Toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het - NICC

Loading...
Direction Opérationnelle de Criminologie Operationele Directie Criminologie

[email protected] J

riminologie

Collection des rapports et notes de recherche / Collectie van onderzoeksrapporten & onderzoeksnota’s n° 23

ust.

« Toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis »

~ “Possibilités d’application de la surveillance

électronique dans le cadre de la détention préventive”

Onderzoeksrapport

Rapport de recherche (1 maart – 31 december 2009)

Promotor/Promoteur:

Literatuuranalyse - kwalitatief onderzoek:

Eric MAES

Analyse de littérature - recherche qualitative:

Caroline DE MAN (F) Rosamunde VAN BRAKEL (N) Kwantitatieve analyses:

Analyses quantitatives:

Eric MAES (N) Benjamin MINE (F)

Institut National de Criminalistique et de Criminologie Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie

Inhoudstafel – Table des matières

Voorwoord Préface

Hoofdstuk 1 - Situatieschets binnen- en buitenland Chapitre 1 - La situation en Belgique et à l’étranger INLEIDING

5

Afdeling I – Nederland (Section I – Pays-Bas)

1 2

HISTORIEK VOORZIENE REGELGEVING

2.1 2.2 2.3 3 4 5

Algemeen wetgevend kader Contra-indicaties en randvoorwaarden Procedure en betrokken actoren

INHOUDELIJKE INVULLING VAN HET ELEKTRONISCH TOEZICHT TOEGEPASTE TECHNOLOGISCHE CONTROLEMIDDELEN ENKELE ANDERE JURIDISCHE EN PRAKTISCHE SCHIKKINGEN

11 15

15 17 19 20 22 23

Afdeling II – Frankrijk (Section II – France)

1 COURTE CONTEXTUALISATION ET HISTORIQUE DE L’APPLICATION (GÉNÉRALE) DE LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE 27 2 RÉGLEMENTATION 32

2.1 Le cadre général de la détention provisoire 32 2.2 Exceptions et contre-indications 34 2.3 Instances de décision 35 2.4 Procédure (avant la mise en place de la surveillance électronique) 36 2.5 Contenu de la surveillance électronique (Assignation à résidence, cumulée à d’autres conditions, contrôle de conditions déterminées) 37 2.6 Moyens de contrôle 38

INHOUDSTAFEL TABLE DES MATIÈRES 2.7 Durée de la surveillance électronique, prolongement, modification, et terme 2.8 Organisation du contrôle et des rapportages dans le cadre du suivi 2.9 Indemnisation en cas de détention inopérante 2.10 Imputabilité sur l’éventuelle peine (d’emprisonnement) définitive 2.11 Chiffres et commentaires quant à l’application des mesures sous surveillance électronique

39 41 41 42 42

Afdeling III – Engeland en Wales (Section II – Angleterre et Pays de Galles)

1 2

HISTORIEK VOORZIENE REGELGEVING

2.1 2.2 2.3

3 4 5 6

45 49

Wettelijke basis en algemene principes Uitsluitingen of tegenindicaties Procedure, betrokken actoren en invulling elektronisch toezicht 2.3.1 Rechtbank 2.3.2 Gevangenis (Home Detention Curfew)

49 53 53 53 55

CONTROLEMIDDELEN (TECHNOLOGIE) 56 ENKELE ANDERE JURIDISCHE EN PRAKTISCHE SCHIKKINGEN 57 CIJFERS MET BETREKKING TOT DE TOEPASSING VAN ELEKTRONISCH TOEZICHT 58 EEN AANTAL OBSERVATIES I.V.M. DE PUBLIEK-PRIVATE SAMENWERKING 62

Afdeling IV – Elektronisch toezicht in nog andere landen en kritieken ten aanzien van het elektronisch toezicht (Section IV – La surveillance électronique dans d'autres pays et critiques)

1 2

LA SITUATION DANS D’AUTRES PAYS CRITIQUES

71 74

2.1

Les objectifs 2.1.1 La gestion interne 2.1.2 La productivité 2.1.3 L’efficience 2.2 Les effets de l’application de l’assignation à résidence 2.2.1 Le net-widening 2.2.2 L’isolement social 2.2.3 La vie privée 2.2.4 Justice de classe 2.3 La technologie mobilisée 2.3.1 Le dispositif au quotidien 2.3.2 La technologie face à elle-même 2.3.3 Technologie et garanties juridiques 3 TROIS CAS DE REFUS D’INTÉGRER L’ASSIGNATION À RÉSIDENCE SOUS SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE

II

75 75 76 77 78 78 79 80 81 82 82 83 84 85

INHOUDSTAFEL TABLE DES MATIÈRES Afdeling V – Elektronisch toezicht in België (Section V – La surveillance électronique en Belgique)

1 DE TOEPASSING VAN HET ELEKTRONISCH TOEZICHT IN HET KADER VAN DE STRAFUITVOERING

1.1 1.2

Historiek en actuele regeling Enkele recente cijfergegevens en gesignaleerde knelpunten

89

89 92

2 PROPOSITIONS DE LOI EN BELGIQUE : DE L’ASSIGNATION À RÉSIDENCE À LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS LE CADRE DE LA DÉTENTION PRÉVENTIVE 96

Hoofdstuk 2 – Actoren aan het woord Chapitre 2 - La parole aux acteurs INTRODUCTION

103

Méthodologie appliquée et choix des interlocuteurs Critères de sélection des arrondissements judiciaires

104 105

Afdeling I – Rondetafelgesprekken met enkele actoren (Section I – Tables rondes avec quelques acteurs)

1 2

METHODOLOGIE RONDETAFELGESPREKKEN NEDERLANDSTALIGE RONDETAFELGESPREK

107 111

2.1

Casuïstiek 111 2.1.1 Voorstelling van de casussen 111 2.1.2 Andere thema’s ter sprake gebracht tijdens de casusbespreking 115 2.2 Debat met betrekking tot geselecteerde topics 119 2.2.1 Noodzakelijke informatie in functie van voorlichting met betrekking tot de mogelijkheid tot elektronisch toezicht en termijnen 119 2.2.2 Vereiste van toestemming van de betrokkene en huisgenoten 124 2.2.3 Termijn waaronder ondertoezichtstelling dient plaats te vinden 125 2.2.4 De inhoudelijke invulling van het elektronisch toezicht (modellen van elektronisch toezicht) 127 2.2.5 (Maximum)duur van het elektronisch toezicht en regeling in verband met verlenging of opheffing van de maatregel 128 2.2.6 Organisatie van de controle en rapportage bij niet-naleving van het uurrooster of de ET-voorwaarden 130 2.2.7 Schadevergoeding ingeval van onwerkdadige hechtenis en aftrek van de duur van het elektronisch toezicht op de duur van de uiteindelijk uitgesproken vrijheidsstraf 132 2.2.8 De betekenis en waarde van de European Supervision Order (Kaderbesluit) 133 3

TABLE RONDE FRANCOPHONE

3.1

135

Les casus 3.1.1 Présentation des casus 3.1.2 Discussions sur les casus

135 135 143

III

INHOUDSTAFEL TABLE DES MATIÈRES 3.2

Discussions autour de certains thématiques d’opérationalisation pratique et juridique 3.2.1 Information 3.2.2 Accord 3.2.3 Délai 3.2.4 Concrétisation 3.2.5 Durée 3.2.6 Contrôle et rapportage 3.2.7 Indemnisation - Imputabilité 3.2.8 European Supervision Order

148 148 148 150 153 156 161 163 164

Afdeling II – Screening van gerechtelijke dossiers (Section II – Examen de dossiers judiciaires)

1

MÉTHODOLOGIE SCREENING

1.1 1.2

2

167

Contenu des fiches d’informations Échantillonnage des dossiers judiciaires 1.2.1 Échantillonnage des dossiers judiciaires francophones 1.2.2 Staal onderzochte Nederlandstalige gerechtelijke dossiers 1.2.3 Échantillon

VOORSTELLING VAN DE RESULTATEN

167 169 169 170 172 167

2.1 Analyse des dossiers issus des entretiens menés auprès des magistrats francophones des arrondissements de Bruxelles et Liège 172 2.2 Compte rendu de la prise de « pouls » de la magistrature (volet francophone) 180 2.3 Analyse van de dossiers gescreend bij de Nederlandstalige magistraten van de arrondissementen Brussel en Antwerpen 181 2.4 Enkele commentaren van magistraten naar aanleiding van de screening van dossiers (Nederlandstalig luik) 189

Hoofdstuk 3 – Voorlopige hechtenis in beeld (jaar 2008) Chapitre 3 - La détention préventive en chiffres (année 2008) 1

SITUERING EN INITIËLE VRAAGSTELLING

193

1.1 Belang van het kwantitatief onderzoek naar de toepassing van de voorlopige hechtenis in 2008 193 1.2 Initiële vragen 193 1.3 Aangewezen en gehanteerde gegevensbronnen en data 194 2

OPZET VAN HET KWANTITATIEVE ONDERZOEKSLUIK

2.1 2.2 2.3

Omschrijving van de gevraagde extractie (2008) Structuur aangeleverd databestand (jaar 2008) Keuze van teleenheid

3 FASERING VAN EN METHODOLOGISCHE KANTTEKENINGEN BIJ HET KWANTITATIEVE ONDERZOEKSLUIK 4 PRESENTATIE VAN DE BELANGRIJKSTE RESULTATEN

4.1

Socio-biografisch profiel (jaar 2008) 4.1.1 Geslacht

194

194 196 196 197 203

203 205

IV

INHOUDSTAFEL TABLE DES MATIÈRES 4.1.2 Leeftijd 205 4.1.3 Nationaliteit 207 4.2 Delictkenmerken, en straf(proces)rechtelijke en penitentiaire indicatoren 209 4.2.1 Wettelijke toestand, jaar van opsluiting en verdeling van de mandaten naar maand 209 4.2.2 Gevangenis 211 4.2.3 Gerechtelijk arrondissement 212 4.2.4 Misdrijfgegevens 215 4.3 De duur van de voorlopige hechtenis (jaar 2008) 224 4.4 Enkele vergelijkingen met de populatie verdachten ‘vrij onder voorwaarden’ 234

Eindconclusies (p. 239-265) Conclusions générales (p. 267-293)

Bibliografie Bibliographie

Bijlagen Annexes

V

Voorwoord – Préface

Voorliggend rapport heeft betrekking op een kortlopend onderzoeksproject dat door het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie in de periode maart - december 2009 werd uitgevoerd naar de “Toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis”1. Dit onderzoek sluit aan bij hetgeen de vroegere minister van Justitie Jo Vandeurzen in zijn beleidsnota verklaarde, nl. dat één van de mogelijkheden om de voorlopige hechtenis te optimaliseren, bestaat in “(…) de aanwending van elektronisch toezicht, de toepassing van moderne technieken als GPSbewaking, als alternatief voor de voorlopige hechtenis.”2 Hoewel de achterliggende motivering voor deze onderzoeksopdracht in bedoelde nota niet als zodanig uitdrukkelijk werd geëxpliciteerd, mag niettemin wel ondubbelzinnig worden gesteld dat het onderzoek tot stand is gekomen binnen de actuele context van penitentiaire inflatie (met overbevolking van de gevangenissen als gevolg), in het bijzonder de sterke vertegenwoordiging van de beklaagden binnen de globale gevangenispopulatie. Terwijl in het kader van het publieke en politieke debat vaak wordt verwezen naar het grote aandeel der beklaagden in de gevangenisbevolking, wordt aan de andere kant toch ook vastgesteld dat eveneens in absolute termen het aantal voorlopige gehechten in onze gevangenissen - ook al lijkt deze populatie de laatste jaren wel opnieuw gestabiliseerd te zijn – de voorbije dertig jaar een hoge vlucht heeft genomen.

In hoofdorde stond in onderhavig onderzoek dan ook de vraag centraal in welke mate het gebruik van de voorlopige hechtenis teruggedrongen kan worden via een eventuele invoering van het elektronisch toezicht als detentievervangende maatregel in het kader van het vooronderzoek in strafzaken. Anders geformuleerd, in welke mate zou het elektronisch toezicht in de plaats zou kunnen treden van actueel in uitvoering zijnde voorlopige hechtenissen (zowel op het vlak van de instroom als naar duur van de voorlopige hechtenis)? Vandaar dat werd onderzocht welk toepassingsbereik het elektronisch toezicht zou kunnen krijgen, mocht het thans als bijkomend alternatief voorhanden zijn; in welke concrete gevallen (naar misdrijfomschrijvingen toe en/of afhankelijk van het profiel van de beklaagdenpopulatie) elektronisch toezicht toegepast zou kunnen worden; welk model of welke vorm van elektronisch toezicht daarbij de 1

Dit onderzoek werd uitgevoerd door Caroline De Man (50%, 1 augustus – 31 december 2009), Eric Maes die tevens optrad als promotor, Benjamin Mine die een aantal punctuele opdrachten voor zijn rekening nam, en Rosamunde Van Brakel (100%, 9 maart – 31 december 2009). 2 Parl. St., Kamer, 2008-2009, nr. 52-1529/016, p. 71 – Algemene beleidsnota van de minister van Justitie.

VOORWOORD

voorkeur zou genieten; en, welke tegenindicaties opgeworpen zouden worden om uiteindelijk toch van het gebruik van elektronisch toezicht af te zien. Het hier gepresenteerde onderzoeksrapport is opgebouwd uit drie grote hoofdstukken, elk geschreven vanuit een specifieke vraagstelling en invalshoek en refererend aan een daartoe geëigende onderzoeksmethodologie. In een eerste hoofdstuk wordt een overzicht geschetst van de situatie in binnen- en buitenland. Voor ons eigen land wordt in kort bestek de historiek geschetst in verband met de toepassing van elektronisch toezicht op het niveau van de strafuitvoering, en worden – zij het zeer summier – ook een aantal knelpunten bij de praktische toepassing ervan gesignaleerd. Voorafgaand wordt echter via een min of meer uitvoerige beschrijving de situatie in het buitenland besproken, daar waar het gaat om landen die reeds enige traditie hebben opgebouwd met betrekking tot de toepassing van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis en/of (nieuwe) interessante regelgeving in dat kader in het vooruitzicht hebben gesteld. Het gaat hier meer in het bijzonder om de toestand in Nederland, Frankrijk en Engeland en Wales. Een aparte paragraaf is gewijd aan de situatie in nog een aantal andere landen waar al dan niet is overgegaan tot invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis, en aan een aantal kritische bedenkingen ten aanzien van de toepassing van deze al bij al toch nog relatief nieuwe technologie. Hoofdstuk 2 biedt een overzicht van de bevindingen die resulteren uit een bevragingsronde, georganiseerd bij een aantal actoren uit het werkveld die inzake de toepassing van alternatieven voor de voorlopige hechtenis kunnen beslissen, daartoe een vordering kunnen instellen of daartoe een verzoek kunnen indienen. In eerste instantie gaat het hierbij om rondetafelgesprekken – één per taalrol – die werden ingericht met participatie van onderzoeksrechters, onderzoeksgerechten, leden van het openbaar ministerie en advocatuur. Het was de bedoeling deze actoren enerzijds te bevragen naar concrete casussen waarin zij elektronisch toezicht al dan niet toegepast zouden zien, en anderzijds te peilen naar hun opinie met betrekking tot een aantal eerder juridischtechnische of meer praktisch-organisatorische aspecten die deze problematiek omkaderen. In een verdere fase werd een groter staal aan gerechtelijke dossiers – via registratiefiches – geanalyseerd naar mogelijke toepasbaarheid van elektronisch toezicht. Deze bevraging vond plaats bij onderzoeksrechters, leden van de Raadkamer en de Kamer van Inbeschuldigingstelling ten aanzien van dossiers waarbij was beslist tot aanhouding van de verdachte resp. verderzetting van de voorlopige hechtenis. In het derde en laatste hoofdstuk wordt op basis van data uit de penitentiaire gegevensbank SIDIS-Griffie een beeld opgehangen van de huidige toepassing van de voorlopige hechtenis, van het profiel van de populatie die tegenwoordig in hechtenis wordt genomen, en van de duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot aan de beslissing tot verwijzing of anders gezegd, de regeling van de rechtspleging), en dit gedifferentieerd naargelang verschillende relevante kenmerken. Deze gegevens werden, aan de hand van gegevens uit de databank SIPAR van het Directoraat-generaal

2

VOORWOORD

Justitiehuizen, ook in verband gebracht met overeenkomstige cijfers met betrekking tot de populatie die thans onder voorwaarden in vrijheid werd gelaten of gesteld (VOV). Afgesloten wordt uiteindelijk met een aantal eindconclusies – in hoofdorde uiteraard mee opgebouwd vanuit de eigen onderzoeksresultaten -, alsook met een oplijsting van een aantal o.i. pertinente discussiepunten die het verdere politieke en publieke debat over de eventuele invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis verder kunnen, zelfs moeten, voeden. De promotor en de onderzoekers van dit onderzoeksproject houden eraan iedereen die op welke wijze dan ook heeft bijgedragen tot de totstandkoming van dit onderzoeksrapport, uitdrukkelijk te bedanken voor de verleende samenwerking en het vlotte verloop ervan. Een bijzonder woord van dank gaat eveneens uit naar de leden van het begeleidingscomité3 die het verloop van het onderzoek mee in goede banen hebben weten te leiden en daarvoor in elk geval talrijke nuttige suggesties en aanbevelingen hebben verleend.

Brussel, 31 december 2009

De promotor, dr. Eric Maes

3

Volgende personen maakten deel uit van het begeleidingscomité (in alfabetische volgorde): Kristel Beyens (professor Vrije Universiteit Brussel), Filip Claes (substituut-procureur-generaal Hof van Beroep Antwerpen), Samuel Deltenre (data-analyst Direction générale Etablissements Pénitentiaires, Service ICT Cellule d’analyse des données), Hans Dominicus (adviseur beleidscel van de minister van Justitie, vanaf september 2009), Sara Goossens (adviseur beleidscel van de minister van Justitie, tot 30 juni 2009), Patricia Jaspis (juge d’instruction, Tribunal de première instance, Bruxelles), Alexia Jonckheere (assistante de recherche, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie), Dan Kaminski (professeur École de Criminologie, Université Catholique de Louvain), Hildegard Penne (adviseur beleidscel van de minister van Justitie), Sabine Riguel (conseillère-directrice Centre National de Surveillance Electronique, Direction générale Maisons de Justice; vervangen door Pierre Reynaert tijdens de laatste vergadering van het begeleidingscomité), Karel Van Cauwenberghe (onderzoeksrechter, Rechtbank van eerste aanleg, Antwerpen), en Jean-Jacques Wondo (attaché, Service expertise, Cellule conceptuelle et soutien à la politique, Direction générale Maisons de Justice). Vergaderingen van het begeleidingscomité vonden plaats op 19 maart 2009, 27 mei 2009, 17 september en 14 december 2009.

3

Hoofdstuk 1 – Chapitre 1 Situatieschets binnen- en buitenland – La situation en Belgique et à l’étranger

Inleiding Het valt niet te ontkennen dat de Belgische gevangenispopulatie de laatste jaren een serieuze opstoot kent. Deze opwaartse beweging is nog meer uitgesproken wanneer de evolutie over iets langere termijn wordt bekeken. Tussen 1980 en 2004 steeg de gemiddelde gevangenispopulatie4 in België met maar liefst 63%5. In 1991, één jaar nadat de nieuwe wet op de voorlopige hechtenis werd afgekondigd6, was er wel een zekere terugval die ten dele kan worden toegeschreven aan een daling van het aantal beklaagden. Maar over het algemeen beschouwd, is er sprake van een spectaculaire toename van de gevangenisbevolking. Anno 2009 fluctueert de gevangenispopulatie op recordhoogtes die niet meer gezien zijn sinds de naoorlogse repressieperiode. Al in 2007 werd op bepaalde ogenblikken in de Belgische gevangenissen de ‘historische’ kaap van 10.000 gedetineerden overschreden, met op 1 maart 2007 een cijfer van 10.008 gedetineerden7. Het hoogste peil werd dat jaar bereikt in juni (n=10.2028). En begin 2009 (eind april) was de populatie in de gevangenissen nog verder gestegen, tot 10.345 gedetineerden9. Terwijl de gevangenispopulatie zich in de laatste helft van de jaren tachtig situeerde op een niveau dat vergelijkbaar was met de situatie op het eind van de jaren zestig (± 6.500

4

De gemiddelde dagbevolking is een betere maat om populatiegegevens weer te geven dan de dagpopulatie op één welbepaalde dag van het jaar, omdat daarmee de schommelingen in populatie-omvang doorheen het jaar en toevallige pieken worden uitgevlakt. 5 Zie: K. Beyens, S. Snacken, Ch. Eliaerts, Barstende muren. Overbevolkte gevangenissen: omvang, oorzaken en mogelijke oplossingen, Antwerpen, Kluwer, 1993; K. Beyens, H. Tubex, “Gedetineerden geteld”, in Strafrechtelijk beleid in beweging, S. Snacken (ed.), Brussel, VUBPress, 139-177; H. Tubex, J. Strypstein, “Grasduinen in penitentiaire bronnen en statistieken”, in Zwart op wit? Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België, E. Devroe, K. Beyens, E. Enhus (ed.), Brussel, VUBPress, 2006, 321-357; E. Maes, “Lessen uit de justitiële statistieken”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 43-83. 6 Wet 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, B.S., 14 augustus 1990 (de tekst gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 augustus 1990 werd vernietigd en vervangen door deze van 14 augustus). 7 Zie Justitie in cijfers 2008, p. 49. 8 Activiteitenverslag Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen 2007, p. 131. 9 Cijfer op 21 april 2009, afkomstig van het DG EPI van de FOD Justitie en overgenomen in: F. Verhoest, “Alle beetjes helpen. Waarom gevangenissen in Nederland leeglopen en bij ons uitpuilen”, De Standaard, 22 april 2009, 22.

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

gedetineerden), is het in het bijzonder vanaf het begin van de jaren negentig dat de gevangenisbevolking een zeer sterke opmars heeft gekend.10 Vooral twee grote categorieën van gedetineerden blijken verantwoordelijk te zijn voor deze toename van de globale gevangenisbevolking. Enerzijds gaat het om de definitief veroordeelden (incl. vervangende gevangenisstraffen), wiens aantal evolueert van zo’n 2.500 gedetineerden in 1980 naar ongeveer 4.900 in 2005 (in voorgaande jaren zelfs meer dan 5.000), d.i. ongeveer een verdubbeling van het aantal. Anderzijds neemt ook het aantal beklaagden (en gelijkgestelden) fors toe. Deze populatie is zelfs meer dan verdubbeld en evolueerde van bijna 1.500 gedetineerden in 1980 naar zo een 3.400 in 2005. 11 Ter vergelijking: op 1 maart 2008 telden de Belgische gevangenissen 3.527 beklaagden en 5.193 (definitief) veroordeelden12. De toename van de populatie definitief veroordeelden in de Belgische gevangenissen wordt in het bijzonder bepaald door de zeer sterke stijging van het aantal langgestrafte gedetineerden (met name deze met een straftotaal van meer dan vijf jaar). En deze forse opwaartse trend wordt verklaard door zowel het (penitentiair) invrijheidstellingsbeleid als de straftoemetingspraktijk. Globaal genomen (m.b.t. alle categorieën van definitief veroordeelden) doen minder gedetineerden ‘strafeinde’ dan pakweg 30 jaar geleden. Er worden vooral zeer veel voorlopige invrijheidstellingen toegekend, doch deze modaliteit komt voornamelijk de relatief ‘kortgestraften’ ten goede. Voor de ‘lang(er)gestraften’ is de evolutie moeilijker in te schatten, maar wel duidelijk is dat de ‘overschrijdingstermijn’ van de VItoelaatbaarheidsdatum gestaag is toegenomen (tot 14,5 maand in 2007). De invloed van de straftoemetingspraktijk op de ontwikkeling van de langgestrafte gevangenisbevolking lijkt nog veel meer uitgesproken te zijn. Zo zwol het aantal uitgesproken gevangenisstraffen van 5 jaar en meer sterk aan tussen 1980 en 2003, en deze evolutie heeft zich ook nadrukkelijk vertaald in de omvang van de gevangenisbevolking.13 Het zijn echter niet alleen de definitief veroordeelde gedetineerden wier aantal de laatste decennia aanzienlijk is toegenomen. Ook de populatie beklaagden (en gelijkgestelden) in de gevangenissen is substantieel toegenomen, met meer dan een verdubbeling over de periode 1980-2004 heen. Wanneer de ontwikkeling van de beklaagdenpopulatie meer in detail onder de loep wordt genomen, dan wordt echter ook geobserveerd dat deze populatie na een eerdere stijging begin jaren tachtig nadien toch een dalende trend vertoonde. Nog vóór de wet van 20 juli 1990 die het gebruik van de voorlopige hechtenis aan banden wilde leggen, was er al sprake van een daling van de beklaagdenpopulatie (vanaf 1987), en deze daling zette zich nog door tot in 1991. Het is opvallend dat deze 10

E. Maes, “Lessen uit de justitiële statistieken”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 49. 11 Voor de analyse naar wettelijke toestand en categorie van strafduur werd gebruik gemaakt van cijfers afkomstig uit een bijdrage van K. Beyens en H. Tubex (voor de jaren 1980-1994) en op niet-officieel gepubliceerde data verkregen van de penitentiaire administratie (dhr. Samuel Deltenre) en door onszelf verder bewerkt (voor de jaren 1995-2005). Zie: K. Beyens, H. Tubex, “Gedetineerden geteld”, in Strafrechtelijk beleid in beweging, S. Snacken (ed.), Brussel, VUBPress, 139-177. 12 Zie Justitie in cijfers 2008, p. 49. 13 E. Maes, “Lessen uit de justitiële statistieken”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 54 e.v.

6

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

nieuwe wet haar doel heeft gemist. Begin de jaren negentig is er immers een serieuze toename van de populatie beklaagden waarneembaar die voornamelijk kan worden toegeschreven aan een toename van het aantal opsluitingen. Voor de lange termijn ontwikkeling lijkt nochtans de gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis de belangrijkste bepalende factor te zijn geweest voor de stijging van de beklaagdenpopulatie. Beschouwd over de hele tijdsperiode heen, is er sprake van een duidelijke toename van de detentieduur: tussen 1980 en 2005 is de gemiddelde duur ongeveer verdubbeld. Vanaf 2003 blijkt de populatie beklaagden enigszins te stabiliseren en is er zelfs sprake van een lichte daling van de beklaagdenpopulatie. De gemiddelde detentieduur is enigszins verkort, terwijl het aantal opsluitingen niet substantieel toeneemt. Blijft echter wel nog het feit dat in 2005 in de gevangenissen bijna 2,5 keer zoveel beklaagden verbleven dan in 1980.14 Nog meer recent lijkt het aantal opsluitingen van beklaagden echter toch weer iets sterker toe te nemen, nl. van 11.194 opsluitingen in 2005 tot meer dan 11.900 in de jaren 2006 en 2007 (n= 11.916)15. Dat de populatie beklaagden gestaag aangroeit, staat haaks op de beleidsintenties die tijdens de laatste decennia werden ontplooid om het gebruik van de voorlopige hechtenis een halt toe te roepen. Eén van de belangrijkste wetswijzigingen op dit domein werd doorgevoerd in 1990. Verschillende bepalingen van deze wet hadden tot doel het aantal voorlopige hechtenissen aan banden te leggen. Hiertoe werd bijvoorbeeld niet enkel de ‘toelaatbaarheidsdrempel’ voor het opleggen van een aanhoudingsmandaat opgetrokken (nl. voortaan enkel nog mogelijk voor feiten strafbaar met gevangenisstraf van één jaar of meer, i.p.v. drie maanden vroeger). Tevens werd voorzien in een nieuw ‘alternatief’ voor de voorlopige hechtenis, nl. de ‘vrijheid en invrijheidstelling onder voorwaarden’. Ook de meest recente wetswijziging uit 2005 16 werd aangekondigd als een instrument om de voorlopige hechtenis verder in te dijken, doch de aanpassingen die door deze wet werden voorzien, lijken niet meteen een verminderd gebruik van de voorlopige hechtenis te bevorderen17. Enkel de afschaffing van elke mogelijkheid tot verzet (door het openbaar ministerie) tegen de opheffing van het aanhoudingsbevel door de onderzoeksrechter – een nieuwigheid die vanuit bepaalde hoek trouwens op scherpe kritiek werd onthaald18 - kan worden geïnterpreteerd als een ingreep met een eventueel reducerend effect (in casu voor wat de voortzetting van de hechtenis betreft). Dergelijke toenemende beleidsaandacht voor de problematiek van de voorlopige hechtenis valt niet enkel op nationaal vlak te ontwaren. Ook op supranationaal niveau is er sprake van een grote en almaar toenemende belangstelling voor de positie van beklaagden en niet-definitief veroordeelden in de gevangenissen. Vermeldenswaard in dit 14

Ibid., 70-71. Zie Justitie in cijfers 2008 (p. 50). 16 Wet 31 mei 2005 tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkzame voorlopige hechtenis, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, B.S., 16 juni 2005. 17 Zie hierover bijvoorbeeld: P. Daeninck, “De voorlopige hechtenis, een (te lang) voorspel op de gevangenisstraf?”, Limburgs Rechtsleven, 2006 (eerste kwartaal), 29-48. 18 Zie hiervoor bijvoorbeeld de interventie van dhr. Yves Liégeois in de Commissie voor de Justitie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers: Parl. St., Kamer, 2004-2005, 51-1317/005, p. 58-59 (Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer Alain Courtois). 15

7

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

verband is bijvoorbeeld de Aanbeveling van de Raad van Europa uit 200619. In enigszins gelijkaardige zin betracht ook het (nog niet definitief goedgekeurde) Kaderbesluit van de Europese Unie betreffende het Europees surveillancebevel (European Supervision Order) de ontwikkeling van alternatieven voor de voorlopige hechtenis te stimuleren.20 Een idee van meer recente datum om het gebruik van de voorlopige hechtenis te beperken, heeft betrekking op de invoering van het elektronisch toezicht in de fase van het gerechtelijk onderzoek. Zo werd in de beleidsnota van voormalig minister van Justitie Jo Vandeurzen – als één van de mogelijkheden om de voorlopige hechtenis te optimaliseren – verwezen naar “(…) de aanwending van elektronisch toezicht, de toepassing van moderne technieken als GPS-bewaking, als alternatief voor de voorlopige hechtenis.”21 Het elektronisch toezicht werd in België op het eind van de jaren negentig al geïntroduceerd, doch enkel op het niveau van de strafuitvoering. Het kent hier vooralsnog nog geen toepassing binnen het kader van de voorlopige hechtenis. In het buitenland, en meer in het bijzonder ook binnen de Europese context, wordt het elektronisch toezicht reeds veelvuldig toegepast, en dit binnen zeer diverse contexten, bijvoorbeeld: als autonome straf; ter controle van voorwaarden opgelegd bij voorwaardelijke vrijheidsstraffen; als uitvoeringsmodaliteit van korte (onvoorwaardelijke) gevangenisstraffen (korte straffen worden of kunnen worden ondergaan onder elektronisch toezicht); in het kader van detentiefasering (vóór vervroegde invrijheidstelling of strafeinde, en dit vanuit het perspectief van geleidelijke reïntegratie); ten aanzien van ter beschikking gestelden (TBS); ter controle van penitentiair verlof; ter controle van voorwaarden opgelegd in het kader van vervroegde invrijheidstelling; ... In sommige Europese landen kent het elektronisch toezicht trouwens ook al enige toepassing in het kader van het onderzoek in strafzaken, of de (her)invoering ervan (binnen een nieuw wettelijk kader) wordt althans overwogen. Dit is bijvoorbeeld het geval in Nederland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Hongarije, Portugal, ... In het licht van een onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis, is het dan ook van belang de situatie in een aantal van deze landen even naderbij onder de loep te nemen. In dit eerste hoofdstuk wordt vooreerst de situatie in Nederland, Frankrijk, en Engeland en Wales meer in detail onder de loep genomen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de situatie in enkele andere landen en wordt een overzicht geboden van de meest relevante kritieken en kanttekeningen die in de literatuur ten aanzien van het elektronisch worden 19

Recommendation Rec(2006)13 of the Committee of Ministers to member states on the use of remand in custody, the conditions in which it takes place and the provision of safeguards against abuse], goedgekeurd door het Comité van Ministers op 27 september 2006. 20 Commissie van de Europese Gemeenschappen, Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees surveillancebevel in procedures tussen EU-lidstaten in afwachting van het proces {SEC(2006)1079}{SEC(2006)1080}, 2006, te raadplegen op: http://eurlex.europa.eu/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexplus!prod!DocNumber&lg=nl&type_doc=COMfinal&a n_doc=2006&nu_doc=468. 21 Parl. St., Kamer, 2008-2009, nr. 52 1529/016, p. 71 – Algemene beleidsnota van de minister van Justitie.

8

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

geformuleerd. Afgesloten wordt met een korte schets van de actuele Belgische situatie (op niveau van de strafuitvoering) en worden enkele vroegere resp. recente voorstellen tot invoering van het huisarrest en het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis toegelicht en becommentarieerd. De rapportage is hier voornamelijk gebaseerd op literatuuronderzoek, documentenanalyse, al werden voor wat Nederland en Engeland en Wales betreft ook bezoeken ter plaatse afgelegd22.

22

Bezoek aan Nederland op 18 juni 2009, en aan Engeland en Wales op 30 en 31 juli 2009.

9

AFDELING I - SECTION I NEDERLAND PAYS-BAS

1

Historiek

Tijdens de zoektocht naar een geschikte oplossing voor het probleem van overbevolking van de gevangenissen, dook het idee van elektronisch toezicht in Nederland in 1987 voor het eerst op in de media. Op grond van ervaringen in de Verenigde Staten (VS) werd de toepassing van elektronisch toezicht als alternatief voor voorlopige hechtenis of voor onvoorwaardelijke gevangenisstraf denkbaar, zolang het toegepast werd in combinatie met een zinvolle tijdsbesteding, niet te lang van duur - maximaal vier maanden – zou zijn, en er sprake zou zijn van uitdrukkelijke instemming van de betrokkenen. Ondanks de positieve ervaringen in de VS werd de invoering van elektronisch toezicht in het Nederlandse strafrecht echter niet wenselijk gevonden en werd zelfs de tijd voor een experiment (nog) niet rijp geacht. Er werden vooral veel vragen gesteld rond de privacy en de impact ervan op de betrokken huisgenoten. Daardoor is het in Nederland een tijd stil geweest rond dit onderwerp, totdat in 1994 de voorbereidingen begonnen voor een experiment, dat uiteindelijk op 11 juli 1995 van start ging. Dit experiment, dat twee jaar duurde en dat plaatsvond in de arrondissementen Groningen, Leeuwarden, Assen en Zwolle, moest uitwijzen of elektronisch toezicht een bruikbaar alternatief kon vormen voor de tenuitvoerlegging van (een deel van) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 23 Binnen het kader van dit experiment werd het elektronisch toezicht op twee wijzen toegepast. De eerste vorm van toepassing had betrekking op personen ten aanzien van wie, vanwege de ernst van de gepleegde feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes tot twaalf maanden zou kunnen worden opgelegd. Gezien de hoogte van de straf kwamen zij niet in aanmerking voor een taakstraf. Door echter een (lange) taakstraf te combineren met elektronisch toezicht zou de ‘gewenste straf’ toch gerealiseerd kunnen worden en een verblijf in de cel worden voorkomen. Er werd beoogd dat de rechter in dit geval de betrokkenen zou veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, 23

E.C. Spaans, C. Verwers, Elektronisch Toezicht. Uitkomsten van het experiment: Samenvatting en Discussie, Den Haag, WODC, 1997.

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

om te zetten in een taakstraf, plus een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde voor een bepaald aantal maanden onder elektronisch toezicht zou worden geplaatst (front door-toepassing). De tweede toepassing van elektronisch toezicht betrof gedetineerden die zich in de laatste fase van hun detentie bevonden. Gedetineerden die minstens de helft van hun straf in een gesloten of halfopen inrichting hadden uitgezeten, konden, indien zij aan bepaalde criteria voldeden, het laatste deel van hun straf thuis uitzitten. Elektronisch toezicht vormde in dit geval een onderdeel van de detentiefasering (back door-toepassing).24 Het experiment werd geëvalueerd door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek werd uiteindelijk geconcludeerd dat elektronisch toezicht een bruikbaar alternatief kan vormen voor de tenuitvoerlegging van (een deel van) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naast de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de detentiefasering past de Dienst Justitiële Inrichtingen het elektronisch toezicht nu, sinds 2003, ook toe als executiemodaliteit ter vervanging van een vrijheidsstraf van maximaal drie maanden (in dat verband elektronische detentie (ED) genoemd). Het is een alternatief voor gedetineerden die zich anders voor het ondergaan van hun straf zouden moeten melden bij een beperkt beveiligde penitentiaire inrichting ter uitboeting van hun gevangenisstraf. Deze vorm van elektronisch toezicht (elektronische detentie) wordt in de praktijk uitgevoerd zonder inhoudelijk programma en is niet gericht op gedragsbeïnvloeding.25 Specifiek voor wat de problematiek van de voorlopige hechtenis betreft, werd uiteindelijk – na een eerder experiment te Rotterdam - in 2005 in Groningen een pilootproject van elektronisch toezicht bij ‘schorsing preventieve hechtenis’ goedgekeurd. De aanleiding hiervoor was het succes dat werd behaald in een zaak waarbij een 83-jarige pedoseksueel weliswaar veroordeeld werd, maar niet detentiegeschikt was verklaard en een zeer groot recidivegevaar vertoonde. Reclassering Nederland stelde voor om in dit geval elektronisch toezicht met GPS toe te wijzen in combinatie met TBS (terbeschikkingstelling), waardoor indien nodig preventief actie kon worden ondernomen. Aan dit pilootproject werd deelgenomen door het Openbaar Ministerie, drie Reclasseringsorganisaties (Stichting Reclassering Nederland, Stichting Verslavingsreclassering GGZ, en Leger des Heils, Jeugdzorg & Reclassering), de Raad van Kinderbescherming, het Bureau Jeugdzorg, en de politie. Het pilootproject spitste zich toe op de harde kernjongeren (veelplegers) in Groningen, Friesland en Drenthe. Tijdens de fase van de product/procesontwikkeling werd zeer concreet opgeschreven hoe alles stap voor stap moest gebeuren; dit stappenplan werd in samenwerking met een marketingbureau ontwikkeld. Daarna werd er een test met proefpersonen uitgevoerd. Het motto was “mag het, kan het, werkt het”: er werd uitgebreid nagaan of het op juridisch, 24

Ibid. Ministerie van Justitie. Inspectie voor de Sanctietoepassing, Thema-onderzoek uitvoering elektronische detentie, 2007, 13.

25

12

AFDELING I – NEDERLAND

op technologisch vlak en in de praktijk haalbaar was. Er werd in dit pilootproject gebruik gemaakt van nieuwe technologie: GPS, stemherkenning, alcoholcontrole op afstand (dit werd afgekeurd vanwege fraudegevoeligheid) en drugsscreening. De Universiteit Groningen voerde een evaluatieonderzoek uit van het pilootproject. Volgens Fokko de Boer waren de belangrijkste conclusies van dit onderzoek dat de sterkte van elektronisch toezicht in de combinatie van controle en begeleiding ligt, dat door een gedragsverandering tot stand te brengen het recidiverisico gereduceerd wordt, en ten slotte dat een goede samenwerking met de wijkagent zeer belangrijk bleek als versterking van de controle.26 Als gevolg van bovenvermeld pilootproject trad in januari 2006 een ‘Aanwijzing Elektronisch Toezicht’27 van het College van procureurs-generaal in werking, waarin o.a. een aantal (algemene) regels werden opgesteld voor (landelijke) toepassing van elektronisch toezicht. Er wordt hierin een onderscheid gemaakt tussen elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde bij de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis, elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling, elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde bij een vervanging van een eis van maximaal 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en elektronisch toezicht als substitutie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6-12 maanden. Van belang is dat los van de vorm waarin het elektronisch toezicht wordt toegepast, het te allen tijde noodzakelijk is dat een reclasseringsrapport wordt gevraagd en uitgebracht. Het is het Openbaar Ministerie dat op basis van het reclasseringsadvies de naleving van een bijzondere voorwaarde vordert, in combinatie met elektronisch toezicht. Uiteindelijk is het de rechter die de aard en het karakter van de bijzondere voorwaarde bepaalt.28 Er is in dezelfde periode ook een onderzoek gedaan naar een pilootproject thuisdetentie. Elektronische detentie (ED) is een vorm van huisarrest, uitsluitend gericht op vrijheidsbeneming en zonder reïntegratiedoelstelling. De doelgroep van de pilootstudie bestond uit zelfmelders die een straf van korter dan drie maanden moesten uitzitten. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek waren ten eerste dat uit de literatuurstudie was gebleken was dat er geen verband is aangetoond tussen het invoeren van elektronisch toezicht en de vermindering van de druk op de celcapaciteit; en, ten tweede dat elektronische detentie staat of valt met de controle op de naleving. Met name de werkende deelnemers hebben een mogelijkheid om de regels te ontduiken. Indien dit door middel van intensieve controle niet zou worden verhinderd, zou dit spoedig breder bekend worden, en zouden naar verwachting meer deelnemers de hiaten in de controlemogelijkheden gaan gebruiken. Ten derde bleek dat er slechts in geringe mate sprake was van sociale of psychische detentieschade als gevolg van deelname aan elektronische detentie, en elektronische detentie als lichter werd ervaren dan een gevangenisstraf. Ten slotte is uit de literatuurstudie van het onderzoek, waarin de toepassing van elektronisch toezicht in verschillende landen werd geanalyseerd, gebleken dat er nergens een verband kon 26

Gesprek met Fokko de Boer, Reclassering Noord-Nederland, Groningen, 18 juni 2009. Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. 28 Ibid. 27

13

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

worden aangetoond tussen de invoering van elektronisch toezicht en een vermindering van de druk op de celcapaciteit. Verder werd er geobserveerd dat de kans reëel was dat de invoering van elektronische detentie niet zou leiden tot kostenbesparing omdat het een aanzuigende werking kan hebben. Veroordeelden die anders niet tot een vrijheidsstraf zouden worden veroordeeld, zouden nu wellicht elektronische detentie opgelegd krijgen, waardoor het aantal gedetineerden met extramurale detentie zou aangroeien. Op deze wijze zou elektronische detentie eerder kostenverhogend dan kostenbesparend werken.29 Vanaf 2005-2006 heeft Reclassering Noord-Nederland, in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen, geëxperimenteerd met GPS-techniek en stemherkenning. De proef werd gehouden in de drie noordelijke provincies van het land, had een looptijd van drie jaar, en was volgens de initiatiefnemers een succes. Het volgsysteem met GPS kan worden ingezet bij personen voor wie om de een of andere reden een bepaald gebied verboden terrein is; het wordt vooral gebruikt bij stalkers en mensen die verdacht worden van partnergeweld. Het GPS-systeem werkt met een combinatie van GSM- en GPStechniek. De zender lijkt op een uitvergrote mobiele telefoon, die de onder toezicht geplaatste cliënt in zijn broek- of vestzak moet dragen. De zender reageert wanneer deze zich niet binnen een bepaalde minimumafstand van een aangebrachte enkelband bevindt.30 Sinds september 2009 is er een evaluatiestudie gestart naar de implementatie door Reclassering Limburg van elektronisch toezicht met GPS bij schorsing voorarrest. Hierin staat de vraag naar de impact die GPS-toezicht heeft op het agogisch proces van begeleiding door de reclasseringswerkers centraal. Dit onderzoek zou afgerond moeten zijn in 2011, en in geval van een positief resultaat zal het GPS-toezicht landelijk worden ingevoerd.31

29

B. Post, L. Tielemans, C. Woldringh, Geboeid door de enkelband, Evaluatie pilot elektronische detentie, Nijmegen, WODC/ITS Nijmegen, 2005, 88. 30 Friesch Dagblad, Proef met stemherkenning en GPS. Reclassering draait proef in Noorden, http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artID=28699; NOS Nieuws, Proef met GPS succesvol, http://www.nos.nl/nosjournaal/artikelen/2008/5/23/230508_gps_verdachten.html. Zie voor een evaluatie van het gebruik van GPS-technieken ook: J.A. Nijboer, H.K. Elzinga, C.A. van der Flier, L. Keekstra, Elektronisch Toezicht met GPS: Mogelijkheden en onmogelijkheden van GPS volgsystemen bij toezicht op reclasseringscliënten, Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Strafrecht en Criminologie, december 2005. 31 Hogeschool Zuyd, Infonomie en Nieuwe Media, Elektronisch Toezicht: Naar een veiligere samenleving, http://infonomie.hszuyd.nl/index.jsp?id=48

14

AFDELING I – NEDERLAND

2

Voorziene regelgeving

2.1 ALGEMEEN WETGEVEND KADER Voorlopige Hechtenis De grondslag voor de huidige wettelijke regelgeving inzake voorlopige hechtenis is terug te vinden in het Wetboek van Strafvordering. Net zoals in België, is ook in Nederland de procedure inzake voorlopige hechtenis aan strikte termijnen onderworpen. Zo kan, wanneer de politie een verdachte aanhoudt, de verdachte maximaal voor zes uur worden opgehouden voor verhoor (de uren tussen 24.00 - 09.00 tellen hierbij niet mee). De (hulp)officier van justitie kan, na hem verhoord te hebben, “bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld. Inverzekeringstelling vindt plaats in het belang van het onderzoek, waaronder mede wordt verstaan het belang van het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak.”32 Deze periode van inverzekeringstelling duurt maximaal drie dagen en kan met drie dagen worden verlengd.33 Binnen drie dagen en 15 uur moet een verdachte uiteindelijk zijn voorgeleid bij de rechter-commissaris (te vergelijken met de onderzoeksrechter in België). Deze beoordeelt de rechtmatigheid van de aanhouding. De rechter-commissaris kan op verzoek van de officier van justitie (vergelijkbaar met de procureur des Konings in België) de verdachte voor veertien dagen in bewaring stellen.34 Ten slotte kan de rechtbank, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt 35 : “[d]e termijn gedurende welke het bevel [tot gevangenhouding] van kracht is, kan door de rechtbank, op de vordering van de officier van justitie, vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting ten hoogste tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen een periode van negentig dagen niet te boven gaan.”36 Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden afgeleverd in geval van verdenking van ten eerste een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld; daarnaast is de voorlopige hechtenis ook mogelijk voor enkele lichtere feiten die limitatief opgesomd worden in de wet. 37 Het bevel kan voorts ook worden verleend indien er geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf waarvan de rechtbanken kennis nemen en waarop, naar de wettelijke omschrijving, gevangenisstraf is gesteld. Deze 32

Art. 57, lid 1, Sv. Art. 58 Sv. 34 Art. 59a,b en c Sv. 35 Art. 65 Sv. 36 Art. 66 lid 3 Sv. 37 Art. 67, lid 1 b Sv. 33

15

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

voorwaarden gaan enkel op indien er uit de feiten of omstandigheden blijkt dat er ernstige bezwaren zijn tegen de verdachte, behalve bij verdenking van een terroristisch misdrijf.38 Bij de herziening van de wetgeving in 1974 werd gesteld dat een verdenking niet voldoende is, maar dat de schuld van de verdachte ‘prima facie aannemelijk moet zijn.’39 Artikel 67a Sv. bepaalt de bijzondere gronden die een voorlopige hechtenis wettigen. Deze gronden bestaan met name hierin dat uit bepaalde gedragingen van de verdachte, of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, een ernstig gevaar voor vlucht blijkt, of dat uit bepaalde omstandigheden een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid blijkt, welke onverwijlde vrijheidsbeneming vergt. Het tweede lid van artikel 67a Sv. stelt dat een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid voor de toepassing van het vorige lid slechts in aanmerking kan worden genomen indien: 1) er sprake is van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde door dat feit ernstig is geschokt; 2) er ernstig rekening mede moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan (recidivegevaar); 3) er sprake is van verdenking van een van de misdrijven opgesomd in art. 67a, 2., 3°, mits nog aan andere condities is voldaan40; en, 4) de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid (belang van het onderzoek). Ten slotte wordt in een derde lid het zogenaamde ‘anticipatiegebod’ opgenomen, nl.: “Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.”41 Schorsing van de voorlopige hechtenis De schorsing van de voorlopige hechtenis, binnen welk kader thans in Nederland elektronisch toezicht kan worden toegepast, wordt geregeld door artikelen 80-88 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 80 stelt zo dat de “rechter [...] – ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte – [kan] bevelen dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst zodra de verdachte, al of niet onder

38

Art. 67 Sv. Kamerstukken II, 1972/73, 9994, 10. 40 Namelijk: “terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en voorts er ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan.” 41 Art. 67a Sv. 39

16

AFDELING I – NEDERLAND

zekerheidsstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.”42 De schorsing geldt altijd onder voorwaarden. Als voorwaarde wordt bijna standaard opgenomen dat de verdachte geen strafbare feiten mag plegen. Wordt iemand tijdens een schorsing verdacht van een strafbaar feit, dan kan dit een reden zijn om de schorsing op te heffen. Daarnaast zijn er tal van bijzondere voorwaarden mogelijk, variërend van borgsom tot een straat- en contactverbod met het slachtoffer, of opname in een afkickcentrum.43 Elektronisch toezicht In het kader van detentiefasering is de Penitentiaire Beginselenwet toepasbaar, waarin is bepaald dat een deelnemer aan een penitentiair programma44 onder elektronisch toezicht kan worden gesteld. Aan een penitentiair programma kan worden deelgenomen gedurende ten hoogste een zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf, direct voorafgaand aan de datum van invrijheidstelling.45 De ‘Aanwijzing Elektronisch Toezicht’ geeft algemene regels voor de vordering van elektronisch toezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis of bij een voorwaardelijke veroordeling.46

2.2 CONTRA-INDICATIES EN RANDVOORWAARDEN Binnen de grenzen van deze wettelijke bepalingen bepaalt de Aanwijzing Elektronisch Toezicht dat niemand a priori, bijvoorbeeld op grond van de aard, zwaarte en achtergronden van het gepleegde delict, voor deelname aan elektronisch toezicht wordt uitgesloten. Ook verdachten zonder verblijfsvergunning krijgen soms elektronisch toezicht toegewezen, in asielcentra. Contra-indicaties zijn volgens de Aanwijzing gelegen in de (feitelijke) onmogelijkheid van de verdachte zich aan de afspraken te kunnen houden (bijv. door het ontbreken van een aanvaardbaar verblijfsadres) of zijn gebaseerd op de inschatting van de reclassering dat de verdachte zich niet aan de strikt na te leven afspraken zal houden. Om de geschiktheid van de persoon voor elektronisch toezicht na te gaan hanteert Reclassering Nederland een 4-tal randvoorwaarden waarnaar onderzoek wordt gedaan.

42

Art. 80 Sv. W.J. Ausma, A.W. Syrier, Strafprocesrecht, Dordrecht, Kluwer, 2008, 45. 44 Dit is “een samenstel van activiteiten waaraan wordt deelgenomen door personen ter verdere tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis in aansluiting op hun verblijf in een inrichting en dat als zodanig door Onze Minister is erkend.” (art. 4 Penitentiaire Beginselenwet) 45 Art. 4 Penitentiaire Beginselenwet. 46 Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. 43

17

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Vooreerst dienen de ondertoezichtgestelden zich te houden aan een aantal ‘standaardregels elektronisch toezicht’47 die hen ter ondertekening worden voorgelegd, en daarnaast ook nog aan eventuele aanvullende regels die specifiek op de situatie van de deelnemer, zijn problematiek en het risicoprofiel, zijn toegespitst. Deze regels houden onder andere in dat: − de reclassering bepaalt op welke dagen en op welke tijdstippen de zogeheten verplichte programmatische uren gelden. Vrij te besteden uren worden toegepast volgens de daarvoor geldende richtlijnen, terwijl reis- en lunchtijd niet als programmatijd worden geteld; − de deelnemer bij ziekte verplicht kan worden zich te onderwerpen aan het oordeel van een keuringsarts; − door de reclassering zowel aangekondigd als onaangekondigd gecontroleerd kan worden op de naleving van de standaardregels; − de reclassering de ondertoezichtgestelde kan ‘corrigeren’ of een officiële waarschuwing kan geven, wanneer de deelnemer zich niet aan de gemaakte afspraken houdt (de officier van justitie ontvangt hiervan een afschrift); − de reclassering het toezicht, in overleg met de officier van justitie, zal stopzetten indien de deelnemer zich voor de tweede maal niet aan de afspraken houdt. Dit kan dan betekenen dat de deelnemer terug in de gevangenis belandt; − de reclassering het elektronisch toezicht onmiddellijk kan beëindigen bij een ernstige overtreding van de afspraken (achteraf wordt de officier van justitie hierover geïnformeerd); − in die gevallen waarin de standaardregels niet voorzien, de deelnemer zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering.48 Voorts dient de ondertoezichtgestelde te beschikken over een zinvolle dagbesteding van ten minste 26 uren per week, bij voorkeur verspreid over 5 dagen. Hij of zij dient tevens te beschikken over geschikte huisvesting. Een vaste telefoonaansluiting is niet meer nodig zoals dit vroeger wel het geval was, aangezien in het elektronisch toezicht-kastje dat bij de deelnemer thuis wordt geplaatst, GSMapparatuur aanwezig is. De deelnemer kan 24 uren per dag contact opnemen met de reclassering en vice versa. Het huis moet voorzien zijn van elektriciteit. Er mag geen uithuiszetting dreigen, en de huisvestingssituatie mag niet bijdragen aan de kans op recidive, zoals bijvoorbeeld in geval het huis fungeert of lange tijd heeft gefungeerd als gebruikersruimte en dealadres. En ten slotte vindt er een huisbezoek plaats waarbij de (volwassenen) huisgenoten van de persoon waarbij elektronisch toezicht wordt overwogen, volledig worden geïnformeerd over de regelgeving en de voorwaarden betreffende elektronisch toezicht. Ook wordt gevraagd of zij hiermee akkoord gaan; zonder uitdrukkelijke instemming van de huisgenoten wordt elektronisch toezicht alleszins niet toegekend.49 47

Deze standaardregels zijn opgesteld door Reclassering Nederland. Reclassering Nederland: Standaardregels Elektronisch Toezicht, maart 2006, verwezen naar op Tartuffel.Infoteur, Elektronisch Toezicht.Elektronische controle/huisarrest: http://mens-en-samenleving.infonu.nl/diversen/31565-elektronisch-toezicht-elektronische-controlehuisarrest.html 49 Tartuffel.Infoteur, Elektronisch Toezicht.Elektronische controle/huisarrest: 48

18

AFDELING I – NEDERLAND

Op dit ogenblik zijn er 34 personen die in Noord-Nederland onder GPS-toezicht staan, 5 in Amsterdam, 1 in Limburg en 10 in Utrecht. Er zijn vijf doelgroepen waarop het wordt toegepast, nl.: plegers van huiselijk geweld, uitgaansgeweld, stalking, veelplegers en plegers van zedendelicten. Plusminus 300 persoon staan momenteel onder Elektronische Controle in Nederland.50

2.3 PROCEDURE EN BETROKKEN ACTOREN Aan de vordering tot schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis kan de officier van justitie de toepassing van elektronisch toezicht verbinden. Voordat elektronisch toezicht gevorderd kan worden, is het echter noodzakelijk dat een reclasseringsrapport is aangevraagd en uitgebracht. In dit rapport wordt expliciet ingegaan op de maximale duur van de periode gedurende welke de verdachte in staat wordt geacht zich aan de bijzondere voorwaarde te houden, en wordt tevens aangegeven in welke mate het elektronisch toezicht de bewegingsvrijheid beperkt.51 In het verslag zijn ook de resultaten verwerkt van de door de reclassering uitgevoerde diagnose (RISc/QuickScan), de risicotaxatie en het (huis)bezoek van de verdachte. Op basis van deze elementen wordt positief of negatief geadviseerd over toepassing van elektronisch toezicht onder de vorm van ‘Elektronische Controle’ (cf. infra).52 In het reclasseringsadvies wordt ten slotte ook voorgesteld welk controlemiddel (klassiek elektronisch toezicht, GPS, stemherkenning), gelet op de omstandigheden, de voorkeur verdient. Voor de uitvoering van elektronisch toezicht is Reclassering Nederland verantwoordelijk. De Reclassering kan een plan van aanpak voorstellen waarbij bepaalde bijzondere voorwaarden geadviseerd worden. De aard en het karakter van deze bijzondere voorwaarde(n) moeten betrekking hebben op het gedrag van de verdachte en strekken tot verwezenlijking van het doel van de voorlopige hechtenis.53 In geval van schorsing van preventieve hechtenis kunnen er meerdere bijzondere voorwaarden worden opgelegd door de rechter of rechter-commissaris. Zo zijn er voorwaarden die gericht zijn op gedragsbeïnvloeding, zoals gedragsinterventies (trainingen), alsook eerder op zorg gerichte voorwaarden zoals klinische of ambulante behandeling van een bepaalde stoornis die samenhangt met het delictgedrag. Tevens is het mogelijk vrijheidsbeperkende voorwaarden op te leggen, zoals een drugs- en alcoholverbod en locatieverboden en geboden. De laatste twee voorwaarden zijn vrijheidsbeperkende maatregelen die momenteel gecontroleerd worden via elektronisch toezicht of GPS. 54 Er bestaan al elektronische middelen om het alcoholverbod te controleren, maar deze worden vooralsnog nog niet toegepast. http://mens-en-samenleving.infonu.nl/diversen/31565-wat-is-elektronisch-toezicht-ethuisarrestcontrole.html. 50 Gesprek met Fokko de Boer, Reclassering Noord-Nederland, Groningen, 18 juni 2009. 51 Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. 52 Reclassering Nederland, Factsheet Elektronische Controle met Enkelband, geraadpleegd op: http://www.reclassering.nl/documents/Factsheets/Factsheet_Enkelband_versie281008.pdf 53 Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. 54 Gesprek met Fokko de Boer, Reclassering Noord-Nederland, Groningen, 18 juni 2009.

19

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Na afronding van het reclasseringsrapport wordt het voorgelegd aan de rechter van de Raadkamer (RK), in het ideale geval vijf dagen na arrestatie, maar in de praktijk kan dit soms ook wat langer duren. Van zodra de rechter zijn toestemming geeft tot schorsing voorlopige hechtenis, kan vrij snel worden overgegaan tot uitvoering van het elektronisch toezicht (in bepaalde gevallen binnen de twee dagen na de beslissing van de rechter); de verdachte blijft tot dan opgesloten in de gevangenis.55 Het is het openbaar ministerie dat op basis van het reclasseringsadvies de naleving van een bijzondere voorwaarde vordert, in combinatie met de toepassing van elektronisch toezicht (bijv. een stadionverbod, een straatverbod c.q. contactverbod, of een locatiegebod, zoals huisarrest op gezette tijden, enz.).56

3

Inhoudelijke invulling van het elektronisch toezicht

Op dit ogenblik kunnen er twee vormen van elektronisch toezicht onderscheiden worden in Nederland, nl.: ‘Elektronische Controle’ en ‘Elektronische Detentie’. Elektronische controle met enkelband kan worden opgelegd: als bijzondere voorwaarde bij een schorsing van preventieve hechtenis; − als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling; − als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke invrijheidstelling; − ter vervanging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 tot 12 maanden, in combinatie met een werkstraf. Daarnaast maakt de enkelbandcontrole ook deel uit van het penitentiair programma (PP).57 −

Sinds kort spreekt Reclassering Nederland niet meer over ‘elektronisch toezicht’, doch wel over ‘elektronische controle’. Elektronische controle wordt daarbij gedefinieerd als de controle op het nakomen van door het openbaar ministerie (OM), de zittende macht of magistratuur (ZM) en/of de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) opgelegde (bijzondere) voorwaarden en het signaleren van een dreigende overtreding, het stimuleren en motiveren van een veroordeelde om zich aan de (bijzondere) voorwaarden te houden. Elektronische controle wordt in dit verband door Reclassering Nederland niet gezien als een bewakingsmiddel, maar wel als een controle-instrument bij het toezicht. Beoogd wordt om met elektronische controle bijzondere voorwaarden die een verdachte of dader zijn opgelegd, te controleren. ‘Elektronische detentie’ onderscheidt zich van elektronische controle met name doordat het een vorm van huisarrest is, uitsluitend als alternatief voor insluiting in een

55

Ibid. Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. 57 Reclassering Nederland, Factsheet Elektronische Controle met Enkelband, geraadpleegd op: http://www.reclassering.nl/documents/Factsheets/Factsheet_Enkelband_versie281008.pdf. 56

20

AFDELING I – NEDERLAND

penitentiaire inrichting, zonder reïntegratiedoelstelling. 58 In dit geval gaat het om zogeheten ‘zelfmelders’, nl. veroordeelden die op een gegeven ogenblik thuis een oproep ontvangen om hun straf te ondergaan en zich vrijwillig bij de gevangenis dienen aan te melden. De elektronische detentie (ED) onderscheidt zich van de elektronische controle (EC) doordat de elektronische detentie een uitgesproken vrijheidsbenemend karakter heeft, terwijl elektronische controle uitsluitend een vrijheidsbeperkend karakter heeft. De elektronische detentie wordt namelijk uitgevoerd zonder inhoudelijk programma en is niet gericht op gedragsbeïnvloeding 59 , waardoor elektronische detentie bijgevolg (per definitie) niet wordt gebruikt als bijzondere voorwaarde bij de schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis. Bij de toepassing van elektronisch toezicht (of beter EC) in het kader van de voorlopige hechtenis worden de ondertoezichtgestelden door Reclassering Nederland in drie gestandaardiseerde niveaus opgedeeld, en dit op basis van de RISc-vragenlijst.60 Deze vragenlijst is gebaseerd op het Engelse risicotaxatiesysteem OASIS dat werd vertaald en omgezet naar de Nederlandse situatie. Op basis van de resultaten op de RISc-vragenlijst en gestandaardiseerde adviesteksten, in combinatie met een professioneel oordeel, wordt uiteindelijk de kans op recidive en schade (‘schade aan de samenleving’) berekend.61 Volgende gestandaardiseerde niveaus worden onderscheiden: laag risico/level 1; gemiddeld risico/level 2; hoog risico/level 3. Het onderscheid tussen deze verschillende risiconiveaus is met name van belang voor de toe te wijzen controletechnologie en de intensiteit van het reclasseringscontact. Zo wordt bij een zeer hoog risico sowieso geen elektronische controle toegewezen; deze personen worden automatisch in voorlopige hechtenis geplaatst. GPS wordt zowel toegepast bij level 2 en 3. Bij level 2 wordt er aan de meerderjarige dader/verdachte een huisarrest opgelegd van 21u00 tot 6u00, en dit 7 dagen per week. De verplaatsingen worden permanent geregistreerd, maar achteraf geïnterpreteerd en betrokken in de begeleiding van de dader/verdachte (retrospectieve controle: passieve controle). Bij level 3 wordt aan de dader/verdachte een huisarrest opgelegd van 19u00 tot 7u00, 7 dagen per week. De verplaatsingen worden permanent geregistreerd. Bij het constateren van een overtreding van de bijzondere voorwaarde (omgevingsverbod en/of -gebod) wordt onmiddellijk actie ondernomen: het controlebedrijf schakelt Reclassering Nederland of rechtsreeks de politie in. 62 De Reclasseringswerkers Toezicht hebben bij elektronische controle verschillende taken en verantwoordelijkheden. Zij controleren of de onder toezicht gestelde zich aan de opgelegde voorwaarden, aanwijzingen en afspraken houdt. Maar ze stimuleren en motiveren hem ook om zich hieraan te houden. Daarnaast spreken toezichthouders de justitiabele aan op onacceptabel gedrag. En ze leren hem werken volgens de – door 58

B. Post, L. Tielemans, C. Woldringh, Geboeid door de enkelband. Evaluatie pilot elektronische detentie, Nijmegen, WODC/ITS Nijmegen, 2005, 1. 59 Ibid., 37. 60 RISc staat voor Recidive Inschattings Schalen. 61 In Nederland gebruikt men het Cliënt Volg Systeem (CVS) waardoor de samenwerking tussen de verschillende juridische diensten over heel het land wordt vergemakkelijkt, vooral bijvoorbeeld bij overplaatsing van een gedetineerde. 62 Reclassering Nederland, Factsheet Electronische Controle met GPS, geraadpleegd op: http://reclassering.nl/documents/Factsheets/Factsheet_GPS_versie281008.pdf.

