderhield ik briefcontact met Nel Weke-Jansen, bij wie ik altijd met mijn vragen terecht kon. Dankzij haar uitgebreide Indische netwerk in Den Haag zijn er zo nog allerlei details aan het licht gekomen, vooral over Du Perrons korte schoolcarrière op de HBS te Bandoeng. Zelfs wist Nel Weke uit de mond van haar oom Ton Scheffer (1899-1997) nog gegevens op te tekenen over Eddy's laatste twee jaren op de lagere school, i.c. de Gouvernementsschool in Meester Cornelis. Inmiddels heeft een aantal van deze zegslieden het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Mijzelf is het enkele keren overkomen, dat ik naar iemand toe wilde gaan die mij een veelbelovende bron leek, en dat Hein me net voor was. Hein is een spelbreker waar elke biograaf rekening mee moet houden. Daarom is het zaak om zo vroeg mogelijk in het biografische onderzoek zoveel mogelijk tijdgenoten te interviewen. Gelukkig zijn er ook aantekeningen bewaard van gesprekken die J.H.W. Veenstra tussen 1967 en 1983 heeft gevoerd met mensen die thans al veel langer aan gene zijde verkeren. In 1993 kreeg ik toegang tot dit materiaal, dat aan het Letterkundig Museum was gelegateerd. Zo trof ik interviews aan met Wim van Reijen (1899-1985), Eddy's jeugdvriend uit Meester Cornelis met wie hij het musketiersspel speelde met bamboe degens, en met Edy Batten (1900-1970), de vechtersbaas en latere Atjeh-strijder die in 1918 enige tijd voorzitter was van sportvereniging Olympia, waarvan Eddy het secretariaat op zich had genomen. Bij hun eerste ontmoeting maakte Eddy, die zachte aardige jongen met een slag in zijn haar, op Edy de indruk van een ‘cherubijntje’, maar later kwam hij erachter, dat het ‘een verdomd lastige vent’ kon zijn die geen ondergeschiktheid accepteerde. Een andere geïnterviewde was Katy Pennink-Pino, die op de HBS van Eddy's stilistische vaardigheid had geprofiteerd, want hij schreef haar opstellen. Over haar zuster Hetty, Eddy's eerste serieuze geliefde in Indië, zij het slechts in verhit epistolair verkeer, wist zij te vertellen dat zij een mystiekerig aangelegd meisje was, dat zich enorm voelde aangetrokken tot die excentrieke familie Du Perron in Tjitjalengka met hun spiritistische séances. Tijdens haar verblijf in het bergplaatsje kwam zij er ondanks het verbod van haar broer de controleur, A.M. Pino,5 toch over de vloer. En ze vatte gauw vlam voor elke nieuwe aanbidder die zich aandiende.

Indische Letteren. Jaargang 14

19

Foto's en andere documenten Om gevoel te krijgen voor de sfeer van een bepaalde plaats en tijd is ‘oral history’ onmisbaar. Maar wat de feitelijke gegevens betreft is enige behoedzaamheid geboden, want het menselijke geheugen is feilbaar. Sommige geïnterviewden zijn betrouwbaarder dan andere. Zo had Gonda Bontekoe-Jordaan, voormalig onderwijzeres, van zichzelf een hang naar precisie die uitkwam in de gedetailleerdheid van haar herinneringen. Soms hebben verschillende mensen eenzelfde verhaal en dan stijgt de betrouwbaarheid. Maar het is helemaal mooi als bepaalde uitspraken bevestigd of aangevuld worden door documenten. Een machtige bron vormen de foto's in de familie-albums die in het bezit zijn van mr. A.E. du Perron. In een vroeg stadium van mijn onderzoek heb ik het merendeel van die foto's gereproduceerd. Van de geportretteerden ontbraken vrijwel altijd de namen, maar nog levende tijdgenoten wisten die zich soms te herinneren; een enkele keer viel er naar te raden op grond van Het land van herkomst, waarin vooral gelaatstrekken heel exact worden beschreven. In zijn brieven verwijst Du Perron af en toe naar zijn jeugd in Indië. In de jaren negentig kwamen er vier collecties brieven van hem uit de jaren twintig boven water, die in deel X van de in 1977 begonnen reeks Brieven zullen worden gepubliceerd. Een belangrijke verzameling omvat de brieven uit 1922 en 1923 die hij schreef aan Clairette Petrucci, zijn

Meester Cornelis 1913, v.l.n.r. C.E. du Perron sr., onbekend, M.M.M, du Perron-Bédier de Prairie, onbekend, B.B.J. Crone, onbekend, onbekend (coll. mr. A.E. du Perron).

Indische Letteren. Jaargang 14

20 eerste ‘muze’ in Europa. In die tijd lag zijn Indische jeugd nog maar net achter hem; bovendien was het niet denkbeeldig, dat hij spoedig weer naar Indië zou moeten terugkeren. Zijn ouders woonden weliswaar in Brussel, maar officieel waren ze nog steeds ‘gedomicilieerd te Bandoeng’ waar het huis aan de Groote Lengkongweg nr. 18 was aangehouden, en zijn moeder had heimwee... Om aan zijn kunstenaarsaspiraties te kunnen voldoen bleef Eddy zelf toch liever in Europa, zoals hij op 22 juni 1922 aan Clairette uitlegt: ‘In Indië heb ik nooit geleefd. Een kunstenaar moet leven: het leven lijden van man en van kunstenaar. Misschien zijn er mensen die er alleen maar een kunstenaarsbestaan op na houden, maar zij zijn dan lijkt me nogal incompleet. In Indië was ik als man een kleine jongen met niets bijzonders in zijn leven: noch libertijns noch kuis, en met tamelijk weinig ervaring. In artistiek opzicht had ik alle omstandigheden tegen me. Ik heb gelezen, niets meer.’6 Het is een enigszins gechargeerd beeld dat Eddy hier van zichzelf geeft, want zo'n bleu en boekig jongmens was hij toch ook weer niet, maar hij schrijft dan ook aan de vrouw die hij de zijne wilde maken en hij kon moeilijk verhalen gaan ophangen over zijn nachtelijke strooptochten in de kampoengs met Edy Batten en de gebroeders Tissing. Hij wil zichzelf zo goed mogelijk verkopen en Clairette laten merken, dat hij met háár aan zijn zijde vast tot grootse dingen in staat zou zijn. Hij legt haar uit, dat hij in Indië maar één droom had: ‘te slagen als kunstenaar of falen. Daar kwam het op neer.’ En om als kunstenaar te slagen moest hij absoluut naar Europa: Europa was alles, in Europa moest hij overwinnen of verliezen. Als zijn lot in Europa niet een andere wending zou nemen, moest hij maar terugkeren naar Java om daar ‘een onbetekenend, min of meer gerieflijk leven te lijden.’ Europa was de uitdaging, de handschoen geworpen door het lot. Het beeld dat ik me heb kunnen vormen van Du Perron in Indië kreeg ook reliëf door een schriftje met dagboekachtige notities dat hij tussen 1935 en 1940 bijhield en dat in het bezit is van zijn zoon Alain. Vooral fascinerend daarin is zijn beschrijving van Gedong Menu en omgeving en wat er allemaal veranderd is. Er staat een lijst in van dingen in Indië die hij wil ‘bestuderen, beschrijven of met [zijn vrouw] Bep zien’; uit een psychologisch gezichtspunt interessant zijn de notities waarin hij enkele kwellende herinneringen heeft weergegeven. Maar ik wilde mijn biografie niet uitsluitend op subjectieve bronnen baseren. Om Du Perron en zijn ouders beter te kunnen plaatsen in het Indië van hun tijd heb ik de Indische geschiedenis bestudeerd en waar nodig bepaalde historische ontwikkelingen geschetst. Ook heb ik om de sfeer van de tijd op te snuiven én om achter sommige feiten te komen jaargangen van diverse Indische dagbladen doorgenomen. In de kranten was ik met name op zoek naar twee tamelijk publieke gebeurtenissen waarin Du Perron sr. betrokken was: ten eerste zijn ‘gijzeling’, dat wil zeggen

Indische Letteren. Jaargang 14

21 de gevangenisstraf van een maand, die hij omstreeks 1915-1916 in Bandoeng moest ondergaan. In Het land van herkomst staat behoorlijk cryptisch dat de gijzeling te wijten was aan het feit, dat ‘zijn vriend de advokaat zich volstrekt niet om hem bekommerd had’. Die vriend de advocaat was de bekende Armeense Indo-Europeaan mr. Th. Thomas, tevens schrijver van historische toneeldraken en hoofdredacteur (vanaf 1 april 1915) van het Bataviaasch Handelsblad. Welnu, ik heb de betreffende jaren met een marge naar boven en beneden toe in diverse dagbladen nagevlooid en vooral in de rubriek ‘rechtszaken’ gespeurd naar de namen C.E. du Perron of mr. Th. Thomas, maar gevonden heb ik niets.

Marietje van Oord(t) Evenmin heb ik een andere onopgeloste kwestie tot klaarheid kunnen brengen: die van de affaire ‘Marietje van Oord(t)’, een bekende Indische oplichtster, die - als ik de chronologie op basis van de roman juist heb gereconstrueerd - rond 1919 of 1920 haar zwierige entree maakte in de voorgalerij van het huis aan de Groote Lengkongweg, waar ze zich voorstelde als mevrouw Krapp of Kropp. Zij wilde het leegstaande Gedong Menu huren, beweerde dat haar man een hoge post bekleedde bij de Paketvaart en dat zij zich daarom met deze zaak belastte. Met haar niet geringe charmes wist zij Du Perron sr. binnen een mum van tijd om haar vinger te winden, en Gedong Menu werd aan haar verhuurd. Acht maanden later was de huur echter nog niet betaald. Du Perron sr. dreigde met een proces, maar de vogel bleek gevlogen: het huis - waar de meest fantastische feesten waren gegeven - werd in grote staat van vervuiling teruggevonden. Toen later de vermeende mevrouw Krapp of Kropp was teruggevonden en Marietje van Oord bleek te heten, volgde er een vermakelijk proces, waarbij Eddy getuige à charge was en Marietje larmoyante toneeltjes opvoerde.7 Dit relaas kan men terugvinden in Het land van herkomst, maar hoe graag was ik niet in een van de kranten gestuit op een beschrijving van het proces zelf! Toch hoef ik niet helemaal ontevreden te zijn, want ik kwam Marietje tweemaal tegen. De eerste keer viel mijn oog op haar naam in de Java-Bode van 23 februari 1917. Zij verschijnt daar als de dame, die in het Bataviase Rijswijk een hoed kocht en verzocht de rekening te sturen naar de Nieuwelaan. Toen de rekening werd aangeboden, bleek zij vertrokken te zijn naar Bandoeng. Bij onderzoek bleek, dat zij ‘de bekende oplichtster Marietje van Oord’ was geweest. Veel uitgebreider komt zij naar voren in de Preanger-Bode van 29 mei 1915 in het artikel ‘Droevig gebeuren’. Het beeld dat hier van haar wordt gegeven komt aardig overeen met Du Perrons schets van haar pathetische gedrag tijdens de rechtszaak. Als een voetnoot bij Du Perrons roman én bij de Indische moraal moge dan dit vermakelijk verslag gelden, dat ik hier in zijn geheel laat volgen:

Indische Letteren. Jaargang 14

22 Reeds eenige malen hebben wij in dit blad de avonturen geboekstaafd van Marietje van Oordt, een hupsch deerntje, dat het met de zedelijkheid zooals wij die in onze fatsoendelijke maatschappij verstaan - niet zoo nauw neemt. Een poos is ze in het tehuis van het Leger des Heils te Semarang geweest, doch daar kon ze het niet uithouden en dus verbrak ze haar kluisters weer. Na eenige omzwervingen kwam ze, via Makasser, te Soerabaja terecht, waar zij zich voorgoed ‘vestigde’, vertelt de N.S.Ct8. De sympathieën van Marietje gaan zeer beslist in de richting van het andere geslacht, en een gelegenheid om een ‘relatie’ aan te knoopen laat ze niet licht voorbij gaan. Ze palmt de heeren der schepping met haar betooverende lachjes in en laat ze niet zoo spoedig meer los. Nu dezer dagen had ze weer beet. De galant scheen wat groen, en hij gelóófde in haar, waarom zou hij het meisje niet trouwen? Doch zijn vrienden rieden het hem af. ‘Kerel’, zeiden ze, ‘wéét wat je doet. Je bent nou al zoo lang alleen geweest, zie het nog een poos vol te houden.’ En toen de jonchelinch daarop betoogde, dat hij beu was, finaal ‘bosèn’ van het jongelui's-Leven, zoodat het den schijn kreeg, dat hij niet meer te houen was (iedere man, die getrouwd is, kan zich gemakkelijk in dezen toestand verplaatsen), toen speelden de vrienden een laatste troef uit. ‘Ben je wel zeker, dat ze werkelijk Annetje van Dalen heet?’ vroegen ze. Hierdoor werd wantrouwen gezaaid in het hart des minnaars; hij wist het absoluut zeker; maar..... hij zou er toch nog eens naar informeeren. Marietje huilde een dozijn zakdoekjes nat toen de galant haar de vraag stelde. Hij was opgestookt, dat begreep ze wel. Wat waren dat voor lui, met wie-ie omging! Zulke infame leugenaars! Maar ze zou 't hem bewijzen; ze zou haar identiteit laten vaststellen door den hoofdcommissaris van politie! Dat was dan goed, en beiden togen ze naar het bureau van den hacévépé. Deze verbaasde zich over niets; de heer Von Hombracht vertelde Marietje alleen, dat, wanneer ze dergelijke grappen weer verkocht, hij haar anders zou tracteeren. De ‘relatie’ is verbroken, en Marietje is weer à prendre. De galant-met-de-oprechte-plannen heeft met een: Leb wohl, meine Lamm, ich wandre von hier! afscheid van haar genomen.

De plurale samenleving Typerend in het verslag is de toon vol leedvermaak, die altijd wordt aangeslagen als het gaat om betrapte dieven of ontmaskerde oplichters

Indische Letteren. Jaargang 14

23 of - in sommige kranten - om domme en onbetrouwbare inlanders die hun verdiende loon hebben gekregen. De Indische maatschappij was vooral ook een sterk gesegmenteerde maatschappij met de nodige spanningen tussen de have's en de have not's. De Britse bestuursambtenaar J.S. Furnivall heeft voor Nederlands-Indië de term ‘plurale samenleving’ gemunt, waarmee hij bedoelde dat de bevolking uiteenviel ‘in een aantal etnische groepen met verschillende talen, zeden, gewoonten, religies en economische functies [...] Een kolonie was geen samenleving maar een marktplaats, waar ieder zijn arbeidskracht als enige waar kon verhandelen. Geen van de in de kolonie levende vreemde groepen kon een volkomen leven leiden. Europeanen en anderen waren er slechts tijdelijk, niet als burger van een land maar als kapitalist of ondernemer met vreemde arbeidskrachten. De relatieve homogeniteit van een samenleving in Europa ontbrak in deze tropische koloniën. Ieder en elke groep voor zich, geen voor het algemene belang, omdat dit niet als zodanig viel te definiëren.’9 Op deze wijze weergegeven, doet de omschrijving onrecht aan de bestuursambtenaren, die geacht werden wél voor het algemene belang te werken. Velen van hen, eenmaal in de ban geraakt van de idealen van Verlichting of Ethische Politiek, hebben dat niet nagelaten en zijn daardoor menigmaal in conflict gekomen met ‘uitbuiters’ van de bevolking, of dat nu inheemse feodale potentaatjes waren of hun Europese evenknieën of Chinese woekeraars. Zo komt in Het land van herkomst naar voren, hoe Ducroo sr., particulier in hart en nieren, verbeten streed tegen ethische bestuursambtenaren, wier bemoeizucht volgens hem de historisch gegroeide verhoudingen tussen landheer en opgezetenen ontoelaatbaar verstoorde. Het plurale karakter van de Indische samenleving kan ook, naar het voorbeeld van Jean Gelman Taylor, op minder welwillende wijze worden omschreven als een kastesysteem.10 Zij geeft echter ook aan, dat er groepen van ‘blijvers’ waren onder de Europeanen, die in bepaalde opzichten buiten hun eigen ‘kaste’ traden. Deze Europeanen die Indië als hun vaderland hadden geadopteerd stonden open voor de invloed van de mestiezencultuur, die de VOC-tijd had overleefd. Deze mengcultuur was niet voorbehouden aan gemengdbloedigen, ze werkte ook in op creolen en op verse immigranten die zich permanent in Indië vestigden. Taylor spreekt in dit verband van een ‘intermediate society’, een Europese bevolkingsgroep die zich grotendeels aanpaste bij de levensstijl en gebruiken van de Indonesiërs en andere oosterlingen.11 Overigens hoeft dit niet in te houden, dat daarmee ook een grotere gelijkheid tot stand kwam in de verhouding met de oosterse rassen; vaak integendeel. Met name de Indische dames bezaten een scherp gevoel voor wie de ‘baas’ was in huis en konden door hun kennis van het Maleis of lokale talen dit gezag ook uitentreuren blijven botvieren. De ouders van Eddy du Perron behoorden tot deze groep van blijvers

Indische Letteren. Jaargang 14

24

Mevrouw Du Perron met haar twee zonen, Oscar en Eddy, schoondochter Erna en eerste kleinzoon Eddy, 1914 (coll. J.E. van Polanen Petel).

Indische Letteren. Jaargang 14

25 die gekenmerkt waren door een mengeling van Indonesische en Europese cultuurelementen. Maar ook was waar, dat de man meestal meer het Europese element vertegenwoordigde, terwijl de vrouw een nauwere aansluiting vond bij de inheemse levensstijl. Voor de familie Du Perron gold dit zeker. Uit sociologisch gezichtspunt interessant zijn de opmerkingen in Het land van herkomst over de wijze waarop Arthur Ducroo en zijn ouders zich verhielden tot de verschillende bevolkingsgroepen en hun cultuuruitingen. Zo zijn Arthur en zijn moeder verzot op krontjong, waaruit blijkt hoe Indisch zij waren, niettegenstaande alle Europese pretenties. Volgens Het land van herkomst werd deze muziek gemaakt door ‘de oudere broers van de kinderen waar ik niet mee mocht spelen: dit waren de oudere boeaja's (scharrelaars, deugnieten, letterlik: krokodillen) van de halfbloed-families waartegen ik gewaarschuwd werd, de Mollerbeeks en de Leerkerks; [...].’12 Dat het met de afkeer van genoemde Indo-families wel losliep, bewijst een andere passage in de roman, waarin wordt verteld hoe de familie Mollerbeek (in werkelijkheid: Agerbeek) kwam logeren in de villa die de familie Ducroo in Tjitjoeroeg bezat. Mevrouw verbleef daar vaak zonder haar man en nam dan behalve Eddy ook Dora Pichel mee.13 Bij de beschreven logeerpartij, die plaatsvond toen Eddy ongeveer vijf jaar oud was, kwam mevrouw Agerbeek met haar zoontjes Herman en Ellie, van wie de laatste de organisator werd van alle spelletjes, terwijl beide moeders elkaar trachtten te overtroeven in het bakken van Indische koekjes. De spelletjes die werden gespeeld waren door en door Indisch. Ellie ging voor in het zingen van liedjes uit de inlandse opera ‘bangsawan’, ‘indiese liedjes op europese draaiorgelmotiefjes’ en een lied uit het voor de Komedie Stamboel geschreven Njai Dasima, een Bataviaans zedendrama dat tot in onze tijd bekend is gebleven door de prozabewerking van A.Th. Manusama. In zijn prilste jeugd raakte Eddy dus al vertrouwd met de Indische cultuur, zo rijk aan de verbeelding aansprekend sentiment. Toen Eddy opgroeide, werd er echter meer afstand genomen van die al te Indische sfeer. Volgens de verteller van Het land van herkomst gingen de ‘oude vooroordelen’ weer een woordje meespreken. De sfeer van de kleine Indo's uit de buurt werd schadelijk geacht voor het herenzoontje en moeder meende in de ‘katolieke sfeer’ een gunstig tegenwicht te hebben gevonden, dus moest zoonlief naar de Broederschool St. Aloysius aan de noordoosthoek van het majestueuze Koningsplein, in de chique buurt Weltevreden.14 Conflicten die het herenzoontje vooral als puber en adolescent had met Indo's en Indonesiërs worden in de roman met grote precisie beschreven, ook wanneer hij daarbij een minder fraaie rol speelt. Toch blijft een nauwkeurige analyse van de tekst geboden. Waar in de roman wordt geschreven, dat de Indo Baur (alias Herman Bloem) soms ‘onverklaarbare buien van wrok’ had, kunnen

Indische Letteren. Jaargang 14

26

Eddy du Perron in 1917 (coll. mr. A.E. du Perron).

Indische Letteren. Jaargang 14

27 we ons afvragen of die buien wel zo onverklaarbaar waren, als we denken aan zijn verre van rooskleurige positie als kleine Indo, die bovendien door zijn totok-vader was verstoten. Als Baur, die tijdelijk onderdak had gevonden in Gedong Menu, ook door vader Ducroo de deur wordt gewezen, neemt hij wraak op de zoon door deze in de tram opzij te duwen en vlug diens plaats te bezetten. In de klas komt het dan tot een confrontatie, waarbij Arthur Ducroo zich ontlaadt ‘in alle grievende scheldwoorden die ik voor een halfbloed en speciaal voor hem bedenken kon; hij werd grauw in het gezicht maar bleef star in de lucht kijken. Deze belediging, waarbij de anderen met open monden luisterden, was ons laatste onderhoud.’15 Allengs conformeert het herenzoontje zich steeds sterker aan het waardenstelsel van zijn vader en bezigt hij ook waar dat te pas komt diens arsenaal van kapitein Haddock-achtige scheldwoorden. Hij deinst echter terug voor geweld. In diverse passages in Het land van herkomst en enkele dagboeknotities uit de jaren dertig voel je nog de angst, huiver en afkeer die Eddy voelde als zijn oude heer weer eens een inlander afranselde.

Jeugdlectuur Tot slot wil ik een laatste bron noemen voor mijn biografische verkenning van Du Perrons jeugd, namelijk de boeken die hij toen las. Zelf hechtte Du Perron grote betekenis aan zijn jeugdlectuur. In Vriend of vijand en In deze grootse tijd heeft hij bladzijden vol geschreven over de boeken die hij als knaap en jongeling las.16 Ik heb dan ook allerlei jeugdboeken opgespoord - wat niet altijd eenvoudig was17 - en gelezen of op z'n minst doorgebladerd. De jeugdliteratuur uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw zou thans allerminst voor een Gouden Griffel in aanmerking komen. De verdediging van blanke belangen rechtvaardigt het afslachten van vijandige Indianenstammen en in de Transvaalromans, die Eddy aan de Zandbaai las, triomferen Hollanders over Engelsen. Racisme en nationalisme vieren er hoogtij. Zelf schreef Du Perron in 1935 in een recensie van een piratenboek, met een verwijzing naar de Transvaalroman Pieter Marits: ‘Er is iets diepers dan onschuldig plezier in al deze lectuur voor jongere en oudere kinderen.’18 En in Pieter Marits zelf lezen we hoe deze koene, in wezen goedhartige Boer gedwongen wordt het geweer te richten tegen de Engelse troepen, waarmee hij eerder de Zoeloes had bestreden. Een van de Boeren zegt hem: ‘Bedenk echter mijn jongen, dat het Christenmensen zijn. Richt goed, dat ze niet lang lijden.’ En zo geschiedt. Na het gemoord en geschiet heeft evenwel een oude zendeling het laatste woord: hij voorspelt, dat alle volken die met hun bloed Afrika's bodem hebben gekleurd, zich met elkaar zullen verzoenen.19 In de Indianenromans van Gustave Aimard en Gabriel Ferry worden

Indische Letteren. Jaargang 14

28 Indianen als inferieur aan de blanken beschouwd, want Indianen zijn heidenen, en daardoor lichtgelovig, woest, nodeloos wreed en wraakzuchtig. Ze worden niet in toom gehouden door christelijke deugden en kennen dus geen mededogen. Vaak worden bij zowel Ferry als Aimard de meest verwerpelijke en verraderlijke rollen door mestiezen bekleed: een herkenbaar gegeven voor lezers in een hiërarchische koloniale samenleving waar vaak op Indo's werd neergekeken. Anderzijds komt bij Aimard ook de gedachte voor, dat gemengdbloedigen de beste kanten van beide rassen in zich verenigen. Edelhart in de gelijknamige roman is een halfbloed. Over blanken wordt in Edelhart hier en daar de staf gebroken: zij heten wreder dan de roodhuiden, omdat zij op grond van hun ‘oordeel des onderscheids’ beter moesten weten.20 Bij Ferry, wiens roman De woudlooper de Nederlandse jeugd pas bereikte nadat hij was ‘omgewerkt door een in Duitschland geacht opvoedkundige’, ontbreken relativerende beschouwingen over blanken; de Indianen worden ook veel negatiever uitgebeeld: als duivels, belust op de van bloed druipende scalpen van hun vijanden. Bois-Rosé, de edele Canadese hoofdfiguur, vergelijkt Indianen met gieren, ‘die het eerst dan wagen het lijk van een mensch te verscheuren, wanneer het tot bederf begint over te gaan.’21 Ik neem aan, dat dit soort stijlbloempjes ook deel uitmaakten van het Franse origineel, terwijl de vele verwijzingen naar God mogelijk uit de pen van de Duitse bewerker zijn gevloeid. In een door J.J.A. Gouverneur geschreven voorwoord wordt gespeculeerd op enige ongerustheid bij ouders of De woudlooper wel ‘eene geschikte lectuur zijn zou’, maar Gouverneur ziet er geen probleem in het boek van harte aan te bevelen als ‘wezenlijk nuttige en leerzame lectuur’. Dat neemt niet weg dat de wrede kanten van het boek Eddy's licht ontvlambare fantasie wel moeten hebben geprikkeld. Overigens had Eddy geen aanvechtingen om zich prairiejager der Preanger te voelen of zo, evenmin als zijn volgende lectuur hem deed verlangen zouaaf, Transvaalse boer of ridder te worden. Wel moet hij zich de vriend van deze helden hebben gevoeld, maar zijn vader relativeerde zijn enthousiasme met de schampere opmerking, dat hij geen druppeltje bloed kon zien.22 Du Perron groeide op in een wrede samenleving, waarin de waarden van de heersende klasse en het heersende ras werden benadrukt, maar in tegenstelling tot zijn vader, die bekend stond als ‘de kwaaie Duup’, had hij een goedaardig naturel. Toch heeft het nog lang geduurd eer hij zich van allerlei koloniale aankleefsels heeft weten te bevrijden, en een zekere koloniale weerbaarheid heeft hij altijd behouden. Enkele progressieve Europese vrienden en vooral zijn vrouw Bep hebben in zijn dekoloniseringsproces een beslissende rol gespeeld, maar dit proces nam eigenlijk al een aanvang toen hij het gerieflijke Indische leven achter zich liet en naar Europa kwam om daar als kunstenaar te slagen of te falen.

Eindnoten: 1 J.H.W. Veenstra heeft diverse belangwekkende biografische artikelen geschreven over Du Perron. Verder heeft hij een typoscript van 105 bladzijden nagelaten, dat loopt tot het vertrek naar Europa. Hiervan zijn 62 bladzijden gewijd aan het voorgeslacht en de ouders. Mijn

Indische Letteren. Jaargang 14

2 3 4 5

6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

17

18 19 20 21 22

typoscript bevat 62 bladzijden die over Indië, het voorgeslacht en de ouders gaan en 140 bladzijden die Eddy's jeugd behandelen tot het vertrek naar Europa. E. du Perron, Het land van herkomst, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1996 (voortaan: Hlvh), p. 474. Betr. ‘De “Indische jongen” Du Perron’. In: De Gids, jrg. 126, nr. 7 (september 1963), p. 127-140. Dit nog ongeordende archief is in het bezit van het Letterkundig Museum. A.M. Pino (1891-1979). Recentelijk werd van hem uitgegeven: Komedie Stamboel en andere verhalen uit de praktijk van het binnenlands bestuur 1913-1946; met een biografie door Jeanette de Boer-Pino. Leiden: Instituut voor de Geschiedenis van de Europese expansie (IGEER), RUL, 1998. Dit citaat is door mij uit het Frans vertaald. Zie: E. du Perron, Hlvh, p. 328-329 en Verzameld werk III, Amsterdam: G.A. van Oorschot 1954 (voortaan: Vw III), p. 405-407. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de Nieuwe Soerabaia Courant. Zie: J. van Goor, De Nederlandse Koloniën, Den Haag: Sdu Uitgeverij 1994, p. 268. Jean Gelman Taylor, Smeltkroes Batavia, Groningen: Wolters-Noordhoff 1988, p. 168. Idem, p. 168-169. E. du Perron, Vw III, p. 117; Hlvh, p. 99. De Mollerbeeks en Leerkerks staan voor: Agerbeeks en Riekerks. Zie: Hlvh, p. 449. Mededeling Edgar François van der Groen, Jakarta, 3 december 1993. E. du Perron, Vw III, p. 243; Hlvh, p. 197-198. Zie voor de episode-Baur: Vw III, p. 254-259; Hlvh, p. 206-210, 464. Zie: E. du Perron, Vriend of vijand, [Brussel]: A.A.M. Stols 1931, p. 33-42, resp. In deze grootse tijd, 's-Gravenhage: A.A.M. Stols 1946, p. 162-165. (Ook in: Verzameld werk II, Amsterdam: G.A. van Oorschot 1955, p. 123-130, resp. Verzameld werk V, Amsterdam: G.A. van Oorschot 1956, p. 256-260). Ik heb het een en ander gevonden in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag en in de Stichting Kinderboek-Cultuurbezit te Winsum. Onvindbaar blijven echter de detective-verhalen over ‘De Wilsons’, die verschenen als ‘grote platte afleveringen’ van 32 bladzijden ‘onder schril gekleurd omslag’. Du Perron noemt twee titels die hem als kind bijzonder troffen: ‘De Wilsons en het Geheim van Bed Rock, of (in kleinere letters) Het Spook van de Black Hills; De Wilsons en de Moord te Harlem Heights of De Krankzinnige Dokter.’ E. du Perron, Verzameld werk VI, Amsterdam: G.A. van Oorschot 1958, p. 159. Zie: August Niemann, Pieter Marits. Lotgevallen van een Transvaalse boerenjongen. Ik heb gebruikt de zestiende herziene druk met platen, die in Rijswijk is uitgegeven door V.A. Kramers. Gustave Aimard, Edelhart, Rotterdam: D. Bolle z.j., p. 218. Gabriel Ferry, De woudlooper, Rotterdam: D. Bolle z.j., p. 91. E. du Perron, In deze grootse tijd, p. 163; Vw V, p. 258-259.

Indische Letteren. Jaargang 14

30

Passage uit een brief van Ritter aan het Borneo's Nieuwsblad, waarin hij toezegt aan dit blad mee te zullen werken (fotocollectie KITLV, Leiden).

Indische Letteren. Jaargang 14

31

Het onverslijtbaar kleed Over de verhalen van W.L. Ritter (1799-1862) Koos Arens Wonderlijk en onvoorspelbaar zijn de wegen der geschiedenis. Een kastekort en daaropvolgend ontslag uit 's lands dienst luidden in 1837 het begin in van de literaire carrière van W.L. Ritter. Ritter wordt in de literatuurgeschiedenis weinig geroemd om zijn literaire gaven en is tegenwoordig vooral bekend dankzij een citaat uit zijn boekje De Europeaan in Nederlandsch-Indië, dat Nieuwenhuys als motto voor zijn Oost-Indische spiegel gebruikte.1 Toch is hij om méér redenen een schrijver die het verdient niet vergeten te worden. Hoewel zijn leven, werken en denkbeelden sinds het verschijnen van de Oost-Indische spiegel verschillende malen - onder andere in Indische Letteren2 - aan de orde zijn gekomen, is er een goede reden om nog eens terug te komen op deze figuur. We leerden Ritter tot nu toe vooral kennen dankzij zijn rol in en betekenis voor de Nederlands-Indische letteren; niet bekend maar minstens zo boeiend is de rol die zijn literaire werk - vele decennia na zijn dood - is gaan spelen in de Maleistalige en Indonesische wereld. Daarnaast is het de moeite waard dieper in te gaan op de invloed van Ritters werk op de beeldvorming en geschiedschrijving over land en volk van Nederlands-Indië. Het ontslag in 1837 betekende het definitieve einde van een tot dan toe succesvol verlopen carrière. Ritter begon in 1815 als chirurgijn derde klasse, was daarna onder meer assistent-resident van Landak en ten slotte (waarnemend) resident van Borneo's westkust. Hij zag zich gedwongen andere wegen te zoeken om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien en vond de oplossing in het schrijverschap. Al tijdens zijn verblijf aan Borneo's westkust had Ritter bewezen over een vaardige pen te beschikken door zijn bijdragen in het Borneo's Nieuwsblad,3 en vanaf 1838 kwam een gestage stroom literaire publicaties op gang waarmee hij zich een zekere faam verwierf. Ritters specialismen waren sterk geromantiseerde verhalen over episoden uit de Nederlands-Indische geschiedenis en beschrijvingen van inheemse taferelen en bevolkingstypen.

Indische Letteren. Jaargang 14

32 We zullen zien dat de invloed van deze schrijver - wie het volgens Nieuwenhuys' Oost-Indische spiegel ontbrak aan een groot literair talent4 - veel groter is geweest dan tot nu toe werd aangenomen.

Ritters verhalen: visie op de koloniale samenleving Ritters verhalen dienden tot lering en vermaak of (aldus respectievelijk het motto van het tijdschrift Biäng Lala waarvan Ritter redacteur was en het voorwoord bij de verhalenbundel Nacht en morgen uit het Indische leven) ‘tot aangenaam en gezellig onderhoud’ en ‘tot de vermeerdering der kennis van de zeden en gewoonten der bewoners, van welken landaard ook, van den Indischen Archipel’ met de toevoeging dat de schrijver zijn verhalen ‘in een romantisch kleed’ wikkelde ‘om ze aangenamer te doen lezen’. Gezien deze motto's is het niet verwonderlijk dat geen enkele passage in Ritters oeuvre - in totaal een kleine honderd titels - getuigt van extreme denkbeelden. Is het mogelijk dat Ritter, die leefde van zijn pen, zijn lezers niet al te openlijk tegen de haren in wilde strijken en zich veiligheidshalve aansloot bij de meest gangbare denkbeelden? Er is geen enkele aanwijzing dat de schrijver in zijn geschriften zijn eigen overtuigingen verloochende en op geen enkele plaats vinden we, hoe verholen of in wat voor vorm dan ook, iets van onvrede met het bestaande koloniale bestel of zijn instellingen. Integendeel zelfs, met zijn verhalen bezingt Ritter de zegeningen die de vestiging van het Nederlands bestuur gebracht heeft en de heroïsche daden van hen die daarvoor streden. Daden die aldus Ritter ‘niet onder eene korenmaat moeten verborgen blijven, maar helder schitteren en onuitbluschbare vlammen van erkentelijkheid en hoogachting werpen in de harten van tijdgenoot en nakomeling’, omdat zij bewijzen ‘dat moed, gepaard met onverschrokkenheid, nog het erfdeel is der voorvaders en voortdurend hen bezielt, die hun leven toewijden aan de handhaving van Nederlands gezag en de eer van zijne vlag in de uitgestrekte wateren van den Indischen Archipel’.5 Voorzover er sprake is van kritiek betreft dit meestal situaties uit het voorbije Compagniesverleden. Onwankelbaar is het geloof in de legitimiteit van het Nederlandse bestuur en de taak en roeping die Nederland heeft om de bevolking van de Nederlands-Indische archipel door scholing en uitbreiding van het onderwijs uit de kluisters van bijgeloof en onwetendheid te bevrijden. Het was een overtuiging die gedeeld werd door zelfs Ritters meest kritische tijdgenoten. In 1855 verscheen het prachtige door E. Hardouin geïllustreerde plaatwerk Java. Toneelen uit het leven. Karakterschetsen en kleederdragten van Java's bewoners, waarvoor Ritter de begeleidende teksten schreef. Het bij K. Fuhri in 's-Gravenhage uitgegeven werk sloot aan bij de in die tijd oplevende traditie van nationale typencollecties6 en moet voor velen de eerste confrontatie met de bevolking van het verre Indië (althans

Indische Letteren. Jaargang 14

33 zoals die werd voorgesteld door Hardouin en Ritter) hebben betekend. Geheel in de geest van zijn tijd veronderstelde Ritter een verband tussen etniciteit en (vaak verwerpelijke) karaktereigenschappen. Kritischer geesten en tijdgenoten als J. Olivier, W.R. van Hoëvell en Ph.P. en S. Roorda van Eysinga trachtten af te rekenen met stereotiepe vooroordelen als bijvoorbeeld ‘de luie Javaan’; maar in Java en op andere plaatsen in Ritters werk vinden we talloze van dergelijke karakteriseringen. Een paar voorbeelden uit de verhalen ‘Si Tjonat de landrover’ en ‘De arme Rosetta’: over de Soendanees: ‘Wel moge de Soendanees, zoolang zijne hartstochten niet in het spel komen, matig, goedaardig, lijdzaam en onderdanig zijn, maar hij is ook jaloersch, verkwistend, valsch en wreed, wraakzuchtig, zonder ooit eene beleediging te vergeten, den dood zelfs trotserende, om zijne wraak te kunnen ten uitvoer brengen’. Of over de Boeginees: ‘een Boeginees van geboorte en zeer wraakzuchtig van karakter’; de Balinees: ‘Het Balinesche karakter is, naar men zegt, evenzeer tot diefstal als tot wraak geneigd’ en ten slotte over ‘de inlander’: ‘- liefde?! kent de inlander haar? neen! [sic].’7 Vooral een opmerking als de laatste - waarin een gedachte vertolkt werd die waarschijnlijk leefde bij het grootste gedeelte van de Europese bevolking - klinkt ons vandaag de dag bizar in de oren maar het verwarrende is dat we er andere citaten tegenover kunnen stellen die een tegenovergestelde reactie oproepen. Als we de eerder genoemde publicatie De Europeaan in Nederlandsch-Indië erop naslaan wordt het ons beurtelings koud en warm om het hart als we eerst (nog eens) lezen: ‘de beteekenis van ons woord liefde is den inlander immers geheel onbekend’,8 maar dan: ‘gelukkig hij, die, wanneer hij zijn geboortegrond verlaat [...] zich boven vooroordeelen en zoogenaamde nationaliteit weet te verheffen en te voegen naar plaats en omstandigheden’ en [die vanuit] ‘de overtuiging dat alles wat is en bestaat, uitgaat van één Opperwezen dat alle schepselen liefheeft, verdraagzaam wordt omtrent alle wijzen van vereering van dat Opperwezen en een ieder eerbiedigt die, daardoor geleid, niet met minachting neerziet op de zeden en gewoonten van andere volken, dikwerf zoo geheel verschillende van de zijne’.9 Hypocrisie, waan van de dag, of beide? Denkbeelden als de laatste hebben er in ieder geval toe geleid dat Ritter terecht of niet - niet alleen als de vertolker van stereotiepe behoudende denkbeelden te boek is komen te staan maar ook als iemand met verlichte ideeën. Ritters denkbeelden aangaande een actueel koloniaal vraagstuk in zijn tijd vinden we het meest expliciet geventileerd in zijn verhandeling ‘De slavenstand in Nederlandsch-Indië’, die verscheen in het tijdschrift Lakschmi in 1840. Ondanks het feit dat Ritter oprecht begaan lijkt te zijn geweest met de misstanden die het systeem aankleefden, was hij een tegenstander van drastische hervormingen en toonde zich daarmee aanzienlijk behoudender dan bijvoorbeeld de beroemde dominee (en het latere Tweede Kamerlid) Van Hoëvell. Terwijl de laatste actief streed

Indische Letteren. Jaargang 14

34

Titelpagina van H. Kommers bewerking van ‘De aime Rosetta’ (fotocollectie KITLV, Leiden).

Indische Letteren. Jaargang 14

35 voor de afschaffing van de slavernij wees Ritter op de gevaren die een onmiddellijke vrijlating van alle slaven met zich mee zou brengen: Ontroofd aan hunne betrekkingen [...], zoo kan die vrijheid geen andere waarde hebben, dan om tot uitersten over te slaan; en onbeteugeld hollen zij dan voort in de baan der driften, wier intooming of wijziging zij nimmer gekend of geleerd hebben. En hoe noodlottig en barbaarsch zijn meestal die botvieringen en uitspattingen.10 In zijn inleiding op het verhaal ‘De arme Rosetta’ in Biäng Lala in 1852 verklaarde Ritter niet van mening veranderd te zijn en zelfs bij de tweede uitgave van ‘De arme Rosetta’ in 1861, dus een jaar ná de afschaffing van de slavernij in Nederlands-Indië, handhaafde hij dat standpunt. Voor Van Hoëvell was deze stellingname inzake het vraagstuk van de slavernij het bewijs dat Ritter ‘zich van vele, in Indië vooral vroeger niet zeldzame, vooroordeelen niet geheel [had] kunnen losmaken’; en al voegde hij daar aan toe ‘Wij verheugen ons, dat vele ingezetenen van Indië er anders over denken’,11 het grootste gedeelte van de Europese bevolking had toch meer affiniteit met Ritters overwegend behoudende denkbeelden. De verschrikkingen voortkomend uit de slavernij zoals we die beschreven vinden in ‘De arme Rosetta’ ontsproten volgens Ritter aan de gebrekkige opvoeding en scholing van de (gemengdbloedige) overheersers in de Compagniestijd en opgelucht horen we hem verzuchten: ‘Goddank! Thans is het anders.’12 In het contrast met zijn eigen tijd ligt een belangrijk doel van verhalen als ‘De arme Rosetta’ besloten, want - probeert de schrijver ons te overtuigen - hoe schril steken die wreedheden uit het verleden niet af tegen het verlichte heden!

Ritters in het Maleis bewerkte verhalen Een niet gering aantal van Ritters verhalen blijkt een verrassend naleven gehad te hebben en is - in mindere of meerdere mate bewerkt - in het Maleis vertaald; in deze bewerkte vorm worden deze verhalen zelfs gerekend tot de eerste moderne, zogenaamde pre-Indonesische of assimilatieve literatuur. Een eerste inventarisatie bracht aan het licht dat in ieder geval vijf van Ritters verhalen in het Maleis bewerkt zijn. Van een van die verhalen, ‘De arme Rosetta’, bestaan zelfs twee Maleistalige versies, beide getiteld ‘Tjerita Rossina’: een uit 1903 van F.D.J. Pangemanann en een uit 1910 van H. Kommer. Het bestaan van deze twee versies heeft geleid tot de veronderstelling dat Kommer plagiaat pleegde door zich Pangemananns ‘Tjerita Rossina’ toe te eigenen.13 Omdat ik er niet in geslaagd ben een exemplaar van Kommers versie te achterhalen is het niet mogelijk geweest deze veronderstelling te onderzoeken, maar inmiddels kan wel met zekerheid gesteld worden dat, hoe dan

Indische Letteren. Jaargang 14

36 ook, béide schrijvers zich baseerden op het werk van een ander. ‘Tjerita Rossina’ werd zo'n dertig jaar later op haar beurt bewerkt: in 1933 verscheen een berijmde bewerking van het verhaal, Sja'ir Rosina; ditmaal vinden we op de omslag van het boekje naast de naam van de bewerker, Toelis Soetan Sati, ook vermeld ‘ontleend aan het werk van F.D.J. Pangemanann.’14 Andere verhalen van Ritter die bewerkt en vertaald werden zijn ‘Si Tjonat de landrover’, ‘De dubbele moord’, ‘Pieter Erberveld’ en ‘Sara Specx’, waarvan de Maleistalige versies verschenen als respectievelijk ‘Tjerita Si Tjonat’ van F.D.J. Pangemanann in 1900, ‘Tjerita Kong Hong Nio’ van H. Kommer in 1900, ‘Pieter Elberveld’15 van Tio Ie Soei in 1924 en Sara Specx, eveneens van Tio Ie Soei maar onder het pseudoniem Tjoa Piet Bak in 1926.16 De Maleistalige versies inspireerden Indonesische schrijvers en kunstenaars tot lang na de onafhankelijkheid. ‘Tjerita Rossina’, ‘Tjerita Si Tjonat’, ‘Tjerita Kong Hong Nio’ en ‘Pieter Elberveld’ werden opgenomen in de door Pramoedya Ananta Toer samengestelde bundel Tempo doeloe. Middels de - ooit populaire maar inmiddels bijna vergeten - verhalen in Tempo doeloe beoogde Pramoedya het Indonesische lezerspubliek bewust te maken van de geest van de samenleving aan het begin van de twintigste eeuw en het nieuwe geluid dat in de opgenomen verhalen doorklinkt: de rol en betekenis van het individu. In zijn voorwoord lezen we dat toneelversies van ‘Tjerita Rossina’ en ‘Si Tjonat’ tot in de jaren twintig van deze eeuw succes oogstten, vooral in de steden aan Java's noordkust. ‘Tjerita Rossina’ was als komidi bangsawan (volkstoneel) ook populair in Sumatra en andere delen van de alam Melayu (de Maleise wereld) tot aan de andere kant van Straat Malakka in Singapore en op het Maleise schiereiland toe. Van beide verhalen werden in de jaren dertig syair-versies gepubliceerd; de eerder genoemde Sja'ir Rosina van Toelis Soetan Sati in 1933 en Sair Si Tjonat van Oey Bo Eng in 1932.17 ‘Pieter Elberveld’ van Tio Ie Soei werd opnieuw gepubliceerd in 1964 in wekelijkse afleveringen in het dagblad Bintang Timur18 en in 1981 opnieuw bewerkt en uitgezonden door de Indonesische nationale televisie, waarbij de makers van de productie op hún beurt verzuimden hun bron (in dit geval Tio Ie Soei) te vermelden.19 Over Pieter Erberveld tenslotte verscheen nog in 1994 onder auspiciën van het bestuur van de stad Jakarta een publicatie van Hadisutjipto waarin ditmaal wel recht gedaan werd aan Tio Ie Soei. In deze publicatie wordt Pieter Erberveld op één lijn gesteld met andere helden uit de Indonesische geschiedenis als Gajahmada, Diponegoro en Kartini.20 Zou dat ook gebeurd zijn als Hadisutjipto geweten had dat de bron die in zo'n belangrijke mate zijn visie op Pieter Erberveld bepaalde, praktisch de vertaling was van een verhaal dat uit de pen was gevloeid van een Nederlandse koloniaal die er niet bepaald vooruitstrevende denkbeelden op na hield?

Indische Letteren. Jaargang 14

37

Verhaallijn en plot Alle Maleistalige bewerkingen zijn gebaseerd op verhalen van het romantisch-historische type waarin Ritter specialist was. Deze verhalen - door Nieuwenhuys treffend omschreven als het genre van ‘dolk en geween’21 - waren gebaseerd op zogenaamd historische (want in sommige gevallen door de schrijver verzonnen) gebeurtenissen die Ritter tot leven trachtte te brengen door ze te hullen in een ‘romantisch kleed’, waarmee bedoeld werd een eenvoudige plot, uitgebreide beschrijvingen van de karaktereigenschappen van de hoofdpersonen en hun liefdesen verwantschapsrelaties, en de toevoeging van allerlei figuranten, dialogen, sfeeren natuurbeschrijvingen. ‘Pieter Erberveld’ en ‘Sara Specx’ spelen zich af in de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de hoofdpersonen zijn (Indo-)Europeanen. Pieter Erberveld is een gerespecteerde maar zich miskend voelende koopman met een Duitse vader en een Javaanse moeder, die in samenwerking met de sultan van Bantam een complot beraamt tegen de heerschappij van de VOC. Sara Specx is een onwettige dochter van het lid van de Raad van Indië, Jacques Specx, die in het huishouden van Jan Pieterszoon Coen opgroeit en met haar minnaar het slachtoffer wordt van de intriges van een gefrustreerde senex amoris. ‘sDe arme Rosetta’ vertelt de droevige ervaringen van de slavin Rosetta en heeft zowel de wereld der inheemsen als die van de blanke (en gemengdbloedige!) overheersers in het midden van de achttiende eeuw als achtergrond. ‘Si Tjonat de landrover’ en ‘De dubbele moord’ spelen in Ritters eigen tijd op het Javaanse platteland; het eerste verhaal gaat over de wandaden van de rover en moordenaar Si Tjonat en de terreur die hij en zijn bende uitoefenen op de boerenbevolking van West-Java; en het tweede over de Chinese weduwe Kong Hong Nio die door haar stiefzonen - een stel leeglopers die op haar erfenis azen wordt vergiftigd. In alle verhalen spelen één of meerdere liefdesgeschiedenissen, en vooral het uit jaloezie voortspruitende onheil dat daarmee gepaard gaat, een belangrijke rol; en in alle verhalen eindigen een of meerdere hoofdpersonen op het schavot. Veel passages in de Maleistalige bewerkingen volgen de overeenkomstige passages in Ritters originele versies praktisch op de voet en zijn zelfs vaak bijna woordelijke vertalingen. Dit geldt met name voor de dialogen. Sara Specx is de meest bewerkte versie; Tio Ie Soei putte ook uit andere bronnen, onder andere Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indiën (dezelfde bron waar Ritter graag uit putte), maar is wat betreft de dialogen en de piotontwikkeling toch leenplichtig aan Ritter. Dat laatste geldt ook voor ‘Pieter Elberveld’. In de andere drie bewerkingen neemt de plot naarmate het verhaal zijn einde nadert een andere wending. Ondanks al het bloed dat ook in de Maleistalige versies vloeit, eindigen ‘Tjerita Rossina’ en ‘Tjerita Si Tjonat’ in tegen-

Indische Letteren. Jaargang 14

38 stelling tot Ritters versies met een ‘happy ending’ en een sprookjesachtig ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’.22 Beide verhalen zijn door Pangemanann bovendien uitgebreid met een ‘grotscène’, waarin de boze en wraakzuchtige hoofdfiguur een door hem beminde en geschaakte vrouw heeft meegevoerd naar zijn rovershol waar zij in de finale van het verhaal na een pencak-silat-achtige scène wordt bevrijd. Ook in ‘Tjerita Kong Hong Nio’ is de plot sterk uitgesponnen en zijn allerlei verwikkelingen toegevoegd, maar de uiteindelijke slotpassage komt sterk overeen met die in Ritters ‘De dubbele moord’. ‘Tjerita Kong Hong Nio’ wijkt in één opzicht belangrijk af van de ‘De dubbele moord’: Ritter zette zijn verhaal op als een raamvertelling (tijdens een verblijf bij vrienden buiten de stad wordt de oude Bapak Jeran 's avonds uitgenodigd om een spannend verhaal te komen vertellen), maar dit element ontbreekt in de Maleistalige versie.

Stijl In Ritters ‘Sara Specx’ treffen we de volgende passage aan: [...] en zij sloeg de teedere armen om zijnen hals, kuste hem vurig en verborg het schaamtevolle hoofdje op zijne borst; en beider tranen van aandoening en innige verknochtheid vloten te zamen en reinigden en louterden voorzeker in het oog van Hem, die alles weet en ziet, de bron huns ongeluks - de vurige onveranderlijke liefde, die hen bezielde. Gewis op dien stond juichten in hooger sfeeren reiner wezens voor den troon van den Almagtige en verheugden zich, dat de ingeschapen gloed, die een' menschelijken misstap kan te weeg brengen, niet het eeuwig verderf berokkende van twee, wel schuldige doch berouw hebbende, onsterfelijke zielen. Lang duurde hunne omhelzing; nokkende staarden zij elkander met weemoedige oogen aan.23 Dezelfde scène bij Tio Ie Soei luidt in het Nederlands vertaald zo: Overmand door verdriet omhelsden zij elkaar. Lang duurde dit verdriet echter niet want al spoedig werd het jonge stel overmand door dierlijke lustgevoelens. Ondenkbaar was het dat dit bravoure en schaamteloos gedrag zonder gevolgen kon blijven! De lezer zal zich misschien niet voor kunnen stellen hoe zwaar deze jonge mensen nog zouden boeten voor hun zonden.24 Het mag een wat extreem voorbeeld zijn, maar het illustreert duidelijk het verschil tussen Ritters verheven stijl - met name in scènes met een moralistische strekking en de nogal afgevlakte no-nonsense bewerkingen. In het algemeen vinden we in de Maleistalige versies maar weinig terug van de uitgebreide moraal-filosofische beschouwingen

Indische Letteren. Jaargang 14

39 waar Ritters verhalen mee doorspekt zijn. Iets dergelijks geldt voor de visie op het opperwezen in Ritters teksten. Zoals blijkt uit het aangehaalde citaat wordt aan ‘Hem, die alles weet en ziet’ een welhaast grenzeloos begrip voor de misstappen van menselijke stervelingen toegeschreven en meer dan eens tracht de schrijver ons ervan te overtuigen dat het alleen aan Hem is gegeven om te oordelen over 's mensen handelen. Niets van sdat alles in de Maleistalige teksten. Een enkele maal vinden we wel een verwijzing naar de rol die de Almachtige speelt als degene die het lot der mensen bepaald heeft, maar daarbij is geen plaats voor de uitvoerige verhandelingen van Ritter die de voorspreker lijkt te willen zijn van de zondige mens en deze vrij wil pleiten voor zijn schepper. Zo lezen we in ‘De arme Rosetta’: Wij mogen beoordelen noch veroordeelen, maar de oorzaak van den geweldigen, schandelijken dood der onschuldige Rosetta, op wie in hare jeugd geene smet kleefde, - wie niemand ooit iets anders ten laste kon leggen dan eene grenzenlooze lieftalligheid en gedweeheid, - was voorzeker wel het helsch karakter harer meesteres. God schenke haar vergiffenis in den Hooge!...25 En in Pangemananns' ‘Tjerita Rossina’ (vertaald in het Nederlands en naar aanleiding van een andere passage): Zo was het nu eenmaal en Rossina moest zich neerleggen bij haar lot dat reeds was voorbeschikt door de Almachtige.26 Tot nu toe heb ik alle Maleistalige bewerkingen min of meer over één kam geschoren om enkele algemene kenmerken te kunnen belichten. Het zou echter onjuist zijn als hiermee de veronderstelling gewekt wordt dat deze versies in een en dezelfde homogene stijl geschreven zijn. Het is hier niet de plaats om diep in te gaan op taalkundige aspecten en ik noem slechts het meest in het oog springende verschil, namelijk het taalgebruik van Kommer en Pangemanann enerzijds en Tio Ie Soei anderzijds. In de tijd dat Pangemanann en Kommer Ritters verhalen bewerkten bestond er allerminst een standaardvorm van het Maleis; beide schrijvers bedienden zich van een Maleis dat dikwijls aanleunde tegen het spreektaal Maleis zoals dat door grote groepen binnen de inheemse samenleving gebruikt werd, maar daarnaast lieten zij zich ook inspireren door de taal van de traditionele Maleise literatuur en maakten zij veelvuldig gebruik van klassiek Maleise fraseringen.27 Hoewel de Maleistalige bewerkingen van ‘Pieter Erberveld’ en ‘Sara Specx’ ongeveer twintig jaar later ontstonden in een tijdperk waarin inmiddels een sterke uniformerende invloed op het geschreven en gedrukte Maleis uitging via de talloze publicaties van de in 1908 opgerichte Instelling voor Volkslectuur (vanaf 1917 Balai Poestaka geheten),28 schreef Tio Ie Soei in het levendige en minder formele Maleis dat ontstaan was binnen

Indische Letteren. Jaargang 14

40

Titelpagina van de bewerking van Tio Ie Soei (ps. Tjoa Piet Bak) van ‘Sara Specx’ (fotocollectie KITLV, Leiden).

Indische Letteren. Jaargang 14

41 de Chinees-Indische peranakan-gemeenschap; een Maleis waarbinnen vele varianten bestonden maar waarvoor vanaf de jaren twintig de collectieve term Chinees-Maleis in gebruik zou raken.29

De Maleistalige versies en haar bewerkers Dat we in de Maleistalige bewerkingen niets van Ritters eerder ter sprake gekomen raciale karakteriseringen terugvinden, zal misschien op het eerste gezicht geen verbazing wekken omdat de verhalen immers bestemd waren voor een inheems lezerspubliek en de vertalers zelf ook geen (volbloed) Europeanen waren. Toch was dat niet zo vanzelfsprekend, want raciale karakteriseringen waren gemeengoed in alle lagen van de multi-etnische Nederlands-Indische samenleving. Pangemanann en Kommer behoorden echter tot een kleine voorhoede die zich verzette tegen deze stereotiepe vooroordelen, althans daar wijzen de summiere gegevens die we over deze schrijvers bezitten op. F.D.J. Pangemanan (1870-1910) was een van de pioniers van de Maleistalige pers op Java en nauw betrokken bij de oprichting van de eerste inheemse organisatie van journalisten, de Maleische Journalisten Bond, in 1906.30 H. Kommer (1873-1920?) was als journalist actief betrokken bij enkele Maleistalige kranten en tijdschriften in Batavia en Soerabaya. In een onderzoek naar de verhalen van Kommer concludeerde Jill Berens dat Kommer trachtte ‘de lezer te stimuleren zijn vooroordelen ten opzichte van een andere bevolkingsgroep van zich af te zetten’.31 Ook de twee decennia later geboren peranakan-Chinees Tio Ie Soei (1890-1974) werkte bij een aantal verschillende kranten en tijdschriften, in Batavia, Soerabaya, Bandoeng en Semarang.32 Bovendien was hij de oprichter van twee literaire tijdschriften, Tjerita Pilian (1924) en Hiboerankoe (1925) waarin per aflevering een verhaal of roman werd gepubliceerd. Tio Ie Soei gaat in de Indonesische literatuurgeschiedenis door voor een duidelijk pro-Nederlandse schrijver33 en zijn bewerkingen van ‘Sara Specx’ (verschenen in Hiboerankoe onder het pseudoniem Tjoa Piet Bak) en ‘Pieter Erberveld’ zijn daarvan stille getuigen: uit niets blijkt dat de schrijver op enigerlei wijze heeft getracht afstand te nemen van de vanzelfsprekende acceptatie van het roemruchte verleden van de Nederlandse heerschappij, die uit de Nederlandstalige versie van de verhalen spreekt. Dat uitgerekend een van deze verhalen, ‘Pieter Elberveld’, tot in onze tijd een zekere populariteit geniet kwam hierboven al aan de orde. Is het niet wonderlijk dat het kleed waarin Ritter Pieter Erberveld hulde en dat bedoeld was om een landverrader op papier vorm te geven, in de loop van de geschiedenis een andere visie op deze figuur - die van volksheld - diende? De geschiedenis van Ritters in het Maleis vertaalde verhalen bewijzen wel heel duidelijk dat als een schrij-

Indische Letteren. Jaargang 14

42 ver zijn woorden eenmaal aan de openbaarheid heeft prijsgegeven hij de zeggenschap daarover kwijt is. Wanneer we Ritters loftuitingen op het Nederlands gezag en zijn standpunt inzake de slavernij in ogenschouw nemen is het curieus in de eerder geciteerde bundel Tempo doeloe te lezen dat uit ‘Tjerita Rossina’ - waarin Ritters anachronistische exposé tegen de onmiddellijke afschaffing van de slavernij uiteraard niet voorkomt maar dat verder qua strekking niet afwijkt van ‘De arme Rosetta’ - opgemaakt kan worden dat Pangemanann een grensfiguur was die een ambivalente houding ten aanzien van het koloniale stelsel innam.34 Dat Pangemanann een grensfiguur is geweest en zelfs een voortrekkersrol op het gebied van het Nederlands-Indische perswezen heeft gespeeld zagen we al, maar dat geïllustreerd te zien aan de hand van ‘Tjerita Rossina’ is nogal ironisch. Wanneer dat verhaal immers opgevoerd wordt als het bewijs voor een nieuwe geest die in het eerste decennium van de twintigste eeuw begon te waaien, impliceert dat indirect een eerbewijs van Indonesische zijde aan een negentiende-eeuwse schrijver die het hart misschien wel op de goede plaats had, maar er over het algemeen nogal behoudende, echt-koloniale opvattingen op na hield. Ritters raciale vooroordelen hebben niet gestrookt met de opvattingen van Pangemanann en Kommer en zijn standpunt inzake de afschaffing van de slavernij werd al in zijn eigen tijd aangevochten. Toch hadden zijn verhalen ruim een halve eeuw na hun verschijnen blijkbaar nog steeds een zekere zeggingskracht en we vragen ons af waarin die gelegen was. Is het gewaagd te veronderstellen dat we daar niet ver voor hoeven te zoeken en dat het lezerspubliek waar zowel Ritter als een halve eeuw later de schrijvers van de Maleistalige versies zich op richtten, overeenkwam in zijn behoefte naar verhalen met herkenbare situaties en ongecompliceerde plotstructuren, verhalen over moed, liefde, passie, dood, hebzucht, jaloezie en wraak, verhalen waarin goed goed is en slecht slecht? Want dat zijn toch de wezenlijke ingrediënten waaruit de verhalen opgebouwd zijn. Daarnaast valt een andere parallel op die een rol gespeeld kan hebben bij de het totstandkomen van de Maleistalige versies van Ritters verhalen: net als Ritter lijken Kommer en Pangemanann broodschrijvers te zijn geweest en het is mogelijk dat zij middels hun bewerkingen hun inkomsten op een - relatief - makkelijke manier hoopten aan te vullen. Voor Tio Ie Soei's bewerkingen van ‘Pieter Erberveld’ en ‘Sara Specx’ geldt hetzelfde.

Ritters historische verhalen. Over ‘waarheid en fictie’ In Hadisutjipto's publicatie over Pieter Erberveld uit 1994 doet de schrijver zowel voor de ‘harde feiten’ als voor de ‘sfeertekening’ een beroep op Tio Ie Soei's ‘Pieter Elberveld’ en hij citeert rijkelijk uit

Indische Letteren. Jaargang 14

43 vooral de dialogen van dit werk. Hadisutjipto doet dit zonder zijn bron te becommentariëren en zonder zich af te vragen in hoeverre het gepresenteerde een betrouwbaar beeld geeft van hetgeen ‘werkelijk’ gebeurde. Belangrijker dan de historische ‘werkelijkheid’ van ‘Pieter Erberveld’ lijkt de behoefte te zijn geweest de nationale portrettengalerij met een (gemengdbloedige) held uit de koloniale periode uit te breiden. Het is de de moeite waard deze veronderstelling nog eens nader te onderzoeken, maar hier willen we ons richten op de vraag hoe Ritter in zijn verhalen omging met de ‘historische werkelijkheid’. We belanden daarmee in het intrigerende schemergrensgebied tussen literatuur en geschiedenis, tussen waarheid en fictie, en Ritters nagelaten pennenvruchten bieden stof te over om hier dieper op in te gaan. In de inleiding op zijn bundel Nacht en morgen uit het Indische leven schrijft Ritter dat zijn verhalen gebaseerd zijn op gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden en door hem in een ‘romantisch kleed’ gehuld zijn om de lezers te behagen. Ook elders merkt hij op er steeds naar te streven ‘waarheid en verdichtsel in één kleed zamen te weven’.35 Is het mogelijk om achteraf tussen de mazen van het door Ritter geweven kleed de ‘kale’ gebeurtenissen te onderscheiden? Vanaf het moment van verschijnen hebben historici rijkelijk geput uit Ritters verhalen. Niemand minder dan P.J. Veth, de destijds beroemde Leidse hoogleraar, beroept zich in zijn tweedelige Borneo 's Wester-afdeeling meer dan eens op Ritter die door hem als een begenadigd en waarheidsgetrouw schrijver en door zijn langdurige verblijf aan Borneo's westkust als een expert wordt beschouwd.36 Veth volgt Ritter dan ook in de meeste gevallen, daarbij ‘zijn verhaal alleen van de romantische inkleeding ontdoende’.37 Wat zijn maatstaven waren om te bepalen wat ‘kleed’ en ‘verhaal’ was vermeldt Veth niet, maar hij zal daarbij ongetwijfeld een beroep gedaan hebben op zoiets als het ‘gezond verstand.’ Zo schrijft hij in de inleiding van zijn werk een reisverslag uit het einde van de zeventiende eeuw als bron van informatie te verwerpen omdat het naar zijn smaak te veel van ongelooflijke gebeurtenissen aan elkaar hangt.38 Hoewel de hoofdpersoon in het bedoelde werk39 inderdaad een onwaarschijnlijk groot aantal schipbreuken, natuurrampen en moordaanslagen overleeft, bevat het ook een schat aan gegevens over de westkust van Borneo gedurende een periode waarover praktisch niets bekend is; gegevens die met evenveel recht als Ritters ‘ontklede’ verhalen voor ‘waar’ gehouden kunnen worden. Verschillende passages in Borneo's Wester-afdeeling die gebaseerd zijn op Ritters werk getuigen er bovendien van dat Veth Ritter wat al te goedgelovig volgde. Wat bijvoorbeeld te denken van het volgende citaat waarvoor Veth zich baseerde op het verhaal ‘Het amokh’, een ‘op waarheid gegrond verhaal’ waarin enkele gebeurtenissen worden beschreven die Ritter als bestuursambtenaar meemaakte tijdens expedities naar de binnenlanden van Borneo. Voor-

Indische Letteren. Jaargang 14

44 afgaand aan het volgende fragment wordt verhaald hoe een Dayakvrouw de dood vindt nadat zij - in razernij ontstoken - een man heft vermoord. De Dajaksche vrouw had zich vreesselijk gewroken. De Chinees dien zij had neergeveld, en die na weinige oogenblikken den geest gaf, was voor jaren de belager harer eerbaarheid, de moordenaar harer man geweest; op zijn verzoek had de groot-kapitein de drie vrouwen als slaven gekocht, en de vreugde die hij had uitgedrukt over de gelegenheid van zich op de dochters over de versmading der moeder te kunnen wreken, was de oorzaak van zijn rampzalig uiteinde. De dochters werden met de meeste menschlievendheid behandeld en door den grootkapitein naar Mandor medegevoerd, en nog voor zijn vertrek van Pontianak vernam de heer Ritter dat zij, aan gegoede Chinezen gehuwd, een stil en gelukkig leven leidden.40 Zouden alle opgesomde feiten werkelijk ‘waargebeurd’ zijn in het bovenstaande fragment? Was Ritter werkelijk op de hoogte van de redenen van het uitgebroken amok? Een gefrustreerde minnaar, moord en wraak, het zijn in ieder geval vaste bestanddelen van Ritters romantisch kleed. Wanneer we ‘Het amokh’ erop naslaan, blijken elementen die ‘waargebeurd’ zouden kunnen zijn naadloos over te gaan in duidelijk aan Ritters fantasie ontsprongen fragmenten, zoals bijvoorbeeld een nachtelijke amoureuze affaire in een Dayak-kampong. Een niet onaannemelijke feitelijke mededeling als ‘de Chinese man’ blijkt bovendien te berusten op een onnauwkeurigheid; in Ritters verhaal is dit een man die zich weliswaar voordoet als een Chinees maar in werkelijkheid een Dayak van Selakau is. Exacte grenzen tussen ‘feit’ en ‘fictie’ in ‘Het amokh’ zijn moeilijk te bepalen, omdat zij tot een onontwarbaar geheel zijn samengeknoopt. Iets dergelijks geldt voor Ritters verhaal ‘De kanonneerboot’ dat Veth gebruikte voor een andere passage in Borneo's Wester-afdeeling, waar verhaald wordt over de gruweldaden van de zeerovers van Seribas op Borneo's noordwestkust.41 De erudiete professor zou overigens bepaald de laatste niet zijn, wanneer hij zich in de luren heeft laten leggen en voor ‘waar’ aanzag wat in feite deel uitmaakte van Ritters kleed. Een fraai voorbeeld waarbij een geheel fictief verhaal van Ritter ten onrechte opgevat werd als het verslag van een feitelijke historische gebeurtenis mag in dit verband niet onvermeld blijven. In 1841 verscheen in het tijdschrift Lakschmi van Ritters hand het verhaal ‘Jan Pekel’, waarin de opstand die een zekere Jan Pekel in 1644 in Batavia beraamd zou hebben centraal staat. Wanneer Ritter een tiental jaren later deze gebeurtenis tot zijn grote verbazing tegenkomt in de in 1852 gepubliceerde Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde, fabel-

Indische Letteren. Jaargang 14

45 leer en tijdrekenkunde van Java schrijft hij daarover in Biäng Lala het volgende: In der tijd heb ik dit onderwerp, in een romantisch kleed gehuld, behandeld, en het verhaal daarvan is te vinden in mijne Nieuwe Indische Verhalen [...]; ik heb tot het zamenstellen van dat verhaal geene andere bron gehad dan het vonnis van gezegden Jan Pekel, mij toevallig in handen gekomen. Valentijn in zijn Oud en nieuw Oost-Indiën spreekt van dien opstand niets en nergens heb ik ooit iets anders over gelezen of gezien. Dat vonnis kon mij weinig grond geven voor de ontwikkeling der bijomstandigheden, die ik voor mijn verhaal noodig had. Ik liet derhalve mijn verbeelding eenvoudig werken, gaf Jan Pekel een nichtje, waarop een officier verliefd was en deed eenige andere personen daarin eene rol spelen, alle gekozen uit plaats en tijdgenooten, wier namen ik uit de lijsten, achter het aangehaald werk van Valentijn geplaatst, genomen had. De daadzaak, waarop het verhaal zich grondde, was dus alleen waarheid; - het overige fictie, den romanschrijver veroorloofd, op wien toch slechts de verpligting rust om te blijven binnen de grenzen der waarschijnlijkheid en mogelijkheid en zijn verhaal op die wijze in te kleeden, dat het den lezers eenige aangename oogenblikken verschaft. Niemand toch zal den inhoud van een historische roman als letterlijk waar gebeurd beschouwen, veel minder die willen doen strekken tot eene bron voor het schrijven der geschiedenis van eenig land of volk. [...] De schrijver houde het mij ten goede, maar uitproesten van het lachen moest ik het, toen ik in de opgenoemde paragrafen zag, dat hij mijne fictie als waarheid had overgeboekt, wel is waar slechts in korte trekken, maar toch zoo duidelijk, dat ieder, die mijn verhaal gelezen heeft, zich zulks voor den geest kan halen.42 Terwijl Ritter het uitproestte van het lachen moet J. Hageman Jcz, de schrijver van de Handleiding, zich verbeten hebben toen Ritters kritiek hem ter ore kwam, want het was - blijkens het voorbericht in zijn boek - immers juist zijn streven geweest een kritisch werk af te leveren en zich niet zoals zijn meeste voorgangers te verlaten op de werken van Valentijn en Raffles ‘zonder zich in te laten met een onderzoek naar het juiste, meer waarschijnlijke en het tegenwoordige’. Hageman - gerespecteerd lid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen - streefde ernaar met zijn werk belangstelling te wekken voor een meer Javaans-centrische geschiedenis en het grote aantal intekenaren op de in de Handleiding afgedrukte lijst wijst erop dat hij daarin niet teleurgesteld werd. Op de lijst vinden we namen van particulieren, onderwijzers, predikanten, bestuursambtenaren, officieren en bibliotheken en de Handleiding - oorspronkelijk opgezet om als schoolboek

Indische Letteren. Jaargang 14

46 te fungeren - moet veel gelezen en geraadpleegd zijn. Hoeveel rijker werd daarmee, niet het leven van Jan Pekel zelf, maar dat van het kleed waarin Ritter hem tooide en dat Hageman verblindde? Nadat dit artikel goeddeels voltooid was werd ik geattendeerd op een recente publicatie van het Moluks Historisch Museum,43 waarin de ontstaansgeschiedenis wordt geanalyseerd van het tot op de dag van vandaag op Ambon populaire verhaal over Kotidjah; een jonge vrouw van Nederlandse afkomst die in 1646 aan de noordkust van het eiland aan de zijde van de inheemse bevolking streed tegen een aanval van de VOC en daarbij sneuvelde. De geschiedenis van Kotidjah werd voor het eerst in het Maleis op schrift gesteld in 1901 door E. Kandou, een Menadonese onderwijzer die rond de eeuwwisseling op Ambon werkzaam was. Belangrijke fragmenten uit deze ‘Hikayat Kotidjah’ blijken te zijn ontleend aan Ritters ‘Toeloecabesie’, een verhaal dat in 1844 in afleveringen verscheen in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië en later werd opgenomen in de bundel Nieuwe Indische verhalen. Ritter hanteerde voor dit verhaal zijn bekende werkwijze waarbij hij om enkele gegevens uit Valentijns Oud en nieuw Oost-Indiën een romantisch-historisch verhaal weefde en waarin hij onder anderen de fictieve figuur Se Tiedja (= Kotidjah) ten tonele voerde die - nadat zij tijdens een scheepsramp voor het eiland Boeroe van haar ouders gescheiden was geraakt en als pleegkind opgenomen in een inheemse familie - werd uitgehuwelijkt aan Teloekabesie, een van de leiders van het verzet tegen de Compagnie. Na het verschijnen van de Maleistalige bewerking van Kandou is de geschiedenis van Kotidjah deel uit gaan maken van de orale overleveringen op Ambon, en het verhaal wordt tot op heden levend gehouden binnen de dorpsgemeenschap van Morela op Hitoe. ‘Hikayat Kotidjah’ vormde ook de basis voor het in 1992 in Bandoeng verschenen jeugdboek ‘Sekuntum Kembang dari Seberang’ van Teon Peunu,44 een gepensioneerde geschiedenisdocent uit Ambon, die Kotidjah (die hij op Buru laat aanspoelen in een leeg vat Heinekens-bier!) presenteerde als een voorbeeld van onbaatzuchtige medemenselijkheid. Ook de omzwervingen (en transformaties) van de figuur Se Tiedja/Kotidjah in de Indonesische orale en literaire wereld illustreren treffend hoe een aan Ritters geest ontsproten gegeven een eigen leven is gaan leiden en de kracht van historische waarheid heeft gekregen.