21

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Reclassering Nederland als zodanig geformuleerde - structuur ‘eerst denken en dan pas doen’. De ‘zwaarste gevallen’ (hoog risico) worden door twee personen begeleid, à rato van 90 uren begeleiding per half jaar; bij de middenrisicogroep gaat het om 60u per half jaar, bij de lage risico gevallen om 45u per half jaar.63

4

Toegepaste technologische controlemiddelen

In de meeste gevallen wordt als technisch hulpmiddel een ‘enkelband’ (zender) gebruikt in combinatie met een ontvanger (‘kastje’). Doch in toenemende mate worden ook GPS (permanente elektronische monitoring) en stemherkenning (mogelijkheid van stemcontrole via het vaste telefoonnetwerk) toegepast. Momenteel zijn er in Nederland 50 cases waarbij GPS-controle wordt gehanteerd. GPS wordt toegepast als bijzondere voorwaarde bij schorsing van de voorlopige hechtenis, maar ook als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Bij de toepassing van GPS wordt gebruik gemaakt van het STaR-systeem.64 De enkelband registreert permanent of de STaR-unit door de juiste persoon wordt gedragen. De STaRunit staat in verbinding met een satellietstelsel dat de verplaatsingen tot op zo’n vijf meter nauwkeurig registreert. Met behulp van GSM worden de gegevens doorgezonden naar de meldkamer van het beveiligingsbedrijf (provider). Op basis van een vastgesteld protocol informeert de provider Reclassering Nederland of direct de politie.65 De centrale van de provider draait 24 uur per dag, 7 dagen op 7. Deze centrale heeft een rechtstreekse verbinding met de politie indien er sprake is van een overtreding bij hoge risico gevallen (level 3). In de andere gevallen wordt eerst de reclassering ingeschakeld. Er worden bepaalde verbodsgebieden gedefinieerd: bij een gokverslaafde bijvoorbeeld worden zo de gokcentra in de stad gedefinieerd als verbodsgebieden. Wat volgens Fokko de Boer heel belangrijk blijkt te zijn, is dat de gebieden naar omvang toe groot genoeg worden omschreven; in een specifiek geval werd bijvoorbeeld de hele stad Groningen gedefinieerd als verbodsgebied teneinde de vrijheid van het slachtoffer in voldoende mate te kunnen vrijwaren. Een andere belangrijke factor is dat diegenen die de persoon in kwestie monitoren het gebied kennen, en dus bijvoorbeeld ook weten waar scholen e.d. gesitueerd zijn. De technologie bestaat thans uit twee apparaten, de enkelband en het ontvangstapparaat. Er wordt momenteel uitgekeken naar nieuwe technologie waarbij er nog enkel de enkelband vereist is. Het is namelijk gebleken dat de ondertoezichtgestelden vaak vergaten het ontvangstapparaat bij zich te hebben. Maar voordat Reclassering Nederland op dit nieuwe systeem overstapt, zal het eerst worden uitgetest in een pilootproject. GPS wordt enkel gebruikt bij hoge risicogevallen, waarbij dan ook meestal het hybride systeem toegepast wordt. Zoals hoger reeds aangehaald, wordt in deze modus de positie 63

Gesprek met Fokko de Boer, Reclassering Noord-Nederland, Groningen, 18 juni 2009. De centrale server van de controlecentra staat in Kapelle op De IJzel. 65 Reclassering Nederland, Factsheet Electronische Controle met GPS, geraadpleegd op: http://reclassering.nl/documents/Factsheets/Factsheet_GPS_versie281008.pdf. 64

22

AFDELING I – NEDERLAND

van de drager van de apparatuur constant bepaald, maar wordt het pas actief wanneer de drager een gebied verlaat waarbinnen hij moet blijven of een gebied betreedt waarin hij niet mag komen. Van zodra de drager (ongeoorloofd) een gebied verlaat of betreedt, wordt de centrale gewaarschuwd en schakelt men over naar de actieve modus. Wanneer de drager van de enkelband deze probeert uit te doen, zal een transmitter in de band een signaal sturen. De band vormt ook een elektrisch circuit zodat elke schade die aan de band wordt toegebracht, zal uitmonden in een gesignaleerde overtreding. Wanneer GPS-technologie wordt toegepast bij een lagere risicogroep, gebeurt dit meestal op passieve basis. Dit wil zeggen dat de bewegingen van de persoon achteraf, bijvoorbeeld op het eind van de dag, bekeken worden. Ter optimalisering van de controle is het volgens Fokko de Boer alleszins ook zeer belangrijk om met het technologiebedrijf duidelijke afspraken te maken met betrekking tot de signalen die worden doorgegeven; in het andere geval dreigt men terecht te komen in totaal onoverzichtelijke situaties. Niettegenstaande GPS in toenemende mate wordt gebruikt, en de mogelijkheid biedt de verplaatsingen van de ondertoezichtgestelden (permanent) te volgen, blijft het niet gespaard van praktische toepassingsproblemen, met name voor wat betreft zgn. ‘pendelsituaties’ (in termen van Fokko de Boer).66

5

Enkele andere juridische en praktische schikkingen

Maximumduur Wat de duur van de voorlopige hechtenis betreft, bepaalt de Nederlandse wetgeving dat de gevangenhouding in beginsel niet langer dan 90 dagen mag duren. Na deze termijn dient de zaak door de officier van justitie ter terechtzitting gebracht te worden, doch de rechter kan verder uitstel bevelen indien het vooronderzoek nog niet is voltooid67. De maximumduur van de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis is niet specifiek geregeld, noch in het Wetboek van Strafvordering, noch in de Aanwijzing Elektronisch Toezicht, doch aangenomen moet worden dat op dit vlak dezelfde regels gelden als voor de voorlopige hechtenis zelf.

66

Hiermee wordt bedoeld dat, wanneer het signaal van het GPS toestel verspringt van de ene naar de andere satelliet, er een periode is dat er geen signaal bestaat. Dit vormt vooral een probleem indien een gebodsgebied en verbodsgebied vlak bij elkaar liggen; in dat geval weet men immers niet zeker of de persoon in kwestie een overtreding begaat of niet. Moeilijkheden bij de controle via GPS stellen zich ook in grensgebieden en dunbevolkte gebieden, in de metro of de trein, in die zin dat de bewegingen van de persoon in kwestie niet steeds kunnen worden gemonitored. 67 Zie voor een beknopte schets over de procedure in het kader van het vooronderzoek bijvoorbeeld: W.M. de Jongste, “Het Nederlandse strafrechtssysteem”, in A.Th.J. Eggen, S.A. Kalidien (ed.), Criminaliteit en rechtshandhaving 2007, Ontwikkelingen en samenhangen (Onderzoek en Beleid, nr. 271), Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, CBS, WODC, 2008, 41-42.

23

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Organisatie van controle en rapportage Met betrekking tot de organisatie van de controle en rapportage in het kader van de opvolging, is het zo dat de reclasseringsorganisatie belast met het toezicht op de verdachte, bij overtreding van de bijzondere voorwaarde, onmiddellijk de officier van justitie inlicht, waarna deze onverwijld de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis indient. In afwachting van de beslissing van de rechter geeft de officier opdracht tot aanhouding van betrokkene (art. 84 Sv.).68 Schadevergoeding bij latere vrijspraak, buitenvervolgingstelling De artikelen 89-91 van het Wetboek van Strafvordering bepalen de schadevergoeding bij latere vrijspraak. In bepaalde omstandigheden kan de betrokkene een vergoeding krijgen voor schade die hij/zij heeft geleden als gevolg van voorlopige hechtenis, klinische observatie of inverzekeringstelling. Dit is mogelijk indien het strafproces niet heeft geleid tot het opleggen van een straf(maatregel). Men kan ook voor een schadevergoeding in aanmerking komen wanneer er wél een straf(maatregel) wordt opgelegd, maar dan op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding wordt onder meer rekening gehouden met de levensomstandigheden. Indien de schadevergoeding wordt toegekend, wordt deze verrekend met geldboetes en andere schuldsommen die de betrokkene nog verschuldigd is aan de Staat. De rechter kan dan beslissen om in plaats van de betrokkene een schadevergoeding toe te kennen, een ´verrekening´ toe te passen met de vrijheidsstraf die in een andere zaak is opgelegd. De dagen die de persoon (achteraf gezien ten onrechte) in detentie heeft doorgebracht, worden dan in mindering worden gebracht op deze vrijheidsstraf. Men komt in aanmerking voor een schadevergoeding voor ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis indien de volgende voorwaarden van toepassing zijn: − De persoon is verdachte geweest in een strafproces; − Dit strafproces heeft niet geleid tot oplegging van een straf(maatregel), of wél geleid tot een straf(maatregel), maar dan op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten; − De persoon heeft schade ondervonden als gevolg van de ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis; en − Naar het oordeel van de rechter zijn gronden van billijkheid aanwezig. Het verzoek tot schadevergoeding moet worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De behandeling van het verzoek door de Raadkamer vindt plaats in het openbaar.69

68

Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. Art. 89-91 Sv.; Openbaar Ministerie, U wordt verdacht, http://www.om.nl/vast_menu_blok/contact/publieksvragen/u_wordt_verdacht/. 69

24

AFDELING I – NEDERLAND

Aanrekening elektronisch toezicht op duur van later uitgesproken vrijheidsstraf De aanwijzing Elektronisch Toezicht bepaalt uitdrukkelijk dat, wanneer een bijzondere voorwaarde, mede inhoudende de toepassing van elektronisch toezicht, wordt verbonden aan de schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis, het aan de rechter toekomt te bepalen of, en zo ja, in welke mate, hiermee rekening wordt gehouden bij het opleggen van de uiteindelijke straf. Zowel de duur als de intensiteit van de bijzondere voorwaarde spelen hierbij een belangrijke rol.70 De Hoge Raad der Nederlanden besliste in een arrest van 30 september 2008 trouwens dat er geen enkele wettelijke basis bestaat die voorziet in een automatische aftrek van de periode onder elektronisch toezicht (in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis) bij de uitvoering van de vrijheidsstraf. De Raad aanvaardde daarentegen wel de stelling dat het de rechter vrij staat daarmee bij de strafoplegging “rekening te houden”.71

70 71

Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, 121. Hoge Raad der Nederlanden, 30 september 2008, LDN BD4875, te raadplegen op: http://jure.nl/bd4875

25

SECTION II – AFDELING II FRANCE FRANKRIJK

1

Courte contextualisation et historique de l’application (générale) de la surveillance électronique

En France, c’est en 1989 qu’une mesure d’assignation à domicile sous surveillance électronique (ADSE) est proposée pour la première fois, dans un rapport parlementaire du député Gilbert Bonnemaison, consacré à la modernisation du service public pénitentiaire72. Ce rapport envisageait l’usage du (désormais) placement sous surveillance électronique (PSE) dans différentes circonstances : au stade de la détention provisoire et au stade de l’exécution de la peine soit en termes d’aménagement de celle-ci, soit en termes d’alternative à celle-ci. Le rapport pointait déjà des avantages à mettre en œuvre pareille mesure, bien entendu dans une perspective de désengorgement des prisons mais également sur le plan financier et sur le plan de la réinsertion. Cette proposition n’a pas été suivie dans les mois, ni dans les quelques années qui ont suivi. Différents paramètres peuvent expliquer cette relégation 73 : la déception des organisations syndicales pénitentiaires en attente d’une amélioration de leurs conditions de travail ; un contexte politique qui n’envisage pas la question de la sécurité par le biais de l’exécution des peines, ou encore un certain apaisement face à la question de la surpopulation carcérale en raison de la création de nouvelles places et du nombre important de décisions d’amnistie à cette époque. Mais le développement de ce dispositif dans différents pays européens et une conjugaison des mobilisations de l’administration pénitentiaire française et de certains parlementaires 74 , soutiennent la résurgence en France du débat sur cette question. Le placement sous surveillance électronique est alors proposé à nouveau en 1996 par le sénateur Guy-Pierre Cabanel et envisagé principalement comme un outil de prévention de la récidive. Rapidement, la loi n° 97-1159 du 19 décembre 1997 instaure le placement sous surveillance électronique (PSE) comme modalité d’exécution des peines privatives 72

R. Levy, A. Pitoun, « L’expérimentation du placement sous surveillance électronique en France et ses enseignements », Déviance et société, 2004, n° 4, 413. 73 J.-Ch. Froment, « Le développement du placement électronique en France : mobilisation du politique et neutralisation idéologique », in Justice et technologies, surveillance électronique en Europe, Froment, J.Ch., Kaluszynski, M., Presses Universitaires de Grenoble, 2006. 74 Ibid.

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

de liberté. Cette loi envisage le placement sous surveillance électronique uniquement dans la phase post-sentencielle. Le champ d’application du PSE connaît une première extension avec la loi n° 2000-516 du 15 juin 2000 sur la présomption d’innocence qui prévoit son usage comme modalité d’application de la détention provisoire (terminologie française). Mais cette extension subira un aménagement avec l’arrivée de la loi n° 2002-1138 du 9 septembre 2002 d’orientation et de programmation pour la justice. Il sera toujours question d’une possibilité d’application de la surveillance électronique dès la phase d’information de la procédure judiciaire, non plus dans le cadre de la détention provisoire mais bien dans le cadre du contrôle judiciaire. Détention provisoire et contrôle judiciaire se distinguent par le degré d’exigence de leurs conditions d’application. Alors que la première mesure privative de liberté est réservée aux personnes mises en examen pour les faits les plus graves entraînant une peine correctionnelle d’au moins trois ans d’emprisonnement ou une peine criminelle (voir infra, par. 2.1), la seconde mesure, qui consiste à maintenir l’intéressé en liberté et à lui imposer le respect d’obligations et/ou d’interdictions (comparable avec la liberté sous conditions en Belgique), peut être ordonnée aux personnes mises en examen pour une infraction qui prévoit au minimum une peine correctionnelle. Cette extension dans le champ du contrôle judiciaire, a donc pour conséquence d’élargir sensiblement le public cible du placement sous surveillance électronique. Ensuite, la loi n° 2004-204 du 9 mars 2004 qui traite de l’adaptation de la justice aux évolutions de la criminalité, renforce encore l’usage du placement sous surveillance électronique par l’insertion du nouvel article 132-26-1 du code pénal qui permet le prononcé du placement sous surveillance électronique par les juridictions de jugement : « Lorsque la juridiction de jugement prononce une peine égale ou inférieure à un an d'emprisonnement, elle peut décider à l'égard du condamné qui justifie soit de l'exercice d'une activité professionnelle, soit de son assiduité à un enseignement ou une formation professionnelle ou encore d'un stage ou d'un emploi temporaire en vue de son insertion sociale, soit de sa participation essentielle à la vie de sa famille, soit de la nécessité de subir un traitement médical, que la peine d'emprisonnement sera exécutée sous le régime du placement sous surveillance électronique ». Jusqu’ici, il n’était question que d’un dispositif technique statique. La version mobile (PSEM) s’est développée et a été introduite en droit français à titre de mesure de sûreté, par la loi n° 2005-1549 du 12 décembre 2005 relative au traitement de la récidive des infractions pénales. Le nouvel article 131-36-10 du code pénal énonce que : « Le placement sous surveillance électronique mobile ne peut être ordonné qu'à l'encontre d'une personne majeure condamnée à une peine privative de liberté d'une durée égale ou supérieure à sept ans et dont une expertise médicale a constaté la dangerosité, lorsque cette mesure apparaît indispensable pour prévenir la récidive à compter du jour où la privation de liberté prend fin ». L’arsenal ainsi complété ne subira plus de changements fondamentaux. Le placement sous surveillance électronique peut donc être ordonné avant le jugement, prononcé au

28

SECTION II – FRANCE

jugement ou ordonné après celui-ci. Cette mesure est applicable aux majeurs, et dans certaines conditions, aux mineurs de plus de 13 ans75. Ce 24 novembre 2009, le Projet de loi Pénitentiaire proposé en 2008 par Rachida Dati, alors ministre de la Justice et Garde des Sceaux, est adopté (Loi n° 2009-1436)76. Ce Projet de Loi Pénitentiaire poursuit l’extension du champ d’application du placement sous surveillance électronique, et plus spécifiquement en proposant la modification de l’article 137 du code de procédure pénale et le développement des mesures de contrôle pendant la phase d’information. En effet, ce projet propose d’ajouter, entre le contrôle judiciaire et la détention provisoire, la mesure dite « assignation à résidence avec surveillance électronique » (ARSE)77. Cette mesure est applicable envers un prévenu qui encourt une peine d’emprisonnement correctionnel d’au moins deux ans ou une peine plus grave. De plus dans l’article 142-12 du code de procédure pénale proposé par le projet de loi, il est prévu que l’assignation à résidence sous surveillance électronique peut également être prononcée par les juridictions d’instruction et de jugement comme une alternative à la détention provisoire (voir infra, par. 2.1). Le Projet de Loi Pénitentiaire s’inscrit d’une part dans une tentative de l’État français de se placer en conformité avec les règles européennes pénitentiaires et d’autre part, dans un projet politique de modernisation du système pénitentiaire français : « La loi pénitentiaire n'a pas pour finalité de désengorger les prisons : elle est faite pour mieux prendre en charge les détenus, pour mieux préparer la réinsertion et pour prévenir la récidive »78. Cependant, la lutte contre la surpopulation carcérale est inscrite dans la politique pénale du gouvernement comme un objectif à part entière du processus de réforme des prisons engagé depuis plusieurs années. Rachida Dati, lors de sa présentation du projet de loi, fait état d’une avancée de l’augmentation de la capacité pénitentiaire: « en 2008, nous avons ouvert 2 800 places. En 2009, nous en ouvrons 5 130. L'objectif est de disposer de 63 000 places en 2012. Nous y parviendrons » 79 . Par ailleurs, jusqu’à l’accord issu de la commission mixte paritaire en octobre 2009, les débats s’animent autour de différentes questions et notamment celles de l’encellulement individuel et du régime différencié. La position du gouvernement français, soutenant davantage la seconde que la première, témoigne sans doute du maintien d’une logique d’aggravation pénale notamment en consacrant un pouvoir d’appréciation à l’administration pénitentiaire quant au « sort » du détenu et moins d’un renouvellement de l’approche de l’incarcération, de son rôle et de sa finalité80. De plus, de nouveaux projets de loi sur la récidive et sur les bandes organisées 75

Ordonnance n°45-174 du 2 février 1945 relative à l’enfance délinquante : article 2 quant à la possibilité de prononcer une peine d’emprisonnement et les articles 10-2 et suivants, concernant les conditions d’application du contrôle judiciaire et de la détention provisoire aux mineurs. 76 Dans le cadre de la rédaction du rapport final de cette recherche nous nous sommes basés sur le Projet de loi pénitentiaire tel que soumis aux instances législatives françaises. 77 Nous supposons qu’il est question de transformer en mesure à part entière un dispositif de surveillance électronique qui n’était alors qu’une modalité du contrôle judiciaire. 78 Discours de Rachida Dati, Garde des Sceaux, ministre de la Justice, lors de l’examen du projet de loi pénitentiaire au Sénat, 3 mars 2009: http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10093&ssrubrique=11374&article=17281 79 Ibid. 80 Voir le compte rendu intégral des débats de la Commission mixte paritaire du 13 octobre 2009 : http://www.senat.fr/seances/s200910/s20091013/s20091013006.html#section565

29

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

laissent supposer que le gouvernement s’attend à une potentielle augmentation de la population carcérale81. Dans les débats autour de ce projet de loi, le bracelet électronique est présenté comme un des outils utiles à la prévention de la récidive et dès lors principalement soutenu en tant que dispositif d’aménagement de la peine (procédure simplifiée, augmentation du nombre de condamnés qui pourra y prétendre, systématisation du placement sous surveillance électronique comme aménagement en fin de peine et comme alternative à l’enfermement en matière correctionnelle à l’exclusion des récidivistes et des détenus en attente d’expertise psychiatrique). Les échanges (limités par le cadre de la procédure d’urgence) entre le Sénat et l’Assemblée nationale ne font que très peu mention de l’intégration de ce dispositif dans la phase pré-sentencielle. L’assignation à résidence sous surveillance électronique n’apparaît donc pas comme un enjeu déterminant dans la poursuite de l’un ou l’autre des objectifs du projet de loi. C’est bien l’éloge des mesures alternatives ou complémentaires à l’emprisonnement en termes de sanction que l’on retrouve dans les discours82. Cependant au regard des perspectives d’adéquation parfaite entre la capacité carcérale et sa population, énoncées par l’actuelle ministre de la justice et des libertés, peut-on sans doute envisager le recours à la surveillance électronique, tant au bénéfice du prévenu que du détenu, comme un outil de gestion de la population carcérale. Cette technologie de surveillance électronique a le vent en poupe puisque début 2008, l’assignation à domicile sous surveillance électronique (mobile) a été introduite comme obligation dans le cadre d’une surveillance judiciaire, d’un suivi socio-judiciaire ou d’une surveillance de sûreté, et ce par la loi n° 2008-174 du 25 février 2008 relative à la rétention de sûreté (comparable avec la mise à disposition du gouvernement par le tribunal d’application des peines en Belgique) et à la déclaration d’imputabilité pour cause de trouble mental. Cette obligation est applicable aux personnes condamnées à une peine de réclusion criminelle d’une durée égale ou supérieure à 15 ans pour l’un des crimes visés par l’article 706-53-13 du code de procédure pénale, soit « les personnes dont il est établi, à l'issue d'un réexamen de leur situation intervenant à la fin de l'exécution de leur peine, qu'elles présentent une particulière dangerosité caractérisée par une probabilité très élevée de récidive parce qu'elles souffrent d'un trouble grave de la personnalité ». Alors que la surveillance électronique était instaurée dans le cadre de la détention préventive par la loi du 15 juin 2000, différents éléments ont participé à l’abandon de cette possibilité pour laisser la place à une surveillance électronique dans le cadre du contrôle judiciaire (loi du 9 septembre 2002). Ces différents éléments sont d’une part à mettre en lien avec des questions pratiques quant à la mise en œuvre de la mesure, et d’autre part, renvoient à des difficultés rencontrées quant au principe même de l’application de la mesure. En effet, tout d’abord, le délai qui vise à rassembler les 81

Ibid. Discours de Michèle Alliot-Marie, ministre d’Etat, garde des sceaux, ministre de la Justice et des Libertés, Audition sur le projet de loi pénitentiaire, Assemblée Nationale, 8 septembre 2009: http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10093&ssrubrique=11374&article=17717 82

30

SECTION II – FRANCE

informations relatives à la situation personnelle du prévenu (s’il dispose de l’électricité et du téléphone, si des obligations familiales et/ou professionnelles vont conditionner les plages horaires que couvre la mesure,…) est trop court en phase d’instruction en comparaison avec ce que la phase de jugement autorise. Ensuite, les modalités de contrôle qu’offre la surveillance électronique ne rencontrent pas de façon satisfaisante les objectifs poursuivis par la détention provisoire (risque de collusion, risque de disparition des preuves,…)83. La loi du 15 juin 2000 institue, en son article 72, une commission de suivi de la détention provisoire : « Elle est placée auprès du ministre de la justice. Elle est composée de deux représentants du Parlement, d’un magistrat de la Cour de cassation, d’un membre du Conseil d’État, d’un professeur de droit, d’un avocat et d’un représentant d’un organisme de recherche judiciaire. Elle est chargée de réunir les données juridiques, statistiques et pénitentiaires concernant la détention provisoire, en France et à l’étranger. Elle se fait communiquer tout document utile à sa mission et peut procéder à des visites ou à des auditions. Elle publie dans un rapport annuel les données statistiques locales, nationales et internationales concernant l’évolution de la détention provisoire ainsi que la présentation des différentes politiques mises en œuvre. Elle établit une synthèse des décisions en matière d’indemnisation de la détention provisoire (…) ». Le rapport 2007 de la commission de suivi de la détention provisoire fait notamment état que le contrôle judiciaire sous surveillance électronique apparaît dans les statistiques dès l’année 2003 et concerne à cette époque 1% des mesures de contrôle judiciaire. Le rapport précise qu’aucune augmentation de l’usage de cette mesure sous surveillance électronique n’est survenue durant les deux années suivantes84. Quant à l’incidence du contrôle judiciaire (toutes modalités confondues) en termes d’alternative à la détention préventive sur le nombre de recours à cette dernière, elle semble sans consistance. En effet, le rapport relève que le recours au contrôle judiciaire progresse alors que le recours à la détention préventive ne subit pas une diminution équivalente 85 . De plus, le rapport fait également l’analyse que la mesure du contrôle judiciaire est davantage envisagée comme complément aux mises en liberté après un placement sous mandat de dépôt, que mise en œuvre ab initio. L’incidence du recours à la mesure de contrôle judiciaire se mesure donc de façon plus pertinente au regard du développement des mises en liberté86.

83

C. Cardet, « La mise en œuvre du placement sous surveillance électronique », Recueil Dalloz, 2003, II, 1788. 84 J.M. Delarue, Rapport fait au nom de la Commission de suivi de la détention provisoire, 2007, 40. 85 Voir aussi la situation en Belgique, Chapitre 3. 86 Ibid.

31

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

2

Réglementation

Il est question ici d’aborder la réglementation qui a trait à la détention provisoire et à la mise en œuvre de la surveillance électronique, telle qu’elle est prévue par le Projet de loi pénitentiaire, au stade de la procédure de l’information. Nous n’aborderons pas ici la mise en œuvre de cette même mesure dans le cadre de l’aménagement de la peine.

2.1 LE CADRE GÉNÉRAL DE LA DÉTENTION PROVISOIRE En France, la détention provisoire peut être ordonnée en raison des nécessités de l’instruction ou à titre de mesure de sûreté. Cette mesure peut être imposée à un prévenu, majeur ou mineur, au cours de la procédure d’instruction. Le juge d’instruction ne peut envisager cette mesure qu’à titre exceptionnel, c'est-à-dire lorsque le contrôle judiciaire se révèle insuffisant au regard des objectifs poursuivis par le juge d’instruction (art. 137 actuel du code de procédure pénale). Conformément à l’article 145 actuel du code de procédure pénale, le juge d’instruction, sur réquisitoire du procureur de la République tendant au placement en détention provisoire, transmet le dossier de la procédure au juge des libertés et de la détention. Le juge des libertés et de la détention procède alors, tout d’abord, à la comparution de la personne mise en examen et de son avocat. Si le juge envisage de placer la personne mise en examen en détention provisoire, il doit informer celle-ci de son intention et l’informer également du fait qu’elle a le droit de demander un délai pour préparer sa défense. En effet, une décision de placement en détention provisoire doit succéder à un débat contradictoire au cours duquel le ministère public, le mis en cause et son avocat sont entendus. Si la personne mise en cause ou son avocat demande un délai pour préparer sa défense, le juge compétent ne peut ordonner immédiatement le placement en détention provisoire. Cependant, le juge, par ordonnance motivée et non susceptible d’appel peut prescrire une incarcération à durée déterminée qui ne peut excéder quatre jours. Dans ce délai le juge procède à nouveau à la comparution de la personne mise en cause, avec ou sans son avocat, et procède au débat contradictoire. Par contre, si le juge des libertés et de la détention n’envisage pas la détention provisoire mais étudie un éventuel placement sous contrôle judiciaire, il dispose également de la possibilité de procéder à une incarcération provisoire de maximum quatre jours, et ce par ordonnance motivée susceptible d’appel. A défaut de la tenue du débat contradictoire dans ce délai, la personne est mise en liberté d’office. L’incarcération provisoire est assimilée à de la détention provisoire et sera donc imputée sur la durée de cette dernière. Plusieurs conditions doivent préalablement être réunies pour pouvoir envisager cette mesure. Tout d’abord, la gravité de l’infraction pour laquelle l’intéressé est prévenu doit être prise en considération. Des seuils sont ainsi fixés (art. 143-1 actuel du code de procédure pénale) : soit le prévenu encourt une peine criminelle, soit il encourt une peine correctionnelle d'une durée égale ou supérieure à trois ans d’emprisonnement. Ensuite, 32

SECTION II – FRANCE

doit être appréciée la pertinence du choix de cette mesure, la détention provisoire doit en effet constituer l'unique moyen de préserver le bon déroulement de l’instruction, en ce entendu qu’à cette occasion un placement sous contrôle judiciaire n’offrirait pas à cette fin les garanties suffisantes (art. 137 actuel du code de procédure pénale). Enfin, l’article 144 actuel du code de procédure pénale énumère sept objectifs (non nécessairement cumulatifs) que la détention provisoire doit être en mesure de rencontrer : conserver les preuves ou les indices matériels qui sont nécessaires à la manifestation de la vérité; empêcher une pression sur les témoins ou les victimes ainsi que sur leur famille ; empêcher une concertation frauduleuse entre la personne mise en examen et ses coauteurs ou complices ; protéger la personne mise en examen ; garantir le maintien de la personne mise en examen à la disposition de la justice ; mettre fin à l'infraction ou prévenir son renouvellement ; mettre fin au trouble exceptionnel et persistant à l'ordre public provoqué par la gravité de l'infraction, les circonstances de sa commission ou l'importance du préjudice qu'elle a causé. Ce trouble ne peut résulter du seul retentissement médiatique de l’affaire. Toutefois, l’article précise que le motif du trouble exceptionnel n'est pas applicable en matière correctionnelle. Par ailleurs, la détention provisoire peut également être ordonnée quand un prévenu s’est volontairement soustrait aux obligations fixées par le juge d'instruction ou par le juge des libertés et de la détention, dans le cadre d’une mesure de contrôle judiciaire (art. 143-1 actuel du code de procédure pénale). Telle que prévue par le Projet de loi pénitentiaire, la surveillance électronique et l’assignation à résidence, sont les deux axes fondamentaux de la nouvelle mesure de sûreté proposée : « Cette mesure oblige la personne à demeurer dans son domicile ou dans une résidence fixée par le juge d’instruction ou le juge des libertés et de la détention et de ne s’en absenter qu’aux conditions et pour les motifs déterminés par ce magistrat » (art. 142-5). La surveillance électronique est donc un moyen de contrôle à distance de cette obligation. Les formalités spécifiques évoquées dans le projet de loi (art. 142-5) sont, d’une part l’accord de l’intéressé et d’autre part, que celui-ci « encourt une peine d’emprisonnement correctionnel d’au moins deux ans ou une peine plus grave ». Le même article prévoit également la mise en œuvre d’une surveillance électronique mobile : « Quand l’intéressé est mis examen pour une infraction punie de plus de sept ans d’emprisonnement et pour laquelle le suivi socio-judiciaire est encouru ». Cette mesure est envisagée comme un pallier de contrôle intermédiaire entre les deux mesures préexistantes, à savoir la détention provisoire et le contrôle judiciaire. Le non respect des obligations d’une mesure peut motiver le magistrat à opter pour un contrôle croissant de l’intéressé et dès lors à appliquer la mesure la plus contraignante. Le projet de loi propose d’insérer dans le code de procédure pénale un article 142-8 qui précise ainsi que « la personne qui ne respecte pas les obligations résultant de l’assignation à résidence avec surveillance électronique peut faire l’objet d’un mandat d’arrêt ou d’amener et être placé en détention provisoire ». Cet article se termine sur les termes suivant : « conformément à l’article 141-2 », qui renvoie à la possibilité pour le magistrat de sanctionner le non respect du contrôle judiciaire en ordonnant une détention provisoire, et ce, quelle que soit la peine d'emprisonnement initialement encourue. Se pose ici la

33

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

question de savoir si l’assignation à résidence sous surveillance électronique telle que proposée par le Projet de loi pénitentiaire peut sanctionner le non respect du contrôle judiciaire, du fait du degré intermédiaire de contrainte qu’elle impose entre ce dernier et la détention provisoire. Le projet de loi propose un article 142-12 CPP qui prévoit que l’assignation à résidence avec surveillance électronique peut être prononcée par les juridictions d’instruction et de jugement comme mesure alternative à la détention provisoire mais seulement dans certains cas ci énumérés : lorsqu’une personne est arrêtée après le règlement de l’information (art. 135-2 du code de procédure pénale) ; lorsque, le procureur de la République saisit directement le juge des libertés et de la détention d’un placement en détention provisoire (art. 137-4); lorsque le juge des libertés et de la détention est saisi par une ordonnance du juge d’instruction tendant au placement en détention de la personne mise en examen (art. 145) ; lorsque le juge d'instruction est saisi par la personne placée en détention provisoire ou par son avocat, d’une demande de mise en liberté (art. 148) ; lorsque la chambre de l’instruction est appelée à statuer sur le maintien en détention d’une personne mise en examen (art. 201 et 221-3) ou d’une demande de mise en liberté, en particulier dans le cadre du mandat d’arrêt européen (art. 695-34) ou de la procédure d’extradition (art. 696-19) ; lorsque la cour d’assises estime nécessaire de s’assurer de la présence de l’accusé ou d’empêcher des pressions sur les victimes ou des témoins (art. 272-1) ; chaque fois que le tribunal correctionnel peut décider une détention et en particulier dans le cadre d’une comparution immédiate (art. 397-3). Les points qui suivent mettent en évidence le caractère hybride de l’assignation à résidence sous surveillance électronique, dont les conditions d’application se rapprochent tantôt de celles du contrôle judiciaire tantôt de celles de la détention provisoire.

2.2 EXCEPTIONS ET CONTRE-INDICATIONS Le Projet de loi pénitentiaire ne formule aucune exception ou contre-indication quant à l’application de cette mesure. Il n’en existe pas non plus de légalement définies pour la détention provisoire ou le contrôle judiciaire. Cependant, les dispositions du décret du Conseil d’Etat du 17 mars 2004 qui organisent la mise en œuvre de la surveillance électronique peuvent apporter des éléments de réponse. L’article R57-10 du Titre III du décret énonce que « Le placement sous surveillance électronique des personnes sous contrôle judiciaire ordonné par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention et celui des personnes condamnées à une peine privative de liberté ordonné par la juridiction de jugement ou par le juge de l'application des peines en application des dispositions des articles 138 et 723-7 du présent code et de l'article 132-26-1 du code pénal s'effectue dans les conditions fixées par les dispositions du présent titre ». Dès lors, ce décret nous semble participer pleinement à la description de l’assignation à résidence sous surveillance électronique.

34

SECTION II – FRANCE

Une spécificité de l’assignation à résidence sous surveillance électronique, tient aux conditions sociales et matérielles indispensables à sa bonne mise en œuvre. Il peut être question de la qualité des relations sociales entre les prévenus et les personnes qui partagent son lieu de vie mais aussi des appareils ou de l’énergie dont dispose le lieu de vie de l’inculpé. Ainsi la mésentente entre le prévenu et son conjoint ou ses enfants, ou par exemple l’implication de ceux-ci en tant que victime ou témoin de l’infraction pour laquelle le prévenu est suspecté sont des éléments susceptibles de ne pas encourager le magistrat compétent à ordonner une assignation à résidence sous surveillance électronique ou sont des éléments qui s’y opposent clairement. L’absence de téléphone ou d’électricité dans le lieu de vie du détenu agira également dans le même sens. Les mesures préalables au placement sous surveillance électronique prévues par le décret du Conseil d’État n° 2004-243 du 17 mars 2004 (voir infra, par. 2.4) qui consistent en une vérification de la situation familiale, matérielle et sociale du prévenu sont donc susceptibles de mettre à jour des circonstances non favorables au bon déroulement de la mesure. L’assignation à résidence sous surveillance électronique se distingue donc du contrôle judiciaire et de la détention provisoire en ce que son déroulement ne dépend pas uniquement de la compétence du juge de l’ordonner, mais aussi, et de façon déterminante, des conditions de vie du prévenu.

2.3 INSTANCES DE DÉCISION Conformément à l’article 142-6 proposé dans le projet de loi, le juge d’instruction et le juge des libertés et de la détention sont compétents pour décider par ordonnance motivée d’une assignation à résidence sous surveillance électronique. Les juges compétents doivent statuer après un débat contradictoire tel qu’il est prévu pour le contrôle judiciaire et pour la détention préventive (art. 145 CPP). Le juge des libertés et de la détention est crée par la loi n° 2000-516 du 15 juin 2000. Depuis, le code de procédure pénale le définit : « Le juge des libertés et de la détention est un magistrat du siège ayant rang de président, de premier vice-président ou de viceprésident. Il est désigné par le président du tribunal de grande instance. Lorsqu'il statue à l'issue d'un débat contradictoire, il est assisté d'un greffier. En cas d'empêchement du juge des libertés et de la détention désigné et d'empêchement du président ainsi que des premiers vice-présidents et des vice-présidents, le juge des libertés et de la détention est remplacé par le magistrat du siège le plus ancien dans le grade le plus élevé, désigné par le président du tribunal de grande instance. Il peut alors faire application des dispositions de l'article 93. Il ne peut, à peine de nullité, participer au jugement des affaires pénales dont il a connu ». Au cours de la procédure d’instruction, le juge d’instruction et le juge des libertés et de la détention ont des compétences communes mais qui se distinguent sensiblement. Le juge d’instruction, sur réquisitoire du procureur de la République, peut envisager des mesures attentatoires à la liberté individuelle. Le degré de contrainte organise la répartition des

35

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

compétences entre lui et le juge des libertés et de la détention. Alors que les mesures faiblement contraignantes (contrôle judiciaire) peuvent être ordonnées par le juge d’instruction, la contrainte ultime, à savoir la détention provisoire, ne peut être ordonnée que par le juge des libertés et de la détention. Ce dernier ne peut y procéder que s’il est saisi d’une demande de détention provisoire par le juge d’instruction. Il peut accéder à la demande ou la rejeter et ordonner une autre mesure (contrôle judiciaire ou assignation à résidence sous surveillance électronique telle que proposée par le projet de loi) ou la mise en liberté. C’est également lui qui examinera les demandes de remise en liberté et qui ordonnera le maintien ou la levée de la mesure. Les compétences du juge des libertés et de la détention s’exercent également hors de la phase de l’instruction et dès que des opérations attentatoires aux libertés individuelles doivent être menées, notamment sur réquisition du procureur de la République (perquisition, visites domiciliaires, saisie, écoute téléphonique, ...).

2.4 PROCÉDURE (AVANT LA MISE EN PLACE DE LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE) Le Projet de loi pénitentiaire propose un article 142-5 CPP qui précise que la mesure ne peut-être ordonnée que « avec l’accord ou à la demande de l’intéressé ». S’il s’agit d’un mineur non émancipé, cette décision ne peut être prise qu’avec l’accord des titulaires de l’exercice de l’autorité parentale. L’initiative de cette mesure est donc partagée. Il propose également un article 142-6 CPP qui prévoit qu’un débat contradictoire doit précéder l’ordonnance du magistrat et que cette dernière doit être motivée. Le débat contradictoire n’est cependant plus requis lorsque le magistrat statue sur une demande de mise en liberté. L’obligation que constitue l’assignation à résidence, telle qu’organisée dans le projet de loi, est exécutée « sous le régime du placement sous surveillance électronique » (art. 1425), fixe ou mobile, cela implique un transfert au juge d’instruction des compétences jusque là attribuées au juge de l’application des peines dans le cadre de l’application postsentencielle de la surveillance électronique. Le décret du Conseil d’État n° 2004-243 du 17 mars 2004 relatif en son titre III au placement sous surveillance électronique au bénéfice des prévenus et des condamnés, traite en sa section II des mesures préalables au placement sous surveillance électronique (art. R57-13-14-15) et les énonce: s’assurer de la disponibilité du dispositif technique ; vérifier la situation familiale, matérielle et sociale de la personne prévenue, notamment en vue de déterminer les horaires et lieux d’assignation ; recueillir l’accord écrit du propriétaire ou du locataire des lieux où sera installé le récepteur; information à l’intéressé qu’il peut faire appel à un médecin pour vérifier que le dispositif technique ne présente aucun « inconvénient » pour sa santé. Enfin, l’article 763-12 actuel du code de procédure pénale indique que la mise en œuvre de cette mesure « doit garantir le respect de la dignité, de l'intégrité et de la vie privée de la personne et favoriser sa réinsertion sociale ».

36

SECTION II – FRANCE

2.5 CONTENU DE LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE (ASSIGNATION À RÉSIDENCE, CUMULÉE À D’AUTRES CONDITIONS, CONTRÔLE DE CONDITIONS DÉTERMINÉES) Au stade de la procédure d’instruction, telle que prévue par le Projet de loi pénitentiaire, la surveillance électronique greffée à une obligation de demeurer dans un lieu imposé par le magistrat est appelée « assignation à résidence avec surveillance électronique » (au stade de l’exécution des peines elle est appelée « placement sous surveillance électronique »). L’assignation à résidence avec surveillance électronique peut être assortie d’autres obligations telles que celles énumérées dans le cadre du contrôle judiciaire. En effet le projet de loi propose d’insérer au code de procédure pénale un article 142-5 qui prévoit que « la personne peut être en outre astreinte aux obligations et interdictions prévues par l’article 138 [du code de procédure pénale] », à savoir : « 1° Ne pas sortir des limites territoriales déterminées par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention ; 2° Ne s'absenter de son domicile ou de la résidence fixée par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention qu'aux conditions et pour les motifs déterminés par ce magistrat ; 3° Ne pas se rendre en certains lieux ou ne se rendre que dans les lieux déterminés par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention ; 4° Informer le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention de tout déplacement au-delà de limites déterminées ; 5° Se présenter périodiquement aux services, associations habilitées ou autorités désignés par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention qui sont tenus d'observer la plus stricte discrétion sur les faits reprochés à la personne mise en examen ; 6° Répondre aux convocations de toute autorité, de toute association ou de toute personne qualifiée désignée par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention et se soumettre, le cas échéant, aux mesures de contrôle portant sur ses activités professionnelles ou sur son assiduité à un enseignement ainsi qu'aux mesures socio-éducatives destinées à favoriser son insertion sociale et à prévenir le renouvellement de l'infraction ; 7° Remettre soit au greffe, soit à un service de police ou à une brigade de gendarmerie tous documents justificatifs de l'identité, et notamment le passeport, en échange d'un récépissé valant justification de l'identité ; 8° S'abstenir de conduire tous les véhicules ou certains véhicules et, le cas échéant, remettre au greffe son permis de conduire contre récépissé ; toutefois, le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention peut décider que la personne mise en examen pourra faire usage de son permis de conduire pour l'exercice de son activité professionnelle ; 9° S'abstenir de recevoir ou de rencontrer certaines personnes spécialement désignées par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention, ainsi que d'entrer en relation avec elles, de quelque façon que ce soit ;

37

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER 10° Se soumettre à des mesures d'examen, de traitement ou de soins, même sous le régime de l'hospitalisation, notamment aux fins de désintoxication ; 11° Fournir un cautionnement dont le montant et les délais de versement, en une ou plusieurs fois, sont fixés par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention, compte tenu notamment des ressources et des charges de la personne mise en examen ; 12° Ne pas se livrer à certaines activités de nature professionnelle ou sociale, à l'exclusion de l'exercice des mandats électifs et des responsabilités syndicales, lorsque l'infraction a été commise dans l'exercice ou à l'occasion de l'exercice de ces activités et lorsqu'il est à redouter qu'une nouvelle infraction soit commise. Lorsque l'activité concernée est celle d'un avocat, le conseil de l'ordre, saisi par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention, a seul le pouvoir de prononcer cette mesure à charge d'appel, dans les conditions prévues à l'article 24 de la loi n° 71-1130 du 31 décembre 1971 portant réforme de certaines professions judiciaires et juridiques ; le conseil de l'ordre statue dans les quinze jours ; 13° Ne pas émettre de chèques autres que ceux qui permettent exclusivement le retrait de fonds par le tireur auprès du tiré ou ceux qui sont certifiés et, le cas échéant, remettre au greffe les formules de chèques dont l'usage est ainsi prohibé ; 14° Ne pas détenir ou porter une arme et, le cas échéant, remettre au greffe contre récépissé les armes dont elle est détentrice ; 15° Constituer, dans un délai, pour une période et un montant déterminés par le juge d'instruction ou le juge des libertés et de la détention, des sûretés personnelles ou réelles ; 16° Justifier qu'elle contribue aux charges familiales ou acquitte régulièrement les aliments qu'elle a été condamnée à payer conformément aux décisions judiciaires et aux conventions judiciairement homologuées portant obligation de verser des prestations, subsides ou contributions aux charges du mariage ; 17° En cas d'infraction commise soit contre son conjoint, son concubin ou son partenaire lié par un pacte civil de solidarité, soit contre ses enfants ou ceux de son conjoint, concubin ou partenaire, résider hors du domicile ou de la résidence du couple et, le cas échéant, s'abstenir de paraître dans ce domicile ou cette résidence ou aux abords immédiats de celui-ci, ainsi que, si nécessaire, faire l'objet d'une prise en charge sanitaire, sociale ou psychologique ; les dispositions du présent 17° sont également applicables lorsque l'infraction est commise par l'ancien conjoint ou concubin de la victime, ou par la personne ayant été liée à elle par un pacte civil de solidarité, le domicile concerné étant alors celui de la victime. L'obligation prévue au 2° peut être exécutée, avec l'accord de l'intéressé recueilli en présence de son avocat, sous le régime du placement sous surveillance électronique, à l'aide du procédé prévu par l'article 723-8. Les articles 723-9 et 723-12 sont applicables, le juge d'instruction exerçant les compétences attribuées au juge de l'application des peines. Les modalités d'application du présent article, en ce qui concerne notamment l'habilitation des personnes contribuant au contrôle judiciaire et au placement sous surveillance électronique sont déterminées en tant que de besoin par un décret en Conseil d'État.»

2.6 MOYENS DE CONTRÔLE Le Projet de loi pénitentiaire ne reprend pas le détail des considérations pratiques. Pour ce qui est de la description des techniques, procédés et outils utilisés, le projet de loi renvoie à la section VI du code de procédure pénale qui traite du placement sous surveillance électronique et à son article 723-8 actuel: « Le contrôle de l'exécution de la mesure est 38

SECTION II – FRANCE

assuré au moyen d'un procédé permettant de détecter à distance la présence ou l'absence du condamné dans le seul lieu désigné par le juge de l'application des peines pour chaque période fixée. La mise en œuvre de ce procédé peut conduire à imposer à la personne assignée le port, pendant toute la durée du placement sous surveillance électronique, d'un dispositif intégrant un émetteur. Le procédé utilisé est homologué à cet effet par le ministre de la justice. La mise en œuvre doit garantir le respect de la dignité, de l'intégrité et de la vie privée de la personne ». Le décret du Conseil d’État du 17 mars 2004 complète la description de l’appareillage technique nécessaire à la mise en œuvre de la surveillance. Son article R57-11 décrit le dispositif technique87 du placement sous surveillance électronique. En son article R 57-22, il est précisé ensuite que « Le contrôle du respect des obligations de la personne assignée s’effectue par vérification téléphoniques, visites au lieu d’assignation, convocations à l’établissement d’écrou, ou dans les cas prévus à l’article R. 57-21, au service pénitentiaire d’insertion et de probation ». Quant au dispositif « mobile », l’article 763-13 actuel du CPP, auquel nous renvoie le Projet de loi pénitentiaire (art. 142-5), énonce que « Le contrôle à distance de la localisation du condamné fait l'objet d'un traitement automatisé de données à caractère personnel, mis en œuvre conformément aux dispositions de la loi n° 78-17 du 6 janvier 1978 relative à l'informatique, aux fichiers et aux libertés. Dans le cadre des recherches relatives à une procédure concernant un crime ou un délit, les officiers de police judiciaire spécialement habilités à cette fin sont autorisés à consulter les données figurant dans ce traitement ». Enfin, conformément à l’article R57-35 du décret du Conseil d’État du 17 mars 2004, nous pouvons considérer que les personnes mises en examen qui bénéficieront d’une assignation à résidence sous surveillance électronique seront inscrites dans un registre nominatif spécial tenu par l’administration pénitentiaire.

2.7 DURÉE DE LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE, PROLONGEMENT, MODIFICATION, ET TERME L’article 142-7 proposé par le Projet de loi pénitentiaire prévoit que l’assignation à résidence est ordonnée pour une durée qui ne peut aller au-delà de six mois. Une 87

« Pour la mise en œuvre du procédé permettant le placement sous surveillance électronique prévu par l'article 723-8, la personne assignée porte un bracelet comportant un émetteur. Cet émetteur transmet des signaux à un récepteur placé au lieu d'assignation dont le boîtier envoie par l'intermédiaire d'une ligne téléphonique, à un centre de surveillance relatifs au fonctionnement du dispositif et à la présence de l'intéressé dans le lieu où il est assigné. Le bracelet porté par la personne assignée est conçu de façon à ne pouvoir être enlevé par cette dernière sans que soit émis un signal d'alarme. Ces dispositifs peuvent être complétés par d'autres procédés de surveillance électronique permettant une authentification vocale ou digitale à des fins de vérification à distance de la présence de l'intéressé. » (art. R 57-11, Décret Conseil d’État du 17 mars 2004)

39

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

prolongation est possible pour une même durée selon les modalités de procédure prévues à l’article 142-6. La durée totale de la mesure ne peut cependant pas dépasser deux ans. L’article 142-8 proposé par le projet de loi renvoie à quatre articles actuels du code de procédure pénale qui organisent le contrôle judiciaire et précise qu’ils sont applicables à l’assignation à résidence sous surveillance électronique. Selon ces dispositions, il peut donc être considéré que, tout d’abord quant aux possibilités de modifications de la mesure, le juge d'instruction peut à tout moment modifier les obligations imposées à la personne assignée à résidence ou accorder une dispense occasionnelle ou temporaire d'observer certaines d'entre elles (art. 139 actuel du CPP). Ensuite quant au terme de la mesure : la mainlevée du dispositif peut être ordonnée à tout moment par le juge d’instruction, soit d’office, soit sur les réquisitions du procureur de la République, soit sur la demande de la personne après avis du procureur de la République. Le juge statue sur la demande de la personne dans un délai de 5 jours par ordonnance motivée. Si ce délai n’est pas respecté, la personne peut alors saisir directement la chambre de l'instruction qui, sur les réquisitions écrites et motivées du procureur général, se prononce dans les 20 jours de sa saisine. A défaut, la mainlevée est acquise de plein droit, sauf si des vérifications concernant la demande de la personne ont été ordonnées (art. 140 actuel du CPP). Enfin, quant au non respect de la mesure : la personne qui ne respecte pas les obligations liées à l’assignation à résidence peut faire l’objet d’un mandat d’arrêt ou d’amener et être placée en détention provisoire, quelle que soit la peine d’emprisonnement encourue (article 142-8 proposé par Projet de loi pénitentiaire); dans ce cas, l’article 141-3 actuel du CPP organise que « la durée cumulée des détentions ne peut excéder de plus de quatre mois la durée maximale de la détention prévue respectivement aux articles 145-1 et 1452 ». Ainsi en matière correctionnelle, la durée totale de détention ne peut excéder de plus de quatre mois la durée maximale de quatre mois prévue hors cas à titre exceptionnel et autres restrictions. Et en matière criminelle, la durée totale de détention ne peut excéder de plus de quatre mois la durée maximale de un an prévue hors cas à titre exceptionnel et autres réserves. L’article 141-3 se poursuit : « Lorsque la peine encourue est inférieure à celle mentionnée à l'article 143-1, la durée totale des détentions ne peut excéder quatre mois ». Donc, si la peine encourue est inférieure à trois ans d'emprisonnement, la durée totale des détentions ne peut excéder 4 mois. Les obligations, tout en étant maintenues, peuvent subir des aménagements, c’est ce que prévoit l’article 142-9 proposé par le projet de loi, qui traite des possibilités de modification des horaires de présence au lieu d’assignation. Un autre acteur apparaît ici, le chef d’établissement pénitentiaire, dont dépend la personne assignée à résidence, à qui est attribuée la compétence de modifier les horaires de présence au domicile ou dans les lieux d’assignation, et ce à quatre conditions : l’accord préalable du juge d’instruction; le caractère favorable des mesures pour l’intéressé ; le respect de l’équilibre de la mesure de contrôle ; l’obligation d’informer le juge d’instruction de ces modifications.

40

SECTION II – FRANCE

2.8 ORGANISATION DU CONTRÔLE ET DES RAPPORTAGES DANS LE CADRE DU SUIVI

Conformément à l’article 142-5 proposé par le projet de loi, qui prévoit que l’assignation à résidence sous surveillance électronique est organisée sous le régime du placement sous surveillance électronique, il faut se référer à l’article 723-9 actuel du code de procédure pénale qui traite notamment de la question du contrôle du placement sous surveillance électronique. L’article 723-9 fait logiquement usage des termes « condamnés » et « PSE [placement sous surveillance électronique] » que nous modifions par les termes « prévenu » et « assignation à résidence sous surveillance électronique» pour la bonne compréhension de ce qui suit. Il en est de même pour les termes « juge de l'application des peines » que nous remplacerons pas les termes « juge d’instruction », comme l’article 142-5 proposé par le projet de loi nous y autorise, il nous semble. Suivant la conjugaison entre l’actuel article 723-9 du CPP et l’article 142-5 proposé par le projet de loi, la personne sous surveillance électronique est placée sous le contrôle du juge d’instruction dans le ressort duquel elle est assignée. Ce sont les fonctionnaires de l’administration pénitentiaire qui assurent le contrôle à distance du placement sous surveillance électronique. Ils sont autorisés, pour l’exécution de cette mission, à mettre en œuvre un traitement automatisé de données nominatives. La possibilité existe dans le chef d’une personne de droit privé d’être candidate à la mise en œuvre du dispositif technique permettant le contrôle à distance des personnes surveillées. Une procédure d’habilitation est fixée par décret en Conseil d'État pour la délivrance de cette attribution. Les agents de l’administration pénitentiaire chargés du contrôle peuvent se rendre sur le lieu de l’assignation pour demander à rencontrer le prévenu mais ne peuvent y procéder que dans la limite des périodes fixées dans la décision de l’assignation à résidence sous surveillance électronique. Ils ne peuvent toutefois pénétrer au domicile de la personne chez qui le contrôle est pratiqué sans l’accord de celle-ci. Les agents adressent ensuite des rapports au juge d’instruction qui font état de leurs différentes tâches de contrôle. Il est également précisé que les services de police ou de gendarmerie peuvent toujours constater l’absence irrégulière du condamné et en faire rapport au juge d’instruction.

2.9 INDEMNISATION EN CAS DE DÉTENTION INOPÉRANTE Le Projet de loi pénitentiaire propose l’article 142-10 qui prévoit qu’ « en cas de non-lieu, relaxe ou acquittement, la personne placée sous assignation à résidence avec surveillance électronique a droit à la réparation du préjudice subi ». L’intéressé sera avisé de son droit, une fois que la décision lui sera notifiée. Et, à sa demande, le préjudice est évalué par expertise contradictoire.

41

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

Cet article formulé dans le projet de loi assimile l’assignation à résidence avec surveillance électronique à la détention provisoire car il renvoie au dispositif existant dans le cadre de la détention provisoire pour ce qui est de « la réparation intégrale du préjudice moral et matériel que lui a causé cette détention ». L’article 149 actuel du code de procédure pénale énumère les circonstances dans lesquelles aucune indemnisation ne sera allouée : « aucune réparation n'est due lorsque cette décision a pour seul fondement la reconnaissance de son irresponsabilité au sens de l'article 122-1 du code pénal, une amnistie postérieure à la mise en détention provisoire, ou la prescription de l'action publique intervenue après la libération de la personne, lorsque la personne était dans le même temps détenue pour une autre cause, ou lorsque la personne a fait l'objet d'une détention provisoire pour s'être librement et volontairement accusée ou laissé accuser à tort en vue de faire échapper l'auteur des faits aux poursuites ».

2.10 IMPUTABILITÉ SUR L’ÉVENTUELLE PEINE (D’EMPRISONNEMENT) DÉFINITIVE

L’assignation à résidence avec surveillance électronique est également assimilée à la détention provisoire concernant l’imputabilité du temps de détention sur l’éventuelle peine d’emprisonnement définitive. Pour ce faire, l’article 142-11 proposé par le projet de loi renvoie à l’article 716-4 actuel du CPP : « Quand il y a eu une détention provisoire à quelque stade que ce soit de la procédure, cette détention est intégralement déduite de la durée de la peine prononcée ou, s’il y a lieu de la durée totale de la peine à subir après confusion. Il en est de même, s’agissant d’une détention provisoire ordonnée dans le cadre d’une procédure suivie pour les mêmes faits que ceux ayant donné lieu à condamnation, si cette procédure a été ultérieurement annulée ».

2.11 CHIFFRES ET COMMENTAIRES QUANT À L’APPLICATION DES MESURES SOUS SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE

Trois années sont nécessaires en France pour lancer effectivement le recours au placement sous surveillance électronique suite à son instauration en 1997. Plusieurs paramètres peuvent expliquer ce délai de mise en œuvre et différentes thèses existent autour de cette question. Tandis que certains évoquent une absence de volonté politique forte face à une administration pénitentiaire éclairée sur les implications techniques88, d’autres soutiennent que la loi de 1997 s’est confrontée à une administration pénitentiaire réticente et non préparée à mettre en œuvre un tel dispositif89. Par ailleurs, à l’époque de l’entrée en vigueur de cette loi, deux autres évènements encouragent sans doute 88

J.-Ch. Froment, « Le développement du placement électronique en France : mobilisation du politique et neutralisation idéologique », in Justice et technologies, surveillance électronique en Europe, J.-Ch., Kaluszynski, M., Presses Universitaires de Grenoble, 2006, pag. ?? 89 R. Levy, A. Pitoun, « L’expérimentation du placement sous surveillance électronique en France et ses enseignements », Déviance et société, 2004, n° 4, 416.

42

SECTION II – FRANCE

l’administration pénitentiaire à ne pas se préoccuper du placement sous surveillance électronique : la situation carcérale connaît une baisse tandis que les prises en charge en milieu ouvert explosent. C’est donc entre 1997 et 2000 que se mènent concrètement les réflexions et les études sur la faisabilité, les moyens financiers et humains et sur d’autres questions logistiques indispensables à la mise en œuvre du placement sous surveillance électronique 90 . Le projet d’expérimentation du placement sous surveillance électronique démarre au début de 2001 sur quatre sites pilotes (une maison d’arrêt de faible capacité, une maison d’arrêt neuve, une maison d’arrêt vétuste et surpeuplée, un centre de semi-liberté). Une particularité de cette phase d’expérimentation est que chaque site pilote bénéficiait d’une réelle autonomie de mise en œuvre (choix des outils techniques, choix de la répartition des tâches et des responsabilités entre les personnels concernés,…). La mise en œuvre du placement sous surveillance électronique en France a donc reposé sur l’enthousiasme et l’innovation dont ont fait preuve certains acteurs de terrain : « Une grande partie des résultats observés tient donc à la présence ou non, dans les sites retenus, d’innovateurs prêts à s’investir dans l’expérience et disposés, pour cela, à rompre avec les routines ou leur culture professionnelle »91. Les pratiques de terrains sont ainsi à la base du modèle qui a progressivement été étendu à l’ensemble des tribunaux. Le rapport 2007 de la commission de suivi de la détention provisoire dresse quelques constats, suite à l’intégration dans les statistiques judiciaires du contrôle judiciaire avec placement sous surveillance électronique. Le recours à cette nouvelle mesure est comptabilisé dès 2003 et les deux années suivantes révèlent un usage variable, relativement faible et donc une absence de réel engouement pour celle-ci. Le contrôle judiciaire avec placement sous surveillance électronique a concerné 316 prévenus en 2003, 131 en 2004 et 208 en 200592, cette mesure ne dépasse donc pas 1% des mesures de contrôle judiciaire des années retenues. Dans le rapport précédent, la commission de suivi de la détention provisoire relevait pour les années 2003 et 2004 un nombre important de mesures de contrôle judiciaire au niveau du tribunal correctionnel, « Il apparaît avec les résultats de 2005, les résultats de 2006 n’étant pas encore disponibles, que ceci se fait probablement au détriment des contrôles judiciaires confiés aux associations dans le cadre de l’instruction »93. Les chiffres communiqués par le ministère de la Justice et des Libertés permettent d’apprécier l’écart, évoqué par la commission de suivi de la détention provisoire, entre l’application des mesures de contrôle judiciaire dans le cadre de l’aménagement de la peine et dans le cadre de l’instruction. En 2004 94 , 580 condamnés ont bénéficié du bracelet électronique et 912 en 2005. Le recours à cette mesure d’aménagement de peine 90

J.-Ch. Froment, « Le développement du placement électronique en France : mobilisation du politique et neutralisation idéologique », in Justice et technologies, surveillance électronique en Europe, Presses Universitaires de Grenoble, 2006. 91 R. Levy, P.V. Tournier, A. Pitoun, A. Kensey, « Le placement sous surveillance électronique : bilan de la phase d’expérimentation », Questions pénales, XVI.3, CESDIP, Paris, 2003, 1. 92 J.M. Delarue, Rapport fait au nom de la Commission de suivi de la détention provisoire, 2007, 41. 93 Ibid., 40. 94 http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10095&ssrubrique=10236&article=11600

43

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

explose en 2006 pour atteindre en octobre 2009 le chiffre de 3.984 placements sous surveillance électronique95. Dans ce même intervalle le total des aménagements de peine passe de 875 pour 37.136 condamnés en 2004 à 6.543 pour 46.179 condamnés en 2009, soit une progression de 2% à 14%. Le placement sous surveillance électronique représente actuellement 60% des aménagements de peine, soit 6% de la population carcérale. Cette mesure n’a donc qu’un faible impact sur la population carcérale. Les prévenus représentent 25% des personnes incarcérées. Ce taux ne révèle pas toute l’ampleur de la diminution du nombre de prévenus qui passe de 20.814 en 2004 à 15.602 en 2009, car il est affecté par le nombre croissant de condamnés incarcérés. Le ministère de la Justice et des Libertés ne fait pas état du nombre de prévenus non hébergés. Les annonces relatives aux moyens financiers affectés à la surveillance électronique ne font pas non plus mention de l’application de cette mesure dans le cadre de l’instruction. Le budget de la Justice, tel que annoncé fin 2008 96 , prévoit 2.500 bracelets électroniques supplémentaires, portant leur nombre à 6.500. En octobre 2009, Michèle Alliot-Marie, à son tour ministre de la Justice et des Libertés déclare « J’ai fait inscrire, dans la loi de finance 2010, 7000 bracelets supplémentaires qui vont servir à ce que 30000 peines, 30000 condamnations qui aujourd’hui ne sont pas exécutées, qui souvent sont des petites condamnations de quelques semaines ou de quelques mois, soient effectivement exécutées. Les aménagements de peine ce n’est pas à la place de la prison, c’est tout à fait essentiel dans la compréhension de ce que nous voulons faire et dans le rôle des bracelets électroniques »97. Les discours et les débats politiques autour du Projet de loi pénitentiaire ne font mention du recours au bracelet électronique que dans le cadre des aménagements de peine. La nouvelle mesure d’assignation à résidence sous surveillance électronique et son incidence sur le nombre de recours aux bracelets électroniques ne sont pas évoquées. Se pose alors la question de savoir quelle place occupe réellement cette nouvelle mesure dans la politique pénale française et quels sont les objectifs qui l’entourent.

95

http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10095&ssrubrique=11363&article=18108 http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10095&ssrubrique=10702&article=15987 97 http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=11603&article=18061 96

44

AFDELING III - SECTION III ENGELAND EN WALES ANGLETERRE ET PAYS DE GALLES

1

Historiek

Binnen het Engelse strafrechtssysteem kan sinds het eind van de jaren tachtig een tweesporenbeleid worden waargenomen, met aan de ene kant gebruik van de gevangenis “voor zij die het verdienen” en anderzijds ingrijpende community penalties (gestart in 1988) met een sterkere punitieve inslag en grotere controle.98 Richtinggevend hiervoor is bijvoorbeeld de invoering van de Community Service Order (vergelijkbaar met de werkstraf in België). In plaats van elektronisch toezicht op het niveau van de straftoemeting in te voeren, formuleerde de regering het voorstel om elektronisch toezicht als voorwaarde voor ‘borg’ (bail) te introduceren. Met deze strategie werd niet alleen gepoogd om een langdurig wetgevingsproces te omzeilen, maar werd ook getracht een instrument aan te reiken om de overbevolking van de gevangenissen aan te pakken. Tussen 1978 en 1988 was de gevangenispopulatie in voorlopige hechtenis bijna verdubbeld. Eind 1989 werden in Engeland uiteindelijk drie pilootprojecten in verband met elektronisch toezicht opgestart: eerst in Nottingham, vervolgens ook in Newcastle en Tower Bridge in Londen. Deze projecten werden geconfronteerd met een hele lijst van problemen, zoals onder meer: − grote moeilijkheden om geschikte kandidaten te vinden; − het bestaan van enorme spanningen met familieleden, daar waar elektronisch toezicht werd toegepast voor het grootste gedeelte van de dag, in sommige gevallen zelfs 24 uur; − de ongeschiktheid (miserabele levensomstandigheden) van een aantal hostels die soms als opvangplaats dienden; en 99 − een onvoldoende grote betrouwbaarheid van de destijds beschikbare technologie. Na verschillende initiatieven in het kader van community penalties en weinig resultaat op het vlak van vermindering van de gevangenispopulatie, in combinatie met voorspellingen die gewaagden van een sterke stijging van de gevangenisbevolking, werd opnieuw de 98

Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 99 M. Nellis, “The electronic monitoring of offenders in England and Wales”, The British journal of criminology, 1991, 31, 2, 171-172.