Besluit De invloed die van het literaire werk van W.L. Ritter is uitgegaan op het denken over land, bevolking en geschiedenis van Nederlands-Indië is tot dusverre onderschat en is aan herwaardering toe. We mogen het misschien eens zijn met Nieuwenhuys dat Ritter niet over grote literaire gaven beschikte en ook met Du Perron die zijn werk ‘drakerig’ vond

Indische Letteren. Jaargang 14

47 en Ritter ‘ondanks alle verlichting’ een ‘typische oudgast’ met een voorliefde voor ‘sensatie en goedkope humor’,45 het laat onverlet dat zijn werk tijdens zijn leven en lang daarna veel gelezen werd en dat sporen daarvan naar verschillende - deels onverwachte - richtingen uitgewaaierd zijn. Ritter was een belangrijk schrijver vanwege het rijke na-leven van zijn werk in de vroeg-moderne Maleis-Indonesische literatuur en de geschiedschrijving over Nederlands-Indië. Zijn werk had een vormende invloed op de beeldvorming van land en volk van Nederlands-Indië en geeft ideeën weer die leefden bij een belangrijk deel van de Europese bevolking. Een loyale opstelling en aansluiting bij algemeen gangbare denkbeelden en waarden waren belangrijker voorwaarden voor Ritters succes dan het bezit van een buitengewoon literair talent. De geschiedenis van ‘Jan Pekel’ en Ritters andere ‘historische’ verhalen mogen bewijzen hoe wankel de bronnen van onze historische kennis kunnen zijn, maar getuigen tegelijkertijd van de kracht van de fantasie en de invloed die Ritter via zijn werk - in sommige gevallen zijdelings en onbedoeld - heeft uitgeoefend op de geschiedschrijving van Nederlands-Indië. Koos Arens (1954) studeerde geschiedenis in Utrecht en Indonesische taal- en letterkunde in Leiden. Hij doet in het kader van het Alam Melayu-project onderzoek naar de beeldvorming van land en volk van de westkust van Kalimantan.

Indische Letteren. Jaargang 14

48

Literatuur Berens, Jill, H. Kommer en zijn verhalen in een historisch perspectief (Doctoraalscriptie Vakgroep Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië RUL, Leiden 1988). Du Perron, E., Verzameld werk (7 dln.; Amsterdam: Van Oorschot, 1959). Hadisutjipto, Pieter Erberveld mencoba meraih bintang (Jakarta: Pemerintah Daerah khusus Ibukota Jakarta, Dinas Museum dan Sejarah, 1994). Hageman Jcz, J., Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde, fabelleer en tijdrekenkunde van Java. Dl. 1 (Batavia: Lange & Co., 1852). Hoëvell, W.R. baron van, ‘Maandelijks overzigt der Indische letterkunde’. In: Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 15, 2 (1853) 414-416. Nieuwenhuys, Rob, Oost-Indische spiegel: Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden (Amsterdam: Querido, 1978). Pramoedya Ananta Toer, Tempo doeloe. Antologi sastra pra-Indonesia (Jakarta: Hasta Mitra, 1982). Ritter, W.L., ‘Pieter Erberveld. Een verhaal uit de XVIIIde eeuw’. In: Lakschmi (1840) 7-43. Ritter, W.L., ‘Sara Specx. Batavia in 1629’. In: Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 5, 2 (1843) 84-216. Ritter, W.L., Nieuwe Indische verhalen en herinneringen uit vroegeren en tateren tijd (2 dln.; Batavia: Bataviaasch Genootschap, 1845). Ritter, W.L., ‘Hoe men in de XIXde eeuw geschiedenis schrijft’. In: Biäng Lala (1852) 194-196. Ritter, W.L. Java. Tooneelen uit het leven. Karakterschetsen en kleederdragten van Java's bewoners. In afbeeldingen naar de natuur geteekend door E. Hardouin, met tekst van W.L. Ritter en een voorwoord van H.M. Lange, benevens eene kaart van Java naar de nieuwste bronnen bewerkt ('s-Gravenhage: Fuhri, 1855). Ritter, W.L., De Europeaan in Nederlandsch-Indië (Leiden: Sijthoff, 1856). Ritter, W.L., Nacht en morgen uit het Indische leven (2 dln.; Amsterdam: Wed. J.C. van Kesteren, 1861). Roy, Jacob Jansz de, Hachelijke reys-togt van Jacob Jansz de Roy na Borneo en Atchin, in sijn vlugt van Batavia, derwaards ondernomen in het jaar 1691 (Leyden: Pieter van der Aa, 1706?). Salmon, Claudine, ‘La notion de Sino-Malais est-elle pertinente d'un point de vue linguistique’. In: Archipel 20 (1980) 177-186. Salmon, Claudine, Literature in Malay by the Chinese of Indonesia. A provisional annotated bibliography (Paris: Editions de la Maison des Sciences de l'Homme, 1981). Sol, Nicole, Wilhelm Leonard Ritter (1799-1862). Een Europeaan in Nederlands-Indië (Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam, 1989). Straver, Hans, De historie van Kotidjah (Utrecht: Moluks Historisch Museum, Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers, 1998).

Indische Letteren. Jaargang 14

Tio Ie Soei (onder het ps. Tjoa Piet Bak), Sara Specx. Satoe kedjadian jang betoel di Betawi di djeman pamerentahannja Jan Pieterszoon Coen dalem taon 1629 (Bandoeng: Drukkerij Economy, 1926). Toelis Soetan Sati, Sja'ir Rosina. Soeatoe tjeritera jang sesoenggoehnja terdjadi dikota Betawi (Batavia: Balai Poestaka, 1933).

Indische Letteren. Jaargang 14

49 Veth, P.J., Borneo's Wester-afdeeling, geographisch, statistisch, historisch, voorafgegaan door eene algemeene schets des ganschen eilands (2 dln.; Zaltbommel: Noman en Zoon, 1854 en 1856). Wezel, René, ‘Indische typen in woord en beeld. De nationale typencollecties Java en Nederlandsch Oost-Indische typen’. In: Indische Letteren 9, 3-4 (1994) 115-133.

Eindnoten: 1 ‘Elke Europeaan waar hij ook geboren moge zijn is in Indië een geheel ander wezen dan in het land waar hij het eerste levenslicht aanschouwde.’ 2 Indische Letteren 6, 1 en 2 (1991), resp. 33-45 en 79-91; 12, 4 (1997) 158-159; zie ook: 9, 3-4 (1994) 115-133. In 1989 verscheen een doctoraalscriptie van de hand van Nicole Sol over Ritter (zie bibliografie), die een schat aan bio- en bibliografische gegevens bevat waarvan ik dankbaar gebruik heb gemaakt. 3 Tijdens mijn onderzoek stuitte ik in de handschriftenverzameling van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde op 41 afleveringen van dit unieke, met de handgeschreven weekblad dat in 1830 onder de Europese inwoners van de westkust van Borneo circuleerde. In een volgend artikel hoop ik nader in te gaan op deze bijzondere verzameling waarin onder andere ook het pas in 1852 in Warnasarie gepubliceerde gedicht De Spookuitdaging van Ritter voorkomt. 4 Nieuwenhuys 1978, 129. 5 Ritter 1861, dl. II, 99. 6 Wezel 1994, 115. 7 Ritter 1861, dl. I, resp. 158; 237; 248; 189. 8 Ritter 1856, 21. 9 Idem p. 9; 8. 10 Ritter 1840, 131-132. 11 Van Hoëvell 1853, 414. 12 Ritter 1861, dl. II, 232. 13 Pramoedya Ananta Toer 1982, 38. Opmerking: hoewel op de titelpagina's van de Maleistalige verhalen alleen de namen van de bewerkers prijken en Ritters naam nergens genoemd wordt dienen we voorzichtig te zijn met dit te kenmerken als plagiaat; een term die in de context van het Maleistalige gedrukte woord in de eerste decennia van de twintigste eeuw, en ook daarna, enigszins problematisch is. De naam van de auteur was in de meeste gevallen van ondergeschikt belang en de lezer was alleen geïnteresseerd in de inhoud van het verhaal of artikel dat bijna zonder uitzondering - blijkens de ondertitels - ‘waar gebeurd’ was. Talloze Maleistalige artikelen en verhalen werden anoniem gepubliceerd, ook wanneer het een vertaling uit een westerse taal of het Chinees betrof. Was het toeval dat juist bij alle tot nu toe bekende bewerkingen van Ritters verhalen wél de (Maleistalige) auteur wordt vermeld? Het is een vraag waarop ik tot nu toe nog geen bevredigend antwoord heb kunnen vinden. 14 Toelis Soetan Sati, 1933 omslag en titelpagina: ‘dipetik dari karangan F.D.J. Pangemanann’. 15 Pieter Erberveld wordt in Tio Ie Soei's versie consequent Pieter Elberveld genoemd. 16 Pramoedya Ananta Toer 1982, 23. 17 Salmon 1981, 68. 18 Salmon 1977, 71-77. 19 Pramoedya Ananta Toer 1982, 23. 20 Hadisutjipto 1994, 1. 21 Nieuwenhuys 1978, 128.

Indische Letteren. Jaargang 14

22 Pramoedya Ananta Toer 1982, 153 en 20: ‘Maka hidoeplah [...] dalem sampoerna dan sedjatrah djoea adanja.’ 23 Ritter 1843, 110-111. 24 Tio Ie Soei 1926, 35: ‘Ia orang berpeloekan lagi satoe sama laen dengen amat sedi. Tapi ini kasedihan tiada berdjalan lama, kerna sigra djoega di hatinja itoe doea orang moeda timboel poela napsoe-binatang [...]. Dan ini kebranian dan koerang-adjar jang loear biasa dari ini doea orang moeda tiada liwat begitoe sadja! Ia orang moesti bajar dendahan berat sekali, sebagimana pembatja brangkali tida bisa doega!’ 25 Ritter 1861, dl. II, 259. 26 Pramoedya Ananta Toer 1982, 121: ‘Lantaran begitoe, Rossina moesti trima oentoengnja, jang soedah di takdirken jang Maha Koeasa.’ 27 Salmon 1981, 120 suggereert dan ook ten onrechte ‘the Malay that F.D.J. Pangemanann [...] uses in Tjerita Tjonat (1900) could just as well have been that of a Chinese.’ 28 Balai Poestaka drukte en verspreidde talloze publicaties in verschillende streektalen, maar met name in het Maleis waarbij vooral een beroep werd gedaan op Sumatraanse redacteuren en vertalers die voor het merendeel getraind waren in het zg. ‘Van Ophuijsen Maleis’ dat gebaseerd was op het klassieke Maleis uit Riau. 29 Voor een uitgebreide behandeling van de Chinees-Maleise literatuur, zie Salmon 1981. 30 Pramoedya Ananta Toer 1982, 26-27. 31 Berens 1988, 80. 32 Voor meer details over leven en werk van Tio Ie Soei, zie Salmon 1981, 51-52; 74; 339-340. 33 Pramoedya Ananta Toer 1982, 15. 34 Pramoedya Ananta Toer 1982, 15. 35 Ritter 1845, dl. I, ii-iii. 36 Veth 1856, 433. 37 Veth 1854, 229-230 noot 3; Veth 1856, 534 noot 1 voor woorden met een soortgelijke strekking. 38 Veth 1854, XL. 39 De Roy 1706 (?) 40 Veth 1856, 534. 41 Veth 1856, 498-499. 42 Ritter 1852, 194-196. 43 Straver 1998. 44 Straver 1998, 19. 45 Du Perron 1952, dl. VII, 265; 267.

Indische Letteren. Jaargang 14

51

Lijst van Indische letteren samengesteld door mr. Herman Kemp, bibliograaf van het KITLV in Leiden 1996 Audus, Leslie J., Spice island slaves: a history of Japanese prisoner-of-war camps in Eastern Indonesia, May 1943-August 1945. - Ham: Alma. - XI, 254 p. - ISBN 09517497-2-2. - This book is a translation of part of Als krijgsgevangene naar de Molukken en Flores (As prisoners-of-war to the Moluccas and Flores) by J.H.W. Veenstra... et al. - 's-Gravenhage: Nijhoff, 1982. - [1997 A 2232] Beekman, E.M., Troubled pleasures: Dutch colonial literature from the East Indies, 1600-1950. - Oxford [etc.]: Clarendon Press. - X, 654 p. - ISBN 0-19-815883-1. - [1996 A 1791] Beerling, Dane, Het huis zonder sleutels: (Indo's onder de totok's). - 3e bew. dr. - Haarlem: ‘Benteng Beruang’. - 26 p. - 1e dr.: Amsterdam: Beerling, 1991. - [1996 A 4854] Beerling, Dane, Mira en andere verhalen. - Haarlem: Benteng Beruang. - 66 p. - [1996 A 1767] Beerling, Dane, Tussen flarden van mist... - Haarlem: ‘Benteng Beruang’. - 68 p. - ISBN 90-800312-1-6. - Oorspr. uitg.: Amsterdam: Beerling, 1989. - [1996 A 4887] Berg, Joop van den, De-Lilah: een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina's Indisch proza. - Amsterdam: De Buitenkant. - [44] p. - Uitgelezen boeken. Vol. 6, no. 2. - Speciaal nummer. - [1997 A 765] Bloem, Marion en Wanda Boeke, The cockatoo's lie. - Seattle, WA: Women in Translation. - VIII, 239 p. - ISBN 1-87967-908-6. - Vert. van: De leugen van de kaketoe. - Amsterdam: De Arbeiderspers, 1993. - [1997 A 4427] Bloem, Marion, De droom van de magere tijger. - Amsterdam: Leopold. - 135 p. - ISBN 90-258-3175-3. - [1997 A 186] Boeijen, Riny en Liesbeth Steur, Rijstkorrels. - Den Haag: United id'Z publisher. - 31 p. - ISBN 90-75888-01-5. - [1996 A 4778] Bostoen, Karel, Bontekoe: de schipper, het journaal, de scheepsjongens. Zutphen: Walburg Pers. - 96 p. - ISBN 90-6011-948-7. - [1996 A 1339] Bruijn, Jaap R. en Carla van Baaien, Van zeeman tot residentieburger: Cornelius de Jong van Rodenburgh (1762-1838). - Hilversum: Verloren. - 96 p. - (Zeven Provinciën reeks; 13). - ISBN 90-6550-144-4. - [1998 A 1532] Burgers, Jeanne, De kat met de zeven levens. - Oosterbeek: Kontrast. - 93 p. ISBN 90-75665-03-2. - Verslag van een bewogen leven dat, begonnen in Oosterbeek, via Nederlands-Indië (1937-1950) enNoordwijk weer in Oosterbeek eindigde. - [1996 A 4866] Darmojuwono, Setiawati en Lilie Suratminto, Duapuluh lima tahun studi Belanda di Indonesia = Vijfentwintig jaar studie Nederlands in Indonesië. Depok: Fakultas Sastra, Universitas Indonesia. - XII, 549 p. - ISBN 979-818419-X. - [1997 A 676 1997 A 2033]

Indische Letteren. Jaargang 14

Dekker, Eduard Douwes en Annemarie Kets-Vree, Ik ben zwanger van denkbeelden. - Amsterdam: Querido. - 141 p. - (Griffioen). - ISBN 90-214-0588-1. - [1996 A 4839]

Indische Letteren. Jaargang 14

52 Dietze, Piet, Het rood van karpers: haiku, senryu, tanka en kyoka. - Amsterdam: De Beuk. - 39 p. - ISBN 90-6975-324-3. - [1997 A 823] Gabeler, Madeleine, Bersama: gedichten van Molukse en Indische/Indo dichters in Nederland. - 's-Gravenhage: Bintang Design & Communicatie. - 126 p. ISBN 90-75626-04-5. - [1996 A 2432] Geysel, George, Paternoster: ups en downs van een jonge olieman. - Assen: Servo. - 292 p. - ISBN 90-71918-98-X. - [1997 A 1234] Gomes, Paula en Toeti Heraty, Ik kom en ga = Aku datang dan pergi. - Den Haag: Van Stockum. - [44] p. - ISBN 90-800160-6-3. - [1996 A 3877] Gouka, Klaas, Tabe BeBe: verhalen rond een jong Controleur B(innenlands) B(estuur) uit de tijd dat Indië Indonesië werd. - Laren: Palaver. - 159 p. - (Indisch verleden). - ISBN 90-75421-12-5. - [1998 A 808] Haan, Johan R. de, Retour Djocja: verslagen en herinneringen aan het 426e Bataljon Infanterie (6-4 R.I.), 1949-1950. - [Meppel]: Commissie Herinneringsboek 426e Bataljon, Infanterie. - 168 p. - ISBN 90-70845-31-8. [1996 B 1377] Haasse, Hella S. en Margaret M. Alibasah, Forever a stranger and other stories. - Kuala Lumpur [etc.]: Oxford University Press. - xi, 127 p. - (Oxford in Asia paperbacks). - ISBN 983-560003-1. - Contains: Forever a stranger. - Lidah Boeaja (Crocodile's tongue). - An affair (Egbert's story). - [1997 A 3910 Z 1997 A 5077] Hacquebord, Louwrens en Pieter van Leunen, 400 jaar Willem Barentsz. Harlingen: Flevodruk Harlingen. - 192 p. - ISBN 90-70886-27-8. - [1996 B 1429] Hamersvelt, Wim van, De vergeten dagboeken. - Dussen: W. van Hamersvelt. - 370 p. - [1996 A 3295] Heijne, Bas, Angst en schoonheid: over Louis Couperus en Indië. - Leiden: Louis Couperus Genootschap. - 28 p. - (Couperus cahier; 2). - ISBN 90-75321-02-3. - [1996 A 4779] Heijne, Bas, Het gezicht van Louis Couperus. - Amsterdam [etc.]: Veen. - 30 p. - ISBN 90-254-0648-3. - Rede uitgesproken op 8 februari 1996 ter gelegenheid van de voltooiing van de Volledige Werken van Louis Couperus. - [1996 A 2788] Hoestlandt, L.C. en J.R. vam Diessen, Indisch verleden: lustrum-herdenkingsboek 1995 Stichting Herdenking 15 augustus 1945. Purmerend: Asia Maior. - 175 p. - ISBN 90-74861-06-7. - Met naamlijst vermisten. - [1996 B 1503] Hoogteijling, Jacob, Door de achterdeur naar binnen: over de wording van Multatuli's Max Havelaar. - Amsterdam: Thesis Publishers. - 297 p. - ISBN 90-5170-381-3. - Proefschrift Open Universiteit Heerlen. - [1997 A 32] Hornman, Wim, De patrouille Teeken. - Hoorn [etc.]: Westfriesland. - 160 p. ISBN 90-205-2325-2. - [1996 A 3975] Houtzager, Guus, De rode steen: roman. - Amsterdam: De Bezige Bij. - 189 p. - ISBN 90-234-3521-4. - [1998 A 1082] Hovinga, Henk, Eindstation Vakan Baroe 1943-1945: dodenspoorweg door het oerwoud. - 4e herz. dr. met nooit eerder gepubl. historische feiten. - Amsterdam: Buijten & Schipperheijn. - 344 p. - ISBN 90-6064-922-2. - Oorspr. titel:

Indische Letteren. Jaargang 14

Dodenspoorweg door het oerwoud. - Franeker [etc.]: Wever [etc.], 1976. - [1997 A 216] Huyskens, Pierre, De Divisie van de 7e September. - Melick: Stichting Nationaal Indië-Monument 1945-1962, 1992. - 2 vols. (16, 19 p.). - Bundeling van declamaties in poetisch proza bij gelegenheid van herdenkingen bij het Nationaal Indië-Monument te Roermond, 1945-1962. - [1997 A 4349 1998 A 1525]

Indische Letteren. Jaargang 14

53 Jalhaij, S.M., Tussen blank en bruin: Indo in Nederlands-Indië. - Breda: Warung Bambu. - 239 p. - (Indië-trilogie; dl. 1). - ISBN 90-5585-014-4. - [1996 A 1655] Kam, Pieter de, Het reizende bataljon: herdenkingsboek 8-RS. - [S.l.: s.n.,] 282 p.. - [1996 A 4719] Kannegieter, Adriaan, Adriaan Kannegieter: drager van: het oorlogsherinneringskruis met 3 gespen; het ereteken voor orde en vrede; de bronzen medaille; de B.B. medaille. - Bergen (NH): Bonneville. - 224 p. - ISBN 90-73304-44-X. - [1997 A 993] Kock, P.P. de, Worstelend voor de erkenning: autobiografie. - [Leidschendam: Pieter de Kock. - 112 p. - ISBN 90-803317-2-4. - [1997 A 663] Kop, Hans van der, Omie en Eddie: een Indisch familieleven: 1872-1955. Leeuwarden: Eisma. - 368 p. - ISBN 90-74252-48-6. - [1996 A 4796] Koster, Jan, De gele armband. - Rijswijk: Debut. - 128 p. - ISBN 90-802348-4-2. - [1996 A 3899] Krancher, Jan A., The defining years of the Dutch East Indies, 1942-1949: survivors' accounts of Japanese invasion and enslavement of Europeans and the revolution that created free Indonesia. - Jefferson, NC [etc.]: McFarland & Co. - VIII, 280 p. - ISBN 0-7864-0070-6. - [1997 A 1316] Lammers, C.J., Collaboratie en verzet in Duitse en Japanse interneringskampen. - Leiden: Vakgroep Sociologie, Rijksuniversiteit Leiden. - 31 p. - Bijdrage voor de sessies over organisatie van de Bezetting tijdens de Zevende Sociaal-wetenschappelijke Studiedagen over het thema ‘Van de hoed en de rand’ onder auspicien van het SISWO te Amsterdam 11 en 12 april 1996. [1996 B 1416] Lier, Bas van en Jan Braamhorst, Het VOC-schip ‘De halve maan’: over de bouw, de bemanning, de uitrusting en de eerste tocht naar de Oost. - Amsterdam: Ploegsma. - 80 p. - ISBN 90-216-1199-6. - [1996 B 1084] Liesker, H.A.M. en J. van Dulm, Onze kleine geschiedenis van Nederlands-Indië, de Pacific-oorlog en Indonesia: een terugblik op een koloniale periode van drie eeuwen en op de beëindiging daarvan. - Amsterdam: Uitgeverij KJBB '41-'49. - 144 p. - ISBN 90-73763-09-6. - [1997 A 657] Margadant-Dom, R., Indische gedichten. - [Den Haag]: Indische Kulturele Kring. - 91 p. - [1997 A 353] Marijnissen, Silvia, Een lier van prikkeldraad: schrijvers over hun gevangenschap. - Amsterdam: Mets. - 255 p. - ISBN 90-5330-191-7. - Uitg. ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van PEN. - [1997 A 1011] Melis, E., Hans Toonen en L.G.M. Jaquet, Verzet contra de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog: de geuzen van het Indisch verzet: 1942-1945. - Nijmegen: Comite Ancol. - 413 p. - ISBN 90-9006172-X. - [1996 A 3881] Multatuli en Herman Kakebeeke, Saidjah en Adinda: uit Max Havelaar. [Averbode]: Altiora Averbode. - 30 p. - (Averbode Valentijn). - ISBN 90-317-1182-9. - Bew. van een verhaal uit: Max Havelaar. - Oorspr. uitg.: Amsterdam: De Ruyter, 1860. - [1996 A 3626] Neijndorff, Frank, Achterom gekeken: mijn jeugd in Nederlands-Indië 1929-1949. - 2e gew. en uitgebr. dr. - Den Haag: Neijndorff. - 141 p. - ISBN 90-75413-02-5. - 1e dr.: 1995. - [1998 A 959]

Indische Letteren. Jaargang 14

Oijen, L.M.A. van, Vrouwen schuwen het gevaar niet. - Breda: Brabantia Nostra. - 77 p. - ISBN 90-6949-033-1. - [1997 A 1131]

Indische Letteren. Jaargang 14

54 Pantow, George, Im Gürtel aus Smaragd: anak kompeni. - Winnenden: Pantow. - 215 p. - [1996 A 4884] Perron, E. du, F. Bulhof en G.J. Dorleijn, Het land van herkomst. - Amsterdam: Van Oorschot. - 1079 p. - ISBN 90-282-0870-4. - 1e dr.: Amsterdam: Querido, 1935. - [1996 A 4851] Philps, Richard, Prisoner doctor: an account of the experiences of a Royal Air Force medical officer during the Japanese occupation of Indonesia. - Lewes: Book Guild. - xiii, 126 p., [4] p. pi. - ISBN 1-85776-098-0. - [1996 A 4876] Piette, Roy, Mijn lief Java...: nachtmerrie onder andere dromen. - Bergen (N.H.): Bonneville. - 141 p. - ISBN 90-73304-46-6. - [1996 A 4137] Rinsampessy, Djodjie, Begitu sadja, zomaar. - Den Haag: Bintang Design & Communicatie. - 62 p. - ISBN 90-75626-03-7. - [1996 A 1395] Schomper, Pans en Tris Slamet, Selamat tinggal Hindia: tanjinya pedagang telur. - Amsterdam: Dorned. - 296 p. - ISBN 90-802308-2-0. - Vert. van: Indië vaarwel: de belofte van de eierboer. - Den Haag: Schomper, 1993. - [1996 A 2803] Schoorl, Pim [red.], Besturen in Nederlands-Nieuw-Guinea, 1945-1962: ontwikkelingswerk in een periode van politieke onrust. - Leiden: KITLV Uitgeverij. - 658 p. - ISBN 90-6718-093-9. - [1996 A 3408] Schouten, Martin, De spiegel en de blinde: novelle. - Amsterdam: De Bezige Bij. - 76 p. - ISBN 90-234-3591-5. - [1996 A 4712] Schumacher, Peter, Ogenblikken van genezing: Indonesische ervaringen. Amsterdam: Van Gennep. - 294 p. - ISBN 90-5515-111-4. - [1996 A 2333] Steensma, Hylkje en Mathijs Souhoka, Trientje Tjitjak. - Utrecht: Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers. - 38 p. - ISBN 90-6509-312-5. - [1997 A 725] Stolk, Jill, Indië was alles. Alles: de verhalen van toen en nu. - Bergen (NH): Bonneville. - 191 p. - ISBN 90-73304-45-8. - [1996 A 3300] Tewes, Carl, In naam der koningin: roman. - [2e dr.]. - Schoorl: Conserve. 224 p. - ISBN 90-5429-066-8. - 1e dr. (geb.): 1996. - [1996 A 4823] Touwen-Bouwsma, Elly en Petra Groen, Tussen Banzai en Bersiap: de afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. - Den Haag: Sdu Uitgevers. - 148 p. - ISBN 90-12-08251-X. - [1996 A 2334] Ubels, Luut en Bert Ubels, Luut Ubels: levensverhaal en brieven. - Bennekom: Ubels. - 175 p. - ISBN 90-803124-1-X. - [1997 A 838] Vanloo, Riet, Op blote voeten. - Hasselt: Clavis. - 87 p. - ISBN 90-6822-393-3. - [1996 A 4825] Vanvugt, Ewald en Laura van Campenhout, Nestbevuilers: 400 jaar Nederlandse critici van het koloniale bewind in de Oost en de West. - Amsterdam: Babylon-De Geus. - 223 p. - ISBN 90-6222-313-3. - Uitg. naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het Nederlands Letterkundig Museum, gehouden van 7 september t/m 10 december 1995. - [1996 A 2697] Ver Huell, Q.M.R., L. Turksma, en R.R.A. van Gruting, Levensherinneringen 1787-1812. - Westervoort: Van Gruting. - xxvii, 172 p., [8] p. pl. - ISBN 90-7587901-6. - [1997 A 199] Vervloed, Peter en Maurice Heerdink, De zeven golven. - Baarn: La Riviere & Voorhoeve. - 84 p. - ISBN 90-384-1084-0. - [1996 A 3892]

Indische Letteren. Jaargang 14

Vredenbregt, Jacob, Intermezzo in de Leeuwenstad. - Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar. - 191 p. - ISBN 90-388-8275-0. - [1996 A 2237] Wendelaar Bonga, Dieuwke, Eight prison camps: a Dutch family in Japanese Java. - Athens, OH: Ohio University Press, Center for International, Studies. XII, 219 p. - (Monographs in international studies, Southeast Asia series; no. 98). - ISBN 0-89680-191-8. - [1996 A 3803]

Indische Letteren. Jaargang 14

55 Wennekes, Wim, Gouden handel: de eerste Nederlanders overzee, en wat zij daar haalden. - Amsterdam [etc.]: Atlas. - 471 p. - ISBN 90-254-0907-5. [1996 A 2325] Wester, Rudi, Reis om de wereld in 1000 bladzijden: reisverhalen. - Amsterdam [etc.]: Contact. - 999 p. - ISBN 90-254-0510-X. - Eerder verschenen in vier afzonderlijke reisbundels: Adieu adieu sweet Bahnhof, en: Gewoon omdat ik ging, en: Rusteloze reizen, en: Verre verlangens. - Amsterdam: Contact, 1988, 1989, 1990, 1991. - [1996 A 4777] Zonneveld, Peter van [red.], Naar de Oost!: verhalen over vier eeuwen reizen naar Indië. - Amsterdam: Bakker. - 219 p. - ISBN 90-351-1701-8. - [1996 A 4838] Zuurveen, Toos, Van zedenleer tot Bruintje Beer: kind, kindbeeld en kinderboek door de eeuwen. - [Uithuizermeeden]: Roorda. - viii, 824 p. - ISBN 90-801086-4-2. - [1997 A 760]

Indische Letteren. Jaargang 14

56

Uitnodiging Op vrijdag 21 mei 1999 organiseert de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde een lezingenmiddag die het ‘eigen gebied’ tot onderwerp zal hebben en een theoretisch-principieel karakter zal dragen (zie het Redactioneel). De bijeenkomst begint om 14.00 uur en eindigt ± 16.30 uur. De sprekers zijn: Jacqueline Bel, Siegfried Huigen, Bert Paasman, Olf Praamstra, Gerard Termorshuizen en Peter van Zonneveld. Zij krijgen ieder ongeveer tien minuten spreektijd. Na de pauze zal er worden gediscussieerd, zowel binnen als mét het door de sprekers gevormde forum dat zal worden geleid door Reggie Baay. Plaats: Rijksuniversiteit Leiden, Gebouw 1175 (Centraal Faciliteitengebouw), Witte Singel/Doelencomplex (achter het Rapenburg ter hoogte van de Doelensteeg). Zaal 011. De toegang is gratis. Alle belangstellenden zijn harte welkom.

Bericht van het E. du Perron Genootschap Een deelnemer aan de lezingenmiddag van onze werkgroep januari jl. maakte de redactie attent op artikelen van de hand van Kees Snoek in Cahiers voor een lezer uitgebracht door het E. du Perron Genootschap. Deze artikelen zijn verschenen in cahiers 6 en 7 en zijn te bestellen ad f 7,50 per stuk excl. verzendkosten bij Secretariaat E. du Perron Genootschap, p/a Reinder Storm, Van Beverningkstraat 23, 2582 VB te Den Haag (tel. 070-3060439, e-mail: [email protected]). Cahier nr. 6: Een soeverein romanticus: Beekmans selectieve beeld van Du Perron. Cahier nr. 7: Zonder pantser. Du Perrons verhouding tot Soetan Sjarir en diens kring. Naast deze twee cahiers zijn er nog enige exemplaren beschikbaar van eerder uitgekomen tijdschriftjes (1 t/m 9) die, zolang de voorraad strekt, leverbaar zijn voor leden van onze Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde.

Indische Letteren. Jaargang 14

57

[Nummer 2] Redactioneel Op vrijdag 21 mei 1999 vond in Leiden een lezingen- en discussiemiddag plaats over het ‘eigen gebied’ van de Indische letteren, waarbij vooral theoretische en principiële kwesties aan de orde kwamen. Er is de laatste jaren een aantal publicaties verschenen waarin de afbakening van het domein door verschillende onderzoekers op een eigen manier gedefinieerd werd. Het leek ons zinvol die uiteenlopende visies nu eens met elkaar te confronteren om te zien waar nu precies de overeenkomsten en de verschillen liggen. Het ging daarbij om een aantal kernvragen. Wat is Indische literatuur? Waar liggen de begin- en eindpunten van deze literatuur? Hoort de literatuur van de VOC-tijd erbij, of is ‘Indisch’ synoniem met ‘koloniaal’? Moet een auteur de koloniale samenleving uit eigen ervaring gekend hebben om tot de Indische letterkunde te worden gerekend? Wat zijn de argumenten om de literatuur van de ‘tweede generatie’ ook bij het onderzoek te betrekken? Dient men alleen de ‘klassieke’ literaire genres te onderzoeken of moet er ook aandacht zijn voor andere genres? Kunnen anderstalige teksten over Indië ook tot de Indische literatuur worden gerekend? Welke vragen moet men stellen? In hoeverre kan de internationale discussie over koloniale en postkoloniale literatuur van betekenis zijn voor ons vakgebied? Om deze en andere vragen op een overzichtelijke manier aan de orde te stellen, werd aan zes sprekers (Olf Praamstra, Bert Paasman, Gerard Termorshuizen, Peter van Zonneveld, Siegfried Huigen en Jacqueline Bel) gevraagd om in een beknopt betoog een of meerdere van deze kwesties toe te lichten en de ingenomen standpunten samen te vatten in een tweetal stellingen, die aan het begin van de middag aan alle aanwezigen werden uitgereikt. Het voordeel van deze werkwijze was overzichtelijkheid; het nadeel was dat geen enkele onderzoeker zich over álle kwesties kon uitspreken. Om dit bezwaar te ondervangen vond na afloop van de lezingen een discussie plaats onder leiding van Reggie Baay waarin sprekers en publiek op de naar voren gebrachte stellingen konden reageren.

Indische Letteren. Jaargang 14

58 Liesbeth Dolk geeft van deze gedachtewisseling een korte samenvatting, en stelt zich voor hoe een nieuwe Indische literatuurgeschiedenis, waarin aan verschillende gezichtspunten recht wordt gedaan, eruit zou moeten zien. Bovendien bevat dit nummer nog een bijdrage van Olf Praamstra die aansluit bij de discussiemiddag: hij publiceert een brief van Tjalie Robinson waarin deze zijn standpunt ten aanzien van de Indische literatuur formuleert. Tenslotte wordt onze oude rubriek ‘Senapan’ nieuw leven ingeblazen door Kees Snoek, die reageert op de kritische opmerkingen die Peter van Zonneveld in zijn artikel over Hella S. Haasse aan zijn adres heeft gemaakt. Op zondag 26 september organiseert onze Werkgroep haar jaarlijks symposium, ditmaal gewijd aan het thema ‘Humor in de Indische letteren’. Net zoals de afgelopen twee jaar wordt het symposium weer op Bronbeek gehouden. Nadere informatie over de inhoud van het programma, de kosten en de manier waarop u zich kunt aanmelden, is te vinden achterin dit nummer.

Indische Letteren. Jaargang 14

59

De ergernis van Couperus, de Nederlands-Indische letterkunde en de persoonlijke ervaring Olf Praamstra In het laatste grote overzicht van de koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, Troubled pleasures van E.M. Beekman, bestrijkt deze literatuur de periode van 1600 tot 1950. Dat betekent dat Beekman de Indische letterkunde laat beginnen bij het tijdperk van de VOC en laat eindigen op het moment dat de onafhankelijke republiek Indonesië in de plaats treedt van de vroegere kolonie. Ook daarna, erkent Beekman, wordt er nog volop over Nederlands-Indië geschreven. Hij verwijst onder andere naar het werk van Jeroen Brouwers. Maar, concludeert Beekman, in het werk van Brouwers is Indië ‘a construct of the imagination’ geworden, een ‘myth’.1 Verrassend is deze periodisering niet. In zijn opvatting van de Indische letterkunde lijkt Beekman zich aan te sluiten bij de definitie die Rob Nieuwenhuys daarvan indertijd gegeven heeft in de Oost-Indische Spiegel. Nederlands-Indische letterkunde, zo stelt Nieuwenhuys in de inleiding van zijn boek, is literatuur die voortkomt uit de koloniale samenleving in Indië. Daardoor verschilt de Indische letterkunde sterk van de eveneens in het Nederlands geschreven Nederlandse letterkunde. De enige overeenkomst tussen die twee is de taal. Verder gaat het om twee afzonderlijke literaturen, die ieder aanspraak maken op hun eigen geschiedenis. De taal is dezelfde, maar de schrijvers zijn anders. Het zijn wel Nederlanders, maar Nederlanders die in de kolonie geboren zijn of daar tenminste enige tijd hebben doorgebracht. Dat zorgt voor een doorslaggevend verschil: De Europese samenleving in Indië [...] was en bleef een andere dan die in het moederland. In deze andere, in de loop der tijden veranderende maatschappijvorm, ligt de sleutel voor ons begrip van een in het Nederlands geschreven letterkunde met andere onderwerpen en thema's en andere verschijningsvormen dan de moederlandse.2

Indische Letteren. Jaargang 14

60 Dit standpunt van Nieuwenhuys betekent dat de Nederlands-Indische letterkunde een afgesloten literatuur is, beperkt in ruimte en tijd. Het is de literatuur van Nederlandstalige schrijvers die deel hebben uitgemaakt van de Nederlands-Indische samenleving. Voor Beekman en Nieuwenhuys heeft deze Nederlands-Indische samenleving en de daarbij behorende literatuur bestaan van ongeveer 1600 tot 1950. Ik heb indertijd een aanzienlijk kortere periode voorgesteld.3 Een tegenwoordig onder historici gangbare opvatting is, dat de geschiedenis van de kolonie Nederlands-Indië zich afspeelt in de periode tussen de ineenstorting van de VOC en het ontstaan van de Republiek Indonesië, d.w.z. tussen 1800 en 1942.4 Tot 1800 zag het Nederlandse koloniale gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop er heel anders uit dan daarna, en daarom bestrijkt ook de koloniale literatuur uit die periode een veel groter gebied dan alleen Nederlands-Indië.5 Uitgaande van deze strengere omschrijving van Nederlands-Indië reken ik tot de Nederlands-Indische letterkunde uitsluitend literatuur van schrijvers die vanaf 1800 deel hebben uitgemaakt van de Nederlands-Indische samenleving. Het eindpunt van de Indische letterkunde valt niet zo precies vast te stellen. In 1942 maakte de Japanse bezetting voorgoed een einde aan de koloniale maatschappij. Maar natuurlijk houdt de letterkunde dan niet meteen op; ook de ondergang van de kolonie - tot en met de Nederlandse erkenning van Indonesië in 1949 - hoort er nog bij, en bovendien hebben veel schrijvers pas tientallen jaren nadat ze Indië hadden verlaten, hun boeken geschreven. Zelfs vandaag de dag nog verschijnen er boeken, waarin zulke schrijvers hun herinneringen aan de voormalige kolonie literair vormgeven. Dat doet overigens aan het gesloten karakter van deze literatuur niet wezenlijk af. Het is een kwestie van wachten op de dood van de laatste schrijver die Nederlands-Indië uit eigen ervaring heeft gekend. Tegen dit criterium van ‘persoonlijk ervaring’ is nogal wat verzet gekomen. Nieuwenhuys zelf had er al moeite mee. Zo komen in zijn Oost-Indische Spiegel schrijvers voor als Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk, die wel over Indië hebben geschreven, maar nooit een voet op Indische bodem hebben gezet. Na hem werd er door anderen steeds minder rekening gehouden met dit criterium. Tot de Indische letteren rekende men al snel ook die schrijvers die te laat geboren waren om de kolonie nog werkelijk te hebben meegemaakt, maar wel schreven vanuit een Indische achtergrond. En in 1990, tijdens een symposium over verleden en toekomst van de Indische letteren, verklaarde Peter van Zonneveld, dat voor hem alles tot de Indisch-Nederlandse letterkunde hoorde, wat er in het Nederlands over Nederlands-Indië én Indonesië was geschreven, en nog geschreven zou worden. Uit het verleden konden nu ook Jacob van Lennep en E.J. Potgieter - ook in hun werk speelt Indië soms een rol - zich bij het gezelschap voegen,

Indische Letteren. Jaargang 14

61 en zelfs de Javaanse brieven (1992) van Kees Ruys, waarin Indonesië beschreven wordt zonder enige verwijzing naar het koloniale verleden, vallen binnen Van Zonnevelds definitie van de Indische letteren.6 Kritiek op deze ruime omschrijving kwam van Henk Maier. Hij vond dat wie op deze manier Nederlands-Indië en Indonesië op een lijn stelt, weinig oog heeft voor het onderscheid tussen koloniale en postkoloniale literatuur. Maar tegelijkertijd voelde ook Maier wel iets voor een verruiming van het begrip Indische letterkunde. Zolang het onderwerp maar de koloniale samenleving in Nederlands-Indië is, heeft Maier geen enkel bezwaar tegen werk van auteurs die Indië niet uit eigen ervaring hebben gekend. Hij voelt dan ook niets voor het criterium van persoonlijke ervaring: Moet een schrijver werkelijk in Indië zijn geweest om er over te mogen schrijven? Met andere woorden, moet een schrijver in de dertiende eeuw zijn geweest om een ridderroman van formaat te mogen schrijven? En moet hij werkelijk op de maan zijn geweest om er een gedicht over te kunnen schrijven? Het is niet duidelijk waarom, bijvoorbeeld, de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië niet een voldoende inspiratiebron zou kunnen zijn [...].7 Het zijn retorische vragen, die tegelijkertijd een wezenlijk probleem aan de orde stellen. Niemand toch zal een twintigste-eeuwse roman die zich afspeelt in de dertiende eeuw - hoe goed de auteur zich ook heeft gedocumenteerd - als gelijkwaardig behandelen aan een tekst uit de dertiende eeuw zelf! De vraag is natuurlijk hoe dat komt. Maar ongeacht het antwoord maakt die vraag op zich zelf al duidelijk dat het criterium van persoonlijke ervaring veel belangrijker is dan Maier suggereert. Beekman lijkt een antwoord op die vraag te geven in zijn hiervoor genoemde uitspraak dat na 1950 Indië ‘een constructie van de verbeelding’ is. Dat impliceert dat in de literatuur daarvoor Indië geen literaire constructie is. Maar wat is het dan wel? Het ligt voor de hand om te denken - en Beekman suggereert dat ook - dat in de literatuur vóór 1950 het ‘echte’ of ‘werkelijke’ Indië wordt uitgebeeld. Toch is dat minder vanzelfsprekend dan op het eerste gezicht lijkt. Als men in de studie van de koloniale en postkoloniale literatuur ergens overeenstemming over heeft bereikt, dan is het dat een tekst nooit de werkelijkheid als zodanig weergeeft, maar alleen een visie op de werkelijkheid. Teksten geven representaties, zij bieden een werkelijkheidsconstructie die de lezer slechts de illusie van de werkelijkheid kan geven. In zijn studie Orientalism heeft Edward Said op overtuigende wijze aangetoond dat zulke visies op de werkelijkheid niet vrijblijvend zijn; en dat deze representaties zijn ingebed en gedetermineerd door een veel groter geheel van teksten, die samen het ‘discours’ over een bepaald

Indische Letteren. Jaargang 14

62

De Heerenstraat in Pasoeroean die model heeft gestaan voor de Lange Laan in De Stille Kracht van Louis Couperus (fotocollectie KITLV, Leiden).

Indische Letteren. Jaargang 14

63 onderwerp vormen. De kracht van dit discours is zo sterk dat elke volgende onderzoeker zich eraan conformeert en zijn interpretatie van de werkelijkheid er door laat bepalen; met als resultaat een beeld, in het geval van Said een beeld van het Midden-Oosten, dat meer zegt over het Westerse denken dan over het Midden-Oosten zelf.8 Kortom, ook in de realistische teksten van auteurs die voldoen aan het criterium van persoonlijke ervaring, is er sprake van een ‘literaire constructie’. In beide soorten teksten, teksten geschreven vanuit persoonlijk ervaring en teksten geschreven op grond van documentatie, bestaat er een problematische relatie tussen representatie en werkelijkheid. Volgens sommigen is er geen enkele relatie tussen die twee, is alles constructie;9 en dan zou er inderdaad geen wezenlijk verschil zijn tussen beide soorten teksten. Said zelf lijkt in die richting te denken, als hij concludeert dat de Oriënt die in Westerse teksten gestalte heeft gekregen, een constructie is van clichés die uitsluitend het product zijn van Westerse projecties. Uiteindelijk is zo'n bewering niet houdbaar, al is het onmiskenbaar dat het discours over het Oosten een grote invloed heeft op de waarneming van iedereen die het bezoekt en erover schrijft.10 Een voorbeeld van die invloed uit de Nederlandse literatuur geeft Siegfried Huigen in zijn proefschrift, De weg naar Monomotapa.11 Van november 1920 tot mei 1921 maakte Louis Couperus een reis door Algerije en Tunesië. Hij schreef hierover een reisverslag, waarin hij een archaïsche en schilderachtige Oosterse wereld beschrijft die tot in detail overeenkomt met de voorstelling van de Oriënt zoals die bekend was uit boeken en afbeeldingen. De manier waarop Couperus de werkelijkheid zag, werd in hoge mate bepaald door het koloniale discours van zijn tijd. Hoe overheersend dat discours was, blijkt als hij op een traditionele Arabische markt een aantal moderne naaimachines ziet: ‘[...] naaimachines’, schrijft hij, ‘die vele naaimachines doen vreemd aan’.12 Ze detoneren in zijn voorstelling van de Oriënt, ze horen daar niet en wekken daarom zijn ergernis. Het is een mooi voorbeeld van de invloed die het discours over de Oriënt heeft op de persoonlijke ervaring. Maar het is ook een mooi voorbeeld van het belang van die persoonlijke ervaring. Als Couperus over Tunesië en Algerije had geschreven zonder er geweest te zijn, had hij zich niet kunnen ergeren. Dan was het onmogelijk geweest om ook maar de geringste afwijking van het standaardbeeld op te merken. Elke botsing tussen mythe en realiteit is dan immers uitgesloten, en daarmee ook elke verrassing. Dat maakt het criterium van persoonlijk ervaring zo belangrijk: teksten die daar niet aan voldoen, zijn voorspelbaar, kunnen per definitie niet verrassen en missen elke authenticiteit. Een ‘Indische’ roman als Bezonken rood (1981) van Jeroen Brouwers laat zien hoe dit gebrek aan ervaring leidt tot het ontstaan van een Duits concentratiekamp in de Tropen, omdat zo'n kamp na de Tweede Wereldoorlog

Indische Letteren. Jaargang 14

64 nu eenmaal het standaardbeeld is geworden van het concentratiekamp in het algemeen.13 Moeten we eerst op het gemeentehuis navragen of een schrijver in Indië is geweest, voordat we zijn werk tot de Indische letterkunde rekenen, vroeg Roger Tol zich niet zo lang geleden af.14 Het antwoord op die vraag is ja. Het wel of niet in Indië geweest zijn veroorzaakt een wezenlijk verschil in wat erover geschreven wordt. Een verschil dat bovendien niet alleen cultuurhistorisch, maar ook esthetisch van aard is. Persoonlijke ervaring is een voorwaarde om niet op een stereotiepe manier over Nederlands-Indië te schrijven, om de verwachtingshorizon van de lezer te doorbreken en niet te blijven steken in mythe's en clichés. Dat de authenticiteit van zulke teksten een rol speelt in de literaire waardering ervan, blijkt ook uit de manier waarop Rudy Kousbroek de roman Rubber van Madelon Székely-Lulofs verdedigt tegen de kritiek van Menno ter Braak, die het boek niet alleen nagenoeg alle literaire waarde ontzegt, maar het bovendien niet eens een ‘werkelijk Indische roman’ wil noemen. Wat deze roman volgens Kousbroek tot een Indische roman en zelfs tot een hoogtepunt van de Indische letterkunde maakt, is het ‘observatietalent’ van de schrijfster: zij beschrijft ‘een wereld waarvan zij een deel was’.15 Waardering voor het ‘realisme’, voor de ‘authenticiteit’ is eveneens een constante in de kritiek op het werk van P.A. Daum. Wat zijn tijdgenoten, en ook latere critici als E. du Perron en Ter Braak, in zijn romans bewonderden, was dat hij de samenleving die hij beschreef van binnenuit kende, hier was een insider aan het woord.16 Iemand die de Indische samenleving alleen kent uit de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië wordt nooit een insider, en zal de lezer daarover nooit iets kunnen onthullen. In plaats van de Indische letterkunde open te stellen voor iedereen die Nederlands-Indië tot onderwerp van zijn boek maakt, stel ik daarom voor om de omvang ervan juist in te perken door het criterium van persoonlijke ervaring veel strikter toe te passen dan tot dusver is gedaan, ook door Nieuwenhuys zelf. Een eventuele herdruk van de Oost-Indische Spiegel zou wat dat aangaat niet dikker, maar juist dunner worden: voor Van Haren en Hofdijk is daarin geen plaats meer.

Indische Letteren. Jaargang 14

65 Olf Praamstra is docent Nederlands aan de VU in Amsterdam en bij de vakgroep Dutch Studies in Leiden.

Eindnoten: 1 E.M. Beekman, Troubled pleasures, Dutch colonial literature from the East Indies, 1600-1950. Oxford, 1996, p. 599. 2 R. Nieuwenhuys, Oost-Indische Spiegel, 2e dr. Amsterdam, 1973, p. 11-17; het citaat op p. 13. 3 Olf Praamstra, ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde, een afbakening van het corpus’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taalen Letterkunde 113 (1997), p. 257-274. 4 Vergl. H.W. van den Doel, Het Rijk van Insulinde, opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie. Amsterdam, 1996, p. 10. 5 Vergl. S. Huigen, ‘De representatie van de kolonie, enkele gedachten over het onderzoek van koloniale teksten’. In: Indische Letteren 10 (1995), p. 177. 6 P. van Zonneveld, ‘De geschiedschrijving van de Indische-Nederlandse literatuur uit de negentiende en twintigste eeuw’. In: Indische Letteren 7 (1992), p. 191-192. 7 H.M.J. Maier, ‘“Indische literatuur”, bezinningen op een definitie’. In: Theo D'haen [red.], Weer-werk, schrijven en terugschrijven in koloniale en postkoloniale literaturen. Leiden, 1996, p. 18-20; het citaat op p. 18. 8 Edward Said, Orientalism. Harmondsworth, 1995. 9 Vergl. M. Meijer, In tekst gevat, inleiding tot de kritiek van de representatie. Amsterdam, 1996, p. 126-127; S. Huigen, De weg naar Monomotapa, Nederlandstalige representaties van geografische, historische en sociale werkelijkheden in Zuid-Afrika. Amsterdam, 1996, p. 42-43. 10 Vergl. S. Huigen, De weg naar Monomotapa. Amsterdam, 1996, p. 37-59. 11 Huigen, De weg naar Monomotapa, p. 41-42. 12 L. Couperus, Met Louis Couperus in Afrika. Amsterdam/Antwerpen, 1995, p. 57. 13 Vergl. R. Kousbroek, ‘Het tomatenketchup-Tjideng van Jeroen Brouwers’. In: R. Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom. Amsterdam, 1992, p. 445-452. 14 Roger Tol, ‘Jan Krabbendams De musketier, historisch soap van een polygraaf zadelmaker’. In: Indische Letteren 12 (1997), p. 185. 15 R. Kousbroek, ‘De boekhouders van de Nederlandse literatuur’. In: R. Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom. Amsterdam, 1992, p. 76-84; het citaat op p. 80. 16 Vergl. G. Termorshuizen, P.A. Daum, journalist en romancier van tempo doeloe. Amsterdam, 1988, p. 213-220, 231, 256-257, 435-436 en 457-468.

Indische Letteren. Jaargang 14

66

Grenzen en grenscorrecties in de Indisch-Nederlandse literatuur Bert Paasman Grenzen, begrenzingen zijn afspraken. Grenzen kunnen natuurlijk zijn (een bergketen of een rivier) of onnatuurlijk (een met de lineaal getrokken rechte lijn parallel aan een lengte- of breedtegraad). Natuurlijke grenzen zijn meestal zinvoller en duurzamer gebleken dan kunstmatige grenzen. Tot zover de beeldspraak. Ook in onze vakbeoefening moeten we om praktische redenen zo nu en dan grenzen trekken, hoe natuurlijker en dus hoe zinvoller hoe beter. De vraag is dan: wat is de natuur van de Indisch-Nederlandse letterkunde? Volgens Olf Praamstra's artikel ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde’ (1997) is dat literatuur geschreven: a. in de koloniale tijd (ca. 1800-1942), b. door mensen die in Nederlands-Indië geleefd of gewoond hebben, c. in de erkende literaire genres (voor volwassenen): proza, poëzie en toneel.1 Dit zijn heldere grenzen die leiden tot een overzichtelijk corpus van teksten dat zich zelfs tellen laat. Maar hoe natuurlijk is het om bij het voorstellen van een corpus teksten niet van tekstuele kenmerken maar van een historische periode (die van de staatskolonie Nederlands-Indië) en van de auteurskenmerken (er geleefd of gewoond te hebben) uit te gaan, en verder om bij voorbaat minder traditionele genres uit te sluiten? Voor mij lijken de heldere grenzen van Olf Praamstra op rechte lijnen getrokken op de literaire landkaart, èn ik zou hierop enkele grenscorrecties willen aanbrengen. Natuurlijker voor teksten lijken mij tekstuele kenmerken als uitgangspunt. Voor mij behoren tot de Indisch-Nederlandse literatuur alle expressieve teksten die een sterk engagement hebben met Indië en het Indische: zowel met Oost-Indië (VOC-tijd), als Nederlands-Indië (ca. 1800-1950) en Indisch Nederland (ca. 1950-heden). Twee elementen uit deze werkdefinitie moeten direct toegelicht worden. Ik vermijd hier vooralsnog het begrip literair en gebruik expressief, omdat het begrip literariteit zelf aan sterke veranderingen onderhevig is, zowel door de beoefenaren van de literatuur als door de beoefenaren van de literatuurgeschiedenis en -wetenschap. Het literair-esthetische standpunt van de

Indische Letteren. Jaargang 14

67 negentiende eeuw dat alleen proza, poëzie en toneel tot de literatuur gerekend worden, is niet alleen een gedateerd standpunt, maar leidt tot uitsluiting van waardevolle teksten. Toelichting behoeft ook mijn formulering een sterk engagement. Daarvan is geen sprake bij het louter vermelden van Indië of het Indische in een tekst. De tekst moet zich in zijn presentatie en thematiek op indringende wijze met de expansie, kolonisatie of dekolonisatie bezighouden, met mens en samenleving, natuur en cultuur van Indië en het Indische. Mijn begrenzingsvoorstel is nauw verwant aan dat van Henk Maier die in de bundel Weer-werk. Schrijven en terugschrijven in koloniale en postkoloniale literaturen (1996) concludeert ‘“Indische literatuur” is de verzamelnaam voor werken die tot de Nederlandstalige literatuur worden gerekend en op enigerlei wijze Indië beroeren’.2 Voor mij is de formulering op enigerlei wijze Indië beroeren net te vaag en te vrijblijvend, maar misschien bedoelen we ongeveer hetzelfde. Ik verschil echter met hem van mening dat de Nederlandse vertalingen van bijvoorbeeld Pramoedya Ananta Toer bij het corpus zouden horen, hoe zeer ze ook op de koloniale periode betrekking kunnen hebben. Het gaat in dat geval om Indonesische literatuur in vertaling. Maiers beweegredenen zijn overigens waardevol, hij wil bij het bestuderen van zulke Nederlandstalige teksten ‘tot nieuwe ontdekkingen, nieuwe lezingen, nieuwe verten leiden’, want dat is het volgens hem waar het bij het lezen en schrijven vooral om gaat.3 Op zich juich ik dit intertekstuele uitgangspunt van harte toe, maar men mag het bestuderen van alle mogelijke, inspirerende grens-, rand- en twijfelgevallen (waaronder vertalingen) niet gelijkstellen aan het afbakenen van een corpus teksten met het doel dat te boek te stellen. Deze verwarring ondermijnt te vaak de afbakeningsdiscussie. Op grond van deze overweging kom ik tot mijn eerste niet zeer schokkende stelling: Bij de bestudering van de Indisch-Nederlandse literatuur dienen geen Nederlandstalige (zelfs geen anderstalige) expressieve teksten met betrekking tot Indië en het Indische te worden uitgesloten; bij de leboekstelling van deze literatuur dient men adequate selectiecriteria toe te passen en die expliciet te verantwoorden. De Indisch-Nederlandse teksten hebben volgens mijn criteria dus een substantiële band met Oost-Indië, Nederlands-Indië en Indisch Nederland. Onder Indisch Nederland versta ik de Indische cultuur in de diaspora (voornamelijk in Nederland) - een direct gevolg van de dekolonisatie.4 De literatuur van Indisch Nederland is die van repatriëring, aanpassing, herinnering, Indisch leven buiten Indië, Indische identiteit, terugkeerreizen en roots-reizen. Hiertoe reken ik zowel de literatuur geschreven door Indo's, door Nederlandse Molukkers als door totoks, en zowel die van de eerste als van de tweede generatie. Het engagement met Indië en het Indische in teksten van de tweede-generatieschrijvers, geboren

Indische Letteren. Jaargang 14

68

De baai van Bantam in de VOC-tijd. Aquarel van J.W. Heijting.

Indische Letteren. Jaargang 14

69 in Nederland, is zeker niet minder sterk dan die van de eerste generatie, meestal geboren en/of getogen in Indië. Deze tweede-generatieliteratuur niet tot de Indisch-Nederlandse letterkunde rekenen zou in mijn ogen een absurditeit zijn. Of er nog een vitale derde-generatieliteratuur zal zijn, laat zich niet voorspellen, waarschijnlijk is het niet, maar evenmin is het uitgesloten. Indisch-Nederlandse literatuur beschouw ik daarbij als een overkoepelende aanduiding; de literatuur geschreven door Mestiezen, Indo-Europeanen, Indo's, Indische Nederlanders etc. is daarvan een belangwekkende subcategorie - die men met de term Indische literatuur kan aanduiden. Soms echter wordt van Indische literatuur gesproken om de Indisch-Nederlandse literatuur op verkorte wijze aan te duiden, zoals het geval is in de titel van het tijdschrift Indische Letteren.5 Werken die alleen een band hebben met het onafhankelijke Indonesië horen voor mij niet bij de Indisch-Nederlandse literatuur, zelfs niet als er zo nu en dan eens een koloniaal bouwwerk, een eigennaam, of een historische gebeurtenis genoemd worden. Zulke boeken over Indonesië staan voor mij vrijwel op één lijn met boeken over Finland of Peru. Ik verschil op dit punt dan ook met Rob Nieuwenhuys, Frank Vermeulen, Dick Boukema en Peter van Zonneveld die spreken over Indisch-Nederlandse literatuur als Nederlandse literatuur over Indonesië.6 Peter van Zonneveld concludeerde in zijn artikel over de literatuurgeschiedschrijving van de negentiende en twintigste eeuw: ‘De beste definitie van de Indisch-Nederlandse letterkunde is nog steeds de ondertitel van Rob Nieuwenhuys' Oost-Indische Spiegel: “wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven van de eerste jaren der compagnie tot op heden”.’ En hij vervolgt: ‘Indisch-Nederlandse literatuur is in het Nederlands geschreven literatuur over Indonesië, dat is naar mijn mening het enige criterium om het terrein af te bakenen.’7 Ik deel dit standpunt niet. Rob Nieuwenhuys hield zich overigens niet aan zijn in de ondertitel gegeven criteria: hij behandelt ook niet-Nederlandse schrijvers en dichters die in het Nederlands schreven (bijvoorbeeld Rumphius, Junghuhn, Kartini, Noto Soeroto, Soewarsih Djojopoespito), en in zijn hoofdstuk over de VOC-periode gaat hij uit van het toenmalige ruime Oost-Indië-begrip: het octrooigebied van de Compagnie (van Kaap de Goede Hoop tot Straat Magelhaens). Mijns inziens heeft Rob Nieuwenhuys deze ondertitel gekozen - begin jaren zeventig, de tijd van voorzichtig herstel van de Indonesisch-Nederlandse betrekkingen na het Nieuw-Guinea-debacle - als politiek correcte formulering. Wij hoeven onze bewonderde voorganger daarin niet na te volgen. Praamstra sluit niet alleen de werken van de tweede-generatieschrijvers uit, dus de postkoloniale auteurs in de chronologisch-historische betekenis van het woord, maar evenzeer de prekoloniale auteurs, die uit de Compagniestijd. Het classicistische treuspel Agon, sulthan van Bantam

Indische Letteren. Jaargang 14

70 (1769) door de Friese edelman Onno Zwier van Haren wordt door hem om twee redenen van zijn corpus uitgesloten: Van Haren schreef het in de tijd van vóór de staatskolonie Nederlands-Indië en Van Haren leefde niet in Indië, hij verbleef er zelfs niet. Deze auteur had echter een sterk engagement met Indië, evenals zijn broer Willem van Haren die verontwaardigd over de Chinezenmoord van 1740 schreef. Onno Zwier bewonderde gouverneur-generaal Johannis Camphuys en beschreef diens leven. Ook zijn treurspel Agon vertoont dat sterke engagement. Mijns inziens wordt deze tragedie in studies te sterk benaderd vanuit het genologische standpunt, d.w.z. als een ontwikkelingsfase in het genre van het Frans-classicistische treurspel, of vanuit het biografische standpunt: het zou een familiedrama zijn; de vadermoord die erin plaatsvindt zou symbolisch zijn voor de beschuldiging door zijn dochters en schoonzonen van incest, die leidde tot Van Harens maatschappelijke val. Wie de tekst historischer leest vindt een uiterst scherpe visie op de handelwijze van de Compagnie in Oost-Indië, vooral op de sluwe interventiepolitiek bij troonsopvolgingen, en niet mis te verstane kritiek op de ongebreidelde hebzucht van de VOC-dienaren waarvoor zij zelfs hun godsdienstige principes overboord zetten.8 Binnen mijn werkdefinitie behoort de Agon zeker tot de Indisch-Nederlandse literatuur. Reeds in de Compagniestijd vindt men zulke met Indië geëngageerde, expressieve teksten, meestal overigens geschreven door mensen die er wel kortere of langere tijd geleefd hebben. Vanaf ca. 1600 tot heden is er een zekere continuïteit in vormgeving en thematiek waar te nemen: er zijn teksten over korter- of langerdurendende gemengde relaties en over de kinderen uit die relaties geboren; over goena-goena en stille kracht; over de bedenkelijk geachte moraal van de Indische samenleving (waaronder de vrijere seksualiteit), over de sociale en raciale verhoudingen in deze samenleving, over de ideologie van expansie, kolonisatie en dekolonisatie. Deze laatste motieven worden door Reinier Salverda ‘the moral concern’ van de Indisch-Nederlandse literatuur genoemd.9 Naar de continuïteit in de vormgeving is nog weinig substantieel onderzoek verricht, maar het ziet er naar uit dat ook in de formele presentatie van teksten (in epistolaire, beschrijvende, anecdotische, verhalende, dialogische en spreekstijl) een zekere continuïteit niet te ontkennen valt - al zou ik absoluut niet zover willen gaan als de Noord-Amerikaanse geleerde E.M. Beekman die recentelijk de gehele Indisch-Nederlandse literatuur onder de noemer van de ‘Attische stijl’ wilde brengen.10 Concluderend kom ik tot mijn tweede, ook niet zo schokkende maar voor mij essentiële, stelling: Tot de Indisch-Nederlandse literatuur behoren de expressieve teksten die een sterk engagement hebben met Indië en het Indische, d.w.z met Oost-Indië (VOC-tijd), Nederlands-Indië (ca. 1800-1950) en Indisch Nederland

Indische Letteren. Jaargang 14

71 (ca. 1950-heden). Er is continuïteit, vooral van de thematiek en in mindere mate ook van de vormgeving, in de teksten van de pre-koloniale, koloniale en post-koloniale fasen van deze Indisch-Nederlandse literatuur.