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de straftoemeting overwogen. In het kader van de community penalties verschoof de aandacht voor rehabilitatie naar een sterkere bekommernis in verband met het terugdringen van de overbevolking in de gevangenissen. 100 Het is de Criminal Justice Act van 1991 die de toepassing van elektronisch toezicht nader toelichtte. Pas na nieuwe pilootprojecten in de periode 19951997, in Manchester en Norfolk, waarbij elektronisch toezicht als deel van de straftoemeting werd toegepast, werd elektronisch toezicht in het kader van de straftoemeting op nationaal vlak ingevoerd, voor een maximumduur van zes maanden. Met de Crime (Sentences) Act 1997 101 , werd het gebruik van elektronisch toezicht uitgebreid naar verschillende groepen van misdrijfplegers. Op basis van deze wetgeving werden er pilootprojecten georganiseerd voor elektronisch toezicht als detentievervangend alternatief voor personen die weigerden de hen opgelegde (geld)boetes te betalen en als een alternatief voor veelplegers van niet-ernstige misdrijven. Over het algemeen bleek echter dat magistraten een duidelijke voorkeur hadden voor de toepassing van werkstraffen in plaats van elektronisch toezicht; werkstraffen werden als meer constructief beschouwd dan elektronisch toezicht. Een steeds weerkerend thema bij de meeste toepassingen van elektronisch toezicht was de bezorgdheid over de adequaatheid van het geschiktheidsonderzoek102. De Crime and Disorder Act van 1998 103 introduceerde een bijkomend model van elektronisch toezicht, nl. de Home Detention Curfew (HDC). Daarbij ging het om een vorm van vervroegde invrijheidstelling vanuit de gevangenis. Dit systeem werd vanaf januari 1999 over heel Engeland en Wales toegepast (cf. infra). In het kader van het gebruik van elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis werd er eind jaren negentig, in opvolging van het pilootproject uit 1989, een nieuw pilootproject opgestart waarbij een curfew 104 met elektronisch toezicht werd toegepast als een alternatief voor voorlopige hechtenis. Dit project werd uitgevoerd in Manchester en Norwich, voor een periode van 15 maanden, eindigend in augustus 1999. In december van ditzelfde jaar werd het landelijk toegepast. Om een momentopname te kunnen verkrijgen, werd uit de Magistrates’ Courts van Manchester City en Norwich een steekproef van 9.000 remand decisions getrokken die betrekking had op 5.200 verdachten. 198 zaken werden toepasbaar bevonden voor ‘vrij op borg met een curfew’, en dit voor 173 individuen. Naar aanleiding van deze pilootprojecten kwamen er een aantal nieuwe kwesties aan het licht, maar ook een aantal reeds gekende. Niet alle magistraten en rechters kozen ervoor om de maatregel te gebruiken, en er waren relatief weinig 100

M. Nellis, “Community penalties in historical perspective”, in Community penalties. Change and challenges, A. Bottoms, L. Gelsthorpe, S. Rex (ed.), Uffculme, Willan Publishing, 2004, 18. 101 Crime (Sentences) Act te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/Acts/acts1997/ukpga_19970043_en_1. 102 R. Elliott, J. Airs, New Measures for Fine Defaulters, persistent petty offenders and others: the report of the Crime (Sentences) Act 1997 pilots, Home Office occasional paper, 2000: http://www.homeoffice.gov.uk/rds/pdfs/occ-fine.pdf. 103 Crime and Disorder Act 1998 te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1998/ukpga_19980037_en_1. 104 Curfew kan vergeleken worden met huisarrest, in de zin dat de persoon in kwestie slechts op bepaalde uren buiten de toegewezen verblijfplaats mag verblijven.

46

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

beklaagden die voldeden aan de adresvoorwaarde en betrouwbaar genoeg bevonden werden om invrijheidgesteld te worden. Twee-derde van de beklaagden had zijn curfew geschonden, terwijl er bij 95 kleinere overtredingen werden gemeld. In 42 gevallen dienden de beklaagden opnieuw voor de rechter te verschijnen en 24 werden er in voorlopige hechtenis geplaatst. 11 waren er gevlucht, een cijfer dat wel lager ligt dan het gemiddelde voor personen die in Engeland en Wales op borg onder voorwaarden worden vrijgelaten. Finaal hadden in totaal 142 beklaagden hun borg onder curfew (succesvol) afgerond. In de evaluatie van het pilootproject werden er communicatiemoeilijkheden tussen de verschillende betrokken instanties opgemerkt, verder werden er ook ongelijkheden gemeld in het gebruik door magistraten en rechters vooral met betrekking tot de behandeling van schendingen van de curfew. Problemen die gemeld werden door de betrokken instanties, varieerden van bezorgdheid bij de politie dat ze geen recht op toegang hadden tot het huis van de ondertoezichtgestelde wanneer er een schending van de curfew werd gerapporteerd tot bezorgdheid over de mogelijkheid dat geweld binnen het gezin niet ontdekt zou worden tijdens de gelimiteerde assessment die uitgevoerd werd voor de al of niet toekenning van elektronisch toezicht. Beklaagden en hun families evalueerden de maatregel over het algemeen positief. De onderzoekers schatten dat de curfew onder borg als alternatief voor voorlopige hechtenis in iets meer dan de helft van de gevallen werd toegewezen, terwijl elektronisch toezicht bij de andere gevallen meer gebruikt werd als een bijkomende voorwaarde bij borg voor beklaagden die (anders) in ieder geval niet in voorlopige hechtenis zouden worden geplaatst.105 In 2001 werden de eerste biometrische programma’s ingevoerd.106 Het gaat hier om het gebruik van stemherkenning als verificatiemethode voor de aanwezigheid van de betrokkenen (cf. infra)107. De Criminal Justice Act uit 2003 die sedert 2005 wordt toegepast, introduceerde de community order met 12 voorwaarden waarvan elektronisch toezicht er een is. De regelgeving is op dergelijk flexibele wijze opgesteld dat het mogelijk is om op een later tijdstip bepaalde aspecten makkelijk te wijzigen of toe te voegen, bijvoorbeeld dat elektronisch toezicht ook toegepast kan worden door andere overheidsdiensten. Een hiervan heeft betrekking op personen die illegaal in het land verblijven, en die voorheen in de gevangenis werden opgesloten; in oktober 2001, heeft de High Court of Justice geconcludeerd dat de opsluiting van asielzoekers die er niet van verdacht werden te willen ontvluchten, een schending inhoudt van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en oordeelde bijgevolg dat zij niet in de gevangenis mogen worden opgesloten. 108 Andere orders impliceren bijvoorbeeld een control order (voor terrorismeverdachten) en bail. 105

J. Airs, R. Elliott, E. Conrad, Electronically monitored curfew as a condition of bail - report of the pilot, Home Office, 2000, http://www.homeoffice.gov.uk/rds/pdfs/occ-bail.pdf. 106 Biometrie verwijst naar de techniek waarbij men fysieke eigenschappen gebruikt om personen te identificeren, zoals vingerafdrukken, irisscans, stemherkenning en DNA. 107 The Community Order (Electronic Monitoring of Requirements) (Responsible Officer) (Amendment) 2001, te raadplegen op: http://www.england-legislation.hmso.gov.uk/si/si2001/20012233.htm. 108 http://www.statewatch.org/news/2003/apr/13ukimm.htm

47

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Tussen 2004 en 2006 werd er ook een pilootproject uitgevoerd met betrekking tot het gebruik van GPS. Dit project werd uitgevoerd in drie gebieden: Greater Manchester, de West Midlands en Hampshire. Het project werd, in opdracht van de reclassering (probation), uitgevoerd door de beveiligingsbedrijven Group4 Securicor (G4S) en Premier Geographix (Serco). De groepen delinquenten die in Engeland en Wales worden gevolgd met behulp van GPS, zijn voornamelijk veelplegers (prolific offenders) en personen die zijn veroordeeld voor huiselijk geweld. Daarnaast worden in Manchester ook plegers van zedendelicten en geweldsmisdrijven opgevolgd. De totale kost van dit project bedroeg 4,75 miljoen Britse pond (inclusief de dienstverlening van G4S die 2,39 miljoen Britse werd geraamd). Dit project werd in 2007 geëvalueerd door de Universiteit van Birmingham. Na consultatie van het evaluatierapport en aanbevelingen geformuleerd door een werkgroep van de National Offender Management Service werden er geen verdere plannen ontplooid om GPS toe te passen, totdat de technologie verder ontwikkeld zou zijn en zodanig meer vertrouwen zou worden gesteld in de efficiëntie van de technologie, en de kosten zou kunnen worden gedrukt.109 In Europa staan Engeland en Wales voorop in de toepassing van elektronisch toezicht.110 De beleidsredenen hiervoor zijn duidelijk. De voornaamste doelstelling bestaat er in de uitgaven die aan de opsluitingspraktijk verbonden zijn in toom te houden, en in lijn daarmee de stijgende gevangenispopulatie onder controle te houden. Daarnaast wordt de ambitie uitgedrukt om community sentences (straffen binnen de gemeenschap) een meer controlerend karakter te geven, en wordt gestreefd naar een: “a substantive and symbolic commitment to modernisation, to the creation of ‘a 21st century electronic monitoring service for a 21st century criminal justice system’ (Toon 2003) and to being ‘a world class lead in EM’ (Snelgrove 2003).”111 Luidens vertegenwoordigers van Serco en de Ministry of Justice heeft elektronisch toezicht ook vrij veel succes geboekt. Hiervoor worden verschillende verklaringen aangereikt. Een van de voornaamste verklaringen is dat de media naast negatieve berichtgeving ook veel positieve berichtgeving heeft uitgebracht. De technologiebedrijven spelen hierin ook een grote rol; daarnaast trachten zij elektronisch toezicht ook meer aanvaardbaar te krijgen bij de rechterlijke macht. Serco Monitoring, bijvoorbeeld, maakt veel promotie, organiseert informatiesessies voor magistraten/rechters, en heeft eveneens contacten binnen de inlichtingendienst van de Metropolitan Police in Londen. Om het bredere publiek te overtuigen wordt ook deelgenomen aan nationale beurzen en opendeurdagen van de rechtbanken. Over het algemeen heersen er veel misverstanden over de wijze waarop elektronisch toezicht werkt (bijv. dat de enkelband verwijderd zou kunnen worden zonder dat het controlecentrum dit zou detecteren), en het corrigeren van dergelijke misvattingen wordt gezien als een strategie om vertrouwen te winnen. Ten slotte heeft ook de invoering van wettelijke 109

House of Commons Hansard, Daily Hansard - Written Answers 17 Dec 2007: Column 1108W— continued, Prisoner Release: Electronic Tagging, te raadplegen op: http://www.parliament.the-stationery-office.com/pa/cm200708/cmhansrd/cm071217/text/71217w0041.htm. 110 M. Nellis, “Community penalties in historical perspective”, in Community Penalties. Change and Challenges, A.Bottoms, L. Gelsthorpe, S. Rex (ed.). Uffculme, Willan Publishing, 2004, 34. 111 M. Nellis, “Out of this World: The advent of the satellite tracking of offenders in England and Wales”, The Howard journal of criminal justice, 2005, 44(2), 126.

48

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

instrumenten een belangrijke invloed op het vertrouwen dat er heerst bij rechters en magistraten in verband met de toepassing van elektronisch toezicht.112 Ondanks het succes van elektronisch toezicht blijft wel het gegeven dat Engeland en Wales nog steeds kampen met overbevolking van de gevangenissen. De regering besliste daarom om tegen 2014 15.000 extra plaatsen bij te bouwen zodat er in totaal 96.000 plaatsen zullen zijn.113

2

Voorziene regelgeving

2.1 WETTELIJKE BASIS EN ALGEMENE PRINCIPES Pre-trial detention De regelgeving in Engeland en Wales voorziet dat de verdachte na arrestatie door de politie zo snel mogelijk naar het politiekantoor moet worden gebracht. Daarna kan de initiële opsluiting worden aangevraagd door een zgn. custody officer van de politie.114 Een verdachte kan in eerste instantie 24 uur in politiehechtenis worden genomen, en dit enkel in het geval dat er voldoende bewijs is om hem/haar in beschuldiging te stellen voor een misdrijf. Indien dergelijk bewijs niet voorhanden is, dient de betrokken gearresteerde met of zonder bail in vrijheid gesteld te worden, tenzij de custody officer redelijke gronden heeft om te oordelen dat de hechtenis ‘without being charged’ noodzakelijk is om bewijsmateriaal veilig te stellen of te verkrijgen via ondervraging.115 Wanneer een beklaagde wordt vastgehouden voor een misdrijf, kan deze periode van 24 uur worden verlengd met 12 uur door een meer ervaren politieagent. Na 36 uur dient de verdachte ofwel in beschuldiging gesteld te worden, ofwel vrijgelaten te worden, tenzij een Magistrates’ Court 116 een bevel vordert voor verdere opsluiting voor in eerste instantie nog eens 36 uur, en bij een heraanvraag tot een totale periode van 96 uur. Wanneer de custody officer besluit dat er voldoende bewijs is om de verdachte in beschuldiging te stellen, kan politieborg worden bevolen in afwachting van de eerste verschijning van de verdachte voor de rechtbank. Politieborg kan worden afgewezen indien de custody officer twijfels heeft over de identiteit en het adres van de verdachte, 112

Andy Homer, Serco Monitoring, presentatie gegeven op 29 juli 2009, Serco Monitoring Norwich, Verenigd Koninkrijk. 113 Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 114 Police and Criminal Evidence Act 1984 (PACE), s. 30(1), S. 34-36, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1984/pdf/ukpga_19840060_en.pdf; http://www.webtribe.net/~shg/Pace%2034-37-38.htm 115 Police and Criminal Evidence Act 1984 (PACE), s. 30(1), S. 37, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1984/pdf/ukpga_19840060_en.pdf. 116 In Engeland en Wales bestaan er twee rechtbanken, nl. de magistrates’ court en de Crown Court. De eerste behandelt alle eerste verschijningen en vervolgens alle minder ernstige misdrijven. De tweede behandelt de meest zware misdrijven.

49

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

indien hij redelijke aanwijzingen heeft om te geloven dat verdere politieopsluiting nodig is om te voorkomen dat de verdachte nog een misdrijf pleegt of de slachtoffers zal verontrusten, of indien het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat de verdachte op het aangewezen uur op de rechtbank verschijnt. Indien borg wordt geweigerd, wordt de verdachte in hechtenis genomen, en dient het proces binnen de 24 uur opgestart te worden. Wordt er wel borg toegekend, dan vindt de eerste verschijning voor de rechtbank plaats binnen de twee dagen. Wanneer de verdachte in beschuldiging wordt gesteld, komt deze eerst voor een Magistrates’ Court. Omdat het ongebruikelijk is dat een rechtbank een zaak volledig afhandelt bij de eerste verschijning, kunnen de magistraten beslissen tot een verdaging (adjournment). In ernstigere en complexe zaken komt dit frequent voor, aangezien zowel de verdediging als de aanklager tijd nodig zullen hebben om de zaak voor te bereiden. Tijdens de verdaging kunnen de verdachten worden vrijgelaten in afwachting van het proces of ze kunnen in voorlopige hechtenis worden genomen of onder borg worden gesteld. Deze beslissingen moeten ook genomen worden door de rechter indien de zaak voor de Crown Court verschijnt. In de Engelse wetgeving wordt de uitdrukking “remand in custody” gebruikt om de periode van voorlopige hechtenis aan te geven, exclusief de termijn die de verdachte in politiehechtenis heeft doorgebracht. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis een aanvang neemt bij de eerste verschijning van de verdachte voor de magistrates’ court. Een verdachte die schuldig bevonden wordt, maar waarbij nog geen strafmaat is uitgesproken geweest (bijvoorbeeld omdat er een rapport over de betrokkene moet opgesteld worden) kan ook in voorlopige hechtenis worden geplaatst totdat de strafmaat is uitgesproken. 117 De regeling in verband met de duur van de voorlopige hechtenis wordt uitgestippeld in de Prosecution of Offences Regulations 1987. Daarin is bepaald dat een persoon niet langer dan 70 dagen kan worden vastgehouden tussen zijn eerste verschijning voor de magistrates’ court en de summary trial of transfer proceeding. Nadat een verdachte naar de Crown Court is doorverwezen, moet het proces binnen de 112 dagen aanvatten; in totaal kan een verdachte in dit geval dus 182 dagen in voorlopige hechtenis verblijven. Na 182 dagen heeft de verdachte een absoluut recht op borg.118 Een verlenging is echter mogelijk wanneer de openbare aanklager (the Crown) een aanvraag (schriftelijk of mondeling) indient. Om dit toe te wijzen, moet de rechtbank ervan overtuigd zijn: a) dat de nood voor verlenging het gevolg is van: a. ziekte of afwezigheid van de beklaagde, een belangrijke getuige, een rechter of een magistraat; b. de aanvraag door de rechtbank voor een apart proces in het geval dat er twee of meer verdachten beschuldigd zijn of het gaat om twee of meer misdrijven; 117

A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of mnimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 944-945. 118 Dit recht is wel onderworpen aan voorwaarden zoals surety en security. Surety betekent dat een derde partij zich ertoe verbindt een bepaald geldbedrag dat door de rechtbank wordt vastgesteld te betalen indien de verdachte niet op het vastgelegde tijdstip voor de rechtbank verschijnt. Security betekent dat een verdachte een som geld moet deponeren voordat hij wordt vrijgelaten.

50

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

c. een ander goede of toereikende reden. b) dat de openbare aanklager heeft gehandeld met de gepaste snelheid (“has acted with all due expedition”).119 Bail Wanneer iemand niet in voorlopige hechtenis wordt geplaatst, maar in vrijheid wordt gesteld met of zonder voorwaarden, wordt dit in Engeland omschreven als ‘bail’ of borg. De Bail Act verscheen in 1976.120 Zoals dit ook in het Belgische rechtsstelsel het geval is, wordt elke persoon die ervan beschuldigd wordt een misdrijf te hebben gepleegd, als onschuldig beschouwd totdat het tegendeel is bewezen. De vrijheidsberoving (opsluiting) mag dan ook enkel onder zeer stringente voorwaarden gebeuren. De voornaamste reden om borg af te wijzen, bestaat in het feit dat de persoon beschuldigd wordt van een misdrijf waarop gevangenisstraf staat èn er substantiële gronden zijn om te geloven dat: de verdachte zou vluchten; verdere misdrijven zou plegen (terwijl onder borg); er gevaar bestaat voor collusie of intimidatie van getuigen; het een misdaad betreft (‘indictable offence’, te behandelen door de Crown Court); of de rechtbank ervan op de hoogte is dat de betrokkene al op borg vrij was voor een ander misdrijf op het ogenblik dat hij het nieuwe misdrijf pleegde.121 De rechter moet hierbij ook rekening houden met: de aard en de ernst van de inbreuk, het karakter, de antecedenten, bindingen en gemeenschapsbanden van de beklaagde, de geschiedenis van de beklaagde in verband met vroegere borg, en de overtuigingskracht van het bewijsmateriaal.122 De rechter kan borg ook weigeren: − ter bescherming van de beklaagde; − indien de beklaagde al een straf uitzit voor een ander misdrijf: 119

A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 950. 120 Bail Act 1976 (c.63), te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/RevisedStatutes/Acts/ukpga/1976/cukpga_19760063_en_1#pb1-l1g1 121 Bail Act, Schedule I, paragraaf 2/2A: “2. The defendant need not be granted bail if the court is satisfied that there are substantial grounds for believing that the defendant, if released on bail (whether subject to conditions or not) would (a) fail to surrender to custody, or (b) commit an offence while on bail, or (c) interfere with witnesses or otherwise obstruct the course of justice, whether in relation to himself or any other person. 2A. The defendant need not be granted bail if, (a) the offence is an indictable offence or an offence triable either way; and (b) it appears to the court that he was on bail in criminal proceedings on the date of the offence.” 122 Bail Act, Schedule I, paragraaf 9: “In taking the decisions required by paragraph 2 [F1 or 2A] of this Part of this Schedule, the court shall have regard to such of the following considerations as appear to it to be relevant, that is to say—(a)the nature and seriousness of the offence or default (and the probable method of dealing with the defendant for it),(b)the character, antecedents, associations and community ties of the defendant,(c)the defendant’s record as respects the fulfillment of his obligations under previous grants of bail in criminal proceedings,(d)except in the case of a defendant whose case is adjourned for inquiries or a report, the strength of the evidence of his having committed the offence or having defaulted, as well as to any others which appear to be relevant.”

51

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND − − −



wanneer de rechter van oordeel is dat het praktisch gezien niet mogelijk is om genoeg informatie te verkrijgen; wanneer de beklaagde al een keer is gevlucht bij vorige verschijningen voor de rechtbank; wanneer de beklaagde terecht staat voor een ander misdrijf, al vrijgelaten is op borg voor het misdrijf waarvoor hij beschuldigd wordt en gearresteerd is voor het vluchten en het schenden van de borg; of de beklaagde veroordeeld is maar de rechter wacht op een pre sentence report, een ander verslag of onderzoek, en de afronding ervan praktisch niet haalbaar zou zijn zonder de beklaagde in hechtenis te houden.123

Elektronisch toezicht Met betrekking tot elektronisch toezicht verscheen in 2006 een Home Office Circular (cf. omzendbrief in België), met als titel ‘Electronic monitoring on bail for adults – procedures’, en uitgegeven door de National Offender Management Service van de Home Office. Deze omzendbrief had als doel rechtbanken, politie, reclassering en gevangenissen te informeren over de procedures die gevolgd worden wanneer de rechtbank beslist dat een volwassen verdachte elektronisch toezicht krijgt toegewezen terwijl on bail. Er wordt in deze circular nadruk gelegd op goede communicatie tussen de verschillende betrokken agentschappen. Elektronisch toezicht wordt enerzijds gedefinieerd als een controlemiddel om na te gaan of iemand zich houdt aan de voorgeschreven curfew: 5. Tagging is available as a condition of bail in support of a curfew condition. The monitoring will ensure that compliance with the curfew can be checked and that if a curfew is breached the police are very quickly alerted.124

Daarnaast wordt er ook de nadruk op gelegd dat elektronisch toezicht gebruikt dient te worden als een alternatief voor de voorlopige hechtenis: 6. The intention of the Home Secretary in making tagging more available is that it should be used as an alternative to remand custody.125 123

Bail Act, Schedule I, paragraaf 3-7: “3. The defendant need not be granted bail if the court is satisfied that the defendant should be kept in custody for his own protection or, if he is a child or young person, for his own welfare. 4. The defendant need not be granted bail if he is in custody in pursuance of the sentence of a court or of any authority acting under any of the Services Acts. 5. The defendant need not be granted bail where the court is satisfied that it has not been practicable to obtain sufficient information for the purpose of taking the decisions required by this Part of this Schedule for want of time since the institution of the proceedings against him. 6. The defendant need not be granted bail if, having been released on bail in or in connection with the proceedings for the offence, he has been arrested in pursuance of section 7 of this Act. 7. Where his case is adjourned for inquiries or a report, the defendant need not be granted bail if it appears to the court that it would be impracticable to complete the inquiries or make the report without keeping the defendant in custody.” 124 Home Office Circular 25/2006, Electronic monitoring on bail for adults – procedures, te raadplegen op: http://www.homeoffice.gov.uk/about-us/publications/home-office-circulars/circulars-2006/025-2006/. 125 Home Office Circular 25/2006, Electronic monitoring on bail for adults – procedures, te raadplegen op: http://www.homeoffice.gov.uk/about-us/publications/home-office-circulars/circulars-2006/025-2006/.

52

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

Met de bedoeling om nog meer plaatsen in de gevangenis vrij te maken is er in 2007 ook gestart met de zgn. Bail Accommodation Support Schemes. Het gaat hier om een programma waarbij personen zonder vaste verblijfplaats toch op borg met elektronisch toezicht vrijgelaten kunnen worden.126 Dit systeem wordt georganiseerd in samenwerking met een privé bedrijf, en bestaat erin dat de personen in kwestie in hostels kunnen verblijven, in kamers voor vier personen.127 In de Criminal Procedure Rules zijn een aantal specifieke regels opgenomen met betrekking tot wat de court officer dient te doen ingeval er sprake is van ETvoorwaarden128, en in principe zal er eind dit jaar ook een nieuwe Home Office Circular verschijnen.129

2.2 UITSLUITINGEN OF TEGENINDICATIES Er worden geen specifieke tegenindicaties of uitsluitingen vermeld in de wetgeving. De wetgeving werd bewust vaag gelaten teneinde er een flexibel gebruik van te kunnen maken naar de toekomst toe.130

2.3 PROCEDURE, BETROKKEN ACTOREN EN INVULLING ELEKTRONISCH TOEZICHT

Er bestaan in Engeland en Wales verschillende toepassingen van elektronisch toezicht. Het wordt toegepast zowel in het kader van borg als op het niveau van de straftoemeting en de strafuitvoering. Elektronisch toezicht kan worden toegewezen door zowel de gevangenisautoriteiten als de rechtbank. 2.3.1

Rechtbank

Elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis Elektronisch toezicht kan toegepast worden met of zonder begeleiding afhankelijk van wat de rechter beslist.

126

Dit wordt ook gebruikt bij Home Detention Curfew. Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk; Ministry of Justice, New bail accommodation and support service, 18 June 2007, http://www.justice.gov.uk/news/newsrelease180607a.htm. 128 The Criminal Procedure (Amendment) Rules 2009, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/si/si2009/uksi_20092087_en_1 129 Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 130 Chris Marsh, Ministry of Justice, presentatie op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 127

53

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

In de Home Office Circular wordt aangegeven dat de installatie van de enkelband en het in orde brengen van de controlevoorzieningen tot middernacht kan duren op de dag waarop de zitting is doorgegaan. Dit heeft tot gevolg dat een tagging order van minder dan twee dagen niet mogelijk is. Er wordt dan ook aanbevolen aan de rechtbanken om voorrang te geven aan ET-zaken en te beslissen dat de curfew periode op de eerste dag al zou starten, in de namiddag bijvoorbeeld om 15u.131 Indien een enkelband wordt toegewezen bij borg, gaat het vaak om vrij zware misdrijven: zwaar lichamelijk letsel/zware inbraak, sommige moordzaken, … De rechtbank moet van oordeel zijn dat de randvoorwaarden voor borg in orde zijn. Informatie wordt verkregen van de advocaat of van de Bail Information Officer (BIO). Er wordt een Bail Information Report opgesteld door de BIO, waarbij het adres wordt nagegaan, gecontroleerd wordt of de thuissituatie geschikt bevonden wordt, en of de persoon zich financieel kan onderhouden. Indien beklaagden een uitkering kregen, dan blijft deze behouden wanneer ze onder toezicht worden gesteld. Er bestaat geen bijzondere uitkering die wordt toegewezen aan personen die onder toezicht staan. De BIO is ofwel gevestigd op de rechtbank (georganiseerd door de National Probation Service132) ofwel in de gevangenis (georganiseerd door HM Prison Service 133 ). In de rechtbank wordt er meteen de dag van verschijning een interview afgenomen en een rapport opgesteld. De installatie van de technologie en het nodige papierwerk kan gemakkelijk allemaal in één dag in orde zijn, maar dit is meestal binnen de 48 uur. Verdachten verblijven gedurende die tijd in een politiecel. In het andere geval gebeurt het onderzoek door de BIO in de gevangenis als de persoon na het eerste voorkomen in voorlopige hechtenis wordt geplaatst. De situatie van de beklaagde wordt dan wekelijks geëvalueerd.134 Het rapport dat wordt opgesteld door de BIO, heeft dus de bedoeling om feitelijke, geverifieerde informatie te voorzien om de Probation Service te adviseren over het feit of er voldoende gronden bestaan om aan de rechtbank bail te vragen dan wel de betrokkene verder in hechtenis te houden. Daarbij dient er een balans opgemaakt te worden tussen de voorwaarde van ‘openbare veiligheid’ en de nood om degene die veilig gecontroleerd kan worden in de gemeenschap, niet onnodig in voorlopige hechtenis te nemen.135 Ook bij personen zonder verblijfsvergunning kan toewijzing van elektronisch toezicht plaatsvinden, in zoverre de betrokkene over een verblijfsadres kan beschikken. Wettelijk gezien dient de thuissituatie gecontroleerd te worden en dient aan de huisgenoten om hun akkoord gevraagd te worden, doch in de praktijk gebeurt dit niet steeds. Doordat in Engeland (en Wales) strenge paspoortregels gelden, is vluchtgevaar minder prominent aanwezig, aangezien de paspoorten steeds worden ingehouden. 131

Home Office Circular 25/2006, te raadplegen op: http://www.homeoffice.gov.uk/about-us/publications/home-office-circulars/circulars-2006/025-2006/ 132 National Probation Service, http://www.probation.homeoffice.gov.uk/output/Page1.asp 133 HM Prison Service, http://www.hmprisonservice.gov.uk/ 134 Chris Marsh, Ministry of Justice, presentatie op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 135 Probation Circular 19/2005, te raadplegen op: http://www.probation2000.com/pit/circulars/PC19%202005.pdf

54

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

‘Kaal huisarrest’ wordt veel gebruikt bij borg, en kan zelfs tot 24 uur per dag en dit voor maximum ongeveer een jaar worden toegepast. In de regelgeving is in elk geval geen maximumduur bepaald. Gemiddeld genomen wordt men 12 uur onder toezicht gesteld. Er wordt verder geen minimum- of maximumduur aangegeven voor de curfew as condition of bail met elektronisch toezicht.136 Elektronisch toezicht in het kader van de straftoemeting In de Criminal Justice Act van 2003137 worden de verschillende community sentences voorgesteld, die ook bekend staan als curfew orders met enkele of met meerdere (12 verschillende) voorwaarden. Curfew order enkele voorwaarde: Hierbij staat de persoon tussen de 2 en 12 uur onder toezicht, al hoeft dit niet noodzakelijk elke dag toegepast te worden. Bij voetbalhooligans bijvoorbeeld geldt de curfew enkel op dagen dat er een wedstrijd wordt gespeeld. De maximumduur bedraagt zes maanden (drie maanden voor jongeren). Enkel het technologiebedrijf is hierbij betrokken partij, er is geen begeleiding voorzien. De order mag de uitoefening van een professionele activiteit, schoolse of religieuze activiteiten niet in de weg staan. Er zijn geen specifieke types van misdrijven omschreven die hiervoor in aanmerking komen. Curfew order meerdere voorwaarden: de plichten zijn dezelfde als bij een curfew met één voorwaarde, het grote verschil is echter dat er bij deze curfews een Offender Manager verantwoordelijk is die de voorwaarden coördineert. Als er een schending (breach) is, dan laat het bedrijf dit weten aan de manager. De Offender Manager maakt deel uit van de National Offender Management Service (NOMS)138 en rapporteert aan de rechtbank en procedeert in zaken waar er een schending is gebeurd.139 2.3.2

Gevangenis (Home Detention Curfew)

Naar aanleiding van de Crime and Disorder Act van 1998140 werd vanaf januari 1999 de Home Detention Curfew over heel Engeland en Wales toegepast. De bedoeling hiervan was om de reïntegratie in de gemeenschap te vergemakkelijken door een tussenfase te voorzien tussen enerzijds de onvrijheid in de gevangenis en anderzijds volledige vrijheid binnen de gemeenschap. Gedetineerden die hiervoor in aanmerking komen, worden in vrijheid gesteld tussen de twee weken en vier en een halve maand voor hun automatische

136

Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 137 Criminal Justice Act 2003, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts2003/ukpga_20030044_en_1 138 National Offender Management Service, http://www.noms.homeoffice.gov.uk/ 139 Criminal Justice Act 2003, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts2003/ukpga_20030044_en_1 140 Crime and Disorder Act 1998 te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1998/ukpga_19980037_en_1

55

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

invrijheidstelling, afhankelijk van de duur van de straf.141 Enkel gedetineerden met een straf tussen drie maanden en vier jaar komen voor HDC in aanmerking. Seksuele delinquenten, gevaarlijke gedetineerden en een groep die geclassificeerd wordt als “niet geschikt om vrij te laten”, worden uitgesloten van HDC. De ondertoezichtgestelden worden opgevolgd door probation officers (reclassering); gedetineerden met straffen van minder dan 12 maanden worden niet gesuperviseerd. Een-derde van de gedetineerden die hiervoor in aanmerking komen, worden vrijgelaten onder HDC. De beslissing tot toekenning ervan berust bij de gevangenisdirecteur, en is gebaseerd op een evaluatie die wordt uitgevoerd door werknemers van zowel de gevangenis als de reclasseringsdienst. HDC blijkt effectief te zijn op het vlak van de vermindering van de gevangenisbevolking: via HDC kwamen er plaatsen vrij ter grootte van vier middelgrote gevangenissen.142 94 procent van de gedetineerden rondde zijn HDC succesvol af. Tot mei 2000 bedroeg de kostprijs van HDC 28 miljoen Britse pond, voor in totaal 21.000 gedetineerden die op die wijze vervroegd in vrijheid werden gesteld.143

3

Controlemiddelen (technologie)

De technologie die het meest wordt toegepast voor elektronisch toezicht in Engeland en Wales, is deze van Radio Frequentie transmissies teneinde de curfews te kunnen opvolgen. De ondertoezichtgestelde draagt niet-verwijderbare apparatuur (PID of tag) rond de enkel. De tag zendt signalen uit naar een volgunit die zich bevindt op het adres van de betrokkene en waarin radio-ontvangstapparatuur zit. Deze unit stuurt op zijn beurt signalen via GSM-technologie naar een computer in het controlecentrum. Sinds 2005 is 99% van de technologie mobiel. Volgens Andy Homer van Serco is het niet mogelijk om de enkelband te verwijderen zonder de band door te knippen. Elke manipulatie van de ontvangstdoos wordt bovendien opgemerkt. En hoewel gemeld wordt dat technische problemen minimaal zijn, komen valse alarmen wel veel voor, gezien het systeem ‘overbeschermend’ werkt: niettemin beschikt Serco over forensische experts die desgevallend kunnen aantonen dat het niet zou gaan om een normale slijtage aan de enkelband. Volgens Homer kan de enkelband niet (zonder beschadiging) worden losgemaakt, tenzij de band verkeerd werd aangebracht. Er werden verder geen bijzondere problemen gemeld met betrekking tot de technologie.144

141

Her Majesty’s Prison Service, Home Detention Curfew , http://www.hmprisonservice.gov.uk/adviceandsupport/beforeafterrelease/homedetentioncurfew/ 142 Jane Seddon, Her Majesty’s Prison Service, presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 143 National Audit Office (2000), Supporting Innovation: Managing Risk in Government Departments, http://www.nao.org.uk/publications/9900/managing_risk_in_gov_depts.aspx? 144 Andy Homer, Serco Monitoring, presentatie gegeven op 29 juli 2009, Serco Monitoring Norwich, Verenigd Koninkrijk. Dit werd ook bevestigd door Barry Snelgrove, National Offender Management Service (presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk).

56

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

Zoals eerder aangehaald, wordt sinds 2001 in Engeland en Wales ook stemherkenningtechnologie (voiceprint) gebruikt. Bij deze techniek wordt een opname van de stem bewaard op de computer, samen met het telefoonnummer. De computer kan dan de persoon in kwestie op toevallige wijze opbellen, of voorzien wordt dat de persoon in kwestie zelf moet bellen wanneer hij thuis komt. De betrokkene dient een aantal basisvragen te beantwoorden of een nummersequentie te herhalen. De computer licht de monitors in wanneer er sprake is van een negatieve of positieve match. Het voornaamste probleem bij deze techniek stelt zich bij de zgn. ‘vals positieven’ 145 , maar over het algemeen lijkt de techniek redelijk betrouwbaar te zijn (96%).146

4

Enkele andere juridische en praktische schikkingen

Organisatie van controle en rapportage in het kader van opvolging Er zijn voor wat de actuele ET-toepassing betreft, twee bedrijven actief in Engeland en Wales: Serco Monitoring & G4S. Zij zijn verantwoordelijk voor vijf contractgebieden. Serco is verantwoordelijk voor Norfolk, het gebied rond Londen en een deel van Wales; G4S voor de overige regio’s. De ontplooide activiteiten worden van overheidswege opgevolgd door de National Offender Management Service (NOMS). Voor elke regio binnen Engeland en Wales wordt een Director of Offender Management aangewezen die verantwoordelijk is voor het uitdragen van de doelstellingen op lokaal vlak van NOMS alsook voor het budget van de gevangenissen en reclasseringsdiensten. Luidens Barry Snelgrove is een regionale aanpak alvast effectiever voor lokale situaties. Het is efficiënter en houdt ook rekening met geografische verschillen. Melding wordt gemaakt van het feit dat er in sommige gebieden ‘teveel elektronisch toezicht wordt toegewezen, in andere te weinig’. In sommige gevallen is er sprake van een ongebreidelde toepassing, in verhouding tot de prevalentie van bepaalde misdrijven, hetgeen ook te maken heeft met geografische verschillen (bijv. landelijke gebieden vs. Londen). In sommige gebieden leggen rechters bijvoorbeeld ‘te veel’ op omdat ze niet geneigd zijn boetes uit te spreken gelet op de insolvabiliteit van de rechtsonderhorigen. Momenteel wordt er aan gewerkt rechters beter te informeren over het gebruik van elektronisch toezicht.147 In het contract dat werd opgesteld tussen enerzijds de overheid en anderzijds de controlerende firma zijn, op straffe van boeteclausules, een aantal zeer duidelijke doelstellingen (targets) opgenomen. Over het algemeen worden de targets, zowel door Serco en G4S, gehaald. Ter controle van het al dan niet bereiken van de vooropgestelde doelstellingen en contractuele voorwaarden wordt maandelijks een audit uitgevoerd.148 145

Een vals positief gebeurt als bijvoorbeeld de broer van de verdachte wiens stem erg op die van de verdachte trekt, opbelt en de computer deze stem als de juiste categoriseert. 146 Andy Homer, Serco Monitoring, presentatie gegeven op 29 juli 2009, Serco Monitoring Norwich, Verenigd Koninkrijk. 147 Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 148 Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk.

57

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Schadevergoeding bij latere vrijspraak, buitenvervolgingstelling Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geeft aan dat de verdachte die onterecht in voorlopige hechtenis heeft gezeten, het recht heeft om gecompenseerd te worden. Dit recht geldt bijgevolg ook in Engeland dat het verdrag heeft geratificeerd. Voor personen die onterecht vastgehouden zijn in voorlopige hechtenis, bestaat de mogelijkheid om een herstelvergoeding te krijgen via de Civil Court. In 2005 werd 19% van de mannelijke en 18% van de vrouwelijke verdachten die in voorlopige hechtenis zat, vrijgesproken. Ondanks het recht om gecompenseerd te worden, heeft de meerderheid van de personen geen compensatie gekregen voor de tijd die ze in voorlopige hechtenis hebben gezeten. 149 Voor personen die onder toezicht werden gesteld, is geen aparte regeling voorzien.150 Aanrekening elektronisch toezicht op duur van later uitgesproken vrijheidsstraf Bij de uitvoering van de uiteindelijk opgelegde straf wordt rekening gehouden met de tijd dat de betrokkene onder elektronisch toezicht heeft gestaan binnen het kader van de voorlopige hechtenis. De helft van de ET-termijn wordt afgetrokken van de vrijheidsberovende straf die wordt uitgesproken (half rate).151

5

Cijfers met betrekking tot de toepassing van elektronisch toezicht

Evolutie elektronisch toezicht In de periode 1999-2008 werd elektronisch toezicht, globaal genomen, toegepast in meer dan 545.000 zaken (cases).152 Op dit ogenblik wordt elektronisch toezicht in 23,3% van de gevallen gebruikt als alternatief voor voorlopige hechtenis/VOV, in 59,9% in het kader van de straftoemeting en 16,8% aan het einde van de straf (Home Detention Curfew). Op Europees vlak zijn Engeland en Wales dan ook niet verwonderlijk de grootste gebruikers van elektronisch toezicht. Sinds 2000 is er bovendien een gestage groei van de hoeveelheid enkelbanden, hetgeen onder meer verklaard kan worden doordat meer vertrouwen werd gesteld in elektronisch 149

A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 952. 150 Chris Marsh, Ministry of Justice, presentatie op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 151 Chris Marsh, Ministry of Justice, presentatie op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. Zie hierover ook de Circular 2008/05 (Criminal Justice and Immigration Act 2008) waarin wordt bepaald dat elke dag met ten minste 9 uur elektronisch toezicht (bij bail) voor maximum een ½ dag in rekening kan worden gebracht als ‘time served’. Te raadplegen op: http://www.justice.gov.uk/publications/docs/circularcriminal-justice-031108.pdf 152 Hierbij dient opgemerkt te worden dat cases niet overeenkomen met individuele personen, aangezien sommige personen het voorwerp uitmaken van meerdere cases.

58

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

toezicht, de Home Detention Curfew werd uitgebreid en door wetgevende initiatieven. Ook het initiële verzet van de Probation-dienst in de jaren negentig is stilaan weggeëbd.153 De stijging van de vraag naar elektronisch toezicht – een jaarlijkse toename van ongeveer 15% - blijkt duidelijk uit onderstaande figuur. Figuur 1.1: Jaarlijks aantal ET-zaken (1999-2008)154 100000 90000 80000 70000 60000 50000 40000 30000 20000 10000 0 Annual EM cases

1999/00

2000/01

2001/02

2002/03

2003/04

2004/05

2005/6

2006/7

2007/08

2008/09

19073

19962

21796

37924

46472

53230

60006

73204

90039

91073

Kostprijs Volgens een audit die door de National Offender Management Service werd uitgevoerd, is ‘(kale) ET’ vijf keer goedkoper dan een verblijf in de gevangenis, én goedkoper dan andere gemeenschapsstraffen, zoals supervisie of werkstraf. Gemiddeld kost de ondertoezichtstelling onder elektronisch toezicht van een veroordeelde, gedurende 90 dagen, via het stelsel van de Home Detention Curfew £ 1.300, tegenover £ 6.500 voor een gevangenisverblijf over eenzelfde periode.155 De kosten die aan het contract met het technologiebedrijf zijn verbonden, omvatten: − een maandelijkse vaste kost (kosten voor het controlecentrum, personeel, wagens, etc.); − een bedrag voor de installatie; − een dagelijkse kost voor de controle (afhankelijk van het aantal personen dat onder toezicht staat); en, − een extra kost indien er sprake is van een oproeping voor de rechtbank.

153

Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 154 Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. 155 http://www.nao.org.uk/publications/0506/the_electronic_monitoring_of_a.aspx?

59

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

De kostprijs is wel afhankelijk van het aantal onder toezicht gestelde personen, in die zin dat de kostprijs lager uitvalt naarmate meer personen onder toezicht worden gesteld. Miedema en Post stelden eerder dat de kosten voor het systeem in Engeland verschillen naargelang de gebruikte modus. De kost voor de toepassing van de passieve (‘retrospective’) modus werd geschat op ongeveer € 45 tot € 60 per dag, per gevolgd individu. Indien er intensievere modi gebruikt worden, zoals de actieve of hybride (‘exclusion zone monitoring’), kunnen de kosten oplopen tot € 300 per individu, per dag. Het betreft alleen de kosten die het beveiligingsbedrijf in rekening brengt. De gemaakte kosten door reclassering, het ministerie en politie zijn hierin niet berekend. De genoemde bedragen zijn daarom waarschijnlijk een fractie van de reële kosten. Voor het hele project (pilootproject GPS 2004-2005) was £ 3,5 miljoen uitgetrokken (circa € 5.350.000).156

Knelpunten De voornaamste gesignaleerde knelpunten hebben betrekking op: vertragingen in het aanbrengen van de enkelbanden alsook in de reactie op inbreuken. Andere problemen hebben vooral te maken met de communicatie tussen probation officers en het technologiebedrijf. Het gaat er hier dan vooral om, het bedrijf er toe te krijgen om op een duidelijke manier te schrijven/communiceren, zodanig dat probation officers de boodschap ook correct kunnen begrijpen (cf. technische uiteenzettingen die moeilijk verstaanbaar zijn). Aan de andere kant is het ook wel van belang dat probation officers het bedrijf inlichten wanneer een schending terug in orde is gebracht: het feit dat dit niet steeds gebeurt, leidt tot een vertekening van de zgn. compliance statistics. Evolutie populatie voorlopige hechtenis Eén van de doelstellingen van de toepassing van elektronisch toezicht als alternatief voor voorlopige hechtenis, bestaat er in een oplossing aan te reiken voor de overbevolking van de gevangenissen. Wanneer de evolutie van de populatie in voorlopige hechtenis (zie figuur 1.2 en 1.3) wordt vergeleken met de invoering van elektronisch toezicht als alternatief voor voorlopige hechtenis (zie figuur 1.4), dan blijkt dat de invoering van elektronisch toezicht geen (reducerende) invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het aantal voorlopig gehechten. Doch wellicht zou deze populatie voorlopig gehechten zonder elektronisch toezicht wel nog hoger hebben gelegen.

156

F. Miedema, B. Post, Evaluatie pilot elektronische volgsystemen, Nijmegen, ITS, 2006, 17. Met betrekking tot GPS-tracking rapporteerde Shute het volgende: “The average daily cost charged by monitoring companies to satellite track an offender ‘passively’ was about £42. Offenders (excluding those who had been ‘hybrid’ tracked) spent an average of 72 days on tracking, therefore the average cost charged by the monitoring companies to satellite track an offender ‘passively’ was £3,024.” (S. Shute, Satellite Tracking of Offenders: A Study of The Pilots in England and Wales, Ministry of Justice, 2007, 6-7); http://www.justice.gov.uk/publications/research020807a.htm.

60

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

Figuur 1.2: Evolutie van de populatie in voorlopige hechtenis (2004-2007), globaal (total remand) en naargelang statuut (untried vs. unsentenced)157

Figuur 1.3: Evolutie van de populatie in voorlopige hechtenis (2006-2009), globaal (total remand) en naargelang statuut (untried vs. unsentenced)158

157 158

Statistieken verkregen van Chris Marsh, Ministry of Justice. Statistieken verkregen van Chris Marsh, Ministry of Justice.

61

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Figuur 1.4: Aantal cases van elektronisch toezicht in het kader van bail vanaf oktober 2005 tot en met juni 2009159

Effect op recidive Wat het elektronisch toezicht als maatregel in de fase vóór vonnis betreft, is er vooralsnog geen onderzoek voorhanden waarin werd nagegaan in welke mate elektronisch toezicht een positief effect heeft op de recidivegraad.160 Dergelijk onderzoek bestaat wel voor wat de toepassing van elektronisch toezicht betreft in het kader van de Home Detention Curfew (cf. supra), en werd uitgevoerd door de Home Office. Uit dit onderzoek bleek dat “the level of reoffending, leading to reconviction, during the curfew period was just over 2 per cent. Offenders granted curfew had much lower reoffending rates after the end of the curfew than those refused, with eight per cent of curfewed offenders reoffending compared to 31 per cent of non-curfewed offenders. The overall reoffending rate of those eligible for curfew was very similar to that of a control group of offenders discharged before the scheme began and differences between the two groups were not statistically significant.”

6

Een aantal observaties i.v.m. de publiek-private samenwerking

De voornaamste reden waarom de overheid in Engeland en Wales besloten heeft om samen te werken met privé-maatschappijen is dat het kostenbesparend werkt en de belastingbetaler veel geld uitspaart. Verder is er door de concurrentie tussen de bedrijven altijd een zekere druk aanwezig om de kwaliteit te verhogen. Ook de interacties die 159

Statistieken verkregen van Chris Marsh, Ministry of Justice. K. Dodgson e.a., Home Office. Electronic monitoring of released prisoners: an evaluation of the Home Detention Curfew scheme (Home Office Research Study 222), Home Office, 2001, 61: http://www.homeoffice.gov.uk/rds/pdfs/hors222.pdf. 160

62

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

voortvloeien uit de publiek-private samenwerking kunnen een gunstige invloed hebben. De samenwerking heeft echter ook een aantal nadelen. Een van deze nadelen kan worden geïllustreerd door het volgende voorbeeld: In 2005 werd een onderzoek opgestart naar het elektronisch toezicht van Peter Williams, een jonge man die tijdens de periode dat hij onder elektronisch toezicht stond, iemand vermoordde, en dit terwijl er geen melding was gemaakt van de inbreuk aan de betrokken autoriteiten. Het onderzoeksrapport formuleerde tien aanbevelingen, onder meer met betrekking tot de interpretatie door het controlebedrijf van de operationele voorwaarden die waren overeengekomen met de Home Office. In bijzonder ging het over een groot aantal gevallen waarbij Peter Williams zijn uurrooster had geschonden zonder dat er actie werd ondernomen of gerapporteerd werd aan de reclasseringswerkers van het Youth Offending Team. 161 In dit rapport werd geconcludeerd dat de controlemaatschappij zijn verantwoordelijkheden, zoals die in het contract met de overheid waren bepaald, op een verkeerde wijze had geïnterpreteerd. Dit gegeven werd door de overheidsinstanties niet opgemerkt, aangezien de verschillende audits die waren uitgevoerd, zich concentreerden op de vraag of de targets werden gehaald en op het percentage aan recidive, eerder dan op de concrete dienstverlening zelf.162

Een ander nadeel waarop gewezen dient te worden, heeft betrekking op het feit dat zich in gevolge de publiek-private samenwerking in het kader van elektronisch toezicht in Engeland ook een ontwikkeling heeft geïnstalleerd in de richting van een cultuur van managerialism. Nellis, één van de voornaamste academische autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk op het vlak van elektronisch toezicht, wijst hierop in verband met de hoger beschreven zaak van Peter Williams. Naast de hierboven genoemde problemen met de privé-maatschappij was er nog een andere belangrijke oorzakelijke factor in deze zaak present, nl.: het ontbrak de reclasseringswerkers van het Youth Offending Team aan ervaring en kennis om de meest adequate beslissingen te nemen. In Engeland is het het Youth Offending Team dat het aanbevelingsrapport redigeert om iemand onder toezicht te plaatsen. Doordat de idee van managerialism nu ook in overheidsdiensten wordt toegepast, evolueert men meer en meer naar een situatie waarbij werknemers niet over de nodige kennis beschikken, noch van hen verwacht wordt deze te verwerven of te bezitten. Het antwoord wordt immers geformuleerd door de risk-assessment-vragenlijst. Er werd niet opgemerkt dat Williams erg hulpbehoeftig was, maar ook bijzonder gevaarlijk wegens zijn onverschillige instelling.163

161

M. Nellis, “The Limitations of Electronic Monitoring,” Prison Service Journal, 2006, 164: 3-12. C. Paterson, “Street-level surveillance: Human agency and the electronic monitoring of offenders” Surveillance & Society, 2007, 4(4) 316. 163 M. Nellis, “The Limitations of Electronic Monitoring,” Prison Service Journal, 2006, 164: 3-12. 162

63

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Schema 1.1: Proces – Berichtgeving en installatie De rechtbank stuurt een bericht naar de leverancier

De leverancier controleert het vonnis

Leverancier contacteert rechtbank voor missende info

Is het vonnis juist ingevuld?

Nee Ja Data worden ingevoerd in computersysteem & Ja een bezoek wordt gepland voor de installatie

Leverancier gaat langs bij betrokkene

Is toegang verkregen?

Nee

Overtreding. Leverancier stelt de politie op de hoogte binnen de 15 minuten en stuurt een s9 verklaring binnen de 24u na het bezoek

Ja

Is alles geïnstalleerd?

Telefoonlijn is nodig. Overtreding. Leverancier stelt de politie op de hoogte binnen de 15 minuten en stuurt een s9 verklaring binnen de 24u na het bezoek – zodat de beklaagde in voorlopige hechtenis kan worden geplaatst tijdens installatie

Ja

Technologie wordt geïnstalleerd en leverancier geeft de informatiebrochure aan de beklaagde

64

de

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

Schema 1.2: Overtredingsproces – Afwezigheid tijdens Curfew Computersysteem rapporteert dat subject afwezig is van curfew adres voor meer dan 15 minuten tijdens de curfew periode

Leverancier belt de betrokkene binnen de 15 minuten om de tijdsovertreding te bevestigen

Nee

Neemt de betrokkene de telefoon op?

Ja Ja

Geeft de betrokkene de overtreding toe?

Nee Bezoek gepland voor controle apparatuur

Ja

Werkte de apparatuur correct?

Nee Apparatuur vervangen. Geen overtreding.

65

S9 verklaring wordt naar de politie gefaxt om de overtredingsprocedure in gang te zetten

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

Schema 1.3: Overtredingsproces – Manipulatie van enkelband of monitoring toestel

Computersystemen rapporteren manipulatie van enkelband of apparatuur

Leverancier belt de betrokkene binnen de 15 minuten

Nee

Heeft de betrokkene geantwoord?

S9 verklaring wordt naar de politie gefaxt om de overtredingsprocedure in gang te zetten

Ja Leverancier komt binnen de 4 uur op bezoek

Was de apparatuur beschadigd?

Ja

Apparatuur gecontroleerd en vervangen.

66

AFDELING III – ENGELAND EN WALES Bail Act 1976 cases - Electronic Monitoring Information Form Originator of EM Requirement: Crown

From: Court Name and Address

Magistrates

Court Code: Supervising Court Code: Court Reference No: Date of next Court hearing : Court Contact: Notification:

First

Revised

Variation

Personal Details of Defendant First or Forename:

Gender:

Last or Surname:

Alias:

Address:

DOB:

Male

Female Age at start of EM Requirement:

Special Needs: Postcode: Telephone Number:

Mobile Number:

National Insurance No:

Case Reference No:

CRB No:

PNC No:

Electronically-Monitored Curfew Requirement Start Date of EM Requirement Start Time of EM Requirement

End Date of EM Requirement End time of EM Requirement

You are required to stay at the following address at the times and on the days stated below Curfew Address 1

Monday

Tuesday

Wednesday

Thursday

From

To From To Total No of Hours

67

Friday

Saturday

Sunday

HOOFDSTUK 1 - SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND

You are required to stay at the following address at the times and on the days stated below Curfew Address 2

Monday

Tuesday

Wednesday

Thursday

Friday

Saturday

Sunday

From

To From To Total No of Hours Variations of EM Requirements The Court has said that you can leave your place of curfew during your curfew period for the reasons listed and at the dates and times listed below:

Variation reason From Date & Time

To Date and Time

Variation reason From Date & Time

To Date and Time

Variation reason From Date & Time

To Date and Time

Police Contact Point Name:

Area:

Rank:

Tel:

Defendant Acknowledgement I am bound to comply with the Order and I understand the conditions given. The court has explained to me the conditions of the Order and what will happen if I do not comply with the Order. I understand that I must be available at the start of the monitoring period for installation of equipment. I understand that I must not remove or let others remove or damage the electronic monitoring equipment and that I may be liable for prosecution for theft or criminal damage if I do. Signature of Defendant

68

AFDELING III – ENGELAND EN WALES

Bail Act 1976 cases Electronic Monitoring Information Form

ADMINISTRATION USE ONLY This form is to be faxed to the Electronic Monitoring Supplier on the day the Order is made. Please attach a copy of the Order and make sure that all information required is completed and faxed to the correct Supplier for your area – otherwise the form will be returned. Pages 1 and 2 only are to be copied to the defendant. Prolific and Priority Offender

Yes

MAPPA Case

Interpreter required in Court

Yes

If yes, language

Yes which

Notification to Electronic Monitoring Supplier Region

(9)

Supplier

Telephone No:

North East, North West, East Midlands, Yorkshire, Humbersid e, South East, South West

Group4Securic or

0161 1201

London Eastern

&

Serco

08080 965 08700 124 700321

[email protected]

West Midlands & Wales

Serco

08080 152 08700 369 700321

[email protected]

69

Fax No:

862 0161 5331

Email:

876 [email protected] .com.cjsm.net

SECTION IV - AFDELING IV LA SURVEILLANCE ELECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES ELEKTRONISCH TOEZICHT IN NOG ANDERE LANDEN EN KRITIEKEN TEN AANZIEN VAN HET ELEKTRONISCH TOEZICHT

1

La situation dans d’autres pays

La surveillance électronique (de l’assignation à résidence) existe en tant que mesure alternative à la détention préventive dans plusieurs pays européens. Outre au RoyaumeUni, aux Pays-Bas et en France dont la situation a été décrite précédemment, la Pologne, la Slovénie, la Hongrie et le Portugal ont également recours à la surveillance électronique dans la phase pré-sentencielle. Nous abordons brièvement ici la situation en Hongrie et au Portugal164. En Hongrie, l’assignation à résidence, « Home arrest », est une mesure alternative à la détention préventive et peut être ordonnée avec ou sans surveillance électronique. Elle consiste en une restriction du droit du prévenu de se déplacer librement et de choisir librement sa résidence. La Hongrie compte d’autres mesures de ce type qui présentent différents degrés de restriction. « Keeping away » soit ne pas pouvoir s’approcher de certains endroits ou de certaines personnes, et « Home curfew » (ou « Geographical ban ») soit ne pas pouvoir quitter une zone spécifique, ni changer de lieu de résidence sans permission. L’assignation à résidence qui présente le plus haut degré de contrainte peut être ordonnée si la mesure permet de rencontrer les objectifs attribués à la détention préventive sans devoir recourir à une privation totale de liberté dans le chef du prévenu165. Contrairement aux autres mesures alternatives, l’assignation à résidence a le même fondement légal, les mêmes règles de procédure et de durée que la détention préventive. Le principe d’imputabilité du temps de l’assignation à résidence sur la durée de l’éventuelle peine finale est d’application166.

164

A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 93. 165 Ibid., 487. 166 Ibid., 487.

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

Pour pouvoir envisager cette mesure, les caractéristiques de l’infraction criminelle, la durée de la procédure criminelle et le comportement du prévenu167 doivent être pris en considération. Le tribunal (the court) impose le lieu d’assignation (résidence) et la délimitation des zones attachées à cet espace. Il impose également les plages horaires au cours desquelles le prévenu peut quitter le lieu d’assignation et la distance maximale qu’il est autorisé à parcourir 168 . Une ordonnance d’assignation à résidence peut être transformée en ordonnance de détention provisoire, une « home curfew » peut être transformée en une assignation à résidence ou en une détention. Le contrôle s’effectue par des patrouilles de police et par des contrôles occasionnels. En cas de violation des conditions la cour peut ordonner une détention169. L’assignation à résidence n’est pas populaire auprès des acteurs judiciaires du pays (judiciary and public prosecutor), au même titre que les autres mesures alternatives. Cette mesure est peu appliquée mais il est cependant observé que le recours à cette mesure a progressé entre 2002 et 2006170. En 2006, la détention préventive représente 24% de la population carcérale (31% en 1988, 51% en 1998) 171 et l’assignation à résidence concerne, en 2006, moins d’1% des prévenus. Sans doute la détention préventive est-elle préférée au regard de la garantie qu’elle offre que le prévenu soit bien présent lors de son procès 172 . Un des points faibles de l’assignation à résidence est la nécessité du lieu d’assignation. Or il ressort qu’en Hongrie, la plupart des prévenus n’ont pas de lieu de résidence 173 . De plus, l’assignation à résidence est une mesure sollicitée le plus souvent dans la lutte contre la criminalité en col blanc et les infractions économiques. L’intégration de cette mesure révèle donc une brèche de taille au niveau du principe d’égalité concernant les chances d’accéder à cette mesure174. Au Portugal, le code de procédure pénal reprend toute une série de mesures de précaution qui doit être considérée avant de recourir à la détention préventive. La détention préventive reste l’ultima ratio qui ne peut être appliquée si des mesures alternatives s’avèrent suffisantes et adéquates175. 167

Ibid., 487. Ibid., 487. 169 Ibid., 488. 170 Ibid., 488. 168

171

http://bunmegelozes.easyhosting.hu/en/doc/home_arrest_Hungarian_slide_for_Bucharest_presentation.ppt., 9. 172 A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 95. 173 Ibid., 488. 174

http://bunmegelozes.easyhosting.hu/en/doc/home_arrest_Hungarian_slide_for_Bucharest_presentation.ppt., 13. 175 A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 778.

72

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

L’assignation à résidence fait partie des mesures alternatives existantes et peut être ordonnée avec ou sans surveillance électronique176. La surveillance électronique est donc un outil de contrôle de l’assignation à résidence mais également d’autres mesures (bail curfew), toutes applicables sous les mêmes conditions que la détention préventive 177 . L’assignation à résidence sous surveillance électronique est conçue comme un espace d’intervention entre la prison et la libération. La loi ne fait pas mention de critères d’application spécifiques, ils sont identiques à ceux prévus pour la détention préventive. Le bon sens du juge, l’opportunité et le caractère raisonnable de la décision doivent également participer à la définition des critères d’accès à cette mesure178. Les principaux intérêts que présente la surveillance électronique sont d’une part, d’offrir une solution de sécurité aux juridictions et à la population, et d’autre part, d’être compréhensible (understandable) pour les avocats et la police179. La surveillance électronique nécessite un domicile, l’accord du prévenu et l’accord des co-habitants 180 . Ces trois critères sont dès lors également une source de motifs d’exclusion, mais d’autres peuvent s’ajouter à la liste des critères susceptibles d’être relevés par le service de probation comme représentant une contre indication à l’application de l’assignation à résidence sous surveillance électronique. C’est le cas des personnes sans-abri ou qui ne sont pas autonomes (no self-contain) ou encore qui sont très jeunes et démontrant un comportement criminel certain. C’est aussi le cas des familles violentes ou des prévenus violents181 et des étrangers sans attaches sérieuses au Portugal. Les cas également exclus de la mesure sont les personnes présentant un haut risque de fuite ou quand le domicile permet la commission d’infraction ou encore les personnes qui présentent une addiction et qui ne suivent pas de thérapie 182 . Le type d’infraction duquel le prévenu est suspecté n’est pas en soi un critère d’exclusion. Il apparaît toutefois que les infractions contre la propriété, les trafics de drogue et les infractions contre les personnes sont les plus représentées183 dans la population soumise à une assignation à résidence surveillance électronique. Des unités de surveillance électronique sont chargées exclusivement du contrôle de la mesure, elles fonctionnent toutes sous la même direction, avec les mêmes règles et toutes les opérations répondent à un protocole national d’action184. Tous les évènements, qu’ils soient réguliers ou pas, sont rapportés au juge185. Les opérations menées par ces unités sont décrites dans une perspective d’assistance et de contrôle, de suivi au cas par cas,

176

Ibid., 778. http://www.ristretti.it/commenti/2008/settembre/pdf2/bracciale_europa.pdf., 2. 178 Ibid., 8. 179 Ibid., 6. 180 Ibid., 7. 181 Ibid., 11. 182 Ibid., 12. 183 Ibid., 9. 184 Ibid., 15-16. 185 Ibid., 19. 177

73

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

pour favoriser la prévention et pour aider le prévenu à gérer l’assignation et les restrictions qui l’accompagnent186. En 2005, après deux ans d’expérimentation différents constats ont été posés. Tout d’abord un résultat satisfaisant du déroulement des mesures appliquées. En effet moins de 10% des mesures de surveillance électronique ont été révoquées187. 70% des bénéficiaires étaient préalablement en détention préventive, les 30% restant accomplissaient une mesure d’assignation à résidence sans surveillance électronique 188 . Ensuite, des difficultés ont surgi, celles-ci peuvent relever d’erreurs commises par les juges dans leur sélection des bénéficiaires ou d’erreurs du service de probation dues à la charge de travail. Des difficultés peuvent également être relevées au niveau de la loi elle-même et aux différentes interprétations dont elle peut faire l’objet. La loi est notamment critiquée pour être désuète et naïve189. Enfin, la gestion de la surveillance électronique par des sociétés privées s’est avérée trop coûteuse et a démontré un manque de souplesse. Depuis 2005, cette gestion est assurée par le service de probation pour un résultat plus satisfaisant et moins onéreux190. Des éléments sont par ailleurs relevés comme participant au succès de la mesure. Tout d’abord, la conscience que la surveillance électronique est juste un outil au service de la loi, de l’ordre et de la probation. Le facteur humain reste donc déterminant et tout se joue dans la façon dont les agents de probation et les opérateurs vont utiliser la technologie191. Ensuite le succès tient à : un processus efficace de mise en place (expérimentation restreinte préalable) ; l’usage d’un concept original inspiré mais pas importé tel quel d’expériences étrangères ; un contrôle intensif qui associe le principe de la tolérance zéro à un travail d’accompagnement des prévenus192 ; une bonne gestion nationale des unités du centre de contrôle ; une définition précise des différentes procédures193. L’adhésion de l’opinion publique et des médias à la mise en œuvre de la mesure aurait également participé au succès de son implantation194.

2

Critiques

Les critiques reprises ici se fondent sur diverses expériences d’application de mesures sous surveillance électronique dans le cadre de l’application des peines ou de la détention 186

Ibid., 17. Ibid., 24. 188 Ibid., 25. 189 Ibid., 26. 190 Ibid., 4. 191 Ibid., 27. 192 Ibid., 28. 193 Ibid., 29. 194 Instituto de Reinserção Social. Obtigação de permanência na habitação com Vigilância electrónica, alternativa à prisão preventiva. Acedido em: 7, Outubro, 2009 em: http://www.mj.gov.pt/sections/justica-e-tribunais/justica-criminal/vigilanciaelectronica/downloadFile/attachedFile_f0/ve_kit.pdf?nocache=1185986851.13 187

74

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

préventive et de questions que ces expérimentations ont soulevées. Les critiques se développent à partir de trois niveaux d’appréhension de l’assignation à résidence sous surveillance électronique : les objectifs qui lui sont prêtés, les caractéristiques de cette mesure et son application, et enfin la technologie mobilisée. Ces niveaux sont listés ici de façon distincte mais sont dans les développements en étroite relation les uns avec les autres.