Bibliografie Beekman, E.M. Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, 1600-1950. Amsterdam, 1998. Bel, Jacqueline. ‘Receptie-onderzoek en literatuurgeschiedenis. De Indische roman als broeierige vrijplaats van de Nederlandse literatuur’. In: Indische letteren. Tijdschrift van de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde 7 (1992), p. 195-203. Boukema, H.J. ‘Indisch-Nederlandse letterkunde’. In: Neerlandica extra muros. Tijdschrift van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek 30 (1992), p. 1-19. D'haen, Theo (red.). Europa buitengaats. Amsterdam [in druk]. Maier, H.M.J. ‘“Indische literatuur”. Bezinningen op een definitie’. In: Weerwerk. Schrijven en terugschrijven in koloniale en postkoloniale literaturen. Leiden, 1996, p. 14-30. Paasman, Bert. ‘De geschiedschrijving van de Indisch-Nederlandse literatuur uit de Compagniestijd: taak en problemen’. In: Indische letteren. Tijdschrift van de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde 7 (1992), p. 175-186. Paasman, Bert. ‘De Indisch-Nederlandse literatuur uit de VOC-tijd’. In: Theo D'haen (red.). Europa buitengaats. Amsterdam [in druk]. Praamstra, Olf. ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal en letterkunde 113 (1997), p. 257-274. Salverda, Reinier. ‘The Indonesian connection. Dutch literature of the East Indies in comparative perspective’. In: Johan P. Snapper and Thomas F. Shannon (eds.). The Berkeley Conference on Dutch literature 1991. Lanham MD, 1992, p. 1-25. Seriese, Edy. ‘Indische letteren als Mestiezenliteratuur’. In: Indische letteren. Tijdschrift van de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde 7 (1992), p. 145-152. Termorshuizen, Gerard. ‘De Indische bellettrie: een exotisch stiefkind binnen de literatuurgeschiedenis’. In: Traditie en progressie. Handelingen van het 40ste Nederlands Filologencongres. 's-Gravenhage, 1990, p. 249-256. Vermeulen, Frank. ‘De Indische mythe’. In: Indische letteren. Tijdschrift van de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde 3 (1988), p. 219-234. Zonneveld, Peter van. Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur. Amsterdam, 1995. Zonneveld, Peter van. ‘De geschiedschrijving van de Indisch-Nederlandse literatuur uit de negentiende en twintigste eeuw’. In: Indische letteren. Tijdschrift van de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde 7 (1992), p. 187-194.

Indische Letteren. Jaargang 14

Zonneveld, Peter van. ‘Indisch-Nederlandse literatuur. Problemen en taken’. In: Theo D'haen (red.). Herinnering, herkomst, herschrijving. Koloniale en postkoloniale literaturen. Leiden, 1990, p. 35-44.

Eindnoten: 1 2 3 4

5 6 7 8

9 10

Praamstra 1997, p. 266-267 Maier 1996, p. 29 Maier 1996, p. 29 Ik ben mij ervan bewust dat de repatriëring in golven plaatsvond tussen 1945 en 1965; het jaartal 1950 dat a.h.w. de grens markeert tussen Nederlands-Indië en Indisch Nederland is daarom een schematisch jaartal. Aanvankelijk speelde in deze naamgeving ook nog de mogelijkheid mee om t.z.t. zich ook met de West-Indische letteren te kunnen bezighouden. Nieuwenhuys 1978; Vermeulen 1988, p. 232; Boukema 1992, p. 17-18; Van Zonneveld 1992, p. 191-192; Van Zonneveld 1995, p. 74. Van Zonneveld 1992, p. 191. In een bijdrage aan het handboek voor koloniale en postkoloniale literaturen onder redactie van Theo D'haen, Europa buitengaats [in druk], heb ik geprobeerd deze andere interpretatie van Agon, sulthan van Bantam waarschijnlijk te maken. Salverda 1992. Beekman 1997, p. 82.

Indische Letteren. Jaargang 14

73

Anders gezien, andere beelden Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze Gerard Termorshuizen In maart 1993 publiceerde Hella Haasse haar kort daarvoor gegeven Albert Verwey-lezing in Indische Letteren.1 ‘Met andere ogen. Beelden van Indië/Indonesië in het werk van enkele niet-Nederlandse schrijvers’, heet dat stuk. Ik concentreer mij hier op haar uit het werk van buitenlandse auteurs gedistilleerde ‘beelden van Indië’. De vraag die Hella Haasse zich stelt is of wellicht in dat werk een aanvulling en uitbreiding wordt gegeven op de ons vanuit de Indisch-Nederlandse letterkunde (‘door koloniale en postkoloniale gevoelens en overwegingen gekleurde’) vertrouwd geworden voorstellingswereld. Die vraag wordt bevestigend beantwoord: de lectuur van Almayers Folly en The outcast of the islands van Joseph Conrad, bepaalde verhalen van W. Somerset Maugham, Vicki Baums Liefde en dood op Bali en A gentle occupation van de onlangs overleden Dirk Bogarde dwingt ons steeds weer op een andere manier te kijken naar die verloren gegane, maar door de literatuur zo dichtbij gesuggereerde, Indische leefwereld. We hadden trouwens ook niet anders verwacht. Een ieder die zich ook maar enigszins verdiept in wat buitenlandse auteurs over die vroegere koloniale samenleving te zeggen hebben, doet dezelfde ervaringen op. Dat is heel boeiend en intrigerend. En voor mij spreekt het daarom ook als vanzelf dat de in andere talen geschreven literaire teksten over Indië onze aandacht meer dan verdienen. Als ik zou moeten antwoorden op de vraag of die anderstalige teksten behoren tot de Indische - dat wil zeggen de over Indië handelende - letteren, dan ben ik geneigd daarop met ‘ja’ te antwoorden. Maar er is mij hier een andere vraag voorgelegd: horen de bedoelde teksten bij de Indisch-Nederlandse letterkunde? En omdat er volgens mij geen andere mogelijkheid is daarop met ‘nee’ te antwoorden, en ik met dat antwoord moeilijk vrede kan hebben, stel ik een wat voorzichtigere vraag: is het mogelijk om die buitenlandse literatuur over Indië, zonder ze daarin te incorporeren toch in de buurt van de Nederlandse Indische letteren te houden? De vraag stellen is hier het antwoord geven: die mogelijkheid behoort men hoe dan ook te creëren.

Indische Letteren. Jaargang 14

74 Vanaf het begin van de VOC-tijd tot aan het moment dat Indië Indonesië werd, hebben zich naast Nederlanders veel andere Europeanen op Oost-Indisch grondgebied opgehouden. Ook op buitenlanders immers had de archipel een geweldige aantrekkingskracht: om het geld dat je er kon verdienen, en om de magie en exotische avonturen van allerlei aard die je er, zo werd althans dikwijls verondersteld, kon ondergaan en beleven. En dus ligt het voor de hand dat er ook door niet-Nederlanders heel wat over Indië is geschreven. De fascinatie voor Indië openbaarde zich overigens soms ook bij hun thuisblijvende landgenoten. Zo werden in kringen van exotisten, symbolisten en utopisten bepaalde delen van de kolonie gedacht als ongerept en onbedorven, als gebieden waar men droombeelden kon verwezenlijken, waar nieuwe maatschappijstructuren onder de meest natuurlijke omstandigheden zouden kunnen gedijen. Een prachtig voorbeeld is de brievenroman van de eertijds bekende Franse auteur Paul Adam (1862-1920) die zijn utopie, een ideaalstaat van communistische snit, situeert in de binnenlanden van Borneo. Lettres de Malaisie,2 heet het boek. De brieven, in 1897 in het tijdschrift Revue blanche gepubliceerd, verschenen in 1922 in boekvorm. In die roman wordt minutieus beschreven hoe zich daar, op een door wallen en forten van de buitenwereld afgesloten oppervlakte van ongeveer een derde van Frankrijk, de gedroomde staat ontwikkelt. Niet gehinderd door racistische barrières vermengen zich Europese mannen, inlandse vrouwen en Chinezen, al naar gelang ze daaraan behoefte hebben. Maar opdat hun vleselijke lusten het dagelijkse werk en de goede harmonie niet verstoren, worden er geregeld feestperiodes ingelast, waarin een ieder zich aan zijn of haar zingenot kan overgeven. Na zo'n bacchanaal, in de roman zeer uitvoerig beschreven, zijn mannen en vrouwen beiden zo uitgeput, dat zij in onderlinge rust en vrede het volgende feest afwachten. Het boek van Adam is een interessante, maar een op zichzelf staande curiositeit, en de relevantie ervan voor onze discussie over de Indische letteren lijkt mij gering. We kunnen ons beter richten op de door buitenlanders op grond van hun persoonlijke ervaringen voortgebrachte geschriften over Indië, in het bijzonder op die teksten die we tot de letterkunde rekenen of die daar door hun inhoud - ik kom er dadelijk op terug - tegenaan leunen, zoals scheepsjournalen en reisverhalen, brieven en dagboeken. Er zijn, zoals ik zojuist al suggereerde, heel wat door niet-Nederlanders geproduceerde geschriften over Indië. En dat er op dit terrein nog wel het een en ander valt te ontdekken, wordt steeds duidelijker. Het blijkt als men besluit tot enig systematisch onderzoek naar in het Engels, Frans en Duits of, wat verder van huis, bijvoorbeeld in het Pools of Hongaars geschreven Indische letteren. Letten we eens op het twee jaar geleden verschenen proefschrift van Roelof van Gelder met zijn analyses

Indische Letteren. Jaargang 14

75 van autobiografische reisgeschriften van de hand van Duitse soldaten en matrozen in dienst van de VOC.3 We volgen hun leven in de maanden vóór de grote reis, aan boord van de schepen en in Azië. Niet minder dan 79 teksten van 47 auteurs vond hij. Boeiend zijn zij niet in de laatste plaats, omdat ze informatie verschaffen die nieuw is of die de ons al uit Nederlandstalige reisgeschriften bekende gegevens nuanceert dan wel aanzienlijk aanvult. Erg interessant zijn eveneens de in de laatste jaren opgedolven geschriften van Hongaren over Indië. Het begon met de scriptie van Gábor Pusztai over László Székely, waarna allerlei ontdekkingen werden gedaan: de aantekeningen van de avonturier Ferenc Xavier Witti die omstreeks 1880 een aantal expedities ondernam in Borneo en vermoord werd door koppensnellers; het boek (met daarin een aantal schitterende litho's) van Emanuel Andrásy over zijn in het midden van de vorige eeuw gemaakte reis over Java; een roman (en ander werk) van Ernö Zboray, verhalen van Ferenc Domahidy, een vriend van László Székely uit zijn Deli-tijd; en ten slotte dat opmerkelijke boek over de achttiende-eeuwse, in dienst van de VOC zijn avonturen belevende, András Jelky. Zoals bij de door Van Gelder onderzochte reisgeschriften van Duitsers, ligt de betekenis van die door Hongaren geschreven teksten onder andere in die andere manier van kijken naar de werkelijkheid, die vanuit een eigen cultureel-sociale achtergrond gedane observaties. Tot nu toe heb ik het vooral over ‘literatuur’ en ‘literaire teksten’ gehad. En dat is niet zo slecht. Ik bepaal daarmee mijn uitgangspunt, een zekere grens. Dat ik niettemin wat problemen heb met die grens, werd al enigszins duidelijk toen ik zo terloops niet-literaire genres als het scheepsjournaal en het reisverhaal, het dagboek en de brief mijn verhaal binnensmokkelde. Ik vraag me namelijk af, of het juist met betrekking tot de Indische letteren van tijd tot tijd niet verstandig, wenselijk en misschien zelfs wel noodzakelijk is zo nu en dan die grens te overschrijden of te verleggen. Dat nu heeft te maken met een - door mij hierboven al min of meer aangeduid specifiek kenmerk van veel over Indië handelende teksten, zowel literaire als niet-literaire. Voor veel auteurs, die in ‘normale’ omstandigheden nooit tot schrijven zouden zijn gekomen, was Indië de drijfveer dat wél te doen. Zij voelden de behoefte zich uit te spreken over wat zij in de tropen hadden ervaren, zowel in positieve als negatieve zin. Uit wat zij neerschreven, proeft men onmiddellijk die directe relatie tussen uitdrukking en ervaring, tussen woord en leven. Omdat bij dat zich willen uitspreken de literaire pretentie vaak bescheiden was, vinden we die uitingen behalve in literaire ook in niet specifiekliteraire teksten. Maar literatuur in de formele zin of niet, die teksten hebben een sterk documentair-persoonlijk karakter. Vanuit steeds weer verschillende invalshoeken, elkaar bijvallend, overlappend en aanvullen

Indische Letteren. Jaargang 14

76

Paleis gouverneur-generaal, gezien vanuit de Plantentuin, Buitenzorg. Tekening van Carl Ludwig Blume.

Indische Letteren. Jaargang 14

77 dragen ze ieder voor zich bij aan onze kennis van het denken en gedrag van de in de kolonie geleefd hebbende mensen. Die sociologische inslag is wezenlijk. Geen lezer ontkomt eraan. En al helemaal niet de onderzoeker. Voor Rob Nieuwenhuys vormde die karaktertrek in feite een cruciaal ‘probleem’ toen hij de Oost-Indische Spiegel schreef. Een probleem dat, gezien zijn persoonlijke interesses en ambities, onoplosbaar bleek. En misschien ook wel onoplosbaar ís. Nieuwenhuys' boek is zodoende - zoals hijzelf achteraf heeft toegegeven - ‘blijven hangen tussen literatuur en sociale geschiedenis’. In een helder en overzichtelijk, zowel bijval als tegenspraak uitlokkend, artikel uit 19974 schrijft Olf Praamstra:‘[...] in het voetspoor van Nieuwenhuys heeft deze literatuursociologische benaderingswijze in de studie van de Indische letterkunde onevenredig veel aandacht gekregen.’ Ik geloof helemaal niet dat het hier gaat om ‘in het voetspoor van’ of ‘door de invloed van’ of desnoods ‘vanuit de school van’. We hebben hier, zoals ik al opmerkte, te doen met een zo evidente karakteristiek, dat een ieder die zich op dit terrein begeeft er onmiddellijk mee wordt geconfronteerd. En dus denk ik ook niet dat aan die sociologische aspecten onevenredig veel aandacht wordt gegeven. Ze zijn wezenlijk, essentieel. Dit verklaart ook de bijna vanzelfsprekendheid waarmee Hella Haasse in haar globale bespreking van werk van enkele niet-Nederlandse schrijvers over Indië steeds weer uitkomt bij de sociale dimensies ervan. Hella Haasse heeft het ook niet uitsluitend over literatuur. Al was dat haar opzet wel: men leze haar eerste zin waarin ze spreekt over ‘niet-Nederlandse literatuur’ in relatie tot ‘onze “Indische bellettrie”’. Ze vertelt ons haar leeservaringen aan de hand van Conrad, Somerset Maugham, Baum, noemt ook even de Hongaar Székely, en dan zomaar ineens, vervlochten in haar verhaal, vinden we een paar alinea's over Mrs. Ponder, die Engelse dame die in de jaren dertig over Java reisde en daarover deels ook in het Nederlandse vertaalde - reisboeken schreef. Geen literatuur dus. Maar duidelijk is waarom Hella Haasse Ponders Javanese panorama, misschien onbewust maar in elk geval zonder daar een punt van te maken, opneemt in haar betoog: omdat de door de Engelse reizigster gemaakte kritische opmerkingen over zowel de Europese als de inheemse werkelijkheid zo mooi aansluiten bij wat ze daarover in literaire bronnen vond. Uit wat ik naar voren heb gebracht, trek ik voor mijzelf de volgende conclusies. Ten eerste: ik acht de sociologische aspecten van de over Indië handelende literatuur zo wezenlijk, dat bij de bestudering van de Indisch-Nederlandse letterkunde aandacht voor het ‘Indische’ werk van niet-Nederlandse auteurs niet mag ontbreken; en zeker niet mag ontbreken wanneer (en dat nu blijkt vaak het geval!) in dat werk sprake is van

Indische Letteren. Jaargang 14

78 een ten opzichte van de Indisch-Nederlandse bellettrie aanvullende, contrasterende en corrigerende beeldvorming. Ten tweede: het feit dat vaak niet specifiek-literaire teksten, zoals dagboeken, brieven en reisgeschriften, uiterst waardevolle informatie bevatten met betrekking tot Indië's sociale geschiedenis, maakt het wenselijk die teksten, dus ook die van niet-Nederlandse auteurs, bij literatuursociologisch gericht onderzoek te betrekken. Bij deze conclusies hoort een kanttekening: het is allerminst mijn bedoeling die Indisch-Nederlandse, Indisch-Engelse, Indisch-Hongaarse, Indisch-Duitse of wat voor andere Indische letteren zich nog in de toekomst zullen aandienen door één trechter te laten glijden, ze tot één literatuurgeschiedenis te smeden. Integendeel zelfs. Conrad en Somerset Maugham horen tot de Engelse, Székely en Zboray tot de Hongaarse, en die 79 door Van Gelder bijeengebrachte reisgeschriften tot de Duitse letteren. Maar we kunnen ze op een gegeven moment uitstekend gebruiken. Onderscheiden van de in het Nederlands geschreven teksten, weloverwogen en degelijk verantwoord in de keuze ervan; dat spreekt vanzelf. En in een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse letterkunde kunnen ze opgenomen worden als evenzovele subcategorieën. We incorporeren die letteren dus niet in de Indisch-Nederlandse, maar we hebben ze wel in de buurt. En we koesteren ze.

Eindnoten: 1 2 3 Roelof van Gelder, Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). Nijmegen, 1997. 4 Olf Praamstra, ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 113, 3 (1997), p. 257-274.

Indische Letteren. Jaargang 14

79

‘Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint’ Over genres in de Indische literatuur Peter van Zonneveld Wanneer Godfried Bomans ergens een lezing moest houden, kon het wel voorkomen dat hij tijdens het inleidend woord van de voorzitter zijn enorme tas op het spreekgestoelte tilde en daaruit ten aanschouwe van het publiek onverstoorbaar de inhoud begon uit te stallen: een pijp, een bundel papieren, een fietspompje, een wekker, een boek en nog veel meer, om dan ten slotte een gestreepte pyjama op te diepen, peinzend de zaal in te kijken en te zeggen: ‘Men weet maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint.’1 Grenzen zijn moeilijk vast te stellen. Dat geldt ook voor de Indische literatuur. Wat hoort er wel bij, en wat niet? Het heeft iets overzichtelijks om het domein scherp af te bakenen, maar dat gaat altijd ten koste van iets anders, dat buiten de definitie valt maar toch van betekenis kan zijn. Olf Praamstra heeft met zijn artikel ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde’ een waardevolle bijdrage geleverd aan de discussie.2 Wie zich, zoals hij, echter beperkt tot de periode 1800-1942, de persoonlijke ervaring als absolute voorwaarde stelt en alleen proza, poëzie en toneel wil bestuderen, is weliswaar glashelder, maar gooit met het pre- en postkoloniale badwater toch ook veel belangwekkende geesteskinderen overboord. Daarom zou ik vooral willen pleiten voor een ruime opvatting van het onderzoeksgebied. Wat mij betreft horen zowel de VOC-periode als de postkoloniale tijd erbij (inclusief de tweede en derde generatie). Persoonlijke ervaring met de koloniale samenleving is geen voorwaarde; ook schrijvers die Indië nooit gekend hebben leverden en leveren een bijdrage aan de beeldvorming. Wat de genres betreft stel ik mij, zoals zal blijken, ruimhartig op. Enkele restricties wil ik echter wel maken. Het moet om in het Nederlands geschreven teksten gaan; anderstalige of vertaalde teksten over Indië, hoe interessant ook, behoren nu eenmaal niet tot de Indisch-Nederlandse literatuur, al staan ze er wel dichtbij. Ook boeken over het huidige Indonesië kunnen van belang zijn, al ben ik nu wel van mening dat er een duidelijke relatie met het koloniale verleden dient te zijn.

Indische Letteren. Jaargang 14

80 Het zal overigens niet meevallen om Nederlandse boeken over Indonesië te vinden waar die relatie geheel afwezig is. Beschouwingen over het domein van de Indische letteren beginnen steevast met enkele zinsneden over de Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys. In dit in 1972 verschenen standaardwerk is de Indisch-Nederlandse literatuur voor het eerst behandeld als een afzonderlijk territorium, met een eigen karakter.3 Nieuwenhuys heeft als het ware een nieuwe academische discipline gegrondvest, met een eigen, zij het vooralsnog denkbeeldige leerstoel. In de meeste gevallen krijgt de nestor in de genoemde beschouwingen een al dan niet met smaak vervaardigde lauwerkrans omgehangen, waarna men doorgaans snel overgaat tot het zagen aan zijn stoelpoten. De kritiek richt zich vooral op de uitgangspunten zoals die in zijn inleiding zijn geformuleerd. ‘Wie na de Nederlandse letterkunde de Indisch-Nederlandse letterkunde in studie neemt komt een nieuwe wereld binnen.’4 Zo begint Rob Nieuwenhuys zijn boek over ‘Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden’, zoals de ondertitel luidt. Het nieuwe heeft alles te maken met de koloniale samenleving, die sterk afwijkt van de maatschappij in het moederland. ‘Alleen door de Indisch-Nederlandse letterkunde in verband te brengen met het wisselend maatschappijbeeld, kunnen we haar interpreteren en iets begrijpen van de Indische schrijver’, zegt hij even verder.5 In die samenleving is voor letterkundigen eigenlijk geen plaats. Dat zou verklaren waarom de Indische letterkunde zich bedient van ‘andere onderwerpen en thema's en andere verschijningsvormen dan de moederlandse’.6 Als de onderzoeker uit wil gaan van literaire genres als ‘het verhaal, de novelle of de roman zal hij merken dat ze langs lijnen van geleidelijkheid overgaan in de memoire, het dagboek, de brief, het feuilleton, de brochure of het pamflet’.7 Voor Nieuwenhuys bestaat de Indische literatuur dus uit literaire en niet-literaire genres. Ook de jeugdliteratuur en de populaire literatuur hebben in belangrijke mate tot de beeldvorming over Indië bijgedragen; daarom heb ik er in 1992 voor gepleit, ook die genres in de geschiedschrijving van de Indische literatuur enige aandacht te geven.8 Siegfried Huigen wil zelfs alle koloniale teksten in het onderzoek betrekken.9 Zover zou ik niet willen gaan; ik ben het met Praamstra eens wanneer hij opmerkt, dat er dan van literatuurgeschiedenis geen sprake meer is.10 Maar Praamstra wil, zoals gezegd, het corpus beperken tot wat hij noemt de typisch literaire genres: poëzie, verhalend proza en toneel, bedoeld voor volwassen lezers. Dat is de klok wel heel erg terugdraaien. Het standpunt dat hij inneemt, dwingt hem een slechte roman te verkiezen boven een goed geschreven egodocument, de treurig stemmende draken van mevrouw Renes-Boldingh boven de schitterende brieven van Walraven. Praamstra wil een uitzondering maken voor auteurs die ook literair

Indische Letteren. Jaargang 14

81 werk hebben gepubliceerd; hun kinderboeken en egodocumenten mogen dan weer wel meedoen. Voor Walraven is er dan misschien nog enige hoop, want gelukkig heeft die ook nog een paar schitterende verhalen geschreven. Het wekt overigens wel verbazing dat Praamstra in een artikel waarin hij beweert dat het literair-historisch onaanvaardbaar is om de esthetische aspecten te veronachtzamen, zoals de literatuursociologen doen, zelf geen problemen heeft met de vaststelling dat bij zijn keuze voor literaire genres esthetische criteria verder geen rol hebben gespeeld. Als het maar een roman, verhaal of toneelstuk is - de kwaliteit doet dan verder niet terzake. De studie van de jeugdliteratuur is vooral de laatste jaren tot bloei gekomen. Ook op het terrein van de Indische literatuur is in dit opzicht het een en ander gebeurd. Gerard Brantas heeft al in 1988 op het belang van dit genre gewezen.11 Toen in januari 1992 de geannoteerde bibliografie van jeugdboeken over Nederlands-Indië en Indonesië verscheen, samengesteld door Dorothée Buur, organiseerde de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde een symposium over dit onderwerp, waarvan de lezingen werden gepubliceerd in een dubbelnummer van Indische Letteren.12 Nadien is bij de vakgroep Nederlands in Leiden door studenten een oriënterend onderzoek verricht naar Indische jeugdboeken uit de periode 1825-1995.13 Uit dit alles bleek hoe interessant dit genre is voor wie zich verdiept in de beeldvoming over Indië. Het zou dus onverstandig zijn om dit genre buiten de deur te houden. Op het genre van de populaire literatuur wil ik iets uitgebreider ingaan. Ook naar dit onderwerp is door Leidse studenten in het kader van mijn colleges een oriënterend onderzoek verricht.14 Bij populaire literatuur dachten we in eerste instantie aan avonturenromans, detectives, liefdesromans, spionageromans, oorlogsromans en andere fictie die niet tot de canon van de Indische literatuur behoort. De canon zou dan gevormd worden door het werk van auteurs die door Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel positief zijn besproken, aangevuld met auteurs van de tweede generatie en enkele anderen. Onnodig te zeggen dat het hier voor ons om een praktische keuze ging, en geen principiële. Populaire Indische literatuur was voor ons fictioneel proza over Indië uit de negentiende en twintigste eeuw dat niet tot de canon behoort en ook niet tot de jeugdliteratuur. We gingen uit van de hypothese dat bij populaire Indische literatuur de koloniale samenleving niet ter discussie zou staan, maar slechts diende als decor voor de ontluikende liefde en het spannende avontuur. Maar natuurlijk zou er wel degelijk een beeld van die samenleving worden gegeven. Een eerste onderzoek leverde ongeveer honderdvijftig titels op, waarvan er een honderdtal is geanalyseerd. De resultaten worden nog nader uitgewerkt, maar een aantal conclusies wil ik hier alvast met een paar voorbeelden illustreren. De meeste boeken spelen zich - het zal niemand verbazen - af in de Europese

Indische Letteren. Jaargang 14

82

Folder van uitgeverij Callenbach, Nijkerk (1949).

Indische Letteren. Jaargang 14

83 gemeenschap, waarbij de inheemse bevolking slechts als huispersoneel fungeert. Opmerkelijk is een aantal boeken met een Aziatische hoofdpersoon. Zo publiceerde S. Franke niet alleen een historische roman over een Chinees meisje in het Batavia van de achttiende eeuw, getiteld Fa (1947), maar ook Njai Sarina (1947), het levensverhaal van een Javaans meisje. Aanvankelijk dient zij als njai bij verschillende Europeanen om later, wanneer haar charmes zijn afgenomen, met een oude Javaan te trouwen. De sympathie van de verteller ligt heel duidelijk bij zijn hoofdpersoon, die haar hele leven een ondergeschikte positie inneemt. Wanneer zij huishoudster wordt van een Europese dokter, heet het: Ze is zijn vrouw en tegelijk zijn trouwe hond, die een hele dag geduldig wacht tot hij komt, om hem, wanneer hij er eindelijk is, met vreugde in de toegewijde ogen, te begroeten. Wanneer hij een zwijgzame bui heeft, zit ze stil op haar matje te wachten tot hij haar aan zal spreken en wanneer hij vrolijk is, glanzen haar ogen. Werkt hij, dan doet ze evenzo, op haar eigen manier. Ze batikt een kain of stopt zijn sokken, en als het eens gebeurt, dat iemand op bezoek komt, dan verdwijnt ze geruisloos, zonder misschien te voelen, dat daar toch een belediging voor haar opgesloten ligt.15 Met die laatste formulering getuigt de verteller zowel van zijn mededogen als van zijn twijfel om haar werkelijk te doorgronden. Dat wijkt nogal af van de wijze waarop de inheemse vrouw doorgaans wordt afgebeeld. Voor de christelijke personages in het werk van mevrouw Renes-Boldingh zijn zulke vrouwen vooral gevaarlijk. Wanneer in De ongeschreven roman (1949) dokter Diederik naar het binnenland vertrekt, denkt zijn Hollandse echtgenote met smart: Diederik in de broeiende, zinnenprikkelende wildernis, zonder zijn eigen vrouw, maar met dozijnen katachtig wellustige, gewillige inlandsen om zich heen!16 In de Indische populaire literatuur blijken, net als in de jeugdliteratuur, de christelijke romans een belangrijke rol te spelen. Een ander genre dat de aandacht trekt is dat van de avonturenromans, waarin de gevaren van de tropen nog eens extra worden aangedikt, maar waarin toch ook allerhande visies op het koloniale gebeuren worden gegeven. Mooie voorbeelden zijn te vinden in het werk van de veelschrijver Anthony van Kampen, wiens boeken over Nieuw-Guinea in de jaren vijftig en zestig grote oplagen bereikten. Zo wordt in Jungle Pimpernel (1949) de kersverse bestuursambtenaar Jan ter Poorten, die

Indische Letteren. Jaargang 14

84 in Leiden Indologie heeft gestudeerd, in de voormalige strafkolonie Boven-Digoel door zijn chef met een hartelijke toespraak ontvangen: Gezag...! bestuur...! het is om te gillen, man... Hier is alleen maar schijngezag en schijnbestuur. En dacht je dat die bloedhonden daarboven [de Papoea's] zoiets niet doorkregen? [...] Wat hebben we hier behalve een verschoten vlag en een oud kreng van een machinegeweer? Daarmee moeten we dus gezag uitoefenen! Voor boven-Digoel zijn ze in Batavia niet thuis en in Den Haag weten ze niet eens waar het op de kaart ligt. Man... we zitten hier toch op een stràfplaats! We zitten ons hier te verdommen. We sloven ons uit, maar waarvóór! Geen sterveling is je er dankbaar voor. Dacht je nou werkelijk, ter Poorten, dat een vent op Java of in Holland jou of mij en 't hele BB erkentelijk is? Laat me niet lachen! Wij bestaan voor die heren niet. En we zullen voor hen nooit bestaan. Je bent alleen maar een post van hun begroting, die tòch alleen maar debetposten heeft. Jij... met je mooie papieren van Leiden... jij, meneer de indoloog? Man, was klerk geworden op een raadhuis! Dat was duizendmaal verstandiger geweest dan je hier te komen begraven. Op Nieuw Guinea...! mijn God... jongen... wat moet jij grenzenloos stom zijn geweest om dat te doen!17 Uit dit voorbeeld, dat met vele andere is aan te vullen, blijkt dat onze hypothese niet opgaat: de koloniale samenleving wordt ook in de populaire literatuur wel degelijk ter discussie gesteld. Ook hier geldt dus dat het jammer zou zijn om zulke boeken buiten beschouwing te laten. Dat gaat eveneens op voor de derde groep teksten die ik hier ter sprake wil brengen. Naast jeugdliteratuur en populaire literatuur kunnen ook egodocumenten waardevolle informatie verschaffen over het leven in Indië en de verschillende visies daarop. Velen hebben zich geroepen gevoeld hun ervaringen in de kolonie op schrift te stellen, hetzij in de vorm van een dagboek, hetzij in brieven of memoires. Ook hier zijn de grenzen vaag: veel romans over Indië zijn in feite als verkapte egodocumenten te beschouwen. Zoals Nieuwenhuys al zei: het ene genre ontwikkelde zich uit het andere langs lijnen van geleidelijkheid. Ook egodocumenten zijn recentelijk onderwerp geweest van een oriënterend onderzoek door studenten, die in het voorjaar van 1998 ongeveer zeventig dagboeken, memoires en brievenbundels hebben bestudeerd. Het is hier niet de plaats om de resultaten daarvan weer te geven.18 Slechts een paar opmerkingen hierover, die duidelijk moeten maken welk belang dit genre voor de Indische literatuur kan hebben. J. van Baal publiceerde in 1986 en 1989 onder de titel Ontglipt verleden zijn tweedelige memoires, die vooral betrekking hebben op zijn ervaringen als bestuursambtenaar in het Indië van voor de oorlog en het Nieuw-

Indische Letteren. Jaargang 14

85 Guinea van de jaren vijftig.19 Hij lardeerde zijn nogal feitelijk relaas met een groot aantal anekdoten, waarvan sommige veelzeggend zijn. Zo maakte hij in 1937 als controleur te Merauke in gezelschap van de Australische Miss Ponder, de auteur van Java Pageant (1934), een tochtje te paard op zijn hengst Piet. Onderweg werd diens aandacht getrokken door een uitdagende merrie, met het gevolg dat Van Baal zijn rijdier slechts met de grootst mogelijke moeite in bedwang kon houden: ‘Het had een haar gescheeld of ik had bovenop Piet de merrie helpen dekken. Ik zou er een naam door opgelopen hebben die ik van mijn levensdagen in Merauke niet meer was kwijt geraakt. Aan zulke misselijke toevallen kan je reputatie hangen!’20 Zulke anekdoten zeggen meer over de positie van de koloniale bestuursambtenaar dan een archiefkast vol ambtelijke stukken. Voor de beeldvorming of, zo men wil, de representatie van de kolonie, zijn zulke memoires daarom van groot belang. De grenzen zijn vaag. Men moet niet uit het oog verliezen dat egodocumenten niet altijd een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld van de historische werkelijkheid willen oproepen. Ook zij kunnen fictieve elementen bevatten, al dan niet bewust door de auteur aangebracht. In een terugblik is altijd sprake van een zekere vertekening. Historici, antropologen en sociologen mogen ze dus niet zonder meer als een betrouwbare bronnen beschouwen, maar dienen steeds bedacht te zijn op literaire manipulaties. Rob Nieuwenhuys, die zijn herinneringen aan de Japanse tijd vastlegde in Een beetje oorlog, blijkt zich van deze vertekening zeer bewust. Niet voor niets koos hij als motto: ‘A writer must be an untrustworthy, mendacious fellow who can teil a good falsehood and make it stick’, een uitspraak van John P. Marquand. In zijn voorwoord schrijft hij: Mijn herinneringen zijn verhalen geworden die natuurlijk dicht bij de werkelijke gebeurtenissen staan, maar die toch de authentieke werkelijkheid niet meer zijn. Zodra je schrijft, gaat het verhaal z'n eisen stellen en je wordt in een bepaalde richting gedreven. Ik heb met de werkelijkheid gemanipuleerd en tegelijk heb ik deze met alle mij ten dienste staande middelen naar me toe gehaald door bijvoorbeeld data en feiten te noemen of me opzettelijk iets te herinneren of door de werkelijke namen te gebruiken, vooral van mijn intimi. Maar dat is eigenlijk ook een vorm van manipuleren geweest. Je ontkomt als verteller of schrijver nooit aan de leugen. Ik moet dit in het kamp al geweten hebben, want ik bezit nog een onooglijk velletje Japans wc-papier waarop het citaat staat dat ik als motto voor dit boekje heb gekozen. Is wat in deze stukjes staat dan niet waar gebeurd? Meestal wel, soms niet, maar de grenzen zijn vaag. Toch staat hier niets in wat niet waar is en al zijn de dingen vaak anders of helemaal

Indische Letteren. Jaargang 14

86 niet gebeurd, ze hadden precies zo gebeurd kunnen zijn. De waarheid ligt niet in de werkelijkheid, maar in het verhaal.21 In dit verband is het opmerkelijk dat L. de Jong in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog onbekommerd gebruikmaakt van egodocumenten als Een beetje oorlog, zonder dat hij zich rekenschap lijkt te geven van het feit dat hij een ‘mendacious fellow’ aan het woord laat.22 Nog een laatste opmerking. Wie de jaargangen van Indische Letteren doorbladert, kan vaststellen dat de redactie in de praktijk een ruime definitie van de Indische literatuur hanteert: bijdragen over de VOC en over de tweede generatie, speciale nummers gewijd aan jeugdliteratuur en egodocumenten, artikelen over schrijvers die Indië niet uit eigen ervaring kennen. Br is aandacht besteed aan Pramoedya Ananta Toer en aan andere buitenlandse auteurs. Er is ruimte geboden aan verschillende benaderingswijzen, aan verschillende vormen van literatuurgeschiedschrijving, zowel nationaal als internationaal. De grenzen zijn vaag, en dat is maar goed ook. Men weet immers maar nooit waar de avond eindigt en de nacht begint.

Bibliografie Baal, J. van. Ontglipt verleden. Verhaal van mijn jaren in een wereld die voorbijging. Deel I. Franeker, 1986. Baal, J. van. Ontglipt verleden. Verhaal van mijn jaren in een wereld die voorbijging. Deel II. Franeker, 1989. Brantas, Gerard. ‘“Het staat er allemaal in”. Indische jeugdboeken vertellen over de Indische samenleving’. In: Reggie Baay en Peter van Zonneveld (red.): Indisch-Nederlandse literatuur. Dertien bijdragen voor Rob Nieuwenhuys. Utrecht, 1988, p. 278-305. Brouwers, Jeroen. De wereld van Godfried Bomans. Amsterdam/Antwerpen, 1998. Buur, Dorothée. Indische jeugdliteratuur. Geannoteerde bibliografie van jeugdboeken over Nederlands-Indië en Indonesië. Leiden, 1992. Dumas-Knijn, Rietje E. Indische egodocumenten. Een eerste inventarisatie. [Doctoraalscriptie]. Leiden, 1999.

Indische Letteren. Jaargang 14

87 Franke, S. Njai Sarina. Amsterdam, [1947]. Groesbeek, Karen. In de ban van de tropen. Populair-Indische literatuur 1870-1992. [Doctoraalscriptie]. Leiden, 1998. Huigen, Siegfried. ‘De representatie van de kolonie. Enkele gedachten over het onderzoek van koloniale teksten’. In: Indische Letteren 10 (1995), p: 175-183. Jong, L. de. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 11a, tweede helft. 's-Gravenhage, 1984. Kampen, Anthony van. Jungle Pimpernel. In: Jungle. Hilversum, 1958. Metten, Tamara. Van Bontekoe tot Rubberpap met geiteblaren. De geschiedenis van de Indisch-Nederlandse jeugdliteratuur in kort bestek. [Doctoraalscriptie]. Leiden, 1995. Nieuwenhuys, Rob. Oost-Indische Spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden. Derde druk. Amsterdam, 1978. Nieuwenhuys, Rob. Een beetje oorlog. Amsterdam, 1979. Praamstra, Olf. ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal en letterkunde 113 (1997), p. 257-274. Renes-Boldingh, M.A.M. De ongeschreven roman. Nijkerk, [1949]. Zonneveld, Peter van. ‘De geschiedschrijving van de Indisch-Nederlandse literatuur uit de negentiende en twintigste eeuw’. In: Indische Letteren 7 (1992), p. 187-194.

Eindnoten: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21

Brouwers 1998, p. 31-32. Praamstra 1997. Het boek werd herdrukt in 1973; de derde, bijgewerkte en herziene druk verscheen in 1978. Nieuwenhuys 1978, p. 11. Nieuwenhuys 1978, p. 13. Nieuwenhuys 1978, p. 13. Nieuwenhuys 1978, p. 11. Van Zonneveld 1992. Huigen 1995. Praamstra 1997, p. 260. Brantas 1988. Buur 1992; Indische Letteren 7, 1-2 (1992). Een samenvatting en uitwerking van de resultaten is te vinden in Metten 1995. Zie voor een eerste inventarisatie Groesbeek 1998. Franke 1947, p. 107. Renes-Boldingh 1949, p. 154. Van Kampen 1958, p. 20. Zie voor een eerste inventarisatie Dumas-Knijn 1999. Van Baal 1986 en 1989. Van Baal 1986, p. 255. Nieuwenhuys 1979, p. 9-10.

Indische Letteren. Jaargang 14

22 L. de Jong 1984, p. 989.

Indische Letteren. Jaargang 14

88

Grensoverschrijdingen Siegfried Huigen Opvallend aan de Indische letterkunde is dat de meeste, bekende werken in Nederland zijn geschreven, uitgegeven en gelezen. De literatuur die in de kolonie werd geschreven, had veel minder te betekenen. Nieuwenhuys was dicht bij de waarheid met de ondertitel van zijn Oost-Indische Spiegel: ‘wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden’. Natuurlijk is die term ‘Indonesië’ een anachronisme, ook omdat ‘Indië’ tot 1800 het hele octrooigebied van de VOC dekte en niet alleen het gebied dat op de achterkant van Indische Letteren staat afgebeeld. Maar Nieuwenhuys had gelijk om de Indische literatuur als een Nederlands verschijnsel aan te merken. Toch zaait hij in de eerste bladzijden van de Oost-Indische Spiegel verwarring, wanneer hij eigenaardigheden van de Indische letterkunde wil verklaren uit culturele omstandigheden die in Indië heersten. De in Nederland hoofdzakelijk door Nederlanders en voor Nederlanders geschreven Indische literatuur ontleende volgens hem haar eigenschappen vreemd genoeg aan het Indische roddelcircuit. Daarmee wordt de suggestie gewekt dat de Indische letterkunde haar oorsprong vindt in de kolonie. Omdat Nieuwenhuys zo'n sterk stempel op de studie van Indische letterkunde heeft gedrukt, worden ook nu nog representatie (literatuur) en gerepresenteerde werkelijkheid (Indië) in de studie van Indische letterkunde voortdurend met elkaar verward. Hoewel de Indische geschriften overwegend van de koude grond afkomstig zijn, worden ze als exotische gerechten opgediend. Ook een ander probleem bij de studie van Indische letterkunde vindt zijn oorsprong bij Nieuwenhuys: de gedachte dat Indische letterkunde een niet-literaire letterkunde zou zijn. In zijn literatuurgeschiedenis hinkt Nieuwenhuys op twee gedachten. Hij is in beginsel geïnteresseerd in alles wat er over Nederlands-Indië is geschreven, maar zijn geweten als neerlandicus stelt hem daarbij voor problemen. Neerlandici mogen zich niet bezighouden met teksten die niet literair zijn. Ze overtreden anders een gebod binnen hun discipline (dat voor pre-moderne perio-

Indische Letteren. Jaargang 14

89 den overigens wel wordt losgelaten). Om de twee verlangens in zijn borst met elkaar te verzoenen vindt Nieuwenhuys de oplossing in een uitbreiding van het domein van het literaire. Natuurwetenschappers, journaalhouders en geografen worden zo de literatuur binnengehaald, omdat ze goeie vertellers zouden zijn en en passant levert dit ook nog een mooie eigenaardigheid op voor de Indische letterkunde: in tegenstelling tot de Nederlandse letterkunde is deze literatuur immers erg onliterair. Deze techniek vind je ook nog terug bij Beekman. Beekman monteert een literaire lijst om gebruiksteksten door ze te verbinden met literaire en literair-filosofische werken uit de wereldliteratuur om ze op die manier een plaatsje te kunnen geven in de eregalerij van de Indische literatuur.1 Het is hoog tijd om helderheid te bereiken over het studieterrein van de Indische letterkunde. Allereerst moet worden vastgesteld wat het literaire circuit in de kolonie behelsde. Wat werd er nu eigenlijk in Nederlands-Indië geschreven, gedrukt, gerecenseerd en gelezen (het literaire circuit) en hoe verhield zich dit tot de productie in het moederland? Deze Indische letterkunde is nooit tot volle wasdom gekomen, zoals dat wel in Zuid-Afrika gebeurd is met de Afrikaanstalige letterkunde. Een beschrijving van dit circuit in de kolonie zal in elk geval een heel andere geschiedenis opleveren dan die Nieuwenhuys en Beekman nu geven. Bij het tweede punt wil ik langer stilstaan: de kwestie of je het studieterrein moet beperken tot literaire teksten. Wanneer men onder Indische letterkunde verstaat wat Nederlandse schrijvers over Nederlands-Indië geschreven hebben, dan is het onderwerp van de teksten de samenbindende factor. Er is geen reden om daarbij ook de beperking te laten gelden dat die teksten literair moeten zijn. Indië is een gebied, waarover op allerlei manieren geschreven is. Om één verzameling teksten (literatuur) daaruit los te maken is kunstmatig, want Indische literatuur in al haar vormen is zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw voornamelijk geografische literatuur die aan de inwoners van het moederland een beeld wilde geven van het leven in de verre kolonie. De esthetische functie stond niet voorop. Dat zo'n criterium (alleen literatuur behoort tot het studieterrein) kunstmatig is, laat zich afleiden uit het receptieonderzoek dat naar Indische letterkunde is gedaan.2 Het viel me op hoezeer typisch literaire vormen, zoals romans, om niet-literaire redenen werden gelezen. Kenmerkend is een uitspraak van een recensent uit 1887: ‘Men zegt wel eens dat wij Hollanders zo weinig weten van Indische toestanden, maar als dat waar is, dan ligt de schuld toch zeker niet in onze letterkunde, of in onze schrijvers en schrijfsters, want die hebben ons al zooveel tafereelen uit het schone Insulinde geschonken.’3 Voor de laat-negen-tiende-eeuwse lezer kon een roman even goed een bron van inlichting

Indische Letteren. Jaargang 14

90

De eerste schipvaart om de Zuid, 1595. Aquarel van J.W. Heijting.

Indische Letteren. Jaargang 14

91 zijn als een geografische verhandeling. En was het niet zo dat de Max Havelaar meeging in de hutkoffer van ethische ambtenaren? Ze zullen het boek niet hebben meegenomen als het alleen een mooi verhaal was. Havelaar was voor hen een navolgenswaardig model. Ik vermoed dat er pas in de loop van de twintigste eeuw een verschuiving in de leeshouding is opgetreden bij het lezen van Indische romans, wanneer identiteitsvraagstukken en literaire vormgeving, zoals in Het land van herkomst, belangrijker gaan worden. Een tweede reden om ‘literatuur’ als selectiecriterium te laten vallen is dat daardoor het onderzoek tot nieuwe inzichten kan leiden die bij een beperking tot literaire teksten moeilijker verkregen kunnen worden. Daarom lijkt me het voorstel van Praamstra om de studie voortaan tot teksten te beperken die neerlandici tot de literatuur rekenen een stap terug.4 Het corpus wordt zo op een kunstmatige en zelfs anachronistische manier (zie boven) afgeschermd van wat er verder geschreven is. Dat laatste mag hooguit nog een dienende rol als context spelen. Opheffing van de belemmering om alleen literaire teksten te mogen bestuderen zal de weg vrijmaken om grotere vraagstukken in het onderzoek te betrekken. Hetzelfde geldt ook voor het taalcriterium. Het is kunstmatig om je alleen tot Nederlandstalige teksten te beperken. Met name de wetenschappelijke representatie van de buiten-Europese wereld was vanaf het begin een Europese onderneming. Rumphius en Junghuhn waren bijvoorbeeld Duitsers die aanvankelijk in het Duits schreven. Een benadering die zich beperkt tot geschriften in de nationale taal is niet geschikt voor de bestudering van koloniale teksten in verschillende Europese talen die op allerlei manieren met elkaar verweven zijn. Het onderzoek mag niet gehinderd worden door kunstmatige barrières die een discipline zoals de neerlandistiek opwerpt.5 Ik noemde zonet grotere vraagstukken die aandacht moeten krijgen. Het kolonialisme is zo'n vraagstuk. De westerse koloniale expansie is het meest invloedrijke historische proces van de afgelopen vijf eeuwen. Dit proces heeft geleid tot verplaatsing van mensen en ideeën en tot integratie van voorheen geïsoleerde gemeenschappen en economieën in een wereldomspannend geheel. Vergeleken daarmee is zoiets als de Tweede Wereldoorlog in Europa maar een oprisping. Historici hebben traditioneel hoofdzakelijk aandacht gehad voor de economische en politieke aspecten van de koloniale expansie. De culturele aspecten schoten er een beetje bij in. Juist hier kan de tekststudie een bijdrage leveren. De koloniale expansie is immers niet alleen een product van kanonnen en begeerte naar winst, maar ook van representaties. De representaties stuurden in hoge mate het koloniale optreden. Om deze reden is de studie van koloniale representaties ook van groter belang dan die van beeldvorming van buitenlanden waarbij er geen sprake is van koloniale betrekkingen.6 De koloniale banden geven de voorstellingen zo'n

Indische Letteren. Jaargang 14

92 gewicht, omdat de koloniale mogendheid een overwicht had en daardoor in de gelegenheid was de werkelijkheid van de kolonie aan zijn voorstellingen te laten beantwoorden. Daarbij kan van tevoren niet worden uitgemaakt dat een bepaalde categorie voorstellingen (niet-literaire bijvoorbeeld) niet van belang zou zijn of dat literaire teksten los van andere teksten gelezen kunnen worden. Het onderzoek naar koloniale representaties heeft in het buitenland een hoge vlucht genomen, maar heeft nog weinig invloed gehad op de studie van Nederlandse koloniale teksten. Dit buitenlandse onderzoek (colonial discourse analysis) draait niet langer, zoals in de studie van Indische Letterkunde, om biografische en andere meer feitelijke gegevens of de beschrijving van romanstructuren, maar is erop gericht te achterhalen vanuit welke vooronderstellingen representaties van vreemde werelden zijn opgebouwd. Men probeert in (reeksen) teksten patronen te herkennen die herleid kunnen worden tot de aannames die daaraan ten grondslag liggen. Het bekendste voorbeeld van deze benadering is Orientalism (1978) van Edward Said, dat een analyse bevat van de ontwikkeling van de westerse representatie van het Midden-Oosten. Said analyseert een verscheidenheid van literaire en niet-literaire teksten over het Midden-Oosten en probeert te ontdekken welke vooronderstellingen aan deze voorstelling ten grondslag liggen, welke topen steeds terugkeren en hoe de ‘kennis’ van de vreemde wereld gekoppeld is aan macht. Macht blijkt in twee richtingen te werken: de gezaghebbende representatie dwingt de individuele schrijver tot aanpassing aan de heersende opvattingen en verschaft anderzijds ook rechtvaardiging en richting aan het optreden van de koloniale mogendheid. Tekststudie is binnen deze optiek niet meer een esoterische aangelegenheid, maar houdt zich bezig met problemen die het bestaan van miljoenen mensen geraakt hebben en nog steeds beïnvloeden. Deze benadering van koloniale teksten is in de anglistiek de overheersende geworden en heeft ook invloed binnen de culturele antropologie. Het grootste succes ervan is tot nu toe wel dat zij een leeswijze biedt voor koloniale teksten. Je weet waar je naar moet zoeken als je bij aspecten wilt uitkomen die bepalend waren voor de historische rol van die teksten. Daarnaast heeft men ook enkele veel voorkomende topen opgemerkt, zoals het verschijnsel dat exotische volken dikwijks gezien worden als contemporaine voorouders (zij leven in de steentijd), dat men in koloniale teksten graag generaliseert over de anderen of het eenvoudige leven verheerlijkt (primitivisme).7 Een groot gebrek van de meeste Engelstalige studies op dit terrein is echter het ontbreken van historische specificiteit. Het bronnenonderzoek schiet nogal te kort en men is in het algemeen slecht op de hoogte van historische studies over hetzelfde onderwerp. Beperkt bronnenonderzoek leidt tot empirisch onvoldoende onderschraagde generalisaties.8 Daarnaast heeft men de neiging het Britse kolonialisme, vooral

Indische Letteren. Jaargang 14

93 dat uit de negentiende eeuw en met name als het India betreft, als exemplarisch voor het kolonialisme in het algemeen te beschouwen. Op de achtergrond spelen Spanje en Frankrijk en vroegere eeuwen van koloniale expansie nog wel een rol, maar de niet onaanzienlijke Nederlandse bijdrage aan de koloniale tekstproductie is vrijwel onzichtbaar. Er is dus alle reden om deel te nemen aan het internationale debat. Nederland heeft een vooraanstaande rol gespeeld als koloniale mogendheid en er is een omvangrijke verzameling geschriften overgeleverd die hiermee verband houden. Uit mijn eigen onderzoek naar koloniale teksten over Zuid-Afrika is me gebleken dat de Nederlandse koloniale literatuur niet in een Brits keurslijf gewrongen kan worden.9 Men moet zijn eigen benadering zoeken die kan leiden tot verfijningen in de bestaande opvattingen over het functioneren van koloniale representaties. Voorwaarde voor deelname aan het internationale debat is echter dat men zijn onderzoek aanpast en bijvoorbeeld het wankele onderscheid tussen literair en niet-literair laat vallen.

Bibliografie Beekman, E.M. Troubled pleasures. Dutch colonial literature from the East Indies. Oxford: Clarendon Press, 1996. Bel, J. Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900. Amsterdam: Amsterdam Univerity Press, 1993. Huigen, S. ‘De representatie van de kolonie. Enkele gedachten over het onderzoek van koloniale teksten’. In: Indische letteren 10 (1995), p. 175-186. Huigen, S. De Weg naar Monomotapa. Nederlandstalige representaties van geografische, historische en sociale werkelijkheden in Zuid-Afrika. Amsterdam: Amsterdam University Press, 1996. Huigen, S. ‘Travelers to Monomotapa: the representation of Southern Africa by the Dutch in the Seventeenth Century’. In: History and Anthropology 9 (1996), p. 207-230. Huigen, S. ‘Natural history and the representation of South Africa in the Eighteenth Century’. In: Journal of literary studies 14 (1998), p. 67-80. Nieuwenhuys, R. Oost-Indische Spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden. Amsterdam: Querido, 1978. Praamstra, O. ‘De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 113 (1997), p. 257-274. Said, E.W. Orientalism. Harmondsworth: Penguin, 1978.

Indische Letteren. Jaargang 14

94 Siegfried Huigen doceert Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

Eindnoten: 1 Men zie bijvoorbeeld hoe Beekman reisbeschrijvingen tot literatuur verheft met verwijzing naar een arsenaal van literaire namen - zelfs Hadewijch wordt erbij gehaald (Beekman 1996, p. 66-74). Hij doet het ook door de constructie van een oer-literatuur die zich van de ‘lage’ retorische stijl - het genus humile - bedient: ‘[a]lthough literary tradition would not admit them [reisbeschrijvingen] to the canon, the prose of the old captains belongs to a long and distinguished literary tradition, from classical orators to contemporary American prose’ (Beekman 1996, p. 66). 2 Bel 1993, p. 35-38, 121-123, 304-313. 3 Geciteerd in Bel (1993, p. 304). Bel legt overigens geen nadruk op de belangrijke rol van de informatie die in Indische romans verwerkt is. 4 Praamstra 1997. 5 Mijn bezwaar is dat onderscheidingen die niets met het materiaal te maken hebben bijzonder hinderlijk zijn bij het onderzoek van koloniale teksten. Omdat sommige teksten op willekeurige gronden - er is nooit overeenstemming over wat ‘literatuur’ is - als niet-literair worden aangemerkt, kunnen ze voor studie niet in aanmerking komen en kunnen onderzoeksprojecten naar deze teksten binnen de neerlandistiek niet op steun rekenen (ze horen dan zogenaamd thuis bij geschiedenis). Binnen de germanistiek en anglistiek huldigt men overigens al jaren de hier verdedigde ruimere opvatting. 6 Als dit anders was, zou er niet zoveel reden zijn om speciale aandacht te geven aan wat Nederlandse schrijvers over Nederlands-Indië geschreven hebben. Nederlandse schrijvers hebben immers ook veel over Duitsland en Italië geschreven zonder dat dit aanleiding hoeft te zijn tot de oprichting van een werkgroep en een tijdschrift. 7 Voor een meer uitgebreide uiteenzetting van deze benadering en een beknopt onderzoeksprogramma zie: Huigen 1995. 8 Huigen 1998. 9 Huigen 1996.

Indische Letteren. Jaargang 14

95

Indische letteren en het ghetto van de Nederlandse literatuur Jacqueline Bel Wie een definitie wil geven van Indisch-Nederlandse literatuur komt gegarandeerd in de problemen, al was het maar omdat Indië verwijst naar de kolonie die in 1945 met de uitroeping van de Republik Indonesia de facto ophield te bestaan. Aan de andere kant verschijnen er nog steeds zogenoemde Indisch-Nederlandse romans. De purist die alle Indische literatuur voor 1800 en na 1945 buiten beschouwing laat, zorgt dus voor een flinke inperking of amputatie van het materiaal. Degene die de pre- en postkoloniale periode er wel bij betrekt lijkt anachronistisch bezig. Daar komt bij dat de term literatuur al grote verschillen van mening oproept. Opvattingen over wat literatuur is, en zeker ook over wat goede literatuur is, verschuiven in de loop der tijden. Dus wie een term als Indisch-Nederlandse of kortweg Indische literatuur hanteert, zal altijd moeten schipperen. Er kleven bovendien allerlei ongemakkelijke aspecten aan het definiëren van literatuur die gekoppeld wordt aan een aparte regio. Om dit te verduidelijken: ook de vraag of de Vlaamse literatuur bij de Nederlandse hoort of de Oostenrijkse bij de Duitse resulteert vaak in felle discussies.1 Kennelijk levert een aparte definiëring van een dergelijk soort regionale literatuur enerzijds autonomie en een eigen identiteit op en zorgt hij anderzijds voor verbanning en marginalisering. Definities zijn noodzakelijk om de algemene discussie over een onderwerp mogelijk te maken en een Babylonische spraakverwarring te vermijden. Maar (al te strakke) definities kunnen inperkend werken en in de woorden van Henk Maier2 ‘ghettovorming’ bevorderen. Maria Dermoût zou bijvoorbeeld door haar canonisering als Indisch auteur nooit tot de gecanoniseerde Nederlandse literatuur zijn doorgedrongen. Praktisch gezien lijkt een ruime en tolerante omschrijving van het begrip Indische-Nederlandse literatuur mij het meest houdbaar. Aan die beeldvorming is de laatste zeventig jaar ook hard gewerkt. De Indische literatuur is niet in de Nederlandse literatuurgeschiedenis terecht gekomen - de grote handboeken besteden er nagenoeg geen aandacht aan, denk maar aan Knuvelder en recentelijk Anbeek (1990) - maar sinds een

Indische Letteren. Jaargang 14

96 halve eeuw heeft de Indisch-Nederlandse literatuur wel een eigen geschiedenis gekregen. Via Broms Java in onze kunst uit 1931, de activiteiten van Du Perron en later natuurlijk vooral Nieuwenhuys' Oost-Indische Spiegel en de activiteiten van de werkgroep Indische letteren is er een globaal beeld ontstaan van wat Indische literatuur is: een grote groep meer of minder literaire teksten die zowel achttiende-eeuwse scheepsjournalen als postkoloniale Indische romans van de tweede generatie omvat. Er is geschoven met en gemorreld aan de omschrijving van Nieuwenhuys en uiteindelijk bestaat er bij de huidige groep onderzoekers die het tijdschrift Indische Letteren redigeert consensus over wat zij opnemen in hun tijdschrift. De vorming van het beeld van een aparte literatuur - de Indische - heeft wellicht marginaliserend gewerkt, maar aan de andere kant moet gezegd worden dat er op deze manier wel een beeld is ontstaan van een literatuur die anders wellicht geheel buiten beschouwing zou zijn gebleven. Als algehele omschrijving zou ik daarom de globale definitie willen handhaven waarin zowel scheepsjournalen als postkoloniale romans over Indië een plaats hebben, vooral om het algemene gesprek over Indische literatuur mogelijk te maken en daarbij bovendien te profiteren van de canonisatie van de term. Daar moet echter direct aan worden toegevoegd dat de studie op het gebied van (delen van) de Indische letteren op alle mogelijke manieren moet worden voortgezet en aangevat, ook op manieren die deze basisdefinitie ondergraven en bekritiseren. De Indisch-Nederlandse literatuur moet vanuit zoveel mogelijk invalshoeken worden bestudeerd en in zoveel mogelijk verschillende contexten worden geplaatst. Bijvoorbeeld ook in de context van de Nederlandse koloniale literatuur of van de Europese koloniale literatuur. Ik zal nu twee standpunten aan de orde stellen die misschien niet in de eerste plaats mijn eigen visie op de Indisch-Nederlandse literatuur verwoorden, maar die mijns inziens wel belicht dienen te worden wanneer men de omschrijving van Indisch-Nederlandse letteren ter discussie stelt. En daarmee komen we terecht in de actuele internationale discussie over koloniale en postkoloniale literatuur. In 1814 verscheen Mansfield Park, een roman van de Engelse schrijfster Jane Austen. In dit boek vertelt de auteur hoe haar heldin Fanny Price, zelf afkomstig uit een weinig gefortuneerd gezin, opgroeit bij haar oom en tante Bertram op het Engelse buiten Mansfield Park. Hoewel Fanny aanvankelijk als een buitenbeentje wordt beschouwd, loopt het toch goed met haar af en trouwt ze uiteindelijk met de zoon des huizes. Het boek is om verschillende redenen interessant, in dit verband vooral omdat het, onder meer door Edward Said, in een koloniaal perspectief is geplaatst.3 Dat is verrassend omdat het boek gaat over

Indische Letteren. Jaargang 14

97 Engelse mensen en zich uitsluitend afspeelt in Engeland, vooral op het Britse landgoed Mansfield Park en niet in de koloniën. Koloniaal is het boek - zo luidt de redenering - omdat de rijkdommen van de familie Bertram alleen in stand gehouden kunnen worden door de plantages die de familie bezit in de West. Naar deze plantages wordt in de vuistdikke roman slechts een paar keer met een enkele zin verwezen. Wel moet de heer des huizes op een bepaald moment naar de West omdat het tijdelijk niet goed gaat met zijn bezittingen, maar details over reis of verblijf komt de lezer niet te weten. Wat heeft dit alles nu te maken heeft met het probleem van de definitie van Indische letteren? De roman Mansfield Park wordt door Said geïnterpreteerd vanuit een onverwachte invalshoek, een ogenschijnlijk detail, dat tegelijk een geheel nieuw perspectief werpt op het boek en de roman ook in een andere classificatie terecht doet komen: een niet-koloniale roman wordt op die manier een koloniale roman. Hoewel het hier om een Engels en een West-Indisch voorbeeld gaat, is deze vorm van interpretatie ook direct toepasbaar op de Indisch-Nederlandse situatie. Henk Maier heeft bijvoorbeeld al een poging gewaagd om de ‘gewone’, dat wil zeggen niet als koloniaal gemarkeerde, Nederlandse literatuur vanuit een Indisch perspectief te belichten.4 Anders dan het Engelse voorbeeld dat ik hier heb gegeven, is zijn interpretatie helemaal niet politiek geladen. Bij hem blijkt Indië te staan voor het onderbewuste, de chaos, het ondermijnende. Dit illustreert hij aan Bordewijk, een gecanoniseerd auteur die in principe nooit in verband wordt gebracht met koloniale literatuur. Een aantal van diens verhalen bevatten Indische details. Indië wordt bij Bordewijk, en dan volgens Maier vooral in de roman Rood Paleis, geassocieerd met zonderlinge mensen en angstaanjagende zaken, met driften en angsten. Indië is een deel van het onderbewuste van de beschaafde Hollandse maatschappij. Een van de hoofdpersonen heeft een Indische achtergrond en vanuit dit ogenschijnlijk onbelangrijke gegeven interpreteert Maier Rood Paleis als Indische roman. Dit uitgangspunt heeft uiteraard duidelijke consequenties voor de definitie van de Indisch-Nederlandse letteren: bijna de gehele Nederlandse literatuur zou vanuit deze optiek als een voorbeeld van Indisch-Nederlandse letteren gezien kunnen worden. Indische en Nederlandse literatuur vallen op die manier nagenoeg samen. Hoewel men zich kan afvragen of dit uitgangspunt een praktisch bruikbare bijdrage levert aan de discussie over de Indische literatuur - het nut van de afbakening valt immers weg - is deze invalshoek interessant omdat er zowel een verfrissend nieuwe kijk op de Indische als op de Nederlandse letteren wordt gegeven. De teksten worden opnieuw gelezen vanuit een koloniaal perspectief en dat levert nieuwe visies op. Bovendien wordt de Indische literatuur door deze benadering uit zijn geïsoleerde positie gehaald.

Indische Letteren. Jaargang 14

98

Indische Letteren. Jaargang 14

99

Indo De internationale discussie over koloniale en postkoloniale literatuur is over het algemeen politiek geladen. In Nederland is daar niet altijd even veel van te merken. Toch is er een omschrijving van Indische literatuur denkbaar die in dit perspectief past. En daarmee kom ik op de tweede afwijkende definitie van Indisch-Nederlandse literatuur die ik aan de orde wil stellen - Indische literatuur als literatuur geschreven door Indische mensen - voor de duidelijkheid: ‘Indo's’. Deze definitie past in het kader van de publicatie van Bill Ashcroft et alii: The Empire Writes Back5 (1989). De titel verwijst naar een essay van Salman Rushdie: ‘The empire writes back with a vengeance’ waarin hij de Engelse samenleving beschuldigt van racisme.6 In de studie van Ashcroft wordt eveneens een cultuurkritische visie op koloniale literatuur verdedigd en wordt de ‘tegenstem’ belicht: het gaat niet om de koloniale literatuur, maar om de literatuur van de (voorheen) gekoloniseerde, die hier - en dat is wellicht verwarrend - postkoloniale literatuur wordt genoemd. De ‘onderdrukte’ spreekt of schrijft terug. In sommige gevallen wordt een klassieke koloniale roman op postkoloniale wijze kritisch herschreven. Te denken valt aan herschrijvingen van Robinson Crusoe (Foe (1986) van Coetzee of Vendredi ou les limites du Pacifique (1976) van Tournier). Een temporeel-geografische afbakening levert hier niet veel op: de postkoloniale literatuur - de ‘tegenstem’ van de onderdrukte - begint al tijdens de koloniale fase. En deze tegenstem kan zowel uit de voormalige kolonie als uit het koloniale moederland komen. Past men dit perspectief toe op de Nederlands-Indische situatie, dan blijken er nauwelijks Indonesische literaire werken die in dit verband genoemd kunnen worden. In de bundel Weer-werk. Schrijven en terugschrijven in koloniale en postkoloniale literaturen (1996) laat Termorshuizen zien dat Pramoedya Ananta Toer het zogenoemde ‘nyai-motief’ herschrijft in zijn ‘Werken van Buru’ en Van Zonneveld behandelt de Nederlandse roman Buiten het gareel (1940) van de Indonesische schrijfster Djojopoespito. Maar met het concept van The Empire Writes Back kun je volgens hen wat Indonesië betreft nauwelijks uit de voeten. Een andere mogelijkheid, lijkt mij, is in het kader van dit ‘weerwerk’ te kijken naar de literatuur van de groep Indische Nederlanders (Indo's). Het is echter niet onproblematisch om literatuur van deze groep als uitgangspunt te nemen bij het beschrijven van (een deel van) de Indisch-Nederlandse letterkunde. Allereerst komt men hier opnieuw voor het probleem van een definitie te staan - in dit geval: wie is Indisch? Daar kunnen de meningen immers sterk over uiteenlopen. Bovendien heeft de Indische groep - voor zover deze sociologisch gedefinieerd kan worden - een ingewikkeld verleden: zij maakte enerzijds deel uit van de Nederlandse gemeenschap - de kolonisator - en stond in dat opzicht

Indische Letteren. Jaargang 14

100 tegenover de Indonesiër met wie zij door een of meer voorouders ook verbonden was; aan de andere kant vormde zij een eigen groep met een eigen identiteit. Ook vanuit de Indische hoek is de roep om een eigen Indisch-Nederlandse literatuurgeschiedenis te horen. In de studie Uit Indië geboren uit 1989 ventileert Edy Seriese de visie dat de Indische literatuur vanuit een Indisch - (d.w.z. Indo-) standpunt zou moeten worden beschreven. Eerder definieerde zij Indische literatuur als ‘Mestiezen-literatuur’.7 Diezelfde visie klinkt door in de bloemlezing van Alfred Birney Indië in de Nederlandse letteren, die onlangs is verschenen. Zijn bloemlezing geeft een overzicht van de geschiedenis van Nederlands-Indië aan de hand van het verhaal van de ‘mesties, het Indisch kind, de liplap, de sinjo, de nonna, de indo, de Indo-Europeaan, de Indische Nederlander, Indische jongens en meisjes en hoe we ook niet al werden genoemd’. Edy Seriese meent dat de Oost-indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys een mislukte poging is om de geschiedenis van de Indische letteren te schrijven, mede omdat de Spiegel te weinig sporen draagt van de Indische cultuur. Ze noemt het boek koloniaal omdat het teveel vanuit een Nederlandse invalshoek is geschreven. De naoorlogse Indische generatie moest haar plaats bepalen in de postkoloniale Nederlandse samenleving, wilde weten wie ze was, wie haar voorouders waren. De koloniale geschiedschrijving gaf op dit soort vragen geen antwoorden. Vandaar dat de roep begon te klinken om een alternatieve Indische geschiedschrijving en - zo voeg ik daar aan toe - om een eigen Indische literatuurgeschiedenis. Seriese noemt Tjalie Robinson de belangrijkste voorvechter van de Indische cultuur. Zijn visie op het Indische bestaan werd bepaald door de wijze waarop Indische mensen in zijn tijd moesten overleven, beklemd tussen twee culturen. Die situatie bestaat niet meer, aldus Seriese. ‘Nieuwe generaties zullen de essentie van het Indische dus in andere beelden uitdrukken dan in de motorrijders en jagers van Tjalie Robinson’.8 Indisch-Nederlandse literatuur, het hele complex teksten van prekoloniaal via koloniaal naar postkoloniaal, kan het beste op zoveel mogelijk manieren worden bestudeerd. Hoe strakker de vraagstelling is per deelonderzoek, des te interessanter zijn de resultaten. Door de Indisch-Nederlandse literatuur telkens in een andere context te plaatsen kunnen er telkens andere aspecten van die literatuur belicht worden. Zo blijft ze levend, zal ze niet gemarginaliseerd worden en kan ze niet meer buiten het ‘officiële’ verhaal gehouden worden.

Indische Letteren. Jaargang 14

101 Jacqueline Bel is coördinator van de Onderzoekschool Literatuurwetenschap.

Eindnoten: 1 Zie de discussies die gevoerd zijn naar aanleiding van het ontbreken van de Vlaamse literatuur in de literatuurgeschiedenis van Ton Anbeek: Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985. Amsterdam, 1990. Zie over de Oostenrijkse literatuur F.J. van Ingen: Het begrip Oostenrijkse literatuurgeschiedenis. Problemen en perspectieven. Amsterdam VU: Rede 1998. 2 Zie H.J.M. Maier: ‘Indische literatuur. Bezinningen op een definitie’. In: Weer-werk. Schrijven en terugschrijven in koloniale en postkoloniale literaturen, red. Theo D'haen. Semaian 15. Leiden, 1996, p. 14-30. Citaat op p. 21. 3 Zie Edward Said: ‘Jane Austen and Empire’. In: Said: Culture and Imperialism. New York, 1993, p. 80-97. 4 Zie noot 3. 5 Bill Ashcroft, Gareth Griffiths, Helen Tiffin: The Empire Writes Back. Theory and Practice in Post-colonial Literatures. London/New York: Routledge, 1989. 6 Het essay van Rushdie is onder de titel ‘The New Empire Within Britain’ herdrukt in de essaybundel Imaginary Homelands, 1991. 7 Zie Edy Seriese in Indische letteren 7, 4 (1992), p. 145-152. 8 Edy Seriese: Uit Indië geboren. Vier eeuwen familiegeschiedenis. red. Wim Willems, Remco Raben e.a. Zwolle: Waanders, 1998.

Indische Letteren. Jaargang 14

102

Circuits, cirkels en kubussen Gedachten bij een discussie Liesbeth Dolk De korte inleidingen en de daaropvolgende discussie op de lezingenmiddag van 21 mei maakten - zo eindigde discussievoorzitter Reggie Baay deze middag - ten minste één ding duidelijk: de meeste sprekers pleitten voor ruime grenzen bij een definiëring van ‘Indisch-Nederlandse literatuur’ en daarom zou er uiteindelijk niet zo gauw iemand uit het nest gegooid worden. Dat was een prettige slotgedachte. De middag bracht (uiteraard) geen eensluidende slotverklaring over wat we in de toekomst nu wel en wat we niet tot de Indisch-Nederlandse literatuur mogen gaan rekenen. Eerder ging het om het naast en tegenover elkaar plaatsen van de verschillende visies, waarbij op enkele punten toch ook weer een redelijke consensus bleek te bestaan. Bij de bestudering van Indisch-Nederlandse literatuur is het vastellen van een corpus teksten alleen nuttig in het licht van de onderzoeksvragen die je als onderzoeker wilt stellen. Voor alle sprekers behalve Olf Praamstra lagen die onderzoeksvragen ook buiten het strikt literairesthetische gebied. Praamstra was de enige spreker die met de ongeveer 1300 teksten - volgens zijn criteria behorend tot het corpus van de Indisch-Nederlandse literatuur - alleen ‘literair-esthetisch en literair-historisch aan de slag wilde’. Voor de andere sprekers waren ook sociologische aspecten (zoals het beeld van de koloniale samenleving dat uit een tekst naar voren komt), essentieel onderdeel van het onderzoeksgebied. Voor hen konden daarom ook niet erkende literaire genres (egodocumenten, jeugdliteratuur) interessant onderzoeksobject zijn, al bleef men voorzichtig: ‘Gooi niet alles te gauw op één hoop’, zei Gerard Termorshuizen, ‘maar overschrijdt de grens zo nu dan.’ En: ‘Houdt sommige teksten in de buurt van de Indisch-Nederlandse literatuur, maar incorporeer ze niet.’ Peter van Zonneveld stelde in dit verband voor om te denken in termen van concentrische cirkels, waarbij de middelste cirkel de kern van de Grote Literatuur vormt (de canon) en randverschijnselen (zoals bijvoorbeeld vertalingen) zich in de buitenste cirkel bevinden.1

Indische Letteren. Jaargang 14

103 Siegfried Huigen en Jacqueline Bel waren de grootste pleitbezorgers voor een ruime, tolerante beschrijving van het begrip, teneinde de Indisch-Nederlandse literatuur vanuit zoveel mogelijk invalshoeken en perspectieven te kunnen bestuderen. Huigen maakte daarbij expliciet geen onderscheid tussen literaire en niet-literaire teksten. ‘Doe je dat wel, dan snij je belangrijke onderzoeksmogelijkheden (bijvoorbeeld naar beeldvorming) af.’ Bel stelde dat ook de internationale discussie over koloniale en post-koloniale literaturen bij het onderzoek betrokken moet worden. De polemische stelling dat ‘alleen literatuur geschreven door Indische (lees: Indo-Europese) auteurs tot de Indische (lees: Indisch-Nederlandse) literatuur gerekend kan worden’, recentelijk verdedigd door een aantal onderzoekers op het gebied van de Indische letteren, riep een verontwaardigde reactie op vanuit de zaal. Maar een studie van de Indische literatuur vanuit dit perspectief, zei Bel, zou een interessante, nieuwe bijdrage kunnen leveren.

Literatuurgeschiedenis Voor de bestudering van Indisch-Nederlandse literatuur heeft een principiële discussie over de grenzen van het corpus (beperkingen in ruimte en tijd, persoonlijke ervaring als criterium, alleen literaire of ook niet-literaire teksten) in feite niet zoveel zin, omdat de gestelde onderzoeksvragen in hoge mate bepalen welke teksten een onderzoeker wel en niet bij zijn onderzoek wil betrekken. Maar bij de teboekstelling, zoals Bert Paasman dat noemt, bij het schrijven van een handboek over die Indisch-Nederlandse literatuur, zal de literatuurhistoricus om praktische redenen keuzes moeten maken. Zoals ook uit eerdere artikelen rond dit onderwerp al duidelijk werd, vindt bijna iedereen die zich in het algemeen met de recente discussie rond het schrijven van een literatuurgeschiedenis bezighoudt, dat zowel de intern-literaire ontwikkelingen als de relaties met de sociaal-culturele werkelijkheid (‘het gehele communicatiesysteem’) in zo'n handboek beschreven dienen te worden. Voor de Indische literatuur komt daar nog bij dat deze literatuur in twee circuits gefunctioneerd heeft: in Indië en in Nederland, en dat in een ‘Indisch handboek’ ook dit dubbele functioneren aandacht zou moeten krijgen.2

Dimensies Het voornaamste probleem bij de samenstelling van zo'n boek is natuurlijk dat in een plat vlak een werkelijkheid met zo veel dimensies weergeven moet worden, hetgeen in 1985 al tot de wanhopige verzuchting leidde dat een dergelijke veelomvattende literatuurgeschiedenis ‘zou moeten kunnen en toch echt niet kan’.3 Misschien is het in dit verband zinvol de kubus als metafoor voor

Indische Letteren. Jaargang 14

104 de Indisch-Nederlandse literatuur te introduceren, waarbij elke zijde ons een andere ‘n-dimensionale’ visie op dezelfde werkelijkheid geeft. ‘N’ staat hier dan voor alle aspecten die bij de bestudering van Indische literatuur van belang kunnen zijn. Door de kubus telkens een slag te draaien (naar boven, naar onderen, naar opzij) krijgt de toeschouwer uiteindelijk een gesynthetiseerd beeld van die ‘gigantische hoeveelheid disparate gegevens die de vakbeoefening produceert’.4 Zo'n kubus als metafoor voor de Indisch-Nederlandse literatuur vraagt om een nieuwe aanpak. Denken in platte vlakken en dikke boeken biedt, zo lijkt het, geen uitkomst meer voor de huidige opvattingen over hoe een literatuurgeschiedenis er uit zou moeten zien. Moderne media zoals het world wide web met hyperlinks (‘uitstapjes’ naar teksten die een ander perspectief kunnen laten zien) en multimedia (beelden, geluid) zijn beter in staat recht te doen aan de complexe samenhang tussen al die aspecten die in een literatuurgeschiedenis beschreven zouden moeten worden. Bij zo'n aanpak stuit de literatuurhistoricus in ieder geval niet meer op het praktische probleem van de inperking en wordt ‘het gehele communicatiesysteem’ van de Indisch-Nederlandse literatuur adequater in beeld gebracht. Een dergelijke literatuurgeschiedenis zou moeten kunnen, en - prettige slotgedachte - het kán.

Eindnoten: 1 Bert Paasman gebruikt hiervoor de termen ‘kernteksten’ en ‘marginale teksten’. Zie Bert Paasman, ‘De Indisch-Nederlandse literatuur uit de VOC-tijd’. In: Theo D'haen (red.). Europa buitengaats. Amsterdam [in druk]. 2 Bert Paasman, ‘De geschiedschrijving van de Indisch-Nederlandse literatuur uit de Compagniestijd: taak en problemen’. In: Indische Letteren 7 (1992), p. 176-177. 3 H. van Gorp, ‘De utopie van een omvattende literatuurgeschiedschrijving. Of hoe het zou moeten kunnen en toch echt niet kan’. In: Spiegel der letteren 27 (1985), p. 245-262. 4 Paasman 1992, p. 176. Paasman citeert hier een uitspraak van de hoogleraar Historische Letterkunde E.K. Grootes.

Indische Letteren. Jaargang 14

105

Tjalie Robinson over Indische letterkunde Olf Praamstra Eind 1963 of begin 1964 zocht Johan van der Woude contact met Tjalie Robinson, die toen in Whittier in de Verenigde Staten woonde. Van der Woude had net een begin gemaakt met zijn studie voor een biografie over Maria Dermoût - die in 1973 zou verschijnen onder de titel Maria Dermoût, de vrouw en de schrijfster - en hij was als beheerder van haar letterkundige nalatenschap nauw betrokken bij de uitgave van haar werk. In zijn eerste brief vroeg Van der Woude of Tjalie Robinson misschien nog brieven bezat van Maria Dermoût. Het antwoord was teleurstellend: ‘hoe jammer dat ik je niet kan geven wat je vraagt om de doodeenvoudige reden dat Maria en ik te dicht bij elkaar woonden om mekaar te schrijven’, schreef Tjalie Robinson op 18 januari 1964. Van der Woude was door dit antwoord ook enigszins verrast: ‘Overigens heb jij MD wèl geschreven, want in haar nalatenschap zijn van jou twaalf brieven (waarvan één ongedateerd) en 1 briefkaart gevonden tussen 12 mei 1955 en 16 oktober 1958.’ Aan brieven kon Tjalie hem niet helpen, maar wel aan inlichtingen. Uitvoerig gaf Tjalie zijn mening over Maria Dermoût, waarin hij vooral de Oosterse visie benadrukte die zij met elkaar gemeen hadden. Zozeer legde hij de nadruk op haar Indische achtergrond, dat Van der Woude in zijn antwoordbrief van 1 februari openlijk twijfelt aan zijn geschiktheid om haar biografie te schrijven. Die brief is voor Tjalie aanleiding om Van der Woude erop te wijzen, dat er een hemelsbreed verschil bestaat tussen de Indische en de Nederlandse letterkunde. Deze brief van Tjalie Robinson bevindt zich in het archief van Johan van der Woude in het Rijksarchief Gelderland te Arnhem en wordt hier in zijn geheel afgedrukt.

Whittier, 7 Febr. 1964 Beste Johan, Ik beklaag je nu je zo eerlijk en juist contateert wat je eigenlijk mist om een studie over MD te schrijven die haar persooonlijkheid en werk méér recht doen. Je zou veel sterker gestaan hebben als we gedaan hadden wat we al lang

Indische Letteren. Jaargang 14

106

Tjalie Robinson in 1964 (overgenomen uit: Uit Indië geboren. Zwolle, 1997, p. 201).

Indische Letteren. Jaargang 14

107 hadden moeten doen: vaststellen dat Indische literatuur een genre is op zichzelf, dat als elke regionale literatuur een aparte plaats nodig heeft in onze literatuur en literatuurgeschiedenis. Elk jaar tegen examentijd word ik letterlijk van alle kanten gebombardeerd door HBS-ers, Lyceisten, kweekscholieren en a.s. Doctoren in de letteren, die de Indische belletrie of een Indisch schrijver gekozen hebben als speciaalstudie en dan opeens merken dat alle bestaande studieboeken tekort schieten. Meestal verwijs ik ze naar Rob Nieuwenhuys, maar die heeft het natuurlijk ook te druk. Een jaar of wat geleden schreef ik een dringend verzoek aan de minister van onderwijs om te vragen of er door het ministerie wat aan gedaan kon worden, door b.v. een Indisch deskundige aan te wijzen om zo'n studie te schrijven, maar ik kreeg koeltjes te horen dat dit niet op het terrein lag van de minister maar van uitgeverijen (die het natuurlijk nooit doen). Pas wanneer men alle Indische schrijvers en dichters bij elkaar brengt en komt tot een vergelijkende studie, ontdekt men ze. Men zal dan merken dat Couperus en MD resp. niet behoren bij de na-tachtigers en bij de contemporainen, maar bij elkaar in een haast ‘tijdloos’ vak. In samenwerking met kenners van Aziatische cultuurgeschiedenis zal men gemakkelijker ontdekken welke niet-Europese motieven en levensbeschouwingen vele Indische schrijvers (vaak volkomen onbewust) karakteriseren. En men kan thema's ontdekken waarop stories geschreven zijn. Dat domweg plakken van Indische schrijvers tussen hun Hollandse tijdgenoten is doodgewoon een verschijnsel van botte annexatiezucht en ‘cultuur-kolonialisme’. Het spijt me als ik je hiermee op de tenen trap, maar men doet in de Nederlandse literatuur niets anders dan Indische schrijvers constant op de tenen trappen door botte negeringen van basisqualiteiten of volslagen scheefgetrokken beoordelingen. Maar het ergst is, dat een belangrijk brok NEDERLANDSE literatuur er gemutileerd bij ligt. Ik heb beoordelingen van MD gelezen en ook van mezelf, die letterlijk kant noch wal raken, zich schijngeleerd verdiepen in ondergeschikte oppervlakkigheden en daverende blunders verkopen, die toch maar als zoete koek gesavoureerd worden door serieuze studenten, die daardoor nóg verder van hun goede richting afwijken. De hele Nederlandse conceptie van Indische belletrie is één farce en het wordt elk jaar weer erger. Hoe gemakkelijk wordt het woord ‘koloniale literatuur’ in de mond genomen, maar wat IS koloniaal en wat is EEN koloniaal? Onderzoek je die mening, dan vind je alleen een verwrongen anti-legende, gebaseerd op soldatenpraatjes. Ik weet niet of je in het kerstnummer van Tong-Tong mijn ‘Tienduizend Dingen’ gelezen hebt;1 misschien vind je het ook nonsens maar als je de brieven leest van abonnees, die het artikel ‘uit het hart gegrepen’ vinden, moet je toch nuchter vaststellen dat ergens iets gezegd is, dat juist móet zijn, al wordt het niet begrepen door de niet-Indischman. Curieus is ook dat ik met Amerikaanse en Engelse schrijvers van naam veel beter spreken kan. D.w.z.: mensen die Aziatische ervaring hebben. Maar ook zij die die ervaring niet hebben, hebben belangstelling voor het verborgene en onbekende. N.a.v. de verschijning van Tjies noemde een recensent mij ‘vitalist’, want in mijn stories vond hij ‘élan vital’. Nonsens: het is gewoon een Aziatische levensbeschouwing van practische aard, helemaal niet élan-achtig. Als de recensent waarheid spreekt, moet de enige conclusie zijn dat Nederlandse schrijvers níet leven. Dat is toch onzin?

Indische Letteren. Jaargang 14

Er zijn MD en mij (en menig ander schrijver) veren op de hoed gestoken, waardoor we gewoon lachwekkend zijn geworden, en in veroordelingen zijn

Indische Letteren. Jaargang 14

108 onbillijkheden en grove onjuistheden gezegd, die uitermate schadelijk zijn. Aan de andere kant is de basiskennis van Indische literatuur geen millimeter ruimer geworden - en daar ondervind je nu zelf de onprettige gevolgen van. Nochtans - en ik weet niet hoe je je studie opzet en introduceert - kan een ‘Europees portret’ boeiend en juist zijn, mits de lezer weet dat dit één zijde is van de medaille, één kant van de maan. Al bij al blijf ik dankbaar dat dit werk gedaan wordt en dat - zoals uit je brieven blijkt - dit werk consciëntieus gedaan wordt. Een houding als: ‘Dat zie ik goed en dat varkentje zal ik wel effe wasse’ is zeer zeker t.a.v. Indische schrijvers fataal. Ik denk niet dat Querido mij zal vragen het opstel te schrijven.2 We hebben nogal scherp uiteenlopende meningen over Ind. literatuur. Naar mijn mening ziet zelfs Querido Indische literatuur in de Nederlandse als ‘een exotisch sarong aan de Hollandse huiskamermuur’ en als je je alleen al realiseert dat een sarong een kledingstuk is (en verbeeld je dat ze in Indonesië broeken, onderjurken en mantelpakjes aan de muur hingen als versiering!), voel je al direct dat hier iets basisch fout is. MD's gedachten zijn voor ons excentriek, maar voor haar functioneel in een lang leven. In één van haar verhalen (helaas zijn al haar boeken in mijn Hollandse boekenkast) treedt een geest op uit het verleden. Ik weet niet hoe men het in Europa ziet: als een soort goena-goena, parapsychologische rariteit of Shakespeareaans verschijnsel, maar in Indonesië is de geest de tijdloze mens, die toen leefde en nu nog leeft, en een functie heeft. Het is een bijzonder subtiele aangelegenheid, waarover eigenlijk niet redelijk te praten valt. Je moet Indonesië kennen om het te WETEN (and she is a woman who knows!). Zelfs de vurige socialist Jan Eijkelboom3 die vroeger zo secuur zijn weetje wist over Indonesië, schrijft in één van zijn laatste artikelen, dat veel in Indonesië niet zo 1-2-3 te begrijpen en beoordelen is, maar dat alles gezien hoort te worden in een moeilijk te omschrijven atmosfeer, die men kennen moet voor een juister oordeel. Elders schrijft hij ook dat menig Hollander in Indonesië een nieuw en ruim terrein vond voor zijn ‘verschrompelde calvinistische ziel’. Ik verzeker je dat MD met haar heldere en penetrante geest geleefd heeft in gebieden, waar nooit een Europeaan is doorgedrongen en vermoedelijk mist de Europese geest zelfs de kennis, althans de lexicon, om te kunnen weergeven wat in MD omging. Nee, nou is het heus genoeg. Streep eronder en verder kijk ik alleen nog reikhalzend uit naar je werk, waarvoor ik je veel ‘redjeki’ toewens en dat is ‘geluk van buiten’, goedgezindheid van het Lot, waardoor je krijgen kan wat je eigenlijk zelf niet opbrengen kan. Saluut! Tjalie In het artikel in het kerstnummer van Tong-Tong, waarnaar Tjalie Robinson in zijn brief verwijst, benadrukt hij hoezeer de Indische letterkunde van de Nederlandse verschilt: ‘Als u mij vraagt: de Indische literatuur is Aziatischer dan de meeste mensen wel denken (en de chrijvers zelf wel weten).’ En iets verderop stelt hij vast, dat wie afwisselend Indische en Aziatische schrijvers leest, met verbazing zal constateren dat veel ideeën en uitgangspunten soms bijna letterlijk overeenkomen. Daarentegen is er volgens hem bij veel Indische schrijvers en hun Nederlandse en Europese tijdgenoten vaak geen spoor van overeenkomst: ‘Neem drie voorbeelden: Multatuli, Couperus, Maria Dermoût. Deze drie staan

Indische Letteren. Jaargang 14

109 zeer duidelijk volslagen apart van niet alleen hun tijdgenoten, maar van de hele literatuur. Vergelijk Maria Dermoût en Rini Carpentier Alting. Op slag herkent men wèl de overeenkomst tussen die twee: het mijmerende element, dat ik bij Maria Dermoût “dongèng” heb genoemd.’ Ook Multatuli's ‘Japanse Steenhouwer’ is volgens Robinson een goed voorbeeld van de verwantschap van Indische en Aziatische auteurs. En het is juist die verwantschap, die er de oorzaak van is dat al deze auteurs in de Nederlandse letterkunde niet tot hun recht komen. Voor Rini Carpentier Alting en Maria Dermoût betekent dit, dat in Nederland ‘beide schrijfsters misschien wel nooit populair zullen worden’; en ‘na honderd jaren is een eindeloos bewierookte Multatuli geen deel geworden van het Nederlandse gedachtenleven’.4

Eindnoten: 1 Tjalie Robinson, ‘De tienduizend dingen, Tao Teh King, Maria Dermoût, Tong Tong’. In: Tong-Tong, 8 (1963) 12 (dec), p. 10 en 29. 2 Querido had Johan van der Woude gevraagd om een artikel van 1000 woorden te schrijven over Maria Dermoûts recent verschenen verhalenbundel De Sirenen (1963) en het te verschijnen Donker van uiterlijk (1964). Van der Woude had dat geweigerd en Querido o.a. verwezen naar Tjalie Robinson. Zie brief van Johan van der Woude gevraagd aan Tjalie Robinson, dd. 1 februari 1964, in: Archief Johan van der Woude in Rijksarchief Gelderland, Arnhem. 3 De journalist en dichter Jan Eijkelboom (1928), die van 1956 tot 1964 redacteur was van Vrij Nederland. Als militair had hij tussen 1945 en 1950 deelgenomen aan de politionele acties in Indonesië. 4 Tjalie Robinson, ‘De tienduizend dingen, Tao Teh King, Maria Dermoût, Tong Tong’. In: Tong-Tong 8 (1963) 12 (dec.), p. 10 en 29.

Indische Letteren. Jaargang 14

110

Senapan

‘Dat geheim van geest en bloed’ Hella S. Haasse en Oeroeg In ‘Het onbereikbare geboorteland’, de beschouwing die Peter van Zonneveld wijdt aan ‘Indië’ in het werk van Hella S. Haasse (Indische Letteren, maart 1998), heeft hij enkele tjabés gestoken waarop ik enige tijd heb gekauwd. Hier is mijn reactie. In zijn verweer tegen elementen in een artikel van mijn hand, opgenomen in Ik maak kenbaar wat bestond. Leven en werk van Hella S. Haasse (1993), gebruikt Van Zonneveld de termen ‘simplistisch’ en ‘simpel’ en schijnt zich te storen aan wat hij mijn eigenzinnigheid noemt. Ik zou niet weten, wat voor bezwaar er kan zijn tegen een eigenzinnige interpretatie, mits deze wordt verricht aan de hand van de tekst en door citaten wordt ondersteund. Ik meen, dat mijn interpretatie van Oeroeg coherent is en dat Si Peter zich ten onrechte stoot aan de zin waarmee ik mijn betoog afsluit: ‘Het gedurige onbegrip van de ik-figuur voor Oeroegs positie is exemplarisch voor de koloniale halsstarrigheid die nog zou aansturen op een tweede politionele actie nà de verschijning van Haasses prozadebuut.’ Misschien klinkt het woord ‘exemplarisch’ een beetje te sterk, maar wat ik hiermee heb willen uitdrukken is, dat de ikfiguur naarmate hij en Oeroeg uit elkaar groeien weinig moeite doet om zich in te leven in de ambities en aspiraties van zijn vriend. Hij staat telkens paf van elke nieuwe ontwikkeling die Oeroeg doormaakt en ziet er vooral de ‘invloed’ in van anderen; als het tijdens zijn bezoek aan Soerabaja tot een confrontatie komt met de nationalistische ideeën van Oeroeg en zijn kornuiten, voelt hij zich tot buitenstaander gedegradeerd. Deze ervaring opent hem echter nog niet de ogen: als hij na de oorlog terugkeert naar zijn geboorteland, heeft hij het over de ‘wanordelijke toestand daar, de vreemde verhouding die de Japanse bezetting als erfenis had achtergelaten’,

Indische Letteren. Jaargang 14

111 gedachten die niet zouden misstaan in een NICA-rapport. Ook de ikfiguur staat onder ‘invloed’ van anderen. Met mijn opmerking over de tweede politionele actie heb ik de novelle, voor zover deze een uitbeelding is van de koloniale verhouding en het daartegen groeiende verzet, in de context geplaatst van zijn tijd. Zelf heeft Peter van Zonneveld in zijn Album van Insulinde elke besproken periode doen voorafgaan door een historisch overzicht, en aan het slot van zijn inleiding schrijft hij: ‘Ook literaire teksten dienen in de contekst van hun tijd te worden gezien.’ De contemporaine besprekingen van Oeroeg door Dirk de Vries en Tjalie Robinson laten zien, dat die context voor hen zonneklaar was. Dat Tjalie Robinson, werkzaam bij de culturele afdeling van de Legervoorlichtingsdienst, het einde van de novelle ‘politiek gevaarlijk’ vond, is vanuit zijn toenmalige optiek niet verwonderlijk, want in de confrontatie bij het bergmeer lijkt elk begrip tussen bruin en blank uitgesloten. Ik schrijf het mede aan Tjalie Robinsons geagiteerde stemming toe, dat zijn recensie zo faliekant ernaast is en zo schril klinkt. Wat het belang van de context betreft, kunnen Van Zonneveld en ik het met elkaar eens zijn, alleen verschillen we in de interpretatie van de novelle. Volgens hem is het hoofdthema van Oeroeg ‘het besef van vervreemding’, ‘de ontoegankelijkheid van die wereld’. De tweede formulering heeft hij aan Haasse zelf ontleend, die zich in haar boek Zwanen schieten (1997) opnieuw rekenschap heeft gegeven van haar verhouding tot Indië. In zijn artikel schetst Peter van Zonneveld een geslaagd beeld van de betekenis die Indië voor Hella Haasse heeft, waarbij hij zich baseert op haar reflecties over dit thema die zich als een ketting aaneenrijgen vanaf Zelfportret als legkaart (1954), via Persoonsbewijs (1967) en Krassen op een rots (1970) tot en met Een handvol achtergrond (1993) en Zwanen schieten. Vanzelfsprekend ben ik het met hem eens, dat ook in de Indische literatuur ruimte is ‘voor psychologische of filosofische dimensies’ en dat het niet uitsluitend om ‘een politieke boodschap’ gaat. Maar psychologie is ook een belangrijke factor in de politiek, en mijns inziens wordt in Oeroeg een psychologisch genuanceerd portret gegeven van een inlandse jongen, die zich emancipeert van een positie ‘tussen huisgenoot en ondergeschikte in’ tot die van rebel en pemoeda. De koloniale verhouding (in de novelle vooral vertegenwoordigd door de vader van de ikfiguur) bepaalt de grenzen van Oeroegs deelname aan het leven van het blanke gezin, ze blijkt ook uit de spottende reacties van de bedienden en de ‘lichte commandotoon’ die twee klasgenoten van de ikfiguur tegen Oeroeg bezigen.1 Ook de reacties van de ikfiguur zijn psychologisch meesterlijk uitgebeeld. Evenals Oeroeg maakt hij een evolutie door. In zijn prilste jeugd staat hij intuïtief nog dicht bij de inlandse wereld en voelt hij het bergmeer als ‘angker’ aan, als een bezielde plek die met respect moet worden bejegend. In de loop van de jaren wordt hij echter steeds meer binnen de blanke wereld

Indische Letteren. Jaargang 14

112 getrokken: hij mag niet meer op blote voeten rondlopen, krijgt sandalen aangemeten, wordt eerst met zachte dwang uit de buurt van Oeroeg gehouden en later (tijdelijk) van hem gescheiden. Een sleutelervaring is de wijze waarop twee op aandringen van zijn vader uitgenodigde klasgenoten Oeroeg bejegenen: ‘Tijdens deze gezamenlijke spelletjes werd ik me voor het eerst in mijn leven ten volle bewust van het feit dat Oeroeg in de ogen van anderen een “inlander” was - en niet een inlander zoals Harsono Koesoema Soedjana, die bij ons in de klas zat en wiens vader regent was, maar een desajongen, de zoon van een ondergeschikte in de onderneming’.2 De novelle is, zoals ik ook in mijn artikel heb aangegeven, het verhaal van een vervreemding, maar een vervreemding die toeneemt in intensiteit naarmate de beide vrienden zich aan tegengestelde waarden gaan conformeren: Oeroeg aan die van de ‘gerakan’, de Indonesische nationalistische beweging, de ikfiguur aan de vanzelfsprekende koloniale waarden van zijn vader. Ik blijf erbij dat de koloniale verhouding in de novelle de vervreemding zo totaal doet zijn, en ik heb in mijn eerdere artikel willen aantonen, dat dit er door de schrijfster bewust is in gelegd. Hiermee samenhangend is mijn eigenzinnige opvatting, dat Hella Haasse in haar ‘ikfiguur’ geen zelfportret heeft willen geven, zoals ze ook in Oeroeg niet zichzelf heeft geschilderd. Wel heeft ze zich in beide personages ingeleefd en eigen ervaringen in hen verwerkt, en ook heeft ze eens gefilosofeerd over Oeroeg als het donkere deel van de Nederlandse hoofdfiguur, maar hiermee begeven we ons op speculatief terrein dat meer met het creatieve proces heeft te maken dan met het resultaat daarvan. Daarom ben ik er ook niet voor om Oeroeg te interpreteren op grond van een recente uitspraak van de schrijfster over haar eigen verhouding tot Indië (‘de ontoegankelijkheid van die wereld’). Voor de ontoegankelijkheid van die wereld is overigens in de novelle zelf ook wel een bewijsplaats aan te wijzen. Op een van de eerste bladzijden reflecteert de ikfiguur: ‘Ik weet niet waarom ik me rekenschap wil geven van mijn verhouding tot Oeroeg, van al wat Oeroeg voor mij betekende en nog betekent. Misschien prikkelt mij zijn onherroepelijk, onbegrijpelijk anders-zijn, dat geheim van geest en bloed, dat voor kind en knaap nog geen problemen opwierp, maar dat nu des te kwellender schijnt’.3 Dit is echter een reflectie die hoort bij het retrospectief van de verteller, ná de pijnlijke ervaring bij het bergmeer toen zijn tot pelopor getransformeerde vriend hem toevoegde: ‘Ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’ De inlandse wereld is voor de ikfiguur ontoegankelijk geworden door zijn eigen tekortschieten, al zijn goede intenties ten spijt. In Het Oostindisch kampsyndroom betuigt Rudy Kousbroek zijn adhesie met deze interpretatie, en hij voegt daaraan toe: ‘Haasse gaf in Oeroeg weer waarin de Nederlanders te kort schoten en zij voorzag het fatale gevolg. Zij voelde de tragedie zuiver aan en daarin

Indische Letteren. Jaargang 14

113 toonde zij zich een groot schrijfster (zoals de verdere carrière van het boek ook wel heeft bewezen)’.4 In mijn artikel over Haasse heb ik ook enige nadruk gelegd op het feit, dat schrijven voor haar een bewust proces is. Dit komt voor het eerst expliciet naar voren in Zelfportret als legkaart, het boek waarin zij ‘haar vroegere ikken op de snijtafel’ legt. Ik citeer uit mijn artikel: ‘de belangrijkste ontdekkingen die ze deed na haar vertrek uit Indië, waren: zelfkennis, bewustwording van jezelf en je omgeving en het doen van een bewuste keuze. [...] Schrijven is voor Haasse een bewust proces dat ook de lezer tot zelfstandig denken moet aanzetten.’ August Hans den Boef heeft zich in artikelen uit 1992 en 1993 gebogen over de intenties van Hella S. Haasse bij het schrijven van Oeroeg. Het tweede artikel is een reprise, met weglatingen, toevoegingen en nuanceringen, van het eerste artikel. Den Boef noemt Oeroeg een ‘koloniale overgangsnovelle’ en ontzegt haar een duidelijk standpunt over de dekolonisatie. Peter van Zonneveld vindt dit in zijn artikel een voorbeeld van ‘a-historische politieke correctheid’. Hella S. Haasse zelfheeft naar aanleiding van Den Boefs commentaar op De heren van de thee in een reactie geschreven: ‘Mijn opzet bij het schrijven van Heren van de thee was, precies als bij mijn boeken over Charlotte-Sophie Bentinck en over Joan Derk van der Capellen tot den Pol, om op basis van authentieke documenten te laten zien vanuit welke mentaliteit mensen in het verleden hun eigen tijd beleefden. Dus geen aan onze eigen veranderde opvattingen aangepaste interpretaties!’ Het is natuurlijk uiterst moeilijk om te achterhalen, welke intenties Hella Haasse precies had met Oeroeg, dat niet geschreven is als een historische roman zoals De heren van de thee, maar dat zijn ontstaan dankt aan eigen ervaringen van de schrijfster en aan de actualiteit rond 1947. Meestal vindt een schrijver zijn waarden onderweg, in een confrontatie met zijn stof, door en in het schrijfproces zelf. Van een roman of novelle hoeven we echter geen welomschreven standpunten te verwachten. We hebben niet te maken met een politiek manifest of een ethisch programma, maar met een verhaal dat de lezer aanzet tot reflectie. Literatuur ontleent zijn kracht aan het feit, dat de ‘boodschap’ met literaire middelen is vormgegeven en vaak impliciet is. En verder valt er in literatuur nog meer te genieten, zoals de beschrijvingen van het landschap, die in Oeroeg bijzonder plastisch zijn. Ik meen dat Hella Haasse in haar novelle op onnadrukkelijke wijze een duidelijk beeld heeft geschetst van de koloniale verhouding. Talloze details wijzen op haar scherpe observatie van de in een koloniale situatie als vanzelfsprekend aanvaarde verschillen tussen Oeroeg en zijn blanke vriend, of het nu gaat om schoeisel en kleding, om de voor Oeroeg al dan niet geoorloofde ruimtes binnen het huis of om onderwijs en opleiding. Het is de kracht van deze novelle, dat deze observaties niet zijn gedrenkt in de sfeer

Indische Letteren. Jaargang 14

114 van verontwaardiging of aanklacht. Op subtiele wijze wordt aangeduid, dat het verschil in behandeling er niet minder pijnlijk om is; dit bewijzen de snelle, zijdelingse of duistere blikken van Oeroeg (een ‘leidmotief’ in de novelle). Mijn interpretatie van Oeroeg als een uitbeelding van de koloniale verhouding door middel van de toenemende vervreemding van de twee jeugdvrienden sluit uit, dat de hoofdpersoon niet meer zou zijn dan een naïef zelfportret van de schrijfster. Bij het schrijven van Oeroeg bevond Haasse zich op een punt van haar ontwikkeling waarop zij de romantische zweverigheid van haar middelbareschooltijd al achter zich had gelaten. Zelf heeft zij, in Zelfportret als legkaart, geschreven over haar ‘bewustwording’, een fase die zij situeert in de oorlogstijd in Nederland. Den Boef werpt Haasse ook voor de voeten, dat zij als scholiere wel het werk van Ter Braak en Du Perron las, maar kennelijk niet in de gaten had dat Du Perron de nationalistische aspiraties van de Indonesiërs volkomen steunde. In haar reactie schrijft Haasse, dat dit tot haar als scholiere in het Batavia van 1937/38 nog niet kon zijn doorgedrongen, omdat ze alleen De smalle mens (1934) en Het land van herkomst (1935) kende en zijn ‘polemische teksten over de toestanden in Indië’ pas in 1960 onder ogen kreeg. Elders heeft zij evenwel geschreven, dat zij Het land van herkomst pas in de oorlog voor het eerst las. Deze verklaring kwam ik tegen in een boeiend document van de schrijfster, opgenomen in Vrij Nederland van 5 maart 1955: ‘In het klimaat van du Perron’. Hella Haasse beschrijft in dit artikel de evolutie van haar verhouding tot Du Perron, in de vorm van een brief aan hem. Zij bekent dat ze op de middelbare school zijn vrienden Marsman en Slauerhoff bewonderde en vereerde, maar dat ze hem en Menno ter Braak niet kon lezen, ‘omdat in uw beider werk niet zo zeer een beroep werd gedaan op verbeelding en emotionaliteit als wel op rede en op het besef bij de wereld betrokken te zijn - aan het een noch het ander was ik toe. Voor mijn eindexamen las ik u wel, maar ik had even goed Turks of Chinees kunnen lezen. [...] Ik noemde u, in het jargon van de gemiddelde Nederlandse lezer, “cerebraal” en “cynisch”. Toch kon ik het niet verkroppen dat ik geen toegang had tot uw wezensgesteldheid.’ Tijdens haar studie (in Nederland) ging Haasse Du Perron weer lezen, maar nu heel nauwkeurig, ‘in de hoop u te betrappen op tegenstrijdigheden en onwaarachtigheden. [...] Ik had een hekel aan u, maar dit was al een persoonlijke verhouding. Mijn eigen “ik” was er mee gemoeid. Ik stond tegenover u met de machteloze kribbigheid van iemand die zich onbewust stoot aan zijn eigen tekort.’ Maar als zij tijdens de oorlog Het land van herkomst in handen krijgt, geeft zij zich stukje bij beetje gewonnen. Na de oorlog koos zij nog wel eens stelling tegen hem, maar dit deed zij dan meer uit zelfbevestiging en om zich af te zetten tegen fanatieke duperronisten die zich te pas en te onpas op hun grote voorbeeld beriepen. Toch openbaarde zich in dit ‘verzet-

Indische Letteren. Jaargang 14

115 tegen-orthodoxie’ al ‘een verwantschap met u’, die bij een andere gelegenheid volkomen werd bevestigd: ‘Maar toen ik in het andere kamp eens losweg hoorde beweren, dat u schromelijk werd overschat en dat u bij al uw intellect toch eigenlijk een rijke brutale Indische bourgeois-kwajongen was, wierp ik mij voor u in het strijdperk, en merkte tot mijn verbazing, dat ik al debatterende dingen van u begreep, die mij tot dat ogenblik ontoegankelijk waren geweest. Mijn verhouding tot u en uw werk was niet langer lauw of negatief of, zij het onder voorbehoud, gematigd waarderend. Ik had u langzaam maar zeker ontdekt, door mijzelf te ontdekken.’ De verwantschap met Du Perron kreeg voor Haasse gestalte in onder andere zijn ‘klaar genuanceerd denken’, zijn ‘volstrekt on-provinciale, ja anti-provinciale geest’, zijn ‘openhartigheid en kritische zin’ en zijn ‘aangeboren afkeer van zwart-wit argumentatie van rhetoriek en politiek’. Aan het einde van haar ‘brief’ zegt zij, dat de vertrouwelijke omgang met Du Perron een bepaald klimaat schept: ‘de sfeer waarin het bewuste verantwoordelijke individu kan rijpen, de mens die zich meer weet dan “ik”-atleet’. De schrijfster van Oeroeg anno 1947 was al een heel eind geëvolueerd naar dat bewuste verantwoordelijke individu, dat met distantie keek naar de wereld waaruit zij voortkwam. Mocht Hella Haasse aan de ikfiguur van Oeroeg toch enkele trekken van een zelfportret hebben meegegeven, dan vertoont dat portret ook de trekken van een autokritiek. Als allerlaatste regel van haar brief aan Du Perron citeert zij de woorden van André Malraux die het motto vormen van Het land van herkomst. De mysterieuze zin van deze woorden is illustratief voor de complexe verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid5 in haar eigen werk: ‘Il faut chercher en soi-même autre chose que soi-même pour pouvoir se regarder longtemps.’ Kees Snoek

Indische Letteren. Jaargang 14

116

Bibliografie August Hans den Boef, ‘De kool en de geit in de theeplantage. Hella S. Haasse in Indië’. In: Dietsche Warande & Belfort 137, 5 (oktober 1992), p. 617-623. August Hans den Boef, ‘De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle’. In: De Groene Amsterdammer, 9 juni 1993. Hella S. Haasse, ‘In het klimaat van du Perron’. In: Vrij Nederland, 5 maart 1955. Hella S. Haasse, Oeroeg. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverijen Singel 262, 1997 (drieënveertigste druk, als Singelpocket). Hella S. Haasse, ‘Oeroeg’ [ingezonden brief]. In: De Groene Amsterdammer, 23 juni 1993. Hella S. Haasse, Zwanen schieten. Amsterdam: Querido 1997. Rudy Kousbroek, ‘De Indische ballingschap’. In: Rudy Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom. Amsterdam: Meulenhoff 1995 (vierde, uitgebreide druk), p. 141-169. Kees Snoek, ‘“Een vreemde in het land van mijn geboorte”. Over Hella S. Haasse en Indië/Indonesië’. In: Mariëtte Haarsma, Greetje Heemskerk & Murk Salverda (ed.), Ik maak kenbaar wat bestond. Leven en werk van Hella S. Haasse. 's-Gravenhage/Amsterdam: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum/Em. Querido's Uitgeverij B.V. 1993, p. 16-38. Peter van Zonneveld, Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur. Amsterdam: Amsterdam University Press 1995. Peter van Zonneveld, ‘Het onbereikbare geboorteland. Indië in het werk van Hella S. Haasse’. In: Indische Letteren 13, 1 (maart 1998), p. 3-13. Kees Snoek studeerde Nederlands in Leiden en is sinds 1997 buitengewoon hoogleraar in Straatsburg. Op dit moment werkt hij aan de voltooiing van de biografie van Du Perron.

Eindnoten: 1 2 3 4 5

Hella S. Haasse, Oeroeg, p. 39, 58. Idem, p. 58. Idem, p. 6. Rudy Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom, p. 162. Peter van Zonneveld tekent protest aan tegen het feit, dat ik ‘Een perkara’, waarin de hoofdpersoon zijn halfzuster ontmoet, een ‘verhaal’ noem en geen autobiografische tekst. Ter staving van zijn biografische interpretatie van dit verhaal voert hij een passage aan uit Zwanen schieten, waarin Hella Haasse vertelt hoe ze erachter kwam, dat ze een Indische halfzuster heeft. Maar wie die passage opslaat (op p. 49 e.v.) ziet, dat Haasse die ontdekking deed in 1982, terwijl het verhaal uit 1954 dateert. Ook al zou Haasse bij het schrijven van ‘Een perkara’ vermoedens hebben gehad over een Indische halfzuster, dan nog lijkt het mij een verhaal: product van de verbeelding eerder dan de weergave van een autobiografische werkelijkheid.

Indische Letteren. Jaargang 14

Indische Letteren. Jaargang 14

117

Uitnodiging Op zondag 26 september 1999 organiseert de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde haar jaarlijks Bronbeek-symposium. Dit jaar is het thema: ‘Humor in de Indische letteren’. Het programma ziet er als volgt uit: 10.45

Ontvangst met koffie.

11.15

Opening. Bert Paasman: Een humoristische reis door Insulinde? Gerard Termorshuizen: De Indische Humorist. Reggie Baay: Indische ‘Wichtig-macherei’ gehekeld. De satire in de Indische toneelliteratuur. Joop van den Berg: Humor achter Japans prikkeldraad; een kleine oogst maar onmiskenbaar aanwezig. Discussie.

13.00

Lunchpauze.

14.30

Coen van 't Veer: Soesah op een zeereis. Humor in Herman Salomonsons Zoutwaterliefde. Huub de Jonge: Een waterval zonder water. De droge humor van A. Alberts.

15.10

Theepauze. Liesbeth Dolk: Glimlachen in september. Humor bij F. Springer Edy Seriese: Humor bij Tjalie Robinson. Discussie.

16.30

Afsluiting en borrel.

De lezingen zullen worden afgewisseld met enkele korte sketches van de acteur Bart Kiene. In de pauze is er gelegenheid het museum en de bibliotheek van Bronbeek te bezoeken (gratis voor MJK-houders). Plaats: Bronbeek. Congres- en reüniecentrum Kumpulan, Velperweg 147, 6824 MB Arnhem. Bronbeek is te bereiken met bus 1 en 119 vanaf station Arnhem.

Indische Letteren. Jaargang 14

Aanvang: 10.45 uur. Toegangsprijs: f 17,50 inclusief koffie, thee en een borrel. Lunch: Als u gebruik wilt maken van de lunch kunt u dat aangeven op het inschrijfformulier. Een portie nasi rames kost f 18,50 en dient ter plaatse te worden betaald.

Indische Letteren. Jaargang 14

118 Inschrijving: U kunt zich aanmelden voor het symposium door het inschrijfformulier of een fotokopie ervan vóór 1 september op te sturen aan: Humor-symposium, t.a.v. Marijke Darlang Derde Schinkelstraat 56, 1075 TM Amsterdam Het bedrag van f 17,50 maakt u over op postbanknummer 1977068 t.n.v. de penningmeester van de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde te Alphen aan den Rijn, o.v.v. ‘Humor-symposium’. Inlichtingen: Als u nog vragen heeft kunt u contact opnemen met Marijke Darlang: tel.: 020-6794114; e-mail: [email protected]

Indische Letteren. Jaargang 14

121

[Nummer 3] Redactioneel Op 15 augustus j.l. werd bij het Indisch monument in Den Haag de capitulatie van Japan, nu vierenvijftig jaar geleden, herdacht. Carel Jan Schneider was tien jaar toen hij in 1942 in Bandoeng het kamp in ging. Zijn literaire alter ego F. Springer schreef over die Japanse tijd en de periode erna in Tabee, New York (1974), Bandoeng-Bandung (1993), en het meest recent in Kandy (1998). Eind vorig jaar hield Springer in het kader van zijn gastdocentschap aan de Universiteit Leiden in het Academiegebouw de twee zogenaamde ‘Verweij-lezingen’. In één daarvan ging hij opnieuw terug naar de periode 1942-1945, ditmaal vooral naar de (jeugd)boeken die hij rondom die jaren las en de invloed die er van uit is gegaan op zijn latere werk. Behalve een verslag van Springers vroege leesvoorkeuren, geeft het verhaal ook een bijzondere sfeertekening van die maanden van spanning en onrust voor de internering. ‘Lezen in Indië’ heeft Springer deze terugtocht hier genoemd en we zijn hem zeer erkentelijk dat we zijn lezing in ons tijdschrift mogen afdrukken. De Indische kinder- en jeugdboeken van Diet Kramer zijn het onderwerp van een artikel van Marleen van Vuurde. Verder vindt u in dit nummer een fascinerende bijdrage van Hans Straver waarin hij laat zien hoe een door Rumphius beschreven historisch voorval dat plaatsvond in 1646 op het eiland Hitu in de Molukken, ruim twee eeuwen later in de Indische bellettrie en nog later in de Molukse (orale) cultuur opnieuw tot leven komt. Het septembernummer wordt afgesloten met de ‘Lijst van Indische Letteren 1997’. In de laatste maanden van dit millennium organiseert de Werkgroep nog twee bijeenkomsten. Het jaarlijkse symposium, met dit jaar als thema: ‘Humor in de Indische letteren’, vindt plaats op 26 september in het Congres- en reüniecentrum Kumpulan, Bronbeek, Velperweg 147, Arnhem. De uitnodiging voor dit symposium en alle gegevens, ook met betrekking tot de inschrijving en een eventuele lunch, waren te lezen in het juninummer van Indische Letteren. Mocht u zich nog niet hebben opgegeven en wilt u dat alsnog doen, dan wordt u verzocht zo spoedig mogelijk telefonisch (020-6794114) of per e-mail ([email protected]) contact op te nemen met Marijke Darlang. In november vindt in Leiden een lezingenmiddag plaats. De uitnodiging hiervoor vindt u achterin dit nummer.

Indische Letteren. Jaargang 14

122

Carel Jan Schneider (rechts) met zijn moeder en broertje Eric. Bandoeng, mei 1940. Collectie F. Springer.

Indische Letteren. Jaargang 14

123

Lezen in Indië Over Tarzan, Flash Gordon en andere vroege helden* F. Springer In 1942 veegden de Japanse legers hardhandig en in de tijd gemeten in een vloek en een zucht de trotse maar ook gezapige kolonie Nederlands-Indië van de kaart. Wij woonden in Bandoeng, toen nog op oudvaderlandse wijze met oe geschreven. Mijn vader was leraar aan het Christelijk Lyceum in die stad. Hij gaf Duits, maar die taal werd op de scholen in Indië al snel na 10 mei 1940 taboe verklaard. Hoewel ook de taal van Goethe en Thomas Mann, diens zelfverklaarde plaatsvervanger op aarde, was Duits voortaan in Indië alleen nog maar de taal van de vijand. Mijn vader werd bijkans van vandaag op morgen hulpdocent Nederlands en gelukkig voor hem was het Lyceum christelijk en hij zelf ook, dus kon hij met godsdienstonderwijs zijn verplicht aantal lesuren halen. Hij was toen 35. Natuurlijk werd hij ook landstormsoldaat - iedere Europese man die in Indië kon lopen en fietsen werd opgeroepen - en vlak voor de komst van de Japanse troepen bombardeerde men hem zelfs nog tot reserve tweede-luitenant van het Kon. Ned. Ind. Leger. Hoewel militaire organisaties waar het dienstplichtigen betreft, vaak uitmunten in het zetten van de verkeerde man op de verkeerde plaats, kreeg mijn vader warempel zinvol en nuttig werk, en wel bij de cryptologische afdeling van het geallieerde hoofdkwartier (Nederlands-Indisch, Brits, Australisch) toen dat, op de terugmars uit Azië voortgebezemd door de Japanners - enige tijd op Bandoeng bivakkeerde, op nog geen tien minuten van onze straat verwijderd. Daar was mijn vader, samen met anderen, belast met het coderen en decoderen van geheime telegrammen die de geallieerde bevelhebbers ter zee, te land en in de lucht met elkaar wisselden in die eindfase van de strijd om Nederlands-Indië, ach, van de strijd om geheel koloniaal Azië. Ik was trots op mijn vader als ik hem 's morgens op zijn fiets zag wegrijden,

*

Deze lezing verscheen, in een sterk bekorte versie, onder de titel ‘Vroege leermeesters’ eerder in de NRC van 20 november 1998. Hier wordt de volledige tekst afgedrukt. F. Springer paste voor Indische Letteren alleen het slot van zijn verhaal enigszins aan.

Indische Letteren. Jaargang 14

124 in zijn groene uniform, kakiputtees om de kuiten, soldatenkistjes aan de voeten, bivakmuts schuin op het hoofd, een revolver op zijn heup bungelend, en een pakje brood onder de snelbinder. Wanneer hij thuiskwam, was hij heel moe en somber en gaf geen antwoord op onze vragen en die van nieuwsgierige en angstige buren. Allemaal wilden wij weten hoe beroerd onze zaak er vandaag weer voorstond - en als één dat wist, was dat natuurlijk de man die als eerste de telegrammen van de Nederlandse, Engelse en Australische generaals en admiraals te lezen kreeg. Hij mocht niets zeggen, alles zeer zeer geheim, en hij zei niets, maar aan zijn gezicht zagen wij dat het snel slechter ging en dat de geruchten over vijandelijke landingen op eilanden van onze Archipel helemaal geen geruchten wáren. Ik zie de kring dames en heren uit onze straat nog om hem heen zitten, op onze veranda, januari-februari 1942; ik was net tien geworden, een potje met grote oren, en ik zat op de leuning van mijn vaders stoel, een arm om zijn schouder. De oude meneer van nummer 14, tegenover ons, kwam altijd in gestreepte pyama aansloffen, net uit zijn rustuur verrezen. Maar vader zei niets tegen ons. De anderen analyseerden dan druk en nerveus de toestand, af en toe even snel naar hem kijkend of hij misschien iets wilde beamen of ontkennen. Maar hij liet niets los, want hij stond onder ede, zei hij steeds weer. Die eed gold niet in de echtelijke slaapkamer, merkte ik. 's Avonds laat als mijn broertjes en ik geacht werden allang te slapen, luisterde ik stiekem aan hun deur en hoorde mijn vader dan heel indringend fluisteren en een paar keer hoorde ik mijn moeder zacht huilen. Maar de volgende ochtend was ze opgewekt als altijd en dan zei ze tegen ons, kinderen: Kom, jongens, we gaan zwemmen, of: laten we naar de dierentuin gaan, of: laten we naar het IJzermanpark gaan waar jullie kikkervisjes kunnen vangen want de scholen waren allemaal gesloten en wij en onze vriendjes hoopten dat ze nooit meer open zouden gaan, maar soms verveelden wij ons wel. Ook de in de achtertuin aangelegde schuilkelder - een eenvoudige kuil onder een dak van zandzakken, zoals vrijwel iedereen in de buurt die had voor het geval dat Japanse jachtvliegtuigen onze wijk zouden komen mitrailleren - ook die schuilkelder was geen leuk rovershol meer of een fort in de Far West (gezien in de bioscoop), want er stond al gauw een halve meter modderig grondwater in. En toen het hoofdkwartier bij ons om de hoek werd opgedoekt, de generaals vertrokken waren, en de laatste geheime documenten en de code-apparatuur vernietigd, zaten wij daar in ons vriendelijk villaatje in een lief laantje aan de rand van het koele lustoord Bandoeng, en wachtten af. Net als veel andere huizen in onze laan was ook ons huis vol mensen, in maart 1942. Vrienden, vanuit de buitengewesten naar Java geëvacueerd. Vrouwen en kinderen van wie de mannen en vaders ergens in Indië gevochten hadden, maar die na de verloren strijd nog

Indische Letteren. Jaargang 14

125 niet waren opgedoken. Onrust en spanning, ook voelbaar voor kleine potjes met grote oren. Mijn vader was in die eerste dagen na de capitulatie nog wel thuis, wachtend op orders van de Japanse bezetter, waar hij en zijn wapenbroeders zich moesten melden om in krijgsgevangenschap te gaan. Wij leefden in een vacuüm, net als onze trouwe, Javaanse bedienden. Vele uren zat mijn vader stil in zijn studeerkamer, achter het bureau waar hij niet lang tevoren nog avond aan avond bijlessen Nederlandse taal had gegeven aan minder snel van begrip zijnde lyceïsten. Drie wanden vol boeken, één kast zo hoog dat er een trapleertje voor stond. De Duitse klassieken in mooie, uniforme rijen, over wie hij toen op school niet meer mocht spreken. Ik kwam hem welterusten zeggen. Zijn dienstrevolver lag voor hem op het bureau. ‘Die heb ik vergeten in te leveren’, zei hij, ‘maar niemand vroeg er naar. Ik heb nooit geleerd hoe je moet omgaan met dat ding, maar ach, dat is nu ook niet meer nodig.’ En hij wees op de boeken om ons heen en zei tegen mij: ‘Ik ga weg van jullie, misschien wel voor heel lang, maar wil jij dan op mijn boeken passen? Je kunt nog wel geen Duits en Engels lezen, maar je weet hoeveel ik van ze houd en als ik terugkom, zal ik je gauw die talen leren, vooral Duits, want Goethe is eeuwig en die heeft alles gezegd wat een mens moet weten.’ En hij ging, en alle beroepsmilitairen en landstormers gingen, en in de weken en maanden daarna volgden de andere mannen uit onze laan: de ouderen, de zieken, de afgekeurden - maar wij, vrouwen en kinderen leefden voorlopig, ongehinderd maar toch bang, verder in onze Indische binnenhuisjes. Mijn vriendjes en vriendinnetjes en ik, wij zwommen en speelden en wij zagen in die luchtledige maanden de vijand maar zelden. Een enkele Koreaanse stoottroeper, graskrans als camouflage rond zijn helm, fietste wel eens door de buurt en zelfs als wij, jongetjes, hem najouwden tot schrik van onze moeders, grijnsde hij alleen en fietste rustig verder. Over vrouwenkampen was toen nog niets vernomen. Zoals gezegd: wij leefden in een vacuüm. Ik nam het verzoek van mijn vader, om tot zijn terugkomst op zijn boeken te passen, heel ernstig. Ik zat nu op mijn beurt uren in zijn kamer, staarde naar zijn boekenkasten en naar het bakje met scherp geslepen potloodjes waarmee hij proefwerken corrigeerde. Heel veel later gebruikte hij nét zulke potloodjes om de drukproeven van mijn eerste publicaties op fouten te controleren. In de meeste boeken rondom mij, waarvan ik er af en toe één eerbiedig in handen nam, had hij zijn handtekening gezet, maar die was onleesbaar, dus leek het mij goed de mijne, zéér leesbaar, want in kinderlijke hanenpoten, onder de zijne te zetten, compleet met adres. Dan zou er in elk geval later nooit aan getwijfeld kunnen worden wie de eigenaar van die boeken was, en als mijn vader terugkwam zou hij zeker niet erg vinden wat ik gedaan had.

Indische Letteren. Jaargang 14

126

‘[...] die eigenaar was ik, want mijn naam stond op alle schutbladen, uitstekend leesbaar vanwege die hanenpoten’. Collectie F. Springer.

Indische Letteren. Jaargang 14

127 Toen mijn moeder de oproep kreeg, najaar 1942, om te verhuizen naar een ander deel van de stad, dat als kamp voor Europese vrouwen en kinderen moest dienen, was ik nog lang niet klaar met mijn bibliothecaris-arbeid, maar behalve hoognodig meubilair en huisraad dat we toen nog mochten meenemen (het was pas het begin van de kamptijd), konden die honderden boeken van mijn vader natuurlijk onmogelijk mee verhuizen. Maar ik heb hem beloofd dat ik ze voor hem zou bewaren, huilde ik tegen mijn moeder. Na de oorlog, in '49 of '50, werd er bij ons in Den Haag een kist bezorgd, vol Goethe, Lessing, Heine, Schiller, met sporen van waterschade en veel platte, uitgedroogde kakkerlakken ertussen. Kort briefje van een onduidelijke instantie er bij: ‘aangetroffen in Depot 10 te Bandoeng en aan eigenaar te retourneren onder rembours’. En die eigenaar was ik, want mijn naam stond op alle schutbladen, uitstekend leesbaar vanwege de hanenpoten. Mijn vader keek mij aan. ‘Je hebt je belofte gehouden’, zei hij. Goethe en alle andere vrienden van mijn vader kon ik als tienjarige niet lezen, maar wel was ik al bevangen door een niet te stillen leeshonger. De geijkte lectuur voor een jongen van tien, toen: Dr. Karl May's reisavonturen, die dikke pillen met een fraai uitgedoste Indiaan op het omslag; Jules Verne, de serie in de even bekende blauwe harde kaft met oude gravures tussen de tekst waardoor Kapitein Nemo voor eeuwig op mijn netvlies bleef; Pietje Bell en zijn kwajongensstreken - dat alles had ik al lang achter mij gelaten. De jeugdboeken die ik op verjaardagen cadeau kreeg en die volgens de uitgever ‘geschikt waren voor jongens en meisjes van 8 tot 12 jaar’ vond ik oersaai en die gaf ik dan ook ongelezen door aan mijn jongere broer en die vond er, geloof ik, ook al gauw geen bal aan. Van een iets ouder vriendje uit onze straat, zestien was die al, dus in mijn ogen een hele Piet, baard in de keel, dons op de kin, Gerrit Lanting heette hij, mocht ik een paar deeltjes Tarzan lezen - kleine boeken, in lichtbruine omslag. Tarzan van de Apen, Tarzan en de juwelen van Opar, De dieren van Tarzan. Dát was spannender kost. Even terug naar kerstavond 1941. Mijn vader stak de kaarsen aan in onze kerstboom - vijf jaar duurde het voordat wij hem dat weer zouden zien doen - en las ons een kerstverhaal voor. Plot: nukkige, dwaze jongen wil met Kerstmis niet met zijn ouders mee naar de kerk, ‘geloven in Jezus, dat doe ik niet’, snauwt hij en blijft thuis, alleen in de boerderij, en een storm steekt op, hij hoort ‘help, help!’ roepen en redt een drenkeling en zijn ouders en de dominee prijzen hem. Dat was de strekking van het verhaal dat mijn vader onder de kerstboom voorlas. Ik zag de goede afloop al aankomen en vond het maar melig, en dat liet ik te

Indische Letteren. Jaargang 14

128

‘Flash Gordon en zijn strijd tegen de buitenaardse keizer Ming’. Collectie F. Springer.

Indische Letteren. Jaargang 14

129 duidelijk merken, want hij onderbrak zichzelf en vroeg waarom ik niet oplette, net als de andere ademloos toeluisterende aanwezigen. ‘Omdat ik Tarzan veel spannender vind’, zei ik brutaal. ‘Tarzan? Wie is dat?’ De goede man, mijn eigen vader, had nog nooit van Tarzan gehoord! Ik haalde van onder een divankussen het deeltje De dieren van Tarzan te voorschijn. ‘Kent u dat boek niet? En u hebt alles gelezen!’ Hij bladerde, onder doodse stilte, de kaarsen flakkerend in de boom, onze huisbediendes op hun hurken in een hoek van de kamer, met vragend opgetrokken wenkbrauwen een ogenblik in Tarzan, vroeg mij toen hoe ik aan die ‘kitsch’ kwam. ‘Niet geschikt voor jou. Baarlijke nonsens’, was zijn verpletterend oordeel. Helaas voor mij bleef het die laatste kerstavond in ‘ons Indië’ niet bij dat vonnis. Er woonde bij ons in huis een lang, blond meisje. Ze heette Polly en zat bij mijn vader op het lyceum. Haar ouders woonden op een afgelegen onderneming op Sumatra. Zij was achttien en twee keer blijven zitten en ze had steeds hopeloos slechte rapporten, maar ook beleefde zij vele kortstondige, doch daarom niet minder heftige liefdesavonturen met vooral adelborsten, van wie zij dacht dat die haar de een na de ander, tot in eeuwigheid zouden beminnen. Maar niets beklijft in dit leven. Niet alleen vanwege de adelborsten vond ik het begrijpelijk dat haar prestaties op school diep onvoldoende waren. Soms bespiedde ik haar en dan zat ze nooit huiswerk te maken, maar dan lag ze op haar buik op bed, benen achter zich in de lucht, een boek voor zich en een doos bonbons naast zich die zij in hoog tempo leeg at. Dit was zonder meer al een fascinerend gezicht voor een jongen van tien, maar toen ik ontdekte wat ze, half in trance, lag te lezen, wilde ik, hoewel veel te jong voor adelborst, niets liever dan Polly's vriendje zijn. Flash Gordon! De vroege science fiction stripverhalen van Alex Raymond. Een heldendicht van avontuur. Bemande raketten naar onbekende planeten. Bizarre, boosaardige wezens, gevleugelde monsters, en alles in werkelijk schitterende, geniale tekeningen. Flash Gordon en zijn strijd tegen de buitenaardse keizer Ming kenden wij jongens uit het populaire Indische weekblad d'Oriënt, maar nu was dat epos ook in boekvorm verschenen en Polly had een exemplaar! Ik wist niet hoe gauw ik bij haar in het gevlei moest komen. Dat was niet moeilijk. ‘Heb je je huiswerk al af?’, hoefde ik maar te vragen toen ze me zag gluren, en ze wou al meteen een deal maken. ‘Niks tegen je pa zeggen’, zei ze. Vanaf die dag deed ik kleine klusjes voor haar, zoals haar fietsbanden oppompen, stiekem sateh en ijsjes naar haar binnensmokkelen in het rustuur, de siesta, die zelfs in die spannende dagen nog door velen geheiligd werd, en dan volgende week misschien al, als zij Flash Gordon uit had, mocht ik het boek van haar lenen. Ach, zij was zo lief, Polly, want ze wou mij Flash en keizer Ming niet lenen, zei ze, maar cadeau geven, en dat deed ze dan ook. Jammer genoeg legde ze het door mij zo fel begeerde prachtboek

Indische Letteren. Jaargang 14

130 onder diezelfde laatste kerstboom van ons tempo doeloe. En Flash Gordon, daar had mijn vader wel degelijk van gehoord. In de leraarskamer had een collega dat stripverhaal getypeerd als smaakbedervende onzin, ziekelijke fantasie, niet geschikt voor christelijke scholieren. Brave leraren waren het, in een brave, lang verzonken tijd. Polly, mijn vriendin, wier geheime passies voor adelborsten en fictieve astronauten ik niet verraden had, moest het boek terugnemen en zij en ik hebben toen een beetje gehuild, na het feest, in haar kamertje en natuuurlijk heb ik het boek die kerstnacht toch gelezen in bed, met een zaklantaarn, en één oor gespitst in de richting van mijn vaders kamer. W.G. van de Hulst, Karl May, Jules Verne en alle andere jeugdboeken al lang gepasseerde stations; Flash Gordon verboden, Tarzan anathema, ja wat moet je dan als tienjarige in 's hemelsnaam lezen? Maar de verhuizing naar het vrouwenkamp loste mijn lectuurproblemen op. Mijn moeder, broertjes en ik kregen anderhalf kamertje toegewezen in een kabouterhuisje, in een hofje waar tot voor kort ouden van dagen gewoond hadden. Waar die gebleven waren wisten we niet. Een poortje onderdoor waarop Emma Hofje geschilderd stond en dan kwam je in een smal straatje, niet meer dan een stenen pad, met aan weerszijden van die kabouterhuisjes, die binnen een paar dagen volgepropt werden met vrouwen en kinderen uit andere wijken van Bandoeng. De oudste jongens, vijftien, zestien jaar, onder wie Gerrit Lanting, werden al gauw weggehaald en naar een mannenkamp getransporteerd, want zij waren al mánnen, zeiden de Japanners, en wij, hun jongere vriendjes die achterbleven, waren in ons hart een beetje jaloers en verontwaardigd. Was ik, toch bijna elf, dan géén man? Waarom moest ik bij die moeders en kleuters blijven? Die jaloezie en verontwaardiging waren van korte duur, want op onze beurt werden mijn leeftijdgenootjes en ik ook al spoedig door de Japanse keizer tot man verklaard. Maar we zijn nog in het najaar van 1942, toen wij het Emmahofje binnentrokken. Aan het eind van het stenen pad met lilliputterhuisjes was een zaaltje waar in betere tijden de bejaarde bewoners van het hofje samenkwamen voor kerkdiensten. Twintig rijen klapstoeltjes, een lessenaar voor de voorganger, een klein toneelpodium, een harmonium, zelfs een piano. Onder de bewoonsters van ons kamp bevonden zich ook vrouwen die uit de vooroorlogse wereld van toneel, cabaret, ballet en muziek afkomstig waren. Al gauw was er elke avond in ‘'t Zaaltje’ zoals het gebouwtje al gauw gedoopt werd, iets kunstzinnigs te zien en te horen. Pianorecitals, zanguitvoeringen, klassieke dans, maar ook tango's, declamatie, toneel, cabaret. Bekende namen uit het Indische culturele leven traden op. Corry Vonk en haar vrouwelijke collega's van Wim Kans ABC-cabaret, dat door het uitbreken van de oorlog in Indië gestrand was, gaven vele voorstellingen in ‘'t Zaaltje’ en mij (waarom weet ik niet meer, het zal wel toeval geweest zijn) mij had

Indische Letteren. Jaargang 14

131 ze uitgekozen uit de jongetjes en meisjes die met hun neuzen tegen de ramen van 't Zaaltje geplakt haar repetities begluurden, om haar ‘assistent’ te zijn. Zo noemde zij dat: ‘Jij bent mijn assistent.’ Ik trok achter het toneeltje aan touwen om het doek open of dicht te schuiven. Ik droeg de tas met schminkspullen van en naar haar optrekje even buiten het hofje. Zij brak haar been, maar ze bleef optreden, en ik flanste van een paar planken een vervoermiddel in elkaar, op houten wieltjes van een kapotte kinderwagen, en sleepte haar zo achter mij aan naar de voorstellingen. Zij was een vederlicht, klein vrouwtje, maar met de diepe stem van een dragonder, en één keer verloor ik haar zonder het meteen te merken. ‘Hé, koetsier, kejje niet uitkaike’, bulderde ze, op straat liggend, gipsbeen in de lucht, maar ze was niet boos. Als ik nu wel eens langs het door Amsterdam afgedankte beeld van haar en Wim Kan voor het Scheveningse Kurhaus wandel, hoor ik haar nog beieren: ‘Hé, koetsier, kejje niet uitkaike.’ Ik had het over toeval, maar dat bestaat natuurlijk helemaal niet, alles gaat zoals het moet gaan. In Burma - dit is een zijsprong in mijn verhaal - als slaven werkend aan die verdoemde spoorlijn, waren mijn vader en Wim Kan een tijd lang kampgenoten. Ze kenden elkaar niet van Java. Op 16 januari 1943 noteert Kan in zijn later gepubliceerde Burmadagboek: ‘Gisteren mijn verjaardag gevierd ... Bij Lucas en Schneider wiens zoon die dag 12 jaar werd [mis Wim!, ik was elf die dag]. Ergens (zo hoopten wij) zaten nu dames in Bandoeng en vierden het feest ook. Misschien wel Corry met mevrouw Schneider.’ En zo was het ook! En in later jaren, wanneer Wim en Corry bij ons in de stad optraden, zaten wij altijd op de eerste rij. En als de cabaretier dan vanaf het toneel mijn vader herkende, maakte hij een paar geïmproviseerde toespelingen op Burmese toestanden van toen. Terug naar het ‘Zaaltje’, dat ik u beschreven heb. Ook de toen wereldberoemde pianiste Lily Kraus, net als het ABC-cabaret op tournee in Nederlands-Indië in de val gelopen, trad er op, en alles wat er vertoond werd, van buikdanseressen tot spiritistische séances, zogen mijn vriendjes en ik op. Maar één ding, het mooiste, noemde ik nog niet en dat raakt de kern van dit verhaal: één hele zijwand van 't Zaaltje werd in beslag genomen door boekenkasten. Dit was de bibliotheek van het bejaardenhofje en dit wass een boekenschat die zich wél ogenblikkelijk voor mij ontsloot. Niks geen ontoegankelijke Goethe, Lessing en Heine in gotisch geheimschrift, zoals in vaders kamer, maar een heiligdom dat zonder enig wachtwoord betreden kon worden. Lange rijen kleurige banden, beduimeld en half stukgelezen vaak; boeken uit de vorige eeuw stonden er, maar voornamelijk toch romans uit de jaren twintig en dertig van ónze eeuw, en allemaal in het Nederlands, om het de eenvoudige zielen die hier gehuisd hadden (en ook mij) gemakkelijk te maken. Liefdesverhalen, detectives, avonturenromans, stuk voor stuk boeken waarvan er niet één een plaats in vaders kast verdiend zou

Indische Letteren. Jaargang 14

132

Collectie F. Springer.