2.1 LES OBJECTIFS 2.1.1

La gestion interne

L’incidence en termes de réduction de la population carcérale, est un des premiers arguments avancés pour défendre les mesures d’assignation à résidence sous surveillance électronique. Or tout se joue dans la politique d’application de cette mesure et dans la capacité de prise en charge à laquelle la mesure peut faire face. L’assignation à résidence sous surveillance électronique, comme d’autres alternatives à la détention qui s’appliquent principalement à des individus présentant un faible risque de récidive, s’applique à des personnes qui n’auraient pas subi de détention ou qui, en l’absence de cette mesure, seraient exposées à de courtes peines ou de courtes périodes de détention195. A cela s’ajoute le nombre limité de détenus qui sont concernés par cette mesure196. Les expériences d’application de l’assignation à résidence sous surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive révèlent que cette mesure est suivie, dans une large mesure, d’une incarcération, soit comme sanction en cas de non respect des conditions inhérentes à la mesure, soit au terme de la phase sentencielle, indépendamment du déroulement de la mesure197. L’impact sur la population carcérale ne tend donc pas vers une diminution de l’effectif si l’on considère, au regard de la gestion du « stock »198 carcéral, la faible incidence de la mesure sur l’output et son incidence certaine sur l’input. Ce schéma de croissance de la population carcérale se calque sur celui déjà tracé en Belgique malgré l’application des différentes mesures alternatives à la détention199. Atteindre l’objectif de réduction de la surpopulation carcérale ne peut se faire sans étudier les véritables causes de ce phénomène, « la surpopulation de la prison est tributaire de transformations économiques associées à des choix politiques, plus que pénologiques ou

195

J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 19. 196 Commission d’évaluation de la détention provisoire, rapport 2007 ; J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 19. 197 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, n°5, 641. 198 P. Landreville, « La surveillance électronique des délinquants : un marché en expansion », Déviance et Société, 1999, n° 1, 116. 199 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, n°5, 641.

75

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

technologiques. La modification urgente de cette situation sera tributaire de choix de même nature et non de l’exploitation pragmatique de technologies nouvelles »200. 2.1.2

La productivité

La prévention de la récidive est un des étendards des promoteurs des mesures sous surveillance électronique. Cet objectif s’inscrit dans une logique d’effort vers plus d’efficacité du système pénal. Il s’inscrit corollairement en réponse au sentiment d’insécurité, comme mesure de protection de la société. Le premier élément qui tempère cette ambition est la difficulté de mesurer cet effet sur la récidive et le peu de démarches scientifiques menées dans ce sens201. Ensuite, les résultats disponibles indiquent que la surveillance électronique n’a globalement pas plus d’incidence sur le taux de récidive que la surveillance exercée par un dispositif exclusivement humain202. Par ailleurs, comme déjà évoqué, la population cible de ce type de mesure présente un faible risque de récidive. Ce paramètre doit vraisemblablement supplanter celui de la nature du dispositif203. En tout état de cause, c’est l’intervention et l’accompagnement humain qui semble être les éléments indispensables, incontournables et donc réellement efficaces dans la lutte contre la récidive204. L’intervention humaine est une variable significative dans l’étude des programmes efficaces de réadaptation mis en œuvre à l’attention de délinquants même pour ceux présentant un risque élevé de récidive205. Le déploiement de la société du contrôle, auquel participe l’instauration de l’assignation à résidence sous surveillance électronique et son infiltration des différentes phases sentencielles, est un danger qui existe dans la forme classique de la surveillance électronique (détection in – out) mais qui se voit davantage renforcé par l’utilisation du GPS et de la potentielle constante traçabilité que ce dispositif permet. Sous cet angle, la surveillance électronique ne doit pas être vue uniquement comme l’une des alternatives possibles à la détention préventive, comme une sanction alternative à la peine d’emprisonnement (peine autonome), ou comme une modalité d’application de la peine. Au-delà de sa fonction pénale, la surveillance électronique se situe également dans un processus social plus large, qui se focalise sur la maîtrise du risque et l’idée que tout peut être contrôlé206. L’application d’une telle technologie participe à induire progressivement 200

Ibid., 652. J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 19. 202 Ibid., 20. 203 Ibid. 204 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, n°5, 653. 205 J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 21. 206 Voir entre autres : D. Lyon, The electronic eye. The Rise of Surveillance Society, Cambridge, Polity Press, 1994; D.M. Wood (ed.), A report on the surveillance society, Surveillance Studies Network, 2006, 9, 26; consultable sur: http://www.ico.gov.uk/upload/documents/library/data_protection/practical_application/surveillance_society _full_report_2006.pdf 201

76

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

une normalisation de ce type de méthode et jette ainsi les bases de formes de contrôle encore plus extrêmes hors de la sphère pénale (par exemple, la surveillance électronique des enfants par leurs parents)207. Ceci d’autant plus que la technologie, son évolution et son accessibilité suffisent, pour certains, à asseoir la pertinence du recours à ce type de dispositif208. 2.1.3

L’efficience

Un des grands arguments agités par les défenseurs de l’assignation à résidence sous surveillance électronique est le moindre coût de cette mesure au regard du coût, par individu, de la prise en charge carcérale. Plusieurs contre arguments existent, ils indiquent que ce calcul comparatif est simpliste et erroné. C’est la mesure des économies effectivement réalisées sur le portefeuille du système correctionnel dans son ensemble et ce, depuis la mise en œuvre de l’assignation à résidence sous surveillance électronique, qui va réellement éclairer la question de l’efficience économique de cette mesure. Or certains éléments semblent indiquer qu’une économie n’est pas à escompter, que du contraire. Tout d’abord, cette mesure ne remplace pas l’emprisonnement, elle renforce les mesures probatoires par un mouvement de surpénalisation209. Le coût de l’assignation à résidence sous surveillance électronique s’ajoute donc en réalité aux dépenses effectuées en l’absence de cette mesure. Ensuite, la mise en place de cette nouvelle mesure entraîne une certaine mobilisation de ressources humaines et matérielles indispensables à l’opérationnalisation de tout ce qui doit assurer l’efficacité du dispositif (le contrôle, l’accompagnement individuel, la conception de leurs procédures respectives, …) ; soit un accroissement des ressources suivant le phénomène d’expansion systémique 210 . Enfin, sans pour autant avoir été exhaustif dans cette énumération, le non respect des conditions des personnes soumises à une assignation à résidence sous surveillance électronique est plus facilement repéré. Ces dernières sont donc davantage sanctionnées et parfois réincarcérées. La prise en charge du non respect des conditions représente encore un coût supplémentaire211. Or, il ressort des expériences existantes que ce cumul de dépenses n’est pas compensé par une diminution équivalente ou supérieure du coût de l’incarcération. Il est évident que le dispositif technologique représente à lui seul un coût non négligeable et que selon le choix de la technologie, les frais varient en importance. Quant à l’utilisation du GPS et le suivi d’une personne en temps réel qu’il permet, elle est très coûteuse. La plupart des expériences menées à l’étranger montrent que l’utilisation du mode actif du GPS est trop onéreuse, et cette possibilité n’est dès lors pas considérée comme une option politique réaliste.

207

D. Lyon, Surveillance as Social Sorting, New York, Routledge, 2003, 38. P. Landreville, « La surveillance électronique des délinquants : un marché en expansion », Déviance et Société, 1999, n° 1, 117. 209 J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 22. 210 Ibid. 211 P. Landreville, « La surveillance électronique des délinquants : un marché en expansion », Déviance et Société, 1999, n° 1, 116. 208

77

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

Le marché de la surveillance électronique est surveillé de près par l’industrie spécialisée dans ce type de dispositif. En effet, dans certains pays, au regard du taux actuellement bas des détenus concernés par ces mesures et du contexte gestionnaire ambiant, les prévisions s’orientent vers une hausse du recours à toute une série de dispositifs de surveillance électronique. L’industrie veille avec une telle application que des industriels s’impliquent activement dans la promotion de ce type de produit au cours d’activités rassemblant des professionnels des secteurs judiciaire et politique212. La question économique que soulève la surveillance électronique mène inévitablement à soulever la problématique de la privatisation de la justice « on peut aussi s’inquiéter, d’une façon plus concrète, sur le poids que les industries du domaine pénal, en particulier celles qui vendent la S.E., font peser sur les choix politiques et sociaux et sur l’impact qu’elles peuvent avoir pour infléchir les politiques pénales »213.

2.2 LES EFFETS DE L’APPLICATION DE L’ASSIGNATION À RÉSIDENCE 2.2.1

Le net-widening

Une critique importante contre le recours à l’assignation à résidence sous surveillance électronique se fonde sur le phénomène de net-widening, la crainte d’une extension du filet pénal ou du resserrement de son emprise. L’instauration de mesures sous surveillance électronique à la phase sentencielle peut avoir pour conséquence de s’appliquer à des condamnés qui, en l’absence de cette mesure, auraient bénéficié d’une mesure de probation sans avoir été incarcérés. Cette crainte est redoublée au regard des critères stricts suivant lesquels les condamnés bénéficiaires d’une mesure sous surveillance électronique sont sélectionnés 214 . Concevoir, telle qu’envisagée en Belgique ou telle que récemment adoptée215 en France, une assignation à résidence sous surveillance électronique à la phase pré-sentencielle comme une mesure intermédiaire entre la détention préventive et la libération sous conditions -en proposant en son endroit moins de contrainte ou plus de contrôle-, c’est offrir deux compréhensions de la mesure, des occasions d’en privilégier l’une ou l’autre et des espaces de glissements entre les groupes-cibles de ces différentes mesures. Selon l’orientation des glissements, la situation des prévenus bénéficiant d’une assignation à résidence sous surveillance électronique leur sera en fait plus ou moins favorable qu’en l’absence de cette mesure. Le phénomène de sélection des individus observé au niveau de la sentence a toutes les chances de se reproduire au niveau de l’instruction, dès lors, l’orientation du glissement vers une surpénalisation semble tout tracée. Cette critique semble être contournée par certains pays, dont la Belgique jusqu’à présent, qui recourt à l’assignation à résidence sous surveillance électronique uniquement comme modalité d’application d’une peine d’emprisonnement en cours, alors que les conditions d’admissibilité à une forme classique de libération ne sont pas totalement réunies 216 . 212

Ibid., 117. Ibid. 214 Ibid., 115. 215 Loi n° 2009-1436 du 24 novembre 2009, Journal Officiel, 25 novembre 2009. 216 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 634. 213

78

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

Dans ce cas précis, la mesure rencontre exclusivement le groupe-cible initialement visé, l’élargissement du filet semble donc écarté. Cependant qu’en est-il de son resserrement et des effets d’une mesure sous surveillance électronique sur la dynamique d’application des libérations conditionnelles ? L’exemple américain montre que les mesures intermédiaires dans le cadre de l’application des peines sont clairement mobilisées pour investir plus de contrôle dans les mesures de probation et pour soutenir leur caractère punitif217. A côté des dérives potentielles de cette mesure selon sa localisation dans le spectre pénal218, il existe également des dérives potentielles liées à la mesure elle-même et à son déroulement. En consistant en une contrainte du corps et d’une restriction de ses mouvements selon des coordonnées temporelles et spatiales, tout incident contrariant ce plan est repéré, rapporté, et donc source d’éventuelles nouvelles condamnations (Fast tracking). En deçà de son application, la mesure elle-même participe au phénomène de net-widening. 2.2.2

L’isolement social

L’assignation à résidence sous surveillance électronique veut réduire les effets négatifs de la prison et maintenir la personne qui y est soumise dans son milieu sous certaines conditions. Il semble que ces conditions, ce milieu et le fait d’y maintenir une personne constituent précisément des freins à la socialisation. Tout d’abord, en quoi les conditions qui délimitent le temps et l’espace freinent-elles la (re)socialisation, empêchent-elles l’individu d’y prendre une part active ? La zone définie de l’assignation est parfois plus réduite que la surface totale de la résidence, une personne peut donc se voir interdire l’accès à son jardin alors que cet espace est propice au maintien ou à la création de lien avec des membres de sa famille. Les horaires de travail fixés dans les conditions ne permettent pas d’accepter d’éventuels aménagements proposés (imposés) par l’employeur (heures supplémentaires, modifications d’horaires, …) 219 . Ces coordonnées de déplacements ainsi déterminées n’autorisent aucune réaction ou soumission à l’imprévu. Aucune action ou intention ne peut prendre forme en dehors de celles qui ont été préalablement fixées. Il n’est attendu de l’assigné qu’une conformité aux conditions de son assignation, soit de la docilité220. Sous l’angle de la surveillance électronique la réinsertion est ainsi revêtue d’une compréhension très limitée221.

217

P. Landreville, « La surveillance électronique des délinquants : un marché en expansion », Déviance et Société, 1999, n° 1, 114. 218 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 634. 219 M.-S. Devresse, « Responsabilité du condamné et contrôle situationnel : l’exemple de la surveillance électronique », in Actes du colloque ‘Le pénal aujourd’hui’, Centre International de Criminologie Comparée, Montréal, 5-6-7 décembre 2007, 137. 220 Ibid., 136. 221 M.-S. Devresse, Innovation pénale et surveillance électronique, quelques réflexions sur une base empirique, Séminaire innovation pénale, 2007, 7.

79

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

Ensuite, le milieu de l’individu participe à l’assignation à résidence en ce qu’il en constitue le cadre. Selon la situation socio-économique des individus concernés et les biens dont ils disposent, la zone d’assignation sera plus ou moins vaste, salubre, confortable, dans un environnement urbain, rural ou industriel, à proximité ou pas de commerces et de services, . Il apparaît donc qu’en fonction de la situation des individus, l’assignation à résidence est susceptible de renforcer les effets de mécanismes de relégation socio-économique (par exemple les phénomènes de gentrification et de migration qui organisent la répartition des populations dans l’espace) que certains peuvent subir indépendamment de la prise en charge pénale. L’entourage (cohabitants, amis, collègues, patrons, nouvelles rencontres) est-il a même de percevoir justement la contrainte à laquelle est soumise l’assigné ? Comment justifier aux yeux des autres des comportements qui semblent être des choix (refus d’une activité, refus d’heures supplémentaires, refus d’aller jouer dans le jardin, …), alors qu’ils n’en sont pas ? Quels effets les heures imposées de cohabitation et de sortie ont-elles sur les relations familiales ? Comment les cohabitants assument-ils leur liberté de mouvement sous les yeux de l’assigné ? Le dispositif de surveillance électronique s’impose aussi aux éventuels cohabitants de la personne assignée et conditionne l’évolution de la qualité de leurs relations. Cette dimension n’est pas investie dans l’application de la mesure ni dans le suivi qui l’accompagne222. D’autres questions se posent encore autour de l’assignation à résidence en tant que mesure qui veut épargner à un individu la rupture des liens sociaux qu’il entretient au cœur de son environnement. Tout en voulant s’imposer de façon moins radicale que l’incarcération, l’assignation à résidence écarte l’assigné de la société et l’isole dans son foyer, car sans la présence physique du dispositif carcéral classique, elle n’en garde pas moins des attributs tout autant signifiants. 2.2.3

La vie privée

L’assignation à résidence entraîne, outre l’isolement de l’assigné, une intrusion dans la sphère privée de l’ensemble des cohabitants. En effet, l’administration de la justice pénale exploite un nouvel espace : le domicile. Celui-ci et ceux qui y habitent deviennent malgré eux (quel est précisément l’objet du consentement des cohabitants majeurs ?) partie prenante à la mesure, à travers leurs comportements de tous les jours ils peuvent volontairement ou non influer de façon positive ou négative le déroulement de la mesure. Le système pénal organise à travers l’assignation à résidence une externalisation d’une part de la responsabilité du déroulement de la mesure. Ce dont il se défait est redistribué entre les autres parties, à savoir les cohabitants, le cas échéant, et l’assigné lui-même. Tant la prise en charge de l’hébergement (nourri, logé, blanchi) que la prise en charge du contrôle sont entre les mains des cohabitants et de l’assigné. Quant au contrôle, il a également été observé que, outre les cohabitants, des acteurs extérieurs à la sphère familiale (formateur, employeur, enseignant,…) prennent également l’initiative d’y

222

Ibid., 11.

80

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

participer en contactant le CNSE pour rapporter des incidents 223 . L’assignation à résidence sous surveillance électronique participe ainsi à une multiplication directe et indirecte des acteurs du contrôle, à la dilution de l’opération de contrôle dans la sphère sociale et donc à l’altération des modalités d’interaction entre tous ces acteurs ‘pénalisés’ « la surveillance électronique corrompt les règles normales du contrôle social des espaces privés et professionnels »224. L’assigné participe aussi pleinement à son propre contrôle225, intériorisant, par la seule présence du bracelet, la constance de la potentialité du contrôle, et donc assure à lui seul les rôles du contrôlé et du (des) contrôlant226. Cet effet de l’assignation à résidence peut être un élément qui rapproche cette mesure d’autres mesures également développées dans un cadre probatoire. Hormis la présence matérielle d’un outil de contrainte pour ce qui est de la surveillance électronique, le succès de ces mesures repose sur la « responsabilité » de l’intéressé. La question qui se pose ici est quelle est la réelle plus value qu’offre alors la surveillance électronique 227? 2.2.4

Justice de classe

Il ressort d’expériences étrangères qu’étant donné les conditions qui sont posées pour envisager une surveillance électronique, ce sont en grande majorité les criminels en col blanc qui sont susceptibles d’en bénéficier228. Les personnes sans domicile ou d’origine étrangère sont souvent exclues automatiquement du bénéfice de la surveillance électronique. On épingle parfois aussi une certaine sélectivité au niveau de la personne dans l’octroi d’une mesure de surveillance électronique, en ce sens que ce sont des facteurs statiques, notamment les caractéristiques spécifiques de l’auteur, qui déterminent quelles personnes parmi l’ensemble des prévenus/condamnés peuvent bénéficier d’une mesure déterminée. Pour pouvoir « bénéficier » d’une mesure sous surveillance électronique, le « candidat » doit donc tout d’abord faire preuve de dispositions matérielles et sociales. Pour que la mesure puisse être appliquée, l’intéressé doit disposer d’un domicile alimenté en électricité et disposant d’un téléphone, à défaut, l’instance compétente doit trouver un

223

M.-S. Devresse, H. Luypaert, D. Kaminski, K. Beyens, Recherche sur l’évaluation de la réglementation, des processus décisionnels et du travail en matière de surveillance électronique, 2006, 189. 224 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 650. 225 M.-S. Devresse, « Responsabilité du condamné et contrôle situationnel : l’exemple de la surveillance électronique », in Actes du colloque ‘Le pénal aujourd’hui’, Centre International de Criminologie Comparée, Montréal, 5-6-7 décembre 2007, 136. 226 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 650. 227 M.-S. Devresse, « Responsabilité du condamné et contrôle situationnel : l’exemple de la surveillance électronique », in Actes du colloque ‘Le pénal aujourd’hui’, Centre International de Criminologie Comparée, Montréal, 5-6-7 décembre 2007, 138. 228 C’est le cas par exemple en Hongrie, voir A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009.

81

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

lieu susceptible de convenir à la mesure229. Sur le plan familial et social, les relations avec les cohabitants doivent être d’une qualité suffisante. Sur le plan professionnel, avoir un travail ou suivre une formation présente des avantages certains. L’absence d’une de ces dispositions ou l’évaluation insatisfaisante de la qualité de l’une d’elles peut freiner l’accès à la mesure. Par ailleurs, une participation financière est prévue dans certains pays, à charge des détenus230. A qualités et compétences personnelles égales, tous les bénéficiaires potentiels n’auront donc pas accès à la mesure, leurs caractéristiques socioéconomiques étant déterminantes. L’assignation à résidence sous surveillance électronique est donc une mesure dont l’application ne peut se mettre en œuvre sans créer des inégalités entre détenus, sans opérer une sélection sociale. De plus, comme déjà évoqué plus haut, selon les conditions de vie, la mesure sera plus ou moins difficile à vivre, les assignés supporteront plus ou moins facilement les conditions, contreviendront ou pas à celles-ci, « reproduisant ainsi la répartition sociale des risques de violation technique »231.

2.3 2.3.1

LA TECHNOLOGIE MOBILISÉE

Le dispositif au quotidien

Le dispositif technique est nécessairement installé en étroite relation avec le corps de l’intéressé, ce n’est pas sans incidence sur l’individu, tant dans ses activités quotidiennes que dans sa relation à son propre corps et dans les mécanismes psychologiques qu’il développe. La première recherche menée en Belgique sur les personnes soumises à une surveillance électronique relève différents incidents dans les activités quotidiennes attribuables au développement non abouti de l’outillage utilisé 232 . Les ondes qui transitent par l’appareillage occasionnent des interférences avec d’autres appareils électroniques (antivol, bancontact,…) et sont donc sources d’embarras pour la personnes sous surveillance électronique (et ceux qui l’accompagnent) qui par exemple fait ses courses. Ou encore, ces émissions électroniques parasitent les communications téléphoniques comme l’a également relevé une étude d’évaluation réalisée aux Pays-Bas233. Ou enfin, le contact avec l’eau déclanche une alarme : « Ik durfde geen bad of douche nemen, ik lette er constant op dat ik mij waste zonder dat stuk van mijn been mee te wassen. Ik wou gewoon

229

En France, le juge compétent peut imposer un lieu autre que le domicile. J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 15. 231 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 646. 232 L. Robert, E. Stassart, « Onder elektronisch toezicht gestelden aan het woord ; krachtlijnen uit het eerste Belgische onderzoek », in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing?, T. Daems, S. De Decker, L. Robert, F. Verbruggen (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 18. 233 E.C. Spaans, C. Verwers, Elektronisch Toezicht. Uitkomsten van het experiment: Samenvatting en Discussie, Den Haag, WODC, 1997. 230

82

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

geen risico’s lopen »234. D’autres craignent de bouger en dormant de peur que le bracelet ne cède235. Le dispositif en contact avec la peau peut causer certains désagréments physiques (gêne lorsque l’intéressé court ou fait du sport, irritation de la peau, allergie, …). Certaines douleurs physiques ont également été relevées et peuvent être mises en lien avec un phénomène de somatisation 236 des sentiments divers causés par le port constant de l’appareillage. En effet, il ressort que les personnes sous surveillance électronique subissent une tension constante dans les relations, une angoisse, de la frustration et du stress. Ces personnes passent dans un premier temps par un besoin d’être rassurées sur le dispositif, son degré d’intrusion et son incidence sur leurs activités, qu’elles soient sociales, sportives ou intimes : « Eén respondent ervoer de enkelband als een zodanig indringende constante aanwezigheid van controle dat hij zich zelfs afvroeg of men kon weten wanneer hij intiem was met zijn vrouw »237 Il est également relevé que le port d’un bracelet électronique entraîne un sentiment de stigmatisation intense chez la plupart des personnes concernées et qu’elles déploient des stratégies et de l’énergie pour tenter de cacher cette « marque » embarrassante, aux yeux de tous, même des plus proches 238 . En plus de cela, le dispositif de surveillance électronique doit être signifiant239 pour être (mieux) supporté psychologiquement. Cette quête du sens de l’objet est une façon pour l’assigné de définir sa motivation à supporter l’appareillage et, au-delà des fonctions premières de celui-ci, d’y injecter sa propre interprétation de la justification de la mesure de surveillance240. Un effet pervers observable quand le dispositif est imposé pendant une longue période, et comparable aux effets de l’incarcération, est une dépendance de l’intéressé au cadre contraignant ainsi défini par la mesure, rendant difficile toute réintégration ultérieure dans un cadre de vie non préalablement organisé241. 2.3.2

La technologie face à elle-même

Dans le cadre de l’assignation à résidence, la technologie fait office de garant du contrôle des conditions et dans une certaine mesure fait également office de garant du respect de celles-ci (intériorisation du contrôle comme fonction dissuasive). Or ni l’objectif de contrôle ni l’objectif de prévention de la récidive ne peut, comme tout autre objectif, être assuré uniquement par la technologie. En effet, au-delà des effets dissuasifs du dispositif de contrôle, la personne sous surveillance reste toujours en mesure de manipuler, 234

L. Robert, E. Stassart, « Onder elektronisch toezicht gestelden aan het woord ; krachtlijnen uit het eerste Belgische onderzoek », in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing?, T. Daems, S. De Decker, L. Robert, F. Verbruggen (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 18. 235 Ibid., 17. 236 Ibid., 16. 237 Ibid. 238 Ibid. 239 M.-S. Devresse, Innovation pénale et surveillance électronique, quelques réflexions sur une base empirique, Séminaire innovation pénale, 2006, 9. 240 Ibid. 241 Ibid.

83

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

d’enlever l’appareillage ou de ne pas respecter les conditions imposées. La surveillance électronique ne supprime donc pas les risques (évasion, récidive, etc.). Par ailleurs, outre la détermination des personnes assignées de garder ou pas l’appareillage, il faut noter la persistance des limitations techniques, et l’inscription d’un doute permanent242 quant à la fiabilité du dispositif (et du détenu). Toutes les technologies ne sont pas encore tout à fait au point et à certains endroits, il n’est, par exemple, pas toujours possible de capter le signal GPS, surtout là où l’air est confiné, comme dans les haut bâtiments, les zones boisées ou à proximité de murs élevés243. La confiance et la méfiance oscillent de l’assigné au dispositif technique et entraîne dans le processus de contrôle un recours au procédé de confrontation entre les dires de l’intéressé et les détections du système, dans le but d’extraire le vrai des deux versions qui parfois s’opposent. La répartition des torts peut avoir pour conséquence une altération du respect de la mesure ou de sa légitimité, par une remise en question de la fiabilité du système dans le chef de l’assigné ou dans le chef des agents de contrôle244. Mais les limites de la technologie commencent aussi là où celles du dispositif humain sont atteintes, car l’efficacité du matériel dépend aussi dans une large mesure de la rapidité avec laquelle les acteurs compétents (services sociaux, services d’ordre, magistrat, …) peuvent intervenir dans les situations à risques. 2.3.3

Technologie et garanties juridiques

Le droit à la vie privée des individus est largement mobilisé contre le recours aux dispositifs de surveillance électroniques quels qu’ils soient. Cette question connaît une tension particulière autour de l’usage de la technologie GPS qui peut assurer une traçabilité continue d’un individu. Au départ d’une comparaison entre la situation d’assignation et d’incarcération, différentes interprétations circulent. Certains estiment que l’assignation offre plus de protection de la vie privée, alors que d’autres considèrent que la surveillance électronique par GPS interfère davantage dans la vie privée que la privation de liberté classique. La question doit-elle être posée en ces termes ? Le consentement d’une personne à être soumise à une surveillance électronique a-t-il une incidence quelconque sur cette question ? Toute réponse ne doit-elle pas se développer à partir de l’appréciation des effets de la mesure et des objectifs qui lui sont « assignés » ? Au niveau des procédure juridiques dans le cadre desquelles une surveillance électronique est organisée, il faut noter le phénomène de ‘function creep’, c’est-à-dire l’utilisation de l’appareillage de suivi à des fins autres que celles pour lesquelles il est initialement prévu (par exemple, pour la recherche de terroristes par les services de renseignements). Soit le risque qu’au cours d’une procédure, le dispositif de contrôle du respect de conditions spécifiques devienne une source d’informations exploitées dans le 242

M.-S. Devresse, H. Luypaert, D. Kaminski, K. Beyens, Recherche sur l’évaluation de la réglementation, des processus décisionnels et du travail en matière de surveillance électronique, 2006, 181. 243 M. Miedema, B. Post, Evaluatie pilot elektronische volgsystemen, Nijmegen, ITS, 2006, 17-18. 244 M.-S. Devresse, H. Luypaert, D. Kaminski, K. Beyens, Recherche sur l’évaluation de la réglementation, des processus décisionnels et du travail en matière de surveillance électronique, 2006, 182.

84

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

cadre de l’enquête 245 . Ces informations seront d’autant plus précises si les agents de contrôle connaissent bien la zone parcourue par la personne surveillée (p.e. reconnaître dans quels magasins il entre) 246 . Et le contrôle sera d’autant plus intrusif si la vidéosurveillance est associée à l’usage du GPS. Il serait alors possible de coupler deux types d’information : la localisation et l’image. Le principe de la présomption d’innocence est également est également exposé aux usages des dispositifs de surveillance électronique dans le cadre de l’instruction. Dès lors que le système électronique de contrôle enregistre un incident comme le non respect d’une obligation, on peut craindre qu’il revienne à l’assigné de démontrer la non survenance du fait. Cela consisterait en une inversion de la charge de la preuve, contraire à plusieurs déclarations et conventions internationales247.

3

Trois cas de refus d’intégrer l’assignation à résidence sous surveillance électronique

Quelques gouvernements ont rejeté l’introduction de l’assignation à résidence sous surveillance électronique dans leur législation ou leurs pratiques pénales. C’est le cas par exemple du gouvernement de la Nouvelle Zélande qui a pris cette décision après un projet d’expérimentation de deux ans sur 37 détenus 248 . Cette expérimentation dans le cadre de l’application des peines a été menée avec le souci d’éviter l’effet de surpénalisation. Etaient donc exclus, les détenus qui auraient bénéficié d’une liberté sur parole et ceux condamnés à une peine de prison inférieure à douze mois en raison de la surveillance « simple » dont ils pourraient bénéficier en cas de libération conditionnelle249. Etaient par contre visés par l’expérimentation, les détenus susceptibles d’être remis en libération conditionnelle après avoir purgé le tiers de leur peine, et ceux qui n’ont pas été remis en liberté sur parole et qui ont purgé les deux tiers de leur peine250. L’évaluation du projet a toutefois permis de pointer différents éléments en défaveur de son extension à d’autres régions du pays. Tout d’abord, les constats ont entraîné une remise en question du soutien à la réinsertion auquel la mesure voulait participer. En effet, si la mesure engrange des résultats positifs sur ce plan, elle suscite également des effets nuisibles dus principalement aux restrictions sur les activités, aux incompatibilités avec 245

D.M. Wood (ed.), A report on the surveillance society, Surveillance Studies Network, 2006, 9, 26; consultable sur: http://www.ico.gov.uk/upload/documents/library/data_protection/practical_application/surveillance_society _full_report_2006.pdf. Voir aussi les interventions des participants aux tables rondes sur cette question : Chapitre 2, section I, par. 2.2.4 et par. 3.2.5. 246 Entretien avec Fokko de Boer, Reclassering Noord-Nederland, Groningen, 18 juin 2009. 247 L. Mampaey, J.-P. Renaud, Prison technologies (An appraisal of technologies of political control), European Parliament, 2000, 44. 248 J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 23. 249 Ibid. 250 Ibid., 24.

85

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

certains emplois et le manque de contenu constructif à l’attention de l’intéressé. Ensuite, le coût de l’expérience n’a pas permis d’observer d’économie significative. D’une part, le coût de la prise en charge hors de la prison n’était pas inférieur à une prise en charge carcérale, d’autre part, peu de détenus ont bénéficié de cette mesure car peu y ont consenti. Ce refus de la mesure s’explique par le peu de bénéfices qu’ils y voyaient en comparaison avec la faible contrainte des conditions de la libération conditionnelle classique. L’évaluation a donc mis en évidence le peu d’effet de la mesure sur la réduction de la population carcérale, et insisté sur la nécessité d’une réflexion approfondie sur les objectifs de la mesure si ce projet devait être poursuivi251. Au Québec, il n’a pas encore été question de projet d’expérimentation, cette province est un haut lieu de résistance. Au Québec, le débat s’appuie sur les valeurs correctionnelles qui ont été confirmées en 1995 au cours d’une réforme correctionnelle252. La réinsertion sociale et l’intervention humaine sont au cœur de la philosophie de l’intervention pénale. La question qui se pose est donc dans quelle mesure la surveillance électronique s’inscrit dans cette philosophie compte tenu de sa finalité première qui est le contrôle de l’individu concerné253. Le débat naît donc de la nature de la mesure. Est-ce qu’un équilibre entre l’axe de l’aide et celui du contrôle est possible ? En cas d’un déséquilibre en faveur du contrôle n’est-ce pas le principe général d’action qui peut être remis en question ? De plus, alors que l’atout majeur de l’intervention est de miser sur la qualité de la relation en investissant dans l’accroissement des ressources humaines chargées de soutenir la réinsertion sociale 254 , le facteur technologique et les risques de technicisation au détriment de la relation sociale jettent un froid255. Le Québec veut résolument préserver la dimension essentiellement humaine de son intervention, en maintenant le contrevenant et ses besoins au cœur du programme d’accompagnement, tout en aménageant un dispositif de contrôle. Ce dernier ne supplantant pas l’objectif premier de la réinsertion. C’est en poursuivant l’objectif de la qualité des relations entre intervenants et contrevenants que le Québec entend favoriser le développement d’un environnement sécuritaire256. En adoptant cette position, le Québec démontre que s’interroger sur l’introduction de l’assignation à résidence sous surveillance électronique relève avant tout d’une question politique et repose sur les choix opérés à ce niveau de décision quant aux objectifs de l’intervention pénale : « L’illusion d’une productivité non définie mais assistée technologiquement ou le soutien des fonctions positives et modérées de la peine ? »257. 251

Ibid., 25. D. Kaminski, P. Lalande, J.-C. Dallaire, « Actualité de la surveillance électronique des condamnés au Québec et en Belgique, Revue de droit pénal et de criminologie, 2001, 560. 253 J.-Cl. Dallaire, P. Lalande, Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000, 29. 254 D. Kaminski, P. Lalande, J.-C. Dallaire, « Actualité de la surveillance électronique des condamnés au Québec et en Belgique », Revue de droit pénal et de criminologie, 2001, 566. 255 Ibid., 573. 256 Ministère de la Sécurité publique du Québec ; http://www.msp.gouv.qc.ca/reinsertion/reinsertion.asp?txtSection=philosophie 257 D. Kaminski, « L’assignation à domicile sous surveillance électronique : de deux expériences, l’autre », Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 640. 252

86

SECTION IV – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE DANS D’AUTRES PAYS ET CRITIQUES

In Schotland ten slotte ging in april 2005 een pilootproject van start met betrekking tot de toepassing van elektronisch toezicht als voorwaarde bij bail. Dit project liep in vier rechtbanken, nl. bij het Hooggerechtshof dat zetelt in Glasgow en bij sheriff-rechtbanken te Glasgow, Kilmarnock en Stirling. De doelstelling van dit pilootproject was tweevoudig. Enerzijds was het de bedoeling om het gebruik van de voorlopige hechtenis te beperken ten aanzien van verdachten die in aanmerking kwamen voor borgtocht met elektronisch toezicht en anders gedetineerd zouden zijn. Anderzijds werd ernaar gestreefd te zorgen voor een grotere maatschappelijke veiligheid (beperking van recidive, van intimidatie van getuigen, ...). Getracht werd elektronisch toezicht enkel als direct alternatief voor de voorlopige hechtenis aan te wenden en dus niet als een versterkende maatregel voor bail. Daartoe werden er twee bijkomende bepalingen geïntroduceerd naar aanleiding van de wijziging van de Criminal Procedure Act in 2004. Het eerste amendement gaf de beklaagde voor wie gewone borg (standard bail) werd geweigerd, de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor borg met als voorwaarde elektronisch toezicht [Section 24A(1)]. Het tweede amendement gaf de rechtbank de bevoegdheid om, zonder aanvraag van de beklaagde, een voorwaarde van elektronisch toezicht op te leggen in petition cases waarbij de beklaagde in verdenking was gesteld van verkrachting of moord [Section 24A(2)].258 Het pilootproject werd in opdracht van Schotse regering geëvalueerd door een team van onderzoekers van verschillende Britse universiteiten 259 . De resultaten van deze studie kunnen als volgt worden samengevat. Op organisatorisch vlak en voor wat de samenwerking tussen de diverse betrokken actoren betreft, bleek het pilootproject een succes te zijn. Niettemin is het project er niet in geslaagd de perceptie van openbare veiligheid om te buigen en de populatie voorlopig gehechten terug te dringen. Globaal werd een vermindering van 116 verdachten geobserveerd (116 plaatsingen onder elektronisch toezicht), hetgeen slechts 1,7% uitmaakt van het totaal aantal voorlopig gehechten in de betreffende pilootregio’s. De impact op de gevangenispopulatie werd dus als minimaal ingeschat260. Verder bleek de toepassing van elektronisch toezicht bij bail niet kostefficiënt te zijn. Enkel indien de termijn doorgebracht onder elektronisch toezicht in afwachting van het proces, mee in rekening zou worden gebracht bij de eventueel daaropvolgende vrijheidsstraf, zou de kostprijs van het elektronisch toezicht doorgaans minder bedragen dan die van de voorlopige hechtenis. De totale kosten voor de privémaatschappij werden geschat op 4.123 pond per verdachte die onder elektronisch toezicht werd gesteld, tegenover 5.096 pond per case in geval van voorlopige hechtenis (in de gevangenis). De verwachte kostenbesparing van 973 pond per verdachte die onder toezicht gesteld werd, wordt echter teniet gedaan door de differentiële behandeling van onder toezicht gestelden en voorlopig gehechten op het vlak van de aanrekening van de

258

Zie de Criminal Procedure (Amendment) (Scotland) Act 2004 te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/legislation/Scotland/acts2004/asp_20040005_en_1 259 University of Strathclyde, University of Stirling, Kings College London, en London School of Economics. 260 M. Barry, M. Malloch, K. Moodie, M. Nellis, M. Knapp, R. Romeo, S. Dhanasiri, An evaluation of the use of electronic monitoring as a condition of bail in Scotland, Scottish Executive Social Research, 2007, 99.

87

CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

termijn van de maatregel op de later uitgesproken vrijheidsstraf261. Indien in 50% van de zaken met voorlopige hechtenis uiteindelijk een effectieve vrijheidsstraf wordt opgelegd, wordt het elektronisch toezicht per case 1.575 pond duurder.262 Op basis van deze evaluatie besliste de Schotse overheid eind 2007 dan ook om de toepassing van het elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis te schrappen263 als gevolg van de conclusies van het evaluatierapport, in het bijzonder dat de toepassing van elektronisch toezicht een lage impact op de gevangenisbevolking had en dat het meer kostte dan de verdachten op te sluiten in de gevangenis.264

261

De onderzoekers stellen in dit verband het volgende: “(…) this apparent cost difference does not take into account the differential treatment of time spent in custody during the pre-trial period: for people in custodial remand a subsequent custodial sentence is likely to be backdated to the start of the remand period. There is no equivalent backdating for EM bail cases. When comparing costs between EM bail and custodial remand, such backdating becomes pivotal (…).” (Ibid., 102) 262 Ibid. Eén en ander werd o.i. als volgt berekend: (4.123 pond) – ((5.096 pond)/2) = 1.575 pond. De cruciale vraag blijkt dan ook te zijn of de periode onder elektronisch toezicht als ondergane detentie wordt beschouwd of niet. 263 Volgens Mike Nellis is deze problematiek recent wel opnieuw op de agenda geplaatst. 264 I. Swanson, “Electronic tagging for people on bail to be scrapped in December”, Evening news, 1 oktober 2007; http://findarticles.com/p/news-articles/evening-news-edinburghscotland/mi_7832/is_2007_Oct_1/electronic-tagging-bail-scrapped-december/ai_n34711294/

88

AFDELING V - SECTION V ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE

1

De toepassing van het elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering

1.1 HISTORIEK265 EN ACTUELE REGELING In België heeft het elektronisch toezicht vooralsnog nog geen plaats verworven binnen het kader van het vooronderzoek in strafzaken, maar het wordt wel reeds sedert enige tijd toegepast op het niveau van de strafuitvoering. Het eerste Belgische experiment met deze nieuwe modaliteit van strafuitvoering werd, na de principiële beslissing van de ministerraad op 16 december 1996, eind 1997 - begin 1998 opgestart vanuit de gevangenis te Sint-Gillis (zie de MO’s van 24 november 1997 en 27 maart 1998266). Aanvankelijk in territoriaal opzicht beperkt (tot het gerechtelijk arrondisssement Brussel), werd de toepassing van het elektronisch toezicht in de loop der jaren uiteindelijk uitgebreid tot het ganse Belgische grondgebied 267 . Ook het toepassingsgebied op het vlak van de voor deze maatregel in aanmerking komende gedetineerden werd gaandeweg verruimd. De uitbreiding van het toepassingsgebied (doelgroep) kwam er in essentie op neer dat elektronisch toezicht als zgn. ‘backdoor’-strategie na enige tijd ook mogelijk werd voor 265

Zie E. Maes, Van gevangenisstraf naar vrijheidsstraf. 200 jaar Belgisch gevangeniswezen, Apeldoorn/Antwerpen, Maklu, 2009, 889-892. 266 Volgens de MO van 24 november 1997 was het elektronisch toezicht – met uitsluiting enkele specifieke categorieën van gedetineerden (seksuele delinquenten, drugs- en hormonenhandelaars, ...) - mogelijk voor veroordeelden (uit het gerechtelijk arrondissement Brussel) met een straftotaal van maximum 18 maanden die bovendien op korte termijn in aanmerking zouden komen voor een voorlopige invrijheidstelling. De MO van 27 maart 1998 breidde het toepassingsgebied verder uit tot veroordeelden met een straftotaal van maximum drie jaar (zie hier ook de parallel met het systeem van de voorlopige invrijheidstelling dat sedert 1994 ook toepasselijk werd voor veroordeelden met een straftotaal tot en met drie jaar). 267 De MO van 13 oktober 2000 breidde het territoriale toepassingsbereik uit tot gedetineerden met woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de provincies Waals- of Vlaams-Brabant, en later werd het toepassingsgebied nog verder uitgebreid, zoals met de MO van 19 april 2001 (provincies Luik en Antwerpen). Uiteindelijk werd het elektronisch toezicht in elk geval mogelijk voor gedetineerden uit het ganse land.

HOOFDSTUK 1 – SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

‘langergestrafte’ gedetineerden (straftotaal van meer dan drie jaar: MO 27 november 1998), Op termijn werd het eveneens gehanteerd als zgn. ‘frontdoor’-strategie: de mogelijkheid werd gecreëerd om gedetineerden met een straftotaal tot en met drie jaar er onmiddellijk – en dus niet pas enige tijd voor hun vervroegde invrijheidstelling – van te laten genieten268. Bovendien werden kortelings nog andere versoepelingen aangebracht, zo bijvoorbeeld in verband met de (voorafgaande) selectieprocedure en de opvolging van de maatregel (cf. bijvoorbeeld de MO van 10 juli 2006 en inzonderheid ook de MO van 21 december 2006269). Of de maatregel van elektronisch toezicht effectief, althans op significante wijze, heeft bijgedragen tot een ‘oplossing’ voor de problematiek van de overbevolking van de strafinrichtingen, is wel nog maar zeer de vraag. Sedert de toepassing van het elektronisch toezicht is er alvast geen duidelijke kentering (naar beneden toe) zichtbaar in de evolutie van de omvang van de gemiddelde dagelijkse gevangenisbevolking. Weliswaar zou de problematiek van de overbevolking zich zonder de mogelijkheid tot elektronisch toezicht nog sterker hebben aangediend. Doch de ‘soepelheid’ waarmee elektronisch toezicht in de loop der tijd kon worden toegestaan, zou ook een aantal onbedoelde – averechtse – effecten met zich meegebracht kunnen hebben, bijvoorbeeld een verstrengd straftoemetingsbeleid in anticipatie op mogelijke ET-toepassing. Tabel 1.1: Lijst van voorschriften met betrekking tot het elektronisch toezicht (1997-2006) Aard – Datum

Opschrift

MO 24 november 1997

Elektronisch toezicht

MO 27 maart 1998

Elektronisch toezicht

MO 27 november 1998

Elektronisch toezicht

MO 13 oktober 2000

Regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 29 november 2000

Interpretatieve omzendbrief bij de omzendbrief nr. 1720 van 13 oktober 2000 m.b.t. de regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 22 februari 2001

Omzendbrief tot wijziging van de omzendbrief nr. 1720 van 13 oktober 2000 m.b.t. de regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 12 april 2001

Regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 8 april 2002

Regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

Verordening 8 juli 2002

Verordening tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen

268

Werd het elektronisch toezicht bij zijn invoering expliciet gekoppeld aan het systeem van vervroegde invrijheidstelling (zie MO 24 november 1997), dan werd door de MO van 13 oktober 2000 voor gedetineerden met een straftotaal van maximum drie jaar als vereiste voorgeschreven dat een beperkt deel van de straf (één, drie of vijf maanden naargelang het straftotaal) onder het gewone detentieregime ondergaan zou zijn. Nadien werd deze eis achterwege gelaten en kon elektronisch toezicht voor hoger vermelde doelgroep onmiddellijk worden toegekend (MO 12 april 2001). 269 Niettegenstaande dat sommige categorieën van gedetineerden werden uitgesloten, werd onder meer ook het volgende gesteld: “Volgend op de beslissing van de Ministerraad de dato 25 oktober 2006, genomen om een antwoord te bieden op de overbevolking binnen de gevangenissen, werd besloten om bepaalde gedetineerden die zich op 6 maanden van het einde van hun hoofdgevangenisstraf bevinden, onder elektronisch toezicht te plaatsen.” (eigen onderlijning; MO 21 december 2006)

90

AFDELING V – ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË SECTION V – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE Aard – Datum

Opschrift

Circ. 6 augustus 2002

Terugbetaling van geneeskundige verstrekkingen ten laste van de ziekteverzekering tijdens de maatregelen penitentiair verlof, halve vrijheid en elektronisch toezicht

Brief 9 augustus 2002

Ministeriële omzendbrief nr. 1746 van 9 augustus 2002 betreffende elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 9 augustus 2002

Elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 8 november 2002

Personen onder elektronisch toezicht zonder middelen van bestaan

MO 26 november 2002

Elektronisch toezicht

MO 15 januari 2003

Personen onder elektronisch toezicht zonder middelen van bestaan

MO 7 februari 2003

Personen onder elektronisch toezicht zonder middelen van bestaan

MO 30 december 2003

Personen onder elektronisch toezicht zonder middelen van bestaan

MO 10 juli 2006

Elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering

MO 21 december 2006

Het plaatsen onder elektronisch toezicht van veroordeelden die zich op 6 maanden van het einde van het (sic!) hoofdgevangenisstraf bevinden

Anno 2009 komen op grond van de thans geldende MO nr. 1803 (III) van 25 juli 2008 en de wet op de externe rechtspositie van 17 mei 2006 twee categorieën van veroordeelden in aanmerking voor elektronisch toezicht, nl.: enerzijds veroordeelden tot één of meer vrijheidstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, en anderzijds veroordeelden tot één of meer vrijheidstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt. Voor de categorie van veroordeelden tot één of meer vrijheidstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, neemt in principe de gevangenisdirecteur de beslissing tot al dan niet toekenning van elektronisch toezicht, behoudens ten aanzien van: 1) veroordeelden voor feiten van seksueel misbruik270, en 2) personen die geen recht van verblijf hebben in België (voor wie de Dienst Individuele Gevallen van de centrale penitentiaire administratie beslist). Voor deze veroordeelden is de ministeriële omzendbrief nr.1803 (III) van 25 juli 2008 van toepassing. Voor veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van meer dan drie jaar wordt de beslissing genomen door de sedert februari 2007 operationeel zijnde strafuitvoeringsrechtbanken. De toepassing van elektronisch toezicht is voor deze categorie van veroordeelden wettelijk geregeld door de Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf van 17 mei 2006. Deze wet bepaalt dat het elektronisch toezicht: “een wijze van uitvoering [is] van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.”271 Hoewel artikel 23, § 1 van deze wet stelt dat het elektronisch toezicht kan worden toegekend aan “de veroordeelde die: 1° zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van 270

Worden beschouwd als veroordeelden voor feiten van seksueel misbruik: de veroordeelden die een straf ondergaan voor feiten vermeld in artikel 372 tot 388 van het strafwetboek indien ze gepleegd zijn op minderjarigen of met hun deelneming. 271 Art. 22 (Hoofdstuk I, Afdeling II) Wet externe rechtspositie.

91

HOOFDSTUK 1 – SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

de voorwaardelijke invrijheidstelling, of 2° veroordeeld is tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbare gedeelte niet meer dan drie jaar bedraagt”, geldt de regeling thans alleen nog maar voor veroordeelden met een straftotaal van meer dan drie jaar, waarbij elektronisch toezicht enkel als ‘back door’ kan worden aangewend (vanaf 6 maanden voor VI-datum). Voor de veroordeelden met een straftotaal van drie jaar of minder is de wet nog steeds niet in werking is getreden, waardoor voor deze categorie alsnog de MO van 25 juli 2008 geldt. Deze omzendbrief hanteert dezelfde definitie van elektronisch toezicht als de wet van 17 mei 2006. Voor meer concrete details over de toelaatbaarheidsvoorwaarden, proceduregels, etc. verwijzen we naar de documenten in bijlage. De voorschriften inzake voorbereiding, uitvoering en opvolging van de maatregel kunnen ook inspirerend zijn voor de uitwerking van een concrete regeling voor de (eventuele) toepassing van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis.

1.2 ENKELE RECENTE CIJFERGEGEVENS EN GESIGNALEERDE KNELPUNTEN Volgens recente bronnen steeg, in navolging van het actieplan van het Directoraatgeneraal Justitiehuizen het aantal ondertoezichtgestelden in 2009 van een 700-tal naar 1000-tal. 272 Zoals duidelijk blijkt uit de volgende grafiek waarin de evolutie van het aantal ondertoezichtgestelden op dagbasis wordt voorgesteld. Figuur 1.5: Evolutie van het aantal ET’s op dagbasis (1 januari – 26 mei 2009, tweewekelijkse evolutie) 1.100 982 1.000

918

900

824

800

733

708

N 700

1.007

758 717

725

749

666

600 500 400 1/01/09

Aantal ET's

1/02/09

1/03/09

1/04/09

1/01/09

15/01/09

1/02/09

15/02/09

1/03/09

15/03/09

1/04/09

15/04/09

1/05/09

15/05/09

26/05/09

666

708

733

717

725

758

749

824

918

982

1007

Datum

272

1/05/09

Persbericht Minister De Clerck, Brussel, 27 mei 2009, p. 6.

92

AFDELING V – ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË SECTION V – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE

De ondertoezichtstellingen laten zich naar regio toe als volgt verdelen: Vlaanderen 55%, Wallonië 29% en Brussel 16%273. De meeste ET’s werden door de gevangenisdirecteur (veroordeelden ≤ 3 jaar) toegekend (74%); de strafuitvoeringsrechtbanken (+ 3 jaar) tekenen voor ongeveer één-vierde (26%) van de ET’s (cijfers DG EPI, situatie op 19 mei 2009).274 Op 25 september 2009 stonden er volgens het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht 968 personen onder elektronisch toezicht. Volgens het registratiesysteem SIPAR van het DG Justitiehuizen stonden er diezelfde dag nog 491 personen op een wachtlijst voor aanstelling van een justitieassistent met het oog op een begeleiding in het kader van elektronisch toezicht.275 Gemiddeld duurt het 67 dagen vanaf de indiening van het verzoek tot elektronisch toezicht tot de effectieve plaatsing onder elektronisch toezicht. De gemiddelde duur van het elektronisch toezicht zelf bedraagt 90 dagen.276 Wat de toepassing van het elektronisch toezicht op het niveau van de strafuitvoering betreft, worden er in de praktijk verschillende knelpunten gesignaleerd. Deze hebben onder meer betrekking op het probleem van wachtlijsten, de precaire sociale zekerheidssituatie, de gebrekkige controle, communicatieproblemen, ... De afgelopen jaren werd in de media maar ook in het parlement regelmatig gewezen op het bestaan van zgn. ‘wachtlijsten’ (veroordeelden in ‘strafonderbreking’) voor een elektronische enkelband. In december 2008 werd er zo bijvoorbeeld gewag van gemaakt dat 1.150 personen op een wachtlijst voor elektronisch toezicht waren geplaatst; de wachttijd kon daarbij oplopen tot meer dan een jaar 277 . Doordat veroordeelden met straffen van minder dan drie jaar een strafonderbreking toegekend krijgen in afwachting van een elektronische enkelband, zijn er dus heel wat veroordeelden die maandenlang thuis zitten te wachten op een enkelband. De manke uitvoering van het elektronisch toezicht voor deze categorie van veroordeelden, houdt het risico in op strafverzwaring, in die zin dat rechters geneigd zouden kunnen zijn langere straffen uit te spreken, t.t.z. straffen met een duur die de drie jaar overstijgt278. Bovendien wordt ook de negatieve berichtgeving over elektronisch toezicht en de idee van ‘straffeloosheid’ aangewakkerd. Om aan deze problematiek te remediëren nam het Directoraat-generaal Justitiehuizen volgende maatregelen om het aantal strafonderbrekers op de wachtlijst te drukken: − In plaats van huisbezoeken worden nu bureaugesprekken de regel. Minstens één huisbezoek blijft behouden; telkens wanneer de justitieassistent dit noodzakelijk acht, vindt er een bijkomend huisbezoek plaats. 273

Cijfer NCET op 26 mei 2009, Persbericht Minister De Clerck, Brussel, 27 mei 2009. Persbericht Minister De Clerck, Brussel, 27 mei 2009, p. 5. 275 Parl. Vr., Kamer, 2008-2009 (vraag van mevr. Sabien Lahaye-Battheu), 1 oktober 2009, Commissie voor de Justitie, CRIV 52 COM 647; http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/52/ic647.pdf. 276 Persbericht Minister De Clerck, Brussel, 27 mei 2009, p. 6. 277 D. Hermans, “Elektronisch toezicht ontspoort”, De Standaard, 1 december 2008. 278 Citaat Kristel Beyens in: D. Hermans, “Elektronisch toezicht ontspoort”, De Standaard, 1 december 2008. 274

93

HOOFDSTUK 1 – SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER −

Het eerste huisbezoek binnen de 48 uur vindt, afhankelijk van de appreciatie van de justitieassistent, plaats via huisbezoek of op kantoor.279

Luidens het persbericht van de minister van Justitie (d.d. 27 mei 2009) stonden er op dat ogenblik 470 veroordeelden op een wachtlijst in afwachting van de maatschappelijke enquête, en 564 veroordeelden in afwachting van plaatsing onder elektronisch toezicht. Gelet op het feit dat personen onder elektronisch toezicht worden beschouwd als ‘gedetineerden’ (dus onder eenzelfde statuut vallen), hebben zij voor wat hun sociale zekerheidssituatie betreft geen recht op een leefloon. De leefloonwet280 stelt immers dat gedetineerden geen recht hebben op een leefloon, waardoor dus ook gedetineerden onder elektronisch toezicht of in beperkte detentie (halve vrijheid) in feite geen recht op een leefloon hebben. Indien een OCMW een gedetineerde toch wenst bij te staan om een menswaardig leven te kunnen leiden, moet het OCMW dit financieren vanuit de eigen lokale middelen.281 De betrokkenen kunnen wel een aanvraag doen voor een vergoeding die door de FOD Justitie wordt uitgekeerd, doch deze vergoeding ligt lager dan het leefloon. Bovendien duurt de aanvraagprocedure vrij lang, waardoor sommige veroordeelden in een financieel precaire situatie terecht komen (bijv. problemen ondervinden om de huur van hun woning te betalen, etc.).282 Bovendien zijn er almaar meer veroordeelden die wachten op een enkelband en niet in aanmerking komen voor een dagvergoeding ET vanwege de FOD Justitie. Lange tijd was het ook erg onduidelijk of deze categorie van veroordeelden een leefloon kon ontvangen, en werd geoordeeld dat zij daar geen aanspraak op konden maken. 283 Eind 2008 verklaarde minister van Maatschappelijke Integratie Marie Arena echter dat één en ander op een ‘interpretatieverschil’ tussen de overheidsdiensten Justitie en Maatschappelijke Integratie berustte en dat veroordeelden die in strafonderbreking zijn, wel degelijk recht hebben op een (gesubsidieerd) leefloon284. Vaak wordt ook melding gemaakt van communicatieproblemen tengevolge van conflicterende visies/andere doelstellingen tussen de verschillende actoren die bij het elektronisch toezicht betrokken zijn.285 De verwachtingen van de opdrachtgevers komen niet altijd overeen met het aanbod of de visie van de partners waarmee wordt samengewerkt. De rol van alle betrokken actoren is ook niet steeds voor iedereen duidelijk. Bovendien is de toepasselijke regelgeving vrij ingewikkeld, en heerst er bij de justitieassistenten veel onduidelijkheid daaromtrent. Een knelpunt dat door zowel 279

Persbericht Minister De Clerck, Brussel, 27 mei 2009, p. 3. Wet 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, B.S., 31 juli 2002. 281 Persbericht Spirit, Beleid van gevangen onder elektronisch toezicht vraagt voldoende sociale omkadering, 11 mei 2006; http://www.meerspirit.be/article.php?persberichten/2006/5/11/3 282 Interview JAC-consulent, JAC Leuven, 7 april 2009. 283 http://www.vvsg.be/Lists/VVSG%20Nieuws/dispform.aspx?id=97&Source=http%3A%2F%2Fwww.vvs g.be%2Fsociaal_beleid%2FPages%2FNieuws.aspx 284 T. Ysebaert, “Wie op enkelband wacht, kan toch leefloon krijgen”, Het Nieuwsblad, 16 december 2008; http://www.nieuwsblad.be/Article/PrintArticle.aspx?ArticleID=DMF16122008_071 285 Interview justitieassistent en JAC-consulent, 7 april 2009. 280

94

AFDELING V – ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË SECTION V – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE

werknemers van het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht (NCET) als door justitieassistenten werd aangekaart, heeft betrekking op het gegeven dat er vanuit het beleid geen duidelijk standpunt zou worden ingenomen in verband met wat men precies met het elektronisch toezicht wil bereiken.286 Het feit dat voor de veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van drie jaar of minder de startdatum van het elektronisch toezicht niet gekend is, maakt ook dat het voor hen bijzonder moeilijk wordt toekomstplannen te maken. Het komt in feite neer op een ‘verzwaring van de straf’ die niet in de eigenlijke strafmaat is verrekend. Voor de veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van meer dan drie jaar, is wel de maximumduur van het elektronisch toezicht bekend, maar niet altijd de concrete einddatum, wat ook hier een belasting is op het vooruitplannen. De overheveling van de controle op de veroordeelden met een enkelband naar de justitiehuizen toe, werd door sommige magistraten (van de strafuitvoeringsrechtbanken) ook bekritiseerd, en gepercipieerd als een uitholling van de controle: “Een gedetineerde die met een enkelband thuiszit en twee of drie keer te laat binnen is daar wordt amper of niet meer op gereageerd”, en “De strafuitvoeringsrechtbanken vertrouwen het systeem van elektronisch toezicht steeds minder en staan het ook minder toe.”287 De controle op het elektronisch toezicht door het NCET is overigens ook beperkt tot de periode tussen 6 uur ’s ochtends en 10 uur ’s avonds; ’s nachts is er niemand op het NCET aanwezig, en het pas ’s morgens dat kennis wordt genomen van mogelijke overtredingen gedurende de nachtelijke uren (retrospectief). Sommige magistraten zijn van mening dat hierdoor de geloofwaardigheid van het elektronisch toezicht wordt ondermijnd, en zullen minder vaak elektronisch toezicht toewijzen. Naast het controle-aspect worden soms ook kanttekeningen geplaatst ten aanzien van de begeleiding van de onder toezicht gestelde. Door een gebrek aan tijd is het soms moeilijk om een vertrouwensrelatie tussen de justitieassistent en de veroordeelde op te bouwen; een intensievere begeleiding zou mogelijk moeten zijn. Personeelsgebrek op het niveau van de justitiehuizen maakt ook dat veroordeelden niet goed genoeg opgevolgd kunnen worden..288 Afgezien nog van de begeleiding door de justitieassistenten blijken er tevens een aantal knelpunten op te duiken in verband met de externe begeleiding. Zo wordt gesignaleerd dat er te weinig begeleiding op het vlak van (het zoeken naar) tewerkstelling zou zijn 289 , en bestaan er lange wachtlijsten voor sociale hulpverlening, waardoor de begeleiding niet tijdig kan worden aangeboden.290 Verder blijkt de samenwerking met externe diensten niet steeds even vlot te lopen.291 Uit de ervaringen van justitieassistenten 286

Tom Van Den Bosch, justitieassistent Justitiehuis Leuven, presentatie in het kader van de seminariereeks ‘Lunchen met Justitie’ (8 oktober 2009), Annemie Deckers, NCET, presentatie in het kader van de seminariereeks ‘Lunchen met Justitie’ (8 oktober 2009). 287 F. Verhoest, “Groeiend wantrouwen tegenover elektronisch toezicht”, De Standaard, 16 mei 2008 (interview met Freddy Pieters, voorzitter van de Nederlanstalige kamer van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel). 288 Interview Justitieassistent, Justitiehuis, 7 april 2009. 289 Interview JAC-consulent, JAC Leuven, 7 april 2009. 290 Interview JAC-consulten, JAC Leuven, 7 april 2009. 291 Interview JAC-consulent van het JAC Leuven ; Interview Justitieassistent Justitiehuis Leuven.

95

HOOFDSTUK 1 – SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

blijkt tot slot ook nog dat de toepassing van elektronisch toezicht als moeilijk wordt ervaren bij personen met een actieve verslavingsproblematiek, en dat zich - in combinatie met een residentiële opname - soms problemen voordoen op het vlak van de installatie van de vereiste technologie in de betrokken instelling.292

2

Propositions de loi en Belgique : de l’assignation à résidence à la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive

Dans les années ‘80 apparaissent les premiers travaux autour de l’introduction de l’assignation à résidence comme mesure alternative à la détention préventive. Il n’est pas encore question à cette époque d’un dispositif de surveillance électronique. En 1982, alors que la fréquence du recours à la détention préventive préoccupe différents acteurs judiciaires, l’avocat général De Wilde ouvre le débat en faisant part d’une « suggestion pour un avant projet de modification de la loi du 20 avril 1874 sur la détention préventive »293. De Wilde suggère que le juge d’instruction ait la compétence de délivrer, outre le mandat d’arrêt, un mandat d’assignation à résidence. Il suggère également que ce mandat spécifique soit assorti de plusieurs obligations : l’obligation de comparaître à chaque acte de la procédure ; l’obligation de se présenter quotidiennement, pour enregistrement, dans un bureau des forces de l’ordre indiqué dans le mandat et aux heures préalablement déterminées. Enfin, le juge d’instruction pourrait également imposer d’autres conditions de réinsertion ou au cours de l’enquête, remplir le mandat dans ce sens. Article 1 bis à introduire dans la loi du 20 avril 1874 (suggestion avant projet, De Wilde) : “Art. 1 bis. Onder de voorwaarden bepaald in lid 1 en 2 van het artikel 1, en op overeenkomstig advies van de procureur des Konings, kan de onderzoeksrechter, in plaats van een bevel tot aanhouding, een bevel tot arrest ter woonplaats verlenen. Het bevel tot arrest ter woonplaats brengt voor de gearresteerde, naast de verplichting om bij elke proceshandeling te verschijnen, tevens de verplichting mee zich dagelijks minstens éénmaal en hoogstens tweemaal aan te melden in het politie- of Rijkswachtkantoor aangeduid in het bevel en op de uren erin bepaald. De onderzoeksrechter kan ook in het bevel andere, resocialiserende, voorwaarden opleggen of tijdens het onderzoek het bevel in die zin aanvullen. Indien de gearresteerde de verplichtingen of voorwaarden van het bevel tot arrest ter woonplaats niet nakomt, kan de onderzoeksrechter te allen tijde dit bevel omzetten in een bevel tot aanhouding, de verdachte gehoord.”

Le collectif des avocats d’Anvers n’a pas manqué de réagir à la suggestion de De Wilde en formulant plusieurs critiques294 allant du risque d’augmentation de la population sous contrôle sociale au désastre économique que l’intégration de cette mesure entraînerait, en 292

Tom Van Den Bosch, justitieassistent Justitiehuis Leuven, presentatie op ‘Lunchen met Justitie’, 8 oktober 2009. 293 L. De Wilde, « Alternatieve voorlopige hechtenis”, Panopticon, 1982, 157. 294 N. Verbeke (Namens het Antwerps Advokatenkollektief), « Reaktie van Antwerps Advokatenkollektief op het alternatief voor voorlopige hechtenis van advokaat-generaal L. De Wilde”, Panopticon, 1982, 469.

96

AFDELING V – ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË SECTION V – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE

passant par une remise en question de certaines pratiques de la détention préventive que le collectif estime abusives et illégales. Blanpain est un des premiers parlementaires à formuler une proposition de loi visant à introduire l’assignation à résidence, il l’introduit en 1988. Blanpain mobilise le principe de la présomption d’innocence 295 comme principal fondement de l’ordonnance d’assignation à résidence ici formulée. Il insiste dès lors sur le traitement différencié dont les prévenus doivent bénéficier296. Blanpain propose que tout prévenu séjourne dans une maison d’arrêt, à savoir : « des bâtiments distincts n’ayant pas le caractère de prisons, où tout aspect punitif est banni et où ne règne aucune atmosphère pénitentiaire »297. Ceci, considérant qu’un prévenu ne peut être enfermé dans une prison parmi des condamnés « la raison en est évidente : un suspect est en effet innocent tant qu’il n’a pas été condamné. Il ne peut pas être traité, dans l’entretemps, comme un détenu purgeant une peine »298. Blanpain s’inscrit dans la continuité des travaux de De Wilde: « Il y suggérait de permettre au juge d’instruction de prendre, sans devoir prononcer une détention préventive, une mesure n’ayant finalement aucun impact ou qu’un faible impact sur la vie familiale et la profession puisque le suspect conserve une certaine liberté » 299 . L’assignation à résidence telle qu’envisagée ici repose bien sur cette même exigence de régime différencié au bénéfice des prévenus. En 1990, alors que la future loi sur la détention préventive se discute au sein de la commission de la justice du Sénat, la possibilité d’introduire l’assignation à résidence dans la phase d’instruction est à nouveau évoquée. Le débat s’articule autour de la possibilité pour le juge d’instruction de prendre des mesures alternatives à la détention préventive, afin d’éviter le recours à cette dernière. Tout en étant favorable à cette possibilité, la commission observe cependant que les mesures alternatives ne peuvent consister en une privation de liberté. Or « une interdiction de sortir de l’appartement ou de la maison où l’inculpé se retirera, ne peut être imposée à ce dernier, car il s’agit alors d’une véritable privation de liberté » 300 . Cet argument a fait l’objet de différentes réactions contestant la vision selon laquelle une alternative à la détention, comme une des conditions possibles dans le cadre de la libération sous conditions, doit nécessairement se distinguer d’une privation de liberté301. En 1990, tout comme en 1988 et en 1982, les propositions d’introduire une mesure d’assignation à résidence dans le cadre de la détention préventive n’ont pas été retenues. 295

Le principe de la présomption d’innocence consacré par l’article 9 de la Déclaration des droits de l’homme et du citoyen du 26 août 1789 est notamment à l’origine des réflexions sur le traitement dont les prévenus en détention préventive devraient pouvoir bénéficier les distinguant par une contrainte moins forte des personnes condamnées à une peine d’emprisonnement. 296 Le traitement différentié à l’attention des prévenus est posé comme règle déjà par l’article 165 du Règlement générale pour les maisons de sûreté et d’arrêt du 6 novembre 1855 : « Toutes les communications et les autres adoucissements compatibles avec le bon ordre et la sécurité de la prison, sont accordés aux prévenus et aux accusés dans les limites du règlement. » 297 Doc. Parl., Sén., sess. extr. 1988, n° 421-1, 4. 298 Doc. Parl., Sén., sess. extr. 1988, n° 421-1, 2. 299 Doc. Parl., Sén., sess. extr. 1988, n° 421-1, 1. 300 Doc. Parl., Sén., 1989-1990, nr. 658/2 (Rapport Arts), 108. 301 R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 1994, 234.

97

HOOFDSTUK 1 – SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

La crainte d’une extension du filet pénal a notamment justifié le rejet de la suggestion de De Wilde302, et celle de multiplier les formes de privation de liberté a, en 1990, mis fin au débat. Ce n’est que plus de vingt ans après, à partir de 2007 que deux nouvelles propositions d’assignation à résidence voient le jour, et cette fois en associant cette mesure à un dispositif de surveillance électronique. La première est la proposition de loi modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive en ce qui concerne la surveillance électronique, déposée le 12 juillet 2007, par Renaat Landuyt (sp.a-spirit). Plusieurs points y sont mis en exergue, tout d’abord, la nécessaire limitation du recours à la détention préventive. Celle-ci doit être réservée « aux auteurs présumés des délits les plus graves, en cas d’absolue nécessité pour la sécurité publique ou afin d’éviter que l’enquête ne soit boycottées » 303 . Ce premier point veut rappeler les trois éléments qui fondent une mise en détention préventive : la nature des faits, la protection de la société et le bon déroulement de l’enquête. Ensuite, la question de la surpopulation carcérale est évoquée en ce qu’elle frappe principalement les personnes en détention préventive, du fait que « les maisons d’arrêt ne peuvent refuser personne » 304 . Enfin, il est brièvement fait allusion à la présomption d’innocence qui peut inciter à préférer le domicile à la prison comme lieu d’enfermement et préférer des mesures moins contraignantes et qui préservent davantage la liberté individuelle. Ce sont donc ces éléments qui motivent cette proposition d’« introduire la surveillance électronique comme alternative à la privation de liberté classique dans le cadre de la détention préventive. »305 Concrètement, cette proposition veut permettre au juge d’instruction qui ordonne une « arrestation » (mandat d’arrêt), d’indiquer dans son mandat si la mesure privative de liberté doit être effectuée en maison d’arrêt ou en placement sous surveillance électronique. La chambre du conseil bénéficie également de ce choix si elle veut maintenir la détention préventive lors de l’examen de cette mesure. Le Centre national de surveillance électronique est désigné responsable de l’exécution de la surveillance électronique. Cette proposition de loi repose sur un développement sommaire et n’élabore pas d’argumentaire quant au bénéfice que représente la surveillance électronique par rapport à la détention préventive306. Peut cependant y être relevé un rappel quant au caractère exceptionnel que doit revêtir la privation de liberté et s’y glisse une brève allusion à la précaution qu’implique la présomption d’innocence. Notons que d’une part, cette proposition ne précise pas quelles seraient les infractions dont les auteurs présumés pourraient ou pas bénéficier de la surveillance électronique. Cela laisserait donc 302

M. Kaluszinski, J.-C. Froment, Sécurité et nouvelles technologies. Évaluation comparée dans cinq pays européens (Belgique, Espagne, France, Grande-Bretagne, Suisse) des processus de recours au placement sous surveillance électronique, rapport final, Grenoble, 2003, 65. 303 Doc. Parl., Ch., sess. extr. 2007, n° 52-0040/001, 4. 304 Ibid. 305 Ibid. 306 S. De Decker, “Elektronisch toezicht : woelig verleden, wollige toekomst?”, in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing?, T. Daems, S. De Decker, L. Robert, F. Verbruggen (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 93.

98

AFDELING V – ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË SECTION V – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE

l’opportunité au juge d’instruction ou aux juridictions d’instruction d’envisager la surveillance électronique au cas par cas sans verrou législatif 307 . D’autre part, cette proposition ne fait pas non plus état de la procédure suivant laquelle la surveillance électronique peut être mise en œuvre. La seconde proposition est la proposition de loi modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, afin d’instaurer une surveillance électronique. La formulation de Sabine Lahaye-Battheu (Open VLD) telle que présentée à la Chambre le 7 janvier 2008308, a été reprise par Martine Taelman (également Open VLD) et déposée le 5 mars 2008 au Sénat. Cette proposition repose sur la question de la surpopulation carcérale et de l’incidence de l’augmentation de la détention préventive sur celle-ci : « Les chiffres montrent que l’on recourt plus rapidement à la détention préventive. Le fait que les inculpés en détention préventive sont plus nombreux est l’une des causes du problème de la surpopulation » 309 . Cette proposition veut donc permettre de limiter le nombre de prévenus en détention préventive. Notons que l’auteur de la proposition rappelle par ailleurs que la possibilité d’accorder la libération sous conditions est peu utilisée, mais ne formule aucune suggestion à cet égard. Cette proposition décrit la surveillance électronique comme une sorte de modalité d’application de la détention préventive. En effet, l’article 5 de la proposition de loi propose de soumettre la surveillance électronique au même régime que la détention préventive quant à la durée pendant laquelle elle peut être prononcée dans un premier temps, soit un mois (ou trois mois en cas de crimes non-correctionnalisables). Cette proposition entend limiter le recours à la surveillance électronique de trois façons. Tout d’abord, cette mesure vise « les inculpés dont la privation de liberté sert uniquement à éviter qu’ils ne se soustraient à la justice »310. Ensuite, l’article 2 de la proposition de loi prévoit que la mesure ne peut être envisagée que lors de l’examen du maintien de la détention préventive par la Chambre du Conseil. Celle-ci a alors la possibilité d’ordonner une privation de liberté par le biais d’un bracelet électronique et plus uniquement en maison d’arrêt. Cette option est justifiée par le délai ainsi posé entre le mandat d’arrêt et l’éventuel recours au bracelet électronique qui devrait permettre d’effectuer les recherches élémentaires (perquisitions, analyses de traces, auditions de témoins, …) : « ce qui diminue les risques de collusion, et qu’une forme de privation de liberté n’est alors nécessaire que pour éviter que l’inculpé ne prenne la fuite »311, ce qui in fine correspond à la première limitation. Enfin, l’auteur de la proposition ajoute que : « Les inculpés ne 307

Il ressort des tables rondes que les participants estiment qu’il est préférable de ne pas lister des infractions dont les auteurs présumés seraient exclus ou bénéficiaires prioritaires de la surveillance électronique. Un examen au cas par cas leur semble plus pertinent. L’analyse des dossiers met aussi en évidence la diversité qui existe quant aux types d’infractions pour lesquelles une surveillance électronique aurait été envisagée. 308 Doc. Parl., Ch., 2007-2008, n° 52-0649/001. 309 Doc. Parl., Sén., 2007-2008, n° 4-613/1, 2. 310 Ibid. Contrairement à cette proposition de loi, les participants à la table ronde néerlandophone avancent le plus souvent l’argument du risque de soustraction à la justice comme élément en défaveur d’une application de la surveillance électronique, ce dispositif ne leur semble apparemment pas suffisant pour réduire le risque de fuite. 311 Ibid., 3.

99

HOOFDSTUK 1 – SITUATIESCHETS BINNEN- EN BUITENLAND CHAPITRE 1 – LA SITUATION EN BELGIQUE ET À L’ÉTRANGER

peuvent pas tous entrer en ligne de compte pour une surveillance électronique. Nous visons ici en premier lieu les inculpés de délits patrimoniaux ou de propriété. Les auteurs soupçonnés d’infractions au sein de la sphère familiale ne peuvent pas non plus entrer en considération pour une surveillance électronique. »312 Contrairement à la proposition de Landuyt, sont ici énumérées de façon précise des limitations ou restrictions à l’application de la surveillance électronique. Les précisions quant à l’exclusion d’auteurs présumés de certaines infractions n’apparaissent cependant que dans les développements qui précèdent les articles (l’exposé des motifs) et ne figurent pas dans les articles eux-mêmes. Le paragraphe qui précise quels sont les inculpés exclus de la surveillance électronique nous semble confus et témoigne de l’imprécision de l’ensemble de la proposition. Il nous semble que le doute quant au choix d’interprétation de certains termes est permis. En effet, la formulation de ce paragraphe suggère d’entendre que « les inculpés de délits patrimoniaux ou de propriété » ne peuvent bénéficier de cette mesure, et que « les auteurs soupçonnés d’infractions au sein de la sphère familiale ne [le] peuvent pas non plus ». Quant aux délits patrimoniaux et de propriété, leur exclusion sans autres explications nous semble incongrue pour différentes raisons. Tout d’abord ces types d’infraction représentent un part importante des détentions préventives. Ensuite, un type d’infraction ne revoie pas à un ensemble d’infractions homogènes dans leurs différentes caractéristiques. Enfin, dans l’expérimentation de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive aux Pays-Bas en 2005, les prévenus pour vols et délits patrimoniaux sont précisément les principaux bénéficiaires de cette mesure313. Devons-nous envisager une autre lecture et comprendre que « les inculpés de délits patrimoniaux ou de propriété » sont proposés pour être les principaux bénéficiaires de cette mesure ? Il nous semble que la syntaxe utilisée dans la phrase suivante pose alors un problème : « Les auteurs soupçonnés d’infractions au sein de la sphère familiale ne peuvent pas non plus entrer en considération pour une surveillance électronique. » La lecture de cette proposition de loi soulève donc différentes questions. Pourquoi le public cible bénéficiaire se définit-il à partir d’un des risques repris dans la loi sur la détention préventive alors que le public cible exclu se construit quant à lui, d’une part, sur base de certains types d’infraction, et d’autre part, sur base du lien social qui unit auteur et victime ? Quels sont les arguments qui fondent l’exclusion des inculpés spécifiquement de délits patrimoniaux ou de propriété au regard d’autres types d’infractions ? A quoi les termes « infractions au sein de la sphère familiale » font-ils précisément référence314 ? Quelles incidences ces limitations vont-elles avoir sur l’éventuelle application de la surveillance électronique?315 312

Ibid. Communiqué de presse, ‘Proef met elektronisch toezicht in voorarrest’, 23 mars 2005 ; www.om.nl/ 314 Certains participants aux tables rondes mettent en évidence que des circonstances propres à une sphère familiale peuvent constituer des éléments en défaveur d’une surveillance électronique, par exemple dans le cas de violences conjugales dont auteur et victime vivent sous le même toit. 315 Les premiers bénéficiaires de cette proposition sont les prévenus qui présentent un risque de fuite. Il ressort du discours de certains professionnels que les personnes qui n’ont pas de domicile légal présentent 313

100

AFDELING V – ELEKTRONISCH TOEZICHT IN BELGIË SECTION V – LA SURVEILLANCE ÉLECTRONIQUE EN BELGIQUE

Une autre zone d’ombre demeure : alors que l’article 2 de la proposition de loi n’accorde explicitement la compétence d’ordonner une surveillance électronique qu’à la Chambre du Conseil (contrairement à la proposition Landuyt), les articles 3 et 4 de la même proposition posent que la Chambre du Conseil peut examiner le maintien d’une mesure de surveillance électronique, et laissent donc entendre qu’il s’agit ici d’une mesure (de surveillance électronique) ordonnée préalablement par le juge d’instruction. Que faut-il en déduire ? En réservant la surveillance électronique à la seule compétence de la Chambre du Conseil, la proposition de loi Taelman n’envisage pas la lutte contre la surpopulation carcérale en réduisant potentiellement le nombre de recours à la détention préventive mais bien en réduisant potentiellement la durée de celle-ci, tout en fixant sa durée minimale à cinq jours316. Notons enfin que la présomption d’innocence n’apparaît plus de façon explicite parmi les éléments justifiant l’instauration d’une mesure de surveillance électronique, au profit du seul avantage développé que cette mesure présente au regard de la lutte contre la surpopulation carcérale.

ce risque plus que d’autres prévenus. Il s’agit des personnes sans abris, sans papier, en séjour illégal. Sont également visées des personnes qui ont un réseau de connaissances développé disposant de moyens financiers, en Belgique ou à l’étranger, et qui ont donc les moyens d’organiser la fuite du prévenu. Ensuite sont exclus de la surveillance électronique les prévenus de délits patrimoniaux ou de propriété (vol, vol avec violence, recel, destruction), or ils représentent une large part des cas de détention préventive en 2003 (Daeninck, e.a., 2005, 247), ce qui est confirmé par notre présente étude (voir Chapitre 3). Voir Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005. 316 Notre étude quantitative montre que pas mal de détentions préventives sont clôturées dans les cinq jours à dater de la délivrance du mandat d’arrêt (voir Chapitre 3).

101

Hoofdstuk 2 – Chapitre 2 Actoren aan het woord – La parole aux acteurs

Introduction Si le but est d’utiliser la surveillance électronique comme véritable alternative à la détention préventive (donc, comme mesure de substitution à la détention), l’instauration de la surveillance électronique dans ce cadre n’a de sens que si un nombre suffisant de détenus actuellement incarcérés peuvent être pris en considération. L’un des objectifs de la recherche consistait par conséquent à évaluer aussi d’une certaine manière la portée potentielle de la surveillance électronique, si cette surveillance électronique pouvait effectivement être proposée comme alternative. À cet effet, il faudrait également prendre le pouls de la magistrature et éventuellement d’autres acteurs concernés concernant la possibilité (ou l’impossibilité) d’appliquer la surveillance électronique comme mesure de substitution à la détention dans le cadre de l’instruction. De précédentes études ont déjà montré qu’il est extrêmement important d’avoir une vue suffisante du profil de la population d’inculpés, lorsqu’on envisage des mesures destinées à réduire le recours à la détention préventive (en termes de nombre et de durée)317. Ainsi, si la durée de la détention préventive était plafonnée (à trois mois) pour certaines infractions, « l’économie » réalisée sur la population carcérale serait pratiquement de moitié à condition d’exclure de cette mesure les personnes sans droit de séjour dans notre pays318.

317

P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, maart 2005, 367p. (téléchargeable sur le site: http://incc.fgov.be). 318 S. Deltenre, E. Maes, “Pre-trial Detention and the Overcrowding of Prisons in Belgium. Results from a Simulation Study into the Possible Effects of Limiting the Length of Pre-trial Detention”, European Journal of Crime, Criminal Law and Criminal Justice, 12 (2004), nr. 4, 348-370; S. Deltenre, E. Maes, “Chronique de criminologie. Simulation de l’impact de quelques changements législatifs en matière de détention avant jugement”, Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 84 (2004), nr. 1 (janvier), 83-117.

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

La question du profil de l’actuelle population d’inculpés incarcérés, mais également celle de la motivation du mandat d’arrêt sont naturellement aussi importantes, lorsque l’on envisage de proposer la surveillance électronique comme (nouvelle) alternative à la détention préventive. La recherche devait dès lors, entre autres, être axée sur le statut de séjour de la population d’inculpés, sur les infractions à l’origine de la détention et sur les autres éléments qui motivent la délivrance d’un mandat d’arrêt. Bien qu’une part importante de ces questions ait fait l’objet d’une analyse quantitative réalisée à partir des données issues de la base de données de l’administration pénitentiaire (SIDIS-Greffe)319, il a également été jugé utile d’interroger un certain nombre d’acteurs à ce sujet comme d’examiner des dossiers judiciaires concrets. Outre, l’appréciation du champ d’application de la mesure, l’analyse a également envisagé: dans quels cas concrets (au regard de la description des délits et/ou du profil de la population détenue) la surveillance électronique pourrait être appliquée; quelle forme ou quel modèle de surveillance électronique serait privilégié ; et, quelle(s) contre indication(s) pourraient être avancées en vue de renoncer à l’utilisation de la surveillance électronique. Par ailleurs, les entretiens menés auprès des acteurs entendaient apporter un éclaircissement sur un certain nombre de points d’ordre juridico-technique et pratique qui entourent le débat relatif à l’introduction ou non de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive.

MÉTHODOLOGIE APPLIQUÉE ET CHOIX DES INTERLOCUTEURS Comme il se peut que toutes les variables pertinentes qui motivent la délivrance d’un mandat d’arrêt ne soient pas enregistrées actuellement dans les bases de données disponibles (cf. les motivations du mandat d’arrêt), il s’agissait d’abord d’étudier des pratiques de prise de décision concernant la détention préventive et d’interroger les acteurs sur les possibilités d’application de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive via d’autres méthodes de récolte de données. La méthodologie initialement retenue consistait à demander aux magistrats instructeurs de remplir eux-mêmes, pendant une période limitée (un mois p. ex.), des fiches d’informations concernant l’éventuelle applicabilité de la surveillance électronique dans les cas où ils décident effectivement d’infliger une détention préventive, et ce dans le délai de 24 heures qui leur est accordé après l’arrestation pour prendre une décision. Pour vérifier dans quelle mesure la surveillance électronique peut effectivement être envisagée comme mesure de substitution à la détention, il était effectivement important que la recherche soit axée sur les affaires dans lesquelles, en pratique, on recourt effectivement à l’heure actuelle à la détention préventive du prévenu. Cependant, au cours de la recherche, la méthodologie initialement proposée a été adaptée. En effet, la méthodologie initiale (à savoir le remplissage de feuilles d’enregistrement par les juges d’instruction eux-mêmes) aurait impliqué une charge de travail supplémentaire 319

Voyez ci-après la troisième partie du rapport.

104

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

pour les juges d’instruction et ainsi exposé l’équipe de recherche au risque d’une faible participation des magistrats au processus de recherche. Par ailleurs, il fut indiqué que le délai de 24 heures est bien souvent trop court pour pouvoir décider adéquatement de l’opportunité d’un éventuel recours à la surveillance électronique. C’est pour cela qu’il fut jugé pertinent d’impliquer au processus de recherche non seulement des juges d’instruction mais également des magistrats relevant des juridictions d’instruction qui interviennent ultérieurement dans la procédure (Chambre du conseil et Chambre des mises en accusation). En outre, le comité d’accompagnement a souligné l’utilité d’interroger aussi d’autres acteurs intervenant dans le processus de décision (e.a. avocats et magistrats du ministère public) relatif aux possibilités d’application de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive320: des alternatives à la détention préventive peuvent en effet être requises ou demandées par ces acteurs. Ainsi, l’enquête auprès des magistrats et des autres acteurs judiciaires a finalement été organisée en deux étapes différentes. Dans une première phase, des discussions en table ronde ont été organisées avec un certain nombre d’acteurs jugés pertinents en vue d’amorcer une première grande réflexion sur la problématique étudiée. Dans une seconde phase, les chercheurs eux-mêmes, en concertation avec un nombre plus réduit mais varié321 d’acteurs judiciaires, ont examiné un échantillon de dossiers judiciaires à l’aide des fiches d'enregistrement évoquées ci-dessus.

CRITÈRES DE SÉLECTION DES ARRONDISSEMENTS JUDICIAIRES Étant donné que l’enregistrement des informations résultant de l’examen des dossiers, prévu dans une deuxième phase, serait pratiquement irréalisable pour un échantillon très important de mandats d’arrêt délivrés, il fallait se limiter à un certain nombre d’arrondissements judiciaires. Pour des considérations pratiques, il fut décidé de se limiter aux acteurs des mêmes arrondissements judiciaires, tant pour la participation aux discussions des tables rondes que pour l’examen final des dossiers. Pour la recherche nous nous sommes concrètement limités aux arrondissements judiciaires d’Anvers, de Bruxelles et de Liège. Cette sélection était basée sur les résultats du volet qualitatif de l’étude réalisée par l’INCC en 2004-2005 d’où il ressortait que ces trois arrondissements regroupent près de la moitié de tous les mandats d’arrêts exécutés en 2003 en Belgique322.

320

Réunion du comité d’accompagnement du 19 mars 2009. Initialement, il était prévu de mettre à contribution tous les juges d’instruction de 5 arrondissements judiciaires (pendant un mois). Voir infra pour les acteurs qui ont finalement été consultés et les arrondissements sélectionnés. 322 A l’origine, l’objectif était d’inclure également dans la recherche quelques arrondissements de taille moyenne (Termonde et Nivelles), mais étant donné les changements au niveau de la méthodologie utilisée cette piste a finalement été abandonnée. La plus grande implication de l’équipe de recherche dans le remplissage des fiches d’enregistrement aurait par ailleurs entrainé une plus grande charge de travail et ce, d’autant plus qu’il s’agit d’arrondissements avec beaucoup moins de mandats d’arrêts. Cela signifie que les chercheurs auraient du être présents sur place à plusieurs reprises. 321

105

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Tableau 2.1: Repartition des détentions préventives selon les arrondissements judiciaires, la langue et le type d’infractions (INCC, 2004-2005) Arrondissement Bruxelles Anvers Liège

Langue F/N N F

Nbre de mandats % de mandats (année 2003) sans violence 2.208 63,0 2.062 56,6 1.012 53,9

De cette manière, l’étude se limitait aux plus grands arrondissements judiciaires tout en respectant un certain équilibre au niveau de la langue du dossier (dossiers en français / dossiers en néerlandais). En outre, comme les chiffres du tableau l’indiquent, cette sélection tient aussi compte de l’application différenciée de la loi sur la détention préventive en fonction de la nature du contentieux pénal (catégorie d’infractions).

Si certains résultats auraient pu être affinés par une analyse comparative (avec les arrondissements finalement retenus), il n’a cependant pas été possible d’y procéder en raison des délais impartis à la recherche.

106

AFDELING I - SECTION I

RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

1

Methodologie rondetafelgesprekken

Zoals hoger gesteld, werden voor de rondetafelgesprekken actoren uit dezelfde gerechtelijke arrondissementen benaderd als deze waar in een latere fase concrete gerechtelijke dossiers zouden worden gescreend. Aan deze rondetafelgesprekken werd bijgevolg uitsluitend geparticipeerd door actoren uit de arrondissementen/rechtsgebieden Antwerpen, Brussel en Luik. Voor de rondetafelgesprekken werd gestreefd naar een bredere variatie aan deelnemers, in die zin dat het bedoeling was actoren rond de tafel te brengen die over de toepassing van elektronisch toezicht zouden kunnen beslissen (onderzoeksrechters en onderzoeksgerechten), deze zouden kunnen vorderen (openbaar ministerie), of daartoe een verzoek zouden kunnen indienen (advocatuur). Naast deze differentiatie naar beroepscategorie toe werd eveneens geopteerd voor deelnemers uit verschillende niveaus van het gerechtelijk apparaat, t.t.z. zowel op niveau van eerste aanleg als op niveau van hoger beroep. Waar met betrekking tot de advocatuur persoonlijke contacten werden aangesproken met het oog op hun vertegenwoordiging binnen het kader van het rondeafelgesprek, werd voor wat de staande en zittende magistratuur betreft, aan de hiërarchisch oversten uit de betrokken arrondissementen/ressorten gevraagd telkens één deelnemer aan te duiden323. Ter voorbereiding van het rondetafelgesprek werd aan de deelnemers voorafgaand enige achtergrondinformatie toegestuurd, nl.: een informatiefiche over elektronisch toezicht en de verschillende mogelijke modellen van elektronisch toezicht, een topiclijst met verwijzing naar juridische en meer praktisch-organisatorische vraagstukken, en een document met links naar relevante wetgevende teksten over elektronisch toezicht in binnen- en buitenland. De rondetafelgesprekken werden georganiseerd per taalrol (Fransen Nederlandstalig) en namen telkens een volledige dag in beslag.

323

Als zodanig werd, voor Antwerpen, Brussel en Luik, een uitnodiging verstuurd naar de eerste voorzitters van het Hof van Beroep, de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de procureurs-generaal en de procureurs des Konings.

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Voor de invulling van het voormiddagdebat werd aan alle deelnemers gevraagd om twee geanonimiseerde cases voor te bereiden vanuit de eigen beroepspraktijk en deze kort te presenteren, nl. er werd gevraagd naar: 1) één geval waarin wél elektronisch toezicht toegepast zou kunnen worden, en 2) één geval waarin géén elektronisch toezicht toegepast kan worden, onder de hypothese dat de mogelijkheid tot toepassing van elektronisch toezicht vandaag voorhanden zou zijn. Daarbij werd ook gevraagd naar de voorkeur van de deelnemers ten aanzien van een aantal modellen van elektronisch toezicht. Een beschrijving van deze modellen, zowel naar inhoudelijke invulling als technische controlemogelijkheden toe, werd zoals hoger aangehaald, voorzien. Concreet werden drie mogelijke modellen van elektronisch toezicht onderscheiden, die we benoemden als ‘traditioneel model’, model ‘huisarrest’ (of ‘thuisdetentie’) en ‘GPS-model’ (zie onderstaande tabel voor de concrete beschrijving ervan). Traditioneel model Onder het ‘traditioneel’ model verstaan we de vorm van ET zoals die momenteel in België wordt toegepast op het niveau van de strafuitvoering. In deze vorm krijgt de gedetineerde een enkelband die een bepaald signaal uitzendt dat opgevangen wordt door een ontvangstapparaat in zijn woning. Dit ontvangstapparaat staat op zijn beurt via het telefoonnet in contact met een centrale computer. Op willekeurige momenten controleert de computer via de telefoon de aan- of afwezigheid van de onder toezicht gestelde. Zodra de gedetineerde zich buiten een bepaalde perimeter van het ontvangstapparaat begeeft of bepaalde ongeoorloofde manipulaties van de controlemiddelen uitvoert, gaat er een alarm af in de centrale computer en wordt een procedure opgestart waarbij er verdere controles worden uitgevoerd om na te kijken waarom er een alarm werd gegeven. Afhankelijk van de voorwaarden die bepaald zijn bij de vrijlating wordt er een uurrooster opgesteld wanneer de veroordeelde naar buiten mag om bijvoorbeeld te gaan werken, een opleiding te volgen, voor een therapeutische begeleiding, of vrijetijdsbesteding. De activiteiten buitenshuis worden niet via elektronische hulpmiddelen gecontroleerd.

Model huisarrest (verder ook nog: ‘model thuisdetentie’) Bij deze vorm van ET kan de controle van de vereiste aanwezigheid thuis eveneens worden uitgevoerd via het enkelbandsysteem. Belangrijk verschil met het traditioneel model is echter dat de onder toezicht gestelde sterker wordt beknot in zijn vrijheid van komen en gaan, in de zin dat hij een groter aantal uren in de aangewezen verblijfplaats aanwezig dient te zijn. In sommige programma’s of voorstellen in het buitenland is het zo voorzien dat de persoon in kwestie maximum 2u per dag buitenshuis mag vertoeven, bijvoorbeeld om boodschappen te doen en/of andere praktische zaken te regelen. In dit model is dus geen ruimte voorzien voor werk of opleiding, externe therapeutische begeleiding, vrijetijdsbesteding buitenshuis.

GPS-model In verschillende landen wordt nu ook meer en meer geëxperimenteerd met dynamischer controlesystemen, met name met systemen waarbij de persoon onder ET ook buitenshuis gevolgd kan geworden door middel van satellieten aan de hand van GPS (Global Positioning System)-technologie. De apparatuur die gebruikt wordt, bestaat uit een enkelband en een draagbare volgunit die de onder toezicht gestelde altijd bij zich moet hebben. Het is dit apparaat dat de GPS-signalen ontvangt. De data worden

108

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN opgeslagen op het geheugen dat zich in de unit bevindt, en wordt periodiek opgeladen (via vaste telefoonlijn of gsm-technologie). Aan deze vorm van ET wordt een potentieel toegeschreven - in tegenstelling tot de traditionele vorm van ET - om onder toezicht gestelden 24u per dag te volgen, ofwel in real time (actieve modus) ofwel met informatie aan het einde van de dag (passieve modus). Beide benaderingen maken het mogelijk een bestek op te maken van exclusiezones waarvan de onder toezicht gestelde kan worden uitgesloten (bijvoorbeeld om slachtoffers te beschermen of om te voorkomen dat er nieuwe slachtoffers vallen). Het laat ook toe eventueel nieuw gepleegde misdrijven op te helderen door de plaats en de periode waarop nieuwe misdrijven werden gepleegd te vergelijken met de geregistreerde bewegingen van de onder toezicht gestelde. Het personeel dat toezicht houdt, kan ook communiceren met de onder toezicht gestelden wanneer ze willen, en er kan een automatisch alarm worden gegenereerd door een computer indien de onder toezicht gestelde afwijkt van het afgesproken schema of een uitsluitingszone schendt. Er kan ook een tussenvorm, de semi-passieve modus (hybride), worden gebruikt. In deze modus wordt de positie van de drager van de apparatuur constant bepaald, maar het wordt pas actief als de drager een gebied verlaat waarbinnen hij moet blijven of een gebied betreedt waarin hij niet mag komen. Van zodra de drager een gebied verlaat of betreedt, wordt de centrale gewaarschuwd en schakelt men over naar de actieve modus. Wanneer de drager van de enkelband deze probeert uit te doen, zal een transmitter in de band een signaal sturen. De band vormt ook een elektrisch circuit zodat elke schade die aan de band wordt toegebracht, zal uitmonden in een gesignaleerde overtreding.

Onderstaand kader geeft een overzicht van de concrete thema’s die ter bespreking werden voorgelegd. TOPICLIJST RONDETAFELGESPREK (namiddagdebat) (1) Welke info is noodzakelijk/wenselijk met het oog op het nemen van een beslissing inzake ET in het kader van de voorlopige hechtenis? - Van wie dient deze informatie verkregen te worden? - Binnen welke termijn is het mogelijk of noodzakelijk om de vereiste informatie te verkrijgen? → Is een uitbreiding van de arrestatietermijn (24u.) noodzakelijk (bijv. naar 48u)? Volstaat deze termijn om een beslissing te nemen in verband met ET? → Moet worden voorzien in een permanentie van de Dienst Justitiehuizen met het oog op voorlichting van de magistratuur inzake VOV (vrijheid onder voorwaarden) of ET? (2) Toestemmingsvereiste -

Is voor toepassing van ET de instemming van de verdachte noodzakelijk? Quid met de instemming van meerderjarige samenwonenden?

(3) Termijn waaronder ondertoezichtstelling dient plaats te vinden? → Binnen welke termijn dient de ondertoezichtstelling onder ET plaats te vinden? Is de invoering van een aanhoudingsmandaat met indicatie ‘elektronisch toezicht’ wenselijk, t.t.z.: dat principieel ondertoezichtstelling aangewezen zou kunnen zijn, maar dat voorafgaand, tijdens een initiële periode van voorlopige hechtenis, wordt onderzocht of, en onder welke voorwaarden en concrete modaliteiten, ET mogelijk is?

109

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

(4) Invulling ET (cf. modellen)? -

-

Welk model van ET verdient de voorkeur: een ‘naakte’ toepassing (nl. onder de vorm van thuisdetentie) of ET met mogelijkheid tot activiteiten buitenshuis (al dan niet met controle buitenshuis)? Dient de concrete invulling van het ET te variëren naargelang de concrete casus of het contentieux?

(5) (Maximum)duur elektronisch toezicht + systeem van handhaving/verlenging – opheffing? -

Welke duur (initiële en maximumduur) moet aan het ET-toezicht worden gekoppeld? En met welke regelmaat, en door welke instantie, dient beslist te worden over handhaving/verlenging van het ET-toezicht (cf. de actuele – afwijkende- regimes inzake voorlopige hechtenis en vrijheid/invrijheidstelling onder toezicht)?

(6) Organisatie van controle en rapportage niet-naleving uurrooster/voorwaarden? Op welke wijze dient de controle en de rapportage in verband met ET georganiseerd te worden? - Aan wie en binnen welke termijn dienen welke schendingen van voorwaarden/overtredingen van het uurrooster, etc. gerapporteerd te worden? - En wie beslist over eventuele intrekking van het ET-toezicht? (7) Schadevergoeding onwerkdadige hechtenis? Welke regeling moet worden voorzien ingeval van eventuele latere buitenvervolgingstelling, vrijspraak, … (naar analogie met de regeling in verband met voorlopige hechtenis)? (8) Aftrek ET-duur op duur v/d uiteindelijk uitgesproken vrijheidsstraf? -

Is het wenselijk rekening te houden met het ET-toezicht bij de bepaling van de uiteindelijke strafmaat (en –soort)? (bijv. aftrek van de ET-periode van de uiteindelijke duur van de vrijheidsstraf) Zo ja, moet hierbij een automatisme worden geïnstalleerd of moet aan de vonnisrechter daartoe vrije beslissingsbevoegdheid worden verleend?

(9) European Supervision Order (Kaderbesluit) In zoverre ET-toezicht moeilijk of niet toepasbaar is ten aanzien van vreemdelingen zonder recht op verblijf in België of zonder vaste verblijfplaats in België: biedt het Europese Toezichtsbevel hierin een mogelijke oplossing?

De rondetafels waren op de volgende wijze gestructureerd: In de voormiddag kreeg iedereen de kans om zijn cases voor te stellen en was er de mogelijkheid voor iedereen om hierop elk om beurt reageren. In de namiddag was het de bedoeling om een discussie te bewerkstelligen op basis van wat er in de voormiddag ter sprake was gebracht en aan de hand van de vooropgestelde topic lijst.

110

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

2

NEDERLANDSTALIGE RONDETAFELGESPREK

De Nederlandstalige rondetafel vond plaats op maandag 25 mei 2009. Aan deze rondetafel werd geparticipeerd door volgende personen: − Dhr. Ivo Mennes, Kamervoorzitter Kamer van Inbeschuldigingstelling, Hof van Beroep Antwerpen; − Dhr. Herman Dams, Eerste-substituut procureur des Konings (thans procureur des Konings) bij het Parket te Antwerpen; − Dhr. Filip Claes, Substituut-procureur-generaal, Parket-generaal Antwerpen; − Dhr. Harrie Van Bostraeten, Raadkamer Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel; − Dhr. Thierry Freyne, Substituut-procureur-generaal, Parket-generaal Brussel; − Dhr. Niko De Camps, Substituut-procureur des Konings bij het Parket te Brussel; − Dhr. Hendrik De Munck, Raadkamer Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen; 324 − Dhr. Philip Daeninck, Advocaat balie Hasselt.

2.1 CASUÏSTIEK 2.1.1

Voorstelling van de casussen

Wat de casuïstiek betreft was, zoals hoger ook reeds toegelicht, aan elk van de deelnemers aan het rondetafelgesprek gevraagd om 2 casussen te bespreken, één waarin ze wel elektronisch toezicht zouden toewijzen en een ander waarin ze dit niet zouden doen. Er werd ook gevraagd om aan te geven welk model van elektronisch toezicht ze bij de toewijzing zouden toepassen. De discussie hieromtrent kan als volgt worden weergegeven. Deelnemer A geeft aan dat hij elektronisch toezicht graag ingevoerd ziet als controlemiddel in zaken waarin actueel huisarrest wordt opgelegd. Hij illustreert dit aan de hand van een casus waarbij een minderjarige met een al uitgebreide gerechtelijke voorgeschiedenis feiten pleegde van zeer gewelddadige slagen en verwondingen. Deze verdachte werd onder huisarrest geplaatst maar de controle hiervan door de politie is niet altijd even evident. Vandaar dat deelnemer A in dergelijke zaken elektronisch toezicht als versterkende maatregel opvat. Zaken waarbij elektronisch toezicht volgens deelnemer A veel minder evident is, zijn die zaken waarin personen zijn betrokken die illegaal in het land verblijven en op een illegale wijze aan inkomsten proberen te geraken, zoals door het dealen van drugs. De reden waarom deze verdachten over het algemeen door de Raadkamer blijven aangehouden, is omdat de betrokkenen geen vaste verblijfplaats 324

Dhr. Jean-Louis Bogaerts, Onderzoeksrechter Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen en Dhr. Geert Jaspaert, Advocaat balie Leuven die oorspronkelijk hadden toegezegd, konden uiteindelijk niet aanwezig zijn. En vanuit andere hoek (onderzoeksrechters en Kamer van Inbeschuldigingstelling BrusselNederlandstalig) werd geen reactie ontvangen of werd de deelname niet aangewezen geacht. Aan het Nederlandstalige rondetafelgesprek werd – in tegenstelling tot het Franstalige (infra) - bijgevolg door geen enkele onderzoeksrechter deelgenomen.

111

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

hebben, hetgeen als voorwaarde wordt beschouwd om elektronisch toezicht te kunnen toewijzen. Volgens deelnemer A bestaat de gevangenisbevolking dan ook vooral uit personen zonder geldig verblijfsstatuut. Deze verdachten blijven over het algemeen lang in voorlopige hechtenis omwille van hun verblijfsstatuut en het daaraan verbonden vluchtgevaar. De zaak die deelnemer B voorstelt waarbij elektronisch toezicht wel kan toegepast worden, is het geval van bijvoorbeeld een Roma-dievenfamilie die winkeldiefstallen pleegt. Hierbij is geen onttrekkingsgevaar, en dus ook geen noodzaak tot inhechtenisneming in het belang van het onderzoek. Er is enkel sprake van een zeker recidivegevaar, maar volgens deelnemer B stelt dit geen probleem indien de verdachten worden gelokaliseerd op hun woonplaats en de controle goed verloopt. Hij ziet hierbij de toepassing van het klassiek model van elektronisch toezicht waarbij personen op bepaalde tijdstippen de toegewezen verblijfplaats mogen verlaten om te werken, een opleiding te volgen, etc. Deelnemer B ziet echter geen toepassingsmogelijkheid ten aanzien van straatdealers (illegaal/legaal), die erg afhankelijk zijn van dergelijke activiteit en in de greep zitten van de grotere bendes. De helft van de personen in hechtenis zijn volgens hem dergelijke straatdealers. In het algemeen is deelnemer B van mening dat: “elektronisch toezicht (…) wel veel zal toegepast worden maar vooral in stalkinggevallen en bij jeugdcriminaliteit in vervanging vooral van huisarresten en andere voorwaarden die wij nu opleggen.”

Deelnemer C legt de nadruk op de performantie van elektronisch toezicht en controle, en stelt dat elektronisch toezicht in veel dossiers mogelijk is indien dit controleaspect voldoende sterk is uitgebouwd. Hij verwijst hierbij concreet naar dossiers van belaging en intrafamiliaal geweld: “Als dat systeem operationeel is, betrouwbaar is, dan kan men ook de voorwaarden daar aan gaan koppelen. En als we zo’n systeem hebben, denk ik dat elektronisch toezicht als alternatief in heel veel dossiers mogelijk is, dossiers gelijk belaging bijvoorbeeld of intrafamiliaal geweld, heel veel voorkomende dossiers waarbij we een heel specifieke voorwaarde aan een geweldenaar zouden kunnen opleggen, gekoppeld aan het slachtoffer bijvoorbeeld.”

Dossiers waarin toepassing van elektronisch toezicht volgens hem minder aangewezen is, zijn de volgende: “We hebben al de klassieke gevallen van het heel manifeste en zeer groot onttrekkingsgevaar. Dat lijkt mij inderdaad minder evident, en daarnaast zijn daar natuurlijk alle dossiers waarbij de maatschappelijke gevaarlijkheid van het individu buiten kijf staat. Het is evident dat in dergelijke dossiers - dan spreken we over zeer zware feiten, de klassieke assisenzaken of de mannen die recidiveren -, de zware overvallen met extreem geweld, daar, denk ik, dat het nogal logisch is dat de maatschappelijke gevaarlijkheid van dergelijke individuen dermate groot is dat elektronisch toezicht niet dezelfde garantie kan bieden aan de maatschappij.”

Bij de mogelijke toepassing van elektronisch toezicht denkt hij in concreto vooral aan het model met GPS-tracking. Dit hoeft niet noodzakelijk in realtime te gebeuren, maar het

112

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

kan in verschillende gradaties worden voorzien. De concrete operationalisering ervan dient geval per geval beoordeeld te worden. In de honderden gevallen waarin deelnemer D een bevel tot aanhouding heeft afgeleverd (in een vroegere functie), zijn er volgens hem niet veel die in aanmerking komen voor elektronisch toezicht. De enkele gevallen waarin hij wel elektronisch toezicht zou toepassen, zijn: “intrafamiliaal geweld en de klassieke stalking dossiers en dan via het systeem - dat zou dan ideaal zijn - via elektronisch toezicht gekoppeld aan een GPS-toezicht. En waarbij men bepaalde zones gaat uitsluiten en dergelijke meer. Waarbij men dan ook mogelijkheid biedt aan de betrokkene om verder zijn professionele activiteiten te vervullen. Daar is dat totaal op zijn plaats. Het kan in een aantal andere gevallen ook overwogen worden, zelfs bij levensbenemende delicten kan dat eigenlijk ook, in specifieke gevallen. Een partner die zijn partner ombrengt bijvoorbeeld. Dat kan in een bepaald stadium van de voorlopige hechtenis, [daar] zou men eigenlijk naar een vervanging kunnen gaan. Het is niet omdat daar het zwaarst mogelijke misdrijf gepleegd is, dat men sowieso elektronisch toezicht moet uitsluiten. Op basis van mijn ervaring zeg ik van: ‘de categorie waarop elektronisch toezicht mogelijk is, is eigenlijk voor mij uitermate beperkt’.”

De gevallen waarbij deelnemer D geen mogelijkheden voor elektronisch toezicht ziet, zijn bijvoorbeeld dossiers van bolletjesslikkers en “mensen met koffers vol met cocaïne die op de luchthaven toekomen”. Bij deze personen is het onttrekkingsgevaar volgens deelnemer D manifest aanwezig. Ook ten aanzien van ET-toepassing bij overvallen op geldtransporten worden vraagtekens geplaatst: “Het zijn heel beperkte categorieën [die voor elektronisch toezicht in aanmerking komen]. Een uitbreiding zou mogelijk zijn, maar in de veronderstelling dat men een geloofwaardig systeem heeft. Dat is de voorvraag: beschikt men over een geloofwaardig systeem? Vandaag de dag lijkt dat niet het geval te zijn. (…) Een onmiddellijke reactie moet mogelijk zijn, zeker in het kader van voorlopige hechtenis. Anders heeft dat totaal geen zin.”

Deelnemer D geeft ten slotte ook aan dat het Franse Projet de loi pénitentiaire eigenlijk al een antwoord formuleert op de meeste vragen die in de discussie aan de orde (zullen) worden gesteld. De deelnemer geeft aan dat hij vreest dat: “elektronisch toezicht in het zelfde straatje zou verzeild geraken als de VOV destijds, waar bij het ontstaan ervan ook reeds werd gewaarschuwd van: ‘kijk het slagen of falen van VOV zal effectief afhangen van de sanctiemogelijkheden en controlemogelijkheden die je hieraan gaat koppelen’. Het heeft dan toch nog een hele tijd geduurd voordat effectief de justitiehuizen tot stand zijn gekomen en dergelijke meer. Ik zie het elektronisch toezicht dan ook meer als een bijzondere vorm van vrijheid onder voorwaarden.”

Volgens deelnemer E is elektronisch toezicht enkel mogelijk bij gevallen waar er sprake is van recidivegevaar, en in zekere zin ook enigszins bij verduisteringsgevaar. Wat de andere twee klassieke criteria betreft - collusiegevaar en onttrekkingsgevaar - denkt hij dat het systeem, zelfs het meest performante systeem met actieve GPS-tracking, te weinig garanties kan bieden om werkelijk de voorlopige hechtenis te vervangen:

113

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD “Van de klassieke gevallen heb ik er veel meer gevonden die er niet voor in aanmerking kwamen dan die er wél voor in aanmerking komen. Bijvoorbeeld zedendelicten. We hebben momenteel een zaak van een persoon die in verdenking is gesteld van aanranding van de eerbaarheid van kinderen van minder dan 16 jaar, bij herhaling. Hij bekent de feiten ook, hij zegt ook: ‘kijk de contacten verliepen voorafgaand aan de telefoon’. Waar wij hem ook ontmoet hebben, dat was zowel op parkings, in parken, als naast zijn deur. In dat geval zou de persoon evengoed een dergelijke minderjarige kunnen uitnodigen bij hem thuis, terwijl hij dan perfect zijn voorwaarden op vlak van elektronisch toezicht naleeft. Welke gevallen dan eerder wel (…): de gevallen die nu in vrijheid onder voorwaarden worden gesteld, ten einde die personen de mogelijkheid te geven - effectief bij deze die een arbeidsbetrekking hebben deze te behouden, indien zij bepaalde psychosociale voorwaarden moeten naleven om naar bijvoorbeeld therapieën te gaan. Als dat hiermee gecontroleerd kan worden, waarom niet.”

Deelnemer F bereidde geen casussen voor gelet op het feit dat hij eigenlijk niet gelooft in elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis: “Ik heb echt geen keuze [van cases] kunnen maken omdat dat alternatief voor de voorlopige hechtenis - zo wordt de enkelband voorgesteld - neerkomt op een verzwaring van de voorlopige invrijheidstelling. En daar heb ik dan mijn twijfels over en vragen bij. Degenen die nu in vrijheid gesteld worden, hebben die enkelband niet nodig. Er zijn andere controlesystemen die voldoende ingebed zijn (...) En ik zie niet in, bij de gevallen die er zijn die nu in voorlopige hechtenis moeten blijven (…), dat dat kan vermeden worden met een enkelband (…). Dus, ik geloof daar eigenlijk niet in, en ik vrees dat het tenslotte een verzwaring zal worden van de voorlopige invrijheidstelling, wat eigenlijk onze eigen geloofwaardigheid in vraag zou stellen.”

Deelnemer G is net zoals deelnemer F niet zo optimistisch over het gebruik van elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis: “Als we dan toch gaan denken aan elektronisch toezicht als een volwaardig alternatief voor voorlopige hechtenis in die situaties dat iemand effectief in de gevangenis zou verdwijnen, dan denk ik eigenlijk dat elektronisch toezicht geen optie is. (…) Ik denk eigenlijk dat het meestal gaat om gevallen waar dat we aan denken waar in feite geen effectieve opsluiting overwogen zou worden.”

Eén van de problemen die hij naar voren schuift, is het gevaar van net-widening: “Wat gaat het alternatief zijn, als die controle goed uitgevoerd wordt, op het elektronisch toezicht als dat niet nageleefd wordt. Ik denk dat het logisch alternatief gaat zijn om mensen in de gevangenis te steken, om ze effectief onder aanhoudingsmandaat te gaan plaatsen.”

Deelnemer G verwijst in dit verband naar iemand die betrokken was bij een grote drugshandel, en na zijn uren, na het sluiten van de bakkerij, geregeld drugs naar mensen bracht. De betrokkene heeft een bakkerij thuis, betwistte de feiten niet, waardoor er dus geen collusiegevaar aanwezig was. De persoon die hem de drugs leverde, werd ondertussen wel in voorlopige hechtenis geplaatst, en had de feiten ook toegegeven. De verdachte in kwestie had wel geen blanco strafrechtelijk verleden, en er was ook sprake van problematisch druggebruik. Toch werd hij uiteindelijk wel in vrijheid gesteld. Het gebruik van elektronisch toezicht zou in dit geval dan enkel “verzwarend” werken. Volgens deelnemer H is er in de wetgeving een enorme diversiteit aan termijnen voorzien die nog moeilijk te hanteren is. Zijn eerste casus betreft een dossier van een man die

114

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

verdacht wordt van slagen en verwondingen aan zijn echtgenote. De voorlopige hechtenis werd in dit geval gehandhaafd. Deelnemer H is van mening dat dit dossier niet in aanmerking komt voor elektronisch toezicht. Hij geeft hiervoor twee redenen: 1) het partnergeweld heeft over een langere periode plaatsgevonden met herhaalde slagen en verwondingen aan de vrouw, en 2) omwille van de grote afhankelijkheidspositie van de vrouw ten aanzien van haar man. In geval van ‘huisarrest’ zouden vrouw en kinderen het huis moeten verlaten; het samenwonen zou de spanningen enkel doen oplopen. Een meer uitgebreid toezicht met een verbodsbepaling om op bepaalde plaatsen te komen, schept volgens deelnemer H ook problemen, gezien de moeilijke definieerbaarheid ervan (‘waar verblijft, waar is die echtgenote?’). De concrete (verbods)plaatsen zijn volgens hem moeilijk af te bakenen, en ook de vrouw in kwestie zou in haar bewegingsvrijheid in hoge mate beperkt worden. Bovendien signaleert deelnemer H nog een negatief punt dat meespeelt bij de beoordeling, nl. de familiale druk bij de vrouw om terug te keren naar haar echtgenoot. Volgens deelnemer H zou in dergelijke gevallen een intensieve psychologische behandeling, dikwijls met beide partners, nog altijd de beste alternatieve voorwaarde zijn. De tweede casus die door deelnemer H werd voorgesteld, betrof: “een handel in verdovende middelen - een straatdealer om het zo te zeggen – die we, denk ik of dachten we toch, wel huisarrest konden opleggen, met elektronisch toezicht. Het ging om zoals in grootsteden meer het geval is - om een runner, iemand die op en neer loopt met kleine dosissen, die weet waar ze te halen en te verkopen.”

Huisarrest zou in dit dossier volgens deelnemer H dus wel kunnen en: “misschien nog beter het tweede [model]325 om de verdachte toe te laten werk te zoeken of nog te kunnen werken enzovoorts en GPS-controle zou misschien mogelijk zijn om die man of vrouw in kwestie (…) te kunnen verbieden op bepaalde plaatsen aanwezig te zijn of te komen.”

Huisarrest ten aanzien van dealers is volgens deelnemer H echter wel problematisch wanneer de persoon in kwestie kan blijven voortdealen, vanuit zijn huis, via de telefoon. 2.1.2

Andere thema’s ter sprake gebracht tijdens de casusbespreking

Tijdens de bespreking van hoger uiteengezette casussen kwamen ook nog enkele andere themata ter sprake die bijzonder relevant zijn in het kader van de reflectie over de eventuele invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis. Deze thema’s hebben betrekking op: de problematiek van de overbevolking in de gevangenissen en illegale vreemdelingen, de vraag naar wettelijke uitsluitingscriteria, en de betrouwbaarheid van de technologie en uitvoering van de controle. In wat volgt, wordt er op deze thema’s dieper ingegaan.

325

In feite gaat het om het eerste model, nl. het door ons als ‘traditioneel’ omschreven model.

115

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Problematiek van overvolle gevangenissen en illegalen Deelnemer A vraagt zich af waarom de gevangenissen overvol zitten. Hij suggereert dat de overbevolking van de gevangenissen voor een groot deel bepaald wordt door: “het enorm aantal illegalen die in ons land verblijven. En, ik vrees een beetje dat onze gevangenissen zo vol zitten wegens een toch wel falend beleid op vlak van vreemdelingenbeleid. Als men ziet in andere landen waar gevangenissen meer en meer leeg geraken, die hebben ook een veel strenger vreemdelingenbeleid, zoals in Nederland.”

Volgens deelnemer B verblijven meer dan de helft van de personen die aangehouden worden, illegaal in het land. Deze deelnemer vraagt zich ook af of het bij elektronisch toezicht nu gaat om een versterking van de controle van de voorwaarden of als een werkelijk alternatief voor de voorlopige hechtenis: “Van deze illegalen zijn er een aantal die geen woonplaats hebben uiteraard niet, maar die wel zeggen (…) ‘hij kan bij zijn broer verblijven, hij kan bij zijn zus verblijven’, die doen dat ook, want veel van die illegalen komen ook familiaal binnen, en zijn dus wel illegaal maar hebben wel een woonplaats, daarom geen vaste. Nu kunnen wij daar voor het moment geen rekening mee houden, want ik vind dat ik niet iemand voorwaarden kan opleggen die in strijd zijn met de wet (…).”

Vaak wordt er ook geen adres opgegeven om een huiszoeking te vermijden. Deelnemer B meent echter wel dat een vorm van huisarrest in een asielcentrum mogelijk moet zijn, in de zin van een hechtenis, niet als een soort van vrijheid onder voorwaarden. Deelnemer E kaart aan dat er een verschil bestaat in de praktijk tussen Brussel en Antwerpen met betrekking tot ‘mensen zonder papieren’: “Noch de onderzoeksrechter, noch de onderzoeksgerechten kunnen iemand een voorwaarde opleggen om het grondgebied niet te verlaten wanneer hij vrij gegaan is. Omdat zij hen dan verplichten om een misdrijf te begaan, maar Brussel heeft nu geoordeeld dat dat wel kan.”

Deelnemer E verklaart zich niettemin voorstander van de Antwerpse praktijk. Deelnemer A: “Eerste vaststelling is natuurlijk dat onze gevangenissen vooral bevolkt zijn met mensen die hoegenaamd niet in aanmerking komen voor VOV, noch probatiemaatregelen omwille van het feit dat ze gewoonweg hier niet mogen zijn. (…) Daar zit volgens mij een hele grote knoop. Als we kunnen overgaan naar een intelligenter vreemdelingenbeleid, een performant en consequent vreemdelingenbeleid, gaat dat zeker een weerslag hebben op de gevangenis.”

Volgens deelnemer B gaat het dikwijls om illegalen die opgepakt worden omwille van herhaalde winkeldiefstallen, misdrijven waarvoor Belgen niet worden aangehouden. Deelnemer H: “Meestal gaat dat gepaard met een gebrek aan middelen van de Staat. Als je die een enkelband geeft, moet je ze ook al beginnen te onderhouden, vanwaar gaan die anders kunnen leven als ze geen misdaden kunnen plegen?”

116

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

Deelnemer B reageert hierop: “Dat doen we in de gevangenis ook, (…) als je ze dan goedkoper in (…) een studio kan laten zitten of in een asielcentrum…”

Uitsluitingscriteria? Algemene eensgezindheid heerst over het feit dat er in de wetgeving alleszins geen uitsluitingscriteria moeten worden opgenomen: de toepassing van elektronisch toezicht dient geval per geval beoordeeld te worden. Volgens deelnemer C, bijvoorbeeld, moet er bij elektronisch toezicht een zeer individuele beoordeling worden genomen, en hij verwijst hiervoor naar de reeds besproken casussen: in sommige gevallen van partnergeweld zou elektronisch toezicht wel mogelijk kunnen zijn, in andere dan weer niet. Deelnemer A zou dan ook niet zozeer werken met types van misdrijven, maar rekening houden met de zwaarte van het misdrijf. Er kan eventueel een bepaalde drempel worden ingevoerd, met een verhoging van de drempel voor voorlopige hechtenis (bijv. naar twee jaar), terwijl elektronisch toezicht toepasbaar zou zijn voor misdrijven met strafdreiging van één jaar of meer, zoals dit nu het geval is voor de voorlopige hechtenis. Deelnemer F vraagt zich echter af hoe het criterium van ‘zwaarte’ wordt vastgesteld en waar de grens wordt gelegd naar maatschappelijke veiligheid toe (bijv.: ‘wat is het verschil tussen iemand een blauw oog slaan, en iemand duwen, waardoor hij/zij valt en een been breekt’). Volgens deelnemer B heeft: “het misdrijf (…) minder belang dan de modaliteit waarin hij geplaatst wordt. Dus bij partnergeweld [tussen personen] die achteraf gescheiden wonen, daar is elektronisch toezicht de aangewezen oplossing.”

Elektronisch toezicht heeft anderzijds geen zin wanneer de partners samenwonen, aangezien het elektronisch toezicht niet zal voorkomen dat de persoon in kwestie recidiveert. Deelnemer F merkt echter op dat de enkelband ook niet nodig is wanneer men niet samenwoont: de opgelegde voorwaarden kunnen in dergelijke gevallen volstaan. Gelet op de specificiteit van elk geval acht deelnemer B het niet aangewezen bepaalde misdrijven uit de regeling uit te sluiten. Hij acht het wel aangewezen in de wetgeving in te schrijven dat illegalen ook in het systeem kunnen worden ingeschakeld: in dit geval dient elektronisch toezicht dan wel als een volwaardige hechtenis beschouwd te worden. Betrouwbaarheid en uitvoering technologie en controle Eén van de belangrijkste kwesties die in het debat ter sprake kwam, had betrekking op de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de technologie en werking van de controle. Verschillende deelnemers wezen herhaaldelijk op het grote belang dat hieraan volgens hen gehecht moet worden. Enkele concrete citaten kunnen één en ander illustreren.

117

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Deelnemer C: “We moeten dan vooral een heel goed elektronisch systeem hebben, (…) we moeten gaan naar een systeem waarbij menselijke controle in de gevangenis wordt vervangen door elektronische controle die continu is en waarbij ook onmiddellijk kan ingegrepen worden. Wanneer de gedetineerde, de persoon die in voorlopige hechtenis is, die onder elektronisch toezicht wordt geplaatst, eigenlijk zijn voorwaarde niet naleeft, dan moet het systeem zo performant zijn dat bij de minste overtreding onmiddellijk een verklikking in werking treedt waarop onmiddellijk gevolg aan gegeven wordt. Anders denk ik dat het systeem gewoon niet deugt en dat we er niet naar toe moeten gaan en dat we maar in de middeleeuwen moeten blijven. (…) We moeten naar een systeem dat technisch perfect werkt en dat ook veel mogelijkheden heeft. Een systeem eventueel met GPS. (…) Als dat systeem operationeel is, betrouwbaar is, dan kan men ook de voorwaarden daaraan gaan koppelen, aan de mogelijkheden van dat systeem. En als we dan zo’n systeem hebben, dan is elektronisch toezicht als alternatief in heel veel dossiers mogelijk. (…) Met de huidige enkelbanden denk ik dat we niet zo zeker zijn dat ze niet gemanipuleerd worden. En ook daar zou men toch op moeten toezien dat de minste manipulatie van de enkelband of het technisch apparaat dat bij de persoon in kwestie wordt voorzien, dat die ook een verklikking geeft.”

Deelnemer D: “We moeten gaan naar een systeem dat geloofwaardig is. Geloofwaardig naar de magistraten die de maatregel bevelen. Vandaag de dag, dat is mijn perceptie, is elektronisch toezicht niet ten volle geloofwaardig omwille van het gebrek aan permanente monitoring, omwille van de reacties die daarop kunnen volgen (…) Zeker in het kader van voorlopige hechtenis of vervangende maatregel moet men zeer kort op de bal spelen.”

Dit is een kwestie waar er grote eensgezindheid leeft bij de deelnemers van de rondetafel. Uit de citaten hierboven kunnen er duidelijke conclusies getrokken worden. Het is duidelijk dat de technologie betrouwbaar moet zijn, dat er geen manipulatie van de enkelband mogelijk is en dus dat het systeem m.a.w. ‘technisch perfect werkt’ en performant is. Daarnaast is het van belang dat het controlesysteem geloofwaardig is, dat er permanente controle aanwezig is en dat er meteen wordt ingegrepen wanneer er een schending plaatsvindt (‘zeer kort op de bal spelen’). De middelen moeten ook aanwezig zijn: genoeg personeelsleden voor de controle en voldoende enkelbanden in voorraad. Zoals eerder al aangegeven, heeft deelnemer B heeft weinig vertrouwen in de huidige GPS-technologie. Er worden door verschillende deelnemers ook vragen gesteld in verband met de capaciteit. Zo stelt deelnemer D: “De capaciteit moet in rekening gehouden worden. Onderzoeksmagistraten moeten permanent rekening houden met politionele capaciteit. Een alternatief, daar is een bepaalde capaciteit van, niet meer of niet minder. Bij de jeugdrechters, die hebben nu een applicatie en die zien ‘ah daar zijn nog plaatsen vrij en daar niet’, of wat dan ook. Dus er moeten op bepaalde momenten keuzes gemaakt worden. En er worden zoveel bandjes aangeboden en we zullen het daarmee moeten doen. En goed, als er geen meer zijn, dan is er geen alternatief meer, spijtig genoeg. (…) Als je elektronisch toezicht aanvaardbaar wil maken, dan moet je permanente controle hebben, anders is het niet geloofwaardig.”

118

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

Deelnemer A: “De equipe die dat bandje moet aandoen (…), zal permanent inderdaad aanwezig moeten zijn, zodanig dat op elk moment dat bandje kan aangedaan worden. (…) En dat je dan online kunt zien: ‘er zijn in Antwerpen nog 7 bandjes beschikbaar’. En als de bandjes op zijn, dan heb je twee mogelijkheden: ofwel steek je hem in voorlopige hechtenis, mits de bijkomende specificiëring, dat, zodra er een bandje vrijkomt, dat voor hem is; ofwel steek je hem in voorlopige hechtenis of VOV.”

Deelnemer F concludeert dat: “wij discussiëren hier over realiseerbaar/haalbaar is”, waarop er instemmend gereageerd wordt.

iets

dat

niet

2.2 DEBAT MET BETREKKING TOT GESELECTEERDE TOPICS 2.2.1

Noodzakelijke informatie in functie van voorlichting met betrekking tot de mogelijkheid tot elektronisch toezicht en termijnen

Aan de deelnemers werd gevraagd welke informatie noodzakelijk is voor de magistraten om een oordeel te kunnen vellen over het al dan niet gebruik van elektronisch toezicht. Verder werd ook gevraagd op welke manier deze informatie verzameld moet worden, door wie, en binnen welke termijn, nl. binnen welke termijn is het mogelijk of noodzakelijk om de vereiste informatie te verkrijgen? Is in dit verband een uitbreiding van de arrestatietermijn (24 uur) noodzakelijk (bijv. naar 48 uur)? En is hiervoor een permanentie van de Dienst Justitiehuizen nodig? Deelnemer D opent de discussie over deze topic: “Ik denk dat de justitiehuizen in de fase van de voorlopige hechtenis niet echt de best geplaatste partners zijn, vooral omdat je natuurlijk met die termijn van 24 uur zit. (…) Ik denk dat we zouden kunnen gaan naar een informatie die bekomen wordt via de politie aan de hand eventueel van een gestandaardiseerde vragenlijst waar de voornaamste topics op staan. De justitiehuizen, vooraleer dat die in gang gezet worden (…), zeker als we spreken bij aanvang van de voorlopige hechtenis, ik vrees dat ze niet voldoende snel genoeg zullen kunnen antwoorden. En als we dan zien over welke informatie dat gaat: veelal over de woonplaats van de betrokkene, heeft die man of die vrouw daadwerkelijk werk, heeft die specifieke beroepsbezigheden of andere bezigheden. Uitgebreid zal dat nooit kunnen zijn. Als men zegt: ‘we hebben ook de toestemming nodig van de medebewoners’, enzovoort, eigenlijk kan dat doorsnee genomen redelijk snel aangeleverd worden als we werken via de onderzoekers. Tuurlijk, het is veelal in de fase van het opsporingsonderzoek nog, het is vooraleer de onderzoeksrechter gevorderd wordt, dat een deel van het werk zal gedaan moeten worden, denk ik, via de procureur. De procureur kan zeggen: ‘ik voel dat het die kant zou kunnen uitgaan, lever die en die informatie op’.”

Deelnemer A reageert hierop: “Dat zou inderdaad moeten gebeuren op het moment dat de betrokkene wordt gearresteerd en contact wordt opgenomen met het parket en het parket dan eventueel al in het achterhoofd houdt: ‘kijk ik wil (…) die arrestatie bevestigen met (wat tot nu toe altijd geweest is) het oog op het afleveren van een aanhoudingsmandaat’. Maar men zou ook kunnen redeneren: ‘kijk, doe de arrestatie met het oog op plaatsen onder elektronisch toezicht’, maar dan is

119

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD bijkomende informatie nodig en die vraagt men dan best aan de verbalisanten zelf die op dat moment met het dossier bezig zijn.”