Indische Letteren. Jaargang 14

133 hebben, dat wist ik zeker, maar hij was er niet meer om mij het plukken van die verboden vruchten te verbieden, en ik kon mij vele maanden achtereen ongestoord door die paar honderd exemplaren ontspanningslectuur heen eten, gulzig en onverzadigbaar. Voor een fraaie definitie van het genre boeken dat de Bandoengse ouden van dagen te consumeren kregen (wonderlijk genoeg waren er in die kasten maar weinig zogeheten stichtelijke boeken te vinden terwijl het Emmahofje toch een protestants-christelijke signatuur droeg) kunnen we terecht in Meyers Großes Handlexikon: ‘Trivialliteratur: Schrifttum ohne literarischer Anspruch und in billigen Aufmachung. Gut und Böse stehen undifferenziert gegeneinander, Abenteuer und Gefahr umgeben den Helden. Das wirkliche Leben und seine Problemen werden weitgehend durch eine Scheinrealitat ersetzt.’ Nou, zo voelde ik het als tienelfjarig ventje niet, en de bejaarde lezers en lezeressen vóór mij waarschijnlijk ook niet. Ik kon in zo'n romantisch verhaal vol Scheinrealitat onmiddellijk in de huid van de held kruipen, zijn hartstochten waren niet verpakt in psychologisch gezwam. Recht voor zijn raap traden mijn triviaalridders het kwade tegemoet en zij zegevierden altijd. Helemaal mooi was het als zij op de laatste bladzij ook nog de al dan niet heimelijk beminde vrouw in hun armen sloten, en dat was inderdaad meestal het geval. Ik ga, dit vertellend, bijna automatisch de cliché-toon van het genre overnemen. Weer even een zijsprongetje: later vond ik op boekenmarkten wel eens zo'n oude, beduimelde vriend terug, jammer genoeg vaak niet meer te pruimen, maar dat lag dan dikwijls ook aan de beroerde vertaling. Ik heb een vertaler van dit soort boeken gekend. Hij deed minstens twee vertalingen per week, in de avonduren, aan een minuscuul bureautje in de huiskamer, en als er bezoek was, nam hij al typend gewoon deel aan het gesprek. ‘Zo, klaar is Kees’, zei hij een keer, tevreden achterover leunend, ‘ze kregen mekaar. Wat een rotzooi, maar ik kan er mijn sigaren van betalen.’ Het aardige van dit soort boeken, vooral voor een aankomend, nog niet met kritisch inzicht belast lezertje, is dat je niet in de gaten hebt dat je steeds één en hetzelfde verhaal voorgeschoteld krijgt, of het nou in donker Afrika, zondig Parijs of het ruwe Wilde Westen speelt, om weer een paar cliché-adjectieven te gebruiken. Je hoeft alleen maar over een simpele ziel te beschikken en een beetje naïef, sentimenteel en escapistisch van aanleg te zijn. En zo zat dit kampjongetje anno 1943 wel in elkaar. Soms denk ik, kon je je hele leven maar zo ongecompliceerd blijven lezen. Een paar titels van wat er zoal in die oude kampbibliotheek te vinden was. Kruitdamp en paardehoeven, door Eugene Cummingham. Ooit van gehoord? Bij gebeefd van spanning.

Indische Letteren. Jaargang 14

134

Carel Jan Schneider op 16-jarige leeftijd. Den Haag, 1948. Collectie F. Springer.

Indische Letteren. Jaargang 14

135 De dood van een gravin, door Francis Johnson. Bij gehuild. Een liefde in Parijs, door Frederic Marton. Erectietjes bij gehad. Deze drie namen heb ik met moeite uit mijn geheugen opgevist, ze zijn dan ook totaal onbelangrijk, en de ontelbare andere auteurs die mij toen spanning en verrukking bezorgden ben ik compleet vergeten, behalve Hedwig Courts-Mahler natuurlijk, maar die is dan ook met een schier onafzienbare rij zoet-romantische deeltjes als onbetwiste pulpkoningin van die vooroorlogse jaren onsterfelijk geworden. (Voor de tijd van nu zou Barbara Cartland een goede kandidate zijn.) Na wat ik hiervoor vertelde, zal het u niet verbazen, als ik zeg dat ik niet neerkijk op dit goeddeels anonieme leger van droomfabrikanten. Het zijn vaklui en het is prettig te weten dat zij er zijn en altijd zullen zijn. Het is een prestatie om boekjes te schrijven, bijna zei ik boeketjes, die bijvoorbeeld iemand in de trein tussen laten we zeggen Rotterdam en Amsterdam kunnen meevoeren naar onbestaanbaar geluk. Het boekje is uit als je het Centraal Station binnenrijdt en je arriveert ontspannen op je werk. Ik zei ‘iemand’, maar er moeten honderdduizenden van die ‘iemanden’ zijn als je de vele kleurige stapeltjes met steeds nieuwe titels in de kiosken ziet liggen. God zegene al die nuttige schrijvers en schrijfsters, en al hun lezers en lezeressen, van wie ik er ook één ben geweest, toen in dat Bandoengse hofje. En dan zijn er de schrijvers die vertoeven in een soort grensgebied tussen de echte oftewel grotemensenliteratuur en de onspanningsliteratuur. De literaire scherprechters willen hen best als ‘goede vertellers’ kwalificeren, maar een grote L krijgen zij toch zelden opgeplakt. Populariteit, veel gelezen zijn, goed verkocht worden - volgens de geleerden mogen dat geen redenen zijn om zo'n auteur zonder meer tot de hoge letterkunde te rekenen. Laat ik maar meteen zeggen dat ik zelf de vraag of we die en die schrijvers nu wel of niet tot de officiële letterkunde moeten rekenen totaal oninteressant vind. Als ik eenmaal een perfecte, intieme, dierbare band met een boek heb, zoals je die alleen met een geliefde kunt hebben, dan komt dat boek op mijn lijst, ook als is het door de wetenschap unaniem, met alle duimen omlaag, voor eeuwig als onbenullig, triviaal prutswerk bestempeld. U begrijpt dat na het op tedere, onbevangen leeftijd verorberen van die Bandoengse bejaardenboekerij op mijn lijst van favorieten een paar van dergelijke romans hoge plaatsen innemen. Nu geef ik mij dan maar bloot door een paar titels te noemen van dierbare geliefden. Onder mijn mooiste boeken komt u tegen, maar dan nú wel naast Goethe's Werther en Thomas Manns Tonio Kröger. Lost Horizon van James Hilton, waarin hij de naam ‘Shangri-la’ tot een begrip maakte.

Indische Letteren. Jaargang 14

136 Liebe und Tod auf Bali, van Vicki Baum, om dit boek en vele andere van Vicki ben ik nog in het kamp op haar verliefd geworden. Carrière van Ferenc Körmendi. Duimendikke weemoed en erotiek in het vooroorlogse Budapest. Rebecca, van Daphne du Maurier. Vol sinistere geheimzinnigheid. Deze schrijvers schiepen voor mij onvergetelijke personages. Van hen leerde ik als pril pubertje echt lezen. En toen ik zelf mijn eerste, kinderlijke, onbeholpen schrijfpogingen ondernam, heb ik steeds brutaal bij hen de kunst van het vertellen proberen af te kijken. Sommingen van u zullen nu misschien denken: dat is nog altijd te merken. Het laatste woord is aan mijn goede vader. Toen ik hem niet lang na onze gezinshereniging in Bangkok, 1946, opbiechtte dat ik in de kampjaren alleen maar boeken had gelezen, die hij zou hebben afgekeurd als hij er toen geweest was, zei hij: ‘Ach, jongen, een onderwijzer, een leraar, zelfs een professor denkt altijd dat hij 't beter weet. Maar iedereen moet in zijn leven uiteindelijk zelf kaf van koren leren scheiden.’ Ik begreep hem, en hij mij, maar daar waren in ons geval wel vier oorlogsjaren voor nodig geweest.

Indische Letteren. Jaargang 14

137

‘Een van zijn twee wijven schoot daar tusschen’ Koloniale geschiedenis in een Indische roman, een Ambonse hikajat en een Hituese kapata Hans Straver Rumphius maakte in De Ambonse historie (1687) melding van een dramatisch voorval tijdens de verovsering van de Hituese vesting Kapahaha, in de vroege morgen van 25 juli 1646. Hij rapporteert dat de aanvoerder van de vesting bijna in handen viel van de soldaten van de Verenigde Oostindische Compagnie: ‘Tolucabessij quam d'onze soo digt op 't lijf, datze hem meijnden te vatten, maar een van zijn twee wijven schoot daar tusschen, dewelke ook dood geschooten wierd, en hij ontquam het ter naeuwen nood [..-]’.1 Deze korte passage is aanleiding geweest tot een reeks verbeeldingen van de koloniale strijd tussen Hitu en de VOC, waaronder een Indische historische roman uit 1844, een Ambonse hikajat uit 1901 en een Hituese dorpsgeschiedenis die in 1997 te boek werd gesteld. In dit artikel volgen we het spoor dat het voorval heeft nagelaten in de literatuur en in de Molukse orale cultuur.

Om het voortbestaan van Hitu Hitu is de naam van het noordelijk schiereiland van Ambon. Tegenwoordig is het slechts een geografisch begrip, maar aan het begin van de zeventiende eeuw was ‘het land Hitu’ voor de Verenigde Oostindische Compagnie een politieke realiteit. Het was geen sultanaat, zoals Ternate of Tidore in de Noord-Molukken, maar een verband van zeven dorpenfederaties, met een ‘regering’ van vier leden. Afwisselend trad een van hen op als primus inter pares, met de door de Portugezen verleende titel Kapitan Hitu [aanvoerder van Hitu]. De historicus Knaap karakteriseert Hitu met zijn vierhoofdige regering als een voorbeeld van vroege staatsvorming, een ontwikkeling die voortvloeide uit de verbreiding en verplaatsing van de kruidnagelhandel van de Noord-Molukken naar de Midden-Molukken.2 De vasthoudendheid waarmee de Hituezen hun politieke en economische autonomie poogden te behouden, was de Compagnie een doorn

Indische Letteren. Jaargang 14

138

Indische Letteren. Jaargang 14

139 in het oog. In 1634 werd Kakiali, de toenmalige Kapitan Hitu, tijdens onderhandelingen opgepakt en verbannen naar het eiland Onrust bij Batavia. In de erop volgende jaren geraakten Ambon en omstreken in zo hevige beroering dat de Compagnie de controle dreigde te verliezen en in 1637 een vloot vanuit Batavia moest sturen om de orde te herstellen. Met die vloot kwam ook Kakiali terug: hij kreeg zijn titel weer, maar moest zijn bevoegdheden overdragen aan een door de Compagnie aangewezen ambtsdrager. Verbitterd trok hij zich terug in de Hituese vesting Wawani vanwaar hij de diplomatieke banden met Makassar verstevigde. De conflicten met de Compagnie bleven oplaaien en in 1643 werd Kakiali in opdracht van de Compagnie gedood door een huurmoordenaar. Een week later viel Wawani in handen van de Compagnie en de overlevenden vluchtten naar Kapahaha, een meer noordoostelijk gelegen vesting. De Compagnie meende dat dit het aangewezen moment was om de Hituese regering definitief af te zetten en de Hituese dorpen rechtstreeks onder haar gezag te stellen. In zijn kroniek De Ambonse historie stelde Rumphius dat dit beleid beschouwd moest worden als ‘een van de principaalste oorsaaken waaromse [de Hituezen hs.] de drie volgende jaren nog soo hartneckig gevogten hebben’.3 Tussen 1643 en 1646 vormde Kapahaha het laatste Hituese bolwerk. De Compagnie probeerde Kapahaha te bestormen en, toen dat ondoenlijk bleek, de toevoer van sago en vis te blokkeren. Blokkades en strafexpedities in de omgeving hadden aanvankelijk weinig effect, maar werden aangescherpt nadat een onderhandelingspoging was mislukt. Toen alle Hituese dorpen het verbod kregen nog op zee te vissen, brokkelde de steun aan Kapahaha af. Dat de vesting op 25 juli 1646 uiteindelijk werd ingenomen door een kleine groep soldaten onder aanvoering van kapitein Jacob Verheiden, kwam voor alle partijen toch nog onverwacht.

Hituese vertellers Na de val van Kapahaha vestigden de overlevenden zich op aanwijzing van de Compagnie aan de kust. Daar, in het dorp Morela, wonen hun nakomelingen tegenwoordig nog steeds. Zij beschouwen de geschiedenis van Kapahaha als de hunne. In de omgeving kunnen de ouderen nog de plekken aanwijzen waar de Hituese wachtposten waren gelegerd, waar schermutselingen plaatsvonden en waar de schansen van de Compagnie waren aangelegd. De strijd herdenken ze tijdens een jaarlijks adat-feest, in geschiedzangen en dansen. Het is opmerkelijk dat ook de vrouwen dan een tjakalele [traditionele krijgsdans] uitvoeren, als herinnering aan de actieve rol die zij bij de verdediging van Kapahaha hebben gespeeld.

Indische Letteren. Jaargang 14

140

‘Tjakalele serikandi Kapahaha’. Krijgsdans van de heldinnen van Kapahaha, geleid door ‘Putidjah’.

Indische Letteren. Jaargang 14

141

Blijvende actualiteit De geschiedzangen van Morela zijn recent op schrift gesteld en op cassetteband ingezongen door Suleman Latukau, een gezaghebbende adat-oudste.4 Hij heeft de zangen tevens voorzien van een toelichting in proza. De uitgave laat zien hoe Hituese zangers en vertellers de herinnering aan deze episode uit de koloniale geschiedenis overdragen aan jongere generaties. Ze stellen niet in de eerste plaats belang in de histoire de bataille, maar vooral in de maatschappelijke aspecten van de strijd. Het verzet tegen de afschaffing van de Hituese regering smeedde sociale banden tussen clans, dorpen en eilanden die voor de huidige generaties nakomelingen nog steeds actueel en waardevol worden geacht. De geschiedzangen bevatten herhaalde oproepen tot eenheid en solidariteit, over de enge grenzen van familieverbanden en dorpsgemeenschappen heen: Sole pali nusa wali aa looka Versterkt de eenheid in één familieband Ite laha loia peia yupu yana Blijft elkaar altijd steunen Lahat utanata hua loya hinia Houdt de eer hoog en blijft één5

Die oproepen klinken des te krachtiger naarmate de zangers meer bewogen zijn door het leed dat de strijd om Kapahaha heeft gebracht. Daarbij handhaaft de bevolking van Morela haar historische aanspraken op een vooraanstaande positie. De bewoners van het buurdorp Mamala bijvoorbeeld stelden in het begin van de jaren tachtig een boekje over de dorpsgeschiedenis samen waarin ze hun eigen aandeel in de zeventiende-eeuwse strijd tussen Hitu en de VOC in herinnering brachten. Omdat hun weergave van de gebeurtenissen echter werd betwist door Morela, gaf het uitgaafje aanleiding tot heftige vechtpartijen tussen beide dorpen. Het dorp Morela werpt zich op als erfgenaam en bewaarder van de heldhaftige geschiedenis van Kapahaha. Deze status is in de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen omdat het Hituese verzet tegen de VOC in het huidige Indonesië wordt gezien als een voorafschaduwing van de nationale vrijheidsstrijd.

Historie en fictie De zangers en vertellers houden nadrukkelijk de namen in herinnering van diegenen die in hun dorpsgeschiedenis een vooraanstaande rol hebben gespeeld. In de episodes die betrekking hebben op de strijd om Kapahaha, zijn dat met name Patiwani, die zijn sporen reeds had verdiend als aanvoerder in de vesting Wawani, en Telukabesi, die de militaire leiding had. Patiwani sneuvelde tijdens een gevecht op zee, bij een poging om de blokkades te doorbreken. Telukabesi kon tijdens de verovering van Kapahaha ontsnappen, maar kort daarna gaf hij zich

Indische Letteren. Jaargang 14

142 over aan de Compagnie. Na een korte gevangenschap werd hij terechtgesteld. De echtgenote van Telukabesi, die volgens Rumphius om het leven kwam toen ze zich op Kapahaha tussen haar man en zijn belagers wierp, krijgt in de dorpsgeschiedenis van Morela een naam en een gezicht. Volgens de vertellers heette ze Putidjah en gaf ze de vrouwen van Kapahaha leiding in de strijd. Voorts verrassen ze de luisteraar met de mededeling dat deze Putidjah van oorsprong een Nederlands meisje was. En of deze mededeling nog niet verbazingwekkend genoeg is, voegen ze eraan toe dat zij op dat onzalige uur werd doodgeschoten door haar eigen vader, de kapitein Jacob Verheiden. Was Telukabesi's vrouw werkelijk een Nederlandse en heeft Verheiden op Kapahaha inderdaad zijn eigen dochter doodgeschoten? Rumphius rept er niet van in De Ambonse historie, evenmin als de Hituees Ridjali, die de verovering van Kapahaha overleefde en tijdens zijn ballingschap in de daarop volgende jaren de kroniek Hikajat Tanah Hitu [Historie van het land Hitu] schreef.6 Ook andere zeventiende-eeuwse bronnen maken geen melding van deze gebeurtenissen die de ooggetuigen toch echt niet hadden kunnen ontgaan. Hedendaagse Molukse historici zijn onzeker over de historiciteit van het verhaal. Sommigen opperen voorzichtig dat het een ‘volksverhaal’ is. Maar deze veronderstelling roept meer vragen op dan er worden beantwoord. In dorpsgeschiedenissen is over het algemeen weinig plaats voor dramatische verwikkelingen. Bovendien vormen ze een sacraal genre waarmee de grootste zorgvuldigheid dient te worden betracht: het is niet aannemelijk dat de vertellers de voorouderlijke geschiedenis welbewust met fictieve elementen hebben willen kruiden. De vraag blijft dus: vanwaar dit verhaal?

Een Indische historische roman De historie van Telukabesi's Nederlandse echtgenote die door haar eigen vader werd doodgeschoten, is niet waar gebeurd, maar ze is evenmin ontsproten aan de volksverbeelding. Ze is afkomstig uit de literaire pen van Wilhelm Leonard Ritter. Deze auteur was in het midden van de vorige eeuw bijzonder actief in het literaire leven van Batavia.7 In 1843 en 1845 verschenen van zijn hand succesvolle bundels met een mengelmoes van journalistieke stukken, actuele zedenschetsen en historische verhalen. De meest ambitieuze bijdrage in de tweedelige bundel Nieuwe Indische Verhalen en herinneringen uit vroegeren en lateren tijd (1845) was een complete historische roman van zo'n vierhonderd pagina's, getiteld Toeloecabesie. Een jaar eerder, in 1844, was deze roman reeds als feuilleton afgedrukt in het Tijdschrift voor Nederlands-Indië.

Indische Letteren. Jaargang 14

143 Ritter hield vanuit Batavia de vinger aan de pols van het literaire leven in Nederland. In de tweede helft van de jaren dertig brachten auteurs als Oltmans, Van Lennep, Toussaint en Conscience de historische roman tot bloei. Het genre viel in de smaak bij een nieuw burgerlijk lezerspubliek dat zich gretig liet meevoeren naar een kleurig vaderlands verleden en genoot van dramatische, romantische en tegelijk stichtelijke verhalen. Ritter zag het als een uitdaging om de verhaalstof voor zijn roman te situeren in het verleden van Nederlands-Indië en koos een historische episode van precies tweehonderd jaar daarvoor. Amboina in 1644, luidde de subtitel van zijn roman. Ritters belangrijkste historische bron was Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indiën (1724). Hij volgde diens schildering van de historische gebeurtenissen getrouw en Toeloecabesie kan dan ook, in de terminologie van Drop, worden gekarakteriseerd als een ‘in de historie ingepaste roman’.8

Kleurrijk en romantisch De roman beantwoordt aan alle regels van het genre, met de daaruit voortvloeiende sterke en zwakke kanten. Het is bijvoorbeeld jammer dat Ritter zijn verhaal onderbreekt met lange uiteenzettingen over de voorgeschiedenis. Maar de roman heeft ook kwaliteiten. Er is veel aandacht besteed aan stoffering van het verhaal met wetenswaardigheden over opmerkelijke gebruiken, in het bijzonder die van moslims in het zeventiende-eeuwse Oost-Indië. De lezer maakt kennis met een bonte schare personages rond de centrale figuur van de toegewijde echtgenote die in Ritters roman Se Tiedja heet. Ze is genoemd naar Khadidja, de vrouw van de profeet Mohammed. Aan Hituese zijde figureren de impulsieve jonge held Toeloecabesie [Telukabesi], diens vaderlijke raadsman Patiwani, de gedreven imam Ridjali en het potsierlijke dorpshoofd Latoewiloeloe. Deze laatste ontpopt zich als een lafhartige verrader nadat Se Tiedja zijn avances heeft afgewezen en haar hart heeft geschonken aan zijn rivaal Toeloecabesie. Aan de zijde van de Compagnie maken we kennis met de strenge Landvoogd Gerrit Demmer, de door het leven getekende kapitein Jacob Verheiden, de ‘immer opgeruimde’ vaandrig Swager en de brave vrijgezel Abraham Fluweel die uiteindelijk het huiselijk geluk vindt bij een weduwe met acht kinderen. De plot van de roman draait om het geheim van Se Tiedja's afkomst. Verheiden heeft zijn nog zeer jonge dochtertje tijdens een schipbreuk tussen Buru en Seram aan een houten vat gebonden en aan de golven toevertrouwd. De kleuter spoelt aan op het eiland Buano en wordt geadopteerd door Patiwani. Als ze de huwbare leeftijd heeft bereikt, huwelijkt deze haar uit aan Toeloecabesie. Hoewel ze zich volledig toewijdt aan haar echtgenoot en aan de Hituese strijd tegen de Compagnie, wordt ze toch geplaagd door herinneringen aan een vroeger leven,

Indische Letteren. Jaargang 14

144 HIKAJAT Kotidjah TERKARANG OLER E. Kandou.

Indische Letteren. Jaargang 14

145 vooral als ze tijdens een schermutseling met kapitein Verheiden, haar echte vader, wordt geconfronteerd. Haar identiteitscrisis wordt door Ritter beschreven als een probleem van godsdienstige loyaliteit: ze vraagt zich vertwijfeld af of ze van oorsprong misschien christen is en haar trouw aan de islam zal moeten opgeven. Tijdens de val van de vesting Kapahaha offert ze haar leven in een poging om haar echtgenoot te beschermen. Verheiden herkent de zieltogende jonge vrouw als zijn eigen dochter dankzij een ketting met medaillon dat om haar hals hangt: een overbekend motief uit de romantische literatuur.

Machteloos idealisme Zoals uit deze summiere samenvatting blijkt, laat Ritter het koloniaal conflict zowel van Hituese als van Nederlandse kant zien. Dat maakt Toeloecabesie bijzonder interessant. Er werden in het negentiendeeeuwse Nederlands-Indië immers tal van oorlogen gevoerd om het koloniaal gezag te consolideren en uit te breiden. Ritter betoogt in zijn roman dat het moslim verzet tegen de vestiging van het Nederlands gezag respectabel kan zijn, begrip verdient en grootmoedig dient te worden benaderd. Over Toeloecabesie schrijft hij: Vrijheid en onafhankelijkheid alleen was zijne leus en geene bijoogmerken, geen vuig gewin of overdreven zugt naar magt en alleenheersching, de drijfveeren zijner gewis toen, met het oog op den jammerlijken toestand zijns lands, edele inzigten en mannelijke bedoelingen.9 Ook Patiwani tekent hij als een onbaatzuchtig en edelmoedig man, hiertoe mede geïnspireerd door de grote waardering waarmee Valentijn over deze Hituees schrijft. In Toeloecabesie koestert Patiwani de hoop dat zijn pleegdochter - van wie hij vermoedt dat ze van Nederlandse afkomst is - de Compagnie ooit zal kunnen vermurwen tot een minder hardvochtige houding en zelfs verzoening zal kunnen bewerkstelligen. Deze hoop blijkt ijdel te zijn, maar Ritter laat niets na om de lezer er van te doordringen dat alleen onderling respect en verzoening uitzicht bieden op een vreedzame burgerlijke samenleving. Toeloecabesie kan het beste gekarakteriseerd worden als een ‘in de geschiedenis ingepaste ideeënroman’ met een idealistische boodschap. Met onze huidige kennis van de vele oorlogen in Nederlands-Indië die na het midden van de negentiende eeuw nog zouden volgen, maakt dat idealisme een machteloze indruk.

Een Ambonse hikajat Ruim een halve eeuw later, in 1901, verscheen in Batavia een klein boekje van veertig bladzijden waarin Ritters roman werd naverteld in

Indische Letteren. Jaargang 14

146 het Maleis. Het was geschreven door Kandou, een Menadonese onderwijzer die werkzaam was op Ambon en grote belangstelling voor de Ambonse taal, cultuur en geschiedenis had. Kandou maakte in zijn boekje nergens melding van het feit dat hij dit verhaal aan Ritter had ontleend. Hij presenteerde het boekje ook niet als literaire fictie, maar als een typisch Ambonse hikajat [historie]. Daarom kleurde hij zijn taalgebruik met allerlei elementen uit de streektaal en noemde hij zijn heldin Kotidjah, de Ambons-Maleise vorm van de naam Khadidja, zonder het formele persoonlijk lidwoord se of si. Bovendien begon hij zijn Hikajat Kotidjah met de zinsnede Kata jang empoenja tjeritera [Volgens de eigenaar(s) van het verhaal]. Hij suggereerde, met andere woorden, dat hij uit de mond van plaatselijke zegslieden een authentiek Ambons geschiedverhaal had opgetekend. Dat was een welbewuste mystificatie. Toch kan deze wijze van presenteren niet verhullen dat Hikajat Kotidjah bijzonder ver af staat van de gebruikelijke Ambonse dorpsgeschiedenissen. Romantische rivaliteit, zoals tussen Toeloekabessij en Latoewiloeloe, vormt een zeldzaam thema in de wereld van Molukse vertellers. Het idee van koloniale verzoening dat Ritter en Kandou uitdragen, is al even ongebruikelijk: het staat haaks op de oproepen tot eensgezindheid en strijdbaarheid die opklinken uit de traditionele dorpsgeschiedenissen. De kloof tussen de literaire hikajat en de orale geschiedverhalen komt voorts tot uiting in de wijze van vertellen. Kandou geeft de lezer bijvoorbeeld inzicht in de gedachten en gevoelens van zijn personages. Dat strookt niet met de vertelwijze van Molukse vertellers: zij concentreren zich volledig op de handeling, op wat de betreffende voorouders zeggen of doen. Kandou hanteert bovendien een voortdurend wisselend vertelperspectief: die vrijheid heeft de verteller van een clan- of dorpsgeschiedenis niet als hij over de voorouders verhaalt. Ten slotte, Kandou veroorlooft zich de vrijheid om, waar nodig, flash backs in zijn verhaal in te lassen, zelfs van zo'n twintig jaar. Ook dat zal de verteller van een dorpsgeschiedenis nooit doen: hij is gebonden aan een, zij het vaak ongedateerde, chronologische ordening van de verhaalstof. De Hikajat Kotidjah was dus helemaal niet zo authentiek Ambons als de auteur het deed voorkomen. Het geschrift zorgde er evenwel voor dat Ritters romantische historie op Ambon bekendheid kreeg en dat het verhaal voor waar werd aangenomen. Wellicht hebben sommige lezers aangevoeld dat de historiciteit van het verhaal twijfelachtig was. Maar wanneer een auteur of verteller zich beroept op anonieme zegslieden, hebben buitenstaanders weinig mogelijkheden om de historiciteit van een verhaal te controleren. Dorpsgeschiedenissen zijn namelijk bedoeld voor insiders en worden omgeven met een waas van geheimhouding en geheimzinnigheid.

Indische Letteren. Jaargang 14

147

Constructie van authenticiteit Toch mochten in elk geval de vertellers in het dorp Morela in staat worden geacht om te toetsen of het in Kandous hikajat ging om feiten of fictie: zij stammen immers rechtstreeks af van Telukabesi en de zijnen. Hoe hebben zij gereageerd op het verrassende verhaal dat Telukabesi's vrouw een Nederlandse vondeling was en tijdens de val van Kapahaha door haar eigen vader werd doodgeschoten? Hoewel Kandous hikajat niet overtuigt als weergave van een authentiek Ambons geschiedverhaal, hebben de vertellers in Morela haar historie omarmd als de hunne. Ze noemden haar Putidjah, een afleiding van het vertrouwde begrip upu, dat als aanspreektitel voor ouderen en voorouders wordt gebruikt. Op zichzelf was het verhaal gemakkelijk in te passen. De vrouwen van Kapahaha hebben immers een belangrijk aandeel in de verdediging van de vesting gehad en het is een historisch feit dat Telukabesi's echtgenote tijdens de val van de vesting haar leven gaf om haar man te laten ontsnappen. Nieuw was slechts het verhaalgegeven dat ze een pleegkind van Patiwane was en dat haar echte vader een Nederlandse legerofficier was. Toch verbaast het gemak waarmee de vertellers het verhaal hebben ingelijfd. Ze hebben kennelijk aangenomen dat er in de loop van de tijd slijtgaten in het weefsel van hun historische kennis waren gevallen en dat ze die met behulp van de gegevens uit Kandous hikajat konden herstellen.

Wat men moet weten Wanneer we letten op de manier waarop de vertellers zich de historie van Kotidjah hebben toegeëigend, kunnen we allereerst constateren dat in de dorpsgeschiedenis van Morela slechts de kern van Ritters verhaal is overgebleven. Niet alleen de kleurrijke stoffering van het historisch panorama is verdwenen, maar ook allerlei personages, taferelen en minder belangrijke verhaallijnen. Kandou had bij zijn bewerking van de roman al duchtig gesnoeid in de verhaalstof, maar hij vond het nog steeds de moeite waard om de rivaliteit tussen Toeloecabessij en Latoewiloeloe als verhaallijn te handhaven. In Latukaus weergave van de gebeurtenissen zijn ook deze verwikkelingen gesneuveld. Waar het hem om gaat, zijn slechts de gegevens over Putidjahs afkomst, haar huwelijk, haar kinderen en haar rol in de strijd om Kapahaha: Perlu diketahui pula sejarah ringkas Putijah sebagai isteri kapitan Telukabesi ini. Yaitu Putijah seorang gadis Belanda [...]. Putijah adalah anak angkat kapitan Patiwane dan dinikahkan dengan kapitan Telukabesi. Putijah turut berjuang dengan suaminya hingga akhir hayatnya. Putijah diangkat menjadi pimpinan serikandi Kapahaha. Beliau gugur sebagai kusuma bangsa pada perlawanan final tanggal 27 Juli 1646 itu. Dua anak laki2 yang berumur 5 dan 2 tahun ini yang sulung

Indische Letteren. Jaargang 14

148 dibawa ke negeri Belanda oleh kaptein Verheiden, yang bungsu tertinggal kini menghidupkan mar ga Leikawa sekarang.10 [Men moet tevens in het kort de geschiedenis kennen van Putidjah als echtgenote van kapitan Telukabesi. Putidjah was een Hollands meisje [...]. Putidjah was een pleegkind van kapitan Patiwane en werd uitgehuwd aan kapitan Telukabesi. Putidjah nam samen met haar man deel aan de strijd, tot aan het eind van haar leven. Putidjah werd aangesteld als aanvoerster van de strijdbare vrouwen van Kapahaha. Zij viel als bloem van het volk in de eindstrijd op 27 juli 1646. Van de twee zonen van vijf en twee jaar, werd de oudste door kapitein Verheiden naar Nederland gebracht; de jongste werd hier achtergelaten en bracht de huidige clan Leikawa voort.] Het verhaal is voor Latukau niet veel meer dan een kanttekening bij Telukabesi's levensgeschiedenis. Toch vindt hij het belangrijk genoeg om zijn publiek te willen overtuigen van de historische authenticiteit. Daartoe heeft hij gebruikgemaakt van de geijkte middelen die Molukse vertellers ten dienste staan om de historiciteit van een verhaal te onderstrepen: de kapata [geschiedzang] als oraal genre, de vermelding van namen en van bewijsplaatsen.11

Een prozaïsche kapata Latukau had in zijn oorspronkelijke manuscripten geen afzonderlijke kapata over Putidjah opgenomen. Desgevraagd was hij echter bereid om de tekst van een kapata over haar lotgevallen op schrift te zetten: Nahoda Stevene lehe sawa taka leiHitu nusa Apono 2, Her nale usai utun nena In het jaar 1600 voer Van der Haghen naar het eiland Ambon, het schiereiland Hitu Nisa supu lihute hahotu sapane pasalita lulune lau nusa Buan Zijn schip strandde vanwege een zware storm in de wateren van het eiland Buano Yanane, ombola tahinai nalane Corilina nipatau waa salauwa Hij liet zijn dochter Corilina in een vat stoppen en wegdrijven Pamamanu waa rala nisa supu sapane sanopa Bugise Manda Toen werd ze aangetroffen door een zeilprauw van Buginezen uit Makassar Nipahua waa sapane taka haita hatu nuku elya Wawane Ze brachten haar naar het strand Hatunuku in het gebied van vesting Wawane Sipei asi waa malesi Patiwane hiti nalane Putijah Men bracht haar naar kapitan Patiwane en haar naam veran- derde in Putidjah

Indische Letteren. Jaargang 14

149 Patiwane laha loi-a salele yana tunine maasusu Kapitein Patiwane nam haar aan als pleegkind en hield veel van haar Nale waa nale Putijai malua paasoa malamaita matua adate elya Kapahahai Eenmaal volwassen, kreeg ze van de adat-raad in de vesting Kapahaha Ena ma, ine soulahai malesi Telukabesi (Ahmade) kapitane Kapahahai het verzoek om kapitan Telukabesi (Ahmad Leikawa) te huwen Sibarole tumata lua malona nalane Basense rula Teiyakane Ze kregen twee jongens, Basens en Teijakan Lisalia elya Kapahaha sihiti Putijai aiyalo malua soa Kapahahai Tijdens de oorlog om Kapahaha werd Putidjah aangesteld als aanvoerster van de vrouwen Putijah nisasupu ajale lete lisa uai elya Kapahahao, hula pitu nasaranea Ze viel op het laatste slagveld op 24 juli 1646 Anani paamena Basense naisitepui Kapitene Verheidene lete nusai Walanda Het oudste kind, Basens, werd door kapitein Verheiden naar Nederland gebracht Waline lalata susu Teiyakane nikakupahai-a rumatau Leikawa waa Latu Hausihu De jongste, Teijakan, continueerde de clan Leikawa in Morela12 De keuze van het genre, een zang in de oude taal, geeft genoegzaam aan dat Latukau de historie van Putidjah beschouwd wil zien als een oorspronkelijk, onaantastbaar, waar geschiedverhaal. Maar het verhaal uit Ritters historische roman Toeloecabesie werd vermoedelijk pas in de loop van deze eeuw, na de publicatie van Kandous Maleistalige bewerking, geïncorporeerd in de dorpsgeschiedenis van Morela. Vandaar misschien dat de tekst, vergeleken met andere, veelal sterk retorische of lyrische geschiedzangen, een opvallend prozaïsche indruk maakt. Deze kapata over Putidjah ontbreekt bovendien op Latukaus bandopname van de andere kapata van Morela. Ze lijkt, met andere woorden, een andere status te hebben dan de overige geschiedzangen.

Haar ware naam Ritters roman ontleent zijn spanning en zijn sentimentele lading aan het gegeven dat Telukabesi's echtgenote een dochter blijkt te zijn van Jacob Verheiden, de VOC-officier die de vesting uiteindelijk verovert. Kandou neemt dit verhaalelement over, en na hem ook andere vertellers. Alleen Latukau, de verteller uit Morela, heeft een afwijkende versie

Indische Letteren. Jaargang 14

150 van Putidjahs afkomst: volgens hem was zij niet een dochter van Verheiden, maar van Steven van der Haghen. Deze laatste was kapitein van het tweede Hollandse vlooteskader dat de Molukken bereikte, en verbleef met zijn schip van mei tot oktober 1600 op Hitu. Door deze ‘onthulling’ heeft het verhaal veel van zijn dramatisch gehalte verloren. Wat Latukau echter hiermee wint, is een vergroting van zijn gezag als verteller. Molukse clan- en dorpsgeschiedenissen zijn het geestelijk eigendom van een kleine kring van insiders: zij maken aanspraak op het exclusieve recht om de voorouderlijke geschiedenis volledig en naar waarheid te vertellen. Jang empunja tjeritera [De eigenaars van het verhaal] zullen zich beijveren om slechts een deel van de geschiedenis publiek te maken en andere elementen als rahasia [geheime kennis] voor zich te behouden. In het bijzonder de oorspronkelijke, volledige namen van voorouders behoren tot die geheime kennis waarmee een verteller kan bewijzen in hoeverre hij in de betreffende historie is ingewijd. Die adat-namen worden meestal niet aan buitenstaanders prijsgegeven, ook om te voorkomen dat er in magische praktijken misbruik van gemaakt wordt. Waar een oorspronkelijke naam wel publiek wordt gemaakt, zoals in het geval van Putidjah, getuigt dat van de behoefte van de verteller om zijn gezag als ingewijde te laten gelden en tevens het sacrale karakter van het verhaal te onderstrepen.

Haar grafsteen Molukse vertellers plegen in clan- en dorpsgeschiedenissen concrete bewijzen voor de historiciteit van hun verhaal aan te voeren. Dat kan gaan om elementen in het landschap, zoals een merkwaardige rotsformatie, of om een waardevol erfstuk van textiel, aardewerk of metaal. In het geval van Putidjah fungeert een grafsteen als bewijsplaats. De aanleiding tot dit verhaalgegeven is vermoedelijk Ritters mededeling geweest dat Verheiden het lichaam van zijn dochter op Kapahaha heeft begraven. Kandou komt aan de verwachtingen van zijn Ambonse lezers tegemoet door nog een tastbaar element toe te voegen. Hij vertelt dat het graf werd gesierd door een papan [bord, plank] met de Nederlandse naam van het meisje: Lorina Verhijden.13 Dit verschaft de vertellers in Morela voldoende aanknopingspunt om in een grafsteen als tastbaar bewijs voor de historiciteit van Putidjahs Nederlandse herkomst te geloven. Boven op Kapahaha bevindt zich tot op de dag van vandaag een naamloos graf, bestaande uit gestapelde brokken koraalsteen. Men schrijft dit graf toe aan Telukabesi's heldhaftige vrouw en vertelt met stelligheid dat het naar Nederlands gebruik was voorzien van een marmeren zerk met de tekst Hier rust Corilina Verheiden. Wie tegenwoordig het graf bezoekt, zoekt vergeefs naar deze zerk. Volgens Latukau hebben ouderen van een vorige generatie hem verborgen in een van de vele peilloos diepe rotsspleten op Kapahaha, uit bezorgdheid dat grafrovers de kostbare steen zouden ontvreemden.

Indische Letteren. Jaargang 14

151 Sinds het overlijden van deze ouderen, weet niemand meer waar de grafsteen zich bevindt. Als verdachte van de gevreesde grafroof noemen sommigen de naam van resident Jansen die in de jaren twintig en dertig veel door de Ambonse dorpen trok om etnografische gegevens te verzamelen: hij zou de grafsteen van Verheidens dochter mee naar Nederland hebben willen nemen en zo de bevolking van Morela haar historisch erfgoed hebben willen ontfutselen. Hiermee zijn de zaken goedbeschouwd op hun kop gezet. Het zijn de Hituezen zelf geweest die zich deze historie hebben toegeëigend en haar nu als hun geestelijk eigendom beschouwen.

Geen verzoening, maar strijdbaarheid De vertellers in Morela hebben de historie uit Ritters en Kandous literaire verbeelding aangepast aan hun eisen en verwachtingen. Ze is daardoor een onderdeel van hun dorpsgeschiedenis geworden, even sacraal en onaantastbaar als andere episoden. Wat fascineert hen in het idee van een Nederlands meisje dat deelneemt aan de strijd tegen de Verenigde Oostindische Compagnie en haar leven in de waagschaal stelt voor haar Hituese echtgenoot? Ritters roman Toeloecabesie was geschreven naar de smaak van het negentiende-eeuwse burgerlijke lezerspubliek in Nederlands-Indië. De tragische figuur van Se Tiedja, verscheurd tussen haar afkomst en haar loyaliteit, tussen christendom en islam, sprak tot de verbeelding van de lezers en appelleerde aan hun bereidheid tot grootmoedigheid en verzoening in de koloniale conflicten van die tijd. Ook voor Kandou was dit het hoofdthema van het verhaal. Hij beschrijft hoe zowel Hituezen als VOC-soldaten tot tranen toe worden geroerd bij het overlijden van Kotidjah, en besluit: Dengan hal jang demikian lawanpon soedah mendjadi kawan. Aldus vonden vriend en vijand elkaar.14 In het Indonesië van na de dekolonisatie heeft de figuur van Putidjah een heel andere betekenis. Ze appelleert niet aan bereidheid tot verzoening, maar aan de morele plicht om in tijden van crisis partij te kiezen en de wapens op te nemen tegen onvrijheid, onrecht en onderdrukking. Het verhaalgegeven dat Putidjah, ongeacht haar Nederlandse afkomst, de Hituese zaak tot in de dood bleef toegewijd, sterkt vertellers en toehoorders in de overtuiging dat de Hituezen in de verloren strijd om Kapahaha de morele winnaars zijn geweest en dat ze hieruit kracht kunnen putten voor de toekomst. Tegen dit geharnaste historische besef legt Ritters romantisch idealisme het af. Voor Ambonse moslims heeft het verhaal nog een extra dimensie. De strijd om Kapahaha vormt in hun beleving een episode in een djihad

Indische Letteren. Jaargang 14

152 [heilige oorlog] die in tijden van crisis opnieuw kan oplaaien. In de zeventiende-eeuwse strijd om het voortbestaan van Hitu bestreden moslims en christenen elkaar onder de leuzen buang tjapeu [weg met de hoeden] en buang destar [weg met de tulbanden].15 Tijdens de recente explosie van geweld op de Molukse eilanden, in de eerste maanden van 1999, stonden de partijen opnieuw tegenover elkaar, als kelompok jang putih [de witte groep] en kelompok jang merah [de rode groep].16 Dit keer ging het niet om het voortbestaan van het land Hitu, maar om een ernstige politieke en maatschappelijke crisis in Indonesië. De inzet van de strijd was een andere, maar het strijdvuur werd ongetwijfeld mede gevoed door de geschiedverhalen over Kakiali, Patiwani, Telukabessy en Kotidjah als kusuma bangsa, serikandi Kapahaha [bloem van het volk, heldin van Kapahaha].

Literatuur Arens, Koos. ‘Het onverslijtbare kleed. Over de verhalen van W.L. Ritter (1799-1862)’, Indische Letteren 14, 1 (1999) 31-47. Drop, W. Verbeelding en historie. Verschijningsvormen van de Nederlandse historische roman in de negentiende eeuw. Utrecht 1975 (2e dr.). Human Rights Watch, Asia Division, Reports 1999, Ambon. http://www.hrw.org, 19/3/1999. Kandou, E. Hikajat Kotidjah. Batavia 1901. Compleet afgedrukt in Straver 1998. Knaap, G.J. Kruidnagelen en Christenen. De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de bevolking van Ambon 1656-1696. Dordrecht/Providence 1987. [Verhandelingen KITLV 125.] Latukau, S. Lani Nusa, Lani Lisa. Kapata dari Morela / Zangen uit Morela. MHM/LSEM, Utrecht 1997a. Sumber 1. Latukau, S. Kapata Sedjarah Kapahaha. Zangen over de geschiedenis van Kapahaha. MHM/LSEM, Utrecht 1997b. Cassetteband 30 min. Manusama, Z.J. Hikayat Tanah Hitu. Historie en sociale structuur van de Ambonse eilanden in het algemeen en van Uli Hitu in het bijzonder in het midden der zeventiende eeuw. Leiden 1977. Ritter, W.L. ‘Toeloecabesie. Amboina in 1644’. TNI 6 (1844) 2: p. 265-319, 382-435; 3: p. 62-96, 166-197, 289-319; 4: p. 59-94, 180-254, 312-379. Tevens in: W.L. Ritter. Nieuwe Indische Verhalen en herinneringen uit vroegeren en lateren tijd. Batavia 1845. Deel 1: p. 81-267, deel 2: p. 1-210. Rumphius, G.E. ‘De Ambonse historie behelsende een kort verhaal der gedenkwaardigste geschiedenissen zo in vreede als oorlog voorgevallen sedert dat de Nederlandsche Oost-Indische Comp. het besit van Amboina gehadt heeft’. BKI 64, 's-Gravenhage 1910, 2 dln. Straver, H. De zee van verhalen. De wereld van Molukse vertellers. SEM, Utrecht 1993. Straver, H. De historie van Kotidjah. LSEM, Utrecht 1998. Sumber 2. Valentijn, F. Oud en Nieuw Oost-Indiën. Deel II. Beschrijving van Amboina. Dordrecht/Amsterdam 1724.

Indische Letteren. Jaargang 14

Eindnoten: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

Rumphius 1910, p. 255. Knaap 1987, p. 7-12. Idem, p. 224. Latukau 1997. Idem, p. 52-53. Manusama 1977. Over de verhalen van W.L. Ritter zie ook Arens 1999. Drop 1975. Ritter 1844, 2: p. 421. Latukau 1997, p. 56-57. Straver 1993. Latukau 1997, p. 62-63. Kandou 1901, p. 39. Idem. Manusama 1977, 197. Human Rights Watch 1999.

Indische Letteren. Jaargang 14

154

Uit: Vijf rovers en een rovershol. Illustratie F. van Bemmel.

Indische Letteren. Jaargang 14

155

Actie of actualiteit? De Indische kinder- en jeugdboeken van Diet Kramer Marleen van Vuurde In de eerste helft van deze eeuw vond er een aantal ingrijpende politieke en maatschappelijke veranderingen plaats in de koloniale samenleving van Nederlands-Indië. De economische crisis van de jaren dertig had ook in de kolonie zijn invloed. Veel mensen verloren hun baan en werden gedwongen te repatriëren. Toen de economie weer wat aantrok, belandde de Europese bevolking terstond in de volgende crisis; die van de dreigende oorlog in Europa. Lange tijd kon de Tweede Wereldoorlog vanaf de zijlijn worden gevolgd tot in 1942 de Japanners Indië binnenvielen en de Europese bevolking werd geïnterneerd. Deze moeilijke periode en de tijd daarna, waarin het Nederlandse koloniale tijdperk in Oost-Indië wordt beëindigd, zijn veel beschreven in de literatuur. Een van de schrijfsters die deze periode voor de jeugd heeft beschreven, is Diet Kramer. Zij woonde zelf tussen 1933 en 1946 op Java, samen met haar twee kinderen en echtgenoot die rector was van de HBS in Batavia. Haar jeugdboeken over deze periode zijn bijzonder. Joop van den Berg heeft dit al aangetoond in zijn artikel Diet Kramer, Thuisvaart geen terugkeer,1 waarin naar voren komt dat de visie van Diet Kramer op de koloniale geschiedenis afwijkend en vooruitstrevend is in vergelijking met de (Indische) kinderboekenschrijvers uit haar tijd. Vooral haar jeugdboek Thuisvaart, meent Van den Berg, ondersteunt deze gedachte. In dit artikel onderzoek ik haar andere titels nader op de visie die zij geven op de koloniale samenleving.

Het Indische werk van Diet Kramer In het oeuvre van Diet Kramer komen tien boeken voor die tot de Indische letterkunde gerekend mogen worden, omdat ze zich geheel of gedeeltelijk in Nederlands-Indië afspelen. Ook heeft Diet Kramer nog enkele schetsen2 geschreven waarin Indië beschreven wordt, maar omdat deze uitsluitend voor volwassenen bedoeld waren en Indië slechts het decor is waartegen het verhaal zich afspeelt, zijn ze buiten beschouwing gelaten. De Indische jeugdboeken die ze schreef, waren

Indische Letteren. Jaargang 14

156 gericht op kinderen die in een Europees milieu opgroeiden. De boeken waren echter wel voor de jeugd in Indië bedoeld, want ze werden in eerste instantie bijna allemaal door uitgeverijen in Indië gepubliceerd. De boeken zijn onderzocht op Diet Kramers beschrijvingen van verschillende aspecten van de Nederlands-Indische samenleving zoals de diverse bevolkingsgroepen en de persoonlijke relaties van de personages met Holland en Indië. Voor het onderzoek is een onderscheid gemaakt tussen jeugden kinderboeken. Onder de kinderboeken vallen de boeken voor kinderen tot twaalf jaar, de overige heten jeugdboeken. Dit onderscheid is zeer nuttig gebleken omdat er essentiële verschillen blijken te zijn tussen de onderwerpen die aan bod komen. Eerst worden de titels per categorie kort toegelicht.

Kinderboeken Het eerste kinderboek, Razende Koeltje (1933), werd door Diet Kramer geschreven voordat zij zelf in Indië was geweest. Indië is in dit boek nauwelijks aanwezig. Het jongetje Timo, afkomstig uit Indië, vervult een kleine rol in het verhaal. Enkele van zijn karaktereigenschappen zouden kunnen worden verklaard door zijn Indische voorgeschiedenis. Ook zijn heimwee is van enig belang voor het verhaal, 't Boek van Bob en Bep (1939) gaat over twee kleuters en hun dagelijks leven in Nederlands-Indië. Hun omgang met de bedienden en de rol van de inheemse bevolking in het leven van de Europeanen staan centraal. Het contrast tussen de stad en het platteland van Java wordt uitgebreid naar voren gebracht. Maar het jongetje en het meisje kennen geen andere wereld dan Indië en hoeven zich dus ook niet bewust te zijn van hun vaderland. Vijf rovers en een rovershol (1941) is een klassiek, avontuurlijk kinderboek. De hoofdpersonen zijn blanke kinderen die allemaal in Indië geboren zijn, hun vriendjes zijn Europees. De kinderen beleven een spannend avontuur in een verlaten huis. De bedienden blijven op de achtergrond. Wel tonen de kinderen zich loyaal als een bediende beschuldigd wordt van iets dat zij op hun geweten hebben. Het geheim van de gesloten kamer (1941) is eveneens een spannend kinderboek vol actie. Dezelfde familie wordt weer gevolgd. Ditmaal beleven de kinderen avonturen tijdens hun vakantie in de bergen van Java. Op de theeplantages blijken onbetrouwbare Europeanen rond te waren, terwijl in eerste instantie weer de bediende ten onrechte beschuldigd wordt. Lodewijk de rattenvanger (1941) vertelt het relaas van een tekkel in Nederlands-Indië. De avonturen worden vanuit het perspectief van Lodewijk verteld. Het boek is bedoeld voor kinderen van negen tot twaalf en geeft een overzicht van de avonturen die een tekkel in de tropen kan beleven. Vooral omdat de hond de hele dag zijn baasjes observeert, geeft dit boek een duidelijk beeld van de dagelijkse beslommeringen van het Hollandse gezin in

Indische Letteren. Jaargang 14

157 de tropen. In Lodewijk de mensenredder (1951) wordt het levensverhaal van Lodewijk vervolgd. Hij komt naar Holland en went met de nodige moeite aan de nieuwe situatie. Vooral de temperatuur, het lopen op de trap en zijn eerste stappen op glad ijs, vallen hem zwaar.

Jeugdboeken Diet Kramers eerste jeugdboek waarin Indië een rol speelt is Roeland Westwout (1936). Het boek is een vervolg op Razende Roeltje. Hierin komt een aantal Indische passages voor. Twee meisjes die op een plantage woonden, worden naar Nederland gestuurd. Het ene omdat zij te verwend is en slechte omgangsvormen heeft, zowel ten opzichte van het personeel als tegenover leeftijdgenoten. Het andere meisje heeft moeite met het klimaat. Hun heimwee naar Indië speelt hun parten. Daarnaast geeft het boek in enkele passages weer hoe mensen in Nederland tegen mensen uit Indië aankijken. In Onrustig is ons hart (1939) is de hoofdpersoon een volwassen vrouw die in Indië is geboren. Ze heeft een sterke band met het land. Ze heeft moeite het hoofd boven water te houden ten tijde van de economische crisis. Haar kinderen veroorzaken de nodige moeilijkheden. Er is weinig aandacht voor het lot van de inheemse bevolking, wel voor de positie van de Europeaan in Azië. Het heimwee en het leven in de vrij kleine, wat benauwende Europese gemeenschap worden uitvoerig beschreven. Eindexamen 1940 (1941) is een serieus jeugdboek. Het beschrijft het leven van middelbare scholieren in Indië aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De problemen met NSB'ers in Indië en de steeds groter wordende afstand tussen het bezette Holland en het vrije Indië staan centraal. Kramer geeft in 1941 al een duidelijke visie op de afloop van de Tweede Wereldoorlog, en haar voorspelling dat de Duitsers verslagen zullen worden, komt uit. Thuisvaart (1948) is verschenen na de oorlog en de repatriëring. Het is een boek voor de jeugd - zowel de Indische als de Nederlandse - die kampt met naoorlogse problemen. De hoofdpersoon beschrijft haar bevindingen in het kamp en geeft haar visie op de revolutie. Verder worden de repatriëring en het moeizame leven na het kamp belicht.

Verschillen in de beschrijving van de koloniale wereld Zowel de kinder- als jeugdboeken geven een beeld van de dagelijkse gang van zaken in de Indische samenleving. Een opvallend verschil is echter dat in de jeugdliteratuur een belangrijke plaats wordt ingenomen door actuele maatschappelijke problemen in de toenmalige samenleving. In beide soorten boeken schetst Diet Kramer een Indische wereld

Indische Letteren. Jaargang 14

158 waar geen sprake is van overdreven luxe of welvaart. Wel hebben haar hoofdpersonen het voorrecht van korte schooltijden, hulp van de bedienden en ze worden omringd door de prachtige tropische natuur. Ze wonen in ruime huizen in de Europese wijken van de steden op Java of in de bergen op een onderneming. Hun opvoeding, kleding en gewoonten zijn Europees. In de jeugdboeken wil de schrijfster echter door middel van haar verhaal de jeugd kennis laten maken met de maatschappelijke en persoonlijke problemen waarmee ze te maken zullen krijgen bij het volwassen worden. De boeken beschrijven het vaak zorgeloze en mooie leven van scholieren die het voorrecht hebben om in Indië op te groeien, maar tegelijk wordt er gewezen op politieke ontwikkelingen als een dreigende oorlog, fascisme en de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesische bevolking. Deze ontwikkelingen worden op een kritische en heldere manier voor de jeugd bespreekbaar gemaakt. In Eindexamen 1940 wordt bijvoorbeeld duidelijk aangegeven wat het gevaar is van het fascisme. De HBS-scholieren hebben klasgenoten, wier vaders lid zijn van de NSB, regelmatig fascistische theorieën horen verkondigen: Ze hebben principes en opvattingen en die zijn precies omschreven... [...] Ze slaan je gewoon dood met hun uit het hoofd geleerde zinnen en idealen en zo. [...] Ze zwepen elkaar gewoonweg op met die taal en ik kan me best begrijpen dat er behoorlijke lui in 4b zijn, die er de kluts door kwijt raken.3 Diet Kramer oordeelt vrijwel altijd genuanceerd; zelfs na haar kampperiode probeert ze steeds weer het goede in de mens te benadrukken. Haar kampboek Thuisvaart is genuanceerder dan de meeste jeugdkampboeken die gelijktijdig verschenen. Ze kan begrip tonen voor de houding van de inheemse bevolking en wil hun beweegredenen begrijpen en waar het kan rechtvaardigen: De Javaan ondertussen was in Midden-Java nog zeer gewillig bij het ruilen van eten tegen kleren, veel kleren. Soms toonde hij enig medelijden met de uitgemergelde vrouwen en de kleine magere kinderen. Hij sprak wel eens met vriendelijke woorden over de toestanden en informeerde belangstellend, wanneer de Engelsman, de ‘orang inggris’, nu komen zou. Maar hij was een mens als anderen, niet beter en niet slechter dan de Europeaan en zijn persoonlijk belang ging voor alles. Dies wenste hij geld en kleren en droeg voor alle zekerheid het rood-witte vlaggetje op de borst.4 Toch is ze ook kritisch; ze beschrijft als een van de eersten de moeilijke periode die veel mensen uit Indië hebben doorgemaakt na de repatriëring met problemen als woningnood, onbegrip en discriminatie.

Indische Letteren. Jaargang 14

159 Maatschappelijke problemen komen in de kinderboeken niet ter sprake. Zelfs in de boeken die verschenen in de tijd dat Europa al in oorlog was, wordt met geen woord over deze ellende gerept. Deze boeken zijn vrolijk, spannend, soms leerzaam, maar vooral herkenbaar voor de Europese kinderen in Indië, die eindelijk verhalen konden lezen die zich in hun eigen omgeving afspeelden. De boeken beschrijven de koloniale samenleving op een nuchtere, realistische manier en voldoen aan de eis die Diet Kramer aan ieder kinderboek zou willen stellen: ze zitten boordevol actie. Ook zijn ze geïllustreerd met sfeervolle pentekeningen (van onder anderen F. van Bemmel en Tilly Dalton) die een indruk geven van de leefwereld van het Europese kind in de tropen.

Bevolkingsgroepen De diverse bevolkingsgroepen in de samenleving zijn zowel in de kinder- als de jeugdboeken beschreven. De verhouding tussen de Europeanen en het personeel is gemoedelijk. Maar elke groep leeft in zijn eigen wereld. De cultuur van de inheemsen is een andere dan de Europese en dit wordt gerespecteerd door alle personages. De kinderen leren van de bedienden weer heel andere dingen dan van hun eigen ouders. Elke etnische groep heeft in de kolonie zijn eigen gebruiken en toch leven allen in harmonie samen. Dat dit gebeurt, wordt door de personages als vanzelfsprekend gezien. Wel wordt benadrukt dat het schijnbaar ontbreken van discriminatie een bijzondere situatie is. Als Nederland gecapituleerd heeft, vindt er in Indië een trouwbetuiging aan het vaderland plaats waar alle bevolkingsgroepen aan deelnemen: De resident en de regent stonden naast elkander in de voorgalerij van de residentswoning... de grote, blonde Hollander naast den kleinen tengeren Javaan. Hollanders, Indo-Europeanen, Inheemsen, Indo-Chinezen, Chinezen... in een lange rij trok het voorbij de verlichte voorgalerij. [...] Ze verwonderde zich over de diepe ernst van de inheemse bevolking over de waardigheid van de langzaam voortschuivende, bonte rij. Voor het eerst drong het tot haar door, wat een eensgezind en saamhorig Nederlands-Indië betekende, welke geweldige krachten verborgen konden liggen in die eensgezindheid en saamhorigheid.5 Diet Kramer laat de inheemse bevolking soms wat onhandig uit de hoek komen, maar hun goede wil en trouw worden duidelijk benadrukt. Er is zelfs een zekere ontwikkeling in de beschrijvingen te ontdekken. In de latere Indische boeken wordt de inheemse met meer respect beschreven en wordt hij minder ‘de inlander’ en meer een individu met een eigen identiteit.

Indische Letteren. Jaargang 14

160

Uit: 't Boek van Bob en Bep. Illustratie Tilly Dalton.

Indische Letteren. Jaargang 14

161

Holland en Indië Op het gebied van de persoonlijke relaties met Holland en Indië is een tweede verschil tussen de kinder- en jeugdboeken te vinden. In de kinderboeken is Indië het decor waartegen de verhalen zich afspelen, zoals Nederland dat is in boeken die in Nederland zouden spelen. Dat Indië een kolonie is en vaak slechts een tijdelijke verblijfplaats voor de Europeaan, speelt geen rol. De hoofdpersonen zijn allemaal geboren en opgegroeid in Indië. Holland is een oord waar oma's en opa's wonen. Een wezenlijke voorstelling kunnen ze er zich niet van maken. Als Bep, een meisje van vijf, verdwaald is, denkt ze alleen het volgende: ‘Nu ben ik in de wijde wereld.’ Van die wereld heeft oom Wim haar verteld! Als je heel ver rijdt met de trein, kom je bij de zee. En in de zee liggen nog een heleboel andere landen. En nog veel, veel verder is Holland, waar Opa en Oma wonen.6 De meeste Europeanen in de jeugdboeken hebben zowel met Holland als met Indië een bijzondere band. Velen beschouwen de kolonie als hun tweede vaderland. Hun liefde voor het land uit zich vooral in bewondering voor de bijzondere natuur. Maar er is ook liefde voor de inheemse bevolking die in de ogen van de Europeanen met het landschap verweven zijn. De kinderen die in Indië geboren zijn, blijven eenmaal terug in Nederland altijd verlangen: Naar dat... wat je een rasechten Hollander nooit vertellen kon. Java, de rijpe padi... de heuvelflanken, de toppen der bergen tegen de avondlucht, de ontzaglijke sterrenhemels, de wijde luchten, de geluiden... Dáár waren ze eens jong en gelukkig geweest, daar lag een zo vrije jeugd van veel zon en licht en veel liefde.7 Diet Kramer spreekt niet direct haar mening over het kolonialisme uit. Ze heeft respect voor de arbeid die de Europeanen in het land hebben verricht. Maar de blanken worden niet als superieur aan het inheemse volk beschouwd. Bovendien kan zij begrip opbrengen voor de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs en probeert zij de extremisten hun daden - in Thuisvaart wordt de zuster van de hoofdpersoon omgebracht door een Indonesische vrijheidsstrijder - te vergeven.

Ten slotte Het werk van Diet Kramer heeft een bijzondere plaats binnen de Indische jeugdliteratuur, omdat zij vooral in haar boeken voor de jeugd grote aandacht heeft besteed aan de maatschappelijke problemen in de koloniale samenleving. Die samenleving wordt niet geïdealiseerd. Zij wordt in de kinder- en jeugdboeken nuchter beschreven met oog voor

Indische Letteren. Jaargang 14

162 zowel de voor- als nadelen van het leven in de tropen. Mede dankzij de boeken van Diet Kramer is het mogelijk om een realistisch beeld te krijgen van het leven van de Europese gezinnen in de kolonie gedurende de moeilijke jaren van de economische crisis, de interneringen in de Japanse kampen, de Indonesische vrijheidsstrijd en de repatriëring naar Holland na de Tweede Wereldoorlog. Er is ook aandacht voor de alledaagse problemen in de kolonie, zoals het heimwee, het harde werken onder de soms moeilijke omstandigheden en het warme klimaat, dat voor velen een aanslag op de gezondheid betekende. Deze problematiek wordt op een kritische maar verantwoorde wijze gethematiseerd en vooral daarom zijn de boeken van Diet Kramer van groot belang voor de Indische jeugdliteratuur. De visie die uit haar boeken spreekt met betrekking tot bovengenoemde onderwerpen is soms revolutionair (Diet Kramer schrijft bijvoorbeeld al in Eindexamen 1940 uit 1941 dat de Tweede Wereldoorlog wellicht ook een einde kan maken aan het koloniale tijdperk) maar altijd doordacht en onderbouwd. Al laat haar wijdlopige stijl soms wat te wensen over, zij is een van de eersten die in haar tijd de jeugd serieus nam en zijn problemen bij het vinden van een plaats in de complexe Nederlandse en ook Indische samenleving, door haar boeken bespreekbaar heeft gemaakt.

Uit: 't Boek van Bob en Bep. Illustratie Tilly Dalton.

Indische Letteren. Jaargang 14

163

Bibliografie Van den Berg, Joop. ‘Diet Kramer. Thuisvaart, geen terugkeer’. In: Indische Letteren 7 (1992) 1-2, p. 49-57. Kramer, Diet. Karakters en gebeurtenissen. Amsterdam [z.j.]. Thuisvaart. Amsterdam [z.j.]. ‘Eén ochtend Paultje’. In: Indische Vrouwenjaarboek 1936. Yogyakarta 1936, p. 274-280. Eindexamen 1940. Batavia, 1941. 't Boek van Bob en Bep. 's-Gravenhage 1947. Marleen van Vuurde (1973) studeerde Nederlands aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar zij in november 1998 afstudeerde in de Moderne Letterkunde. Het onderwerp van haar scriptie was Nederlands-Indië in de kinder- en jeugdboeken van Diet Kramer. Momenteel is zij werkzaam bij Uitgeverij Kwadraat in Utrecht.

Eindnoten: 1 Van den Berg 1992. 2 Deze schetsen zijn te vinden in Karakters en gebeurtenissen [z.j.] (‘Kleine komedie’; ‘De twaalfde december’; ‘Laatste kerstfeest’) en Kramer 1936. 3 Kramer 1941, p. 126. 4 Kramer, Thuisvaart [z.j.], p. 38. 5 Idem, p. 193. 6 Kramer 1947, p. 173. 7 Idem, p. 193.

Indische Letteren. Jaargang 14

164

Lijst van Indische letteren samengesteld door mr. Herman Kemp, bibliograaf van het KITLV in Leiden 1997 Beerling, Dane, De Amsterdamse School en Nederlands-Indië. - Haarlem: Benteng Beruang. - 22 p. - [1998 A 4383]. Berends, Piet, Indonesië op het tweede gezicht: een laat weerzien met terugblikken naar toen. - Haaksbergen: Hassink Drukkers. - 206 p. - ISBN 90-802281-4-1. - [1997 A 5605]. Bladel, Guus van, Vrouwengevangenis Singapore: verloren jaren, verloren levens: de zaak Maria Krol. - Weert: Van Buuren. - 224 p. - ISBN 90-5695-034-7. - [1997 A 5888]. Bloem, Marion, Mooie meisjesmond: roman. - Amsterdam [etc]: De Arbeiderspers. - 176 p. - ISBN 90-295-0291-6. - [1997 A 1800]. Boomgaard, Peter, Harry A. Poeze en Gerard Termorshuizen [red.], God in Indië: bekeringsverhalen uit de negentiende eeuw. - Leiden: KITLV Uitgeverij. - 156 p. - ISBN 90-6718-110-2. - [1997 A 1100]. Bosma, Ulbe, Karel Zaalberg: journalist en strijder voor de Indo. - Leiden: KITLV Uitgeverij. - VIII, 482 p. - (Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde; 1751). - ISBN 90-6718-116. - [1997 A 5786]. Breen, Willem F. van, Voor ik het nooit vergeet: herinneringen van een 4-2 R.I. 'er op Noord-Sumatra: gebaseerd op dagboekaantekeningen over de periode van 7 november 1946 tot en met 24 februari 1950. - 2e dr. - [Hilvarenbeek]: Stichting Vrienden van 4-2 R.I. - 200 p. - ISBN 90-9010448-8. - [1997 B 1415]. Broeshart, A.C., Soerabaja: beeld van een stad. - [3e herz. dr.]. - Purmerend: Asia Maior. - 160 p. - ISBN 90-74861-08-3. - [1997 B 311]. Busken Huet, Conrad, Een vastgeraakte lokomotief: een portret in brieven / uitgekozen en van aantek. voorz. door Olf Praamstra. - Amsterdam [etc.]: Veen. - 317 p. - ISBN 90-254-2342-6. - [1997 A 1952]. Carpenter, Bruce W., Tim Jaycock en W.O.J. Nieuwenkamp, W.O.J. Nieuwenkamp: first European artist in Bali. - Abcaude: Unipers. - 208 p. ISBN 90-6825-198-8. - [1998 B 765]. Cohen, Alexander, Brieven 1888-1961 / bezorgd door Ronald Spoor; [Franse vertaling door Trudie Favie]. - Amsterdam: Prometheus. - 1008 p. - ISBN 90-5333-642-7. - [1998 A 3312]. Corneille, Pierre L., Ik ben Indo. - Utrecht: Pierre L. Corneille. - 25 p. - [1998 A 2301]. Daum, P.A., Verzamelde romans / [tekstbezorging en commentaar: Gerard Termorshuizen]. - Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar. - Dl. 1: Uit de suiker in de tabak. Hoe hij Raad van Indië werd. - 659 p. - Oorspr. uitg.: Enschede: Loeff; Semarang: Van Dorp, 1885, resp. 1888 onder het pseudoniem Maurits. - Eerder verschenen in het Indisch Vaderland, 1883-1884, resp. 1884-1885. - ISBN 90-388-1423-2. - Dl. 2: In en uit 's lands dienst: De van der Lindens c.s.