Volgens deelnemer A gebeuren de meeste arrestaties ’s nachts, en is de politie daarom het best geplaatst om bepaalde informatie mee te geven in het proces-verbaal, eventueel aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst. Op basis daarvan kan men dan overgaan tot ofwel het plaatsen onder elektronisch toezicht of het afleveren van een aanhoudingsmandaat. Er zou wel een minimum aan informatie moeten zijn met betrekking tot de thuissituatie die toelaat een uitgewerkt traject voor elektronisch toezicht uit te werken. “De politie is vrij goed thuis (…) in het proberen te plaatsen, familiaal en sociaal, van de verdachten, zeker in de dossiers van jeugdzaken. Er zit sowieso in het proces-verbaal toch een hele beschrijving van (…) de minderjarigen. Ik denk dat het vrij eenvoudig is voor de politie om toch een minimumbeeld te schetsen van het sociaal patroon van de betrokkene om toe te laten: ‘hij komt in aanmerking voor elektronisch toezicht en het kan in die vorm’. (…)”

Deelnemer A stelt zich echter wel de vraag of dit allemaal kan binnen de 24 uur. Volgens deelnemer H zal dit in elk geval toch een aanpassing van de politie vergen, aangezien zij feitengericht werken en weinig processen-verbaal persoonsgericht zijn. Deelnemer H vraagt zich dan ook af of er hier misschien ook geen taak is weggelegd voor de advocatuur, zeker indien zij bij het eerste verhoor aanwezig zouden zijn326. Het idee om gestandaardiseerde vragenlijsten te gebruiken, wordt niet door elke deelnemer gesteund. Deelnemer C merkt op dat zich nu al het fenomeen voordoet dat politiediensten heel veel vragenlijsten moeten invullen, en dat het daarom misschien nuttiger zou zijn één en ander te bekijken bij het eerste contact met het parket, dat dan de opdracht kan geven aan de politie om (bijkomende) informatie te verzamelen. Er zijn in feite twee opties: ofwel wordt er een gestandaardiseerde vragenlijst gebruikt, ofwel laat men de beslissing afhangen van de magistraat. Deelnemer G reageert hierop: “Zeker niet gestandaardiseerd, want ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het toepassingsgebied van elektronisch toezicht toch betrekkelijk beperkt gaat zijn. Dus om iedereen te gaan belasten met dat soort van vragen, voor toch een betrekkelijk marginaal percentage van toepassing, denk ik niet dat dat de moeite is.”

Deelnemer E is sceptisch over de rol van justitiehuizen in dit proces van informatievergaring, en geeft als voorbeeld dat het met betrekking tot de vrijheid onder voorwaarden in de praktijk vaak voorkomt dat het 4 maanden duurt voordat het dossier wordt opgenomen door het justitiehuis. Verder stelt hij voor dat, wat betreft de gegevens 326

Hier wordt impliciet verwezen naar het arrest - Salduz t. Turkije (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 27 november 2008). In dit arrest voerde het Europese Hof aan dat, om het recht op een eerlijk proces ‘praktisch en effectief’ te houden, in de regel toegang tot een advocaat voorzien moet zijn bij de eerste ondervraging van een verdachte door de politie. In België heeft het Hof van Cassatie echter steeds geoordeeld dat er geen recht is voor een advocaat om aanwezig te zijn bij ondervragingen door de politie of een onderzoeksrechter. In de rechtsleer wordt thans aangenomen dat het arrest-Salduz ook belangrijke consequenties met zich zal meebrengen voor wat de Belgische situatie betreft. Zie bijvoorbeeld: G. Vermeulen, L. van Puyenbroeck, “Mensenrechtenhof schudt strafrechtlandschap dooreen”, De Juristenkrant, nr. 180, december 2008.

120

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

die zouden moeten verkregen worden van de betrokkene zelf, dit deel zou kunnen uitmaken van het verhoor bij latere terbeschikkingstelling. Deelnemer B reageert hierop door te stellen dat de gegevens wel geverifieerd moeten worden en dat hiervoor sowieso een dag of twee nodig zal zijn. Deelnemer F vraagt zich af of het überhaupt niet iets is voor de Raadkamer. Deelnemer B vindt het in elk geval niet noodzakelijk om de (arrestatie)termijn van 24 uur uit te breiden naar 48 uur: “Elke gelegenheid wordt door bepaalde mensen aangegrepen om ze wat langer vast te houden. Die noodzaak zie ik feitelijk niet in. Een onderzoeksrechter kan op elk moment binnen de 24 uur zeggen: ‘het is de moeite waard’.”

In lijn hiermee stelt deelnemer F dat hij de indruk heeft dat er bij het eerste verhoor bij de onderzoeksrechter al vrij veel informatie over de thuissituatie wordt gegeven en de onderzoeksrechter nu ook al binnen de 24 uur een beslissing moet nemen. Hij is dan ook geen voorstander voor een uitbreiding naar 48 uur. Volgens deelnemer D zijn de beslissingen die nu door de onderzoeksrechter worden genomen vooral gebaseerd op gevoel, intuïtie. Deelnemer D: “Als de finaliteit is om iemand niet in voorlopige hechtenis te nemen - wat een hele belangrijke finaliteit is -, dan denk ik dat een en ander wel mogelijk is, zelfs binnen de 24 uur (…). We gaan naar een verdubbeling van die termijn gaan, omdat het anders helemaal onwerkbaar zal worden. Maar als we dat werkelijk willen, het werkelijk de moeite waard is (…), dan doet men er ook alles aan om naar een alternatief te grijpen. Dit zou natuurlijk een alternatief kunnen zijn. (…) Ik denk dat het meer de uitzondering dan de regel zal zijn, maar als men dat echt wel wil, dan is dat altijd een mogelijkheid.”

Deelnemer A stelt dat dubbel werk beter te vermijden is, en dat: “je beter eens van in het begin - en dat maakt het het meest efficiënt - de keuze maakt. Eventueel iemand die in hechtenis is, die dan achteraf door de Raadkamer na een maand of 2 maanden effectief onder toezicht wordt geplaatst, dat moet ook kunnen. Ik denk dat je zelfs moet overwegen om het meteen als eerste maatregel te nemen, echt vervangend aan een klassieke voorlopige hechtenis of een vrijheid onder voorwaarden.”

Hierbij aansluitend merkt deelnemer D op dat men dat ook in Frankrijk zo ziet. Onder de deelnemers bestaat er algemene eensgezindheid over het feit dat een permanentie door de justitiehuizen niet haalbaar is. Verschillende deelnemers noemen het een utopie: sociale enquêtes duren volgens hen ook veel te lang om in dit geval bruikbaar te zijn. Zoals eerder al aangegeven, is deelnemer E het ermee eens dat er: “(…) voor een deel een rol weggelegd is voor de balie, in de vooronderstelling dat ze dan effectief betrokken zijn bij het verloop om dan de probante elementen aan te brengen om de beweringen van de cliënt te staven ‘kijk ik heb een arbeidsbetrekking’ (…) dat het dan aan de verdediging is om in die termijn contact op te nemen met de werkgever, met de echtgenote en effectief enkele papiertjes te kunnen voorleggen aan de onderzoeksrechter.”

121

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Deelnemer G stelt zich echter de vraag welke informatie dan kan worden verzameld, en hoeveel méér advocaten kunnen bijbrengen, los van een aantal feitengegevens die ook door de politie kunnen worden aangebracht. Deelnemer A geeft een voorbeeld van elementen die bijvoorbeeld door de advocaat kunnen aangebracht worden: “Een jonge meerderjarige die nog school loopt en de examenperiode komt er juist aan. Dat zijn allemaal elementen waaruit je kunt besluiten: ‘kijk, dat zou eigenlijk voor de carrière van die jonge man nefast zijn dat hij effectief binnen de muren van de gevangenis komt. Dan gaat hij een examencyclus missen, dan komt hij helemaal in een lage sociale orde terecht.’ Dat hij zijn examens mist, zulke elementen zou de advocaat ook al kunnen aanleveren. (…) Dan kun je zeggen: ‘kijk, we plaatsen hem onder elektronisch toezicht met een bepaald urenpakket, dat hij toch nog die school kan afwerken, maar hij mag niet buiten een perimeter van huis en school komen’. En later kan er opnieuw gekeken worden of de perimeter uitgebreid kan worden of eventueel een vrijheid onder voorwaarden (…). Dan heb je echt een mooi getrapt systeem waarbij het mildste de vrijheid onder voorwaarden is, een tussenoplossing het elektronisch toezicht, al dan niet gekoppeld aan bijkomende VOVvoorwaarden, en het strengste uiteraard de hechtenis zelf is. Het zullen vooral die elementen zijn: werk en school.”

Deelnemer B vraagt zich af of het wel mogelijk is om die schoolgegevens (binnen de 48 uur) te verkrijgen, en of dit niet veel informatie is. In reactie hierop stelt deelnemer H: “Ik denk dat bijna iedereen het erover eens is dat die 24 uur totaal niet meer realistisch is, zeker niet na de wet Franchimont (…). Eigenlijk ben ik nog altijd voorstander van het Nederlands systeem waarbij men 5 dagen politioneel kan worden aangehouden 327 . Niet alleen heeft dat ons geleerd dat daardoor de voorhechtenissen worden verminderd, omdat intussen de zaken praktisch opgelost zijn, bijvoorbeeld collusiegevaar dikwijls niet meer acuut is. Maar ik ben ook voorstander van dat systeem [om een andere reden]. Volgens het huidige systeem (…) dat is toch een enorme stigmatisering, als men binnen de 24 uur in de gevangenis belandt. Ik zou persoonlijk liever vier dagen met de politie meelopen en in het cachot slapen dan binnen de 24 uur in de Begijnenstraat328 met al datgene wat daarbij komt kijken en de stigmatisering thuis en in de familie en sociaal leven. Daarmee zou eigenlijk volgens mij die termijn veel langer moeten (…).”

Deelnemer F stelt zich echter de vraag of het op het vlak van stigmatisering wel verschil maakt of men bij de politie dan wel in de gevangenis verblijft. Deelnemer B denkt dat er toch wel een andere perceptie is, en een verblijf in de gevangenis een zwaarder stigma inhoudt. Hij staat er wel huiverachtig tegenover om verdachten lang bij de politie in hechtenis te houden, omdat op die manier te veel macht aan de politie zou worden gegeven (bijvoorbeeld ‘een nachtje langer vasthouden van een dronken student’).

327

Zie Hoofdstuk 1, Afdeling I voor de concrete termijnen inzake inverzekeringstelling, bewaring en gevangenhouding. 328 Met de ‘Begijnenstraat’ wordt verwezen naar de gevangenis te Antwerpen.

122

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

Deelnemer D stelt in dit verband: “Als modaliteit [wellicht wordt bedoeld ‘uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis’] moet je natuurlijk de controle van de magistraat, ofwel OM ofwel rechter, inbouwen, als je over een bepaalde termijn gaat (…). Eigenlijk is dat nog beter als dat een rechter is die na een bepaalde termijn beslist van: ‘OK, dat kan nog een dag of twee langer’.”

Er wordt door sommige deelnemers ook expliciet verwezen naar de situatie in Nederland (deelnemer B), waar de verdachte de eerste 48 uur bij de politie wordt vastgehouden, vervolgens 48 uur door het parket, en ten slotte bij de rechter van het onderzoek wordt voorgeleid (deelnemer A)329. Voorts wordt ook de vraag opgeworpen of het niet meer in overeenstemming zou zijn met wat eerder door deelnemer G werd verteld, nl. dat er naar een formule wordt gegaan waarbij elektronisch toezicht pas wordt toegepast bij de eerste verschijning voor de Raadkamer (deelnemer E). Deelnemer G bevestigt de laatste opmerking die door deelnemer E werd gemaakt: “Een van de voordelen - dat is zo in het kader van vrijheid onder voorwaarden, dat is destijds zo geformuleerd geweest, is dat om zeker te zijn of om het net-widening effect zoveel mogelijk uit te schakelen, dat men zegt – dat is een voorstel geweest, dat is nooit een wet geworden – eigenlijk alleen vrijheid onder voorwaarden maar mogelijk te maken nadat er een bevestiging is geweest door de onderzoeksrechter [sic!] of de Raadkamer. Om net zeker te zijn dat alleen die gevallen waar effectieve hechtenis overwogen werd, om daar een alternatief voor te zoeken en dus uit te sluiten dat mensen waarvan men toch niet zo zeker een voorlopige hechtenis zou bevelen, om die toch onder het systeem van VOV of elektronisch toezicht te plaatsen. Het zou een aantal zaken wat gemakkelijker maken, ook praktisch, denk ik. Maar ik weet niet of je dat wettelijk moet inbouwen in de zin van: als er gevallen zijn waarvan het bij het begin duidelijk is, dan zou het jammer zijn als dat wettelijk niet gaat.”

Met dit laatste aspect zijn enkele andere deelnemers het eens, doch deelnemer B merkt hierbij wel op dat hij langs de andere kant: “hele scenario’s kan voorstellen dat men opeens massaal elektronisch toezicht gaat geven bij de eerste verschijning. Ik kan mij voorstellen dat het een sanctie wordt die de politie bij de terbeschikkingstelling gaat gebruiken als zij dat mee moeten aanbrengen. (…) Dat je dan elektronisch toezicht krijgt bij mensen die nu niet worden aangehouden.” (eigen onderlijning)

Concluderend kan gesteld worden dat er eensgezindheid bestaat onder de deelnemers over het feit dat een permanentie door de justitiehuizen niet realistisch is. Er wordt geopperd dat de informatieverzameling ofwel door de politie zou moeten gebeuren ofwel door de advocaat. Er bestaat echter onenigheid over het gebruik van een gestandaardiseerde vragenlijst. Daarnaast spitste de discussie zich toe op de vraag naar de fase waarin elektronisch toezicht moeten wordt toegewezen, al door de onderzoeksrechter zelf of pas wanneer de zaak voor de Raadkamer wordt gebracht.

329

De correcte termijnen en procedurestappen worden soms verward. Zie voor meer concrete details: Hoofdstuk 1, Afdeling I (Nederland).

123

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

2.2.2

Vereiste van toestemming van de betrokkene en huisgenoten

Dit thema behandelt de vraag of de toestemming van de betrokken verdachte en de (meerderjarige) huisgenoten noodzakelijk zijn om het elektronisch toezicht te kunnen toepassen. Momenteel wordt bij de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering de toestemming aan de betrokkene en de meerderjarige huisgenoten gevraagd zowel bij veroordeelden met straffen van minder dan drie jaar als bij veroordeelden met straffen van meer dan drie jaar.330 Over dit onderwerp bestaat er een duidelijke overeenstemming tussen de deelnemers van de rondetafel, in die zin dat eenieder van mening is dat de betrokkene zelf zijn toestemming dient te verlenen. Deelnemer H: “Als iemand op voorhand zegt dat hij er niet mee akkoord is, zal dat niet worden opgelegd. Er moet minstens een informeel akkoord zijn.”

Deelnemer C voegt hieraan toe dat het niet zo is dat men de feiten toegeeft wanneer men toestemt met het systeem. Wat de toestemming van de huisgenoten daarentegen betreft, vinden de meeste deelnemers dit niet noodzakelijk om elektronisch toezicht te kunnen toepassen. Sommige deelnemers vinden dergelijke vereiste trouwens een ‘vreemde voorwaarde’ en zijn van mening dat dit enkel kan gelden in zaken waarbij er slachtoffers op hetzelfde adres wonen, zoals dit ook gebruikelijk is bij een voorlopige invrijheidstelling (of VOV) in het kader van de voorlopige hechtenis. Deelnemer B: “Bij intrafamiliaal geweld (…) is de vraag voor de hand liggend, maar dan denk ik dat je de vraag niet moet formuleren als inwonende meerderjarigen. (…) Als dat [de inwonende meerderjarige] geen slachtoffer is, dan is dat willekeur.”

Deelnemer B geeft in dit verband het voorbeeld van een ‘twintigjarige zoon die moeilijk doet omdat hij niet wil dat de vader terug naar huis komt, zonder goede reden’. Deelnemer A voegt hieraan toe: “Bovendien, men vraagt het aan de meerderjarige huisgenoten omdat het toch zo’n impact heeft op het gezin. Als er één ding impact heeft op het gezin, dan is het het feit dat die man niet meer in het gezin is en in hechtenis wordt genomen. Dan vragen we ook niet de toestemming: ‘komt dat jullie goed uit dat de kostwinnaar in de bak vliegt?’. Ik heb dat altijd al een vreemde vraag gevonden.”

330

Zie hiervoor het koninklijk besluit van 16 juli 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot bepaling van de concrete invulling van het programma van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht, en de ministeriële omzendbrief nr. 1803 (III) van 25 juli 2008.

124

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

De deelnemers zijn van mening dat de toestemming van meerderjarige huisgenoten geen absolute vereiste kan en mag zijn, enerzijds omdat dergelijke vereiste ook niet wordt gesteld aan een opsluiting in de gevangenis, maar anderzijds ook omwille van het feit dat de persoon in kwestie in feite het recht heeft om in de eigen woning te verblijven. De meeste deelnemers vinden dan ook dat dergelijke toestemming niet wettelijk mag worden voorgeschreven, doch stellen voor dat de rechter in kwestie hierover zelf zou kunnen beslissen. 2.2.3

Termijn waaronder ondertoezichtstelling dient plaats te vinden

De vraag die bij dit thema centraal staat, is binnen welke termijn de ondertoezichtstelling onder elektronisch toezicht dient plaats te vinden. Daarbij werd ook gepolst in welke mate de invoering van een aanhoudingsmandaat met indicatie ‘elektronisch toezicht’ wenselijk zou, t.t.z.: in dit geval wordt aangegeven dat principieel ondertoezichtstelling aangewezen zou kunnen zijn, maar voorafgaand, tijdens een initiële periode van voorlopige hechtenis, onderzocht dient te worden of, en onder welke voorwaarden en concrete modaliteiten, elektronisch toezicht mogelijk zou zijn. Dit laatste voorstel is geïnspireerd op de procedure die in een Nederlands experiment met betrekking tot elektronisch toezicht voor minderjarige delinquenten331 werd toegepast, waar sprake was van een aanhoudingsmandaat ‘met indicatie elektronisch huisarrest’ (t.t.z. met het oog op onderzoek naar de geschiktheid voor elektronisch toezicht). In dat verband werd bepaald dat, wanneer de rechter-commissaris (onderzoeksrechter in België) besliste tot inbewaarstelling en de indicatie ‘elektronisch huisarrest’ gaf, door hem de Raad voor Kinderbescherming werd verzocht nader onderzoek te doen naar de haalbaarheid ervan en de toepassing van het elektronisch huisarrest nader uit te werken. Dit diende te gebeuren vóór de eerste Raadkamer. De Raad voor de Kinderbescherming diende dit te melden aan de jeugdreclassering en deze te verzoeken om een weekprogramma voor de deelnemer te ontwikkelen.332

331

Het gaat hier om een tweejarig experiment dat begin 2000 in het arrondissement Rotterdam werd opgestart. 332 Zie hiervoor ook: Het projectplan Elektronisch Huisarrest, Bijlage 3 ‘Projectplan experiment elektronisch huisarrest minderjarigen in het arrondissement Rotterdam’, Adviesbureau Van Montfoort; L. Erftemeijer, september 1999.

125

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Schema 2.1: Stroomschema proces elektronisch huisarrest

Uit: G.J. Terlouw, P.A. Kamphorst, Van vast naar mobiel. Een evaluatie van het experiment met elektronisch huisarrest voor minderjarigen als modaliteit voor de voorlopige hechtenis, Den Haag, WODC, 2002 (Reeks Onderzoek en Beleid nr. 195), 15.

Ten aanzien van dit systeem stelt deelnemer G zich echter volgende vraag: “Wat is dan eigenlijk de toegevoegde waarde van dat systeem ten aanzien van de controle door de Raadkamer op vijf dagen? We hebben eigenlijk al een vorm van bijkomende controle.”

De belangrijkste opmerkingen die ten aanzien van deze handelswijze werden geformuleerd, kunnen het best samengevat worden met een citaat van deelnemer D: “Praktisch aspect: als je gaat naar een systeem ‘aanhoudingsbevel met elektronisch toezicht’, en dat gebeurt dan niet? Hoe snel moet dat gebeuren? Dat is bijna een subjectief recht creëren waar men eventueel niet aan kan voldoen. (…) Terwijl, als je gaat naar een klassieke aanhouding: ‘ik overweeg elektronisch toezicht als magistraat en ik ga daar alle demarches voor ondernemen’, en of dat vandaag gebeurt, morgen of overmorgen, daar is nog een bepaalde vorm van ruimte. Dit is natuurlijk een risico dat je jezelf vast rijdt. En stigmatiseren, de stempel is er hè, hij heeft in voorlopige hechtenis gezeten (…).”

126

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

2.2.4

De inhoudelijke invulling van het elektronisch toezicht (modellen van elektronisch toezicht)

Een andere vraag die tijdens de rondetafel centraal stond, is deze naar het model van elektronisch toezicht dat de voorkeur verdient: een ‘naakte’ toepassing (nl. onder de vorm van thuisdetentie) of elektronisch toezicht met mogelijkheid tot activiteiten buitenshuis (al dan niet met controle buitenshuis)? De meeste deelnemers vinden dat alle drie de modellen mogelijk moeten zijn, en dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om geval per geval te beslissen. Deelnemer B is wel sceptisch over het gebruik van GPS, en ziet enkele beperkingen: “Het [ontvangst van radiosignalen, elektromagnetische straling, etc.] gaat niet door de kooi van Faraday, dus vanaf het moment dat je in een betonnen gebouw woont, ben je niet lokaliseerbaar. Onze criminelen zijn heel rap bekend met camouflagetoestanden. Ik denk dat als je rond GPS een beetje zilverpapier plakt, dat ze ook niet meer kunnen zien dat je uit je betonnen gebouw ergens naar toe gaat. Ik denk dat we daar dus niet te veel van moeten verwachten.”

Deelnemer B wijst ook op het gevaar dat het GPS-systeem door de politie zou worden gebruikt als een middel van bijzondere opsporingsmethode, hetgeen vragen doet rijzen. Deelnemer A stelt echter dat hier niet zwaar aan getild hoeft te worden. Eveneens worden er vragen gesteld bij het nut van het gebruik van GPS in gevallen van stalking en partnergeweld waarbij er exclusiezones worden ingevoerd. Deelnemer F merkt op dat men met GPS het slachtoffer nooit volledig kan beschermen behoudens wanneer men het slachtoffer ook een enkelband zou geven333. Sommige deelnemers zijn positiever over het gebruik van GPS, vooral met betrekking tot dossiers van jongerengeweld ‘s nachts. Deelnemer F voert echter aan dat er nu ook al uitgaansverboden worden opgelegd die door de politie gecontroleerd worden, en de opgelegde voorwaarden op een efficiënte manier worden gecontroleerd. In reactie hierop stelt deelnemer D niettemin dat die controles toch wat gerelativeerd moeten worden: meestal gaat het niet om gerichte controles, maar om toevallige controles. Volgens deelnemer A werkt men in Antwerpen echter wel met gerichte controles. Het zou volgens hem wel eenvoudiger zou zijn voor de politie wanneer de controle via GPS zou kunnen gebeuren:

333

Het is van belang hierbij op te merken dat in Spanje reeds een systeem in gebruik werd gesteld waarbij (potentiële) slachtoffers van huishoudelijk geweld via technologische hulpmiddelen ‘beschermd’ worden tegen de potentiële ‘agressor’, bijvoorbeeld verwittigd worden wanneer deze laatste de omschreven exclusiezones zou binnentreden. Zie hierover: ElmoTech/Comunidad de Madrid, Evaluation of electronic monitoring and dissuasion of domestic violence in Spain, 21p.; Consulteerbaar via: http://d1064632.012517.012hosting.com/uploaded/Spanish%20Case%20Study%20Comunidad%20Eng.pdf

127

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD “Maar dan streven we ons doel wel wat voorbij, want het doel is eigenlijk om de gevangenis leger te maken en niet zozeer om de politie te ontlasten. Wat niet wegneemt dat ik het een goed systeem vind.”

2.2.5

(Maximum)duur van het elektronisch toezicht en regeling in verband met verlenging of opheffing van de maatregel

Met betrekking tot de (maximum)duur van het elektronisch toezicht en de regelmaat waarmee beslist moet worden over de al dan niet handhaving van het toezicht, rijst de kwestie of elektronisch toezicht onder het systeem van voorlopige hechtenis moet worden ondergebracht dan wel onder het systeem van VOV. Hoewel in eerste instantie het systeem van de VOV wordt overwogen, geeft deelnemer B aan dat hij het elektronisch toezicht eerder ziet functioneren binnen een systeem van ‘hechtenis’, ook omdat dan de druk op het onderzoek blijft bestaan. Vanaf dat ogenblik in het debat komt meer en meer de optie voor een regeling naar analogie met de voorlopige hechtenis in het vizier. Zo stelt deelnemer H voor om artikel 22 op het huisarrest toe te passen. Er wordt ook opgemerkt door diverse deelnemers dat men moeilijk elementen van de verschillende systemen samen in rekening kan nemen, zoals deelnemer G stelt: “Het is het een of het ander natuurlijk, ofwel pakken we het systeem van de [voorlopige] hechtenis ofwel pakken we het systeem van de VOV.”

In reactie hierop stelt deelnemer E zich de vraag: “of de onderzoeksrechter over kan gaan tot elektronisch toezicht na de eerste verschijning voor de Raadkamer zoals dat nu met een VOV kan, zonder akkoord van het parket. Dat blijft voor mij een aberratie in de wet. Dat twee rechters van hetzelfde niveau met een dag verschil elkaar kunnen tegenspreken.”

Deelnemer C kaart het probleem van net-widening aan, maar is er anderzijds toch ook van overtuigd dat: “er voorhechtenissen zijn die we kunnen vermijden als we een dergelijk systeem als alternatief kunnen aanbieden, in gevallen waarbij een invrijheidstelling onder voorwaarden toch iets te delicaat ligt. (…) anderzijds, als men het alternatief heeft van elektronisch toezicht waar men op kan vertrouwen, zou men sneller oordelen om mensen niet naar de gevangenis te sturen maar onder elektronisch toezicht te plaatsen. Ik denk dat we daardoor een heel aantal voorhechtenissen kunnen schrappen. Wat de verzwaring van de VOV betreft, is dat ook iets dat langs twee kanten werkt.”

Ten slotte merkt hij op dat: “als we naar dit systeem evolueren, als alternatief van de voorlopige hechtenis, dan moeten we ook (…) de toepassing iets anders gaan bekijken.”

Deelnemer C verwijst hierbij naar het Franse projet de loi pénitentiaire, waarin een trapsgewijs systeem wordt voorgesteld en de voorlopige hechtenis effectief als laatste middel wordt vooropgesteld. Hoewel volgens deelnemer C de voorlopige hechtenis daadwerkelijk als ultieme middel moet worden beschouwd, rijst wel de vraag hoe dit juridisch georganiseerd kan worden.

128

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN

Enkele andere deelnemers zijn echter van mening dat navolging van het Franse voorstel dat impliceert dat de voorwaarden voor het opleggen van een voorlopige hechtenis strenger zijn dan dit van het alternatief van de ‘contrôle judiciaire’ of de ‘assignation à résidence avec surveillance électronique’ (cf. de graduele verhoging van de toelaatbaarheidsdrempel) – als nadeel heeft dat in een aantal gevallen geen voorlopige hechtenis meer mogelijk zou zijn, terwijl het daar wel wenselijk en trouwens de enige maatregel zou zijn. Deelnemer G ziet elektronisch toezicht als detentievervangend alternatief (t.t.z. toegepast in cases waarvoor actueel voorlopige hechtenis wordt opgelegd) in feite eerder beperkt, en stelt met betrekking tot het mogelijks net-widenend effect het volgende: “(…) de vraag is dan: is dat zo verwerpelijk? (…) het mogelijk netwidening effect dat het met zich mee zou brengen, is dat zo slecht? Want dat betekent dan wel dat er controle is, dat betekent dat de mensen niet gewoon vrij in de natuur zijn. Dus dat kan wel positieve effecten hebben. (…) We moeten dan wel goed weten (…) wat voor soort elektronisch toezicht we eigenlijk aan het bespreken zijn.”

Hij verwijst hier naar het onderscheid tussen elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis en elektronisch toezicht als controlemiddel bij de VOV. Deelnemer D denkt dat: “je voor een stuk de situatie wat gaat kunnen vergelijken met de situatie van de invrijheidstelling mits betaling van een borg. Tuurlijk, je gaat een engagement moeten hebben dat wie dan ook dat allemaal organiseert, binnen een bepaald tijdsbestek, wat niet zo evident is. Ik zou het daar min of meer mee willen vergelijken. Voor mij lijkt het echt een voorwaarde te zijn. Ik zou het invullen als een werkelijke voorwaarde bij een invrijheidstelling, maar - en u hebt het terecht aangehaald -, het gaat gepaard met een verzwaring van de situatie. Daarom moeten we ons de vraag stellen: ‘ja maar, kunnen we gaan naar een volledig gelijkgeschakeld model van, we leggen dat op voor 3 maanden’, of moeten we daarentegen gaan naar een periode van evaluatie die korter is. Het Franse voorgenomen model spreekt van periodes van 6 maanden, verlengbaar met 6 maanden, met een maximale duur van 2 jaar. Dat lijkt mij van het goede teveel. (…) voor mij is en blijft het de rechter die dat moet evalueren. (…) hoogstwaarschijnlijk, dat is het gevoel dat ik erbij heb, zou het wat korter moeten zijn dan drie maanden gelet op de verzwaring van de situatie. (…)”

Aansluitend hierbij stelt deelnemer E met betrekking tot de duur en de periodieke controle in verband met de handhaving van het elektronisch toezicht: “De meesten zien het als een particulariteit van de VOV, maar ik ben het er mee eens dat het systeem wel wat meer juridische controlemogelijkheden zou behoeven dan de klassieke VOV. (…) ik vind daarbij ook dat men niet moet proberen het warm water twee keer uit te vinden. (…) Ik denk dat het systeem van de niet-correctionaliseerbare misdaden met driemaandelijkse verschijning en mogelijkheid tot indienen van verzoekschriften, maand naar maand, bijzonder dienend zou kunnen zijn voor de VOV. (…) We mogen de emancipatieve kant van de VOV ook niet onderschatten. Biedt toch effectief mogelijkheden om tegenover een rechter later ten gronde te bewijzen: ‘kijk ik ben in staat om in vrijheid te leven al was het onder bepaalde voorwaarden’.

129

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Van een andere orde is de suggestie van deelnemer B om bij de toewijzing van elektronisch toezicht ruimte te scheppen voor enige louter administratieve tussenkomst: “Men zegt dat de rechter moet beslissen, maar wij hebben geen zicht op woonplaats, enz. We hebben een heel beperkt zicht. Dus ik vraag me af of wij niet gewoon kunnen zeggen: ‘sluit in dit geval een enkelband uit’, en in alle andere gevallen mag er een enkelband zijn als dat administratief regelbaar is. Ik hoef op dat gebied niet altijd het laatste woord te hebben.”

Deelnemer C reageert echter afwijzend, aangezien: “elektronisch toezicht altijd gepaard gaat met voorwaarden: thuis zijn om dat uur, gaan werken eventueel om dat uur. En je kan dan toch niet vragen aan de administratie om die voorwaarden in te vullen, dat moet toch ook van een rechtbank komen.”

2.2.6

Organisatie van de controle en rapportage bij niet-naleving van het uurrooster of de ET-voorwaarden

Aan de deelnemers werd gevraagd op welke wijze de controle en de rapportage in verband met elektronisch toezicht georganiseerd dient te worden. Meer specifiek werd de vraag voorgelegd aan wie en binnen welke termijn welke schendingen van voorwaarden/overtredingen van het uurrooster, etc. gerapporteerd moeten worden en wie dient te beslissen over eventuele intrekking van het elektronisch toezicht. Deelnemer D opent de discussie: “Op dit ogenblik is er al een permanentie die betaald wordt door justitie (…) dat is het CTIF334, ik zeg niet dat dat het CTIF moet zijn, maar dit zijn mensen die permanent aanwezig zijn, dit is half politie half sui generis situatie. Ik denk dat zo een orgaan dat perfect zou kunnen. We hebben, dacht ik, allen gepleit voor een quasi-permanente controle. Misschien moeten we tot een situatie komen dat het eigenlijk een orgaan is dat anomalieën signaleert en zegt van: ‘kijk, nu is er een probleem’ en dat er in functie daarvan een onmiddellijke politionele reactie kan zijn. Wat de rapportage betreft, denk ik niet dat dat de meest geschikte mensen zijn om zich echt daarmee bezig te houden, daarover te rapporteren. Ik zie dat echt als anomalieën signaleren, het niet naleven van voorwaarden om punctuele en adequate en snelle reacties mogelijk te maken. Eventueel dat de justitiehuizen dat op zich kunnen nemen.”

Deelnemer B sluit hierbij aan door te stellen: “Rapportage aan de onderzoeksrechter of aan de politie om direct in te grijpen en op te pakken en naar de onderzoeksrechter te brengen. Het is dan aan de onderzoeksrechter om te beoordelen of er politionele actie nodig is of niet, ik denk dat daar een groot verschil in is.”

Deelnemer E is er dan weer voorstander van om een tussenschot (een soort van filterfunctie) in te bouwen: “waarbij je eventueel de mogelijkheid biedt van een aanmaning aan die mensen [verdachten], dat je wel weet die zullen wel in de lijn blijven lopen zonder dat je direct met 334

CTIF staat voor de Central Technical Interception Facility (CTIF), de nieuwe ‘tapkamer’ van de federale politie die in mei 2003 in gebruik werd genomen en waar op vraag van een onderzoeksrechter communicatie (vaste telefoonlijnen, GSM’s, faxen en ander dataverkeer) wordt geïntercepteerd en geobserveerd.

130

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN de hamer moet afkomen (…). Als die effectief voor de onderzoeksrechter gebracht wordt en de onderzoeksrechter zegt dan : ‘allez ik ga u nog eens laten gaan’ dan weet die type, ‘ah’, en nu blijft hij in het ongewisse als je zo een tussenschot inbouwt.”

Er moet volgens deelnemer D wel een rapportage zijn in geval van incident, waarbij er dan een contact is met de politie of de procureur. De politie zal volgens de deelnemers wel weten in welke gevallen ze de procureur moeten inlichten en wanneer niet. Deelnemer E wijst er ook nog op dat het van belang is om in elke zone een referentiepersoon te voorzien. Deze persoon zal – op basis van concrete gevallen die zich voordoen en beslissingen die daaromtrent worden genomen - op den duur kunnen inschatten wanneer rapportage wel of niet nodig is. Deelnemer A denkt dat elektronisch toezicht toch wel voordelen biedt in die zin dat er sneller zal overgegaan worden naar invrijheidstelling (zonder meer) waardoor verdachten minder lang in voorlopige hechtenis zullen verblijven. In die zin zal het niet steeds alleen maar een net-widenend effect hebben: “Als we willen komen tot een vlot opvolgbaar systeem - en dat is toch de verzuchting van iedereen dat het heel performant moet zijn en men snel moet kunnen ageren – dan moeten we eventueel ook erover nadenken: ‘moet dat elektronisch toezicht opgevolgd worden vanuit het nationaal centrum elektronisch toezicht in Brussel dan wel moeten we niet overstappen naar een meer arrondissementeel centrum, misschien zelfs gelokaliseerd binnen netwerken van federale politie in plaats van effectief binnen FOD Justitie?’ Als we ook zien dat het monitoren, momenteel, van de interventieploegen bij politie, steeds meer gebeurt in een groter gebied, arrondissementeel in het project ASTRID dat toch lopende is, waarbij men inderdaad via GPS kan monitoren ‘waar zijn welke interventievoertuigen aanwezig?’ en die dan ook kan aansturen, dan kan eigenlijk ook op arrondissementeel niveau door de politie eventueel die controle worden gevoerd op elektronisch toezicht, en niet via het NCET wat volgens mij enorm vertragend gaat zijn. Dat we het meer zouden leggen bij de politie.”

Als reactie hierop stelt deelnemer D: “Wat de controle betreft, wat [deelnemer A] zegt, ja controle door de politie, ook gevoelsmatig zeg ik van ‘ja dat moet gecontroleerd worden door de politie’. Voor een stuk is het een praktische modaliteit. Als je de garantie kan krijgen dat het centrum een permanente monitoring doet voor heel het grondgebied, ja waarom niet, maar dan permanent met eventueel een verbinding naar een liaisonofficier of liaisondienst of wat dan ook bij de politie. (…)”

Deelnemer E wijst op het bestaan, in Brussel, van de cel MAM (Mesures Alternatives/Alternatieve Maatregelen) die samen met de onderzoeksrechters instaat voor de controle van de VOV’s. Hiervoor zijn enkele referentieofficieren aangeduid die zich met niets anders inlaten dan met verbodsvoorwaarden te controleren: “Voordeel is ook dat, als men werkt via dit systeem, men niet onmiddellijk altijd met de zware hamer naar boven moet komen als er een schending van een voorwaarde is. Soms volstaat het om effectief de man of vrouw in kwestie ter beschikking te stellen en eens aan zijn verplichtingen te herinneren om die voor de rest van de tijd, zou ik maar zeggen, in de lijn te laten lopen.”

131

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Ten aanzien van een mogelijke optie om de controle te laten uitvoeren door een privémaatschappij335, stelt deelnemer A formeel: “Zolang dat zij alleen puur moeten melden van wie buiten zijn zone is geweest of zijn voorwaarden niet heeft nageleefd en zolang het enkel de bediening is van het toestel, zou nog een samenwerking met een privé-maatschappij kunnen overwogen worden, maar dus het werkelijk beslissen en ingrijpen gebeurt per definitie door de overheid.”

Volgens deelnemer E is er in dit verband sowieso een tussenkomst door een politiedienst, met vaststellingsbevoegdheid, noodzakelijk ten einde overtredingen in het kader van elektronisch toezicht vast te kunnen stellen. 2.2.7

Schadevergoeding ingeval van onwerkdadige hechtenis en aftrek van de duur van het elektronisch toezicht op de duur van de uiteindelijk uitgesproken vrijheidsstraf

De vraag werd voorgelegd of het wenselijk of noodzakelijk is om schadevergoeding toe te kennen aan personen onder elektronisch toezicht ingeval van ‘onwerkdadige hechtenis’ naar analogie met het systeem in het kader van de voorlopige hechtenis. Een andere vraag had betrekking op de wenselijkheid om de ET-termijn (eventueel gedeeltelijk) in mindering te brengen op de uiteindelijk uitgesproken (vrijheids)straf. Wat betreft de schadevergoeding voor de onwerkdadige hechtenis leeft de algemene idee bij de deelnemers dat één en ander ook afhankelijk is van hoeveel schade er geleden is. Er wordt voorgesteld om een regeling uit te werken naar analogie met de situatie in Frankrijk. Wanneer een systeem zoals het Franse “assignation à résidence avec surveillance électronique” zou worden ingevoerd – ze verstaan hieronder o.i. een strikte toepassing (cf. ‘thuisdetentie’) -, achten de deelnemers het logisch dat de periode onder elektronisch toezicht in mindering zou worden gebracht op de uiteindelijk uitgesproken straf, en er eveneens een schadevergoeding zou worden toegekend in geval van ‘onwerkdadige hechtenis’. Wel wordt de vraag gesteld of dergelijke regeling onverkort moet worden toegepast ten aanzien van alle veroordeelden, ongeacht de strafduur, dan wel enkel ten aanzien van veroordeelden met een straftotaal van meer dan 3 jaar. Volgens deelnemer B en ook andere deelnemers is het immers zo dat de toepassing van deze regel ten aanzien van veroordeelden met een straftotaal van drie jaar of minder tot gevolg zou hebben ‘dat er nog maar weinig of niets meer overblijft van de straf’. Deelnemer G is het hier echter niet mee eens, omdat het volgens hem niet gerechtvaardigd is dat het wel geldt voor het een, maar niet voor het ander. Volgens deelnemer D is het wenselijk een onderscheid te maken tussen: “de vrijheidsbeperkende maatregelen enerzijds en, dus (…) zijnde huisarrest plus elektronisch toezicht om te controleren of er daadwerkelijk huisarrest is. Dan zitten we in een situatie van voorlopige hechtenis. In die hypothese (…) moet elke dag huisarrest 335

Zie in dit verband bijvoorbeeld de situatie in Engeland en Wales (Hoofdstuk 1, Afdeling III, par. 6).

132

AFDELING I – RONDETAFELGESPREKKEN MET ENKELE ACTOREN aangerekend worden op de straf, omdat het een ondergane hechtenis is. Dat is elektronisch toezicht ‘huisarrest’. En dan elektronisch toezicht als controle van de voorwaarden. En dat is iets helemaal anders. Dat is VOV desgeval met elektronisch toezicht. (…) Dat zijn twee verschillende regimes.”

Volgens deze deelnemer gaat het er vooral om of het elektronisch toezicht beschouwd wordt als een vrijheidsberovende maatregel. De deelnemers zijn in elk geval ook van oordeel dat er bij elektronisch toezicht ter controle van VOV-(verbods)voorwaarden geen sprake kan zijn van enige aftrek op de uiteindelijke straf. De centrale kwestie is de vraag naar het vrijheidberovende dan wel vrijheidsbeperkende karakter van de concrete ETtoepassing. Naargelang het antwoord op deze vraag, kan de ene toepassing van elektronisch toezicht geplaatst worden binnen het systeem van de (voorlopige) hechtenis, het andere regime binnen dit van de VOV. Deelnemer D brengt aan dat men dan over ‘vrijheidsberoving’ spreekt wanneer het gaat om huisarrest met eventueel uitzonderingen daarop (waarbij dit laatste dan in feite verwijst naar het ‘traditionele’ model). Deelnemer B sluit daarbij aan en verwijst in dit verband naar huisarrest met voorwaarden, zoals de verplichting te werken, een opleiding te volgen, etc. 2.2.8

De betekenis en waarde van de European Supervision Order (Kaderbesluit)

In de schoot van de Europese Unie werd een kaderbesluit uitgetekend met betrekking tot de wederzijdse erkenning van beslissingen waarin toezichtsmaatregelen liggen vervat als alternatief voor de voorlopige hechtenis336. Het kaderbesluit voorziet bijvoorbeeld dat, wanneer een onderzoeksrechter een beslissing neemt tot VOV ten aanzien van een verdachte met vreemde nationaliteit, de persoon in kwestie naar het herkomstland zou kunnen terugkeren mits de buitenlandse autoriteiten de opgelegde voorwaarden zouden controleren. Gelet op het grote aantal vreemdelingen binnen onze beklaagdenpopulatie werd de vraag voorgelegd of de invoegetreding van dergelijke grensoverschrijdende samenwerking een adequaat instrument zou kunnen zijn om aan deze problematiek (deels) te remediëren. De meeste deelnemers zijn het erover eens dat het hier op zich gaat om een waardevol initiatief, doch deelnemer A merkt op dat men niet zoveel verdachten aanhoudt uit landen van de Europese Unie. Het belangrijkste knelpunt stelt zich ten aanzien van verdachten afkomstig uit een niet-EU-land: “Het kan perfect onderschreven worden, dat is geen probleem, maar het zal niet het grote verschil maken.”

336

Council Framework Decision on the application, between Member States of the European Union, of the principle of mutual recognition to decisions on supervision measures as an alternative to provisional detention.

133

HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Deelnemer D merkt bovendien een addertje onder het gras op in het concept van EUKaderbesluit. Er is namelijk bepaald dat vanuit het oogpunt van ‘fair trial’ documenten vertaald dienen te worden naar een taal die de betrokken verdachte verstaat337.

337

In het kaderbesluit wordt expliciet vermeld dat het surveillancebevel “moet gesteld of vertaald zijn in de officiële taal of één van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat of in een andere taal die door die lidstaat is aanvaard.” (cf. bijlage Formulier A, p. 24, bij: Commissie van de Europese Gemeenschappen, Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees surveillancebevel in procedures tussen EU-lidstaten in afwachting van het proces {SEC(2006)1079}{SEC(2006)1080}, 2006, te raadplegen op: http://eurlex.europa.eu/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexplus!prod!DocNumber&lg=nl&type_doc=COMfinal&a n_doc=2006&nu_doc=468) In een navolgend rapport van het Europees Parlement wordt in Amendment 2 bovendien gesteld dat: “[a] uniform common set of procedural guarentees is a necessary prerequisite to ensuring a fair and effective application of measures concerning judicial cooperation in criminal matters; (…) the Council should without delay adopt a legal instrument on procedural safeguards in criminal proceedings, based upon the presumption of innonce, which should include at least (…) the rigt to access to all relevant documents in a language the suspect/defendant understands and to an interpreter; (…).” (European Parliament, Report on the draft Council Framework Decision on the application, between Member States of the European Union, of the principle of mutual recognition to decisions on supervision measures as an alternative to provisional detention (17002/2008 – C6-0009/2009 – 2006/0158(CNS)), p. 6).

134

3

TABLE RONDE FRANCOPHONE

La table ronde francophone s’est déroulée le mardi 2 juin 2009 en présence des participants suivants: − Madame Anne Gruwez, juge d’instruction, Tribunal de première instance Bruxelles ; − Madame Beatrice Behets-Wydemans, Chambre de Conseil, Tribunal de première instance Bruxelles ; − Madame Cécile Florival, Chambre de Conseil, Tribunal de première instance Bruxelles ; − Monsieur Yves De Ruyver, président Chambre des Mises en Accusation, Cour d’appel Bruxelles ; − Monsieur Alain Geerinkx, substitut procureur du Roi, Tribunal de première instance Bruxelles ; − Monsieur Pierre Erauw, avocat général, Parquet général Bruxelles ; − Madame Micheline Ruzinowski, juge d’instruction, Tribunal de première instance Liège ; − Monsieur Jean-Baptiste Andries, avocat général, Parquet général Liège ; − Monsieur Bernard Dewaide, conseiller Chambre des mises en accusation, Cour d’appel Liège ; − Monsieur Pierre Paque, premier substitut procureur du Roi, Tribunal de première instance Liège ; 338 − Monsieur Cédric Lefebvre, avocat au barreau de Bruxelles.

3.1 LES CASUS 3.1.1

Présentation des casus

Le participant A, expose que l’option de départ dans sa recherche de casus est une sélection de dossiers dans lesquels une détention préventive a été effectuée, et le rejet de ceux pour lesquels la détention préventive n’a pas été retenu. Il propose donc deux dossiers dans lesquels il y a eu mandat d’arrêt et en fait une présentation à partir des éléments repris dans le réquisitoire du Ministère Public devant la Chambre des mises en accusation. Le premier dossier concerne un homme, inculpé de vol avec effraction et recel. Il est question de vols en séries commis dans des kots d’étudiants à Namur, sur une période d’au moins un an, et de centaines d’objets volés (gsm, appareil photo,…). Le participant A énumère ensuite les éléments qui justifient pour lui le maintien de la détention préventive: il existe des indices sérieux de culpabilité ; les faits retenus constituent une atteinte à la sécurité publique ; l’inculpé compte douze condamnations correctionnelles 338

Monsieur Marc Nève, avocat au barreau de Liège, n’a finalement pas pu être présent, et il n’y avait pas eu de délégation de la Chambre de conseil de Liège.

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

presque exclusivement pour vol ; la nature des faits, leur caractère lucratif ; la personnalité de l’inculpé telle qu’elle apparaît dans les éléments du dossier mettent en évidence un risque de réitération de faits délictueux en cas de remise en liberté à ce stade de la procédure ; des risques de disparition de preuves et de collusion avec des tiers. Le participant A expose que ce casus lui semble intéressant dans la perspective d’une éventuelle application du bracelet électronique car les faits reprochés sont assez visibles et liés à un déplacement de la personne. Les faits peuvent donc être plus facilement empêchés par un système de bracelet électronique. Quant au choix de la procédure à envisager, d’après ce participant, pour que ce système soit effectivement appliqué dans des cas où une détention préventive aurait été retenue, il faut maintenir la compétence de fixation et de modification des conditions dans le chef du juge d’instruction ou de la juridiction d’instruction. Il lui semble que laisser cette compétence à une autorité extérieure à cette juridiction ne permettra pas de garantir la pertinence des maintiens, modifications et levées des conditions et engendrera un phénomène de net-widening en s’appliquant à des personnes pour qui un mandat d’arrêt n’aurait pas été décerné. Le système strict lui paraît donc préférable. Le participant A évoque les distinctions à faire au sein du système strict, à savoir que l’assignation à résidence présente l’intérêt d’être clair et permet d’éviter tout risque de soustraction à la justice mais le système GPS est le plus évolué et permet d’envisager un contrôle serré. Par contre, selon lui, le système tel qu’il est appliqué actuellement (au niveau d’exécution des peines, que nous avons appelé le ‘modèle traditionnel’) paraît peu adapté à son casus, car il laisse trop de latitude à la structure qui encadre l’exécution de la mesure, sans contrôle par le juge d’instruction. Le second dossier présenté par le participant A veut illustrer un cas qu’il estime ne pas être adapté à l’application du bracelet électronique. Dans ce second cas, la détention préventive a également été décidée. Le dossier concerne un homme, inculpé de viol et d’attentat à la pudeur. Il est le beau-père des victimes. Ce participant énumère ensuite les éléments qui justifient le maintien de la détention préventive : il existe des indices sérieux de culpabilité rassemblés par les déclarations des jeunes filles, les aveux partiels de l’inculpé, des milliers photos à caractère pédo-pornographiques saisies, des photos des plaignantes « qui ne laissent guère de doute quant à la nature des relations que l’inculpé pourrait avoir entretenues avec elles » ; l’inculpé adopte une attitude caractéristique, à savoir la minimisation des dires des victimes et l’affirmation qu’il s’agissait d’amour véritable. Par ailleurs, l’inculpé déclare avoir bénéficié d’une réhabilitation pour des faits de mœurs ; l’expertise psychiatrique décrit un personnage « pervers, manipulateur et dangereux, nécessitant strictement une prise en charge thérapeutique urgente » ; les faits mis à charge de l’inculpé constituent une atteinte à la sécurité publique ; la nature des faits, la longueur de la période infractionnelle, la personnalité de l’inculpé telle qu’elle apparaît sur base des éléments du dossier mettent en évidence un risque de réitération des faits délictueux en cas de remise en liberté à ce stade de la procédure. Pour le participant A, le bracelet électronique ne semble pas du tout adapté à cette situation. Tout d’abord parce que les faits ont eu lieu dans le cercle familial et sous le toit familial. De plus, ajoute-t-il, ils sont totalement indépendants de tout déplacement (usage d’un ordinateur). Quelle que soit la technique retenue, ce participant estime que le

136

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

bracelet électronique ne pourra pas empêcher la réitération des faits. Une autre hypothèse, avance-t-il, serait d’organiser une assignation dans un autre lieu mais cette option n’a jamais été envisagée dans la pratique. Est-ce que ce lieu ne deviendrait-il pas une prison en quelque sorte, se demande-t-il. Le participant B, quant à lui, n’a pas eu l’occasion de préparer des casus particuliers. Cependant il fait part de quelques réflexions. Tout d’abord, en envisageant le recours à la surveillance électronique, il lui semble important de distinguer d’une part la nécessité de l’instruction (risque de déperdition de preuves et risque de collusion avec des tiers) et la volonté d’éviter la récidive, d’autre part. Dans le premier cas, la surveillance électronique lui semble hasardeuse et si un mandat d’arrêt est délivré c’est précisément, dit-il, sous cette condition de nécessité d’instruction. Eviter la récidive est une question qui lui semble être examinée plus tard. Il ajoute que les questions matérielles constituent rapidement un frein à un éventuel choix de placement sous surveillance électronique (matériel à mettre en place, logement stable, présence d’un téléphone, effectivité du suivi,…). Or cette question est fondamentale, dit il, si on veut avoir une mesure efficace de surveillance. Pour le participant B, un autre impératif d’efficacité de la détention préventive est la rapidité de la décision. Les juges ou juridictions d’instruction font parfois le choix de mesures alternatives pratiquement sans enquêtes préalables. Cette absence d’enquête lui paraît totalement inenvisageable dans la mise en place d’une surveillance électronique. De plus, à la lecture du Projet de loi pénitentiaire français, il considère comme fondamentale la hiérarchie qui y est rappelée. Cette gradation se fait à partir du principe de la présomption d’innocence qui préserve la liberté de la personne mise en examen pendant le déroulement de l’information. Or, aux dires du participant B, ce principe ne semble pas être nécessairement considéré prioritairement dans certaines Chambres de mise en accusation belges. Ensuite, peuvent être envisagées les obligations du contrôle judiciaire qui sont comparables aux mesures alternatives en droit belge (mise en liberté sous conditions ou sous caution). Enfin, et si ces obligations s’avèrent insuffisantes les juridictions compétentes peuvent ordonner l’assignation à résidence avec surveillance électronique. Et finalement, ce n’est qu’à titre exceptionnel que peut s’envisager le recours à la détention provisoire [terminologie française]. Le premier cas évoqué par le participant C est un dossier ouvert pour tentative d’assassinat, et face à cette situation le participant C aurait aimé pouvoir recourir à la surveillance électronique sous la forme d’une assignation à résidence. Tout d’abord, argumente-t-il, en raison du profil du prévenu : un homme d’un certain âge, qui n’est pas un criminel, qui subit dans son commerce depuis plusieurs semaines, des tentatives de racket de la part d’un groupe de jeunes. Par ailleurs, cet homme est en très mauvaise santé. Et ensuite en raison des faits : cet homme a réagi impulsivement aux actions des jeunes et a tiré avec une arme dans la cuisse de l’un d’eux. Ce dernier se retrouve à terre. Il semble, nous précise le participant C, que la qualification évoluera sûrement au vu de la destination du projectile. Par ailleurs, le conflit que vit cet homme, semble au participant gérable avec une aide. Le participant C a ordonné une mise en liberté sous conditions et aurait envisagé la surveillance électronique comme complément à la première mesure.

137

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

Le second dossier du participant C concerne également un cas de tentative d’assassinat mais pour celui-ci, la surveillance électronique lui semble inenvisageable. Un ex-époux poignarde à vingt-cinq reprises son ex-épouse. Le participant C estime que la gravité des faits et la volonté évidente d’attenter à la vie rendent la surveillance électronique inenvisageable pendant l’instruction, et même sans doute pour les instances suivantes. Ceci pour la protection de la victime et de son équilibre, pour la protection des enfants présents dans le foyer, mais également pour la protection de l’enquête et la recherche du mobile. Le participant C présente un troisième dossier ouvert sous la même qualification et qui concerne cette fois un jeune homme qui a donné un coup de couteau. Dans ce cas le participant C trouverait intéressant de pouvoir envisager une surveillance électronique après un certain temps de détention. Il lui semble que le laps de temps écoulé aurait permis à un service de médiation d’aborder la victime pour préparer la mise en place d’une éventuelle mesure d’accompagnement du prévenu avec surveillance électronique. Sans casus concret à présenter, le participant D fait part de plusieurs remarques. Il lui semble que, tout d’abord, un prévenu pour deal de stupéfiants ne pourra bénéficier d’une surveillance électronique, étant donné la possibilité de poursuivre l’activité délictueuse à partir de son domicile et notamment grâce à l’usage du téléphone. Ensuite, en faisant référence aux propos du participant A, le participant D estime que dans un premier temps il faut pouvoir passer par la détention préventive. Par ailleurs, il lui semble que la surveillance électronique permet d’éviter la mise en péril professionnel ou social des condamnés à des courtes peines. C’est pourquoi, avant d’envisager la surveillance électronique comme substitutive à la détention préventive, le participant D voudrait que l’usage de cette mesure soit optimisé au niveau de l’application des peines et ce, prioritairement dans les cas d’exécution de courtes peines, « certains condamnés à de courtes peines ne voient pas arriver l’exécution de cette mesure (…), ils finissent par penser à l’impunité ».339 Le participant E ne présente pas des casus spécifiques mais propose de faire part d’un profil de personne pour lequel une surveillance électronique lui semblerait judicieuse. Le participant E viserait des jeunes gens : de 18-22 ans ; domiciliés en Belgique ; primodélinquants ; sans tenir compte de l’éventuel passif auprès des juridictions pour mineurs ; qui sont présentés devant le tribunal des adultes pour des faits comparables à des sacjacking ou arrachages de sac, vols avec effraction ou vols avec violence. Le participant E reconnaît qu’il s’agit de « faits assez forts » mais peu présentés devant lui. Et ajoute-t-il, la participation à une formation ou une activité similaire ne serait pas requise. D’après le participant E, ce profil présente la caractéristique de manquer de « censure », ou de rappel des limites. Pour ce profil, le participant E préconise de commencer par une détention de cinq jours, ce qui lui semble consister une période suffisante pour un rappel de l’autorité. De plus ce délai permettrait l’installation du dispositif. Et de faire succéder

339

Cf. les listes d’attentes pour l’application de la surveillance électronique au regard des personnes avec un total de peines privatives de liberté de trois ans ou moins.

138

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

à ce temps de détention un bracelet électronique, au stade de la première comparution en Chambre du conseil. A ce type de profil, le participant E ajoute un type d’infraction pour lequel il envisagerait une surveillance électronique, à savoir les violences intrafamiliales. Tout en reconnaissant que la question du lieu d’assignation reste un problème. Le participant E ne voit pas vraiment de cas spécifiques pour lesquels une surveillance électronique ne serait pas envisageable, à l’exception des cas les plus graves (inculpation pour assassinat ou meurtre), contrairement à ce que le participant C avait émis comme avis. Cependant, le participant E accepterait d’envisager la surveillance électronique en cas d’assassinat ou meurtre seulement après une période de détention préalable. Il estime qu’il faut garder à l’esprit le rappel social et le message lancé à la population par la libération d’un individu. Le participant F, qui parle également pour le participant G (ces deux participants se sont concertés au préalable ne pouvant participer chacun qu’à une moitié de la journée, le matin pour le participant F et l’après-midi pour le participant G) expose qu’ils ont fait l’exercice de trouver des situations qui se situent en dehors du cadre des mesures alternatives pour qu’à l’occasion de cet exercice la surveillance électronique ne devienne pas une alternative à celles-ci (c-à-d un supplément de contrôle dans des cas où on applique actuellement déjà la mise en liberté sous conditions, sans contrôle technique). Mais ces deux participants ont eu du mal à trouver des situations dans le créneau de la détention « physique ». Les participants F et G ont été sensibles à la question des très jeunes primo-délinquants. Le participant F évoque un premier dossier ouvert pour des faits de bris de vitres et de vols dans des voitures commis par une bande de très jeunes gens. L’enquête a été longue en raison du nombre de faits, un long délai s’est donc écoulé avant que le dossier soit à l’instruction et que les suspects soient sous mandat d’arrêt. C’est un cas pour lequel, sans être absolument favorables, les participants F et G auraient envisagé une libération dans le cadre d’un bracelet électronique, mais le choix du système soulève quelques questions dont le participant F fait part. Dans l’hypothèse d’une assignation à résidence dans l’intérêt de l’enquête et au regard d’un risque de collusion, la communication est-elle réglementée (l’usage du gsm est-il autorisé)? Dans l’hypothèse du système classique, une mise en liberté ne s’envisage-t-elle qu’à partir du moment où les jeunes présentent des éléments concrets de réinsertion ? Dans ce cas quelques heures de libération, conclu-t-il, devraient être organisées pour que les jeunes puissent se rendre dans les lieux où un encadrement ou un aide est prévue en vue d’une réinsertion dans la société. Le second dossier présenté couvre une situation pour laquelle les participants F et G n’auraient jamais envisagé une surveillance électronique. Il s’agit d’un homme pour lequel le juge d’instruction a désigné un expert psychiatre pour déterminer le profil mental. Cet homme a poignardé dans un hôpital un membre du personnel administratif qui se trouvait derrière son guichet. Le participant F expose que dans l’attente du rapport psychiatrique une mise ne liberté dans le cadre du bracelet électronique serait exclue.

139

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

Le participant H débute son intervention en précisant qu’il existe une distinction entre l’usage de la surveillance électronique comme une alternative à la détention préventive ou en tant qu’exécution alternative (donc une modalité d’exécution) de la détention préventive. Il lui semble que la réflexion se place autour de la question des critères de la détention préventive. Il rappelle l’intervention du participant B et souligne que certains critères de la loi de 1990 ne permettent pas d’être rencontrés efficacement par la surveillance électronique et ce dans aucune de ses formes, à savoir les nécessités de l’instruction, les risques de collusion et le risque de disparition des preuves. Il lui semble cependant que quant au danger de fuite que présente une personne qui a de solides attaches en Belgique mais également à l’étranger, une assignation à résidence pourrait s’envisager. Mais il ajoute que dans de nombreux cas, le danger de fuite est présent car les prévenus ne comptent aucune attache ni en Belgique ni ailleurs, dès lors une surveillance électronique ne peut être envisagée pour ceux-ci. Reste le risque de récidive qui, d’après le participant H, peut être rencontré par la surveillance électronique. Il lui semble que la surveillance électronique est à envisager quand elle présente une « réelle valeur ajoutée » par rapport à la détention préventive classique, à savoir quand la personne a une occupation, un travail et que la surveillance électronique garantit la poursuite de cette occupation. Le participant H souligne cependant que le danger de récidive ne peut pas toujours être rencontré efficacement par la surveillance électronique. Il illustre ce dernier point avec le cas d’un pédophile, déjà condamné, qui faisait venir chez lui des mineurs d’âge. Dans ce cas de figure, il lui semble que la surveillance électronique ne suffirait pas à empêcher la réitération des faits. Il ajoute que les situations de violences familiales soulèvent la question du lieu d’assignation autre que le lieu de résidence de la victime. Le participant H évoque les cas pour lesquels il envisagerait également une surveillance électronique et cite en exemple les vols à répétition, « les clients fidèles, fatigués de délinquer ». Il s’agit donc, précise-t-il, de situations plus préoccupantes que celles présentées par les primo-délinquants mais pour lesquelles la surveillance électronique pourrait être une solution, principalement dans les cas où les personnes concernées ont des occupations qui devraient être sauvegardées. Il cite également des cas de harcèlement pour lesquels le système GPS présente des avantages en délimitant un périmètre d’une zone d’interdiction de circulation Le participant I tient tout d’abord à rappeler la distinction entre la détention préventive et le système de la condamnation. Mais également, au sein de la détention préventive, la distinction entre les faits où la sécurité publique exige un placement en détention et les autres faits, si bien, ajoute-t-il, que pour les premiers la surveillance électronique est totalement exclue340. Il s’agit de faits tels que les crimes de sang, les trafics de stupéfiants, les associations de malfaiteurs dans le but de commettre des crimes ou des vols avec violences, soit tous les cas qui, selon la loi sur la détention préventive sont susceptibles d’une peine de réclusion de plus de quinze ans.

340

Cependant, l’article 16, §1 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive indique que la condition préalable au décernement d’un mandat d’arrêt est l’absolue nécessité pour la sécurité publique.

140

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

Quant aux autres cas, le participant I estime qu’il revient au juge d’instruction de motiver si la personne risque de récidiver, risque de se soustraire à la justice, risque d’entretenir une collusion avec des tiers, et/ou risque de provoquer la disparition des preuves. Il estime que le juge d’instruction éprouverait des difficultés, au moment où ce dernier doit prendre une décision de placement sous mandat d’arrêt, d’être directement en mesure d’envisager l’application d’une surveillance électronique. Le participant I rappelle que le juge d’instruction ne dispose que de vingt quatre heures pour prendre sa décision et que dans ce laps de temps celui-ci ne dispose, dans la majorité des cas, d’aucun élément susceptible de le soutenir. D’après le participant I, la surveillance électronique s’envisage alors selon l’évolution du dossier, au moment de la comparution, dans les cinq jours, devant la Chambre du conseil, mais également au moment des comparutions mensuelles à l’occasion desquelles une mise en liberté sous conditions peut être ordonnée. A ce stade, complète-t-il, la surveillance électronique serait éventuellement appliquée comme une condition supplémentaire à celles définies préalablement. Mais cela dépend aussi d’autres paramètres comme les éléments apportés par la défense ou l’évolution de l’enquête. Le participant I se montre favorable à la mise sous surveillance électronique pour des dossiers présentés à la Chambre des mises en accusation, qui sont des renvois devant la Cour d’assises, toujours dans le système de la détention préventive. A ce moment, il est question d’ordonnance de prise de corps341. A ce stade de la procédure, développe-t-il, l’enquête est achevée, les éléments de personnalité sont connus, il lui semble qu’alors se pose éventuellement la question de savoir si en fonction de la comparution possible devant le juge du fond (dans le casus, la Cour d’assises), il n’est pas envisageable d’appliquer la surveillance électronique sur base d’une assignation à résidence (modèle ‘détention à domicile’ ou ‘modèle strict’). Dans ce casus, le délai entre le renvoi et le début du procès est déterminant dans le choix de cette mesure. En effet, ajoute-t-il, « si actuellement [juin 2009], à Bruxelles, quelqu’un est renvoyé devant la Cour d’assises, il ne passera pas avant mai 2010 ». Pour le participant I, lorsque le dossier n’est pas terminé, toujours dans des cas susceptibles d’être renvoyé vers la Cour d’assises et dans le cadre de la détention préventive, une surveillance électronique est exclue. Lorsque le dossier est terminé, une surveillance électronique est envisageable au moment où le règlement de la procédure s’effectue devant la chambre des mises en accusation, ou si l’accusé dépose une requête de mise en liberté. Quant aux autres cas, le participant I rappelle qu’il ne faut pas perdre de vue les nécessités de l’instruction et de l’enquête. En général les enquêtes, par exemple pour des faits de trafic de stupéfiants, se poursuivent sur des écoutes téléphoniques, en vue de mettre à jour la structure existante autour du trafic en question. Une surveillance électronique ne permettrait pas un contrôle sur tous les déplacements de la personne concernée, sur l’ensemble de ses contacts avec notamment des personnes qui ne sont pas 341

Quand un accusé est renvoyé devant la Cour d’assises, une ordonnance de prise de corps est généralement décernée de sorte que l’accusé reste en prison le temps de l’ouverture de son procès. Il peut toutefois également se produire que – quand l’accusé a été mis en liberté avant son procès – une ordonnance de prise de corps soit tout de même délivrée juste avant le procès. L’accusé est alors invité à se présenter lui-même à la prison sous peine d’être arrêté. L’accusé comparait donc en principe détenu devant la Cour d’assises. L’accusé peut demander à être mis en liberté provisoire pour l’une ou l’autre raison (ex. l’état de santé).