Indische Letteren. Jaargang 14

165 Mevrouw L. van Velton-van der Linden; H. van Brakel, Ingenieur B.O.W.; Indische mensen in Holland. - 756 p. - Oorspr. uitg. van de afzonderlijke titels: Leiden: Sijthoff, resp. 1889, 1889, 1890, 1890 onder het pseudoniem Maurits. - Eerder verschenen in het Indisch Vaderland, 1885 en het Bataviaasch Nieuwsblad, resp. 1885-1886, 1886, 1888. - ISBN 90-388-1424-0. Dis, Adriaan van en Harald Vlugt, Totok. - Landgraaf: Herik. - [32] p. - (Zwarte reeks; 37). - ISBN 90-73036-57-7. - [1998 A 572]. Dompseler, Frans van, Een Indische Nederlander in Nederlands-Indië. Scheveningen: Van Dompseler von Heckhausen. - 212 p. - ISBN 90-6242-881-9. - [1997 A 4703]. Droog, Thea, Een Makassaarse dochter. - Assen: Servo. - 168 p. - ISBN 90-71918-95-5. - [1998 A817]. Eggink, J.W.F. en M.H. van Kuik, Selectie bibliografie van egodocumenten over de Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen 1940-1962. - Utrecht: ICODO. - v, 91 p. - [1997 B 775]. Fasseur, Cees, Indischgasten. - Amsterdam: Bakker. - 313 p. - ISBN 90-351-1813-8. - [1997 A 678]. Freriks, Kester, Ogenzwart: roman. - Amsterdam: Meulenhoff. - 278 p. (Meulenhoff editie; 1566). - ISBN 90-290-5336-4. - [1998 A 5844]. Glastra van Loon, Karel, Vannacht is de wereld gek geworden. - Amsterdam [etc.]: Veen. - 219 p. - ISBN 90-254-2473-2. - [1997 A 5021]. Gomes, Paula, Zwerfkat in Piraeus. - [Den Haag]: Van Stockum. - 125 p. ISBN 90-70095-02-5. - [1997 A 2596]. Grobben, Gerrit, De Van Imhoff: roman. - Amsterdam: De Bezige Bij. - 286 p. - ISBN 90-234-3623-7. - [1997 A 4670]. Haasse, Hella S., Zwanen schieten. - Amsterdam: Querido. - 128 p. - ISBN 90-214-6471-3. - [1998 A 275]. Haitsma, Marjanne en Xaf Lasomer, Voorouders en toekomstbeelden: verhalen en gedichten voor volwassenen. - Utrecht: Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers (LSEM). - 77 p. - ISBN 90-73388-79-1. - [1998 A 699]. Heijden, Lia van der en Aries van Meeteren, Registers behorende bij Egodocumenten van Noord-Nederlanders van de zestiende tot begin negentiende eeuw: een chronologische lijst en Reisverslagen van Noord-Nederlanders van de zestiende tot begin negentiende eeuw: een chronologische lijst. - Haarlem: Stichting Egodocument. - 32 p. - [1998 A 201]. Horn-van Raalten, Marijke van, Zonsopgang en -ondergang in Padang en Bangkinang: gedenkboek 1942-1945. - [S.l.: s.n.]. - 170 p. - [1997 A 1765]. Jalhaij, Math, Ajona, een blanke inlandse: een waar gebeurd verhaal uit 1935. - Heemstede: Altamira. - 192 p. - ISBN 90-6963-428-7. - [1998 A 1533]. Jansen, Danny, Adriaan van Dis, Indische duinen. - Laren (Gld.): Walvaboek. - 40 p. - (Memoreeks). - ISBN 90-6675-597-0. - [1998 A 933]. Janssens, Rob, Op zoek naar haar achterland. - [S.l.]: R. Janssens. - 137 p. ISBN 90-802487-2-X. - [1997 A 2565]. Jansz, Pieter en A.G. Hoekema, ‘Tot heil van Java's arme bevolking’: een keuze uit het dagboek (1851-1860) van Pieter Jansz, doopsgezind zendeling in Jepara, Midden-Java. - Hilversum: Verloren. - 184 p. - (Manuscripta mennonitica). ISBN 90-6550-156-8. - [1998 A 575].

Indische Letteren. Jaargang 14

Japin, Arthur, De zwarte met het witte hart: roman. - Amsterdam [etc.]: De Arbeiderspers. - 389 p. - ISBN 90-295-2321-2. - [1997 A 2622].

Indische Letteren. Jaargang 14

166 Jellema, A.N.K., Toen de samurai omlaag flitste. - Leidschendam: A.N.K. Jellema. - 178 p. - [1997 A 827]. Kits Nieuwenkamp, J.F.K., W.O.J. Nieuwenkamp (1874-1950): beeldend kunstenaar, schrijver, architect, ontdekkingsreiziger, ethnoloog en verzamelaar van Oostaziatische kunst: gezien door tijdgenoten. - Amersfoort: Bekking. 125 p. - ISBN 90-6109-433-X. - [1998 B 502]. Koppen, Piet L., Waag veel, riskeer niets!: G.A. Koppen (1890-1970) en de vlucht van de Postduif. - Amsterdam: De Bataafsche Leeuw. - 188 p. - ISBN 90-6707-452-7. - [1998 A 4144]. Kuijper, P.S. en Dick van de Pol, Morgenrood voor de Molukken. - Kampen: De Groot Goudriaan. - 157 p. - ISBN 90-6140-539-4. - [1997 A 5572]. Latukau, Suleman en Hans Straver, Lani nusa, lani lisa: kapata dari Morela dan Mamala = zangen uit Morela en Mamala. - Utrecht: Moluks Historisch Museum: Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers (MHM/LSEM). - 78 p. ISBN 90-73388-77-5. - [1998 A 657]. Liesker, Hans en G. Aalbertsberg, Je denk, ken niet maar ken!!: vijfentwintig ervaringen uit het verzet, van de krijgsgevangenen, van volwassenen en jongens uit de burgerkampen, tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de vrijheidsstrijd van Indonesië in de jaren veertig en vijftig. - Waddinxveen: Stichting Jongens Japanse Kampen Tjimahi/Bandoeng '42-'45. - 520 p. - ISBN 90-9010681-2. - [1998 A 3210]. Lindeijer, A.P., Achter prikkeldraad: geïnterneerd in kamp Tjikoedapateuh te Bandoeng van 8 maart 1942 tot 3 oktober 1943. - [S.l.: s.n.]. - 313 p. - [1998 B 179]. Loo, Bernhard te, Een leven met oorlog: de gevolgen van het Japanse interneringskamp Ambarawa. - Enschede: [s.n.]. - 155 p. - [1997 B 1416]. Matthijs, Hein, Habis perkara: verhalen over mensen uit een koloniaal verleden. - Schoorl: Conserve. - 105 p. - ISBN 90-5429-091-9. - [1998 A 982]. Meij, J.N.J. van der, Op erewoord...: oorlogsherinneringen van een marineman. - Amsterdam: De Bataafsche Leeuw. - 192 p. - (Bijdragen tot de Nederlandse marinegeschiedenis, Kleine serie). - ISBN 90-6707-459-4. - [1998 A 1085]. Michielsen-Baljon, Els, Alles is in orde... = Fushimban ijo arimasen. - Den Haag: United IdeaZ Publisher. - 251 p. - ISBN 90-75888-03-1. - [1997 A 2229]. Neijndorff, Frank, Een Indo in Holland. - Rotterdam: Indonet. - 183 p. - ISBN 90-75413-04-1. - [1997 A 4056]. Oonk, M., Onstuitbaar. - Bussum: Palaver. - 124 p. - (Indisch verleden). - ISBN 90-75421-10-9. - [1998 A 671]. Peeraer, Kris, Onder de tropen. - Leuven: Davidsfonds/Clauwaert. - 351 p. ISBN 90-6306-367-9. - [1997 A 5820]. Piette, Roy, Droom van een witte kerst, of Kurang acar: een allegorisch verzinsel. - Bergen (nh): Bonneville. - 112 p. - ISBN 90-73304-58-X. - [1998 A 1993]. Put, Paul van der, Het boek der Indo's: kroniek. - Rotterdam: Indonet. - 242 p. - ISBN 90-75413-05-X. - [1997 A 2509]. Ruebsamen, Helga, Het lied en de waarheid. - Amsterdam [etc.]: Contact. - 395 p. - ISBN 90-254-2284-5. - [1997 A 4076].

Indische Letteren. Jaargang 14

Saueressig, Poldi Carlos, Levenswandel van een Atjeh veteraan: rindu abadi. - Gouda: Poldi Carlos. - 112 p. - ISBN 90-800869-3-2. - [1997 A 5524]. Swaving, Justine, De urn en de noot: leven in twee werelden. - Bergen (nh): Bonneville. - 320 p. - ISBN 90-73304-50-4. - [1997 A 686]. Teitler, G. en W. Klinkert, Kopstukken uit de krijgsmacht: Nederlandse vlagen

Indische Letteren. Jaargang 14

167 opperofficieren 1815-1955. - Amsterdam: De Bataafsche Leeuw. - 360 p. ISBN 90-6707-438-1. - [1998 A 904]. Termorshuizen, Gerard [red.], Rondom Daum. - Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar. - 135 p. - ISBN 90-388-7421-9. - [1997 A 702]. Truijens, Aleid, Hella S. Haasse: draden trekken door het labyrint. - Nijmegen: Sun. -85 p. - (De school van de literatuur). - ISBN 90-6168-486-2. - [1998 A 1511]. Veenhof, Joh. G., Zeeslag onder de tropenhemel. - Barneveld: Koster. - 135 p. - ISBN 90-5551-095-5. - [1998 A 3662]. Velden, J.A. van der, Vreemd vliegt de paradijsvogel. - Franeker: Van Wijnen. - 183 p. - ISBN 90-5194-164-1. - [1997 A 3520]. Verheij, Klaar, Hella Haasse, Heren van de thee. - Laren (Gld.): Walvaboek. 40 p. - (Memoreeks). - ISBN 90-6675-617-9. - [1998 A 1527]. Vervloed, Peter en Thea Peters, De reuzenknoop. - Baarn: La Riviere. - 63 p. (Blauwe raven). - ISBN 90-384-1151-0. - [1997 A 2607]. Vervloed, Peter en Thea Peters, Wie redt olifantje? - Baarn: La Riviere. - 61 p. - (Blauwe raven). - ISBN 90-384-1178-2. - [1998 A 2457]. Vletter, M.E. de, R.P.G.A. Voskuil, J.R. van Diessen en J. van Dulm, Batavia/Djakarta/Jakarta: beeld van een metamorfose. - Purmerend: Asia Maior. - 176 p. - (Indische steden-reeks; 1). - ISBN 90-74861-09-1. - [1997 B 732]. Vreede, Mischa de, Selamat Merdeka. - Amsterdam [etc.]: Atlas. - 320 p. ISBN 90-254-2271-3. - [1997 A 1132]. Wassing, Gerrit, Manis: een Indië-verhaal. - Amsterdam: De Beuk. - 98 p. ISBN 90-6975-339-1. - [1998 A 579]. Willems, Wim [red.], Uit Indië geboren: vier eeuwen familiegeschiedenis. Zwolle: Waanders. - 224 p. - ISBN 90-400-9977-4. - [1998 B 172]. Windhorst, P.P., Indische erfenis. - 's-Gravenhage: BZZTôH. - 223 p. - (Sacher & Ruczinski). - ISBN 90-5501-462-1. - [1998 A 610]. Wolffers, Ivan, De verliefde waria: roman. - Amsterdam [etc.]: Contact. - 301 p. - ISBN 90-254-2254-3. - [1997 A 4671]. Zikken, Aya, Landing op Kalabahi. - Amsterdam [etc.]: Atlas. - 189 p. - ISBN 90-254-2181-4. - [1997 A 1121].

Indische Letteren. Jaargang 14

168

Uitnodiging Op vrijdag 5 november 1999 organiseert de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde weer een lezingenmiddag. In tegenstelling tot voorgaande lezingenmiddagen begint het programma om 15.00 uur en eindigt om circa 17.15 uur. In een drietal lezingen zal de literatuur van de Tweede Generatie belicht worden. Plaats: Rijksuniversiteit Leiden, Gebouw 1175 (Centraal Faciliteitengebouw), Witte Singel/Doelencomplex (achter het Rapenburg ter hoogte van de Doelensteeg). Zaal 028. De toegang is gratis. Alle belangstellenden zijn van harte welkom.

Indische Letteren. Jaargang 14

169

[Nummer 4] Redactioneel Dit nummer van Indische Letteren bevat de tekst van de lezingen gehouden op het drukbezochte symposium ‘Humor in de Indische letteren’ te Bronbeek (op 26 september 1999). De artikelen bestrijken de periode van circa 1850 tot heden en stellen allerlei soorten humor aan de orde, van oubolligheid tot harde satire. Zelfs, of liever, juist onder het Japanse juk, zochten sommige auteurs hun bescherming in de humor. Natuurlijk ontbreekt de Indische humor van Tjalie Robinson niet, evenmin als de milde en onderkoelde humor van A. Alberts en F. Springer. De afbeelding op de omslag is dezelfde als die op onze affiche, ontworpen en gemaakt door de tekenaar Peter van Dongen, vooral bekend als maker van Rampokan: Java (1998). Op 7 november j.l. overleed onze medeoprichter en inspirator Rob Nieuwenhuys na een lang en werkzaam leven. Hij werd in stilte begraven, waarbij ook redacteuren van ons tijdschrift aanwezig waren. Peter van Zonneveld zal onze nestor in een In memoriam herdenken. Omdat onze Werkgroep volgend jaar haar 15-jarig bestaan viert, overwegen we ons jaarlijkse Bronbeek-symposium te wijden aan Rob Nieuwenhuys' leven en werken en aan zijn betekenis voor de beoefening en bestudering van de Indische literatuur. Immers een terugblik en een toekomstverkenning zijn ondenkbaar zonder het werk van Rob erbij te betrekken.

Uitnodiging Op vrijdag 18 februari 2000 organiseert de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde weer een lezingenmiddag. Programma: 14.00 uur:

Opening

14.15 uur:

Anneke Lüger: Marie van Zeggelen, Carry van Bruggen en Annie Salomons, een vergelijking

14.45 uur:

Vilan van de Loo: Tot heil van de lijdende mensheid. De geneeskundige planten van mevr. J.N.C. Kloppenburg-Versteeg

15.15-15.45 uur:

Pauze

15.45 uur:

Heleen Hoelen: Bersiap in Soerabaja, meer dan een geschiedenis.

16.30 uur:

Sluiting

Plaats: Rijksuniversiteit Leiden, Gebouw 1175 (Centraal Faciliteitengebouw), Witte Singel/Doelencomplex (achter het Rapenburg ter hoogte van de Doelensteeg). Zaal wordt ter plaatse bekendgemaakt. De toegang is gratis. Alle belangstellenden zijn van harte welkom.

Indische Letteren. Jaargang 14

Indische Letteren. Jaargang 14

170

Rob Nieuwenhuys in 1998 (foto: Sander Nieuwenhuys).

Indische Letteren. Jaargang 14

171

In memoriam Rob Nieuwenhuys (1908-1999) Peter van Zonneveld Rob Nieuwenhuys, de nestor van onze Werkgroep, is op zondag 7 november, kort na middernacht, overleden. Hij is 91 jaar geworden. Vorige zomer werd in onze kring zijn negentigste verjaardag gevierd. Dat was, zo weten we nu, het officiële afscheid van de Indische letteren. Velen zullen dat ook toen zo hebben gevoeld. We boden hem een boek aan, Met andere ogen, waarin dertig vrienden iets over zijn fotoboeken hadden geschreven. Enkelen lazen hun bijdrage voor. Rob zat op de eerste rij, en gaf zo nu en dan onbekommerd commentaar. Zelf voerde hij ook nog het woord, en aan het eind van de feestelijke receptie stond hij op het podium krontjong-liedjes mee te zingen met de zangeres. Met de dood van Rob Nieuwenhuys is ons een groot kenner van de Indische cultuur ontvallen. Hij liet een indrukwekkend oeuvre na, waarin zijn Oost-Indische Spiegel een bijzondere plaats inneemt. Als schrijver van een enorm aantal artikelen en essays, een roman, een studie over Multatuli en zijn eigen oorlogsherinneringen, als editeur van vele bloemlezingen en tekstuitgaven, heeft hij als geen ander bijgedragen aan onze kennis van de Indische literatuur. Zelf was hij het meest gesteld op zijn fotoboeken, waarin de sfeer van tempo doeloe in woord en beeld op onnavolgbare wijze is vastgelegd. Op 14 februari 1985 gingen Reggie Baay en ik bij Rob op bezoek. Hij vroeg onze hulp bij de herziening van zijn Oost-Indische Spiegel. Op zijn gezellige studeerkamer is die middag het plan voor de oprichting van onze Werkgroep geboren. De eerste jaren was Rob bijzonder actief. Na zijn tachtigste verjaardag, die gevierd werd in het Rijksmuseum voor Volkenkunde, nam hij wat meer afstand, maar hij bleef onze verrichtingen nauwgezet en kritisch volgen. We konden altijd een beroep op hem doen. Hoevelen heeft hij ook nadien nog geholpen met hun scriptie, hun artikel, hun boek over het oude Indië? Rob Nieuwenhuys wás Indië. Hij was de vader, de grootvader, van een enorme Indische familie van zowel totoks als Indo's, van eerste, tweede en derde generatie. Een verzoener van tegenstellingen, ook al was hij bepaald geen kampioen

Indische Letteren. Jaargang 14

172 van de gulden middenweg. Zowel Rudy Kousbroek als Jeroen Brouwers leverden een bijdrage aan Met andere ogen, met voorop die prachtige foto van zijn kleinzoon Sander, van een lachende Rob, heel huiselijk met zijn sarong aan. Zo moet hij ons maar bijblijven. Rob Nieuwenhuys was een anarchist. Hij had een hekel aan autoriteit, aan voetnoten, aan uiterlijk vertoon, aan pretenties, aan mensen die hem wilden gebruiken voor hun eigen doeleinden. Hij had een messcherp gevoel voor kwaliteit, voor authenticiteit. Met Rob kon je praten als met een gelijke, ook al had hij je grootvader kunnen zijn. Hij heeft altijd iets jeugdigs behouden, hij kon schaterlachen en giechelen. Hij kon heerlijk roddelen en zich soms ook heel erg opwinden, waarbij ik mezelf soms hoorde zeggen: ‘laat maar Rob, trek het je niet aan, laat maar’, als iemand die opeens ouder, wijzer en bezadigder leek dan hij. Intens kon hij genieten van mooie gedichten en lieve, aantrekkelijke vrouwen. Maar na de dood van Fried, met wie hij meer dan zestig jaar samen was geweest, had het leven voor hem veel van zijn charme verloren. De laatste tijd was het steeds moeilijker om hem op te beuren. Hij had er gewoon geen zin meer in. Hij at niet meer, hij dronk alleen nog maar. Die grote, sterke man was uiteindelijk klein en kwetsbaar geworden. Maar zijn geest was ongebroken. Een paar dagen voordat hij stierf, heb ik nog met hem kunnen praten. Hij pakte mijn hand en zei onder andere: ‘Ik word begraven in de Haarlemmermeer’. ‘Bij Fried’, zei ik. ‘Ja, bij Fried’, zei hij, en glimlachte. Op donderdag 11 november werd hij in kleine kring ter aarde besteld op de begraafplaats De Wilgenhof, midden in de polder. Het was een stralende herfstdag. Hij zou het schitterend hebben gevonden. Het liefst had hij daar zelf nog het woord gevoerd. Zijn eigen dood kon hem niet zoveel meer schelen, maar die begrafenis hield hem intens bezig. De tekst van het overlijdensbericht, pas na de uitvaart verstuurd, had híj opgesteld. Vier jaar geleden had hij daar van Fried afscheid moeten nemen. Nu schreef hij op die kaart dat hij bij haar wilde komen liggen: ‘Het liefste dat ik ooit bezeten heb.’ We zullen hem niet vergeten. In onze herinneringen en in zijn werk leeft hij voort. Binnenkort zullen we gelegenheid vinden om dieper in te gaan op zijn betekenis voor de Indische letteren. Zij rusten in vrede.

Indische Letteren. Jaargang 14

173

De Indische Humorist Een ‘spectatoriaal geschrift’ uit 1864 Gerard Termorshuizen In januari 1864 verscheen bij de Bataviase boekhandel en drukker Lange & Co de eerste aflevering van het maandblad De Indische Humorist.1 Initiatiefneemster en uitgeefster was de in Insulindes hoofdstad residerende vrijmetselaarsloge ‘De ster in het Oosten’. De baten zouden ten goede komen aan de ‘Armenkas’ van de loge.2 Met ‘armen’ werden vooral de talrijke in behoeftige omstandigheden levende Indo-Europeanen bedoeld. Het was in de eerste plaats aan dat bevolkingsdeel, dat de in Nederlands-Indië werkzame loges in de negentiende eeuw hulp boden, in velerlei vorm.3 De Indische Humorist was het eerste periodiek in dit genre in de kolonie en werd alleen al om die reden met belangstelling maar ook met enige scepsis gevolgd door de Indische pers. Die scepsis betrof de in de titel van het blad besloten pretenties. ‘Humor’ en wel speciaal ‘Indische humor’ zou het immers moeten geven. De roemruchte Henri Lion van het Bataviaasch Handelsblad was na de eerste drie nummers niet erg tevreden. ‘De brommende exotische Leeuw’, zoals hij ergens in De Indische Humorist wordt genoemd, bracht dat overigens op een uiterst elegante manier tot uiting: pas op, heer Redacteur, bedenk, gij zijt in Indië! Humor!... Wie het al heeft meêgebragt naar Java, heeft het toch al spoedig door de eene of andere zonnesteek of baarstoot verloren... Humor... in Indië! Waar de lui elkander met bleeke, matte, ja krijtwitte gezigten zitten aan te gapen; waar de whistof hombre-kaart alleen hunne gedachten kan boeijen; waar niets anders hen kan wakker houden! Pas op, heer Redacteur! laat Van Effen en Fokke Simonsz. zich niet in hunne graven omkeeren, of er uit oprijzen om des nachts bij u te komen spoken en tusschen de reet van uw klamboe een gezigt tegen u te zetten, waarvan u de haren te berge rijzen. Laat Nicolaas Beets en de oude Heer Smits u niet van

Indische Letteren. Jaargang 14

174

Indische Letteren. Jaargang 14

175 uit de verte met de geesselroede hunner satire tuchtigen; en de Engelse authors u niet met hun: God damn! op het lijf vallen! Wij willen No. 1, 2 en 3 van uw blad niet analiseren, maar roepen u alleen toe, geef... Humor!4 Toonde Lion zich dus weinig geamuseerd door wat het blad tot dusver had gebracht - en heel veel beter zou het daarna niet worden - hoeveel te minder nog de lezer van nu die - op uitzonderingen na - wordt getrakteerd op flauwiteiten die voor een aanzienlijk deel refereren aan een al zo'n 135 jaar achter ons liggend koloniaal verleden. En toch heeft juist dat laatste z'n charme voor de pers- of literair-historicus die zo'n periodiek z'n plaats weet te geven zowel binnen dat tijdsbeeld als binnen de Indische journalistiek van die dagen. Dat probeer ik dan nu te doen. Ik haalde zojuist Lion aan. Dat citaat was, ik weet het, wat aan de lange kant. Maar die lengte laat zich verontschuldigen door de inhoud ervan. Wat Lion bedoelde te zeggen is duidelijk: Indië lijdt onder zwartgalligheid, en dus, redacteur van De Indische Humorist, maak je belofte waar en zorg ervoor dat de mensen wat te lachen krijgen: ‘geef... Humor!’ Inderdaad, de tijdsomstandigheden waren moeilijk in die jaren zestig: het de kolonie uitknijpende Cultuurstelsel trok ook op het leefklimaat een zware wissel, wat in de toch al neerdrukkende eentonigheid van het bestaan van alledag scherp werd gevoeld. Vanzelfsprekend werden er pogingen ondernomen wat kleur te brengen in die sfeer van apathie. De Indische pers speelde daarbij geen onbelangrijke rol. Zij zag zich, zoals een journalist dat uitdrukte, gesteld voor een ‘dubbele roeping’: de krant, zo wist elke Indische redacteur, moest naast nieuws en voorlichting óók afleiding en amusement verschaffen. Dat amusement zocht de krantenlezer bijvoorbeeld in de ‘Gemengde berichten’, in de zogenaamde (Indische en Europese) ‘correspondenties’ of in het feuilleton, maar eveneens, ja zelfs in de allereerste plaats, in de stilistische kwaliteiten van de man die de krant redigeerde. Had deze een ‘goede pen’, stond hij z'n mannetje in de polemiek en ging hij daarbij vinnige ‘personaliteiten’ niet uit de weg, was hij adrem en geestig, was hij kortom meester van de ‘tropenstijl’, dan kon hij rekenen op de dankbaarheid en de gunst van het publiek. Dat zo'n journalist misschien politiek aan de verkeerde kant stond, of dat hij weleens blijken gaf of had gegeven van ‘karakterloosheid’, namen velen op de koop toe. Een prachtig voorbeeld van de laatste categorie uit die jaren zestig en even daarna was Conrad Busken Huet, redacteur van achtereenvolgens de Java-Bode en het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië. Hoe groot de verontwaardiging ook kon zijn over het ‘verraad’ van zijn pen aan de conservatieven en hoe men zich ook kon ergeren aan zijn reactionaire, anti-democratisch gedachtegoed, men laafde zich aan zijn schrijf-

Indische Letteren. Jaargang 14

176 talent en schonk zijn krant ruimschoots de klandizie. De verleiding is te groot om hier niet tenminste één staaltje van waartoe Huet in staat was ten beste te geven. Ter inleiding daarvan - helaas onoverkomelijk - zij opgemerkt dat Huets meest uitgesproken critici in de Indische dagbladjournalistiek Des Amorie van der Hoeven, Van der Does de Bye, Lion en Van Lier waren. Van der Hoeven was gerepatrieerd en katholiek geworden; De Bye, Lion en Van Lier waren in het harnas gestorven en begraven op het Bataviase Tanah Abang. U moet bovendien nog weten dat De Indiër en het Nieuw Bataviaasch Handelsblad twee bekende kranten waren, en dat Van Lier had gewerkt voor de krantenuitgever Bruining & Wijt, met wie Lion ruzie had. Huet nu publiceert de volgende ‘onderschepte telegrammen’: - Mr. H. des Amorie van der Hoeven aan J.C. van Lier. -- Seminarie Warmond, 9 Mei. Rijmpje in Indiër van eergisteren: De Bye, Lion en Van der Hoeven Hangt ze op, dat drietal boeven kreupel en onhistorisch. Heb nooit kornuit van Lion willen zijn. Lees mijn Nieuw Bataviaasch Handelsblad. Verzoeke nog heden rektifikatie. - Jkhr. Mr. van der Does de Bye aan J.C. van Lier. -- Kerkhof Tanah Abang, 7-8 Mei. Heb mij vannacht in graf omgekeerd. Wil niet in één adem met Lion genoemd worden. Ook niet met jou, of door jou. Wensch je de knokkelkoorts. - H.J. Lion aan J.C. van Lier. -- Kerkhof Tanah Abang, 7-8 Mei. Kreeg daareven trap van De Bye, met groeten van Van der Hoeven. Jouw schuld. De Bye aristokraat tot onder den grond. [...] Van der Hoeven altijd kwast geweest. Anderhalf denkbeeld op duizend woorden. Jij mijn eenige erfgenaam. Maar gemeen van je, dat je bij Bruining & Wijt gegaan bent, die mij voet wilde ligten. Pluk op mijn graf rozekrans voor Van der Hoeven. Tot ziens.5 Prachtig was dit natuurlijk, voor een publiek dat elke naam en elk detail op hun waarde kon schatten en kon plaatsen in hun context. Groot en intens was de behoefte van de Indischgast aan divertissement, aan een - als het zijn lectuur betrof - ‘gekruide stijl’, aan een ‘losse en humoristische voorstelling van dagelijkschen zaken’,6 zoals dat ergens wordt geformuleerd. En dus was er voor zoiets als De Indische Humorist natuurlijk plaats. Maar even natuurlijk was, dat daarvan het een ander werd verwacht, en dat in die verwachting het humor belovende maandblad onwillekeurig werd vergeleken met wat de dagbladjournalistiek aan amusement bood. Het is in dit verband interessant, maar niet op-

Indische Letteren. Jaargang 14

177 zienbarend na wat al is gezegd, dat het blad heel regelmatig als humoristisch aangemerkte passages uit Indische kranten overnam.7 Ik keer terug naar de door Lion aan De Indische Humorist gewijde passages. En wel naar zijn laatste zinnen, waarin hij de - overigens anonieme - redacteur van het blad waarschuwt voor ontevreden gemor van de zijde van al dan niet onder de zoden liggende humoristen als Van Effen en Fokke Simonsz, Nicolaas Beets en de oude Heer Smits. Sprake is er ook van Engelse ‘authors’, met wie - lettend op de sporen die hij in De Indische Humorist trekt - vooral Joseph Addison wordt bedoeld, hij die met die andere achttiende-eeuwer Richard Steele de zo befaamd geworden The spectator had opgericht en geredigeerd. Met het noemen of aanduiden van juist die figuren gaf Lion heel precies het karakter van het blad aan, of in ieder geval dat wat het graag wilde zijn: een op de Indische actualiteit inhakend, de dwaasheden en gebreken van de koloniale samenleving aan de kaak stellend satirisch periodiek. Vandaar de verwijzingen, vooral in de eerste nummers, in het blad naar die ‘oude Heer Smits’, pseudoniem van Mark Prager Lindo die van Engelse afkomst was, sterk de invloed had ondergaan van William Thackeray, de schrijver van Vanity fair!, en die nog maar weinige jaren daarvoor in Nederland De Nederlandsche Spectator8 had gesticht (en trouwens na drie jaar ook weer ten onder had zien gaan). Vandaar ook het gepruttel van de redacteur van De Indische Humorist over de titel van zijn blad, die, vond hij achteraf, eigenlijk De Indische Humorist en Spectator had moeten luiden.9 ‘Hoofddoel’ van het blaadje was immers, en ik citeer hem: de verbetering van Indische toestanden door eene humoristische beschouwing van die toestanden.10 De Indische Humorist kwam voort, dat mag nu wel duidelijk zijn, vanuit de traditie van het in de achttiende eeuw ontstane ‘spectatoriale geschrift’. In - doorgaans in het Nederlands maar soms ook in het Maleis (de ‘pantoen’-vorm) geschreven - proza en poëzie richtte het blad zich op Indië, op de daar spelende ‘questions brûlantes’, op de hebbelijkheden en (vooral) onhebbelijkheden binnen de (voornamelijk) Europese koloniale maatschappij. Wat kwam daarvan terecht? Het grootste probleem voor de redacteur was, dat hij voor originele bijdragen afhankelijk was van wat anderen hem toestuurden. Dat nu viel tegen, zowel wat de kwantiteit als de kwaliteit betreft. Omdat hij al blij mocht zijn met wat hij in handen kreeg, kon van een schifting van het hem toegezondene nauwelijks sprake zijn. Rijp en groen, vooral veel van dat laatste, vindt men bijeengebracht. En dan nóg was er niet voldoende kopij. En dus moesten andere, Indische maar ook buitenlandse, periodieken worden nagevlooid op min of meer geschikte aanvullingen, of werden er vertalingen gegeven uit werk van bijvoorbeeld

Indische Letteren. Jaargang 14

178 Molière, Sterne, Steele en Addison. Met het gevolg dat behoorlijk wat van het door het maandblad gebodene niets met Indië te maken had. Kwam er steeds te weinig ‘Indische’ kopij binnen, ook met het niveau ervan was het in het algemeen maar matig gesteld. Met satirisch talent geschreven stukken of stukjes zijn er niet veel. En waar het talent ontbreekt, ontaardt zichzelf opgelegde humor of grappig willen zijn gemakkelijk in oubolligheid of erger. Maar zoals van de slechtste voetbalwedstrijd altijd nog wel een aardige samenvatting is te maken, kan uit de inhoud van De Indische Humorist zeker een lezenswaardige korte bloemlezing worden gedestilleerd. Die ik overigens niet zal geven. Enkele voorbeelden moeten hier volstaan. Eerst een grapje van het soort dat we veel tegenkomen. Uit ‘Luitenants-mijmeringen’: (Bij het opgaan der zon) Laerze-ge-poest?!? -- Jawel, Luitenant!! Koffïj klaar?! -- Al klaar, Luitenant! A-a-a-h-ah! kassie Peit!!11 Heel regelmatig - ook in de dagbladpers the topic of the day - is de exploitatie van de kolonie het onderwerp. Deze passage is de moeite waard, hoewel niet humoristisch: In Neerlandsch Indië wordt veel gemord tegen dat Batig Saldo, dat beschouwd wordt als schraapsel, op Indischen grond bijeengegaard door Nederlandsch tuingereedschap, en met Neerland's schepen naar Nederland overgebragt tot veredeling van Neerlandsch grondgebied; dat schraapsel is de koepokstof waarmede Nederland wordt ingeënt, ten einde, door al deszelfs bloedvaten en levensaderen heenvloeijende, een' heilzamen invloed te bewerken op het gestel van Nederland, en het voor vele gevaarlijke ziekten te bewaren. En de Algemene Rekenkamer zorgt ervoor dat er van dat Batig Saldo geen greintje op Indischen bodem achterblijft [...]. Het schraapsel is bijeengeharkt, de Rekenkamer ziet toe, dat er geen stofje liggen blijft. De koepokstof is opgedaan en verzameld: de Rekenkamer behandelt ze in hare Apotheek, en neemt de leiding der vaccine op zich.12 Het aardigste, vind ik zelf, zijn de versjes. Sommige zijn geschreven à la Van Alphen, andere brengen ons een beetje in de buurt van Piet Paaltjens. Ik geef een viertal:

Indische Letteren. Jaargang 14

179

Protectie Protectie is 'n groote schat Om vergenoegd te leven. Of men al hart en geest bezat Wat voordeel zal het geven? Krijgt men geen duw soms in zijn rug Dan vordert men niet bijster vlug. Wil lieve heertjes dan mijn raad Niet onbedacht verachten; Maar naar 'n flink protectoraat Met allen ijver trachten. Een duw, een ruk, een schop, een trap Brengt ezels zelfs tot wetenschap.

Soedah Mijn liefje! ik zou u wel vragen, Want ik weet wel dat gij mij bemint; Maar we kunnen de kosten niet dragen, En daarom maar soedah mijn kind! In Godsnaam, ga nu maar trouwen Met dien mooijen plaatsmajoor, Al is het 'n tamelijke ouwe En min of meer suf, naar ik hoor. Ik zal mij zoo innig verheugen Indien ik u rijk zie en blij; Al sta ik ook diep ellendig En levend gestorven er bij.

Sliep uit Ik loop in gedachten te droomen Van de een in de andere laan. De magere klapperboomen Die zien mij verwonderd aan. De kikkers die kwikken en kwaken Die schimpen en schelden me uit. Wat heb je hier te maken Jij bleeke man, sliep uit

Nachtgedachten 's Avonds lig ik slaperig neder Als de vorige nacht, Tot op morgen mij het oude Leven weder wacht.

Indische Letteren. Jaargang 14

180 Als ik denk aan al de droomen, Weggegaan in rook, Kan mij 't hart van weedom zeer doen, Moet ik lagchen ook.13

Ik had het voortdurend over een ‘blad’, maar met z'n slechts acht bladzijden per nummer was het eerder een ‘blaadje’. Een wat onooglijk geval, en maar zo nu en dan enigszins onderhoudend. Dat vinden wij, en dat vond de Indische lezer uit 1864 kennelijk ook. Met de grootste moeite haalde De Indische Humorist het einde van het jaar, en telde toen alles bij elkaar twaalf nummers en zesennegentig bladzijden. Zo weinig aansprekend was het, dat zelfs de Bataviase vrijmetselaren - het was toch hun initiatief en het ging toch om een goed doel - het aan zich voorbij lieten gaan. In het oktobernummer lezen we: De redactie heeft intusschen met leede oogen gezien, dat onder de broeders weinige, ja zeer weinige inteekenaren, zich hebben aangemeld, en wanhoopt derhalve ook aan de ontvangst van intellectueele bijdragen van hunnentwege.14 Zo onopgemerkt is het blaadje gebleven, dat het maar een haar had gescheeld of we hadden er nooit een blik in kunnen slaan. Het enige exemplaar dat er nog van bestaat, bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Hadden we er veel aan gemist, als het ook daar niet was terechtgekomen? Niet zo erg veel, zo zou de conclusie uit wat ik erover heb gezegd kunnen luiden. Maar ikzelf trek die conclusie niet. Ik ben blij dat het er is en dat ik het heb gezien. Zoals ik het heel vervelend vind, dat het in 1881 in de kolonie uitgegeven humoristische tijdschrift De vliegende bladen onvindbaar blijkt. De Indische Humorist heeft in de verste verte niet de kwaliteiten van het elders door mij besproken satirische weekblad De Indische Polichinel,15 dat werd opgericht en geredigeerd door de begaafde Pieter Brooshooft en heeft bestaan tussen 1879 en 1882. Buitengewoon verhelderend is het zicht dat dit periodiek ons (onder andere) biedt op het dagelijkse bestaan van de Indischgasten. Maar dat doet, zij het op een veel bescheidener niveau, De Indische Humorist eveneens. Vanuit z'n specifieke invalshoek levert het een bijdrage aan onze kennis van de geestesgesteldheid van Indische mensen uit de jaren zestig van de negentiende eeuw: somber was dat tijdsgewricht maar evenzogoed een tijdperk van gisting, een decennium waarin de status quo en behoudzucht onder toenemende druk kwamen te staan van een zich steeds krachtiger uitend verlangen naar verandering, naar een ‘nieuwe tijd’ die maar weinige jaren later, vanaf het begin van de jaren zeventig, zich zou gaan manifesteren in de kolonie. Ook die spanning tussen oud en nieuw vindt men gereflecteerd in De Indische Humorist.

Eindnoten: 1 De respectieve afleveringen werden doorgenummerd, zodat bij het geven van citaten in de noten simpelweg kan worden verwezen naar de desbetreffende pagina's.

Indische Letteren. Jaargang 14

2 Zie voor deze informatie het colofon van het eerste nummer (p. 8). 3 Th. Stevens, Vrijmetselarij en samenleving in Nederlands-Indië en Indonesië, 1764-1962. Hilversum 1994, p. 116 e.v. 4 In Bataviaasch Handelsblad nr. 44, en geciteerd in De Indische Humorist, p. 37. 5 Zie de bloemlezing die Chatelin in zijn Sumatra-Courant van 31-5-1873 gaf van wat de ‘coryphéën der Bataviasche dagbladpers’ elkaar allemaal hadden toegebeten. 6 Uit weekblad Oosten West, geciteerd in Samarangsche Courant van 11-11-1878. 7 Volgens een ‘ruilovereenkomst’ ontving De Indische Humorist de volgende kranten: Soerabaya Courant, De Locomotief, De Javaan, The Java Times, Sumatra-Courant en Makassaarsch Handels- en Advertentieblad (zie p. 71). 8 Het blad bestond tussen 1856 en 1859. 9 Zie b.v. ‘Bekendmaking’, p. 16. 10 ‘Retrospect’, p. 72. 11 ‘Kleine Indische typen’, p. 14. 12 ‘De Algemeene Rekenkamer en het batig saldo’, p. 92. 13 Alle vier versjes vindt men op p. 86. 14 ‘Retrospect’, p. 71. 15 Gerard Termorshuizen, ‘De Indische Polichinel: een satiricus over het Indië van omstreeks 1880’. In: A man of Indonesian letters. Essays in honour of professor A. Teeuw. Edited by C.M.S. Hellwig and S.O. Robson. Dordrecht/Cinnaminson 1986, p. 132-155 (Verhandelingen van het KITLV, 121).

Indische Letteren. Jaargang 14

182

Indische Letteren. Jaargang 14

183

Een humoristische reis door Insulinde? Bert Paasman Deze titel is ontleend aan de titel van een boek uit 1876: Humoristische reis door Insulinde gedaan door Willem bij 't Handje, opgedragen aan zijn Tantje, in 19 gezangen. Het vraagteken is van mij: is een boek dat zichzelf als humoristisch afficheert en meteen al zo koddig Handje op Tantje laat rijmen ook echt leuk? Dit is een van de vragen die ik me stelde toen ik dit in de literatuurgeschiedenis onbekende boek tijdens mijn onderzoek in de Universiteitsbibliotheek Leiden gevonden had. En wie is Willem bij 't Handje en wie zijn Tantje? En waarom is dit reisverhaal niet in het gebruikelijke proza geschreven, maar in gezangen - lijkt het soms op de avontuurlijke reis van Prikkebeen in de rijmbewerking van J.J.A. Goeverneur? Enkele van deze vragen worden al bladerlezend in het boek direct opgelost. Willem bij 't Handje is de dichterlijke verteller van het reisverhaal, de fictionele ikfiguur. Hij is geschapen om de lezers te vermaken door de auteur F.C. Wilsen, die het boekwerkje van 84 pagina's op eigen kosten liet drukken bij G.C.T. van Dorp & Co te Semarang, een bekend drukker-uitgever. Volgens het opdrachtgedicht heeft Wilsen de tekst ook in Semarang geschreven en wel in januari 1876. Tantje blijkt tante Leen te zijn, ook een figuur uit de fictie. Zij zou (niet in de Jordaan maar) in Den Haag wonen, aan het Spui, naast een banketbakker. Deze tante wordt in de tekst zo nu en dan aangesproken en op haar vragen wordt geanticipeerd. Soms wordt ze gegroet, bijv. aldus: Vaarwel, mijn hart zal steeds voor u kloppen, Eet niet te veel Haagsche moppen, (p. 48)

De negentien gezangen blijken een soort brieven op rijm, gericht aan tante Leen. Ze zijn volgens de titelpagina en bepaalde tekstplaatsen niet op Goeverneur geïnspireerd, maar op de Gedichten van den Schoolmeester (1859) door Gerrit van der Linde, waarover Marita Mathijsen ons zo voortreffelijk geïnformeerd heeft.1 Wilsen maakt zichzelf tot een soort Indische Schoolmeester, zoals we op Java ook al een Indische Van Alphen hadden, namelijk de kinderdichter-onderwijzer Johannes van Soest.2

Indische Letteren. Jaargang 14

184 Waarom maakt Willem een reis door de Archipel en hoe zag die reis eruit? Willem bij 't Handje erft na de dood van zijn moeder een half miljoen, die hij echter pas incasseren mag na een tweejarige reis door Indië, om levenservaring, mensen- en vooral vrouwenkennis op te doen. Geen gemakkelijke voorwaarde, dus. Tante Leen behoort tot de mede-erfgenamen en kennelijk moet hij aan haar verantwoording afleggen van zijn queeste. De reis van Amsterdam naar Batavia door het Suezkanaal wordt in het eerste gezang beschreven. Volgens de inhoudsopgave, ook op rijm, zag die reis er als volgt uit: Willem bij 't Handje Neemt afscheid van Tantje Reist van Amsterdam, over Ismail, door het Suez Kanaal Ziet Moorsche vrouwen voor niemandal, Den berg Horeb en Aden en raakt, as je blieft, Op een meiske op Ceijlon verliefd. Waarna hij Atjin passeert en in Victoria, Het anker laat vallen, te Batavia.

Tijdens deze heenreis kwijt Willem zich al direct van zijn zware taak, vrouwenkennis op te doen. Vooral het meisje uit Galle op Ceijlon zal hij nooit meer vergeten - tot hij haar aan het eind van de reis opnieuw ziet met haar echtgenoot. Zijn route is als volgt: Batavia, Buitenzorg, Semarang, Magelang, Djokjakarta, Soerakarta, Soerabaja, Pasoeroean, Bali, Lombok, Timor, Banda, Ambon, Ternate, Celebes (Minahasa, Tondano, Makasser). Dan gaat hij terug naar Batavia en vervolgt met een tocht naar Sumatra: Palembang, Benkoelen, Fort de Kock, Padangsidempoean, een uitstapje naar de Bataklanden, via de baai van Tapanoeli naar Padang en vandaar tenslotte terug naar Nederland. Onderweg beschrijft hij bijzonderheden van streken, plaatsen en hun inwoners en vooral van de vrouwen. Hij lijkt gebiologeerd door de vrouwenkleding: De Javaansche vrouwen Dragen kabaijas met twee mouwen, En daaronder, Een koetang, boender boender,* Onder den koetang, je moet je laten beleeren, Dragen ze het bloote lijf, even als de heeren. (p. 10)

Bij alle volgende volkeren wil hij dan ook het naadje van de kous weten op het gebied van de inlandse vrouwenkleding. De vrouw die uiteindelijk de zijne wordt, Moeni, is een Sumatraanse Koeboe-vrouw, een

Indische Letteren. Jaargang 14

185 nomade die noch boven- noch onderkleding draagt, maar dat doet zijn lust tot studie niet overgaan. Zij redt hem als hij bestolen door zijn gids, een ‘zwijnhond’ van gemengd bloed, midden in een onbekende woestenij achtergelaten is. Alle eerdere vrouwen, die soms nog in zijn dromen opduiken, vallen in het niet bij dit prachtige, onschuldige natuurkind. Ze krijgt onderwijs in de Nederlandse taal en beschaving, zo leert ze kleren dragen, op een stoel zitten, in bed liggen, de quadrille dansen en met vork en mes eten. Ook gaat ze naar catechisatie. Willem trouwt haar in Fort de Kock. Het doel van zijn testamentaire opdracht is dan vervuld. Hij zal Moeni aan tante voorstellen bij het theedrinken op Zorgvliet, schrijft hij in zijn laatste rijmbrief. Met Moeni voor zichzelf en een aantal zeldzame Sumatraanse dieren en vogels voor Artis, begeeft hij zich op de terugreis. De auteur blijkt niet zo onbekend als zijn dichtwerk. De literatuurcritici en -historici Conrad Busken Huet, Gerard Brom en Rob Nieuwenhuys noemen hem als prozaschrijver: auteur van schetsen, verhalen en fictieve briefwisselingen.3 De kunsthistorici V.J. van de Wall, J. Bastin en B. Brommer, J. de Loos-Haaxman, J. Terwen-de Loos, en L. Haks en G. Maris kennen hem als tekenaar.4 De pershistoricus Gerard Termorshuizen noemt hem als brokkenjournalist die in negen maanden het blad De Indiër ten onder deed gaan (in 1876, hetzelfde jaar van de Humoristische reis).5 Frans Carel Wilsen werd op 6 april 1813 in Wenen geboren uit Nederlandse ouders.6 Over zijn jeugd is vooralsnog niets bekend. Tegen zijn dertigste, in 1842, kwam hij als korporaal in Indië en werd als topograaf naar Sumatra's Westkust gezonden. Hier maakte hij onder andere kennis met kolonel Michiels en de jonge ambtenaar Douwes Dekker. Later werd hij overgeplaatst naar de Topografsiche Dienst op Java: aanvankelijk te Batavia, daarna te Semarang en vervolgens naar vesting Willem I (nabij Ambarawa). Gouverneur-generaal Rochussen droeg hem op om met Schönberg Müller als assistent, tekeningen te maken van de basreliëfs van de Borobudur - een gigantische taak die hem vier jaar kostte. Van de honderden tekeningen werd een groot aantal litho's gemaakt die onder andere gediend hebben om de monumentale studie van C. Leeman, Bôrô-Boedoer op het eiland Java (1873), te illustreren. De wetenschappelijke en artistieke kwaliteiten ervan bleven overigens niet onbekritiseerd. In 1868 ging hij met ziekteverlof naar Nederland en begon over Indië te schrijven, puttend uit een journaal dat hij sinds zijn twintigste zegt te hebben bijgehouden. Zijn eerste boek was een fictionele correspondentie: Lain dooeloe, lain sakarang. Voorheen en thans. Schetsen uit Oost-Indië (1868-1869). In dit boek worden de periodes 1840-1846 op Sumatra (‘lain dooeloe’) en 1846-1853 op Java (‘lain sakarang’) geschetst. Conservatieve en progressieve correspondenten geven hun mening over brandende kwesties: concubinaat, prostitutie, drankmis-

Indische Letteren. Jaargang 14

186 bruik, de positie van de Indo, de dubieuze leefwijze van sommige rijken, de ambtenarenopleiding, bestuursmisbruiken en het cultuurstelsel.7 Dit boek wordt in het reisgedicht overigens genoemd als een werk waar men bijzonderheden over de Sumatraanse Bovenlanden kan lezen, het zou door een oom van Willem bij 't Handje geschreven zijn. Na Lain dooeloe, lain sakarang volgen De duivel op Java. Nederlandsch Indische novelle uit onzen tijd (1870), Naar Europa, tafereelen uit het leven van Nederlandsch-Indisch-gasten buiten Indië (1871), Njonja Koo en tante Leen. Indisch verhaal uit den tegenwoordigen tijd (1873) [deze tante Leen is géén familie], Uit de koningin van het Oosten. Verhaal uit Batavia (1873), Door vuur en water. Verhaal uit Midden-Java (1874), en Elk zijn deel. Indisch verhaal (1874). En het blijspel Hillers wonderen (1872), geschreven voor de Sociëteit ‘Tot Nut en Vermaak’ te Semarang. Geen gering oeuvre toch, waarvan Wilsen het merendeel zelf illustreerde. Volgens Rob Nieuwenhuys is Wilsen geen romanticus als W.L. Ritter en L.J.A. Tollens, maar een realist; in Wilsens woorden: ‘Mijn schetsen zijn expeditiën in het rijk der waarheid’. Hij observeert goed, schrijft ongedwongen, anekdotisch, kritisch en amusant. Hij doet soms aan P.A. Daum denken, aldus Rob Nieuwenhuys, maar kan zijn personages niet tot leven brengen zoals Daum dat kan.8 Vanaf 1877 was Wilsen gouvernements-landmeter in Japara en in Pati. Of en met wie hij getrouwd was, is nog niet opgehelderd; zijn kinderen woonden evenwel in Batavia. Na zijn pensionering bleef Wilsen in Indië wonen, hij stierf op 22 mei 1889 te Semarang. In De Locomotief van 25 mei staat een herdenkingsartikeltje over zijn leven en activiteiten en een verslag van zijn begrafenis.9 Het hoeft ons op grond van deze levensloop niet te verwonderen dat in de Humoristische reis Batavia, Semarang en Sumatra uitvoerig beschreven worden. Van Batavia worden de bekende instellingen en gebouwen opgesomd. Van Semarang het verzande havenkanaal, twee ijsfabrieken, scholen, winkels, kantoren, stadhuis, de villa's als paleizen in Bodjong en het bekende Statistische Bureau besproken. Twee dagbladen worden er in de nacht rondgebracht, waarvan De Locomotief beroemd is. De redacteur ervan (omstreeks 1875 was dat C.E. van Kesteren) staat gelijk in aanzien met de gouverneur-generaal, wil Willem ons laten geloven. Schepen uit Batavia en Soerabaja doen de stad aan, daarom zijn er vele Chinese en Javaanse logementen. De overland post brengt twee maal per etmaal brieven en kranten. Kortom, de stad bloeit. Ook roddelt Willem over dames die er gesluierd op bezoek gaan om kaart te spelen bij vriendinnen, om veel geld, waarbij ze natuurlijk eten en drinken. Soms verliest iemand alles en dat lekt vervolgens uit, zeker in de club van ene moeder Kluit. Steekt er enig venijn in deze verzen, bestond er een damesspeelclub van moeder Kluit? Is ook deze reis een kritische expeditie in het rijk der waarheid? Ik heb het nog niet kunnen verifië-

Indische Letteren. Jaargang 14

187 ren, maar het zou mij niet verbazen. In Sumatra tenslotte, volgt hij Stanford Raffles na in een oerwoudtocht, beleeft Baron von Münchhausen-achtige avonturen en vindt, zoals gezegd, zijn natuurvrouw Moeni. Hoe humoristisch is nu de Humoristische reis en in hoeverre dankt deze dat aan de Gedichten van den Schoolmeester? Het valt meteen op dat Gerrit van der Linde veel gevarieerder versvormen heeft dan Wilsen (die slechts zesregelige strofes gebruikt met gepaard rijm) en dat de Schoolmeester veel meer komische situaties geeft. Hier en daar klinkt indirect een Schoolmeestercitaat door. Vooral uit diens afdeling ‘Natuurlijke historie voor de jeugd’. Bij Wilsen lezen we over de Makassaarse paarden: Deze dieren, waren wegens hunnen wakkeren aard Vroeger zeer vermaard. (p. 47)

Bij de Schoolmeester vinden we dezelfde rijmwoorden in het gedicht over de hond: Een hond is vermaard Om zijn gezelligen aard En 't kwispelen van zijn staart.

Wilsens beschrijving van een gevangen tijgerin doet qua rijmwoorden denken aan het gedicht op de leeuw van de Schoolmeester: De jonkies van de tijgerin, of hare welpen Lieten wij door eene geit helpen. (p. 78)

Vergelijk de Schoolmeester over de leeuw: En de jongelui, zoolang zy zich met de borst behelpen, Noemt men gewoonlijk: welpen.

Een bijna parallelle formulering geeft Wilsen in de omschrijving van de meisjes van Nias: Deze kinderen tante, als zij meisjes te worden beginnen, Noemt men dan Niasserinnen. (p. 79)

Evenals de Schoolmeester heeft Wilsen vele als-constructies, die op een komische wijze een voorwaarde verwoorden. Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmaal dood zijn; Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn,

zegt Van der Linde; Wilsen volgt hem dikwijls na, maar minder sterk, zoals in het volgende citaat: De Ternatanen en Amboneezen Kunnen, als ze schrijven hebben geleerd, meestal ook lezen.

Indische Letteren. Jaargang 14

188 En in dezelfde strofe: Een Ambonees draagt schoenen, als hij soldaat is En gaat naar bed, als het niet te laat is. (p. 38)

Evenals Van der Linde verwijst Wilsen soms quasi-serieus naar bekende deskundigen. Beiden vermelden Siegenbeek als taalkundige; Van der Linde noemt onder anderen Plinius, Linnaeus en Martinet als natuurlijke-historici, Wilsen verwijst naar beschrijvers van land- en volkenkunde als Franz Wilhelm Junghuhn over de Battakkers, Ida Pfeiffer (evenals hij in Wenen geboren) over Sumatra en François Valentijn, de vroegste beschrijver van Ambon en andere Molukse eilanden. Zo zou Valentijn zich afgevraagd hebben waarom de Ambonese vrouwen zo klein zijn. Ik citeer de met dameskleding gepreoccupeerde Willem over een en ander: Ook dragen de vrouwen geen sarong, onder de kabaija Maar eenvoudig de saija, Een rok met honderde plooijen versierd, Die steeds op het bloote lijf gedragen wierd, Dat zich, altijd door gekitteld en geprikkeld, Met tegenzin ontwikkeld. Onze oude leermeester Valentijn, Wil weten dat de vrouwen daarom zoo klein zijn. Ik vermeen dit echter te moeten zoeken, In de papperige sagokoeken, En in de kleinheid van hun voorgeslacht, Dat het nooit tot grotere lengte heeft gebragt. (p. 38)

Wilsen, de auteur van het kritische en progressieve Lain dooeloe, lain sakarang, lijkt er de man niet naar om zich vrolijk te maken ten koste van de inlandse bevolking. Alhoewel Willem wel erg bezig is met de gepopulariseerde theorie van Darwin, gaat hij niet zo ver de inlanders van de apen te laten afstammen, maar hij balanceert soms op het randje van wat wij correct vinden. Bijvoorbeeld als hij zijn natuurvrouw Moeni, die in het binnenland nog in een boom sliep, geruststelt door te zeggen dat haar grootvader heus geen aap was (p. 80). Vrij van de gebruikelijke vooroordelen van zijn tijd was hij overigens niet. Wat hij over de Battakkers en de Boeginezen vertelt, is ook op de grens van scherts en spot. Om met de Battakkers te beginnen: In de Battaklanden, Eten de menschen, even zoo als wij, met de handen. Wat ze eten kan ze weinig scheelen, En wat ze niet hebben, dat gaan ze steelen. Een Battaker, als hij met het kleeden gereed is, Ziet [er] precies zoo uit, als iemand die niet gekleed is. (p. 76)

Indische Letteren. Jaargang 14

189 In plaats van oorringen dragen ze stukjes mensenbot. Deze ‘abominable smeerlappen’, aldus Willem, slachten hun bloedeigen ouders en eten die op. Daarom zie je er zo weinig bejaardenhuizen. Ouderliefde houdt hier vooral in de oudjes goed vet te mesten. Ook over de Boeginezen krijgen we de gebruikelijke vooroordelen te horen: ze zijn jaloers, lenig, geslepen en gaan graag uit stelen. Vriendelijker is hij over de christelijke Minahassers: In de Menahassa Houden ze geen poeasa, Men houdt daar meer van eten, als van vasten, En haalt dit uit de dispens kasten, Of, volgens aangeboren passie's, Op den Bazar, als men bij kas is. (p. 44)

De inlandse christenen geloven volgens Willem ‘dat ze met ons in den christenhemel komen’. Hoe bedoelt hij dat? En wat denkt hij als hij bij een schoolbezoek in Tondano de kindertjes Nederlanders noemt? Wij bezochten de school, hoorden naar prijzen dingen, En psalmen zingen, En het volkslied ook, ‘Wien Neêrland's bloed,’ Dit deed ons goed. Want hebben de kinderen noch hier noch elders anders, Den koning ontmoet, het zijn toch Nederlanders. (p. 45)

Wilsen lijkt zelf een kind van zijn tijd als hij Willem laat zeggen dat de meeste inlanders nog kinderen zijn, een mening die men ook in zijn prozawerk aantreft: hij vindt dat de verlichte Europeaan de inlander beschaving moet brengen, die dan tot duurzame dankbaarheid zal leiden. Willem stelt vast dat hun kalender met manen werkt, dat ze geen Latijn en Grieks kennen, niet tot honderd kunnen tellen, zich als dieren aanstellen, een staart hebben, van trouwen niets weten en ‘wortelen vreten’ (p. 48). Is hij grof of parodieert hij andermans grofheden? Dat laatste wil ik niet uitsluiten. Chinezen zouden stinken, maar Chinezinnen zijn ‘zindelijk’ van buiten en van binnen, daarom zijn zeer gezocht als huishoudsters bij ongeëngageerde heren (p. 51). Dat de Europese hoge heren, presidenten, directeuren en residenten, de inlandse katjes in het donker zouden knijpen betwijfelt Willem, men heeft het immers veel te druk met werken om naar andere dan de eigen vrouwen te kijken - die hoeven dus niet jaloers te zijn. Soms maken die eigen vrouwen echter de vergissing prachtige, donkere meisjes als bedienden in huis te halen: Voor deze bedienden, zonder hemd en koetang, Waarschuw ik u, in uw eigen belang! (p. 19)

Deze waarschuwing zal wel niet aan tante Leen gericht zijn, de lezer

Indische Letteren. Jaargang 14

190 binnen de fictie, maar aan de lezer buiten de fictie: met name de Europese vrouwen in Indië. De Humoristische reis door Insulinde is een reisverslag in de ongebruikelijke dichtvorm met, wel gebruikelijk, beschrijvingen van natuur en landschap, bevolking en cultuur, zeden en onzeden, en als zodanig een lezenswaardige bron over Nederlands-Indië omstreeks 1875. Van het humoristische karakter word je echter (na eeneneenkwart eeuw) niet echt vrolijk meer. De grappen over de inlandse bevolking zijn op het randje van grof en flauw, de preoccupatie met dameskleding is oubollig. Mogelijk hebben de heren van de Sociëteit ‘Tot Nut en Vermaak’ destijds smakelijk gelachen bij het lezen of horen voorlezen van deze tekst, voor ons is de tekst hooguit amusant. De Gedichten van den Schoolmeester door Gerrit van der Linde en De reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen bewerkt door J.J.A. Goeverneur, hebben als humor nog stand gehouden, maar het werk van hun epigonen niet. En ook hier geldt: humor verloren, rampspoed geboren.

Literatuur Haks, L. and G. Maris, Lexicon of foreign artists who visualized Indonesia (1600-1950). (Utrecht: G.J. Bestebreurtje, 1995). Leemans, C. (ed.), Bôrô-Boedoer op het eiland Java. Afgebeeld door en onder toezigt van F.C. Wilsen, met toelichtenden en verklarenden tekst, naar geschreven en gedrukte verhandelingen van F.C. Wilsen en J.F.G. Brummund en andere bescheiden, bewerkt en uitgegeven, op last van zijne excellentie den minister van koloniën. (Leiden: E.J. Brill, 1873). Lennep, J. van (ed.), De gedichten van den Schoolmeester. Met 300 illustraties van Anth. de Vries. Ingeleid door T. van Deel en Marita Mathijsen. ('s-Gravenhage: Kruseman, 1979). Mathijsen-Verkooijen, M.T.C., De brieven van De Schoolmeester. Documentairkritische uitgave. (3 dln.; Amsterdam: Querido, 1987). Nieuwenhuys, R., Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden (3e, bijgew. en herz. dr. Amsterdam: Querido, 1978). Nieuwenhuys, R., Het laat je niet los. Verhalen van Nederlandse schrijvers over Indonesië, vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden. (Amsterdam: Querido, 1985). Paasman, B., ‘De rijmkroniek van een Indische schoolmeester.’ In: Indische letteren 7 (1992), 20-34. Paulus, J. e.a. (red.), Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. (2e dr. 4 dln. en 4 suppl.dln.; 's-Gravenhage enz.: Martinus Nijhoff e.a., 1917-1939). Wilsen, F.C., Lain dooeloe, lain sakarang, of Voorheen en thans. Schetsen uit Oost-Indië. (2 dln. Amsterdam: R.C. Meijer, 1868-1869).

Indische Letteren. Jaargang 14

191 Wilsen, F.C., De duivel op Java. Nederlandsch-Indische novelle uit onzen tijd. (Leiden: D. Noothoven van Goor, 1870). Wilsen, F.C., Naar Europa. Tafereelen uit het leven van Nederlandsch-Indisch-gasten buiten Indië. (2 dln. Leiden: D. Noothoven van Goor, 1871). Wilsen, F.C., Hillers wonderen. Blijspel in drie bedrijven. [Geschreven voor de Sociëteit ‘Tot Nut en Vermaak’ te Samarang.] (Samarang: De Groot, Kolff & Co, 1872). Wilsen, F.C., Njonja Koo en tante Leen. Indisch verhaal uit den tegenwoordigen tijd. (Leiden: D. Noothoven van Goor, 1873). Wilsen, F.C., Uit de Koningin van het Oosten. Verhaal uit Batavia. (2 dln. Leiden: D. Noothoven van Goor, 1873). Wilsen, F.C., Door vuur en water. Verhaal uit Midden-Java. (Leiden: D. Noothoven van Goor, 1874). Wilsen, F.C., Elk zijn deel. Indisch verhaal. (Leiden: D. Noothoven van Goor, 1874).

Eindnoten: 1 Mathijsen 1987. Een hereditie van Gedichten van den Schoolmeester werd verzorgd door Tom van Deel en Marita Mathijsen: Van Lennep (ed.) 1979. 2 Johannes van Soest publiceerde rond 1850 (zie Nieuwenhuys 1978, 134-135). Een andere rijmende schoolmeester was L. van den Bor die in 1857 publiceerde (zie Paasman 1992). * koetang: lijfje; boender: rond 3 Busken Huet 1881-1888, dl. 15, 60-66; Brom 1931, 50, 55, 80-81, 85, 96, 145, 149, 154; Nieuwenhuys 1978, 189-192 en 608; Nieuwenhuys 1985, 73-83 en 417. 4 Zie Haks en Maris 1995, 296 voor verdere literatuur. 5 Met dank aan Gerard Termorshuizen, die mij inzage gaf in zijn rijke documentatie. Termorshuizen schrijft de geschiedenis van de Indische pers; de publicatie van deel 1 is gepland in 2001. Wilsens bemoeienis met De Indiër wordt besproken in deel 1. 6 De uitvoerigste informatie over Wilsens leven geeft de 2e dr. van de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. (Zie Paulus e.a. (red.). 1917-1939, dl. 4, 785). De namen van zijn ouders luiden Bernhard Wilsen en Juliana van der Bank. Wilsens militaire Stamboek bevindt zich in het ARA Den Haag (toegangsnummer 2.10.50), coll. Ministerie van Koloniën, Stamboeken Militairen, 1814-1950, deelnummer 116. Daaruit blijkt dat hij onder de naam Karl Wilsen bekend was. Zijn laatste woonplaats voor zijn vertrek uit Hellevoetsluis was Den Haag. Hij nam vrijwillig dienst in Harderwijk op 11 dec. 1841. Hij voer met het schip ‘Brouwershaven’ naar Batavia, waar hij 20 okt. 1842 debarkeerde. Op 26 juli 1845 werd hij door het Gouvernement benoemd tot 3e tekenaar bij de Directie der Genie. Na volbrachte diensttijd wordt hem op 12 nov. 1852 een paspoort voor Indië toegestaan. 7 Nieuwenhuys 1978, 190-191. 8 Nieuwenhuys 1978, 192. 9 In dit bericht vindt men aanvullende informatie over zijn carrière in Indië, o.a. over zijn landmeterschap in Japara en Pati. Hij verbleef zijn laatste levensjaren afwisselend bij zijn kinderen in Batavia en in Semarang. Ds. Radersma herdacht Wilsen op de begrafenis.

Indische Letteren. Jaargang 14

Indische Letteren. Jaargang 14

192

Indische ‘Wichtig-macherei’ gehekeld De satire in de Indische toneelliteratuur Reggie Baay De satire, het literaire (sub-)genre waarbij de humor als wapen wordt gebruikt om personen of toestanden aan de kaak te stellen, blijkt een tamelijk zeldzaam beoefend genre te zijn in het Indisch toneel. Bij mijn poging om de Indische toneelliteratuur tussen 1850 en 1950 in kaart te brengen, ben ik tot op heden slechts enkele stukken tegengekomen. Dat wil niet zeggen dat we in het Indisch toneel weinig humor aantreffen. Zeker niet, het blijspel was namelijk een zeer geliefd en veel gespeeld, ik zou bijna willen zeggen, té zeer geliefd en té veel gespeeld genre in de kolonie. Wellicht heeft de geringe beoefening van de satire te maken met de specifieke eisen die het genre aan de maker en de situatie stelt. Er moet immers sprake zijn van een controversiële, duidelijk herkenbare te hekelen actualiteit; een auteur die beschikt over een scherpe pen en het talent om middels effectieve over- of onderdrijving het onderwerp van de spot genadeloos onderuit te halen; een publiek dat waardering kan opbrengen voor het genre; en ten slotte - maar zeker niet in de laatste plaats - een flinke dosis moed bij de auteur, want een satiricus maakt naast vrienden vooral vijanden. Het zullen vooral de twee laatste punten geweest zijn die in Indië, met haar kleine, vooral op ontspanning gerichte culturele gemeenschap waarin iedereen elkaar kende, een beperkende rol hebben gespeeld. Dat rechtvaardigt nog meer dat ik hier enige aandacht vraag voor enkele van die zeldzame Indische toneelsatires en hun (moedige) makers. Maar voordat ik daarmee begin even een korte opmerking over de beoefenaars van het genre. Die zouden we namelijk kunnen indelen in twee groepen. De ene groep, die ik de ‘scherpschutters’ zou willen noemen, zijn de satirici die middels vaak vlijmscherpe humor politiek-maatschappelijke misstanden aan de kaak willen stellen. De andere groep zouden we de ‘zedenmeesters’ kunnen noemen: satirici die door middel van meer of minder bijtende spot menselijk gedrag en de daarmee corresponderende waarden en normen hekelen.