141

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

encore interpellées ni interrogées, ni sur les éventuelles pressions qui pourraient être exercées sur les témoins. En avançant l’hypothèse de la technique GPS, le participant I émet une objection en faisant remarquer qu’elle pourrait être utilisée comme une méthode particulière de recherche avec une procédure particulière. Il lui semble que cela présenterait l’intérêt d’observer les déplacements de la personne mais c’est une démarche attachée à l’enquête et user de la surveillance électronique à cette fin ferait disparaître les objectifs d’une surveillance électronique comme alternative à la détention préventive. Les seuls cas, pour lesquels une surveillance électronique lui semblerait possible sont les cas où la personne est susceptible d’être libérée sous conditions, la surveillance électronique y serait une condition supplémentaire. Cela pourrait viser des faits de harcèlement (art 442bis du Code pénal342, mais pas harcèlement téléphonique). Si une personne n’est pas susceptible d’être libérée sous conditions, à son sens une surveillance électronique n’est pas souhaitable. Il insiste sur le fait qu’il ne faut pas perdre de vue une autre condition impérative en matière de détention préventive, à savoir la nécessité que l’inculpé comparaisse devant ses juges et donc ne se soustraie pas à la justice. Le participant I conclu en rapportant que cet avis est partagé par ses collègues faisant partie de la même instance. Le participant J énonce qu’une surveillance électronique peut être envisagée pour autant que la personne concernée se trouve dans les conditions requises pour pouvoir bénéficier d’une mise en liberté sous conditions, soit les mesures alternatives à la détention préventive classiques. Le participant J dit ne pas être un grand partisan des mesures alternatives, car il dit chercher avant tout l’efficacité des mesures alternatives, « je pense qu’il ne faut pas établir une espèce d’inventaire des faits ou des inculpations dans lesquels on pourrait recourir à une surveillance électronique, tout ça doit se faire au cas par cas, comparaison n’est pas raison » (cf. aussi participant E, par. 3.1.2 – Envisager une surveillance électronique). Etablir des conditions sans avoir connaissance exactement de la mesure dans laquelle leur respect sera contrôlé : «c’est ce qui me retiens ou ce qui me heurte lorsque je suis confronté à des ordonnance de mise en liberté sous conditions par la chambre du conseil». Mais il reverrait ses positions dès lors que l’efficacité du contrôle des mesures alternatives à la détention préventive et éventuellement à la surveillance électronique, serait optimisée. Il lui semble impératif que cette efficacité soit renforcée en amont et en aval. Il présente l’absence de rapport d’enquête social comme un obstacle à l’évaluation de l’efficacité potentielle de pareille mesure. Le participant J suggère en réponse que les magistrats instructeurs et les juridictions d’instruction s’accordent le temps de prescrire les enquêtes psychiatriques, ou autres, qu’ils estiment utiles à l’évaluation des chances de réussite de la mises sous surveillance électronique. Il rappelle l’absence de contrôle de la crédibilité des pièces déposées en Chambre du conseil ou en Chambre des mises en accusation par la défense. Or son expérience lui 342

Art. 442bis : « Quiconque aura harcelé une personne alors qu'il savait ou aurait dû savoir qu'il affecterait gravement par ce comportement la tranquillité de la personne visée, sera puni d'une peine d'emprisonnement de quinze jours à deux ans et d'une amende de cinquante francs à trois cents francs, ou de l'une de ces peines seulement. Le délit prévu par le présent article ne pourra être poursuivi que sur la plainte de la personne qui se prétend harcelée. »

142

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

enseigne que, dans certains cas, ces pièces sont falsifiées. Par ailleurs, il semble au participant J qu’il faut renforcer le respect des conditions en appliquant davantage l’article 28 de la loi sur détention préventive. Cet article permet, en cas de non respect des conditions de délivrer un nouveau mandat d’arrêt et le participant J regrette sa sousutilisation. La motivation, ajoute-t-il, laisse aussi parfois à désirer. Le participant J attire également l’attention sur les besoins techniques et humains qui seront indispensables au développement de la surveillance électronique. Il évoque le manque d’effectif dont souffrent les maisons de justice à Bruxelles. Il s’interroge sur l’efficacité d’une surveillance électronique en l’absence d’assistants de justice pour effectuer le contrôle des obligations, et pour mettre en œuvre les sanctions en cas de non respect : « il faut des garanties d’efficacité ». Le participant K explique avoir mené sa réflexion à partir des conditions fixées par la loi sur la détention préventive. Il en vient à penser que la surveillance électronique ne sera pas un remède contre le risque de soustraction à la justice, ni contre celui de la collusion ou de la disparition de preuves. Il lui semble que le seul critère à partir duquel une mise sous surveillance électronique pourrait être envisagée est le risque de récidive. C’est de cette façon que le participant K a sélectionné ses casus. Il lui semble que les matières de moeurs (attentat à la pudeur, viol) ne se prêtent pas à une mesure de type surveillance électronique, même avec la technique GPS, car au sens de ce participant, le contrôle se limite aux déplacements du prévenu et non à ses actions. Le participant K envisagerait la surveillance électronique dans des cas de tentatives de meurtre, comme le participant C, et par ailleurs également pour des faits commis par des membres de bandes urbaines. Il prend l’exemple d’un jeune en formation à Bruxelles, qui s’est laissé entraîner par une bande, mais qui n’habite pas à Bruxelles. Ce jeune est en détention préventive depuis plus de 6 mois, il va perdre sa formation cette année, les faits sont très graves. La situation est confuse, il n’y a pas vraiment d’avancées de l’enquête, et la tendance est de ne pas libérer le prévenu. Si les conditions de reprendre la formation, et de ne pas revenir à Bruxelles pouvaient être vérifiées avec une surveillance électronique, il envisagerait cette mesure. Le participant K précise donc que la surveillance électronique viendrait à l’appui de conditions émises pas le juge d’instruction ou une juridiction d’instruction. Par contre, pour le participant K, la surveillance électronique serait non opérante, par exemple, en tant que condition du contrôle du suivi psychiatrique car l’attestation du professionnel suffit. 3.1.2

Discussions sur les casus

Envisager une surveillance électronique Le participant A rejoint l’analyse des participants I et B, quant aux critères légaux de la détention préventive, autour de l’hypothèse de l’absolue nécessité pour la sécurité publique comme critère unique et suffisant à exclure la possibilité d’une surveillance 143

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

électronique. Considérer cette hypothèse en écartant les autres critères légaux (récidive, collusion, disparition de preuve, soustraction à la justice), revient, poursuit-il, [à écarter la possibilité d’une surveillance électronique] dans les cas où l’intéressé encourt une peine de plus de 15 ans. Il rappelle que dans ces cas, il n’est pas nécessaire de motiver sur un de ces quatre critères mais uniquement sur la nécessité absolue pour la sécurité publique. Il constate cependant que cette nécessité résulte de l’existence d’un risque pour ces quatre autres critères. Par ailleurs, en écartant ces quatre hypothèses, il met en évidence que seul un élément demeure pour fonder la nécessité absolue pour la sécurité publique. Il précise que cet élément a par ailleurs été approuvé par la Cour de cassation : « en faisant référence à une espèce de conscience sociale », peut être retenu le caractère « heurtant » pour la société de voir une personne, à l’égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité pour des faits très graves, bénéficier d’une liberté. Dans cette hypothèse, le participant A estime que la surveillance électronique ne semble pas indiquée. Il reprend le cas de l’enlèvement et du meurtre d’enfants [anonymat par nous] pour lequel se pose la question de savoir si l’épouse de l’inculpé, en dehors de sa relation avec son mari, présentait les risques de récidive, de collusion, de disparition des preuves ou de soustraction à l’action de la justice. Il lui semble que non mais qu’il restait toujours la nécessité absolue pour la sécurité publique. Il pense qu’une libération avec surveillance électronique n’aurait pas pu être envisagée en raison de l’émoi que la mesure aurait causé. Celui-ci aurait été tout aussi important que si la personne concernée avait bénéficié d’une libération sous conditions. Même s’il partage l’avis qu’il n’est pas pertinent de dresser un listing d’infractions343 (cf. aussi participant J, par. 3.1.1), le participant E pense tout de même qu’il exclurait les cas psychiatriques (cf. aussi participant F, par. 3.1.1) ou relatifs aux mœurs de toutes possibilités de mises sous surveillance électronique. Le participant A expose l’idée selon laquelle, pour lui, une surveillance électronique ne peut s’envisager qu’au regard des critères légaux. Il rejoint le participant B, en suggérant que le risque de récidive est l’hypothèse qui doit être creusée, car il lui semble que c’est à cet endroit qu’il y a potentiellement le plus matière à une mise sous surveillance électronique. Tout en insistant sur le fait que le juge d’instruction doit avoir des égards pour chaque situation particulière et notamment pour chaque type de fait. En effet, il a déjà évoqué que pour certains types de faits le risque de récidive lui-même est insensible à la surveillance électronique. Il rejoint par ailleurs le participant E sur son hypothèse de profil (primo-délinquant inculpé pour vol avec violence) pour lequel une surveillance électronique aurait une action sur le risque de récidive. Quant aux trois autres risques, le participant A reste perplexe. Il considère que la surveillance électronique est inopérante contre le risque de collusion et faible contre le risque de disparition de preuve. Quant au risque de soustraction à la justice, il propose une distinction entre les personnes qui ont 343

Cf. dans le même ordre d’idées la recherche sur l’introduction de la surveillance électronique comme peine autonome: F. Goossens, E. Maes, S. Deltenre, Ch. Vanneste (promotor), Onderzoek met betrekking tot het invoeren van het elektronisch toezicht als autonome straf (onderzoeksrapport, nr. 14), Bruxelles, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, octobre 2005, 204 p. + annexes.

144

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

les moyens d’organiser une fuite efficace et durable hors du territoire belge et ceux qui ne les ont pas. La surveillance électronique pourra être efficace uniquement au regard de la seconde catégorie de personnes qui présente ce risque. Il fait sur ce point un parallèle avec la mise en liberté sous caution et la distinction entre ceux qui ont les moyens de la supporter et ceux qui ne les ont pas. Pour le participant D, quand l’instruction se prolonge les risques de collusion ou de disparition de preuve faiblissent. A son sens, la surveillance électronique est envisageable quand la sécurité publique et le risque de récidive continuent à justifier une détention préventive. Pour le participant F, le bracelet électronique ne peut être envisagé que quand les risques se limitent à la récidive. Cependant, le participant E note que, envisager une surveillance électronique dans cette perspective, en termes de zones d’interdiction, présente des avantages « dans les cas où on veut interdire le territoire de Matonge ou Bruxelles c’est utile » mais aussi le risque de voir les autorités des zones limitrophes se manifester contre ce type de mesure, car elles se verraient imposer de gérer et de contenir des individus. Risque « d’une levée de bouclier des flamands ». Pour le participant C, le seul cas où une surveillance électronique est certainement indiquée, est celui des personnes se trouvant dans un état de santé déplorable pour lesquelles la détention préventive se justifierait. Cependant, cette mesure n’apporterait pas la sécurité au juge que la personne survive à l’instruction. Le participant D estime qu’une surveillance électronique pourrait également s’envisager dans les cas d’une commission rogatoire internationale en cours344. Le participant A est interpellé par l’hypothèse de la prise de corps ou du recours au bracelet électronique en cas de renvoi devant la Cour d’assises pour pallier au retard de fixation. Cette idée lui paraît intéressante, le participant D est également favorable à envisager cette hypothèse. Mais pour le participant A se pose une autre question : « étant donné que toute mesure favorable n’est révocable que moyennant des raisons postérieures, est-ce ce même raisonnement qui prévaut en cas de prise de corps », faut-il donc permettre aux inculpés de comparaître devant les juridictions d’assises sous bracelet électronique. Mais, précise-t-il, il faudrait dans ce cas envisager des délais de début et de fin. Par exemple le port du bracelet électronique commencerait après son renvoi et finirait en vue d’une réintégration en maison d’arrêt avant le procès. Il fait référence ici au principe légal de prise de corps qui ne prévoit pas la libération de l’accusé pendant son procès. Le participant B revient également sur cette hypothèse et se demande pourquoi la surveillance électronique ne pourrait pas être envisagée déjà avant ce renvoi. A partir de l’exemple classique du renvoi devant la Cour d’assises de l’homme qui tue sa femme, le risque que cet homme tue quelqu’un d’autre avant son procès est, d’après lui, tout à fait limité. Dès lors, il questionne la différence de risque entre l’appréciation au moment où cet homme est renvoyé et le moment où il est en détention préventive. Le participant B ne ferait pas du renvoi la condition pour envisager la surveillance électronique.

344

Nous comprenons que le participant fait référence à une situation dans laquelle un magistrat belge délivre un mandat d’arrêt à un prévenu étranger tandis qu’il mandate des agents nationaux pour exécuter des devoirs d’enquête dans le pays d’origine du prévenu.

145

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

La nécessité d’assurer la fiabilité de la surveillance électronique345 Le participant A fait part d’une décision judiciaire, qui relate une situation de bris de bracelet par un condamné, et du hold-up que ce dernier a commis ensuite. D’après lui, la fiabilité du système peut également être soumise à question car c’est bien celle-ci qui va conditionner la pertinence de la mise en œuvre de ce dispositif. Les participants associent fiabilité du système et moyens mis à disposition pour mettre en œuvre le système. Ils partagent l’avis que si les moyens techniques et humains ne sont pas disponibles pour une application immédiate de la décision du juge d’instruction, il est inutile de prévoir cette mesure. Sont relancées la question du délai de mise en place du dispositif et la question du service qui sera mobilisé dans ce cadre. Pour le participant C, la surveillance électronique peut aider le juge d’instruction à condition qu’il y ait un service attaché à l’instruction, et une succession efficace des différentes phases : l’individu est placé en cellule le temps de la mise en œuvre dans le délai de 24h ou 48h346 ; la comparution devant le juge d’instruction ; la pose du bracelet. De cette façon : « [l’inculpé] sait qu’une enquête est en cours et qu’il doit se tenir à carreau ». Ce service doit permettre une réponse rapide et pratique au risque d’encourir des dysfonctionnements : « ils vont encore nous marcher sur nos pieds, comme ils le font tout le temps. Les gens que nous rencontrons, sauf exception, n’ont pas le même rapport à la norme que nous (…) tant qu’ils n’ont pas senti la sanction il n’y en a pas eu (…) Il ne faut pas que la détention préventive soit une sanction mais soit une constatation qu’on s’en occupe et qu’ils ne peuvent plus, éventuellement puisqu’ils sont innocents, recommencer ». Le participant A rappelle qu’au niveau de l’application des peines, en absence de bracelet électronique, on libère dans l’attente de l’application de la mesure, « et ça devient un alibi à la non exécution des peines d’emprisonnement ». D’après le participant C, la détention préventive peut aussi être une catastrophe, et il cite l’exemple d’un jeune primo-délinquant qui, après dix jours de détention préventive est « mûr » pour sortir mais il n’a pas de lieu d’accueil. Il est toujours terrorisé par la prison et une surveillance électronique bien encadrée serait pertinente : « parce que huit semaines après il aura pris ses marques dans la prison ». Le participant E rappelle que la question des moyens est lourde de conséquences : « parfois après un an les mesures alternatives n’ont pas encore commencé ». Le participant C d’ajouter : « On a pas les moyens d’appliquer les textes ». Des sentiments mitigés Pour le participant K, la mise sous surveillance électronique semble intéressante dans le principe mais dans son application il craint qu’elle ne remplace pas la détention préventive mais bien les mises en liberté sous conditions (c.à.d. la surveillance 345

Voyez aussi les discussions sur les casus. Le participant fait référence à la note de politique générale 2008 du ministre de la justice qui propose d’analyser la possibilité et l’intérêt de prolonger le délai d’arrestation judiciaire de 24h à 48h. Le délai de 48h permettrait aux juges d’instruction de disposer de plus d’informations sur le prévenu, il serait donc à même de décider « avec plus de précision » de la nécessité d’une mise en détention préventive ou d’une mise en liberté sous conditions. Cette possibilité est envisagée en vue d’optimiser l’usage de ces deux mesures. Doc. Parl., Chambre, 2008-2009, n° 1529/016. 346

146

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

électronique serait utilisée comme un moyen technique pour pouvoir mieux contrôler les mises en liberté sous conditions actuellement ordonnées). Le participant A perçoit dans les propos du participant J que la surveillance électronique ne peut être envisagée que comme une extension du filet pénal, car ce dispositif servirait à renforcer le contrôle dans l’hypothèse où l’intéressé est dans les conditions d’une mise en liberté sous conditions. Il replace l’initiative dans un contexte de mesure de la population carcérale où 40% de celle-ci sont alimentés par la détention préventive. Il estime qu’il faut remédier à cette situation. Pour le participant B, si le but est de diminuer le nombre de mandats d’arrêt et la durée de la détention préventive, l’introduction du bracelet électronique n’est sans doute pas, à son sens, la meilleure piste. Le participant A rappelle, par ailleurs, que des problèmes existent autour de la mise en liberté sous conditions : quant au choix des détenus qui en bénéficient, quant à l’absence du contrôle du respect des conditions. Le participant J commente le fait que les prévenus qui passent devant la Chambre des mises en accusation ou la Chambre du conseil « sont prêts à tout pour sortir et vont proposer des conditions tout azimut ». Le participant A achève d’énumérer les limites de la mise en liberté sous conditions par le constat d’une absence de réaction par rapport au non respect des conditions. Il insiste sur ce point : « la libération sous conditions est un peu un pansement sur la conscience d’une libération pure et simple mais qui est rarement satisfaisante ». Il s’agit, selon lui, de trois raisons qui témoignent d’une mauvaise application de la mesure. D’après lui, cela serait intéressant que la surveillance électronique puisse occuper ce créneau. Le participant J se demande par contre s’il ne faudrait pas commencer par renforcer l’arsenal des mesures alternatives avant d’envisager autre chose. « Donnons les moyens au juge d’instruction ». Il lui semble que le parquet à Bruxelles ne demande pas souvent des mesures alternatives, les renforcer, dit-il, les inciteraient à les solliciter et cela, pense-t-il, réduirait le nombre de mandat d’arrêt. Pour le participant K, les difficultés de mise en œuvre pratique sont inquiétantes au vu des difficultés observées au niveau de l’exécution des peines. La surveillance électronique devient une période test avant la libération conditionnelle, avec entre autres pour conséquence que cette dernière est de plus en plus retardée. Le participant C manifeste son inquiétude : « donc parler d’une réforme alors que ça ne fonctionne pas très bien à l’exécution des peines… ». Le participant I dit ignorer comment fonctionne la surveillance électronique dans le cadre de l’application des peines, mais lui aussi sait que des problèmes d’efficacité sont déplorés. Or dans le cadre de cette mesure d’instruction, il lui semble que les garanties doivent être davantage assises. C’est pourquoi, à l’heure actuelle il reste également sceptique. Le participant E attendrait volontiers, quant à lui, de pouvoir consulter les budgets débloqués par le ministre de la justice pour les mesures qu’il envisage, il considère que « c’est un piège à cons ».

147

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

3.2 DISCUSSIONS AUTOUR DE CERTAINS THÉMATIQUES D’OPÉRATIONALISATION PRATIQUE ET JURIDIQUE 3.2.1

Information

Les participants s’accordent pour reconnaître le caractère indispensable d’une information préalable à tout éventuel recours à la surveillance électronique, que celle-ci éclaire la personnalité du prévenu susceptible de faire l’objet de cette mesure ou que celle-ci se rapporte aux conditions pratiques qui devraient être rassemblées pour la mise en œuvre de cette mesure. Pour le participant C, une enquête dans le milieu familial par le service de police serait suffisante. Il lui semble que les enquêtes sociales restreintes actuellement menées par les services de police sont satisfaisantes et que le policier de quartier présente l’avantage de connaître éventuellement les habitants et donc potentiellement l’éventuel prévenu. Ce participant souligne que cette information devra pouvoir être fournie vingt-quatre heures sur vingt-quatre, que le service attaché à cette tâche devra donc être mobilisable et disponible : « il faut un service qui fonctionne ». Le participant I soutient également qu’un minimum d’information est nécessaire et que celle-ci ne devra pas être limitée à l’application de la surveillance électronique dans ses dimensions techniques, ni à l’enquête sur les faits et le procès verbal initial. Il estime que cette information devra également être alimentée par une enquête sociale ou une enquête de personnalité. Le contenu du casier judiciaire, soit savoir si l’intéressé a fait l’objet de mesures précédentes et s’il les a respectées le cas échéant, lui semble être un élément incontournable pour la prise de décision : « avant de pouvoir envisager cette mesure il faut avoir un certain nombre d’éléments ayant trait à la personnalité de l’intéressé qui permettent de cerner la personnalité et de prévoir une libération ». Ce participant insiste sur ce point car, de son expérience, le casier judiciaire, n’est pas toujours disponible rapidement. Le participant D rappelle qu’en matière de tribunal d’application des peines, l’arrêté royal du 16 juillet 2008 précise que le dossier du directeur de prison doit contenir un rapport contenant au moins les conditions matérielles dans lesquelles la surveillance électronique sera exécutée et l’accord des personnes majeures résidant dans le lieu où s’exécutera la surveillance électronique. Il se souvient de cas pour lesquels une surveillance électronique n’a pu être envisagée parce qu’un de ces éléments n’avait pas pu être rassemblé : « il y a des lieux qui ne sont pas conformes à une surveillance électronique, ou des personnes cohabitantes sont susceptibles de refuser de courir le risque que des policiers débarquent pour vérifier par exemple si une alerte est justifiée ». 3.2.2

Accord

C’est avec cette seconde thématique qu’apparaissent les premières divergences. Les participants émettent des avis distincts quant à la nécessité, la pertinence voir la légitimité de recueillir un accord. Ces tensions existent tant sur la question de l’accord de l’inculpé

148

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

que sur la question de l’accord du cohabitant majeur. Elles révèlent notamment la coexistence de différents régimes sous lesquels la surveillance électronique pourrait être envisagée. De l’inculpé Pour le participant H, l’accord de l’inculpé est nécessaire « pour que la mesure soit constructive », contrairement à un autre participant pour qui : « En matière de détention préventive il ne peut pas y avoir de choix ». Le participant D évoque qu’en matière de tribunal d’application des peines, pour les courtes peines exécutées sous surveillance électronique, l’accord du condamné ou sa préférence ne fait pas l’objet d’une question. De son expérience le condamné sort en attendant que le bracelet électronique soit disponible : « c’est comme ça que ça se passe il n’y a pas de choix ». Le participant J ajoute que dans les mesures alternatives à la détention (préventive) l’accord de l’inculpé n’est pas nécessaire sauf dans le cas du suivi psychologique. Il est cependant favorable à l’accord de l’intéressé en termes de condition de plus grande efficacité. Le participant H argumente par ailleurs que l’accord est à mettre en lien avec la question du respect de la vie privée qui se pose pour les autres cohabitants « car avec cette mesure on empiète sur leur vie privée également ». Cette remarque ne remporte pas l’adhésion de tous les participants. Le participant A estime quant à lui que: « l’individu sous surveillance électronique a plus de vie privée que celui qui est en prison ». Du cohabitant Le participant D a déjà évoqué le refus possible du cohabitant en raison des troubles que pourraient entraîner le contrôle de la surveillance électronique sous laquelle est mis le prévenu qui partage son toit (interventions impromptues des services de police en cas d’alerte,…), c’est pourquoi il estime nécessaire de recueillir son accord. Le participant C estime également que cette formalité est fondamentale, en raison de la contrainte qui sera imposée au cohabitant majeur : « elle a son détenu à domicile cette personne ». C’est également l’avis du participant E qui considère que lorsque l’inculpé n’occupe pas son domicile seul, l’accord du cohabitant est requis. Le participant A reconnaît qu’une mise sous surveillance électronique constitue une contrainte mais pour lui c’est un dispositif « qui n’a pas d’incidence, qui n’a rien à voir avec la vie privée ». Selon lui, la contrainte existera certainement au niveau de la vie conjugale : « je ne serai pas étonné qu’on retrouve après des dossiers de violence conjugale dans des circonstances pareilles ». Le participant J adopte une autre position : « si c’est la conception d’une mesure alternative je vous dirais que je n’en ai rien à faire de l’accord du cohabitant majeur. C’est quand même une faveur qu’on fait à la personne qui va bénéficier d’une surveillance électronique ». En s’interrogeant sur ce que justifierait l’accord du

149

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

cohabitant majeur, il poursuit : « ou alors c’est que ça va très mal dans son couple (…) si on disait à mon épouse vous avez le choix entre la maison et la prison, moi je préfèrerais qu’elle reste à la maison ». Le participant H comprend l’hésitation sur la question de l’accord du conjoint mais se pose davantage de questions face à la situation que pourraient connaître des parents qui ne désirent pas nécessairement que leur enfant, indépendamment de sa mise sous surveillance électronique, reste à la maison. En envisageant le même cas de figure, le participant E estime que l’avis des parents est indispensable et que cette prise de contact permettra par ailleurs au juge d’instruction d’avoir accès à une série d’informations relatives à la position éducative des parents, dont celui-ci devra tenir compte dans sa décision d’envisager ou pas une mise sous surveillance électronique. Le participant H évoque l’option d’envisager un autre domicile comme éventuelle piste de solution mais il lui semble qu’elle présente également des limites si, par exemple, le prévenu ne bénéficie pas de ressources. Face à ce type de difficultés, le participant J reprend qu’il ne faut envisager une surveillance électronique que quand les conditions sont réunies, cela éviterait un hiatus. C’est également l’avis d’un autre participant : « les décisions ne doivent pas nécessairement se prendre au début du dossier ». Cette discussion laisse entrevoir qu’il n’est pas simple de concilier les points de vue. Pour le participant A, soit la surveillance électronique est une des conditions alternatives à la détention préventive qui vise uniquement le contrôle du respect de certaines conditions, soit c’est un mode d’exécution du mandat d’arrêt, et il est alors question, pour lui, d’une situation plus contraignante, mise en place pour veiller à toute une série de risques et dont la bonne suite dépendrait du bon vouloir de personnes tierces (enfants, conjoint, proprio) :« Il s’agit là d’une difficulté importante dont les solutions semblent peu évidentes ». 3.2.3

Délai

Sous cette thématique, se profilent deux moments distincts. Tout d’abord celui du choix de la mesure, ensuite celui du délai de sa mise en œuvre. Alors que la décision de mise sous surveillance électronique pourrait succéder à un temps de détention préventive, la mise en oeuvre ne peut souffrir aucun délai. Quant à la mise en œuvre opérationnelle, les intervenants s’accordent sur le point qu’il est indispensable, pour la pertinence de cette mesure, que les moyens soient dégagés proportionnellement aux ressources matérielles et humaines qu’elle exige. Le participant I poursuit en se mettant dans la perspective du mandat d’arrêt et en déduit qu’« un délai entre la décision d’ordonner une surveillance électronique et la mise en liberté est inenvisageable ». Les intervenants évoquent différents éléments susceptibles de créer un délai entre la décision de mise sous surveillance électronique et sa mise en œuvre effective. Le participant E et d’autres insistent plusieurs fois tout au long de cette discussion sur la nécessité que le matériel soit disponible sans délai. Le participant E précise que c’est une condition incontournable « Sinon c’est contre productif et ce n’est pas prendre au sérieux la leçon ou la sanction que l’on inflige à quelqu’un, et lui devrait 150

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

prendre ça au sérieux ». Le participant C évoque, pour sa part, l’étape de récolte d’informations et imagine qu’une répartition de cette tâche s’organisera de fait entre les avocats et les juges d’instruction. Les premiers auront probablement comme objectif d’obtenir une mise sous surveillance électronique dans le cadre de la défense des intérêts de leur client, les seconds envisageront éventuellement cette mesure en fonction de l’évolution de leur instruction. Le participant D souligne que c’est notamment ces questions liées à la mise en œuvre de cette mesure qui rend indispensable un délai de prise de décision, afin par exemple que l’équipe technique puisse procéder à l’installation des différents appareils. Pour le participant D la mise sous surveillance électronique comme alternative à la détention préventive ne doit pas s’appliquer d’emblée car l’enquête préalable doit aussi être prise en compte. Le participant J insiste sur le fait qu’« un délai suffisant pour faire le choix d’une mesure, c’est différent d’attendre des informations complètes ». Il fait une comparaison avec la procédure d’urgence de la mise en observation 347 , en vue de rassembler des informations quant au choix d’une alternative à la mise en observation. De l’avis du participant C, le délai de 24h est trop court pas rassembler des pièces crédibles et suffisantes. Pour le participant B, l’augmentation du délai de 24h à 48h aurait certainement pour conséquence de diminuer le nombre de mandat d’arrêt, car cette prolongation permettrait aux enquêteurs de présenter des informations davantage complètes au juge d’instruction. Celui-ci serait donc plus à même de faire éventuellement le choix du bracelet électronique. Le participant E pense par contre que même avec un délai de 48h le détenu sera présenté en dernière minute. Il préfère le principe d’une détention préventive pendant cinq jours avant d’envisager la surveillance électronique. Pour le participant K également, le délai doit rester 24h au risque que l’inculpé soit amené en dernière minute348. Par ailleurs, le participant C se demande si une augmentation du délai n’implique pas un changement d’acteurs, et s’il peut être envisagé une intervention des chambres du contrôle de l’instruction, soit la Chambre du conseil. Le participant C approuve le principe issu de la réforme (de la loi sur la détention préventive en 2005) quant à la possibilité de libérer l’inculpé à tout moment de l’instruction. Mais l’application de ce principe soulève à son sens des questions relatives au contrôle des conditions, car, comme le soulignait le participant J, il ajoute que les mises en liberté sous conditions ne sont plus vérifiées « on va souvent à l’échec ». Le participant C ajoute : « J’essaie d’avoir des suivis médicaux et psychologiques, je mets parfois des conditions qui font rire mes collègues parce que je demande au détenu d’aller faire du sport », condition posée précise-t-il, en vue de mettre d’autres objectifs, des pistes de socialisation, sans contrôle.

347

Article 9 de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux, qui prévoit que le procureur du roi peut procéder immédiatement à une restriction de liberté de l’individu pour lequel la mesure de protection est sollicitée. Le procureur du Roi dispose alors de 24h pour adresser une requête au juge de paix afin que ce dernier procède à la poursuite de la procédure ordinaire. 348 Sur ce point, voyez également : P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, maart 2005, p. 83-86.

151

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

Le problème profond pour le participant E est la question de savoir quel service effectuera les tâches d’enquête utiles au juge d’instruction : « est-ce que la police est performante, est-ce que la réforme de police a été un succès ? Ils ne peuvent plus faire d’heures supplémentaires, donc il manque une force de travail en matière de police judiciaire ». Le participant J ajoute qu’il faudrait un service social adjoint à l’instruction qui apporte des solutions tangibles (cf. aussi par. 3.2.1). Les chercheurs relancent la discussion en soumettant à la réflexion l’hypothèse d’un mandat d’arrêt spécifique à la surveillance électronique (mandat d’arrêt avec indication surveillance électronique) en ce compris que l’autorité judiciaire estimerait a priori qu’une surveillance électronique est envisageable mais qu’elle choisit d’examiner dans quelles conditions et selon quelles modalités concrètes une telle surveillance électronique serait possible au cours d’une période initiale de détention préventive349. Le participant I réagit en marquant son opposition à mettre en place un mandat d’arrêt spécifique : « Gardons la terminologie ‘mandat d’arrêt’ pour les gens qui exécutent leur détention préventive à la prison et si on envisage autre chose à ce moment là ce sera un nouveau formulaire ‘assignation à résidence avec surveillance électronique’, mais non pas une division du mandat d’arrêt avec une exécution d’un côté et un exécution de l’autre ». Après avoir débuté son commentaire également par l’objection « qu’il ne peut y avoir qu’un mandat d’arrêt», et considéré qu’ « il y a peu d’intérêt à envisager dans un mandat d’arrêt une modalité dont le choix dépend des informations qui ne sont pas encore rassemblées », finit par envisager que « si les conditions de bonne exécution d’une surveillance électronique sont réunies au jour du mandat d’arrêt, pourquoi ne pas l’inclure dans le mandat d’arrêt. Il sera donc question d’un mandat d’arrêt qui s’exécute à la maison », ce qui distinguerait, ajoute-t-il, la mise sous surveillance électronique d’une mise en liberté sous conditions. Le participant E évoque une pratique similaire en matière de santé mentale et fait un parallèle avec des mandats d’arrêt exécutables au Centre hospitalier Jean Titeca350. Le participant J poursuit ce cheminement et fait part qu’il a eu l’occasion d’observer une pratique comparable près d’un juge d’instruction. Ce dernier ajoutait parfois des indications à ses mandats d’arrêt du type « attendu qu’en l’état actuel des choses il ne nous est pas possible de trouver des mesures alternatives à la détention préventive,… ». Cette indication, explique le participant J, se lit alors comme un signal que le juge d’instruction a hésité à placer sous mandat d’arrêt et que si des éléments concrets venaient à sa connaissance, il serait prêt à suivre cette voie. Cependant il se dit « contre la surveillance électronique à domicile en lieu et place de la prison ». Le 349

Cf. la procédure appliquée dans le cadre (d’un experiment) aux Pays-Bas (voir Chapitre 2, Section I, par. 2.2.3). 350 La Justice belge dispose depuis le 9 avril 1930 de la loi de défense sociale édictée à l’égard «des anormaux et délinquants d’habitude». Particularité louable: cette loi a le mérite de continuer à reconnaître l’irresponsabilité pénale de certains malades mentaux, mais en substituant maintenant, à l’emprisonnement pénal ou à une libération immédiate, une mesure de sécurité accompagnée de possibilités thérapeutiques. Elle prévoit en outre, dès sa rédaction initiale que l’interné sera soumis au traitement scientifique que requiert son état. L’article 1 de cette loi définit: « Lorsqu’il existe des raisons de croire que l’inculpé est soit en état de démence, soit dans un état grave de déséquilibre mental ou de débilité mentale, le rendant incapable du contrôle de ses actions, les juridictions d’instruction peuvent, dans les cas où la loi autorise la détention préventive, décerner mandat d’arrêt en vue de le placer en observation. » http://www.revueobservatoire.be/parutions/21/DenysD21.htm

152

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

participant I revient sur le point qu’il ne peut y avoir qu’un mandat d’arrêt exécutoire à la prison et si la surveillance électronique est envisagée, elle s’inscrit [juridiquement] alors dans le cadre de la mise en liberté sous la conditions de la surveillance électronique : « même si celle-ci s’exécute à domicile sous une assignation à résidence » 351 . Cette position est partagée par le participant G. Pour terminer, le participant D rappelle que, comme cela a été mis en évidence plus tôt lors de cette rencontre, les participants envisagent la mise sous surveillance électronique principalement comme une mesure alternative à la détention préventive [un moyen supplémentaire de contrôle dans le cadre des mises en liberté sous conditions, qui sont actuellement accordées], et ceci quand il y a déjà eu détention préventive et/ou dans certaines circonstances dans lesquelles il existe des garanties contre les différents risques (collusion,…). Le participant D conclut qu’il serait donc question d’une mesure qui interviendrait après un temps de détention préalable contrairement à la mise en liberté sous conditions, qui peut être ordonnée ab initio et qui est donc une alternative immédiate à la mise sous mandat d’arrêt : « La surveillance électronique serait une mesure d’exécution de substitution à la détention préventive en un second temps ». 3.2.4

Concrétisation

Cette thématique veut aborder la question des modèles dans lesquels pourrait s’inscrire la mise sous surveillance électronique, et quels sont ceux que les participants à la table ronde seraient prêts à envisager. S’agirait-il d’une application stricte sous la forme d’une détention à domicile (un modèle ‘strict’), ou une application qui autorise l’exercice d’activités extérieures avec ou sans contrôle technique des déplacements à l’extérieur (cf. ‘modèle traditionnel’, et ‘modèle GPS’) ? La préférence pour un modèle ou l’autre entraîne des conséquences juridiques qui peuvent être différentes selon le choix du modèle (cf. la distinction entre l’encadrement juridique de la détention préventive et celle de la mise en liberté sous conditions, cf. infra). Les participants distinguent deux modèles susceptibles d’encadrer la mise sous surveillance électronique : le modèle strict et le modèle traditionnel. Mais dans la perspective de cette recherche, seul le modèle strict semble acceptable pour la plus part d’entre eux. Le participant A estime que dès qu’il est question d’aménagement de plages horaires de sorties pour la réalisation d’activités (cf. ‘modèle traditionnel’), il s’agit d’un forme spécifique de mise en liberté sous conditions : « Cette voie est intéressante pour crédibiliser les libérations sous conditions, mais ce n’est pas un mode d’exécution de la détention préventive»352, et d’ajouter : « vous ne viderez pas la prison d’une seule unité 351

Il reste ici la question de savoir si cette prise de position veut aussi dire que la surveillance électronique entraîne les mêmes conséquences juridiques que celles actuellement prévues dans le cadre de la mise en liberté sous conditions (durée de maximum 3 mois, mais renouvelable; pas d’indemnisation pour ‘détention inopérante’, ni déduction de la durée de la surveillance électronique sur la peine de prison finalement prononcée, …). Voir aussi par. 3.2.7. 352 Voyez aussi l’opinion des participants I et G (par. 3.2.3) pour lesquels il s’agit toujours d’une forme de mise en liberté sous conditions (même l’exécution à domicile sous une assignation à résidence).

153

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

par une technique comme ça ». Sur ce point, le participant A estime que si la question est de vider les prisons il faut envisager la surveillance électronique suivant un modèle strict de type ‘assignation à résidence avec surveillance électronique’ (cf. le projet de loi pénitentiaire en France). La suite des échanges confirme que le modèle strict semble être le seul modèle acceptable quand les professionnels se projettent dans l’application d’une surveillance électronique comme mode d’application de la détention préventive. Le participant G rejette l’application du ‘modèle traditionnel/GPS’ (conçu par le participant A comme une forme de mise en liberté sous conditions) : « ce n’est pas une peine de pouvoir sortir faire ses courses et travailler, c’est une petite contrainte », car d’après cet intervenant : « la détention préventive c’est un début d’exécution de peine aussi » 353 , l’utilité de la mesure étant orientée vers la protection des victimes ou les futures victimes en écartant momentanément l’inculpé. Cette remarque ne manque pas de provoquer quelques réactions sur l’usage du terme « peine » mais la discussion se relance rapidement sur le caractère contraignant d’une mise sous surveillance électronique. Le participant C de poursuivre : « on est quand même mieux chez soi que dans une prison ». Mais d’autres intervenants n’en sont pas aussi assurés, tel le participant A: « Ca [une application stricte de la surveillance électronique] peut vite devenir un enfer. Les gardiens de prison sont relativement anonymes, ils sont nombreux, mais à huis clos avec madame ou les enfants avec lesquels on ne s’entend pas ». Le participant E évoque les situations de logement insalubre comme éléments de contrainte supplémentaire à l’assignation à résidence. Ce participant soulève la question de l’isolement éventuel des inculpés et des difficultés de la prise en charge des tâches quotidiennes que cela entraînerait. Le participant D ne serait pas contre des plages horaires organisées afin que le prévenu assure sa prise en charge financière. Il rappelle que dans le cadre du tribunal d’application des peines, le ministère de la Justice peut délivrer une allocation354 aux condamnés qui n’ont pas les moyens de se prendre en charge : « et ça coûte moins cher [que la prison] ». Alors que le participant H estime qu’envisager une mise sous surveillance électronique sous le modèle de la mise en liberté sous conditions [il semble viser ici tant le ‘modèle traditionnel’ que le ‘modèle GPS’ au cours duquel les activités à l’extérieur seront aussi contrôlées] reviendrait à insérer un « verrou supplémentaire », et éprouve des difficultés à projeter certaines hypothèses : « c’est difficile de l’envisager comme mode alternatif de l’exécution du mandat d’arrêt», le participant E s’en défend : « je n’ai pas de problème avec le cadre dans lequel ça s’insèrerait ». Pour ce dernier intervenant, il importe peu de discourir entre professionnels sur le modèle (cf. les trois modèles préalablement distingués) à retenir « peu m’importe comment on appelle ça ou comment on considère ça », car justifie-t-il, les corps académiques et scientifiques s’en chargeront bien. Il lui semble préférable d’agir : « faisons quelque chose de sui generis, si on trouve que c’est 353

Ce qui nous semble discutable au point de vue du principe de la présomption d’innocence à ce stade de la procédure. 354 Circulaire ministérielle n°1790 du 1er janvier 2007 relative aux personnes sous surveillance électronique sans moyens d’existence. Cette circulaire prévoit que le Service public fédéral Justice octroie une allocation « entretien détenu SE », « afin de permettre aux détenus sans moyens de subsistance de subir également (une partie) de leur peine privative de liberté sous la forme d’une surveillance électronique ». La circulaire ministérielle n°1803 (III) du 25 juillet 2008 ajoute que c’est le Centre National de Surveillance électronique qui décide de l’octroi ou non de cette allocation.

154

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

bien on peut tout inventer ». Le participant E propose alors l’usage qu’il envisage de la mise sous surveillance électronique : «pour moi ce serait la manière de rappeler les limites à un primo-délinquant jeune, et on le lui rappelle tout simplement parce que toute la journée il se promène avec un bracelet et que au moins toutes le quatre heures il doit aller pointer à son petit appareil ». Outre ce rappel à la loi que cet intervenant couplerait avec une formation, cette mesure présente également à ses yeux, un intérêt particulier pour les parents du prévenu primo-délinquant qui ont dès lors un rôle actif dans la contrôle de la mesure: « visiblement il y a eu un père défaillant, il y a une censure qui n’a pas été donnée. En même temps que je vais dire au père tu es le gardien de l’appareil, je lui rappelle son rôle de surveillance, au moins ça ». Alors que les autres participants lui font remarquer que c’est donc bien un usage de nature à assimiler la mise sous surveillance électronique à une mise en liberté sous conditions, le participant E rétorque qu’au contraire, il appliquerait la mise sous surveillance électronique à des jeunes primodélinquants qui seraient actuellement mis en détention préventive (arrachage de sac). Il précise que donc dans son cas « la surveillance électronique rehausserait le seuil de délivrance du mandat d’arrêt», c’est-à-dire qu’avec l’intégration d’une mesure sous surveillance électronique qui reviendrait à prévoir un seuil de contrainte intermédiaire entre la mise en liberté sous conditions et la détention préventive, certaines catégories de prévenus telles les jeunes primo-délinquants éviteraient l’enfermement en cours d’instruction, « qu’on ne retrouve pas dans la DH ‘encore un jeune libéré sans rien, que fait la justice’ »355. Le participant A, quant à lui, fonde l’espoir qu’une application sérieuse de la mise en liberté sous conditions, avec le secours du contrôle électronique, peut permettre d’envisager une réduction du nombre de mandats d’arrêt exécutés. Le participant G y verrait un avantage certain notamment en ce qui concerne les prévenus très jeunes. C’est également ce profil de prévenu que le participant E favoriserait car « c’est ceux pour lesquels on peut espérer que ça peut se redresser ». Le participant C par contre, note que les jeunes prévenus le sont pour des faits très violents, tels des braquages ou hold-up, et que dès lors, ce participant n’envisagerait pas de mise en liberté sous conditions même si elle était renforcée par des moyens électroniques. Le participant D, envisage davantage l’intérêt de la mise sous surveillance électronique par la diminution du délai de la détention préventive qu’elle peut entraîner. Cela concernerait les prévenus dont la détention préventive se justifie non plus pour les nécessités de l’instruction mais pour des raisons de sécurité publique. Une diminution de la population carcérale pourrait alors être observée au niveau des maisons d’arrêt. Le participant G partage cet avis. Elle ajoute cependant qu’à Bruxelles, les détention préventive de plus de six mois visent principalement des gros braqueurs, des crimes de sang, des faits de mœurs graves, des gros trafics de stupéfiants, et que cela ne concernerait donc pas la majorité des dossiers dans lesquels le délai moyen de la détention préventive avoisine les quatre mois.

355

Ce participant participe à l’élaboration d’un projet de formation dans le cadre de l’instruction. Ce projet veut proposer des formations qualifiantes en maçonnerie et en plafonnerie à des jeunes de 18 à 25 ans en usant du bracelet électronique comme d’un « encouragement coercitif ».

155

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

En suivant cette réflexion d’envisager une mise sous surveillance électronique après un temps de détention préventive, les échanges se poursuivent sur les autres temporalités au cours desquelles une mise sous surveillance électronique pourrait être envisagée. Pour le participant C, cela pourrait être intéressant dans le cas de figure ou le juge d’instruction attend la consolidation d’une qualification. Le participant I suggère qu’une mise sous surveillance électronique pourrait être envisagée au moment du règlement de la procédure (cf. supra, par. 3.1.1 et 3.1.2 – Envisager une surveillance électronique, en ce qui concerne des affaires renvoyées vers la Cour d’assises), selon les dossiers, lorsque la détention préventive a duré six ou huit mois, et que le prévenu est envoyé devant le tribunal correctionnel, mais ceci toujours dans le cadre de conditions. Il rappelle par ailleurs, l’existence de l’article 136 ter du Code d’instruction criminelle qui prévoit qu’un rapport peut être dressé sur l’état de l’instruction et dans lequel le comportement de l’inculpé est pris en considération356. 3.2.5

Durée

Cette thématique a été développée en deux volets. Tout d’abord celui qui aborde la question de la durée de la mesure elle-même (la durée totale ou maximale de la période de mise sous surveillance électronique), de ses éventuelles limites. Ensuite, celui du système de ‘contrôle périodique’ sur l’opportunité du maintien ou non de la mesure appliquée. Alors que le premier volet se développe dans une réflexion sur la durée de la détention préventive et la surveillance électronique (en général), le second repose sur la distinction qui existe entre les mesures existantes (la détention préventive et la mise en 356

Art. 136ter CIC (inséré par la loi du 31 mai 2005) : « § 1er. A l'exception des affaires visées à l'article 22, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, la chambre des mises en accusation connaît de toutes les affaires dans lesquelles l'inculpé se trouve en détention préventive et sur lesquelles la chambre du conseil n'aurait point statué en ce qui concerne le règlement de la procédure, dans les six mois à compter de la délivrance du mandat d'arrêt. A cette fin, le procureur du Roi fait rapport au procureur général. § 2. Sur requête de l'inculpé, la chambre des mises en accusation connaît des affaires visées à l'article 22, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, dans lesquelles l'inculpé se trouve en détention préventive et sur lesquelles la chambre du conseil n'aurait point statué, en ce qui concerne le règlement de la procédure, dans les six mois à compter de la délivrance du mandat d'arrêt. § 3. La chambre des mises en accusation entend le procureur général et le juge d'instruction en son rapport. Elle entend également la partie civile, l'inculpé et leurs conseils sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie ou par lettre recommandée à la poste, au plus tard quarante-huit heures avant l'audience. La chambre des mises en accusation vérifie s'il subsiste des indices sérieux de culpabilité à charge de l'inculpé et s'il existe des raisons conformes à l'article 16, § 1er, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive de maintenir la détention. La chambre des mises en accusation peut prendre les mesures prévues par les articles 136, 235 et 235bis. § 4. Si la chambre des mises en accusation décide de maintenir la détention préventive, l'arrêt forme un titre de privation de liberté pour un mois à partir de la décision. Toutefois, s'il s'agit des affaires visées à l'article 22, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, l'arrêt forme un titre de privation de liberté pour trois mois à partir de la décision. Art. 22, alinéa 2 Loi sur la détention préventive: « [...], si le fait pour lequel la chambre du conseil est saisie est un fait pour lequel l'article 2 de la loi du 4 octobre 1867 sur les circonstances atténuantes n'est pas applicable [les crimes non correctionnalisables], la chambre du conseil est appelée à statuer, de trois mois en trois mois, sur le maintien de la détention. Dans ce cas, l'ordonnance de maintien en détention préventive est valable pour trois mois à dater du jour où elle est rendue. » (inséré par la loi du 31 mai 2005)

156

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

liberté sous conditions), quant à leur encadrement juridique respectif. Ce second volet pose la question de savoir si la surveillance électronique, et plus particulièrement, quel modèle de surveillance électronique doit être assimilé au régime de la détention préventive ou bien à celui de la mise en liberté sous conditions. Quant au premier volet de la thématique, le participant B fait remarquer qu’il existe des cas de détention préventive qui durent « souvent sur base d’une prévention d’organisation criminelle un peu floue, et on a l’impression qu’on maintient des gens en détention en espérant trouver en cours d’instruction quelque chose de plus précis qui permettraient un résultat satisfaisant ». Par ailleurs, le participant B rappelle que lorsqu’un juge d’instruction délivre un mandat d’arrêt il est incapable de dire combien de temps la détention préventive va durer. Si on introduit la surveillance électronique en cours d’instruction, poursuit-il, on y recourra que, se référant à l’avis du participant J, si les alternatives traditionnelles ne satisfont pas et, de l’avis de plusieurs participants, dans la limite des situations pour lesquelles elle sera pertinente. On risque de se retrouver dans des cas où la durée de la surveillance électronique sera supérieure à ce que le prévenu aurait encouru dans le cadre d’une détention classique, ce qui serait, insiste-t-il, une anomalie de système. D’après lui, ces pratiques ne résisteront pas aux pressions européennes qui finiront par se manifester, à titre d’exemple, il se souvient d’un cas où l’Italie a refusé l’exécution d’un mandat d’arrêt européen vers la Belgique, précisément parce que la Belgique ne prévoit pas de limite à la détention préventive. Selon le participant B, il faudra, au risque de se le voir imposer par l’Europe, fixer un délai maximum comme au Pays-Bas où la détention préventive est limitée à six mois357. Ce délai, ainsi fixé et connu de tous les acteurs, implique, selon lui, une organisation de leur travail respectif qui en tient nécessairement compte. Il estime utile que le ministre se penche sur cette question.358 Le participant D envisage avec la plus grande prudence la question de la durée de la mise sous surveillance électronique. Ce participant craint que la surveillance électronique sous la forme d’une assignation à résidence soit très lourde à supporter. Il rappelle qu’actuellement, en matière d’application des peines en surveillance électronique, les horaires sont déterminés selon une circulaire et sont convenus par les assistants de justice en charge du suivi du condamné. Trois périodes de trente-six heures [par trimestre] sont prévues durant lesquelles le bracelet électronique est débranché359. Il précise encore qu’il y a des tribunaux d’application des peines qui envisage en plus deux week-ends de congé par mois, soit deux périodes de trente-six heures durant lesquelles le bracelet électronique 357

Selon nous, la législation aux Pays-Bas prévoit qu’en principe la détention préventive ne peut s’étendre au-delà de 90 jours (art. 66 Wetboek van Strafvordering). Voir Chapitre 1, Section I, par. 5. 358 Cf. aussi la recherche antérieure, menée par l’INCC, dans laquelle la question d’une limitation de la durée de la détention préventive a été étudiée, tant au niveau comparatif (juridique) qu’au niveau empirique (étude de simulation) : P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, maart 2005, 367p. 359 Il est à rappeler que l’octroi du congé pénitentiaire relève encore toujours de la compétence du ministre de la Justice, soit qu’il s’agit des condamnés avec un total de peines inférieur ou égal à 3 ans ou des condamnés avec un taux de peines supérieur.

157

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

est également débranché360. Il termine en insistant sur le fait que la répartition de ces périodes est aménagée en raison de la lourdeur du dispositif et que certaines études portées à sa connaissance le démontrent également. Quant au second volet de la thématique, il ressort de la discussion que les modalités de contrôle de la mise sous surveillance électronique seront fonction du régime juridique dans lequel la mesure s’inscrit. Les participants font référence aux modalités telles qu’elles sont actuellement appliquées en cas de mise en liberté sous conditions et en cas de détention préventive. Comme le souligne le participant B : « la question qui demeure est celle de la limite entre un régime et un autre ». Les participants se rallient sous le principe d’appréhender, comme élément de réponse, chaque modèle de mise sous surveillance électronique sous l’angle du degré de privation de liberté qu’il entraîne. Le participant B souligne encore : « selon le type de contrainte il faut s’aligner sur le régime du mandat d’arrêt ou sur le régime de la libération sous conditions ». Ce participant rappelle que dans le cadre de l’exécution d’un mandat d'arrêt la restriction de liberté est la règle, contrairement au cadre d’une mise en liberté sous conditions où la restriction de liberté est l’exception. Il poursuit en opposant deux usages possibles de la mise sous surveillance électronique, soit un contrôle électronique d’une délimitation de zones d’interdiction, et la mise sous surveillance électronique attachée à une assignation à résidence avec des sorties limitées. Ce participant inscrit clairement ce dernier usage sous un régime où la privation de liberté est la règle et dès lors propose de calquer les modalités de contrôle sur le système de contrôle assigné à la détention préventive. Quant au premier usage, ce participant estime que la mise sous surveillance électronique s’inscrit dans le régime où la privation de liberté est l’exception et donc propose de suivre ce qui est prévu en cas de mise en liberté sous conditions. D’autres participants élaborent aussi une distinction entre détention préventive et mise en liberté sous conditions, et formulent ensuite des propositions concrètes. Le participant I estime qu’ « une mesure intermédiaire telle qu’une surveillance électronique [selon le modèle strict] avec contrôle judiciaire est une privation de liberté, cette mesure se distingue d’une libération sous conditions simple en raison du degré d’atteinte à la liberté individuelle. C’est ce degré d’atteinte qui demande de se calquer sur un délai de un ou trois mois [3 mois pour les crimes non correctionnalisables]»361. Le participant D partage cette position : « [la mise sous surveillance électronique] altère la liberté individuelle, il paraît nécessaire de prévoir un contrôle régulier pour un réexamen du 360

Actuellement, ce cumul de congés pénitentiaires (congés octroyés par le ministre en vue de la préparation du reclassement, et par le Tribunal d’Application des Peines dans le cadre de l’octroi d’une surveillance électronique) n’est plus possible. En effet, la circulaire ministérielle n° 1803 (III) du 25 juillet 2008 précise que « Lorsqu’un condamné relève de la compétence du TAP [Tribunal d’Application des Peines], seuls les congés octroyés par ce dernier sont d’application ». 361 Il est important de rappeler que – plus tôt dans la discussion – le participant I (cf. par. 3.1.1) était d’opinion que toute application possible d’une surveillance électronique devrait être considérée comme une forme de libération sous conditions (même l’assignation à résidence), mais sans avoir développé quelles conséquences juridiques cela engendrait. Ceci témoigne certainement de l’implication avec laquelle les participants se sont plongés dans cet exercice de projection, et des évolutions que connaissent leurs positions tout au long des discussions.

158

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

dossier comme pour la détention préventive ». Dans la même perspective, les participants K et B proposent en cas d’assignation à résidence de prévoir un contrôle mensuel ou trimestriel selon la gravité des faits comme pour la détention préventive. Le participant I émet l’idée que ce contrôle mensuel pourrait être tempéré comme dans le cadre de l’article 22 bis [de la loi sur la détention préventive : pour les crimes non correctionnalisables] 362 , suivant lequel une mesure prise par une juridiction peut être étudiée à nouveau sur requête de l’inculpé. Partant du fait que la surveillance électronique est une alternative à la détention préventive, le participant J serait d’avis de s’aligner sur la matière des mesures alternatives, et donc de considérer la mesure valable pour une période de trois mois renouvelable et dans l’intervalle ouvrir la possibilité pour le prévenu de déposer des requêtes en rétractation ou en modification des conditions. Le participant G envisage alors que c’est la juridiction d’instruction qui recevrait les demandes de révision et ce jusqu’au règlement de la procédure et ensuite le tribunal prendrait le relais sur base de la requête de mise en suppression du bracelet. Le participant K quant à lui, se demande si la décision du juge d’instruction de révision de la mise sous surveillance électronique peut faire l’objet d’un appel en cas de refus. En réponse, le participant G fait un parallélisme entre cette hypothèse et la procédure, dans le cadre de la mise en liberté sous conditions, pour une modification de condition qui prévoit un recours devant la Chambre du conseil ou la Chambre des mises en accusation. Par ailleurs, le participant I veut aborder les conséquences auxquelles s’expose l’inculpé mis sous surveillance électronique qui à un moment, par exemple en raison de la gêne que lui cause le bracelet électronique, refuse de poursuivre la mesure. Il semble au participant C que la prison est la seule voie possible pour autant que les conditions de la détention préventive soient toujours réunies. Un autre participant suggère qu’une

362

Art. 22bis (inséré par la loi du 31 mai 2005): « Lorsqu’une ordonnance de maintien en détention préventive est prise en application de l’article 22, alinéa 2, ou en application de l’article 136 ter, § 4, du Code d’instruction criminelle, la mise en liberté peut être accordée sur requête adressée par l’inculpé à la chambre du conseil. La requête peut être déposée de mois en mois et pour la première fois au plus tôt cinq jours avant l’expiration du délai d’un mois, à partir de l’ordonnance prise en application de l’article 22, alinéa 2, ou en application de l’article 136ter, § 4, du Code d’instruction criminelle. Les requêtes déposées après l’expiration de ce délai d’un mois sont rejetées comme n’étant pas recevables. La requête est inscrite au registre mentionné à l’article 21, § 2. Le dossier est mis pendant deux jours à la disposition de l’inculpé et de son conseil avant la comparution devant la chambre du conseil. Le greffier leur en donne avis par télécopieur ou par lettre recommandée à la poste. Cette mise à disposition peut se faire sous forme de copies certifiées conformes par le greffier. Il est statué sur la requête dans les cinq jours de son dépôt, le ministère public, l’intéressé et son conseil entendus, celui-ci étant avisé conformément à l’article 21, § 2. S’il n’est pas statué sur la requête dans le délai de cinq jours, éventuellement prorogé conformément à l’article 32, l’intéressé est mis en liberté. Si elle décide que la détention doit être maintenue, la chambre du conseil motive son ordonnance comme prévu à l’article 16, § 5, alinéas 1er et 2. L’ordonnance de maintien en détention préventive est valable pour trois mois à dater du jour où elle est rendue. »

159

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

soustraction au contrôle peut être assimilée à une évasion. Le participant G se demande s’il faudra procéder à un nouvel acte juridique en vue du retour en prison. Le participant C rapporte qu’il est parfois confronté à des situations saugrenues. Lui parvient le dossier d’un homme qui purge une peine sous surveillance électronique, déféré pour un nouveau fait de violence conjugale. Le participant C dit qu’il aurait dû envisager une interdiction pour le prévenu de se rendre chez sa compagne, or c’est précisément là que se trouve le boîtier, « je n’allais pas le mettre en prison simplement parce que c’était plus facile ». Le prévenu a finalement été envoyé chez sa mère et le service de surveillance électronique a été contacté pour les informer de son déplacement. Comme élément de réponse, le participant D informe qu’en matière de tribunal d’application des peines, dans une situation de non respect des conditions, le parquet pourrait décider d’une arrestation provisoire et le tribunal d’application des peines décide dans les sept jours sur la suspension de la mesure (et ultérieurement sur la révocation)363. Il estime que le parquet a mal réagi, qu’il aurait fallu solliciter la loi du 17 mai 2006 et envisager une arrestation provisoire pour suspendre dans un premier temps la surveillance électronique car il y a le motif légal de la mise en péril grave de l’intégrité physique ou psychique d’un tiers. Le participant E revient aussi sur la difficulté de gestion que présente ce type de situation pour préciser que ce n’est pas une situation exceptionnelle, et qu’il n’est pas évident de trouver des solutions rapides pendant certaines périodes particulières (gardes, jours fériés,…). Le participant D précise que de façon générale : « on ne fait pas d’arrestation provisoire pour le non respect de la moindre condition. On a pour instruction d’ailleurs d’être adaptés et de ne pas réagir de façon excessive aux manquements mineurs (…) il faut faire preuve de bon sens comme dans toute matière». Le participant D évoque également les limites que pourrait connaître le contrôle d’une mise sous surveillance électronique en faisant part des difficultés que connaît actuellement l’application de la mise en liberté sous conditions et cible plus précisément l’absence de sanction du non respect des conditions : « j’ai rarement vu un juge en cas de non respect des conditions décerner un mandat d’amener à convertir en mandat d’arrêt, et d’autre part, une fois que le juge d’instruction est dessaisi je n’ai jamais eu l’occasion de saisir au niveau du correctionnel d’une arrestation pour non respect des conditions qui sont toujours en cours ».