Indische Letteren. Jaargang 14

193 In de Indische toneelliteratuur vinden we in meerderheid zedenmeesters. En deze zijn opvallend eensgezind als het gaat om het te hekelen gedrag: hun spot treft namelijk vooral de zogenaamde Indische Wichtigmacherei. Het typisch koloniale verschijnsel om - zonodig via gekuip en gekonkel - zo veel mogelijk prestige te verwerven en zich daar ook op te laten voorstaan. Deze race op de statusladder was een koloniale realiteit, althans als men Europeaan was. In Indië kwam men immers terecht in een samenleving waarin de kaarten als het ware opnieuw werden geschud. Alleen al het bezit van een blanke huid zorgde ervoor dat men direct na aankomst in de kolonie steeg in de sociale hiërarchie. Indië bood dus tal van nieuwe stijgingsmogelijkheden. Was men in Europa een ‘have not’, in Indië kon men een ‘have’ worden. Dat dit herhaaldelijk tot weinig verheffend gedrag leidde, laat zich raden. Natuurlijk waren er velen die hier niet aan meededen en voor wie de Indische Wichtig-macherei onverteerbaar en verwerpelijk was. Zoals voor een paar Indische toneelschrijvers die het tot onderwerp van een satire maakten. Zo'n satire is geschreven door iemand die vooral bekend is geworden met een ander genre, namelijk J.B. (Jouke Broer) Schuil (1875-1960). De schrijver van jeugdboeken als De Katjangs en De AFC-ers. In 1905 verschijnt van zijn hand een toneelstuk getiteld: Gedeballoteerd.1 Het is - in de ogen van een tijdgenoot van Schuil - een ‘rake satire op de Wichtigmacherei, de intrigue, de vlei-likkerij en de groothanzerij van een Indisch ambtenaarsmaatschappijtje op een buitenbezitting’.2 En dat is het ook. Het stuk speelt zich af, zoals uit het voorgaande al duidelijk zal zijn, op een Indische buitenbezitting die in dit geval bevolkt wordt door konkelende kruipers en streberige intriganten. Zo lopen we er onder meer resident Van Walveren tegen het lijf: een opgeblazen ijdeltuit, een non-valeur wiens grootste zorg lijkt of hij wel genoeg prestige heeft. We komen er gewestelijk secretaris Hesfeld tegen: een veinzer van het ergste soort; het type dat zich vierentwintig uur per dag omhoog likt. We ontmoeten er de hypocriete, kleinburgerlijke onderwijzer Tilma en de konkelende commies Breebaert. En dan is er nog de planter Plooswijk, een echte ploert, iemand die iedereen schoffeert, die zijn contractkoelies mishandelt en bij wie het ‘kassi pait’ en het ‘kassi whisky-soda’ in de mond bestorven ligt. Allen zijn ze boosaardig; een boosaardigheid die gevoed wordt door hun ambities. Want die hebben ze, stuk voor stuk. En ze wensen die koste wat het kost ook na te jagen. Zo wil de een Raad van Indië worden, een ander assistent-resident en weer een ander secretaris. Toch zijn er ook échte, integere personen in deze gemeenschap van kwaadaardige, hypocriete komedianten. Mensen die durven te zeggen waar het op staat, die zich niet ergens op laten voorstaan en die niet konkelen om - ten koste van anderen - meer prestige te verkrijgen. Zij

Indische Letteren. Jaargang 14

194 worden vertegenwoordigd in de persoon van de pas aangekomen, jonge ingenieur Schalkwijk. En, u raadt het al, deze Schalkwijk, deze jongeman die niet meedoet in deze grote vleierij-komedie, moet het in deze slangenkuil ontgelden. Er wordt over hem geroddeld, hij wordt beschimpt en belasterd. En als hij het dan ook nog waagt om zich als lid van de plaatselijke sociëteit te laten ‘voorhangen’, worden alle kwade krachten in de Europese gemeenschap van deze buitenbezitting gemobiliseerd. Het behoeft nauwelijks betoog dat de dwarsligger Schalkwijk, die ook nog eens geheelonthouder is, smadelijk wordt gedeballoteerd; afgewezen als lid van de sociëteit met elf tegen drie stemmen. Maar dan komt het toeval te hulp. Net als de Europese ‘elite’ zich zelfgenoegzaam in de handen wrijft over het kunstje dat ze Schalkwijk geflikt heeft, komt het bericht dat er een nieuwe gouverneur-generaal is benoemd: het lid van de Eerste Kamer... Schalkwijk. De benoeming slaat in als een bom. Het lijdt geen enkele twijfel: de nieuwe gouverneur-generaal is de vader van de gedeballoteerde! Paniek en verslagenheid maken zich direct meester van de hypocriete Europeanen op de buitenbezitting. Wat een gemiste kans: een goede connectie te Buitenzorg! Hun gedrag is vervolgens voorspelbaar: allemaal willen ze - zonder dat de anderen het mogen weten - weer in het gevlei van de jonge Schalkwijk komen. Dat leidt tot kluchtige taferelen, compleet met de onvermijdelijke open- en dichtslaande deuren, zoals wij dat ook kennen van het inmiddels ter ziele gegane ‘John Lantings Theater van de Lach’. Al snel verschijnt de eerste judas ten huize Schalkwijk. Het is resident Van Walveren. ‘Uw onafhankelijkheidszin heb ik altijd hooglijk gewaardeerd’,3 horen we nu flemerig uit zijn mond. Hij offert secretaris Hesfeld op door hem alle schuld van de deballotage in de schoenen te schuiven en hij voegt daar vervolgens schijnheilig aan toe: Kijk eens, [...] de heer Hesfeld heeft in deze heele zaak z'n onoprecht karakter blootgelegd. Iemand, die in 't particuliere onoprecht is, is ook als ambtenaar onbetrouwbaar. En als zoodanig zal ik hem bij uw papa signaleeren. Dat is mijn plicht als Hoofd van Gewestelijk Bestuur.4 Hierna bezweert Van Walveren dat hijzelf een van de drie voorstemmers is geweest. Dan echter laat Hesfeld zich aandienen. Dat brengt de resident in een penibele situatie: hij wil natuurlijk niet door hem gezien worden. In arren moede verzoekt hij Schalkwijk hem te verstoppen. Aan dat verzoek voldoet de jonge ingenieur met groot plezier. De resident en zijn vrouw verdwijnen via een zijdeur in het kantoor, waar zij woordelijk kunnen volgen hoe nu Hesfeld op zijn beurt komt kruipen en draaien; hoe hij hem, de resident, afvalt: ‘'n Wonder, dat zoo'n prulresident 't zoo lang heeft volgehouden! Hij heeft zich gisteren weêr leelijk laten kennen met uw déballotage’,5 zegt hij tegen Schalkwijk.

Indische Letteren. Jaargang 14

195 En ook Hesfeld op zijn beurt bezweert dat hij een van de drie voorstemmers was. Een ‘bekentenis’ die hij besluit met de woorden: ‘Schrijft u uw Papa maar eens, wat voor 'n corrupt zoodje 't hier is, dan zullen de eerlijke menschen wel worden afgelost.’6 Maar net als Hesfeld op stoom is geraakt, arriveert Plooswijk. Hesfelds reactie is voorspelbaar: hij wil natuurlijk niet door Plooswijk gezien worden en verzoekt Schalkwijk hem te verstoppen. Aldus gebeurt en Hesfeld belandt in de slaapkamer van de Schalkwijks, waar ook hij al luisterend getuige is van Plooswijks gedraai en gekonkel. En zo gaat het nog even door tot het hele intrigantenzooitje tot zelfs onder de tafel een schuilplaats heeft gevonden. Dan volgt de ontknoping. Nadat de een na de ander door Schalkwijk uit de respectievelijke schuilhoeken is gevist, en de zondaars beteuterd als bestrafte schooljongens op een rijtje staan, deelt Schalkwijk plechtig mee dat de nieuwe Excellentie niet zijn papa is. Zelfs geen familie. De hele intrigantenbende is natuurlijk eerst met stomheid geslagen, maar hervindt zich dan weer snel. Nu ze niets meer van de jonge Schalkwijk te vrezen hebben, vervallen de judassen weer direct in hun oude gedrag. ‘Nooit komt die kerel hier in de soos, al laat-ie zich 50 jaar voorhangen!’,7 horen we onder andere de woedende Plooswijk weer uitkramen. Gelukkig voor Schalkwijk en zijn vrouw worden zij overgeplaatst naar Bandoeng en blijven zij op die manier in het vervolg verschoond van het kleinzielige gekonkel van deze hypocriete bende. Gedeballoteerd van J.B. Schuil is als satire aardig geslaagd. Schuil gebruikt de humor, in dit geval de spot, als een tamelijk effectief wapen om die vermaledijde Indische Wichtig-macherei te lijf te gaan. Hij maakt die prestigejacht en de erdoor geobsedeerde personages flink belachelijk en creëert daarmee de nodige afstand: met zulke bespottelijke personages kan en wil de toeschouwer zich immers niet identificeren en het door hen getoonde gedrag móet men dus wel afwijzen. Ook de eerder aangehaalde tijdgenoot van Schuil, Henri Borel, is te spreken over het stuk. Hij noemt Gedeballoteerd als satire zelfs: bijtend, geestig, vlijmscherp en treffend raak.8 Hoe effectief een satire als satire is staat of valt natuurlijk met de herkenbaarheid van het te hekelen gedrag en de te hekelen personages... Wel, dat lijkt in Gedeballoteerd zeker het geval. Borel, zelf een Indischman, zegt hierover bijvoorbeeld: Ik heb zelf een paar jaar op zoo'n buitenpost gezeten, en, nog geen jaar geleden, zat ik nog midden onder ongeveer precies dezelfde menschen als in Gedeballoteerd. O! Hij is zóó warm uit het groote, Indische Leven gegrepen, die van Daveren, en ook Hesfeldt, en die Plooswijk, en alle anderen, ze zijn sprekende, ware typen.9 Bij Borel was de strekking van het stuk in ieder geval duidelijk overgekomen, want hij verzucht tot slot in hetzelfde opstel:

Indische Letteren. Jaargang 14

196 Maar de nasmaak van het stuk, als je je terugdenkt in die toestanden, is geen Schadenfreude zelfs, maar bitterheid, wrange zure bitterheid, omdat in ons heerlijk schoone Indië zulke toestanden zóó kunnen bestaan, en het leven, dat er toch zoo mooi en zuiver zou kunnen zijn, er door al die Wichtig-macherei en die intrigue en dat laffe ambtenarisme zóó wordt vergald, dat het totaal ongenietbaar wordt!10 Zo'n zelfde satirische aanval op de Indische Wichtig-macherei komen we enkele jaren later tegen in het werk van Henk J. Smit. Ik beperk me hier tot een paar opmerkingen over deze toneelschrijver en zijn werk, maar bij een andere gelegenheid kom ik hier graag nog eens uitgebreid op terug. Henk J. Smit was in de jaren twintig tabaksemployé in Java's Oosthoek. Een tabaksemployé overigens met een hart dat bij het toneel lag. In zijn vrije tijd stimuleerde en regisseerde hij de Djembersche Tooneelclub en begon hij, pas na zijn dertigste, met het schrijven van toneel. Daar bleek hij talent voor te hebben, met name voor het blijspel. Zijn stof vond Smit om zich heen: in het plantersmilieu op Java. In het leven op de cultuurondernemingen waar men - zoals een tijdgenoot

Henk J. Smit.

Indische Letteren. Jaargang 14

197 van Smit het verwoordde - ‘machts-waan en macht-overwicht [vindt] als in een meer volkrijke en civiele samenleving ondenkbaar [zou] zijn’11 en waar men ‘lafheid en onderdanigheid [vindt] die slechts tot spotlust prikkelen’.12 Smit hekelt onder andere in de satire De Super-intendent uit 1924 de Wichtig-macherei en vlei-likkerij van de planters om hem heen.13 En hij deed dat volgens de schrijver/criticus Hans van de Wall niet onverdienstelijk. ‘Hier’, schreef Van de Wall eens, verwijzend naar de Superintendent, ‘is nu iets, waarop met een zekeren trots en voldoening mag worden gewezen als een bewijs te meer, dat er hier in Indië buiten het vermaledijde centenleven ook nog gedaan wordt aan een soort hoogere cultuur.’14 Een flinke dosis moed kan Smit in ieder geval niet ontzegd worden, want het element herkenbaarheid was in zijn satire ruimschoots aanwezig. Verschillende concrete voorvallen in De Super-intendent en in andere stukken ontleende hij rechtstreeks aan zijn Oosthoekse werkelijkheid. De daarbij betrokken personen zagen, wanneer het op de lokale planken werd gebracht, hier natuurlijk maar zelden de humor van in. ‘Smit’ - zo schreef een tijdgenoot van hem veelbetekenend - ‘heeft dit meer dan eens op pijnlijke wijze moeten ondervinden.’15 Gelukkig voor deze moedige tabaksemployé en toneelschrijver vond hij niet lang daarna emplooi als directeur van het Nederlandsch-Indisch Pers-Archief, het N.I.P.A.16 De meest curieuze satire die ik echter tot nu toe tijdens mijn zoektocht naar het Indisch toneel ben tegengekomen is een stuk met de titel: Hollands Welvaren.17 Het is een mooi voorbeeld van een politieke satire. Hollands Welvaren is in de dertiger jaren geschreven door het revolutionair schrijverscollectief ‘Links Richten’. Dit was een in 1932 opgericht gezelschap van jonge socialistische schrijvers als Freek van Leeuwen, Maurits Dekker en Jef Last. Een gezelschap dat ernaar streefde - dat zal niemand verbazen - de kunst in dienst te stellen van de strijd tegen het kapitalisme. Wel, in de revolutionaire opvattingen van Links Richten paste natuurlijk, wanneer het om Indië ging, een anti-koloniale houding. Een houding waarin de Boven-Digoel-kwestie een belangrijke rol speelde.18 In Hollands Welvaren komen we duidelijke verwijzingen hiernaar tegen. Verder is het stuk een algemene aanklacht tegen de Nederlandse koloniale heerschappij in Indië. Het stuk begint met een monoloog van de baas van het logement met de naam ‘Hollands Welvaren’. Voordat het doek opgaat introduceert hij enkele van zijn ‘gasten’, zoals ‘onze koloniale specialiteit’ Lange Hannes. Een verlopen oudKNIL-militair die, zo laat de logementsbaas ons weten, in de kolonie vooral zoop als een rubberplanter en: ‘even trouw was aan z'n Sarina, als de heer Mecklenburg aan zijn Wilhelmina’.19 Verder is er Eva. Als publieke vrouw de schoonste onder de toffe mokkels, zacht als de beschermende hand van Mevrouw Mecklenburg

Indische Letteren. Jaargang 14

198 aan de Boven-Digoel, en zeker niet kieskeurig. Haar hart, zo verzekert de logementsbaas ons, ‘is even ruim als het geweten van Jonkheer de Graeff te Buitenzorg en ze heeft meer mannen gehad, dan er aan den Digoel vermoord worden.’20 De toneelhandeling vindt vervolgens plaats in het volledig verpauperde logement ‘Hollands Welvaren’. En die toneelhandeling is opvallend modern, want de auteurs van het stuk passen een stijlmiddel toe waarbij het publiek de toneelwerkelijkheid binnentreedt. Als het doek helemaal op is, leidt dat namelijk tot hevige opwinding bij de aanwezige, reeds flink aangeschoten gasten van het logement. Ze zijn boos, omdat ze zich te kijk gezet voelen. In plat Amsterdams wordt er geschreeuwd en gefoeterd: ‘Mooi istie, mooi istie, hé baas [...]? Worre we voor dat gajes te kijk gezet?’,21 wordt er geroepen. Een jonge klant, Janus genaamd, draait vervolgens demonstratief zijn rug naar het publiek, slaat zich kletsend op z'n achterste en zegt met minachting: ‘Laat ze dan maar tege me togus ankijke.’22 En hij voegt daar vervolgens aan toe: ‘asse d'r maar niet an likke.’23 De goocheme uitbater van ‘Hollands Welvaren’ weet echter de gemoederen te bedaren en lijmt zijn klanten met een rondje van de zaak. Nadat de klanten zijn bedaard maken we kennis met de jonge Herman Bakker, net als Lange Hannes eens lid van het fiere koloniale leger, maar onlangs gedeserteerd, omdat hij het verdomde om te schieten op de Indonesische opstandelingen. Bakker beklaagt zich over zijn lot: door andere Europeanen in de steek gelaten en als deserteur voortdurend op de vlucht. Niet lang daarna vallen de door hem zo gevreesde militaire klabakken het logement binnen. Op brute wijze wordt Bakker gearresteerd en terwijl hij het publiek smeekt hem te redden, wordt hij afgevoerd. Dan breekt een hilarische chaos uit. Er komen direct protesten vanuit het publiek: ‘Laat los. Laat los die jongen! Beulen’,24 schreeuwt men. Uit de zaal springen vervolgens toeschouwers op het toneel. Een jonge arbeider roept geestdriftig op de koloniale moordmachine stop te zetten: ‘We zijn allemaal uitgeknepen citroenen [...]. En zoo uitgeschud en kaalgeplunderd as we zijn zouen ze ons godverdomme nog tegen onze bruine medemensen op willen hitsen [...]. Maar het zal niet gaan. Hun onderdrukking is ook onze onderdrukking, kras dat in je kersepit, jongens’,25 houdt hij het publiek voor. Er ontstaat direct verbroedering tussen de op het toneel aanwezige oud-KNIL'ers en de in de zaal aanwezige arbeiders. En al snel klinken er leuzen als: ‘Weg met jonkheer de Graeff van Digoelkamp tot Galgenland’26 en ‘Handen af van Indonesië’,27 ‘Weg met de Digoelhel’28 en ‘Indonesië los van Holland nu’.29 Dan staat er een oud-planter op die zich ergert aan deze, zoals hij dat noemt ‘communistische heibel’. ‘Want ik ben in Indië geweest, jaren en jaren’,30 verzekert hij de andere toeschouwers. Hij vormt de tegenstem; die van de ondernemers die welvaart gebracht zouden hebben in de kolonie en die met hun geploe-

Indische Letteren. Jaargang 14

199 ter in de Oost ervoor zorgen dat de Nederlandse werklozen onderhouden worden. Er ontstaat een heftige discussie. De ene speech wisselt de andere af, bol van retoriek. Dan wordt besloten het geschil in vrede en op democratische wijze op te lossen: door te stemmen. In de zaal worden vervolgens stembiljetten uitgedeeld met drie keuzemogelijkheden: Indonesië los van Holland - nu Indonesië los van Holland - eens Indonesië los van Holland - nooit Er wordt gestemd en na enig telwerk wordt vervolgens plechtig de uitslag meegedeeld: met een overweldigende meerderheid van stemmen heeft de zaal besloten dat Indonesië moet worden vrijgemaakt van Hollandse overheersing. En wel, zo voegt de spreker eraan toe, niet in de verre toekomst, ‘als de reformisten willen, maar thans, dadelijk, onmiddellijk’.31 Dan blijkt de minister ook aanwezig op het toneel. Hij heeft het hele gebeuren met minachting gadegeslagen. Als dan een van de arbeiders de officiële uitslag van de stemming eerbiedig aan hem overhandigt, verzoekt hij hautain een in de zaal aanwezige voddenkoopman het papier mee te nemen. Als ‘Scheurpapier voor het schijthuis’,32 horen we tot slot stemmen uit de zaal roepen. Ik zou niet willen beweren dat Hollands Welvaren als satire echt geslaagd is. Het euvel van veel socialistische literatuur, namelijk de nadrukkelijke, allesoverheersende tendens, daarvan is ook in Hollands Welvaren sprake. Gaandeweg raakt in het stuk de verhouding tussen humor en boodschap zoek en kunnen we op een gegeven moment beter spreken van een tendensstuk met satirische trekken. Maar ondanks de nadrukkelijk aanwezige tendens en de soms heftige, socialistische retoriek (het stuk wordt uiteraard besloten met het zingen van de Internationale), is Hollands Welvaren toch een op momenten onderhoudend toneelstuk én het is een van de weinige koloniaal-politieke toneelsatires die we hebben. Daarnaast mag Hollands Welvaren in mijn ogen ook om andere redenen curieus genoemd worden. Vanwege een aantal revolutionaire Indiëgedichten bijvoorbeeld, die in de handeling zijn verwerkt en waarin onmiskenbaar de hand van Jef Last zichtbaar is. Vanwege de modern aandoende toneelhandeling met een participerend publiek, waar ik al eerder over sprak. En ten slotte vanwege de soms weinig conventionele regie-aanwijzingen, waarvan er één zelfs van een Joop van de Endeachtige allure is. Want wat dacht u van een toneelbeeld met manshoge kooien vol declamerende Javanen die - wellicht met behulp van een ingenieus mechanisme - vanuit het niets komen aanrollen over het toneel? Stelt u zich dat eens voor in het Scheveningse Circustheater!

Indische Letteren. Jaargang 14

200

Bibliografie Borel, Henri. Opstellen. Tweede bundel (Voorburg, 1906). Links Richten, Revolutionair Schrijverskollektief. Hollands Welvaren. Anti-koloniaal tooneelstuk (Amsterdam, z.j.) Na tien jaar. Gedenkboek van den Bond van Nederlandsche tooneelschrijvers 1923-1933 (Delft, 1934). Schuil, J.B. Gedeballotteerd. Indisch blijspel in 3 bedrijven (Harlingen, 1905).

Eindnoten: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

Schuil heeft aan het begin van deze eeuw meerdere toneelstukken geschreven. Borel 1906, 100. Schuil 1905, 82. Schuil 1905, 84. Schuil 1905, 90. Schuil 1905, 91. Schuil 1905, 116. Borel 1906, 100. Borel 1906, 107. Borel 1906, 107. Na tien jaar 1934, 168. Na tien jaar 1934, 168. De Super-intendent verscheen als feuilleton in De Cultuurbond. d'Orient van 5-7-1924. Na tien jaar 1934, 169. Meer informatie over Smit is te vinden in Na tien jaar 1934, 168-172. Het stuk is ongedateerd; aangenomen wordt (o.a. door de bibliotheek van het KITLV) dat het in 1935 is geschreven. Boven-Digoel, gelegen 270 kilometer ten noorden van Merauke in zuid-Nieuw-Guinea, was het verbanningsoord waar Indonesische opstandelingen die hadden deelgenomen aan de communistische opstanden in 1926 en 1927 voor onbepaalde tijd waren geïnterneerd. Links Richten z.j., 6. Links Richten z.j., 6. Jhr. Mr. A.C.D. de Graeff was gouverneur-generaal van 1926 tot 1931. Links Richten z.j., 7. Links Richten z.j., 7. Links Richten z.j., 7. Links Richten z.j., 21. Links Richten z.j., 23. Links Richten z.j., 26. Links Richten z.j., 27. Links Richten z.j., 27. Links Richten z.j., 27. Links Richten z.j., 27. Links Richten z.j., 38. Links Richten z.j., 39.

Indische Letteren. Jaargang 14

201

Soesah op een zeereis Humor in Herman Salomonsons Zoutwaterliefde1 Coen van 't Veer Soms tref je het en kun je voor een zacht prijsje een bijzonder boek kopen. Zo vond ik in 1992 voor een gulden in het schap ‘scheepvaart’ van een Dordtse uitdragerij Zoutwaterliefde. Kroniek van een reis per mailboot door Melis Stoke. Deze twintigste-eeuwse Melis Stoke vindt men in geen enkel handboek of literatuurgeschiedenis. Toch kent bijna iedere in Indische literatuur geïnteresseerde oud-gast zijn naam. Dat komt omdat Stoke met het even geestige als trefzekere Zoutwaterliefde dé roman over de overtocht van Holland naar Indië per mailboot heeft geschreven en zich zo een zekere faam heeft verworven.2

Melis Stoke en Herman Salomonson De Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft twee schrijvers met de naam Melis Stoke voortgebracht. De eerste schreef zo rond het midden van de veertiende eeuw de Rijmkroniek van Holland, een boek waarop Vondel deels zijn Gijsbrecht van Aemstel baseerde. De tweede keer dat de naam Melis Stoke opduikt, is in de eerste helft van de twintigste eeuw, de naam dient dan als pseudoniem voor Herman Salomonson. Diens leven en werk zijn tot nu toe betrekkelijk onbelicht gebleven. Herman Salomonson wordt op 24 maart 1892 geboren te Amsterdam. Na de HBS kiest hij aanvankelijk voor een technische studie in Delft. Al snel verruilt hij de techniek voor de journalistiek. Tussen 1915 en 1923 werkt hij onder meer bij het Algemeen Handelsblad, De Groene Amsterdammer en La Gazette de la Hollande. In 1923 wordt hij directeur-hoofdredacteur van De Javabode te Batavia. Hij blijft dit werk vier jaar lang doen en richt ondertussen ook nog De Indische Loods, het orgaan van de Politiek Economische Bond, op. In 1927, als hij teruggekeerd is in patria, wordt hij leider van het Europese filiaal van Berretty's Algemeen Nieuws- en Telegraaf Agentschap van Nederlandsch-Indië: Aneta. Vanaf 1935 verricht hij dit werk in de kolonie zelf, maar na een jaar vertrekt hij weer naar Nederland.3 In datzelfde

Indische Letteren. Jaargang 14

202

Herman Salomonson werd tijdens de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd. Het is niet duidelijk waarom hij een rouwband draagt. De foto is door hemzelf gesigneerd.

Indische Letteren. Jaargang 14

203 jaar bekeert Salomonson zich tot het christendom. Hij wordt overtuigd lid van de Oxford-groep. In 1939 wordt Salomonson gemobiliseerd. Hij komt terecht bij het Centrale Luchtvaartbureau in Den Haag en brengt het al spoedig tot kapitein. Daarnaast blijft hij gewoon directeur van het persagentschap Aneta. Dan breekt de oorlog uit. Op 16 mei 1940 wordt hem verboden het bureau van Aneta nog langer te betreden. Salomonson gaat zich dan toeleggen op het schrijven van poëzie. Enige tijd later wordt hij gearresteerd door de Gestapo en gevangen gezet in het Oranjehotel te Scheveningen. Hij wordt onder meer ondervraagd over zijn betrokkenheid bij de religieuze Oxford-groep. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis wordt hij mishandeld. Ondertussen blijft Salomonson gedichten schrijven, die naar buiten worden gesmokkeld. Onverwacht wordt hij uit Scheveningen weggevoerd naar het ijselijke Buchenwald.4 Hij is van joodse origine. Op 7 oktober 1942 wordt Salomonson in Mauthausen ‘auf der Flucht erschossen’. Hij laat een vrouw, een zoon en een dochter na. Twee jaar na zijn dood wordt ook zijn tweeëntwintigjarige zoon Hans geëxecuteerd, omdat hij bij het verzet betrokken was. In 1946 verschijnt postuum Recrutenschool en andere gevangenisverzen, een selectie bijeengebracht door onder anderen Martinus Nijhoff, van Salomonsons in gevangenschap geschreven gedichten. Herman Salomonson heeft, naast ontelbare krantenartikelen voor onder meer De Javabode, De Indische Post en De Locomotief, zowel onder pseudoniem Melis Stoke als onder eigen naam ongeveer dertig boeken het licht doen zien, waarvan 24 romans. Daarvan zijn er acht die minder of meer binnen het terrein van de Indische letterkunde vallen. Zoutwaterliefde. Kroniek van een reis per mailboot (1929) en het vervolg daarop Patria (1931), Verlof (1932), De blinde en de lamme (1933), De reis zonder einde (1937), Luchtvacantie (1938), De razende berg (1939) en Pinksterveldtocht (1940). Verder schreef hij nog een paar essayistische werken over Indië, zoals Indië voor zestig jaren en nu (1930), Op den drempel van 1933 (1933) en Wat men in Indië moet doen en laten (1939).5 De reis van en naar Indië is een geliefd onderwerp van Salomonson. In Zoutwaterliefde, De reis zonder einde en Luchtvacantie neemt hij de heenreis onder de loep, in Patria. Kroniek van de thuiskomst de terugreis naar Holland. Vanaf het moment dat Herman Salomonson op 13 november 1923 met de ‘Tambora’ uit Marseille vertrok, heeft de overtocht hem niet meer losgelaten.

Walraven en Du Perron Er is niet al te veel over Herman Salomonsons letterkundige oeuvre geschreven. Ik was dan ook blij verrast toen ik in de enig bewaarde brief van Willem Walraven aan zijn vriend E. du Perron het volgende

Indische Letteren. Jaargang 14

204 las: ‘In het B.N. van Zaterdag 27 april zag ik met vreugde je beschouwing over Melis Stoke. Inderdaad is deze knaap niet zo slecht, een handige kerel, die veel werkt naar het schijnt, maar dan toch wel in hoofdzaak om geld te verdienen.’6 In de bedoelde recensie in het Bataviaasch Nieuwsblad bespreekt Du Perron een groot deel van het Indisch werk van Melis Stoke, alhoewel het artikel vooral over De razende berg gaat. Over het boek Zoutwaterliefde is Du Perron nogal positief: Ik kende van jaren geleden, toen Greshoff zich er in Brussel nogal mee zat te vermaken, het boek dat nog steeds als zijn meesterstuk geldt, Zoutwaterliefde.7 [...] Zoutwaterliefde is als geheel een sterker, door zijn knappe vorm zelfs een verrassender boek dan De Razende Berg; in deze vorm, met het verschuiven van de optiek in de hoofdstukken, die telkens door een andere reiziger worden verteld, had de schrijver - hééft hij trouwens - heel wat innerlijke ernst, dramatiek zelfs, kunnen verwerken zonder zijn boventoon van geamuseerd opmerker prijs te geven.8Du Perron 1958, 516. Du Perron vindt Salomonson een honorabel amusementsauteur die boven de koloniale middelmaat uitsteekt. Vooral omdat hij humor ten opzichte van zijn eigen creatie aan de dag legt, iets wat hij bij Madelon Székely-Lulofs node mist. Toch vindt Du Perron ook dat het komische en het satirieke element Salomonson parten speelt. Hij mist een ernst, een soort levensbitterheid achter of onder de ‘critische’ blik, die aan een boek een belangrijker karakter geeft - mits de auteur dan weer talent genoeg bezit.9 Bovendien vindt E. du Perron dat ‘de levenskennis van Melis Stoke wordt verpraat en versnipperd door zijn vlotheid’.10

Kroniek van een reis per mailboot Zoutwaterliefde is een merkwaardig boek. Meestal staan in een roman de belevenissen van één personage centraal. In dit werk is dat anders. Het gaat de auteur er niet om een keurig verhaal met een plot te vertellen, maar het is hem vooral te doen om zogenaamde passagiersverwikkelingen. De onderlinge problemen, ruzies en liefdesaffaires waarmee de passagiers en het scheepspersoneel te maken krijgen, kortom de onderlinge verhoudingen, vormen de hoofdmoot van het boek. Dit uit zich ook in de opzet van Zoutwaterliefde. Stoke maakt gebruik van een wisselend perspectief; in elk hoofdstuk is een ander personage aan het woord. Zo worden veel personages in de gelegenheid gesteld hun visie te geven op de gebeurtenissen en op elkaar. In drie hoofdstukken neemt de schrijver/verteller zelf het voortouw.

Indische Letteren. Jaargang 14

205 De figuren die achtereenvolgens het woord krijgen zijn: de schrijver zelf, de gentleman-poseur Van Wel, de burgerlijke B.B. ‘er Beentjes, de hysterische oud-actrice Laura Dickhof, de kwaadsprekende kenau Sophie Prester, haar huichelachtige echtgenoot overste Prester, de psychastenische planter op leeftijd Dickhof, de verstandige scheepsarts Petit, de aan lager wal geraakte Zweedse baron De Maltz, en Saimin de inlandse hutbediende. Melis Stoke laat deze personages commentaar geven op de verwikkelingen aan boord en daarmee vooral ook op elkaars gedrag. En zo krijgt de lezer een aardig beeld van de zaken die aan boord van deze mailboot spelen. Vooral ook omdat tussen de personages die aan het woord komen, zich twee van niet-Hollandse komaf bevinden: een inlandse hutbediende en een Zweedse baron. Zij zorgen in deze kroniek voor een visie van buitenaf op de Hollandse gemeenschap. Tussen Holland en Indië vaart in 1926 een erotisch broeinest. Het is de ‘Tromp’ waar de zoutwaterliefde welig tiert. Van Wel schetst het virus, waar hij later zelf mee besmet zal raken: Ik heb er reeds gezien, die, zooals ik vrij en onafhankelijk het schip bestegen, om het te verlaten, onherroepelijk vastgehecht aan een andere, wier verband tot haar naaste te broos bleek. En ik heb er gezien die onder den invloed van zee en zonlicht en overvoeding en werkeloosheid, met andere, of tijdelijk-losse schakels in veel te nauwe verbinding kwamen, en vóór ze het wisten of wilden aan de groote keten bungelden in grillige en volstrekt onsolide en onlogische combinaties. (p. 5-6) De omstandigheden aan boord van een mailboot oefenen een directe, negatieve invloed uit op het gemoedsleven en het gedrag van mensen. Dat is het thema van Zoutwaterliefde. De reis en alles wat daar mee te maken heeft, zorgt voor een verandering ten kwade in de houding van alle passagiers. Dokter Alexander Petit constateert: Door het vele eten en luieren, het gebrek aan geestelijke inspanning, de hitte, de zeelucht en weet ik al wat meer, verslappen de remmen van het bewustzijn, en dan gaan ze er van door op de drijfkracht van hun instincten. Zoodra het peil van het leven, het daadwerkelijke leven, verlaagt, komen de normaliter verwerkte, in het onderbewustzijn verschoven dingen dichter bij het oppervlak. Denkt u eens aan de sagen van verdronken stadjes waarvan men, bij laag water, nog de klokken kan hooren luiden. Bij heel laag water steekt nog een brokje muur boven het oppervlak. Zoo is de ziel, wanneer het levenspeil daalt... Vergeten klanken... resten van vergeten bouwsels... Dat zijn instincten die zich laten gelden... (p. 221)

Indische Letteren. Jaargang 14

206

Het verloop van de overtocht Een korte inhoud schetsen van Zoutwaterliefde is lastig. Eigenlijk gebeurt er maar weinig vermeldenswaardigs aan boord van het ‘M.S. Maarten Harpensz. Tromp’. Het gaat in het boek om intriges, problemen en liefdesverhoudingen en het becommentariëren daarvan. Het verhaal speelt zich dan ook voornamelijk aan tafel, op het dek en in de diverse hutten af. Aan boord van de ‘Tromp’ maken de passagiers op de eerste dag kennis met elkaar. Henri van Wel ontmoet een oude vriend, dokter Petit, en een vroegere liefde, Nora Valstar, die getrouwd blijkt te zijn met een zekere Lutters, een jurist bij de Secretarie. De overtocht van Holland naar Indië stelt volgens Henri van Wel niet zoveel voor. Men reist op Hollands grondgebied van Holland naar tropisch Holland: Wij Hollanders [...] stappen toch eigenlijk van Holland naar Indië over. Het is geen reis. Zoo'n mailboot is een stukje Holland. Elk van ons vindt daarginds zijn taal en zijn kennissen, zijn Hollandsche telefoonboek en zijn Hollandsche belastingbiljetten en Verkade's Deventerkoek... Alles onder de palmen... maar toch Holland. De driekleur aan een bamboe-mast. De heele reis is zee en lucht en lucht en zee met nu en dan even een haastig uitstapje in een haven die er uit ziet als een permanente tentoonstelling... We varen de halve wereld rond om daarginds weer Holland te vinden...’ (p. 87) In Port Saïd gaan enkele passagiers gaan aan wal. Er dient zich daar ook een nieuwe passagier aan: baron De Maltz. In de rooksalon zet hij het op een zuipen. Hij schoffeert daarbij het scheepspersoneel. Van Wel kalmeert hem enigszins. Na enige tijd komen de excursionisten terug aan boord. De ‘Tromp’ stoomt op naar het Suez-kanaal. Laura Dickhof waarschuwt Van Wel voor het verschijnsel zoutwaterliefde. Ze vindt dat hij wat al te veel toenadering zoekt tot Nora Lutters. Ondertussen vindt baron De Maltz al snel aansluiting. Hij speelt bridge en later poker met onder meer Prester en Beentjes. De hoofdonderwijzer Meeuwisse wordt betrapt als hij de jeugdige Truusje wil zoenen en wordt vanwege zijn pedofiele neigingen nu met de nek aangekeken door de overige passagiers. Hij blijft daarom een groot deel van de reis ‘ziek’ in zijn hut. Tussen Laura Dickhof en baron De Maltz ontstaat een sterke vorm van genegenheid. De ‘Tromp’ vaart op de Indische Oceaan, ‘het fatale traject van de zoutwaterliefde’ (p. 69). Hier komen de spanningen tot een hoogtepunt:

Indische Letteren. Jaargang 14

207 Het gansche schip scheen er van geladen. Dan hier, dan daar, waar twee temperamenten elkander te na kwamen, knetterde en siste het even. De spanningen versterken elkander door inductie en alleen een rest van zelfbeheersching en drang tot zelfbehoud weerhielden vooralsnog catastrophale ontladingen. Onder den invloed van de voorspoedige vaart en het overdadig eten ontwaakten oeroude instincten van wrok, afgunst, haat en begeerte... (p. 129) Er wordt een gekostumeerd bal georganiseerd. Meneer Dickhof en zijn vrouw zien Van Wel en Nora Lutters op het sloependek bij elkaar staan. Er wordt ook een kinderfeest op touw gezet. Baron De Maltz wordt beschermheer en mevrouw Prester voorzitster van de feestcommissie. Ondertussen maakt de Zweed meneer Beentjes en meneer Prester grote sommen geld afhandig met kaarten. Als de verliefde baron De Maltz even later met Laura Dickhof aan dek zit en Beentjes op revanche komt aandringen, weigert de edelman. Beentjes is totaal veranderd door zijn verliezen. Van een nederige, voorkomend burgerman is hij verworden tot een norse egocentrist. Meneer Dickhof komt woedend zijn flirtende vrouw halen. Van Wel breit de zaak weer enigszins recht. Beentjes en Prester winnen de verloren sommen terug van De Maltz en zelfs meer. De baron bedrinkt zich. De volgende dag is het kinderfeest in volle gang. Baron de Maltz is nog te zeer herstellende van zijn drinkgelag om aan zijn plichtplegingen te kunnen voldoen. Baron De Maltz heeft aan het ontbijt van de hofmeester enkele rekeningen gekregen. Hij kan zijn ‘beren’ niet betalen; hij is platzak. Vethaak onderhoudt hem erover: Baron de Maltz... laten we ophouden met dat spelletje... U wilt toch niet beweren dat u in een positie bent die u zou noodzaken al uw hebben en houden op last van de justitie te zien verkoopen om vervolgens als ongewenschte vreemdeling voor rekening van het Nederlandsch-Indische gouvernement of van uw consul per vierde klasse te worden teruggezonden naar Europa..? ‘Ik vrees van wel,’ zeide de baron. (p. 158) In zijn hut schrijft hij een afscheidsbrief aan een vroegere vriendin. Door schaamte en angst overmand pleegt hij uiteindelijk zelfmoord. Zijn hut wordt verzegeld. Tijdens de lunch beledigt Beentjes Laura Dickhof. Van Wel verkoopt hem een muilpeer. De kapitein geeft beide heren een uitbrander. Ook Lutters spreekt Van Wel enigszins vermanend toe. Zijn omgang met Nora Lutters geeft aanleiding tot roddels. Baron De Maltz krijgt een zeemansgraf. Ter afleiding wordt er een avond van voordrachten en kamermuziek georganiseerd. Presters lezing

Indische Letteren. Jaargang 14

208 over de economische positie van de Chinezen wordt ruw verstoord door met de suikermachinist meegekomen lieden uit de tweede klasse. Ook een opvoering van ‘Hamlet en de geest’ heeft te lijden onder een nauwelijks te onderdrukken hilariteit. Op Sabang doen de meeste passagiers inkopen. Truusje maakt Prester, die eigenlijk altijd al een oogje op haar heeft gehad, een fles parfum afhandig. Lutters heeft bericht ontvangen dat hij aangesteld is te Batavia. De reis loopt ten einde. Henri van Wel vertelt aan dokter Petit dat Nora Lutters van haar man af gaat om met hem te kunnen trouwen. Dokter Petit constateert de gevolgen van de gestegen temperatuur: De hitte is ternauwernood dragelijk te noemen. Een verzengende gloed hangt onder de zonneschermen. Het hout- en koperwerk aan dek is zoo heet dat men denkt zich de hand te branden wanneer men iets aanraakt. Moe, mat klef en verdwaasd liggen de passagiers in hun ruststoelen. Er is geen animo meer voor dektennis of voor welke andere lichamelijke inspanning ook. Men heeft zich overgegeven aan de tropen: willoos en op genade of ongenade, (p. 223) De onderlinge spanningen zijn afgenomen. Saimin heeft het nu erg druk, hij verwacht niet dat de passagiers in Indië tot rust zullen komen: vanavond is de selamatan der Westerlingen, waarbij wij de spijzen zullen opdragen en de wijnen waarvan niets geofferd zal worden ter verzoening van de geesten... en dan... morgen, wanneer zij het schip verlaten zullen, met al hun bagage en koffers en kisten... dan zal dit schip plotseling hol en leeg zijn, want de onrust waarvan het vervuld was, zwermt weg met de Westerlingen mee, waar ze gaan, gelijk een zwerm muskieten om de moeizaam door de modder der sawahs wadende karbouwen, prikkelend hun lichamen, verblindend hun oogen en boosaardig gonzend aan hun ooren... zonder ophouden, zonder rust.. tot aan het einde der aardsche kwellingen en het begin van die vertwijfeld zwervende geesten... Dat toean-Allah hen behoede!... (p. 249-250)

Herman Salomonsons humor Een grap uitleggen is hem om zeep helpen. Het blijft dan ook een hachelijke zaak om het over de humor van een bepaalde schrijver te hebben. Er is tenslotte maar één manier om echt van een humoristisch werk te genieten en dat is gewoon het boek te lezen. Daarom zal ik met citaten werken. Henri van Wel introduceert de zoutwaterliefde als een tragikomedie:

Indische Letteren. Jaargang 14

209 De eerste bel voor de lunch riep de medewerkers aan de tragicomedie, welke een gezamenlijke isolatie van een paar honderd heterogene elementen op een mailboot onvermijdelijk meesleept, voor het eerst te zamen. (p. 4) En een tragikomedie is het in die zin dat tragische en komische gebeurtenissen elkaar afwisselen.11 Salomonsons humor steunt op zes pijlers: 1. het hoge soapgehalte van het verhaal; 2. het wisselende perspectief; 3. het gebruik van types; 4. rake beschrijvingen; 5. grappige situaties; 6. opmerkingen van de buitenstaanders.

Het verhaal Zoutwaterliefde heeft veel weg van een literaire soap.12 Het gaat niet zozeer om de personages, maar veel meer om allerlei verwikkelingen om hen heen. Tijdens de reis door de Indische Oceaan escaleert er van alles. Zo wordt baron De Maltz min of meer met Laura Dickhof betrapt door meneer Dickhof en tussen Van Wel en Nora Lutters bloeit een liefdesaffaire op. De Maltz berooft zich van het leven door vergif in te nemen vanwege de consequenties van zijn gestegen schulden en Henri van Wel verkoopt Beentjes een muilpeer, omdat hij Laura Dickhof voor ‘slet’ uitmaakt. Scheepsdokter Petit stelt na de muilpeer van Van Wel de volgende diagnose: ‘Kerel... kerel...’ lachte hij, ‘dat is me een toestand... zoo heb ik je nog nooit gezien. Daarvoor moet je een week lang niets anders dan lucht en water gezien hebben. Dat zijn nu die wonderlijke uitbarstingen van den Indischen Oceaan... De menschen verliezen hun remmen en botsen tegen elkander aan... Goeie help wat een reis. Een zelfmoord... een gevecht... en een overspannen vrouw. Ik kom zojuist van mevrouw Dickhof die volkomen apathisch op haar bed ligt en zich de hand laat vasthouden door dien houterigen man van haar... Het lijkt hier wel een zenuwinrichting.’ (p. 167) Het hoge soapgehalte van Zoutwaterliefde wordt ook in de hand gewerkt door het reeds beschreven wisselende perspectief. Hierdoor weet de lezer dus steeds meer dan de personages. Zo komt men er bijvoorbeeld achter dat de echtelieden Prester verborgen agenda's voor elkaar hanteren. De haaibaai Sophie Prester is razend enthousiast als zij hoort dat haar man een auto wil kopen in Indië. Leopold Prester denkt, naar aanleiding van de reactie van zijn vrouw, toch maar van de auto af te zien. Hij had er wel graag een gekocht:

Indische Letteren. Jaargang 14

210 Van den onverwachten pokerpost kan er een af. Jarenlang heb ik daar al over gedacht. Ik heb zoo'n ding hard noodig. Het is de eenige manier om er eens uit te komen. Waarom zou ik al mijn levensgenot opzouten tot na het pensioen..? Wie dan leeft die zorge dan. Er zijn nog wat Indische jaren af te werken. Het autoplan is tactisch ingeleid als een daad van hartelijkheid. Maar er was iets onrustbarends in de uitwerking van het bekendstellen van het voornemen. ‘Hè ja,’ zei Sophie dadelijk, en meteen kreeg ik het benauwde gevoel van eeuwig en altijd naast haar in die auto te zullen zitten. Maar dadelijk daarop begreep ik aan wat ze zei, dat ze zichzelf al in de auto zag zitten zonder mij. Ze zou er mee naar vriendinnen rijden, jawel, en boodschappen doen, en toeren. Allemaal in mijn auto. ‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘wel zeker,’ en intusschen bedacht ik: nog honderdmaal liever géén auto dan op die manier, (p. 202)

Het gebruik van types Salomonsons humor heeft zijn wortels in de negentiende-eeuwse humorcultus. Zijn humor sluit aan bij schrijvers als Hildebrand en Klikspaan en heeft iets sterk relativerends. Zijn personages zijn niet zozeer karakters, maar types. In Zoutwaterliefde passeren er heel wat de revue: een cynische gentleman-poseur en zijn oude jeugdliefde die getrouwd is met een jurist bij de secretarie, een burgerlijke B.B.'er, een hysterische actrice en haar oudere psychastenische man, een huichelachtige overste en zijn kwaadsprekende kenau-vrouw, een aan lager wal geraakte edelman, een dikke suikermachinist die eigenlijk in de tweede klasse thuishoort, een professor, een niet altijd even betrouwbare inlandse hutbediende, een pedofiele hoofdonderwijzer, de luidruchtig lolbroekende tweedeklassers en een Indisch gezin compleet met vroegrijpe dochter en onnozel zoontje. Types die wellicht voor velen die voor de Tweede Wereldoorlog per boot naar Indië reisden, meteen te herkennen waren en die door hun gedrag nog steeds de lachlust opwekken, omdat Herman Salomonson ze zo raak heeft neergezet. Bijvoorbeeld bij monde van dokter Petit: Vethaak, de administrateur, een verfoeilijke kletskous, genre: kèn-je-die-goeie-mop-van-die-twee-lui-enz., enz...: genre Tweede-klasse-Rooken, enfin, Vethaak die alles weet en nergens wat van begrijpt, heeft me gretig, hoewel ongevraagd het een en ander verteld omtrent die menschen [Dickhof en zijn vrouw]. Een actrice op tournée, getrouwd met een planter uit het binnenland. Vermoedelijk zal ze tegenwoordig meer scènes maken dan in al haar vroegere rollen... (p. 70-71)

Indische Letteren. Jaargang 14

211

Rake beschrijvingen Melis Stoke hanteert in Zoutwaterliefde een zeer scherpe pen. Hij grossiert in rake beschrijvingen: Wanneer de passagiers van een mailboot beu zijn van de flauwe spelletjes, overstuur van gekibbel, geprikkeld door afgunst, overvoeding en baldadigheid, dan stellen zij hun kinderen eenige uren in de gelegenheid diezelfde gevoelens op te doen gedurende eenige morgenuren en dan heet het kinderfeest. Er worden spelletjes georganiseerd en wedstrijden die eigenlijk nauwelijks verschillen van die welke de ouders hebben gedaan; er wordt een verkleedpartij gehouden; geschenken en versnaperingen worden uitgedeeld, twisten laaien op en worden gesmoord, machtige invloeden laten zich gelden en stuiten op even machtige contra-acties, en een enkeling verlaat weenend tusschentijds het veld van ontmoeting, (p. 144) Een van de mooiste beschrijvingen is die van het begin van de reis. Henri van Wel verhaalt over het vertrek: De ‘Maarten Harpensz. Tromp’ was klokslag twaalf uur uit Genua vertrokken en zijn machines maalden geduldig de eerste mijlen af van de lange reis naar Java. Een spoor van blank schuim lag achter ons op de gladde zee en teekende het begin van den tocht naar de andere zijde van de aarde. Ik was gevlucht uit de algemeene consternatie in de gangen en de passagiersverblijven, waar gesjouwd werd aan de in de hutten opgestapelde bagage en waar ondeugende kinderen door de gangen liepen te schreeuwen, achtervolgd door wanhopige moeders en onuitputtelijk geduldige baboes. Er was daar een zenuwachtige haast om zich te installeren, alsof de reis zoovele minuten zou duren als er dagen voor ons lagen. Transpirerende gezinshoofden in hemdsmouwen sjorden aan hutkoffers en luchtten hun ergernis over de bevelen en verwijten hunner echtgenooten in woedende commando's aan de hutjongens die gemelijk af en aan liepen, of zich verstopt hielden buiten de sfeer der algemeene opwinding. Op het dek was het rustig. Een paar matrozen ruimden de overblijfselen op van het afscheid van den wal: papieren van cadeaux en bloemen, scherven van een gebroken glas, een plas bier en snippers van verscheurde enveloppen. Ze schoven en dweilden alles overboord, schikten de stoelen, zetten de bloemstukken op een rijtje, als voor een fantasielooze jubileumviering, en wischten aldus de sporen weg van de verwarring en emoties van het afscheid, voor jaren, van het Europeesche grondgebied, (p. 3)

Indische Letteren. Jaargang 14

212

Grappige situaties Echt hilarisch wordt Zoutwaterliefde maar zelden, maar toch zijn de komische voorvallen in het boek de moeite waard. Zo hebben de meeste opvarenden in Port Saïd behoorlijk toegegeven aan hun kooplust. Bij groepjes kwamen de excursionisten aan boord terug. Mevrouw Prester aan het hoofd van een gezelschap waarvan zij de leden beurtelings inlichtte omtrent de wezenlijke waarde der gedane inkoopen. Zij zelve was, naar haar man gewillig vertelde, zeer wel geslaagd in den aankoop van struisveeren tegen een prijs die verre beneden dien van de wereldmarkt was. Ook had zij den heer Beentjes behoed voor financieel verlies door hem met klem het koopen van een tapijt af te raden waarop een moskee in gloeienden zonsondergang was afgebeeld en dat hij voor zijn binnengalerij bestemd had. Mevrouw Meeuwisse die een dergelijk kleed had aangekocht hoorde verslagen en protestloos haar kreten van afkeuring aan en werd door den dikken machinist getroost met de mededeeling dat iedereen in zijn leven wel eens aan rommel was blijven hangen in die stinkstad. (p. 84) Zoals reeds vermeld geeft overste Prester een lezing over de positie van de Chinezen in Nederlands-Indië. Laura Dickhof vertelt hierover: Wat Prester zei, weet ik niet meer, maar het duurde ontzettend lang. Ik staarde naar een stapel folio-vellen die hij een voor een opnam en treiterend langzaam voorlas. Toen hij het laatste vel omdraaide, begonnen de menschen met hun voeten te schuifelen en te zuchten, en uit het rumoerige groepje werd al zoo'n beetje bravo geroepen... En toen gebeurde er iets ontzettends. Met een soort bestraffende blik door zijn bril en een triomfantelijk gebaar draaide Prester het heele dossier om en begon de achterkanten van de vellen die ook volgeschreven waren, voor te lezen. We waren dus pas op de helft. Je begrijpt de reactie. Een paar menschen liepen weg en iemand riep ‘half time’. En toen Prester na anderhalf uur opeens met een soort stemverheffing de vraag stelde: ‘En wààrom is nu de Chinees zulk een onmisbare schakel in het economische leven?’ en daarna triomfantelijk rondkeek, begon opeens de suikermachinist die van de stilte wakker schrok in zijn handen te klappen, terwijl drie jongelui uit zijn gezelschap hardop begonnen te zingen: En wáárom, en dáárom, en wáárom, en dáárom,

Indische Letteren. Jaargang 14

213 alléén om de hupfaldera, de hupfaldera, de hupfaldera... (p. 184-185)

Zij worden uiteindelijk uit de zaal verwijderd door administrateur Vethaak.

Opmerkingen van buitenstaanders Baron De Maltz en zijn hutbediende Saimin zijn allebei niet afkomstig uit de Hollandse maatschappij. Zij zijn buitenstaanders die met verwondering en onbegrip naar de Hollandse passagiers en schepelingen van de ‘Tromp’ kijken. Zij zorgen voor ‘het andere geluid’. De inlandse hutbediende Siamin verbaast zich regelmatig over het gedrag der Europeanen: Op een schip kan men rusten en slapen. Maar Europeanen willen bewegen. Ze gooien met ringen en ballen, en duwen houten schijven over het dek, van den eenen krijtring naar den anderen, die men later weer moet afvegen, (p. 107) De Zweedse aristocraat merkt over zijn Hollandse medeopvarenden op: Blind voor de afmetingen van hun jungle-leven bootsten al deze lieden zoo goed en zoo kwaad ze dat afgaat de normen en gebruiken van de Westersche maatschappij na. Ik vernam tot mijn verbazing dat ze daarginds schouwburgen en dancings hebben maar dat er nergens grootsche speelpaleizen bestaan, zoodat de puriteinsche settlers zelfs Europeesche badplaatsen voorbij zijn gestreefd in den drang tot het benaderen van 't geen de menschen hardnekkig en slaafs een ‘betere samenleving’ blijven noemen. Ook bleek mij dat ander genietingen die men geneigd is in het Oosten te zoeken, zooals het gebruik van opium en het houden van slavinnen, daarginds niet getolereerd worden. Vroom en ernstig zijn de Hollanders den jungle ingetrokken en zij bouwden er een blokhuis en een kerk. Hun vrouwen dienen haar echtgenooten blijkbaar al evenmin, als de mannen gevoelig zijn voor de magische sfeer die van het Oosten moet uitgaan. Misschien dragen ze klompen onder de palmboomen. (p. 104)

Tot besluit Herman Salomonson was een humorist en in Nederland neemt men humoristen niet al te serieus. In het geval van Melis Stoke is dat zeker niet terecht. Met een vlijmscherpe pen schreef hij het cliché-beeld van

Indische Letteren. Jaargang 14

214 de romantische plezierreis naar Indië aan scherven. De overtocht per mailboot blijkt een reis vol verveling, spanningen, ruzies en onwaarschijnlijke verliefdheden te zijn. Dat is het belang van deze kroniek. Dat Zoutwaterliefde bovendien een vermakelijk boek is, is voor de lezer mooi meegenomen.

Bibliografie Perron, E. du. ‘Melis Stoke: De Razende Berg’. In: Verzameld Werk VI (Amsterdam 1958). Salomonson, Herman. Recrutenschool en andere gevangenisverzen. Ingeleid door A.K.C. de Brauw ('s-Gravenhage 1946). Stoke, Melis. De razende berg ('s-Gravenhage 1939). Stoke, Melis. Zoutwaterliefde. Kroniek van een reis per mailboot (2e dr. 's-Gravenhage 1930). (1e dr. 1929). Veer, C.B. van 't. Naar Indië! De heenreis in fictie (Leiden 1993). Doctoraalscriptie. Veer, Coen van 't. ‘Een drijvend zielsziekenhuis. De reis van Holland naar Indië per mailboot in eigentijdse fictie 1870-1940’. In: Peter van Zonneveld (red.). Naar de Oost! Verhalen over vier eeuwen reizen naar Indië (Amsterdam 1996), 112-147. Walraven, Willem. Brieven. (2e, verm. dr. Amsterdam 1992). Wermeskerken, Henri van. Tropische Zoutwaterliefde. (Amsterdam 1932). Wie is dat? Naamlijst van ongeveer 2500 bekende personen op elk gebied in Het Koninkrijk der Nederlanden (Nederl. Oost- en West-Indië) met biografische aanteekeningen, opgave hunner voornaamste werken, adressen, enz., enz. ('s-Gravenhage 1931). Wie is dat? Naamlijst van bekende personen op elk gebied in Het Koninkrijk der Nederlanden met biografische aanteekeningen, opgave hunner voornaamste werken, adressen, enz., enz. ('s-Gravenhage 1938).

Indische Letteren. Jaargang 14

215 De paginanummers na de citaten uit Zoutwaterliefde verwijzen naar de tweede druk van 1930. Ik maak verder gebruik van mijn doctoraalscriptie Naar Indië! De heenreis in fictie en van de bijdrage van mijn hand ‘Een drijvend zielsziekenhuis. De reis van Holland naar Indië per mailboot in eigentijdse fictie 1870-1940’ uit Naar de Oost! Verhalen over vier eeuwen reizen naar Indië, 112-147.

Eindnoten: 1 Ik wil hierbij Netje Fernhout-Salomonson, Gerard Termorshuizen, Babs van 't Veer-Groskamp en Peter van Zonneveld bedanken. Zij hebben mij gesteund bij het schrijven van dit artikel. 2 Twee jaar na de eerste druk verscheen er van Zoutwaterliefde zelfs een Engelse vertaling van Henrietta van Wyhe: Love at sea. Chronicle of a Voyage by Mail Steamer. New York City 1931. In 1949 verscheen de zesde druk van de Nederlandse editie. 3 Wie is dat? 1931, 223 en Wie is dat? 1938, 369. 4 De Brauw in zijn inleiding op Recrutenschool. Salomonson 1946, 11. 5 In de toekomst hoop ik een overzichtsartikel aan het Indische werk van Melis Stoke/Herman Salomonson te wijden. 6 Walraven 1992, 628. 7 Du Perron 1958, 513. 8 9 Du Perron 1958, 515. 10 Du Perron 1958, 516. 11 Overigens is door Govert Zijlmans in de nalatenschap van mevrouw Anita Rambonnet een filmscenario van Stokes Zoutwaterliefde ontdekt. De film is waarschijnlijk nooit gemaakt. Tussen Salomonson en Rambonnet is er uiteindelijk een verwijdering opgetreden. Rambonnet zou model hebben gestaan voor Julie Meerkamp, de hoofdpersoon van De razende berg. Zij komt er in het boek niet al te best af. 12 Alhoewel Zoutwaterliefde niet zo kluchtig is als het drie jaar later verschenen Tropische zoutwaterliefde van Henri van Wermeskerken.

Indische Letteren. Jaargang 14

216

Humor achter Japans prikkeldraad Joop van den Berg Over de Japanse interneringskampen in Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog is in de afgelopen vijftig jaar veel gepubliceerd. Het totaal beloopt inmiddels enkele honderden boeken en er is nauwelijks een bepaald kamp of een bijzondere historisch-verstrekkende gebeurtenis uit die periode onvermeld gebleven. Toon en inhoud van die kampherinneringen verschillen onderling sterk en er is zelfs een aantal genres te benoemen waarin die kampherinneringen gestalte hebben gekregen. Men moet ook vaststellen dat de historische werkelijkheid - om welke reden dan ook nogal eens geweld werd aangedaan. Op zijn vriendelijkst kun je zeggen dat er vaak sprake is van, wat Ton Anbeek eens noemde, ‘de heroïsche afbeelding’ waarin objectiviteit, soberheid en begrip voor de daden van de tegenstander ver te zoeken zijn. Rudy Kousbroek drukt zich aanzienlijk directer uit als hij vaststelt dat die kampliteratuur vaak vol zit met sterk vertekende opvattingen over goed en kwaad ‘Wij, de geïnterneerden, staat voor GOED; zij, de Japanners, staat voor FOUT’ - en verder merkt hij op dat die opvatting meestal uitmondt in een sterk clichématige beschrijving van het leven binnen de kampen. Zijn conclusie in Het Oostindisch kampsyndroom luidt dan ook: ‘Over de Japanse tijd zijn honderden boeken geschreven. De meesten zijn “niet waar”. Een handvol, minder dan tien, bevat dat zeldzame ingrediënt oorspronkelijkheid.’1 Hoe staat het dan met dat andere zeldzame ingrediënt: humor? Welnu, in hooguit vijf kampboeken kan men bij tijden een humoristische kijk op het kampleven aantreffen. Een povere oogst, toegegeven, maar daar staat weer tegenover dat de auteurs van zulk humoristisch proza waarlijk niet de minsten zijn: Rob Nieuwenhuys, Leo Vroman en Coert Binnerts, om er enkelen te noemen. Dat hun wat luchtige visie op de wrede werkelijkheid soms aanleiding gaf tot humoristische beschrijvingen heeft, denk ik, vooral te maken met hun eigenzinnige en wat onaantastbare visie, die een echte schrijver nu eenmaal niet kan ontberen als hij de werkelijkheid te lijf gaat. Hoe vreselijk die werkelijkheid dan ook mag zijn. Ik kom hierop later uitgebreider terug en volsta nu even met

Indische Letteren. Jaargang 14

217 de vrijblijvende constatering dat de humor bij hen toch veelal een verdedigingsmiddel is in de strijd tegen het leed en de angst, en vooral een verwoede poging om de lach te laten prevaleren boven de traan, en daardoor een soort onkwetsbaarheid op te bouwen. Laten wij eens beginnen met de meest bekende van de trits schrijvers die ik noemde, Rob Nieuwenhuys, de man van Een beetje oorlog, zoals de titel luidt van zijn kampherinneringen. Ook al zo'n onderkoelde constatering die lijnrecht ingaat tegen veel van de bestaande kampliteratuur. Een passage nu over de wijze waarop men zich in de kampen probeerde te onttrekken aan uitzending overzee. Vóór mei 1943 waren al verschillende transporten met krijgsgevangenen door de Amerikanen getorpedeerd. Dat wisten we. Het was daarom begrijpelijk dat een ieder bij een naderend transport daaraan trachtte te ontkomen. De beste manier was dysenterie te krijgen. Men deed daar alles voor, men dronk het water in de sloten om en bij de ziekenzaal en at het smerigste afval. Maar het bleek dat de gevangenen al een grote mate van immuniteit hadden ontwikkeld. De meest effectieve methode leek de directe besmetting. Maar er was ook een ander middel. Vóór elk transport (want ook de Japanners waren als de dood voor dysenterie in de dicht opeengepakte scheepsruimten) moest een ieder die voor zo'n transport was aangewezen in een papiertje wat faeces deponeren. Alle papiertjes, voorzien van naam en kampnummer, moesten worden ingeleverd. Wat de Japanners daarmee hebben gedaan, zal voor altijd een raadsel blijven. Waarschijnlijk niets. Het moet hun reeds genoeg zijn geweest aan een formaliteit te hebben voldaan. Er behoefde volstrekt niets op te volgen. Zo was het dikwijls bij Nippon. Een naderend transport werd een gulden tijd voor de werkelijke dysenteriepatiënten. Er waren er genoeg die hun bloed en slijm verkochten. Zo herinner ik me een klein Indisch mannetje dat boven een sloot op zijn hurken zat en hoe achter hem een hele rij gegadigden stond. Elke keer als er wat kwam, ving hij een kleine hoeveelheid slijm in zo'n papiertje op en incasseerde het bedrag van een rijksdaalder in Japans geld. Tot hij er eenvoudig niets meer uit kon persen. Ik zie hem nog zijn anus met een zwakke lysoloplossing reinigen, z'n broekje optrekken en weggaan. ‘Sorry, kèn niet meer,’ zei hij. Er stond nog een groot aantal te wachten. Ze gingen teleurgesteld naar hun barakken terug.2 Een lachwekkend verhaal waarbij, zoals bij veel humor, vooral het onderlijf met zijn vele functies centraal staat. Maar Nieuwenhuys schrijft voor mijn gevoel ook heel genuanceerd en humoristisch over het gedrag

Indische Letteren. Jaargang 14

218 van zijn medegevangenen, met name de ‘Indische’ hoofdofficieren, die bij hem in het kamp zaten: In het kamp was ook een aantal Indische hoofdofficeren, ‘het donkere goud’ zoals ze genoemd werden. Ze woonden met hun zessen of zevenen in een huisje in de omgeving van de wacht. Ze waren op non-actief in de strikte betekenis van het woord. Een ieder verwonderde zich erover hoe ze in staat bleken zo volmaakt niets te doen. Je zag ze ook weinig in het kamp. Volgens een van hun ordonnansen speelden ze wel domino en zelfs bridge. Een kruiswoordpuzzel vergde echter weer te veel aan intellectuele inspanning. Soms zag je ze met iets bezig in hun tuintje, maar het grootste deel van de dag werd gevuld met het verzorgen van hun huisdieren. Aangezien honden en katten in het kamp verboden waren, hielden ze er een aantal hanen op na, met veren in de prachtigste kleuren. Je zag ze de hele dag met zo'n beest onder de arm lopen, als kinderen met hun lievelingsdiertjes. Soms zaten ze in een kring op hun hurken. Ze zochten tussen de veren naar luisjes onder een voortdurend strelen. Het was, hoe het ook zij, een intrigerend groepje.3 Een prachtig portretje van - inderdaad - een intrigerende groep mensen, lachwekkend in retrospectie, maar toch liefdevol beschreven. Leo Vroman laat in een citaat uit De adem van Mars overtuigend zien, hoe ook de draak kon worden gestoken met de eigen groep, de intellectuelen onder de kampbevolking. Zijn beschrijving van de oprichting van een universiteit binnen Japans prikkeldraad is voor mij een perfecte klucht: Een maand later werd er in ons kamp een Universiteit opgericht. Een hok, oorspronkelijk inlandse school, moest daarom de aula zijn. Daar waren nog schoolboekjes, en leien, soms met het maleis onuitwisbaar erin gekrast. De opening was plechtig. De oprichter had een zwart gewaad aangebonden en een baretvormig voorwerp op. Wie binnen kwam kreeg van twee knapen met rode bamboehoedvoeringen op een oor, een papiertje, volgeschreven met het gaudeamus en Io vivat. Beschaamd door hun verlegenheid zetten we ons in de aula tegen een muur. De deur ging open en de liederen werden gezongen door de twee ditmaal blozende paranymfen alleen. Toen kwam de oprichter binnen. Van een bamboestok met een ring van ijzerdraad erop, waaraan stukjes blik geregen, had hij een staf gemaakt en was dus nu pedel. Zijn kleding stond hem bijna belachelijk genoeg. Daarachter kwamen de docenten, met onnatuurlijk langzame pas, alsof ze elkander beslopen, hoezeer ook knipogend en grinnekend.4

Indische Letteren. Jaargang 14

219 Van een heel andere orde is de macabere humor van C. Binnerts, in zijn boekje Alles is in orde. heren, jarenlang een collectors item, maar gelukkig herdrukt in 1988 en voorzien van een verhelderend voorwoord van Kousbroek. Binnerts betrekt niet alleen dood en verderf, maar opnieuw de functies van het onderlijf bij zijn beschrijving van de terugtocht van een groepje krijgsgevangenen, dat onder zeer primitieve omstandigheden een aantal lotgenoten heeft begraven, waarbij het in aanraking is gekomen met lijkengif: Na afloop neemt de dokter, met toestemming van de Japanse wachtcommandant, ons mee naar een huisje, iets verderop aan de weg, waar wat lysol te krijgen schijnt. Daar moeten wij ook onze kleren achterlaten, die uitgekookt zullen worden en met een minimale lysoloplossing poetsen wij ons wat af. [...] Maar nu moeten wij naar het kamp terug, zeker een minuut of vijf lopen over de openbare weg. En andere kleren zijn er niet, zodat wij gedwongen zijn geheel naakt de terugtocht te aanvaarden. Deze tocht zal ik - hoe oud ik ook word - nimmer meer vergeten; deze parade van acht spiernaakte kerels, twee aan twee in het gelid en bij het passeren van de Japanse wacht zelfs in een soort, bij de Jappen voorgeschreven ganzepas met het ene been telkens in opzwaai en het hoofd links! Dit alles overgoten door de zilveren stralen van een opkomend maantje. Ik geloof niet, dat onze mededragers veel humor in het geval hebben kunnen ontdekken, maar ondanks de tragische achtergrond van het geheel en mijn angst voor eigen hachje bovendien, heb ik zelden in mijn leven zo gelachen als gisteravond. Dit verhaal vandaag schrijvend in de schaduw van een klapperboom, komt dit tafereel in het maanlicht, nog geen etmaal geleden, mij van een bijna shakespeariaanse humor voor, en nu nòg zie ik die zestien bruine en witte benen voor mij, gedurende het defilé langs de Japanse wacht vooral, met de bungelende klokkespelen daarboven, die door de opwaartse beweging van de benen telkens heftige kronkelingen en buitelingen maakten, als waren het grillig gevormde gnomen uit een geheimzinnige wereld, wanstaltige, koboldachtige wezens met 'n geheel eigen en afzonderlijk bestaan.5 In het uitzonderlijke boekje van Binnerts zijn nog meer specimina opgenomen van een soort superieure galgenhumor - inderdaad humor aan de voet van de galg. Weer een andere schrijver. J.W.H. Veenstra, de man die een reeks scherpzinnige studies schreef over het werk van Du Perron, en samensteller was van de indrukwekkende bundel Als krijgsgevangene naar de Molukken en Flores, geeft in zijn kampmemoires een rake beschrijving

Indische Letteren. Jaargang 14

220 van de mars van een groepje krijgsgevangenen terug naar het kamp, na een dagtaak in de groentetuinen: We zingen en fluiten, steeds luider en meer gescandeerd. Vaderlandse wijsjes klinken langs de weg, schoolliedjes ook en populaire deuntjes, die de Japjes niet kennen. Ze vinden het ook wel gemakkelijk. De troep geeft zo tenminste geen last. De bevolking staat langs de weg, verbaasd over de luidruchtigheid van de blanda's, die ze soms ook wel een kassian hebben toegefluisterd. Knaapjes met glimmende ogen en grinnikende snuiten lopen en springen met ons mee. Ze zingen ook. Ze kennen nog vele liedjes van school. En al hebben ze nu ook boze liederen geleerd vol banvloeken aan geallieerd adres, over Piet Hein en de blauw geruiten kiel weten ze luidkeels en met een scherp accent ook nog wel iets mee te delen. Hun moeders staan erbij te lachen.6 Een auteur die onmiskenbaar in het rijtje thuishoort is de - waarschijnlijk voor u onbekende - Marcel van Maas wijk, de man die in 1948 een kampboek publiceerde onder de weinig zeggende titel: Zwerftocht naar Arifina. Het boek werd destijds niet opgemerkt, niet besproken en kennelijk niet verkocht. Sporadisch duikt het nog wel eens op in het Indische antiquariaat. Het is in mijn ogen een heel bijzonder boek, waarin de schrijver de kampervaringen op een bijzonder ontspannen manier de revue laat passeren. Dat is, gezien het feit dat die herinneringen in 1948 nog vers in het geheugen liggen, uniek te noemen. Van Maaswijk gaat zo ver dat hij in het slothoofdstuk spreekt over een soort positief kampsyndroom, in die zin dat hij in het Japanse kamp bijzonder veel waardevolle dingen heeft geleerd, vooral in de sociale sfeer. Hij schrijft letterlijk: ‘De lange tijd die achter ons ligt, is geen verloren tijd, maar een zeer waardevolle.’ Ook bij hem is het gevoel voor humor het trefwoord bij de weergave van het leven aan de Birmaspoorweg. Een voorbeeld. Als de Japanners de gevangenen verplichten tot het dragen van een tjawat (een schaamlap), vinden wij bij Van Maaswijk geen betoog over het verlies aan westerse waardigheid, of het koelie-karakter van deze dracht, maar een komisch loflied op het schamele kledingstuk.

De schaamlap Japan introduceert de schaamlap. Iedereen krijgt een schaamlap. Een zwarte. Iedereen gaat nu in het zwart gekleed. Wij vallen in de categorie van de toga, de soutane. Ik zal mij eens laten zien bij Schiaparelli. De kleren maken den man.

Indische Letteren. Jaargang 14

221 Een corvejer ziet er nu uit, zo: een hoofddeksel, d.i. een gele siamese strohoed; klompen een riem of touw om het middel voor veldfles en etensblik in de ene hand een pikhouweel of schop in de andere een prop tabak en de schaamlap. In de schaamlap ligt ons heil. Je hoeft je niet meer te wassen, geen zeep te kopen, geen garen te bietsen, geen naalden te bewaren, je hoeft niet meer te verstellen, je hoeft niet meer in vodden te lopen, je hoeft je niet meer aan en uit te kleden.7

Indische Letteren. Jaargang 14

222 Ook de veelal als vernederend beschreven bezigheid van het vliegen vangen ‘omwille van de hygiëne’ en daaraan gekoppeld het inleveren van 400 dode vliegen de man per dag wordt bij hem een hilarisch verhaal: Laat ik je nog iets vertellen over het nieuwe corvee, dat door het Keizerlijke Leger gecreëerd wordt. Het heet vliegen vangen en is aanvankelijk bestemd voor de ziekenbarakken. Ik weet niet meer precies hoe het allemaal gaat - het is waarschijnlijk arithmétique néerlandaise op zijn best - maar als ik vierhonderd vliegen per dag vang, verdien ik een kwartje. Nu is vierhonderd vliegen per dag, in deze maanden, een kleinigheid. Tegen elf uur heb ik dit aantal gewoonlijk bij elkaar. Over het hele kamp verspreid zitten de vliegenvangers. Op de latrines - bij voorkeur jagen hier de Engelsen; zij handhaven hun insulaire positie - bij de vuilnisbakken, bij de verbrandingsovens, bij de ontluisinrichting, bij de keuken, bij de goten, bij de fourage-wagens, bij de hutten. Alles groeit, alles moet men leren en ondervinden, alles wordt beschaving en soms cultuur. Dit geldt ook voor vliegenvangen. Hoe lokt men vliegen aan? Waar houdt een vlieg het meest van? Hoe groot is het veld van haar reukorganen? Hoe groot is het gezichtsveld van een vlieg? Op welk uur van de dag is de vlieg het traagst? Hoe reageert een vlieg op bewegende schaduw? Wat doet een vlieg schrikken? Hoe vang je een vlieg? Hoe vang je met één klap een heleboel vliegen? Hoe kun je dit aantal opvoeren? Wat zou het minimum zijn? Is er überhaupt een maximum? Hoe pik je een knock-out geslagen vlieg het voordeligst op? Hoe bewaar je ze? - want de mieren maken er jacht op, en krijgsgevangenen. Als je dit alles dóórhebt, ben je een veritabel vakman.8 Van Maaswijk grijpt in zijn kampboek veel terug op filosofen en kerkvaders uit de wereldgeschiedenis - Plato en Sint Anthonius van Padua worden veel geciteerd - bij zijn poging tot zingeving van de Japanse internering. Je zou wat badinerend kunnen spreken over veel roomse blijheid in zijn boek, maar dan nog blijft zijn roman een opvallend vrolijk geschrift in de stroom van grauwe kampmemoires uit de jaren veertig en vijftig. Nog één citaat om dit te illustreren: Ik ga met Ivon naar de kali om te zwemmen voor de eerste maal. We staan aan de kali-kant, Ivon en ik, naakt in de verrukkelijke wind. Een feest. Ik rek mij uit en laat de wind langs mij heenwaaien. Strijken. Strelen. Ben ik niet beter? Ben ik niet weer sterk? Men moet aan de Siam-Birma-spoorweg gestaan hebben en een wrak zijn geweest, om dit een féést te vinden. Het is altijd druk aan de kali-kant. Vele Britten, van top tot teen onder

Indische Letteren. Jaargang 14

223 de ringworm of de schurft, liggen hier te zonnen. Het doet komisch aan, als je een flinke gestalte ziet, die klein is geschapen. Of zwaar geschapen met een kleine gestalte. Humor der natuur. Heerlijk aan de kali-kant te liggen, in de zon, in de wind, tussen het gladde water en het struikgewas.9 Hoe valt het te verklaren dat het barre tropische kampleven bij een klein aantal schrijvers wordt getoonzet als een vaak lichtkomisch Jeroen Bosch-achtig tafereel? Zonder al te veel te willen psychologiseren moet men dan toch iets zeggen over het karakter en de levensinstelling van de door mij genoemde auteurs. Zij zijn namelijk - bijna stuk voor stuk - wat onaantastbare figuren, die weinig beïnvloed worden door de realiteit, hoe grauw die ook mag zijn. ‘Leo Vroman’, zo schrijft Rob Nieuwenhuys, was iemand ‘die de kleine en grote afschuwelijkheden op een afstand wist te houden, en die het kampleven wist terug te brengen tot een bijkomstigheid. Hij bezat iets onaantastbaars.’ Maar ook Binnerts ziet zichzelf als een vrijbuiter, ‘als een vrij amoreel man, die langs de kronkelpaden van het leven wat danserig voortzweeft en in geijkte aangelegenheden zonder veel scrupules zijn partijtje meeblaast’. Mogelijk daarom lukt het hem begrip op te brengen voor de Japanse bewakers en hun vaak harde optreden. Ook Van Maaswijk leren wij kennen als een wat wereldvreemde maar unieke denker, vol met oorspronkelijke ideeën en opvattingen. Rob Nieuwenhuys dan als laatste komt ons in zijn geschriften tegemoet als iemand die zelden in clichés denkt en een heel eigen visie heeft op de werkelijkheid, en zeker een eigenzinnige. Men moet, zo hebben wij kunnen vaststellen, in literaire zin van heel goeie huize komen om binnen dat Japanse prikkeldraad van de traan een lach te maken, maar de door mij geciteerde schrijvers - nogmaals, het zijn er maar een paar - zijn daar toch uitstekend in geslaagd.

Eindnoten: 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Rudy Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam: Meulenhoff, 1992), 356. Rob Nieuwenhuys, Een beetje oorlog (Utrecht: ECI, 1979), 95. Idem, 89, 90. Leo Vroman, De adem van Mars (Amsterdam: Querido, 1956), 80. C. Binnerts, Alles in orde, heren...! (Baarn: Hollandia, 1988), 24, 25. J.W.H. Veenstra, Diogenes in de tropen (Amsterdam: Vrij Nederland, 1947), 74. M. van Maaswijk, Zwerftocht naar Arifina (Helmond: uitg. ‘Helmond’, 1948), 147. Idem, 115. Idem, 68.

Indische Letteren. Jaargang 14

224

Humor bij Tjalie Robinson Een opstel Edy Seriese Zowat een millenium geleden zat ik op de MMS in Den Haag. Voor het eindexamen was het verplicht om voor elk vak een kleine scriptie te maken. Mijn vriendin zou voor biologie over Afrika schrijven, voor aardrijkskunde over Amerika en voor geschiedenis over Achter-Indië. Voor Nederlands zou het niet over Tjalie Robinson gaan, maar over Adwaïta, een gewaagde keuze. Te gewaagd, zo bleek, want de docent Nederlands die ook onze mentor was, vroeg nu naar het waarom van haar keuzes. Doorgewinterd docent als hij echt wel was, had hij toch niet terug van haar antwoord. Dat luidde, na aftrek van de gebruikelijke Montessoriaanse smart talk, dat haar vader van de encyclopedieën alleen deel A had.

Entertaining Bovenstaande is, hoewel origineel waar, een Grap en verwijst dus naar humor, zelfs als u er niet om hebt moeten lachen. Het is een zogenaamde binnenkomer: een eerste opmerking van de performer naar het publiek, die het ijs moet breken en de sfeer moet zetten. Harry Jekkers is er sterk in. Dan komt-ie aan het begin van de voorstelling stralend het podium op, gaat handenwrijvend secondenlang zonder iets te zeggen naar het publiek staan kijken, zegt dan: ‘mensen, ik heb er zin vanavond’. En rondt vervolgens af met: ‘Nu alleen nog even de voorstelling doen’. Een binnenkomer als dit heet een two-liner, een tweeregelige grap waarbij de laatste zin de vooronderstellingen van de voorgaande onderuit haalt. Een two-liner kan ook schriftelijk. Van Tjalie kennen we een paar leuke. Zoals ‘Rotland Holland: ister niet klapper, isternietmeer tanden. Maar doormaardoor klappertanden.’ Of ‘Houdt u van lectuur mevrouw?’ ‘Deze nog nooit gegeten.’ Tjalies two-liners zijn voornamelijk te vinden in de bundels Je-lah-je-rot en Je-lah-je-kripoet. Het zijn bundelingen van humor uit Tong Tong, maar de niet-ondertekende stukjes zijn, gezien de stijl, volgens mij van Tjalies hand. Ze zijn meestal niet zo leuk als deze twee voorbeelden, moet ik bekennen. Sommige verhaal-

Indische Letteren. Jaargang 14

225 tjes zouden zelfs aan humoristische kracht winnen als hij er juist two-liners van gemaakt had. Zoals de binnenkomer van de bundel Je-lah-je-rot, ‘Kort’ getiteld. Die gaat over twee jagers die elkaar met de minst mogelijke woorden, welgeteld drie, vertellen dat de streek waardoorheen ze lopen voorheen dicht bebost was. De dialoog luidt: ‘Bos.’ ‘Waar?’ ‘Vroeher.’ Kort inderdaad, maar Tjalie heeft er negen regels tekst voor nodig. Dat is niet leuk, hoewel humor. Van two-liners heeft Tjalie niet echt verstand. Hij is dan ook meer schrijver dan entertainer.

Geestig Godfried Bomans, in dezelfde periode van Tjalies humorbundels ook schrijver en entertainer, had een dijk van een binnenkomer: ‘Ik had een oom...’ Zijn publiek begon al te grinniken bij het uitspreken van die zin, terwijl die zin op zich toch niet grappig is. Maar het publiek wist wat er kwam: een monoloog uit de mond van een ‘gewone’ man, waarin een redenering werd opgezet die meestal in mild absurdisme eindigde. Met zo'n monoloog ventileerde Bomans een bepaalde opvatting over een actueel maatschappelijk issue. Met de lach die de absurdistische redenering opwekte, gleed die opvatting in één beweging mee de hoofden van zijn publiek in. ‘Die Bomans toch, je lacht je rot, maar eigenlijk heeft-ie wel gelijk...’ Zo werkt humor: hoe meer de onderliggende boodschap als waar ervaren wordt, hoe intenser de grinnik. Tjalie heeft ook zo'n prima binnenkomer. ‘Op een dah ik onmoet Si Bentiet...’ Elk verhaaltje uit de bundel Ik en Bentiet begint met die zin. Na het lezen van enkele stukjes begin je bij die beginzin al te grinniken. Een more-liner zou je zoiets kunnen noemen, omdat de humor niet in een of twee zinnetjes zit, maar in de hele - relatief korte - tekst. Van more-liners heeft Tjalie wel verstand, een hele bundel vol.

Karakter Natuurlijk had Bomans helemaal geen oom die al die redeneringen debiteerde. ‘Oom’ is wat in de romantheorie een personage heet, door Bomans gecreëerd om via diens mond zijn wisecracks, zijn geestigheden én zijn opvattingen kwijt te kunnen. Net als in Amerika - maar dan later natuurlijk - maakte de entertaining in Nederland in de jaren vijftig en zestig een ontwikkeling door van vette-moppen tapperij met vaak simpele verbale grappen, naar het poneren van opvattingen, liefst tegendraadse. En moderne humoristen, zeker als die van huis uit schrijver waren, maakten daarbij graag gebruik van schrijverstechnieken als het personage. In Amerika ging Alan Stewart Koningsberger zo ver, dat hij zijn personage niet alleen van een compleet karakter, maar van een geheel eigen wereld voorzag, alleen maar om diens wisecracks zo geloofwaardig te laten klinken dat ‘iedereen’ ook de onderliggende boodschap

Indische Letteren. Jaargang 14

226 meepikte. Die ingreep was bij Koningsberger wel nodig. Want in tegenstelling tot de meeste humoristen was hij er niet op uit het publiek te amuseren. Zijn character diende om de opvatting te poneren dat de moderne wereld waanzinnig is en het leven niet te genieten, niet direct een boodschap die gemakkelijk geconsumeerd wordt. Koningsberger moest dus met een wel heel geloofwaardig figuur komen, wilde die boodschap geaccepteerd worden. Zo werd Woody Allen van pseudoniem personage, en tenslotte character. Sterker nog. Ten behoeve van

Tjalie als performer.

Indische Letteren. Jaargang 14

227 de geloofwaardigheid veranderde Koningsberger zelf in zijn personage:niemand kent of gebruikt zijn burgerlijke-standnaam nog. Koningsberger werd Woody Allen, zoals Jan Boon, een tiental jaren eerder, Tjalie Robinson werd. En het werkte. Woody Allen werd in de jaren zestig en zeventig in de westerse wereld voor hele generaties hét toonbeeld van humor, zijn levensvisie dé levensvisie. Zoals Tjalie dé humorist werd voor een beperkter groep en diens visie dé visie op het Indische leven. ‘Natuurleuk’ noemt Kees van Kooten het verschijnsel character in het humoristendom.1 Dat is: de vanzelfsprekende combinatie van humor met een boodschap, een levensvisie. Natuurlijk een niet zo heel grappige woordspeling, maar een bloedserieuze aanduiding voor een basisvoorwaarde van humor volgens Van Kooten: geloofwaardigheid.

Leuk Net als Woody Allen maakt Kees van Kooten deel uit van het moderne ‘leukteaanbod’ in Nederland. Zijn faam en werk als humorist reikt vanaf de roaring sixties tot ver in het huidige decennium. Zijn opvattingen over humor zijn dus van belang bij een hedendaagse vraag naar of iets leuk is. En waarom dan ook niet bij de vraag naar Tjalies humor? Tenslotte zijn beiden, Tjalie en Van Kooten, humorist én schrijver, woonden ze beiden langdurig in Den Haag en publiceerden ze alletwee begin jaren tachtig (Tjalie postuum dus) een boek waar ik om geschaterd heb. Van Tjalie was dat Piekeren in Nederland, een bundeling van columns die hij in 1954 schreef voor de De vrije pers in Surabaya, Indonesië. Ze gaan over Tjalies definitieve vertrek uit Indonesië en zijn inburgering in Nederland. Hedonia. Een opstel van Van Kooten dateert van nog geen jaar daarna. Het gaat over Van Kootens moderne leven, over waar René Froger een megaseller mee scoorde: ‘Een eigen huis, een plek onder de zon en altijd iemand in de buurt die van je houden kon’. Van Woody Allen weten we dat het venijn bij two-liners in de staart zit. In het lied van Froger luidt dat: ‘Toch wou ik dat ik nét wat vaker, wat váker simpelweg gelukkig was’. Ook volgens Van Kooten is dat een kenmerk van het moderne leven: niet gelukkig ondanks alles wat het hartje begeert. Op zoek naar het waarom van het huidige onvermogen tot genieten, tast Van Kooten in Hedonia de waarde van dat moderne leven af. En hij doet dat aan de hand van het enige criterium dat er wat hem betreft toe doet in het leven: humor. Van Kooten is geen humorist van beroep, maar van levensinstelling.

Autobio ‘Waarom zijn die schrijvers van vroeger zoveel leuker, pap?’, vragen de kinderen in Hedonia na een hilarische voorleessessie. ‘Omdat de wereld zelf toen nog veel leuker was, schat’, laat vader Van Kooten zich ontglip-

Indische Letteren. Jaargang 14

228 pen.2 Dus graaft Van Kooten zich autobio met een vlootschouw van Nederlandse humor in de jaren veertig, vijftig en zestig. Daarmee biedt hij tegelijk een overzicht van zijn criteria voor ‘leuk’, een meetlat voor moderne humor. Vernederend leedvermaak, zoals in de films van Abott en Costello wekken zijn afkeer, onzedeleuke revues en later afschuweleuke films als ‘Porky's pikante pretpark’ evenzo. Het perongeleuke van iemand als Rudi Carrell die dénkt dat-ie leuk is en van ijdelheid niet weet wat hij doet, amuseert hem zeer. Terwijl het burgerleuk al in de buurt van humor komt, want dat is liefhebbend spotten over het eigen milieu waarvan je houdt, maar dat je ontgroeid bent. Het wonderleuke van het schrijverschap à la Remco Campert bewondert hij voorlopig alleen nog maar uit de verte, Van Kooten werd tenslotte pas in de loop van zijn carrière als humorist ook schrijver. Onbetwistbaar leuk is Wim Kan, ‘een goed mens’ ook, omdat hij aan de Birmaspoorweg heeft gewerkt en toch de mensen aan het lachen kan maken. Bij wijze van terzijde en humoristisch intermezzo moet ik bij de vooronderstelling dat Kan behalve humorist ook een goed mens was naar Rudy Kousbroek verwijzen.3 Maar volgen we Kees van Kooten langs zijn humorlineaal, dan is Kan de absolute top. Behalve geloofwaardig is hij ook leuk, omdat hij met taal speelt waardoor iets ‘waarder wordt dan het al is’, ‘alsof het Nederlands opeens meer woorden heeft’. Kan presenteert geen leedvermaak, maar juist kritiek op machthebbers, geen goedkope lol om domme mensen, maar plezier om de domheid van ‘gestudeerde mannen’. Bij Kan geen onderbroekenlol of sneue grappen, maar tot en met het programmaboekje een eigen wereld vol speelse, liefdevol kritische, en absurde verbindingen met en verwijzingen naar de buitenwereld. En ondanks de spot biedt hij zijn publiek ‘hoop’. Kan is kortom, meer nog dan Woody Allen, natuurleuk. Maar het leuke van Van Kooten is dat hij zijn normen voor humor au fond niet uit de geschiedenis van de humor haalt, maar gewoon bij zijn eigen Rotterdamse familie, waar altijd een teil soep op tafel [staat] en iedereen loopt de hele dag in en uit met gebakken vis, serviesgoed, harde puntjes, lekke binnenbanden, potten verf, waterpomptangen, bossen bloemen, timmerkisten en ijs van Jamin [...]. En iedereen lacht, is vrolijk, zingt mee [...]. En als je wat meebracht (het sprak vanzelf dat iedereen iets meebracht) zei je dus niet: Jongens hier heb ik een ijsje, maar dan maakte je wat leuks van die mededeling. Je zei bijvoorbeeld [...]: ‘Mensen, ik draai hier de Rubroeckstraat in en ik rij zo'n klein ijsco-mannetje ondersteboven en die heb ik even snel overeind moeten helpen, dus vlug want ze smelten bijna’. En dan maar uitdelen. En allen genoten [...].4

Indische Letteren. Jaargang 14

229

Natuurleuk En allen genoten, dat is de essentie van natuurleuk: humor gebaseerd op genieten van het leven, humor die betrekking heeft op het gewone leven van gewone mensen. Op het begrijpen van dat leven en het feestelijk aankleden ervan, op het zoeken naar een plek onder de zon. Die humor kan alle vormen aannemen: van one-, two- of more-liners, van Grap met clou, of woordspeling. Maar hij bevat beslist geen vermaak ten koste van anderen en beslist wel ingrediënten als zelfspot, liefdevolle kritiek, fantasie en een zekere neiging tot absurdisme. Absurdisme is de vanzelfsprekende combinatie van dingen die gewoonlijk of ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Absurdisme toont de wereld volgens de humorist. Van Kootens beschrijving van zijn familie past overigens naadloos op de manier waarop mijn moeders sam-sams door onze Haagse familie en vrienden werden geroemd. En ook op de korte beschrijving die Ellen Derksen geeft van Tjalies Indisch Huis aan de Prins Mauritslaan 36 in Den Haag, waar de voordeur de hele dag van het slot stond, zodat iedereen - zonder aanbellen - kon komen binnenvallen met verhalen of om zomaar gezellig te ngobrol. Tot grote ergernis van de pursang totok-buurman, die wij op een dag bij de voordeur aantroffen met een oliespuitje, om de scharnieren zo geluidloos mogelijk hun werk te laten doen.5 Maar in Van Kooten verhaal komt Tjalie niet voor. Misschien - ter verontschuldiging - omdat Tjalie pas halverwege de jaren vijftig in Den Haag komt wonen, als Van Kooten al een opgeschoten puber is? Ook dan moet ik toegeven blijft het ijzingwekkend verbazingwekkend dat Van Kooten in al zijn werk, waarin Den Haag zo beetje als als hoofdstad fungeert, nog nooit één enkel spoor van Indisch heeft vertoond. Geen typetje, geen taalgrapje, geen woordspeling, niets! INDO: In Nederland Door Omstandigheden, die grap, die woordspeling, die humor had toch gemakkelijk van Van Kooten kunnen zijn? Nu hebben we hem gewoon zelf moeten verzinnen,6 in de beste traditie overigens van natuurleuk. Dat Tjalie Robinson natuurleuk is, is voor Van Kooten dus niet eens een vraag, maar voor ons een weet. Wat Kan kan, kan Tjalie ook. Hij was schrijver van one-, two- en more-liners, binnenkomers en uitsmijters waar je dubbel om ligt. Hij speelde mee in cabarets en andere voorstellingen, zoals in Tong Tong aangehaald wordt. Hij gaf lezingen, voorlezingen en hield improviserend praatjes.7 Stand up comedian is wellicht wat te veel eer, maar volgens een ingezonden-lezersbrief uit juni 1959 waren Tjalie en ‘ernst’ twee grootheden waar het publiek - gewend aan Tjalie als humorist - niet goed weg mee weet.8

Indische Letteren. Jaargang 14

230

Schrijverschap Maar Tjalie kan meer dan Kan kon, want Tjalie is voornamelijk schrijver. En ook als schrijver is hij humoristisch. Zijn humor is visueel en talig van karakter, zegt Kousbroek, waarmee hij bedoelt dat Tjalie petjoh gebruikt. En als hij petjoh gebruikt, vervolgt Kousbroek, doet hij het niet om belachelijk te maken, maar om de humor te tonen ‘eigen aan de (sub-)cultuur’.9 Wetend dat Tjalie zelf uit de cultuur is voortgekomen die hij zo humorvol beschrijft, blijkt deze dus ook burgerleuk te zijn in Van Kooten-termen. Maar daar gaat het nu even niet om. Hier is punt is dat Kousbroek de gesignaleerde humor in de beschreven cultuur legt en niet bij de schrijver. Tegelijkertijd vindt hij het een teken van groot schrijverschap, dat gezien door Tjalies ogen, je diens cultuur niet meer belachelijk of infantiel vindt, maar ‘alleen maar kan liefhebben’. Maar dat effect wijst inderdaad meer op groot schrijverschap dan op het humorgehalte van een cultuur. Het verwijst naar de overtuigingskracht van een goed geconstrueerd personage. Zoals van Bentiet en de kleine Tjalie, van Tjalie de straatslijper, van figuren als Tjoek, Gaga, tante Poet, Lolo de jager, Little Nono bokser, en Macaré de motorrijder (Vincent Mahieu 1992). Met deze personages creëerde Tjalie een beeld van Indië en poneerde hij de opvatting dat het Indische leven vurrukkuluk was. Het is Tjalies belangrijkste opvatting, thema in al zijn werk, drijfveer voor al zijn werk in Holland. Een opvatting die hij in alle toonaarden en in alle vormen die hij kon verzinnen, betoogde. Het is weliswaar een opvatting waar je enorme vraagtekens bij kunt zetten, maar door Ik en Bentiet en Piekerans van een straatslijper laat je dat uit je hoofd. Niet omdat de opvatting zo waar ís, maar omdat-ie zo overtuigend gebracht wordt dat je erin wilt geloven. En waarom lijkt die opvatting zo waar? Waarder dan elders in Tjalies werk, dan elders in de Indische literatuur? Toch niet omdat andere Indische teksten het waarheidspostulaat minder nadrukkelijk hanteren, dat is juist een voornaam kenmerk van de Indische literatuur. Ook niet omdat in andere Indische teksten minder ware dingen staan over het Indische leven, ze beschrijven alleen andere Indische subculturen dan die van Tjalie. Niet de jongetjescultuur van hardlopen en verspugen en Old Shatterhandtrouw tot in den doet in tjelana monjet en op blote kaki's. Maar bijvoorbeeld de Indische subcultuur van meisjes en vrouwen: een bevalling in het Hout van Bara, ontluikende liefdes van ontluikende meisjes in Rameh, verslag van een liefde en De atlasvlinder, de tangsimeisjes en -vrouwen van Lin Scholten in Anak Kompenie en Bibi Koetis. Zijn die subculturen minder waar (dus ook minder Indisch) dan die van Tjalie? Of zijn ze beschreven door mindere schrijvers? Nee. En ja. Het is niet het waarheidsgehalte, noch het schrijverschap zelf dat de doorslag geeft voor een schijnbaar grotere geloofwaardigheid van Tjalie. Het verschil is dat Tjalie zijn opvatting van het Indische leven presenteert met een enorme dosis humor. En

Indische Letteren. Jaargang 14

231 natuurleuke humor, leert Van Kooten ons, heeft de kracht van overtuiging. Wij delen niet zomaar Tjalies visie op het Indische leven, we geloven hem niet alleen zolang we lezen. We geloven hem onvoorwaardelijk en nog lang na lezing omdat we er zo van genieten. We genieten zo, dat we hem willen geloven. Humor is de kracht van Tjalies schrijverschap.

Humor? En niet alleen in zijn werk als Tjalie Robinson. Een citaat van Vincent Mahieu: Een haven is groot. Een verlaten haven tienmaal zo groot. Een verlaten haven in aanbouw is de wereld zelf bij aanvang van de mensheid. Waarom was de haven verlaten? Omdat de militaire politie een paar nachten lang eenvoudig elk leven uit de haven had weggeschoten. Dus was ik er. Want ik wilde ongestoord vissen. En ik wist dat ik eeuwig zou leven.10 Waarom is deze passage, met eerst de one-liner ‘Dus was ik er’ en dan dat two-liner-effect op het eind nu zo wonderleuk? Om de combinatie van onmogelijk te combineren zaken. Een haven in bersiaptijd en een mannetje dat, ongestoord nog wel, wil vissen. De wens tot vissen en de zekerheid van onsterfelijkheid. Wij lezers weten natuurlijk heus wel dat de zekerheid van onsterfelijkheid de zekerheid van de dood impliceert, dat is nu eenmaal het leven. We weten ook als lezers van Tjalie dat hij de onsterfelijkheid poneerde juist omdat hij de dood onoverwinnelijk achtte. Daarom vertelde hij verhalen. Daarom wilde hij alles waar hij van hield, zijn hele Indische leven in verhalen gevat zien. Alleen de vertelling, en het verhalen, achtte hij een geslaagd middel om de dood te overwinnen.11 Daarom is deze more-liner zo wonderlijk en leuk. Hij toont de wereld volgens de humorist Tjalie in zijn diepste absurditeit: het gevoel van onsterfelijkheid versus de onoverwinnelijkheid van de dood. Tjalie is geen humorist van beroep, maar van levensopvatting. Zijn humor drijft niet als een laagje olie op het water van de tekst, maar is er een constituerend deel van. Zijn werk is doordrenkt van humor omdat hij niet zonder kan, het is de enige manier om zijn verschrikkelijke boodschap dat het vurrukkuluke leven eindig is onder de aandacht te brengen. Maar het biedt tegelijk ook hoop, omdat de vertelling waarin die ongelofelijke boodschap gegoten is het elixer is voor onsterfelijkheid. Dat kan hij toch maar, Tjalie. Literatuur is niets, leven is alles. Dat was Tjalies literair credo. Om zoiets aan Kousbroek te schrijven is al bijzonder geestig, zeker in de jaren zestig toen voor Kousbroek literatuur alles was. Alsof niet het leven het laatste woord heeft. Uit het fascinerende ultieme verzamelde werk van Tjalie, zijn tijdschrift Tong Tong, dat volgens Nelien Drewes te lezen

Indische Letteren. Jaargang 14

232 is als de kroniek van Tjalies leven,12 lees je met stijgende ontzetting hoe Tjalie het lachen vergaat. Hij was geen boekenmaker meer,13 maar ondernemer. Zijn leven in Nederland bestond uit het op de kaart zetten van de groep waarvan hij deel uitmaakt en hij zette zijn schrijverschap daar voor in. Niet zijn te vroege dood is het ergste, maar dat hij uiteindelijk zijn humor verloor, dat grijpt je naar de keel. Lees de teksten van zijn hand in Tong Tong, kijk naar de keuze die hij maakte uit de enorme aanbod aan kopij waar hij tot zijn dood over kon beschikken en constateer wat er vanaf pakweg 1963 ontbreekt in de kolommen van het blad. Alles over de snel om zich heengrijpende jeugdcultuur, alles over moderne literatuur, politiek, maatschappijkritische, anti-autoritaire, vrouwen-, homo- en andere emancipatiebewegingen, kortom het leven in Nederland vanaf begin jaren zestig. Het is een legitieme reden voor iemand als Kees van Kooten om Tjalie niet te kennen, het was een reden voor nagenoeg de hele Indische tweede generatie. Maar het is niet de ware reden. Lilian Ducelle schreef over de American Tong Tong dat het blad tjemplang was sinds Tjalie weg was. Bladerend door de latere jaargangen van Tjalies eigen Tong Tong moet je constateren dat dit al tjemplang is vóór Tjalie voor eeuwig wegging. Omdat zijn humor eerder dood was dan hij, en zijn schrijverschap niet werkt zonder humor. Samenvattend kunnen we zeggen dat, als we Tjalies humor langs de meetlat leggen van Kees van Kooten, Nederlandse humorist bij uitstek van de laatste drie decennia, Tjalie de toets der kritiek ruimschoots kan doorstaan. Hij is natuurleuk, burgerleuk, geniet van per ongeleuk, kan wonderleuk mooi schrijven en - maar dat weet Van Kooten al helemaal niet - hij heeft begin jaren vijftig al een duister vermoeden van en bijpassende hekel aan het afschuweleuke van het moderne leven. ‘Wat een welvaart’, mompelde Tjalie volgens Lilian Ducelle14 toen hij in 1954 de Kalverstraat inkeek, ‘het zal ze nog eens de das om doen’. Van Kootens opstel Hedonia zet dertig jaar na dato een vet uitroepteken achter die two-liner. En dat vind ik nou leuk. Duidelijk is dat Van Kooten - per ongeleuk - met Tjalie een uitgesproken conservatisme deelt: de opvatting dat het vroeger leuker was, omdat de wereld zelf toen eigenlijk leuker was. En het credo dat het in het leven en in de literatuur niet om literatuur gaat maar om het leven. Humor is daarbij de basisvoorwaarde om het leven te leven, te verkennen, te versieren en om daarover te schrijven. Zo bezien is het toenemende ontbreken van humor bij Tjalie in Tong Tong een aankondiging van diens vroege dood. Het leven zonder humor is immers tjemplang. Wat sneu hé, voor Kees dat hij niet weet wat tjemplang is? Sneu, voor hem ook, ja, dat hij Tjalie niet Kan?

Indische Letteren. Jaargang 14

233

Literatuur Derksen, Ellen. ‘Ik ben nu eenmaal geen boekenmaker’. In: B. Paasman e.a. (red.), Tjalie Robinson, de stem van Indisch Nederland (Den Haag: Stichting Tong Tong, 1994), 25-33. Drewes, Nelien. ‘De geboorte van een Indische vertelling’. De geschiedenis van Indisch tijdschrift Tong Tong 1956-1977 (Amsterdam: Instituut voor Neerlandistiek, 1999). Doctoraalscriptie UvA. Van Kooten, Kees. Hedonia. Een opstel (Amsterdam, 1984). Van Kooten, Kees. ‘De humor van de jaren '70. Is Woody Allen natuurleuk?’ In: Hedonia. Een opstel (Amsterdam, 1984), 148-154. Kousbroek, Rudy. Het Oost-Indisch kampsyndroom. Anathema's 6. (2e dr. Amsterdam, 1992). Mahieu, Vincent. ‘De indringster’. In: Verzameld werk (Amsterdam, 1992), 147-155. Pollmann, Tessel en Ingrid Harms. In Nederland door omstandigheden (Baarn enz., 1987). Robinson, Tjalie. Ik en Bentiet (Den Haag: Tong-Tong, 1976). Robinson, Tjalie (ed.). Je lah je rot. Humor uit het oude Indië. De allerbeste verhalen en moppen uit zes jaargangen van Tong-Tong. (2e dr., Den Haag: Tong Tong International, z.j.). Robinson, Tjalie. Piekerans van een straatslijper. I en II + 10 [opstellen] (Zoveelste druk. Den Haag: Tong Tong, 1966). Robinson, Tjalie. Piekeren in Nederland (Den Haag: Moesson, 1983). Seriese, Edy. ‘Jan Boon: Een Indische jongen aan het werk’. In: B. Paasman e.a. (red.), Tjalie Robinson, de stem van Indisch Nederland (Den Haag: Stichting Tong Tong, 1994), 81-91.

Eindnoten: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Van Kooten 1984, 149. Van Kooten 1984, 15. Kousbroek 1992, 410-413. Van Kooten 1984, 43-45. Derksen 1994, 29-30. Pollmann 1987. Drewes 1999, 39, 41, 52, 54. Drewes 1999, 19 Kousbroek 1992, 108 Mahieu 1992, 147. Seriese 1994, 83. Drewes 1999, 181. Derksen 1994, 25. Robinson 1983, voorwoord.

Indische Letteren. Jaargang 14

Indische Letteren. Jaargang 14

234

A. Alberts, 1990 (foto A. Adriaanssen).

Indische Letteren. Jaargang 14

235

Ernst en humor in het werk van A. Alberts Huub de Jonge De schrijver A. Alberts (1911-1995) heeft een klein, maar groots oeuvre nagelaten.* Het heeft nooit een groot publiek gehad, maar wel een enthousiast onthaal. Over bijna al zijn boeken is in superlatieven geschreven. Zo wordt hij een writers' writer genoemd, een schrijver die vooral door schrijvers wordt geapprecieerd, een rasverteller, een grootmeester in het verzwijgen (‘onze meest zuinige auteur’), een schepper van afstand, maar ook de grootste humorist in de naoorlogse literatuur. Critici vergelijken hem in sommige opzichten met Gogol, Pinter en Modiano. Een van hen noemde hem ooit de Charlie Chaplin van de Nederlandse letteren. In dit artikel wil ik ingaan op de humoristische kenmerken van Alberts' werk, al ben ik me ervan bewust dat er, vooral bij deze schrijver, een zeker gevaar schuilt in het losmaken van deze facetten uit hun context. Er is echter een rechtvaardiging voor. Humor vormt een constante in al zijn geschriften, ondanks het feit dat Alberts zichzelf nooit als een humoristisch schrijver heeft gezien. Een ontleding van zijn specifieke humor draagt, mijns inziens, dan ook bij tot een beter inzicht in de leidmotieven van zijn werk. Humor komt in het hele werk van Alberts voor, zowel in zijn scheppend proza, zijn historische en documentaire geschriften, als in zijn op schrift gestelde herinneringen. De plaats en de functie van humor verschillen echter per genre. In zijn essays illustreert of verlevendigt een humoristische uitdrukking of passage de ontwikkeling van zijn argument. In zijn novellen en korte verhalen is er gewoonlijk sprake van zwaarmoedigheid en een daarmee samenhangende, soms ondraaglijke, spanning die nu en dan door een humoristische ondertoon wordt versterkt of onderuitgehaald. Humor heeft er een onheilspellend of een bevrijdend karakter. In zijn memoires overheerst een luchtige, haast vrolijke toon waarachter zich evenwel voor de goede verstaander voortdurend een ander, om niet te zeggen een somber, geluid bevindt. Deze gelaagdheid komt ook naar voren in zijn ‘Indische werk’, met name in

Indische Letteren. Jaargang 14

236 zijn novellenbundel De eilanden (1952), in zijn terugblik op zijn loopbaan als bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, dat eerst onder de titel Namen noemen (1962) en later onder de titel In en uit het paradijs getild (1974) verscheen, en in zijn essayistische Een kolonie is ook maar een mens (1989) en Twee jaargetijden minder (1992). De eilanden wordt gekenmerkt door wat Robert Anker zeer toepasselijk een ‘ingetogen melancholie’ heeft genoemd, terwijl Namen noemen gekarakteriseerd wordt door een overdreven, soms zelfs geforceerde vrolijkheid.1 Beide uitingsvormen, die ook in zijn essays niet ontbreken, zijn in feite twee kanten van dezelfde medaille. Ze laten zich terugbrengen tot de emoties die zijn verblijf in Indië bij hem opriepen, tot de invloed die Indië op zijn gemoed, zijn neigingen, hartstochten en stemmingen, heeft gehad. Laat ik eens stil staan bij wat nu humoristisch is bij Alberts. Dat zijn zowel de komische situaties die hij beschrijft, de personages waarover hij schrijft, als zijn stijl, zijn toon en zijn dialogen. Vooral in Namen noemen staat de ene kostelijke passage na de andere, meestal rechtstreeks uit de werkelijkheid opgetekend (maar soms ook op de sociëteit gehoord). Alhoewel Alberts zegt geen komische effecten na te jagen, had hij een goed oog voor voorvallen met een komisch karakter. Ze staan evenwel niet op zich zelf, maar zeggen iets over de omgeving waarin hij zich bevond: een oosterse samenleving die door een handvol westerlingen werd bestuurd, een samenleving die hij nauwelijks kende en waar hij het op sommige terreinen, tegen zijn zin meestal, voor het zeggen had. De anekdotes vergemakkelijken het over deze gespleten wereld te praten en te schrijven. Illustratief zijn in dit verband de kleine beleefdheidswedstrijden die hij als aspirant-controleur telkens houdt wanneer hij met de patih of een andere inheemse grote door één deur moet en de een de ander wil laten voorgaan. Ze vormen een speels commentaar op de complexe verhouding tussen de lokale bestuursadel en de Hollandse autoriteiten. Maar niet alleen de alledaagse verhoudingen, ook ingrijpende gebeurtenissen en ontwikkelingen, zoals de opkomst van het nationalisme, de Japanse bezetting, de internering, en de naoorlogse situatie worden op een dergelijke anekdotische manier aan de orde gesteld. Een uitvoerig voorbeeld vormt het verhaal over de vier nonnen die Alberts bij het maken van evacuatieplannen in verband met de dreigende Japanse inval totaal was vergeten. Jullie zullen er wel niet aan hebben gedacht, zei de pastoor. Nee, zei ik. Dat laat zich verstaan, zei de pastoor. Je ziet ze ook nooit, hè? Maar ze zijn er heus. En de bisschop vindt, dat ze weg moeten. Ik dacht, dat jullie er misschien iets aan zouden kunnen doen. Ik zal de zaak onmiddelijk bespreken, zei ik. We zullen er wel wat op vinden. Dat zal best lukken. We zullen ze inpassen. Dat is dan mooi, zei de pastoor. Ik zal wel zeggen als het zover

Indische Letteren. Jaargang 14

237 is. Ik heb ze nog maar niets gezegd. Je moet de mensen niet zenuwachtig maken. Ze moeten zeker alle vier tegelijk, zei ik. Dat wel, zei de pastoor.2 Alberts besluit ze apart met een auto naar Java te laten brengen. Zijn bemoeienissen leidden er uiteindelijk toe dat er op het moment van vertrek van de zusters zes auto's beschikbaar waren. Geen van de lokale notabelen wilde in goedertierenheid voor de ander onderdoen. Toen de auto's allemaal op het erf voor de kerk stonden klom de pastoor op de stoep en zei: Dank u wel. En dan zal ik ze maar eens gaan halen. Hij kwam na een paar minuten terug met de vier, ondanks de omstandighden toch nog wel goedlachse zusters van het Bloedend Hart. Hij bracht ze naar de regent, die een sierlijke buiging maakte. Toen ging iedereen in een kring om hen heen staan en we riepen: Lang zullen ze leven! Toen ze waren ingestapt wilde de chauffeur de regentenstandaard, de kleine gouden pajong, van de motorkap halen, maar de regent zei: Laat maar. Ze reden weg. Ze zwaaiden naar ons en naar een paar Chinese kindertjes, die ook waren komen kijken. En toen zei de havenmeester: Ja, die zijn weg. Daarna zeiden we allemaal een hele tijd niets.3 Over de dreigende oorlogssituatie wordt verder met geen woord gesproken. In deze vermakelijke herinnering is ze evenwel steeds voelbaar en op de achtergrond aanwezig. Ze blijft je ook bij door de ogenschijnlijke alledaagsheid van de gebeurtenis. Ronduit absurdistisch is de scène waarin Alberts de crematie bijwoont van de piloot van een neergestort Japans verkenningsvliegtuig. De vliegenier wordt door inmiddels op Madura gearriveerde Japanse soldaten in een kuil verbrand en Alberts is gedwongen voor het benodigde brandhout te zorgen. Maar het lijk wil maar geen vlam vatten. Terwijl hij in het onzekere verkeert over wat er met hem en zijn collega's gaat gebeuren, ziet hij hoe met bamboestokken in het vuur wordt gewroet. ‘Het was,’ zo schrijft hij, ‘zo langzamerhand het waanzinnige gezicht geworden, dat een vrolijke hel ons zou moeten bieden. We zaten op de treeplank van onze auto, half van de zenuwen en half van echte pret te snikken van het lachen.’4 Ook de personen die in zijn memoires figureren en waar we nooit veel over te horen krijgen wekken de lachlust op, of het nu de patih is die tijdens een bezoek van de gouverneur aan Madura in de vastentijd zijn drankje niet durft door te slikken, de Raad van Indië die na de capitulatie de deur van een winkel openhoudt om Alberts en een kennis met een kinderwagen vol aankopen door te laten, of Hadji Agus Salim

Indische Letteren. Jaargang 14

238 die liedjes van Speenhoff voor Nederlandse soldaten zong. Niet dat Alberts ze belachelijk maakt. Integendeel, het komische zit hem hem juist in het feit dat hij, zoals Hella Haasse heeft gezegd, over al deze mensen met een andere achtergrond of status schrijft alsof ze Jansen en Pietersen heten.5 Het ontbreekt Alberts niet aan ironie. Vooral de ambtenarij neemt hij graag op de hak. Zo gaat hij geen gelegenheid uit de weg om de draak te steken met de gewoonte om de positie van ambtenaren in Indië aan de hand van hun salarisklasse te verduidelijken. Vermakelijk is de passage over een collega die tijdens zijn internering op grond van zijn dienstjaren een bepaalde rang bereikt en er op staat als zodanig bejegend te worden. Maar Alberts is altijd mild in zijn oordeel over anderen. Als hij met iemand de spot drijft, dan is het met zichzelf. Zo schrijft hij naar aanleiding van de aankondiging van onverwachte bezoeken die hij tijdens tournees samen met de regent en de assistentresident aan districtshoofden bracht: ‘Ik ben altijd benieuwd geweest of de oppasser in zo'n geval ook de aspirant-controleur heeft vermeld.’6 Soms treedt hij op als nar of zelfs als anti-held, bijvoorbeeld wanneer hij op eigen houtje het Ministerie van Financiën, het paleis van Daendels, op de Republikeinen terugvordert. Een van Alberts scherpste wapens is ongetwijfeld de understatement. Als geen ander weet hij door minder te zeggen dan hij eigenlijk wil zeggen, meer te zeggen. Zijn werk wemelt van dergelijke de werkelijkheid of waarheid ontwijkende maar tegelijk karakteriserende uitdrukkingen. Laat ik er een paar citeren. Naar aanleiding van een naam die hem ontschoten is: ‘Het is in Indië altijd moeilijk geweest de namen te onthouden van mensen, die niet in de Regeringsalmanak stonden.’7 Over zijn kamptijd: ‘Overigens is een kamp van tienduizend mensen niet aan te bevelen. Om maar iets te noemen: het is er te vol.8 En: ‘We hadden geleefd in een wereld, waarbinnen we [...] regelmatig werden overgeplaatst. Dat gebeurde nu ook, maar met een veel grotere frequentie’.9 Al deze geestige kwaliteiten worden versterkt door Alberts' wijze van uitdrukken en zijn taalgebruik. Kenners hebben zijn stijl gekarakteriseerd met uiteenlopende, maar niet ver uiteenliggende termen, als kaal, simpel, droog, koel, leeg, sober, eenvoudig, bescheiden, karig, zuinig, spaarzaam afstandelijk, gereserveerd, luchtig, achteloos en laconiek. Volgens Fens is er sprake van een falikante tegenstelling tussen de gebezigde taal en de beschreven gebeurtenissen en gevoelens.10 Wat het ook zij, juist het aanwenden van een dergelijke schrijfwijze bij het verslaan van alledaagse zaken (die nota bene voor iets belangrijkers staan), werkt op onze lachspieren. Een hoofdstuk apart vormen de veelal tragikomische dialogen in Alberts novellen en verhalen. Het is alsof ze gevoerd worden door personen die elkaar niet verstaan, die langs elkaar heen praten. Elke

Indische Letteren. Jaargang 14

239 communicatie met anderen verloopt onhandig. Voorbeelden te over. In ‘Groen’ ontwijkt de ikfiguur zijn collega Peereboom, die twee dagen lopen van hem vandaan woont en naar gezelschap snakt, zoveel mogelijk. In ‘Het moeras’ voert hij een nietszeggend, maar daardoor veelzeggend, tafelgesprek met Naman en de niet lijfelijk aanwezige Maria. ‘Er was,’ zo staat er, ‘in het dorp niemand om mee te praten en daarom woonde Naman op een eiland in een moeras, waar helemaal niemand was om mee te praten, waar hij helemaal niemand zag. Misschien was dat nog niet eens zo gek. Misschien was het minder erg om alleen te zijn, dan te wonen in een dorp, waar niemand was om mee te praten.’11 Veelzeggend zijn ook de conversaties die Europese en inheemse bestuursambtenaren op tournee of op hun standplaats met elkaar voeren. ‘Het onbekende eiland’ draait helemaal om het elkaar niet verstaan. Het effect van deze ‘lege’ gesprekken wordt nog verstrekt door de herhalingen, die ze een ritueel karakter geven. De patih begon te praten. Hij zei iets tegen de vorst en de vorst gaf antwoord. De patih zei: De plukkers zijn al weer anderhalve maand weg. De assistent-resident zei: Vraagt u hem eens, of de oogst goed is geweest. De patih zei iets tegen de vorst en de vorst wenkte de bediende en de bediende zei iets tegen de vorst en de vorst iets tegen de patih en de patih zei: De oogst was goed. Goed, zei de assistent-resident en hij knikte tegen de vorst, die terugknikte.12 De vrolijke boventoon in Alberts' prozaïsche memoires en de zwaarmoedige boventoon in zijn fictieve werk zijn terug te voeren op dezelfde ervaringen en gevoelens. Ze drukken beide de vervreemding, de verlatenheid, de eenzaamheid, de nutteloosheid en overbodigheid van de ikfiguur uit in een niet altijd onvriendelijke, maar onbekende, mysterieuze en somtijds bedreigende omgeving. Terwijl de een het angstaanjagende accentueert, ligt bij de ander de nadruk op het lachwekkende. Maar de ondertoon, of wat Hermans toepasselijk het ‘ultrageluid’ heeft genoemd is dezelfde.13 Alberts toont ons de misplaatstheid van de Europeaan in Indië op een zowel komische als tragische manier of, zoals Kelk bij de zestigste verjaardag van de schrijver schreef ‘het verloren lopen van Europese gevoelens, begrippen en voorstellingen in het groene, hete, onherbergzame eilandenrijk.’14

Indische Letteren. Jaargang 14

240

Literatuur Alberts, A. De eilanden (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1952). Alberts, A. Namen noemen. Zo maar wat ongewone en openhartige herinneringen aan het leven in het verloren paradijs, dat Nederlands-Indië heette, 1939-1947. (Amsterdam: H.J. Paris, 1962). Alberts, A. In en uit het paradijs getild (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1974). Alberts, A. Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1986). Alberts, A. Een kolonie is ook maar een mens (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1989). Alberts, A. Twee jaargetijden minder (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1992). Anker, R. ‘Wijkend centrum. Over de romans en verhalen van A. Alberts’. In: Een kennismaking met A. Alberts (Amsterdam, G.A. van Oorschot), 6-18. Haasse, H. ‘Tussen de regels. Over het “Indische” proza van A. Alberts’. In: Bzzlletin 11 (1983), nr. 106, 33-36. Nieuwenhuys, R. Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden (2e dr. Amsterdam, Querido, 1973).

Eindnoten: * 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Voor commentaar op een eerdere versie van dit artikel dank ik Liesbeth Dolk. Zie Anker 1992, 6. Alberts 1962, 116-117. Alberts 1962, 120-121. Alberts 1962, 137. Haasse 1983, 34. Alberts 1962, 50. Alberts 1962, 12. Alberts 1962, 149. Alberts 1986, 115. K. Fens in De Tijd/Maasbode van 8 oktober 1962. Alberts 1952, 76. Alberts 1962, 65-66. Geciteerd in Nieuwenhuys 1973, 508. C.J. Kelk in De Groene Amsterdammer van 25 september 1971.

Indische Letteren. Jaargang 14

241

De klamboe van F. Springer Schijn en wezen in de verhalen van een betrokken observator Liesbeth Dolk Voor Cee Jee In september 1945 werd het mannenkamp in Bandoeng bevrijd waar ook Carel Jan Schneider, dertien jaar oud, opgesloten was geweest.* ‘Bevrijd’ is hier niet helemaal het woord, want Indonesische ploppers (zoals ze toen door de Hollanders werden genoemd) trokken rovend en moordend rond. Men raadde iedereen dan ook aan voorlopig in het kamp te blijven. In Tabee, New York, een roman uit 1974, beschrijft Schneiders literaire alter ego F. Springer een bezoek van een Hollandse officier (die de hele oorlogstijd hoog en droog in Australië had gezeten) aan dat pas ‘bevrijde’ kamp vol hongerlijdende naaktlopers. Een groots evenement was het bezoek aan ons kamp van een bruinverbrande Hollandse officier in scherp gestreken kaki, vergezeld van twee meisjes, ook in kaki, met rode lippen en bivakmutsjes kek op de krullen. De officier sprak namens de geallieerde strijdkrachten en vertelde aan een barak vol ademloze, in Japanse schaamlappen gehulde hongerlijders, dat hij net uit Australië was aangekomen en ons adviseerde, vanwege de chaotische toestand op Java, nog even in de kampen te blijven. Voor onze bestwil. Buiten het kamp was het nog onveilig, maar ons eigen leger was onderweg om de orde te herstellen en dan zou het trotse Nederlands-Indië weer herrijzen zoals het moederland eerder dat jaar had gedaan. ‘Je doet maar kolonel’, riep iemand, ‘als je die twee lekkertjes maar hier laat!’ De meisjes lachten het hardst van iedereen en er werd gefloten en gebruld toen een van haar royaal een kushandje de barak in wierp. Ze bleven maar kort. De kolonel zei nog dat er spoedig beter voedsel en medicamenten zouden komen, dus als je daarvan wou profiteren moest je niet het kamp uitgaan, maar wachten op betere tijden, hoe begrijpelijk je ongeduld ook was. ‘Tot ziens en cheerio!’ riep hij vrolijk. ‘Cheerio!’ brulden wij allemaal.1

Indische Letteren. Jaargang 14

242

A. Alberts en F. Springer bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Alberts. Den Haag, 22 mei 1995.

Indische Letteren. Jaargang 14

243 Wat Springer hier zegt, is in schril contrast met de werkelijke betekenis van de situatie. Een door en door gezonde, goedgeklede officier en twee fris gelipstickte vrouwen - hoe lang hadden de mannen geen vrouwen gezien - komen het kamp bezoeken. De scharminkels in de barakken, drieëneenhalf jaar van de wereld afgesloten geweest, en dankzij een plotselinge aanvoer van eten en medicamenten ternauwernood opgeknapt van hongeroedeem en dysenterie, aanschouwen deze drie opgewekte nieuwkomers als buitenaardse wezens. De kloof tussen de ene en de andere wereld is te groot, het is in feite een dieptragische, en tegelijkertijd absurde situatie. De lezer ervaart de situatie ook als zodanig, omdat Springer de twee werelden sterk contrasterend tegenover elkaar zet: de gewichtig sprekende officier in scherp gesneden kaki, die het heeft over onze bestwil en het trotse Nederlands-Indië, en zijn twee opgewekte kaki-meisjes, bivakmutsjes kek op de krullen, tegenover ademloos kijkende hongerlijders in barakken. De mannen krijgen niet lang de gelegenheid dit adembenemende tafereel in zich op te nemen, want de officier en zijn vrouwschappen hebben het kennelijk erg druk: Ze bleven maar kort. Contrasterend met de formele stijl van de officier is het totaal andere register waarin een van de kampbewoners zich onbekommerd laat gaan - onveiligheid, chaos, orde herstellen, het zal hem een rotzorg zijn na drieëneenhalfjaar gevangenschap: Je doet maar kolonel, als je die twee lekkertjes maar hier laat! Schijn en wezen in een dubbele beweging: een gevoelige gebeurtenis wordt geridiculiseerd, een tragisch voorval krijgt een komische ondertoon. De intensiteit van de gevoelens achter het vertelde (de tragiek, de absurditeit), wordt daardoor versterkt en de kloof tussen schijn en werkelijkheid zichtbaar gemaakt. Springer is een meester in het bereiken van een dergelijk effect, vanaf zijn debuut Bericht uit Hollandia uit 1962 tot aan zijn meest recente werk Kandy uit 1998. Hoe bereikt hij dat effect? Het zit 'm in de toon. Springers boeken vormen geen sombere literatuur, we schieten er bij in de lach. Desondanks is er geen sprake van ‘humor’ in de gebruikelijke betekenis van het woord. ‘Ironie’ misschien, maar aan dat begrip kleeft nog te veel de associatie met gekwetstheid, teleurstelling, bitterheid. Het ligt subtieler, maar de toon laat zich niet gemakkelijk karakteriseren. Laat ik in dit verband proberen enkele constanten aan te wijzen in Springers beschrijvingen van de werkelijkheid.

Observaties van de werkelijkheid De Wereld volgens Carel Jan Schneider is geen aards paradijs, er vertoeven is geen pretje, maar we hebben weinig keus. Die constatering maakt niet vrolijk. Bij het omzetten van zo'n Wahrheit in Dichtung liggen melodrama, sentimentaliteit en kitsch voortdurend op de loer. Door de schrijfhouding van zijn alter ego F. Springer wordt de tragiek van een

Indische Letteren. Jaargang 14

244 situatie echter direct onderuit gehaald en daarmee voor de lezer ‘aanvaardbaar’ gemaakt. Het Grote Leed der aarde wordt teruggebracht tot klein leed, tot menselijke proporties, waarmee we ons als lezer beter kunnen identificeren en waardoor de impact vele malen groter is. Een dramatische situatie wordt ons voorgeschoteld als een scène uit een bijna kneuterig toneelstukje. De dramatiek krijgt daardoor een zetje, en valse sentimenten worden zo buiten de deur gehouden. Het geciteerde fragment uit Tabee, New York is daar een voorbeeld van. De werkelijkheid is bizar, absurd, als je daar tenminste oog voor hebt. Voor Springer ligt de humor op straat, zijn vlijmscherp oog registreert het krankzinnige van schijnbaar ‘gewone’ situaties (en hier zien we een overeenkomst met het werk van Alberts). Maar ook de daarin rondlopende personages kunnen, zonder dat zij zich dat bewust zijn, lachwekkend zijn. ‘Wie lacht niet, die de mens beziet’, hoor je de auteur denken terwijl hij de blaaskaken, fantasten en druktemakers op onnavolgbare Springer-toon bij de lezer introduceert. In Springers beschrijvingen worden het groteske en potsierlijke in een situatie of personage geaccentueerd doordat een en ander juist in een relativerende huistuin-en-keukenstijl, losjes, bijna terloops, tongue in cheek aan de lezer gepresenteerd wordt. Een voorbeeld. Het personage Veule uit het verhaal ‘Zaken Overzee’, is een van de kandidaten voor het ambt van bestuursambtenaar bij het Gouvernement van Nederlands Nieuw-Guinea. Met andere toekomstige aspirant-controleurs, zoals de steeds ruziënde Berends en Voerman, volgt Veule een opleiding van drie maanden aan het Tropeninstituut in Amsterdam. Hij wordt door Springer in ‘Zaken Overzee’ beschreven als een nerveuze Nijmegenaar, met een zeer zachte g, al kalend en met een dikke bril, die uiterst consciëntieus zijn Maleise woordjes leerde, maar na zes weken nog altijd ‘trika masi’ zei in plaats van ‘trima kasi’. In zijn schutterigheid viel hij ook vaak over drempels. Als het bijzonder heet toeging tussen Voerman en Berends, stootte Veule in zijn zenuwen koffiekopjes van de tafel of verslikte zich zo in zijn soep dat de vermicelli aan zijn bril hing.2 Eenmaal in functie (en ik gebruik hier Springers formuleringen) levert Veule door zijn stuntelig-gewichtige manier van optreden al heel snel ‘stof voor prachtige dijenkletsers aan de roddeltafels van heel Nieuw-Guinea’. Veule, zeer vervuld van zijn taak bij de openlegging en opbouw van Nieuw-Guinea, wordt tot 1961 in hoog tempo overgeplaatst naar oorden waar zelfs voor Nieuw-Guinea-begrippen nooit iets gebeurt. Ten slotte mag hij, ter vervanging van een zieke collega, en omdat er werkelijk niemand anders meer is, het bestuur over de onderafdeling Steenkool op zich nemen. Daar gaat hij met krankzinnige ijver aan het

Indische Letteren. Jaargang 14

245 werk voor volstrekt doelloze ondernemingen: hij bouwt een steiger op een plaats waar al drie jaar geen schepen meer gezien waren en ook niet verwacht worden, hij legt een nieuwe weg aan die nergens heen leidt en waarop ook niemand loopt, want de Papoea's hebben nu eenmaal hun eigen paden. Alles wat hij onderneemt is volstrekt overbodig, maar Veule blijft heilig geloven in wat hij doet. De resident schrijft aan controleur Veule dat hij in godsnaam geen - herhaal geen - initiatieven meer moet ontwikkelen in de onderafdeling, want dat zou maar valse verwachtingen wekken bij de dungezaaide bevolking en het was nu eenmaal zo dat Hollandia er ernstig over dacht de hele post maar op te heffen. Op een regenachtige augustusdag in 1962, ‘weg Nieuw-Guinea, weg Papoea's’, vinden we Veule en enkele ex-collega's, waaronder landbouwambtenaar Felders, terug in een Chinees restaurant in Den Haag. Wij prikten zonder veel eetlust in onze bami. Alleen Veule liet het zich goed smaken. Ik vroeg hem, of hij het ook niet allemaal even beroerd vond: daar zaten we nou. Hij keek mij verbaasd aan. ‘Je ziet het verkeerd. Springer. Al hebben we Nieuw-Guinea niet meer, toch hebben we gewonnen.’ ‘Wat zeg je nou, Veule’ riep Felders lachend. ‘We hebben het zaad van geloof, arbeidszin en leergierigheid in de harten van onze vrienden, de Papoea's, gezaaid en eens zullen zij oogsten’. Nu moesten wij allemaal lachen, maar hij bleef ernstig.3 Een beetje sneu, die Veule, denkt de lezer, een doodgoeie, blijmoedige sta-in-de-weg die overal min of meer gedoogd wordt, licht belachelijk ook wel in zijn rotsvast geloof. In de beschrijving van dit personage zitten duidelijke slapstick-elementen (het struikelen over drempels, de vermicelli aan Veules bril), maar ook zijn er de nodige understatements en overdrijvingen.

Zelfspot Springer laat ons glimlachen om anderen, maar spaart (net als Alberts) in zijn verhalen ook de verteller niet, de ogenschijnlijk koele waarnemer. Met hem wordt de spot gedreven door eigen onervarenheid en ultieme onhandigheid op belangrijke momenten genadeloos aan de kaak te stellen. Zoals in de roman Bougainville, waar de ikverteller, Chargé d'Affaires of the Netherlands, koud aangekomen in zijn hotel in Dacca, Bangladesh, telefonisch wordt verzocht zo spoedig mogelijk een baggerzuiger, ‘tweehonderd ton of daaromtrent’, geschenk van Nederland aan het volk van Bangladesh, in ontvangst te komen nemen.

Indische Letteren. Jaargang 14

246 Alles, dacht ik, alles wil ik doen om dit volk in nood te helpen (wie ben ik dat ik màg helpen?), maar dit kunnen ze toch niet van mij verwachten, van mij, de onhandigste lul ter wereld, met één koffertje in dit land gearriveerd, met mijn rijkstik-machine op de kaptafel in kamer 702.4 In Tabee, New York straft Rudy - de ikverteller - zijn eigen pseudogewichtigheid af. Rudy is de jongste ambtenaar aan het consulaat-generaal in New York in de jaren zeventig. ‘Een niet te onderschatten onderdeel van de consulaire taak’ van deze jongeman is het bezoeken van vaderlandse feestavonden. Mijn eerste opdracht van dit soort was het bijwonen van een ‘Testimonial Dinner in Honour of Fred Vissers from Zierikzee Who Made Bowling Big in Pratt Falls, Pennsylvania’. Het was een barre tocht met de bus, door ijzig weer in november. Ereplaats naast Fred, met aan mijn andere zijde de burgemeester van Pratt Falls. Als derde spreker aangekondigd. Wat moet je zeggen? Die avond, met debutantenzenuwen, natuurlijk veel te hoogdravend. Wat een zegen dat er nog ‘guys like Fred Vissers’ zijn in deze wereld, die vandaag de dag, als je de krant las, slechts op oorlog en honger leek te draaien. Ging men maar bowlen bij Fred Vissers in plaats van vechten in Vietnam! Lang applaus en handenpompen met Fred en de burgemeester onder flitsende cameralampen. Drie dagen later kreeg ik van Fred de Pratt Falls Examiner toegestuurd, foto's en verslag van het festijn op de voorpagina. De kop luidde: ‘Dutch Consul calls for end of fighting in Vietnam and unity of human race.’ Alleen mijn secretaresse heb ik het laten lezen. Ze zei, dat ik niet bang hoefde te zijn dat de heren aan het Plein in Den Haag dit nummer van de Pratt Falls Examiner ooit onder ogen zouden krijgen.5 Zelfspot is er over wat de ikfiguur allemaal niet kan en allemaal niet is, maar ook is er een intense verwondering, een opperste verbazing dat juist híj, ‘de onhandigste lul ter wereld’ er wel mooi met z'n neus bovenop staat wanneer ergens op deze aarde geschiedenis geschreven wordt: Nederlands-Indië toen dat Indonesië werd, Nieuw-Guinea net voordat het door Indonesië werd bezet, Bangladesh vlak na zijn bloedig ontstaan, Angola na de onafhankelijkheid, Iran tijdens de machtsovername door fundamentalistische moslims. Het lijkt inderdaad een ironisch toeval. In alle gevallen gaat het hier om landen die een plotselinge, ingrijpende verandering doormaken en verdomd, Springer is er telkens bij. In paleontologische kringen, schrijft de bioloog Tijs Goldschmidt in De Gids, spreekt men in het geval van een sprongsgewijze evolutie van een punctuated equilibrium, een fase van verstoord evenwicht. Gold-

Indische Letteren. Jaargang 14

247 schmidt noemt Springer in dit verband een punctuated equilibrium hopper, iemand die springt van het ene naar het andere uit het lood geslagen land.6

Betrokkenheid Als bestuursambtenaar en diplomaat hopte Carel Jan Schneider om de zoveel jaar van het ene verstoorde evenwicht naar het andere. Zijn alter ego F. Springer verwerkte deze ervaringen in verhalen, novellen en romans. ‘Verwerken’ is hier gebruikt in de dubbele betekenis, want schrijven was en is voor Schneider niet zelden een therapie om te ‘vluchten uit de rotzooi van alledag’. Spot, zelfspot, relativeren, desnoods ‘jezelf bijna wegrelativeren’,7 het zijn middelen die Springer als een klamboe om zijn verhalen drapeert ter bescherming tegen een te grote emotionele betrokkenheid. Achter dat waas van tule blijft de betrokkenheid wel altijd zichtbaar aanwezig. Springer is een outsider die geen outsider is: tragische, absurde situaties mogen dan relativerend beschreven en personages lachwekkend ten tonele gevoerd worden, het mededogen, de innerlijke betrokkenheid van de schrijver is nooit afwezig. Zo heeft Veule, de doodserieuze, in feite volstrekt belachelijke gouvernementsambtenaar uit ‘Zaken Overzee’, alle ironie ten spijt, de volledige sympathie van de ikverteller, die in het verhaal ook steeds, medelevend, contact houdt met dit personage. Ik zou Springers toon dan ook eerder als een van ‘milde spot’ dan als ‘ironisch’ willen karakteriseren.

Bandoeng-Bandung en Kandy Spot, zelfspot, relativeren, het lijken probate middelen om het gevoel te temperen. Toch bieden zij niet in alle gevallen afdoende bescherming. Sommige onderwerpen laten zich blijkbaar niet op die manier beschrijven, misschien wel omdat ze de auteur te na aan het hart liggen. Het komt mij voor dat Springer in zijn latere werk, met name Bandoeng-Bandung en Kandy, vaker zonder een gordijn van gaas, en dus kwetsbaar, de strijd met de werkelijkheid aangaat. Het schuldgevoel van de hoofdpersoon Chris Regensberg tegenover een vlak na de oorlog in de steek gelaten Indisch klasgenootje Otto wordt in Bandoeng-Bandung bladzijden lang indringend en zonder ironie beschreven. Zelfs het ouderwets-onberispelijke Nederlands waarvan Si Otje zich ruim veertig jaar later nog steeds bedient, ontroert de lezer eerder dan dat hij er bij in de lach schiet. In Kandy, Springers meest recente roman uit 1998, hervindt de hoofdpersoon Fergus Steyn in de laatste vijftien bladzijden een verloren gewaande jeugdliefde. Pinkie heet ze. De toon is teder, er wordt niks gerelativeerd.8 Tijdens de finale ontmoeting in Pinkies Londense flat wordt er zelfs gehuild, en de literaire persmuskieten verschilden van

Indische Letteren. Jaargang 14

248 mening of deze laatste bladzijden nou net ‘op het randje’ waren, of juist wondermooi geschreven. Ik vind ze wondermooi, vol weemoed en verlangen naar de onbereikbare geliefde. De laatste zin luidt: Pinkie, Pinkie, riep hij, wilde hij roepen, maar hij riep het niet, en terwijl de lift naar beneden zweefde, wist Steyn dat de weemoed die hij nu voelde, hem nooit meer zou verlaten.9 Springer blijft mij overtuigen, ook als hij de klamboe wijd voor ons openslaat.

Eindnoten: * 1 2 3 4 5 6

Met dank aan H. de Jonge voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel. F. Springer, Tabee, New York (Amsterdam: Querido, 1994), 81-82. F. Springer, ‘Zaken Overzee’. In: Zaken Overzee (Amsterdam: Querido, 1987), 49. Idem, 114-115. F. Springer, Bougainville (Amsterdam: Querido, 1982), 27. Springer 1994, 9. Tijs Goldschmidt, ‘Estafette. F. Springer en de diplomatieke schil van het personage’. In: De Gids, februari 1999, 152-155. 7 Springer 1982, 74. 8 Enige afstand creëert Springer overigens wel: in tegenstelling tot de meeste van zijn verhalen en romans waar de verteller een ‘ik’ is, zijn Bandoeng-Bandung en Kandy geschreven vanuit een personale vertelsituatie, een ‘hijverteller’. 9 F. Springer, Kandy (Amsterdam: Querido, 1998), 155.

Indische Letteren. Jaargang 14

Loading...

PDF van tekst - Dbnl

Indische Letteren. Jaargang 14 bron Indische Letteren. Jaargang 14. Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, Alphen aan den Rijn 1999 Zie voor ver...

6MB Sizes 0 Downloads 0 Views

Recommend Documents

PDF van tekst - Dbnl
problems and my understanding of the nature of these problems may well be different from the understanding or the approa

PDF van tekst - Dbnl
Het slagen van onderzoek hangt in hoge mate af van de medewerking en vooral van de medewerkers van ..... bellas artes, e

PDF van tekst - Dbnl
ROGGEMAN, Willem M. Gesprek met Roger Wittewrongel. 'Mijn realiteit bestaat alleen op papier', 1, pp. 17-29 - Met ill.,

PDF van tekst - Dbnl
daarbij geleid door hun negatief fototropisme. [Mel.] 56) Die - lees: waarvan. 57) En verbeelde een regt maaksel van een

PDF van tekst - Dbnl
akar wangi e b e a r d g r a s s r o o t , g i n g e r g r a s s r o o t , k h u s k h u s g r a s s . f r a c i n e d e

Download PDF van tekst - Dbnl
Hoe het grote aantal edities van Anansitori's te rubriceren? Gert Oostindie merkt op dat geen van de hedendaagse Surinaa

Van Gogh Museum Journal 1999 - Dbnl
of Zola's Au bonheur des dames, a work that excited a visual, if even more eccentric, response from Degas ..... It was a

Puni tekst: hrvatski, pdf
Smanjenje naselja uvjetovano je pove}anim brojem vrste Bittum reticula- tum i pove}anjem temperature mora, no najve}i ut

DUTCi-IENGLISH - ENGLISH-DUTCH DICTI NARY CJ VAN RIJN - Dbnl
Hakkelen t stammer, stutter. Hakkelartj, stammering . Hakken, t ch , hew, hash, mince ; in de an -, t cut t ieces. liakk

Sonety Krymskie Tekst Pdf Download | Pearltrees
Nov 24, 2017 - Sonety Krymskie Tekst Pdf Download ->>->>->> DOWNLOAD bcfaf6891f types of market structures in economics