363

Voyez article 70 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine : « Dans les cas pouvant donner lieu à la révocation conformément à l'article 64, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci, à charge d'en donner immédiatement avis au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines compétent. Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines compétent se prononce sur la suspension de la modalité d'exécution de la peine dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération du condamné. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné, au ministère public et au directeur. La décision de suspension est valable pour une durée d'un mois, conformément à l'article 66, § 3. »

160

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

Le participant E perçoit une autre limite dans la similitude entre le contrôle d’une délimitation de zones de restriction et les méthodes particulières de recherche (cf. aussi participant I, par. 3.1.1). Il lui semble que cette similitude est susceptible d’offrir la possibilité d’user des données issues du contrôle dans le cadre de l’enquête. Le participant I soutient également l’existence de ce risque et le trouve renforcé par les risques de récidive que pourrait présenter un prévenu. Le participant J ajoute que les avocats ne manqueront pas de se saisir de cette question délicate de la méthode de recueil des éléments de l’enquête, et de poser la question de savoir si ces éléments doivent être considérés comme des éléments de récidive ou des éléments nouveaux d’observation. Les participants sont d’avis que le texte qui instaurera la mise sous surveillance électronique devra bien préciser les frontières entre les méthodes de contrôle et les méthodes particulières de recherche. Pour le participant B, la grande nuance c’est que les méthodes particulières de recherche sont utilisées à l’insu de la personne. Le participant K, pour sa part, entrevoit une possible incidence des modalités de contrôle sur la durée de la mesure : « un effet pervers pourrait être que les juges d’instruction ne vont plus instruire les dossiers des inculpés qui bénéficient d’une surveillance électronique avec la même priorité que [il ne le font pour] les détenus » au risque donc de voir des surveillance électronique perdurer. Pour le participant J également, la surveillance électronique présente le risque d’engendrer un contrôle plus long qu’une détention préventive. Il fonde cette appréciation sur son expérience des pratiques de certains juges d’instruction bruxellois qui opèrent des renouvellements des mesures alternatives après quinze mois or, d’après lui, ce n’est pas normal que les indices sérieux de culpabilité, la sécurité publique, les critères de l’article 16 [de la loi sur la détention préventive]364 justifient encore ce maintien après un tel délai. 3.2.6

Contrôle et rapportage

Les participants sont invités à discuter sur l’organisation du contrôle et du rapportage en cas de non respect des horaires ou des conditions, sur les types de conditions dont le non respect devrait être rapporté ou pas, et sur les acteurs impliqués dans ce contrôle. Le participant B propose un système de signalement en dressant rapport de tout incident qu’il soit positif ou négatif : « il faut statuer sur quelque chose de concret ». Le participant D reprendrait le principe du double contrôle mis en place pour les mesures alternatives à la détention préventive qui prévoit que les assistants de justice désignés opèrent le contrôle positif et que la police contrôle les interdictions. Mais pour le participant B « ce système ne peut pas être envisagé dans un système de modalité 364

Art. 16: « § 1. En cas d'absolue nécessité pour la sécurité publique seulement, et si le fait est de nature à entraîner pour l'inculpé un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus grave, le juge d'instruction peut décerner un mandat d'arrêt. Cette mesure ne peut être prise dans le but d'exercer une répression immédiate ou toute autre forme de contrainte. Si le maximum de la peine applicable ne dépasse pas quinze ans de réclusion, le mandat ne peut être décerné que s'il existe de sérieuses raisons de craindre que l'inculpé, s'il était laissé en liberté, commette de nouveaux crimes ou délits, se soustraie à l'action de la justice, tente de faire disparaître des preuves ou entre en collusion avec des tiers. »

161

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

d’exécution de la détention préventive ». Le participant I suit sur ce point le participant B et estime qu’il serait difficile pour un assistant de justice d’apprécier les incidents et donc de sélectionner ceux qui auraient ou pas une incidence sur l’enquête. Pour lui le juge d’instruction doit avoir connaissance de tous les incidents pour les apprécier en fonction de la spécificité du dossier qu’il instruit. Le participant J et A sont du même avis. Le participant K craint la masse d’informations à soumettre au juge d’instruction que ce principe de fonctionnement entraîne. Il estime qu’un premier filtre au niveau des assistants de justice est nécessaire et que le renvoi des incidents au juge d’instruction ne se ferait alors qu’en cas de manquements graves. Le participant J suggère d’envisager, dans le cadre du régime de la mise en liberté sous conditions, qu’avant le terme des trois mois, l’assistant de justice envoie un rapport – « le rapport article 38 » 365 – au juge d’instruction et que ce dernier soit alors en mesure de prendre sa décision. Le participant K insiste encore sur le fait que la survenance d’un incident majeur permettrait de faire exception à cette procédure. Le participant J rappelle que c’est ce qui se passe dans le cadre des mesures probatoires « l’assistant de justice avait un pouvoir d’appréciation quant au fait de savoir s’il convenait d’amener le dossier devant la commission ». Il précise qu’il existait une série de mesures graduelles entre la convocation devant l’assistant de probation ou devant le magistrat du parquet en charge des mesures probatoires. A nouveau, quelques limites de fonctionnement sont envisagées par les participants. Le participant B se demande quel usage les assistants de justice feront du secret professionnel dans le cadre de ce contrôle. Le participant I rappelle que dans cette option l’assistant de justice est un outil de contrôle et non un outil d’enquête. Mais pour le participant J, il ne sera pas simple de distinguer ces deux fonctions. Le participant D évoque l’existence au niveau des maisons de justice du Business Process Reengineering. Il s’agit, dit-il, d’un guide de conduite à l’attention des assistants de justice, qui a pour vocation d’uniformiser les règles de fonctionnement des assistants de justice. Ce Business Process Reengineering est selon lui très strict sur la déontologie des ces acteurs. Le participant E relève l’absence d’autonomie que laisse supposer ce système de guide de conduite. Ce participant s’inquiète dès lors de la compétence des assistants de justice à effectuer le contrôle des prévenus sous surveillance électronique de façon pertinente. Le participant D estime que la collaboration entre les assistants de justice et les autorités judiciaires s’améliore « il fut un temps où on obligeait les assistants de justice à envoyer 365

Art. 38: « § 1. Pour l'aide et la vérification relatives au respect des conditions, il peut être fait appel au Service des maisons de Justice du SPF Justice, le respect des conditions d'interdiction étant contrôlés par les services de police. Dans le cadre de la surveillance du respect des conditions, l'assistant de justice du Service des maisons de Justice du SPF Justice, désigné dans ce cadre, rédigera un rapport au maximum 15 jours avant la fin du délai de la mesure de mise en liberté sous conditions. Un rapport intermédiaire pourra être rédigé à tout moment, en cas de non-respect des conditions ou si une difficulté par rapport au respect des conditions apparaît. Toute personne qui intervient dans la surveillance de l'observation des conditions est liée par le secret professionnel. Le contrôle du suivi d'une guidance ou d'un traitement est réalisé conformément à l'article 35, § 6. § 2. Lorsque les conditions ne sont pas observées, le juge d'instruction, le tribunal ou la cour d'appel, selon le cas, peut décerner un mandat d'arrêt, dans les conditions prévues à l'article 28. »

162

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

rapport au Centre National de Surveillance Electronique avant de répercuter l’information aux autorités judicaires (…) on a su supprimer cette instruction, il y a des améliorations sur le terrain qui se font au fil des rencontres ». Le participant J avance que c’est le bon sens qui devra guider les professionnels : « quand on est avisé que certaines conditions ne sont pas respectées, il faut du bon sens, voir s’il est question d’un incident ou d’un accident ». Mais cette remarque ne manque pas d’attirer l’attention du participant B qui se souvient que : « Dans le cadre de la procédure de libération conditionnelle [d’une personne condamnée pour association de malfaiteurs, séquestration d’enfant, complicité de viol] on m’a envoyé une lettre en disant qu’on allait envoyer ça aux parents des victimes : ‘nous sommes désolés de vous rappeler cette affaire que vous avez peut-être déjà oubliée’ », les assistants de justice, poursuit-il, étaient déterminés à envoyer cette lettre formulée suivant un standard qu’ils ne comptaient pas contourner. 3.2.7

Indemnisation - Imputabilité

Nous avons questionné les participants sur l’application du principe d’indemnisation en cas de détention inopérante et dans quel cas ils l’envisageraient. La formulation des réponses a intégré les réponses à la question suivante, à savoir celle liée au principe d’imputabilité de la durée de la détention préventive à l’éventuelle condamnation ultérieure à une peine d’emprisonnement. En effet, ces deux questions amènent une réponse qui procède du même raisonnement. Les deux questions seront donc rassemblées dans ce même point. Pour le participant B, s’il est question du principe de privation de liberté l’indemnisation et l’imputabilité doivent être prises en compte, si par contre la mesure fonctionne sur un principe de dérogation à la privation de liberté elles ne le seront pas. Il semble « évident » au participant G que la mise sous surveillance électronique sera beaucoup moins indemnisée qu’une privation de liberté totale en prison « c’est quand même moins humiliant d’être chez soi ». Les chercheurs évoquent l’hypothèse que les juges du fond couvrent par leur prononcé la durée de la détention préventive, et provoquent un tollé général : « jamais », le participant E de dire : « c’est un mythe », le participant J d’ajouter : « ça fait partie d’un certain fantasme, c’était peut-être davantage le cas et la mentalité il y a vingt-cinq, trente ans », le participant G de poursuivre : « c’était l’époque ou le ministère public tenait le juge, maintenant il est débridé ». L’unisson des voix tranche avec le tâtonnement que les thématiques précédemment traitées ont inspiré. Un participant finalement expose que : « ça se fonde sur une erreur de droit à mon avis, si vous faites six mois de détention préventive et puis que vous êtes condamnés à quatre mois ferme, il n’y a pas matière à indemnisation pour détention inopérante». Le participant J ajoute: « C’était peut-être aussi une réaction d’antan des parquets de premières instances. Lorsqu’il y avait une grosse détention préventive qui risquait de devenir inopérante si on n’allait pas en appel, il y avait une tendance dans les parquets d’instance de proposer au parquet général d’aller en appel ». A l’heure actuelle, termine-t-il, cet argument n’est plus suffisant au niveau du parquet.

163

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS

Plutôt dans la discussion, le participant E avait déclaré que 40% des détentions préventives sont un effet de réaction à la non application [ou application réduite] des peines de moins de trois ans : « parce que les condamnations ne sont pas exécutées, tout bêtement, c’est une question de balance ». Un autre point, soulevé par le participant B, susceptible de subir la nature du régime de la surveillance électronique est l’accès au dossier. Il rappelle que le libéré sous conditions n’a pas accès à son dossier pendant le reste de la procédure contrairement au détenu qui y a accès tous les mois. 3.2.8

European Supervision Order

Le European Supervision Order est un projet de décision cadre au niveau de l’Union européenne qui prévoit la possibilité, par exemple, à un juge d’instruction belge de décider d’une mise en liberté sous conditions pour faciliter le retour d’un prévenu dans son pays d’origine, avec la garantie que le contrôle des conditions sera effectué par les autorités du pays en question. L’exposé des motifs de ce projet se base sur le constat que les prévenus étrangers restent plus longtemps en détention préventive que les résidents notamment en raison du risque de fuite. Pour autant que la mise sous surveillance électronique soit difficile ou non applicable visà-vis des étrangers sans droit au séjour en Belgique ou sans lieu de résidence fixe en Belgique, nous demandons aux participants si l’European Supervision Order est une solution envisageable. Le participant A émet des doutes sur les garanties que ce projet offre quant à l’exécution effective d’une mesure ordonnée par nos juridictions hors du territoire belge. En effet, des exceptions à l’exécution d’une mesure ordonnée par une juridiction étrangère existent dans le chef de chaque état en vue de préserver le respect de sa souveraineté minimum. Par ailleurs, le participant G met en évidence qu’il y a souvent un problème d’identité qui entoure les individus visés par ce projet (faux nom, fausse identité). Le participant E précise que les étrangers dont l’identité n’est pas déterminée font de la détention préventive dans des cas où un belge résident n’en ferait pas : « un vol simple à la gare du midi par un palestinien né à Gaza qui parle l’algérien normalement il passe en taule et il fait deux mois ». Le participant I soulève que c’est essentiellement le cas des étrangers non européens. Le participant E confirme et ajoute que les étrangers européens sont traités, quant à eux, de façon similaire aux belges366. Le participant I pense « qu’il faut limiter l’impact de ce système au cadre du mandat d’arrêt européen » pour se réserver la possibilité de décerner un mandat d'arrêt européen pour que la personne puisse revenir en Belgique. Pour le participant B, ça se conçoit donc encore une fois dans le cadre de la mise en liberté sous conditions. D’après le participant G: « on hésite beaucoup moins à libérer des européens à cause du mandat d'arrêt européen, ce qui n’était pas le cas il y a dix ans ».

366

Voyez aussi le volet quantitatif de cette recherche sur les mandats d’arrêt exécutés en 2008 (Chapitre 3).

164

SECTION I – TABLES RONDES AVEC QUELQUES ACTEURS

Le participant J rappelle qu’une convention d’entraide judiciaire organise un dispositif similaire en matière probatoire. Il est prévu que « quand un français est jugé en Belgique et bénéficie d’une mesure probatoire, le dossier est transmis aux autorités judiciaires françaises et un assistant de probation ou de justice français qui assure le suivi des conditions probatoires comme s’il était en Belgique ». Le participant K réagit en disant que ça ne fonctionne pas dans le cadre de l’instruction : « une française (…) a du revenir plusieurs fois [pour que le magistrat vérifie le respect des conditions] ». Les intervenants font ensuite part de leur expérience avec des juridictions étrangères. Le participant G rapporte qu’actuellement la Pologne réclame des détenus en vue de leur transfert et que cela concerne des décisions très anciennes. Le participant C précise qu’à Liège cela concerne des Roumains. Envisager ces collaborations soulève quelques questions dans le chef du participant B quant à un éventuel choc des cultures. Il se demande dans quelle mesure il sera possible d’« exercer un contrôle en Belgique pour le vol de deux barres de chocolat ou d’une sucette », il lui semble que la question de la pertinence de la mesure, entre mise sous mandat d'arrêt ou mise en liberté sous contrôle strict, sera posée. Ce participant veut également mettre en évidence les différences qui pourraient être relevées entre les pays quant aux exigences de la sécurité publique invoquées respectivement. Le participant A, dans le même ordre d’idées, se demande dans quelle mesure les décisions belges seront respectées à l’étranger. Le participant E signale la nécessité d’un signalement du bracelet électronique (comme le BCS [Bulletin Central de Signalement] en BNG [Banque Nationale Générale]).

165

AFDELING II - SECTION II SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES

1

Methodologie screening

L’étude des dossiers judiciaires ne repose pas uniquement sur des entretiens individuels réalisés avec des juges d’instruction, elle s’appuie également sur des entretiens menés auprès des magistrats de la Chambre des mises en accusation et de la Chambre du conseil dans la mesure où leurs décisions affectent également la population détenue préventivement. L’objectif était d’examiner avec eux – à l’aune d’un questionnaire succinct et préstructuré – un certain nombre de dossiers judiciaires pour lesquels ils décident effectivement de priver le prévenu de sa liberté367. En procédant de la sorte, il s’agissait non seulement de garantir la qualité des informations enregistrées mais aussi, d’essayer autant que possible de prendre le « pouls » de la magistrature concernant la (im-)possibilité d’appliquer la surveillance électronique comme mesure de substitution à la détention dans le cadre de l’instruction.

1.1 CONTENU DES FICHES D’INFORMATIONS368 Une fiche d’information a été remplie pour chaque dossier examiné. Elle permet 1) de savoir quelle forme de surveillance électronique doit, aux yeux des magistrats, être privilégiée dans le dossier et 2) de connaître le(s) motif(s) concret(s) d’un éventuel refus d’accorder la surveillance électronique (si cette option figurait parmi les possibilités). Ces fiches reprennent une série de données d’identification des prévenus effectivement mis en détention, comme les nom et prénom369, la nationalité et la date de naissance. Pour permettre un minimum d’analyse, elles mentionnent également les éléments suivants: - la date de délivrance du mandat d’arrêt; - l’infraction (les infractions) sur laquelle (lesquelles) porte le mandat d’arrêt; 367

En ce qui concerne l’accès aux dossiers judiciaires, l’autorisation fut demandée au Collège des Procureurs-Généraux (lettre du 1er avril 2009) et une réponse a finalement été reçue de chacun des procureurs-généraux. 368 Pour un exemple de cette fiche d’information, le lecteur peut se référer utilement aux annexes. 369 Cette information a été utilisée afin de voir dans quelle mesure il s’agissait de personnes différentes (c’est-à-dire ‘uniques’) et comme point de départ pour une éventuelle collecte d'informations ultérieure.

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

-

-

-

la motivation du mandat d’arrêt, avec la spécification des éléments suivants: o faits passibles d’une peine de réclusion de plus de 15 ans o faits passibles d’une peine de réclusion de moins de 15 ans, mais présence (en combinaison ou non): ƒ d’un risque de collusion avec des tiers ƒ d’un risque de détournement de preuves ƒ d’un risque d’évasion ƒ d’un risque de récidive d’autres considérations pertinentes: o la situation de séjour du prévenu de nationalité étrangère ƒ pas de droit de séjour ƒ potentiellement bénéficiaire d’un droit de séjour, mais domicile à l’étranger o autres: … la possibilité d’application de la surveillance électronique: o OUI, sous la forme suivante: ƒ surveillance électronique de type « détention à domicile » (activités minimales hors de la maison) via un émetteur/récepteur installé au domicile (cf. « modèle détention à domicile » ou « assignation à résidence ») ƒ surveillance électronique de type « programme individualisé » (possibilité de travail / formation, accompagnement), avec un contrôle uniquement à domicile via un émetteur/récepteur installé à ce domicile à des heures déterminées (cf. « modèle traditionnel ») ƒ surveillance électronique de type « programme individualisé » (possibilité de travail / formation, accompagnement), avec contrôle permanent par GPS au domicile et à l’extérieur (cf. « modèle GPS ») o OUI, moyennant l’encadrement suivant: ƒ information rapide (enquête sociale) ƒ possibilité de placement immédiat sous surveillance électronique o NON, car: ƒ gravité des faits commis ƒ « contre-indications » légales: • risque de collusion avec des tiers • risque de détournement de preuves • risque d’évasion • risque de récidive ƒ aspects spécifiques de la situation personnelle • situation de séjour du prévenu • autre: …

Afin de pouvoir disposer d’un complément d’information qualitatif susceptible de mettre quelque peu en perspective les résultats quantitatifs issus de l’analyse des fiches d’informations, deux rubriques dites « ouvertes » ont également été insérées dans le questionnaire. La première rubrique entend offrir un descriptif synthétique de l’affaire examinée. Il s’agit par ce biais de fournir un complément d’information substantiel à la qualification juridique des faits. La seconde permet au magistrat interrogé d’apporter, le

168

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

cas échéant, des commentaires quant aux modalités d’application concrètes du dispositif de surveillance électronique qu’exigerait la spécificité de l’affaire concernée370.

1.2 ÉCHANTILLONNAGE DES DOSSIERS JUDICIAIRES Afin de convenir d’un rendez-vous pour la réalisation d’un entretien individuel, des contacts par courrier et téléphone ont été pris avec les juges d’instruction et les magistrats de la Chambre des mises en accusation et de la Chambre du conseil des arrondissements d’Anvers, Bruxelles et Liège ayant participé aux tables rondes néerlandophone et francophone. Certains participants aux tables rondes ont parfois aussi mis en contact les chercheurs avec d’autres magistrats potentiellement intéressés. 1.2.1

Échantillonnage des dossiers judiciaires francophones

Bien qu’un rendez-vous ait pu être convenu avec la plupart des magistrats disposés à collaborer, dans quelques rares cas, d’aucuns ont souhaité répondre eux-mêmes au questionnaire et retourner les fiches d’informations par courrier. Il était convenu d’examiner environ une vingtaine de dossiers par magistrat (entre 20 et 25 dossiers). Pour la Chambre des mises en accusation et la Chambre du conseil, l’examen a porté sur les dossiers traités au cours d'une (ou plusieurs) audience(s) dans lesquels la décision prise avait pour conséquence le maintien de la détention préventive. Cette manière de procéder était plus difficilement transposable aux juges d’instruction, les dossiers retenus concernent donc des mandats d’arrêt délivrés avant l’entretien et toujours en cours à ce moment là. Il était demandé aux juges d’instruction d’envoyer deux jours avant la date de l’entretien une liste des dossiers ouverts pour lesquels la décision prise avait également pour conséquence le maintien de la détention préventive. Lors de l’entretien avec un des juges d’instruction, il s’est avéré que le nombre de dossiers individuels disponibles au jour du rendez-vous était largement supérieur à 25. Etant donné qu’une même affaire peut parfois impliquer deux ou trois prévenus, nous avons choisi, en l’occurrence, de garder un seul prévenu pour les dossiers concernés par ce cas de figure dans la mesure où l’inculpation des prévenus visait les mêmes infractions, l’âge de ces derniers était le même, les motivations du mandat d’arrêt étaient identiques et l’avis du magistrat à propos des possibilités d’application de la surveillance électronique ne différait pas. Cette procédure exceptionnelle n’a pas dû être reproduite à l’occasion d’autres entretiens. Pour le volet francophone, la répartition des dossiers examinés par instance et arrondissement est la suivante371 : 370

De manière générale, cette rubrique a été très peu complétée en raison notamment, de la difficulté pour les magistrats d’envisager, le cas échéant, des modalités d’application concrètes pour un dispositif qui reste actuellement fictif. Les rares informations disponibles se limitent à une délimitation du périmètre dans lequel le prévenu serait autorisé à se déplacer ou à l’assortiment de conditions supplémentaires telles qu’accepter de suivre une formation professionnelle ou une cure de désintoxication, ou encore de faire l’objet d’un suivi socio-éducatif.

169

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Tableau 2.2: Répartition des dossiers examinés par instance et arrondissement Instance JI 1 JI 2 JI 3 CC CMA 1 CMA 2

Arrondissement Bruxelles Bruxelles Liège Bruxelles Liège Bruxelles

N dossiers 18 20 19 22 23372 26

Au total, 128 dossiers (86 provenant de l’arrondissement de Bruxelles et 42 de l’arrondissement de Liège) constituent l’échantillon du volet francophone de l’étude. 1.2.2

Staal onderzochte Nederlandstalige gerechtelijke dossiers

Medewerking verkrijgen van de onderzoeksrechters, de voorzitters van de Raadkamer (RK) en de voorzitters van de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) verliep niet zo vlot als gehoopt. Een factor hierbij was de wijze waarop het onderzoek in de tijd gestructureerd was: de screening van de dossiers was noodgedwongen gepland vanaf de periode vlak vóór de zomervakantie, met als gevolg dat het soms onmogelijk was om tijdens de zomervakantie magistraten te mobiliseren, met name in Brussel waar het aantal (Nederlandstalige) onderzoeksmagistraten sowieso al beperkter is dan in Antwerpen. Zoals reeds aangehaald was het bedoeling om per magistraat 20 dossiers te screenen en hiervoor registratiefiches in te vullen. Dit streefcijfer kon echter niet steeds worden gehaald. In Antwerpen werd een zitting van de Raadkamer bijgewoond en werden de registratiefiches tijdens en na de zitting ingevuld; dit gegeven heeft ook het aantal dossiers bepaald. Bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen verkoos men de registratiefiches zelf in te vullen tijdens de zittingen; de registratiefiches werden vervolgens door de onderzoeker verzameld en besproken met de magistraat in kwestie. Aangezien in eerste instantie slechts zeven relevante dossiers geselecteerd werden, werd aansluitend nog een registratiemoment (door de plaatsvervangend magistraat) ingelast zodanig dat het vooropgestelde quotum van 20 dossiers kon worden bereikt; de registratiefiches voor deze bijkomende dossiers werden per post toegezonden.

371

Cinq magistrats relevant de trois instances différentes ont pu être rencontrés dans le cadre d’un entretien individuel. Le magistrat de la Chambre des mises en accusation de Bruxelles a quant à lui a préféré répondre lui-même au questionnaire et retourner par courrier les fiches d’informations qu’il a remplies pour 26 dossiers. 372 Précisons que l’enregistrement des fiches d’informations a été réalisé pour 9 dossiers en présence de deux des trois magistrats siégeant à la Chambre des mises en accusation de Liège tandis que les 14 autres dossiers ont été renvoyés par courrier après qu’ils aient été remplis de concert par les trois magistrats de la Chambre des mises en accusation de Liège. L’ensemble des fiches d’informations a cependant été complété au nom de l’ensemble des magistrats siégeant à la Chambre des mises en accusation de Liège.

170

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

Terwijl vanuit de Raadkamer te Brussel geen medewerking werd verleend aan de screening van dossiers, stemde de voorzitter van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Brussel er wel in om mee te werken aan het onderzoek. Doch aangezien in de afgesproken observatieperiode geen enkel dossier in aanmerking kwam voor elektronisch toezicht, werden door hem geen gedetailleerdere informatiefiches geregistreerd – waardoor het resultaat van de bevraging hier uiteindelijk ook minder nuttig is bevonden (omdat bijvoorbeeld ook geen detailinformatie beschikbaar is over de motivering waarom geen elektronisch toezicht zou worden toegepast, etc.). Omwille van tijdsgebrek verkozen de onderzoeksrechters meestal dat de registratiefiches door de onderzoeker zelf zouden worden ingevuld. Bij de eerst bezochte onderzoeksrechter te Antwerpen werden gedurende een volledige werkdag zijn activiteiten geobserveerd. Zeven dossiers kwamen in aanmerking voor verdere registratie; een aantal andere dossiers werden niet geselecteerd, bijvoorbeeld omdat de personen in kwestie niet werden aangehouden, het dossier niet onmiddellijk beschikbaar was, etc. Aan de tweede Antwerpse onderzoeksrechter werd gevraagd om op voorhand 20 dossiers beschikbaar te houden (dossiers waarin de magistraat tot aanhouding was overgegaan) en deze dossiers vervolgens samen met de onderzoeker te bespreken: uiteindelijk werden hier 10 relevante casussen besproken. In Brussel toonde zich slechts één onderzoeksrechter bereid om aan het onderzoek mee te werken; door andere onderzoeksmagistraten werden veelal meer principiële en tijdseconomische argumenten opgeworpen om niet aan het onderzoek deel te nemen. Bij de participerende onderzoeksrechter te Brussel werden 24 dossiers van aangehouden verdachten besproken en corresponderende fiches ingevuld. Aan het Nederlandstalige luik van dit deelonderzoek hebben uiteindelijk zes verschillende magistraten deelgenomen. De verdeling van de gescreende dossiers naargelang instantie en rechtsgebied/gerechtelijk arrondissement ziet er als volgt uit: Tabel 2.3: Verdeling Nederlandstalige dossiers naargelang arrondissement/rechtsgebied en instantie Instantie OR 1 OR 2 OR 3 RK KI (magistraat 1) KI (magistraat 2)

Arrondissement/Rechtsgebied Antwerpen Antwerpen Brussel Antwerpen Antwerpen Antwerpen

N dossiers 7 10 24 14 7 15

De steekproef in het Nederlandstalige landsgedeelte bestaat in totaal uit 77 dossiers, waarvan 24 dossiers uit Brussel en 53 dossiers uit Antwerpen.

171

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

1.2.3

Échantillon

Il convient de préciser que l’échantillon n’est pas représentatif de l’ensemble des dossiers pour lesquels un mandat d’arrêt a été délivré. En effet, celui-ci ne se compose que d’une partie des dossiers traités au cours d’une période déterminée s’écoulant de juin à septembre/octobre 2009 pour lesquels les magistrats ont décidé de maintenir le prévenu en détention préventive. Tableau 2.4: Aperçu du nombre de dossiers examinés par instance et par arrondissement Arrondissement Liège Bruxelles (FR) Brussel (NL) Antwerpen Total

OR-JI 19 38 24 17 98 98

RK-CC 22 14 36

KI-CMA 23 26 (24)

22 71

Total 42 86 24 53 205

FR/NL 128 77

107

Deux autres options auraient pu être envisagées mais elles impliquent leurs propres inconvénients. Il aurait par exemple été possible d’élaborer un échantillon représentatif de l’ensemble des dossiers clôturés d’une année civile antérieure. Cependant, une telle procédure aurait occasionné une charge de travail supplémentaire aux magistrats pour se remémorer et se réapproprier avec suffisamment de précision les affaires relatives aux différents dossiers sélectionnés. Il aurait également été envisageable de travailler à partir d’affaires fictives construites par l’équipe de recherche mais l’étude se serait dès lors retrouvée contrainte par la limitation du nombre de cas proposés. Les magistrats auraient par ailleurs été invités à se prononcer sur les possibilités d’application d’un dispositif fictif par rapport à une affaire également fictive. L’analyse à laquelle nous avons procédé à partir du matériel constitué se veut donc avant tout indicative des modèles de surveillance électronique privilégiés lorsque la possibilité de leur application est entrevue ainsi que des motivations qui peuvent sous-tendre le refus des magistrats d’envisager l’application d’un dispositif de surveillance électronique.

2

Voorstelling van de resultaten

2.1 ANALYSE DES DOSSIERS ISSUS DES ENTRETIENS MENÉS AUPRÈS DES MAGISTRATS FRANCOPHONES DES ARRONDISSEMENTS DE BRUXELLES ET LIÈGE A trois exceptions près (2,3%), l’échantillon francophone est exclusivement composé d’hommes. La moyenne d’âge au jour de la délivrance du mandat d’arrêt est de 29,61 ans

172

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

(médiane : 28) 373 . La variable « nationalité » a quant à elle fait l’objet d’un enregistrement trop insuffisant pour permettre une analyse valide et pertinente. En effet, cette variable n’est pas reprise systématiquement dans les mandats d’arrêt. Cependant, au regard de l’information disponible, on peut déjà dénombrer 21 nationalités différentes374. Il ressort par ailleurs de notre échantillon que vingt-quatre personnes ne disposaient pas lors de leur arrestation d’un droit de séjour sur le territoire belge (18,75%). Afin d’avoir une idée sur la durée de détention des prévenus au moment de l’entretien, celle-ci a été calculée en établissant la différence de jours entre la date de délivrance du mandat d’arrêt et la date de l’entretien : Tableau 2.5: Nombre de jours de détention à la date de l’entretien Nombre de jours de détention Nombre de dossiers Nombre de dossiers où l’information est

128

Valide375

121

Manquante376

7

Moyenne

84,07

Médiane

52 19377

Mode Minimum

2

Maximum

898

La durée de détention au jour de l’entretien varie cependant d’une instance à l’autre. La répartition par instance est représentée dans le tableau ci-après :

373

La moyenne, la médiane et le mode de la variable « âge » au moment de la délivrance du mandat d’arrêt sont sensiblement identiques entre les personnes composant l’échantillon et celles qui, en son sein, sont susceptibles de faire l’objet d’une mise sous surveillance électronique. Il convient cependant de noter que parmi les 128 dossiers consultés, 5 d’entre eux concernent des mineurs. Si deux mineurs sont déférés devant le juge d’instruction en raison du dessaisissement du tribunal de la jeunesse, il est en revanche surprenant, en raison de l’illégalité de la situation, de constater que les trois autres mineurs ont moins de 16 ans. Il semblerait que la délivrance du mandat d’arrêt à leur encontre soit principalement motivée par leurs nombreux antécédents judiciaires ainsi que par les conditions socio-économiques précaires de leur séjour sur le territoire belge (absence de famille, de titre de séjour valide, de documents d’identité officiels, d’un domicile ou d’un lieu de résidence fixe, etc.). 374 Belge, française, marocaine, libanaise, russe, monténégrine, bosniaque, néerlandaise, suédoise, lituanienne, congolaise, syrienne, bulgare, algérienne, polonaise, espagnole, estonienne, roumaine, gambienne, cap verdienne, guinéenne. 375 La date du mandat d’arrêt est connue. 376 La date du mandat d’arrêt est inconnue. 377 Il existe plusieurs modes pour cette distribution, seule la plus petite valeur a été représentée.

173

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Tableau 2.6: Nombre de jours de détention à la date de l’entretien (par instance) Instance CC

CMA

JI

Nombre de jours de détention Nombre de dossiers

22

Nombre de dossiers où l’information est

15

Valide Manquante

7

Moyenne

45,87

Médiane

35

Minimum

4

Maximum

150

Nombre de dossiers

49

Nombre de dossiers où l’information est

49

Valide Manquante

0

Moyenne

99,67

Médiane

63

Minimum

15

Maximum

842

Nombre de dossiers

57

Nombre de dossiers où l’information est

57

Valide Manquante

0

Moyenne

80,70

Médiane

43

Minimum

2

Maximum

898

On compte 19 dossiers pour lesquels les magistrats entrevoient l’application du dispositif de surveillance électronique, soit 14,84% de l’ensemble des dossiers étudiés378. Ce sont principalement les juges d’instruction qui ont envisagé la possibilité d’appliquer le dispositif de surveillance électronique (15 dossiers sur 57, soit 26,31%), comparativement aux magistrats de la Chambre du conseil (2 dossiers sur 23, soit 8,69%) 378

Pour 107 dossiers, les magistrats motivent l’impossibilité d’appliquer le dispositif de surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive. Pour 2 dossiers, ils ne se prononcent pas sur l’éventualité de son application.

174

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

et de la Chambre des mises en accusation (2 dossiers sur 49, soit 4,08%). Il appert que l’appréciation du recours au dispositif de surveillance électronique s’est fait au cas par cas. En effet, les données socio-biographiques disponibles ne permettent pas d’établir un profil de prévenu par rapport auquel les magistrats se montreraient plus favorables quant à l’application d’un dispositif de surveillance électronique. Bien que la variable « nationalité » ait fait l’objet d’un enregistrement trop insuffisant pour permettre une analyse valide et pertinente, force est de constater que les personnes n’ayant pas de droit de séjour sont systématiquement exclues tandis qu’à trois exception près379, les personnes susceptibles d’être placées sous surveillance électronique sont soit belges, soit nées en Belgique380. Pour chaque dossier où le prévenu peut faire l’objet d’une mise sous surveillance électronique, un seul dispositif est retenu. Les trois dispositifs ont été envisagés en fonction des cas de figure mais une préférence se dégage tout de même pour le modèle traditionnel (13 dossiers sur 19)381. Parmi les faits commis par les personnes concernées par ce modèle, on retrouve les infractions suivantes : Meurtre pour faciliter le vol (2), Meurtre (1), Tentative de meurtre (1), Infraction à la législation sur les stupéfiants : détention illicite et vente (4), Vol avec violence, en bande, la nuit (2), Sac-jacking en bande avec effraction (1), Vol (1), Association de malfaiteurs (1). Deux personnes sont quant à elles concernées par l’application éventuelle du modèle strict de type « assignation à domicile ». Ces personnes ont pour leur part respectivement commis des infractions de vol (+ vol avec violences, en bande, la nuit, avec fraude informatique) et de vol avec effraction. Enfin, quatre personnes se verraient appliquer le modèle GPS, les infractions commises sont : Recel, Vol avec effraction, Tentative d’assassinat et Aide à l’évasion avec violences, menaces et armes.

379

Une personne a la nationalité d’un pays qui ne fait pas partie de l’Union européenne tandis que l’information est manquante pour deux autres personnes. 380 Bien que les personnes nées en Belgique ne soient pas nécessairement belges, il y a tout de même une probabilité relativement importante pour qu’ils aient la nationalité belge ou du moins qu’ils aient une bonne partie de leurs attaches (domicile, famille, amis, travail) en Belgique. 381 Cette surreprésentation du modèle traditionnel peut éventuellement s’expliquer par le fait qu’en considération de l’exercice de projection qui est demandé, il est peut-être plus facile pour les magistrats de se représenter et de se référer aux modalités d’exécution d’un dispositif dont ils sont le plus susceptibles d’avoir connaissance étant donné que, contrairement aux deux autres dispositifs, le modèle traditionnel est actuellement d’application dans le cadre de l’exécution des peines.

175

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Tabel 2.7: Total des (tentatives de) meurtres et assassinats sur l’ensemble des dossiers étudiés.

Meurtre Assassinat Application possible d’un dispositif de surveillance électronique

Réalisation 6 2

Tentative 5 2

3/8

2/7

Si les faits concernés sont relativement variés, il s’agit néanmoins, dans un peu moins de la moitié des cas, d’infractions violentes382. On peut ainsi constater que parmi les 19 dossiers où le prévenu est susceptible d’être placés sous surveillance électronique, 9 d’entre eux encourent une peine d’emprisonnement de plus de 15 ans. Ce qui correspond dans notre échantillon à 25% des dossiers où l’auteur est passible d’une peine d’emprisonnement de plus de 15 ans383. Les faits commis par les personnes pour lesquelles les magistrats envisagent la possibilité de recourir à la surveillance électronique peuvent être repris sous une même qualification juridique alors qu’ils renvoient à des réalités fort différentes. L’idée est de donner dans cet encart un aperçu succinct de ce que ces qualifications recouvrent pour autant, bien sûr, que l’information ait été disponible lors des entretiens. Le type de modèle envisagé, l’instance ainsi que le nombre de jours de détention du prévenu au jour de l’entretien sont également indiqués. Afin de prémunir le lecteur contre l’incompréhension, voire l’éventuelle indignation que pourrait susciter chez lui l’idée que l’on puisse envisager l’application de la surveillance électronique pour « de tels faits », précisons que ce genre de descriptif ne rend évidemment pas compte de tous les éléments factuels, circonstanciels et humains qui conduisent un magistrat à envisager la possibilité de placer un prévenu sous surveillance électronique. - Meurtre : Lors d’une bagarre devant un dancing où des coups auraient été échangés entre la victime et le prévenu, ce dernier aurait tiré un coup de feu sur la victime avec un revolver qu’il aurait porté sur lui. La victime est décédée. Le prévenu s’est ensuite livré à la police et l’arme a été retrouvée sur ses indications. [Modèle « Traditionnel » – juge d’instruction – 305 jours de détention] - Meurtre (pour faciliter le vol) - (2 prévenus) : Suite à un appel au service 101, la police intervient dans un appartement occupé par une famille. De nombreuses traces de sang sont visibles dès l'entrée, jusque dans l'appartement. Au 1er étage, les policiers trouvent un homme inconscient, allongé sur le dos, une arme à proximité de la main droite. Au 2è étage, les policiers trouvent une jeune femme et un homme 382

Au regard de l’ensemble des dossiers examinés, il semblerait que lorsqu’il ne s’agit pas d’infractions relatives aux stupéfiants, la majorité des faits concernés par la mise en détention préventive du prévenu (66 dossiers, soit 51,56%) soient des « infractions violentes » au sens où le terme « violence » est explicitement mentionné dans le mandat d’arrêt (vol avec violence, viol, meurtre, etc.). Par ailleurs, 33 dossiers (ou 25,78% de l’ensemble des dossiers examinés) concernent des infractions relatives à la législation sur les stupéfiants (16 dossiers sur 42 pour Liège et 17 dossiers sur 88 pour Bruxelles) et 29 autres dossiers ont trait aux infractions suivantes : recel (3), vol avec effraction (9), tentative de vol avec effraction (1), tentative de vol (1), vol (5), escroquerie (3), fraude informatique (1), tentative d’extorsion (3), infraction à la législation sur les douanes et les accises (1) ou encore, infractions à la législation des armes (2). Bien que certains prévenus soient inculpés pour plusieurs infractions, ce comptage s’appuie uniquement sur les préventions principales retenues à leur charge. 383 Les dossiers où l’auteur peut faire l’objet d’une peine d’emprisonnement de plus de 15 ans concernent 28,12% de l’ensemble des dossiers étudiés, soit 36 dossiers sur 128.

176

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS mûr qui maintiennent une 3è personne : il s'agit de l'inculpé. Le blessé décède sur place, apparemment d'une ou de plusieurs blessures par balles. D'après les premières déclarations recueillies, 3 personnes ont fait irruption avec fracas dans l'appartement, se faisant passer pour des policiers. Au 1er étage se trouvaient la victime, un ami d'une des filles de la famille, un des fils de la famille et la mère. Certaines personnes auraient été ligotées au moyen de colsons. Il y a eu bagarre, des coups de feu ont été tirés. Les auteurs auraient fouillé l'appartement, certains seraient montés au 2è étage où il y a eu lutte, les habitants ont donné des coups aux auteurs. Deux auteurs se seraient enfuis. Devant l'immeuble, des traces de sang sont trouvées dans les deux directions. L'inculpé reconnaît les faits pour la plus grande part et fournit des explications : la victime lui a vendu un bijou en or que l'inculpé a revendu avec bénéfice. L'inculpé a alors voulu faire un achat plus important de bijoux en or pour le prix de 10.000 euros représentant toutes ses économies. Après la transaction, l'inculpé a constaté que les bijoux remis étaient en or plaqué. Furieux, il a cherché des hommes de main pour l'aider à retrouver son argent. L'inculpé a repéré la victime, l'a suivi, l'a vu entrer dans l'immeuble. Il a prévenu ses acolytes qui sont venus le chercher chez lui à bord d'une voiture volée, ils étaient armés et tous trois étaient munis de cagoules. Une fois dans l'appartement, les choses ont mal tourné : tandis que l'inculpé se faisait rosser au 2è étage il a entendu des coups de feux et ses complices s'enfuir. L'inculpé ne donne aucune indication permettant de retrouver ces hommes, par peur de représailles. L'inculpé insiste sur le fait qu'il n'a voulu ni voler ni tuer mais seulement récupérer son bien. L’un des acolytes a été retrouvé et arrêté, il s’agit du second prévenu dans cette affaire, l’autre par contre est toujours en cavale. [Modèle « Traditionnel » – Juge d’instruction – respectivement 898 et 399 jours de détention] - Tentative de meurtre : Altercation devant une boîte de nuit dans le centre de Bruxelles entre le prévenu et deux autres personnes. L’une d’elle aurait craché sur le prévenu et jeté une brique au visage de son ami lors de leur passage devant la boîte de nuit. En réaction à ces atteintes à leur intégrité physique ainsi qu’à leur honneur, le prévenu a poursuivi la victime et lui a planté un couteau dans le dos. [Modèle « Traditionnel » – Juge d’instruction – 2 jours de détention] - Vol avec violences, la nuit, avec armes : Dans un night-shop, le gérant et un ami qui se trouvent tous deux à l'arrière voient entrer une personne qui se sert dans un frigo et fait mine de s'en aller. Interpellé, l'homme sort un couteau de sa manche, leur enjoint de sortir, lâche ensuite le couteau et s'encourt. Alors que le gérant s'apprête à appeler la police, l'homme revient avec une carabine à plomb, tente à nouveau de prendre de la nourriture. Une patrouille arrive dans ces entrefaites et interpelle l'homme qui essaye de s'enfuir et s'oppose violemment aux policiers. Entre les 2 agressions, des copains de l'auteur seraient venus s'excuser pour lui et récupérer le couteau. L'homme sentait l'alcool. L'inculpé est désigné par le gérant et son ami comme étant l'auteur de l'agression. [Modèle « Traditionnel » – Juge d’instruction – 104 jours de détention] - Vol, vol avec violences en bande, la nuit, avec fraude informatique : Le prévenu dépouille les personnes au Bancontact – en faisant mine de vouloir les aider ou en les bousculant – de leurs cartes bancaires et de l’argent sur leur compte. Il se reconnaît sur les vidéos des caméras de surveillance mais nie les faits de vol. [Modèle « Assignation à domicile » – Juge d’instruction – 83 jours de détention] - Vol avec violences en bande la nuit ; vol : Le prévenu a été intercepté la nuit en compagnie de deux autres comparses autour d’un sac tout juste volé. Il reconnaît qu’effectivement le propriétaire du sac a été agressé par eux trois et la victime indique également qu’elle a été frappée. [Modèle « Traditionnel » – Juge d’instruction – 9 jours de détention] - Vol avec effraction : Une somme de 9.000 euros est volée dans une habitation. La victime avait fait savoir autour d'elle qu'elle possédait cet argent suite à la vente d'une voiture. Des voisins de l'habitation visitée ont vu le manège de deux jeunes gens dans une voiture. Ce véhicule appartient à un ami de l’inculpé qui reconnaît les faits et y implique ce dernier. Une perquisition est effectuée au domicile de l’inculpé. Aucun indice en lien avec le vol n'est trouvé à cette occasion. Quelques semaines plus tard, de nouveaux éléments apparaissent. L'inculpé est reconnu sur photo par un témoin. [Modèle « GPS » – Juge d’instruction – 33 jours de détention]

177

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD - Recel : Dans le courant du mois de mai, l'inculpé s'est présenté chez un antiquaire en proposant à la vente un masque africain et un tableau pour lequel il demandait entre 3.000 et 3.500 euros, arguant d'un pressant besoin d'argent. Le comportement étrange de l'inculpé a alerté la commerçante. Les objets proposés ont été photographiés. Ils s’avèrent qu’ils ont été volés dans deux autres magasins. L'inculpé déclare pourtant avoir acheté le tableau lors d'une brocante et avoir reçu le masque africain. Ces explications sont contredites par les éléments du dossier. Depuis plus d'un an, l'inculpé accumule les faits du même type, principalement dans le milieu des antiquaires, brocanteurs et marchands d'art. [Modèle « GPS » – Juge d’instruction – 7 jours de détention] - Aide à évasion avec violences, menaces et armes : L’inculpé est en aveu d’avoir fait évadé son frère et son comparse lors de leur comparution en Chambre des mises en accusation à l’aide d’une arme. [Modèle « GPS » – Juge d’instruction – 120 jours de détention] - Association de malfaiteurs : Le prévenu est garagiste. Il maquille des véhicules volés qui sont ensuite exportés et revendus. [Modèle « Traditionnel » – Chambre des mises en accusation – 219 jours de détention] - Détention illicite de stupéfiants : Le prévenu a été interpellé en possession de marijuana. La perquisition à son domicilie a permis de découvrir 70gr. supplémentaire, une balance de précision, des sachets destinés à confectionner des pacsons ainsi que deux GSM. [Modèle « Traditionnel » – Chambre du conseil – 18 jours de détention]

Lorsqu’un magistrat envisage au jour de l’entretien la possibilité de placer le prévenu sous surveillance électronique, il n’entrevoit jamais sa mise en œuvre effective immédiatement mais bien après une certaine période de détention préventive (au minimum après la première Chambre du conseil 384 et le plus souvent après un délai d’environ 1 à 3 mois)385. Les juges d’instruction considèrent qu’il est difficile de décider au cours du délai de 24h de l’opportunité d’un recours au dispositif de surveillance électronique compte tenu des faits, du trouble à l’ordre public, de la victime, des critères légaux (éviter un risque de récidive, de collusion, de détournement de preuves et de fuite) et des devoirs d’instruction à accomplir. Les magistrats motivent par ailleurs l’impossibilité d’appliquer le dispositif de surveillance électronique pour 107 dossiers. L’analyse des motivations permet de dégager les raisons suivantes : - la gravité des faits exclusivement (10 dossiers) ; - l’absence de droit de séjour sur le territoire exclusivement (6 dossiers) ; - au moins une des « contre indications » légales (risque de récidive, de collusion, de détournement ou de fuite ; soit 42 dossiers. Néanmoins, pour 17 d’entre eux la motivation invoquée est assortie de l’absence d’un droit de séjour) ;

384

Pour deux dossiers concernés par l’application d’un dispositif de surveillance électronique, le délai écoulé entre la délivrance du mandat d’arrêt et la date d’entretien est respectivement de 2 et de 4 jours. Il s’avère qu’au jour de l’entretien, les magistrats n’envisageaient en réalité l’éventualité d’un recours effectif au dispositif de surveillance électronique qu’après un certain délai de détention préventive. Celui-ci pouvant aller jusqu’à un mois après la première comparution devant la Chambre du conseil. 385 Il convient cependant de noter que dans quatre dossiers, la durée de détention préventive est particulièrement atypique puisque les personnes sont respectivement détenues au moment de l’entretien depuis 219, 305, 399 et 898 jours !

178

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

-

la coprésence de la gravité des faits et d’au moins une « contre indication » légale (49 dossiers).

Lorsque la motivation repose uniquement sur le risque de fuite, la « contre indication » est, à une exception près, systématiquement assortie d’un second critère : l’absence de droit de séjour (4 dossiers). La motivation ne repose que dans un cas sur le seul risque de collusion avec des tiers et jamais sur le seul risque de détournement de preuves. Enfin, la motivation peut également reposer uniquement sur le risque de récidive (5 dossiers) mais généralement lorsqu’il est invoqué comme seule « contre indication » légale, ce critère est le plus souvent assorti d’un second : la gravité des faits (17 dossiers). Précisons encore que sur les 91 dossiers mentionnant au moins une « contre indication » légale : - 10 dossiers présentent conjointement les 4 « contre indications » légales (risque de récidive, de collusion, de détournement et de fuite) ; - 56 dossiers présentent au moins 2 « contre indications » légales. Le tableau ci-après donne un aperçu de la récurrence des éléments qui composent les motivations relatives à la délivrance du mandat d’arrêt ainsi qu’à la non application d’un des dispositifs de surveillance électronique. Il s’agit uniquement des motivations relatives aux dossiers pour lesquels les magistrats n’envisagent pas la possibilité d’appliquer la surveillance électronique. Tableau 2.8: Aperçu des éléments composant les motivations relatives à la délivrance du mandat d’arrêt ainsi qu’à la non application de la surveillance électronique Motivation relative à la délivrance du mandat d’arrêt*

Motivation relative à la non application de la surveillance électronique*

---

53,60%

Risque de collusion

41,23%

38,14%

Risque de détournement de preuves

21,64%

20,61%

Risque de fuite

40,20%

40,20%

Risque de récidive

73,19%

73,19%

Absence de droit de séjour

24,74%

24,74%

Critères Gravité des faits

* Le pourcentage a été calculé sur base de 97 dossiers car les informations relatives à la motivation de la délivrance du mandat d’arrêt étaient indisponibles pour 10 dossiers.

Le risque de récidive (presque 3 dossiers sur 4) et la gravité des faits (un peu plus de 1 dossier sur 2) sont les critères le plus souvent avancés par les magistrats pour ne pas envisager l’application de la surveillance électronique à l’égard du prévenu. On peut dans l’ensemble observer une équivalence au niveau de la récurrence des éléments qui 179

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

composent les motivations relatives à la délivrance des mandats d’arrêt et à la non application de la surveillance électronique. La légère baisse de pourcentage concernant les risques de collusion et de détournement de preuves pourrait cependant s’expliquer par l’état d’avancement de l’instruction au jour de l’entretien comparativement au moment de la délivrance du mandat d’arrêt.

2.2 COMPTE RENDU DE LA PRISE DE « POULS » DE LA MAGISTRATURE (VOLET FRANCOPHONE) Les entretiens visaient non seulement à récolter auprès des magistrats un certain nombre d’informations à travers un exercice de mise en situation386 mais également à prendre le « pouls » de ces professionnels de l’administration de la justice concernant la (im)possibilité d’appliquer la surveillance électronique en tant que mesure de substitution à la détention dans le cadre de l’instruction. Au-delà de l’exercice auquel ils se sont prêtés et du pourcentage de dossiers dans lesquels une surveillance électronique peut être envisagée 387 , il ressort des entretiens menés auprès des magistrats francophones que ceux-ci, de manière générale, se montrent peu enclins à la mise en œuvre d’un dispositif de surveillance électronique. Ils ont ainsi évoqué au cours des entretiens : - l’inadéquation du dispositif au regard de la population concernée par la détention préventive : Les magistrats déclarent ne pas vraiment avoir d’autres choix que de maintenir la détention préventive des personnes qui sont bien souvent multirécidivistes et/ou qui offrent peu de garanties de présentation devant les instances judiciaires au cours de la phase d’instruction (pas de domicile, ni de résidence fixe en Belgique, pas de titre de séjour, ne parle pas le français, etc.). Les juges d’instruction s’inquiètent des contraintes très lourdes que feraient peser ce genre de dispositif vis-à-vis d’une partie de la population rencontrée ; où le non-respect des conditions signifierait un retour en détention. Ils considèrent en effet qu’on se retrouve avec un dispositif qui tend d’emblée à les pousser à la faute au regard des difficultés, voire de l’incapacité qu’ont certaines personnes à organiser et/ou gérer leur vie. Ils estiment également que le dispositif présente un aspect pernicieux pour certaines personnes dans la mesure où celles-ci sont constamment confrontées dans leur milieu de vie à la tentation de transgresser en raison de la précarité de leurs conditions d’existence. Les magistrats s’interrogent dès lors sur la pertinence d’un dispositif alternatif à la 386

Pour chacun des dossiers examinés, il s’agissait de demander aux magistrats interrogés s’ils envisageaient de recourir au dispositif de surveillance électronique si celui-ci existait parmi les alternatives à la détention préventive. Il s’agissait en outre de savoir, le cas échéant, quelle forme de surveillance électronique doit, aux yeux des magistrats, être privilégiée dans le dossier ou, en revanche, de connaître le(s) motif(s) concret(s) d’un éventuel refus d’accorder la surveillance électronique. 387 Dans la mesure où l’exercice portait sur des dossiers pour lesquels les magistrats ont pris la décision de maintenir la personne en détention préventive, on aurait pu a priori s’attendre à ce que le pourcentage de prévenus susceptibles d’être placés sous surveillance électronique soit moindre que celui observé.

180

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

détention préventive dont l’élément pivot demeure la prison. Ils soulignent également que, pour certains prévenus et leur entourage, le dispositif de surveillance électronique peut s’avérer beaucoup plus lourd que la prison. - leur scepticisme vis-à-vis du dispositif : Les magistrats se demandent quelles sont les garanties qu’offre le dispositif de surveillance électronique par rapport aux risques de récidive, de détournement de preuves et de collusion avec des tiers. Ils considèrent qu’au regard des personnes pour lesquelles la détention préventive est maintenue, la privation de liberté demeure la moins mauvaise des mesures disponibles en vue de prévenir les risques de récidive, de collusion, de détournement de preuves ou de soustraction à la justice. - l’inopportunité du dispositif : Les magistrats de la Chambre des mises en accusation et de la Chambre du conseil considèrent qu’il est relativement inopportun d'appliquer un dispositif de surveillance électronique à des personnes en détention préventive à qui, par hypothèse, une mise en liberté sous conditions et/ou caution ne peut être accordée. Rappelons tout de même à cet égard que dans la mesure où la recherche entendait apprécier les possibilités d’application de la surveillance électronique en lieu et place de la détention dans le cadre de l’instruction, l’équipe de recherche a choisi de travailler exclusivement sur des dossiers pour lesquels les magistrats ont précisément maintenu le prévenu en détention préventive. Les juges d’instruction évoquent également l’inopportunité du dispositif dans les cas où la détention préventive est très courte, c'est-à-dire lorsque le dossier nécessite peu de devoirs d’instruction et est rapidement renvoyé pour le règlement de la procédure.

2.3 ANALYSE VAN DE DOSSIERS GESCREEND BIJ DE NEDERLANDSTALIGE MAGISTRATEN VAN DE ARRONDISSEMENTEN BRUSSEL EN ANTWERPEN Wat de Nederlandstalige dossiers betreft wordt vastgesteld dat het bijna allemaal gaat om dossiers met mannelijke verdachten: slechts 3 van de 77 dossiers hebben betrekking op verdachten van het vrouwelijke geslacht (3,9%). De gemiddelde leeftijd op het ogenblik van de aflevering van het aanhoudingsmandaat bedroeg 31,82 jaar (mediaan: 30,5 jaar)388. Het staal geanalyseerde dossiers telt 20 verschillende nationaliteiten389, waarbij het in 388

In 17 dossiers kon de leeftijd niet worden berekend bij gebrek aan hetzij de juiste geboortedatum (of het geboortejaar), hetzij de exacte datum van het aanhoudingsmandaat. Bovendien moet ook worden opgemerkt dat niet altijd de volledige geboortedatum beschikbaar was. Hoewel in de meeste gevallen de volledige geboortedatum wel gekend was, beschikten we voor enkele andere dossiers enkel over het geboortejaar. Voor deze dossiers werd de leeftijd berekend door het jaar van registratie (2009) te relateren aan het concrete geboortejaar. 389 Concreet gaat het om volgende nationaliteiten: Albanese, Algerijnse, Belgische, Kongolese, Filippijnse, Griekse, Kosovaarse, Kroatische, Litouwse, Marokkaanse, Moldavische, Mongoolse, Nederlandse, Palestijnse, Poolse, Portugese, Roemeense, Russische, Sierra Leoonse, Spaanse.

181

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

bijna driekwart van de dossiers gaat om een vreemde nationaliteit (52 op 72 dossiers390; of 72,2% vreemdelingen). Naast deze zeer sterke vertegenwoordiging van verdachten met niet-Belgische nationaliteit, is het eveneens opvallend dat maar liefst 42 personen op het ogenblik van hun aanhouding niet beschikten over een recht van verblijf op Belgisch grondgebied (d.i. 54,5% op het totaal aantal dossiers). Het aantal reeds ondergane dagen hechtenis op het ogenblik van de registratie (d.i. het verschil in dagen tussen de datum van de registratie en de datum van de aanhouding) wordt in onderstaande tabel gevisualiseerd. Gemiddeld verbleven de verdachten op dat bewuste ogenblik iets meer dan twee maanden in hechtenis: terwijl een aantal verdachten op de dag van de registratie zelf waren aangehouden (n=7), ging het in de helft van de dossiers391 om personen die al twee maanden of meer in voorlopige hechtenis verbleven (mediaanwaarde: 61 dagen). Tabel 2.9: Aantal detentiedagen op het ogenblik van de registratie Aantal detentiedagen Totaal aantal dossiers

77

Informatie

Geldig

65

Ontbrekend

12

Gemiddelde

68,78

Mediaan

61,00 0392

Modus Minimum

0

Maximum

600

De op het ogenblik van de registratie ondergane detentieduur verschilt echter wel ook naargelang de instantie die werd bevraagd, zoals blijkt uit onderstaande tabel.

Bij de vreemdelingen zijn de Marokkanen en Nederlanders (telkens 9 dossiers) het sterkst vertegenwoordigd, gevolgd door Roemenen (n=7), Polen (n=5) en Palestijnen (n=3). 390 Voor 5 dossiers was de nationaliteit van de verdachte niet bekend. 391 Let wel dat in 12 dossiers de concrete detentieduur niet kon worden berekend, bij gebrek aan informatie over de juiste datum van aanhouding. 392 Het gaat hier meer concreet om 7 dossiers met 0 dagen hechtenis. Vervolgens observeerden we ook telkens 4 dossiers met 4 en 62 dagen hechtenis.

182

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

Tabel 2.10: Aantal detentiedagen op het ogenblik van de registratie (naargelang instantie) Instantie RK

Aantal detentiedagen Totaal aantal dossiers Informatie

14

Geldig393

12

Ontbrekend394 Gemiddelde

30,67

Mediaan

KI

8,5

Minimum

4

Maximum

103

Totaal aantal dossiers

22

Informatie

22

Geldig Ontbrekend

Gemiddelde

OR

2

0 99,86

Mediaan

47

Minimum

9

Maximum

600

Totaal aantal dossiers

41

Informatie

Geldig

31

Ontbrekend

10

Gemiddelde

61,48

Mediaan

62

Minimum

0

Maximum

123

Met betrekking tot het toepassingsbereik van het elektronisch toezicht telden we 14 dossiers (op een totaal van 77 dossiers; d.i. 18,2%) waarin de magistraten een toepassingsmogelijkheid voor één of ander (of meerdere) model(len) van elektronisch toezicht mogelijk achtten395. Het zijn voornamelijk de onderzoeksrechters die zich het meest ontvankelijk tonen voor de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis (11 393

D.w.z. dat de datum van het aanhoudingsmandaat gekend is. D.w.z. dat de datum van het aanhoudingsmandaat ongekend is. 395 Voor 62 dossiers (van de 63) motiveerden de magistraten waarom de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis in het concrete dossier volgens hen niet mogelijk was. 394

183

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

dossiers op 41, of 26,82%), in tegenstelling tot de Kamer van Inbeschuldigingstelling (slechts 1 dossier op 22, of 4,54%) en, in mindere mate, de Raadkamer (2 dossiers op 14, of 14,28%). In totaal viseerden de onderzoeksgerechten dus slechts in 8,3% van de gevallen een of andere vorm van elektronisch toezicht als mogelijk detentievervangend alternatief. Dit aandeel neemt trouwens nog af wanneer ook de dossiers van de Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling (n=24)396 in rekening worden gebracht; deze dossiers werden in onze analyse buiten beschouwing gelaten bij gebrek aan voldoende bijkomende detailinformatie. Wanneer deze dossiers mee in de analyse over het mogelijke toepassingsgebied worden betrokken, dan zien de onderzoeksgerechten enige toepassingsmogelijkheid voor elektronisch toezicht in slechts 5% van de gevallen (nl. in 3 dossiers op 60). In zijn globaliteit beschouwd, d.w.z. wanneer de dossiers van de onderzoeksrechters ook worden inbegrepen, kent het elektronisch toezicht dan een toepassingsbereik van 13,86%. Hoewel er op het vlak van de leeftijdsverdeling geen erg grote verschillen te bemerken vallen tussen diegenen die wél en diegenen die niet in aanmerking komen voor elektronisch toezicht397, is het aan de andere kant wel bijzonder vermeldenswaard dat het feit of men al dan niet dan niet recht heeft om op het Belgisch grondverblijf te verblijven enig differentiërend effect heeft op de te nemen beslissing. Niettegenstaande dat personen zonder recht op verblijf niet per definitie worden uitgesloten van de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis (!), zouden zij er verhoudingsgewijs wel in mindere mate van kunnen genieten dan diegenen die wel verblijfsgerechtigd zijn: voor de 42 niet-verblijfsgerechtigde verdachten wordt elektronisch toezicht overwogen in 5 dossiers (d.i. in 11,90% van de gevallen) 398 tegenover in 9 dossiers van de 35 personen mét recht op verblijf (d.i. 25,71%). In gelijkaardige zin stellen we tevens vast dat personen die beschikken over de Belgische nationaliteit in zeer sterke ‘bevoordeeld’ lijken te zijn voor wat mogelijke ET-toepassing betreft: van de 20 Belgen komen er 8 in aanmerking voor elektronisch toezicht (d.i. 30,0%) tegenover slechts 6 van de 52 vreemdelingen (11,5%)399. Hoewel de magistraten, daar waar ze de toepassing van het elektronisch toezicht mogelijk achten, in de meeste gevallen opteren voor één specifiek model van elektronisch toezicht, werden er in 4 dossiers twee verschillende modellen van elektronisch toezicht als mogelijkheid naar voren geschoven. Er bestaat bovendien geen uitgesproken voorkeur 396

De Nederlandstalige Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling vond toepassing van elektronisch toezicht in geen enkel van de door haar gescreende dossiers opportuun. 397 De gemiddelde leeftijd van diegenen voor wie elektronisch toezicht zou worden toegepast, bedraagt 30,60 jaar tegenover 32,06 jaar voor wie daarvoor niet in aanmerking komt. De mediaanwaarden wijzen echter in omgekeerde richting (33,5 tegenover 30,0 jaar) hetgeen betekent dat de gemiddelde leeftijd sterk wordt beïnvloed door extreme waarden. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de geobserveerde maximumleeftijd in de populatie die niet voor elektronisch toezicht in aanmerking komt, merkelijk hoger ligt dan in deze die wel voor elektronisch toezicht in aanmerking komt (58 tegenover 49 jaar). 398 Het gaat hierbij trouwens niet steeds om dezelfde magistraat die elektronisch toezicht zou overwegen, alsook niet om één specifiek rechtsgebied of arrondissement. 399 Zoals hoger reeds aangegeven was de nationaliteit in 5 dossiers niet bekend.

184

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

voor één of ander model van elektronisch toezicht. Er is sprake van een vrij evenwichtige verdeling van de verschillende modellen: ‘traditioneel model’ (5 dossiers), ‘model thuisdetentie’ (7 dossiers) en ‘model GPS’ (6 dossiers). Het gaat hier in totaal om 18 aangevinkte toepassingsmogelijkheden, gelet op het feit dat combinaties voorkomen (zie onderstaande tabel 2.11): in 2 dossiers werd zowel het traditionele als GPS-model toepasbaar geacht, in 1 dossier het model thuisdetentie en het GPS-model, en in nog een ander dossier het traditionele model en het model thuisdetentie. Tabel 2.11: Overzicht van de toepasbaar geachte ET-modellen (als enig model of naast een ander mogelijk toepasbaar model) Model Traditioneel Thuisdetentie GPS Totaal

Traditioneel 2 1 2 5

Thuisdetentie 1 5 1 7

GPS 2 1 3 6

Naar misdrijftype toe werd het klassieke ‘traditioneel model’, zoals dit thans functioneert op het niveau van de strafuitvoering, toepasbaar geacht in volgende gevallen: diefstal (in relatie tot heroïnegebruik) (1), diefstal met geweld of bedreiging door 2 of meer personen + handtasdiefstal (1; zie ook ‘GPS-model), diefstal en heling van auto’s (1), onwettig bezit en verkoop van verdovende middelen (1; zie ook ‘GPS-model’), slagen en verwondingen + poging tot diefstal (1; zie ook ‘model thuisdetentie’). In zeven dossiers werd het ‘model thuisdetentie’ als mogelijk ET-model vooropgesteld en dit met betrekking tot volgende inbreuken: bezit en verkoop van verdovende middelen (1), diefstal met geweld (1), winkeldiefstal zonder geweld (2), slagen en verwondingen + poging tot diefstal (1; zie ook ‘traditioneel model’), wederrechtelijke vrijheidsberoving (1), en valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken + poging tot oplichting + poging tot informaticabedrog (1; zie ook ‘GPS-model’). Het ‘GPS-model’ ten slotte werd toepasselijk bevonden in volgende gevallen: diefstal met geweld of bedreiging door 2 of meer personen + handtasdiefstal (1; zie ook ‘traditioneel model’), overval (1), handel in verdovende middelen (1), onwettig bezit en verkoop van verdovende middelen (1; zie ook ‘traditioneel model’), onwettig bezit en invoer van verdovende middelen, met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming uitmaakt van de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging (1), en valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken + poging tot oplichting + poging tot informaticabedrog (1; zie ook ‘model thuisdetentie’). Hoewel de strafbare feiten waarvoor elektronisch toezicht toegepast zou worden in het kader van de voorlopige hechtenis, enigszins gevarieerd blijken te zijn, gaat het overwegend toch om inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen en om diefstallen, al dan niet met geweld. Drugsmisdrijven zijn hoe dan ook erg sterk vertegenwoordigd in het ganse onderzochte staal dossiers (25 dossiers, of 32,46%), net zoals (pogingen tot) diefstal, al dan niet met geweld (32 dossiers, of 41,55%).

185

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Levensdelicten (moord, doodslag) daarentegen komen beduidend minder frequent voor (n=3)400, en in deze gevallen werd trouwens ook geen enkele toepassing van elektronisch toezicht overwogen. Teneinde, voor die dossiers waarin de toepassing van elektronisch toezicht wordt overwogen, een meer concreet beeld te schetsen van de realiteit die schuilgaat achter deze abstracte misdrijfcategorieën en van de concrete omstandigheden waaronder de feiten werden gepleegd, worden hiernavolgend een concrete samenvatting van de casussen in kwestie aangeleverd. Daarbij wordt ook nog eens aangegeven welk concreet model werd geviseerd, welke instantie elektronisch toezicht in de concrete casus toepasbaar achtte, en hoeveel dagen hechtenis de verdachte in kwestie op het ogenblik van de bevraging al had ondergaan. - Daderschap of mededaderschap diefstal met geweld en/of bedreigingen: Er zijn ernstige aanwijzingen dat de verdachte betrokken is geweest bij diefstal met geweld en/of bedreigingen van de handtas van een bejaarde dame. Het slachtoffer is ernstig gewond. De verdachte was eerder ook al betrokken bij een gelijkaardige handtasdiefstal. De feiten wijzen op een gevaarlijke geestesgesteldheid in hoofde van de inverdenkinggestelde. De verdachte bekent maar ontkent de bedoeling gehad te hebben de vrouw zeer te doen. De verdachte verdedigt zich en zegt dat hij goed bezig is: hij is ingeschreven bij verschillende interim-bureaus, hij ontvangt kindergeld. [Traditioneel model – GPS-model - – onderzoeksrechter – 64 detentiedagen] - Onwettig bezit en invoer van verdovende middelen met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming uitmaakt aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging: De verdachte is onderschept op de luchthaven van Zaventem in verband met de invoer van cocaïne. Haar verhaal is dat ze bij wijze van een vriendendienst deze goederen zou hebben overgebracht voor iemand die ze nauwelijks kent, om af te geven aan iemand die ze ook niet kent. Ze zou hiervoor geen geld krijgen, het was een vriendendienst. Het verhaal komt volgens de onderzoeksrechter ongeloofwaardig over. De verdachte is nooit eerder veroordeeld geweest. Ze is zelfstandige, heeft een winkel, haar man werkt en ze heeft een zoon. [GPS-model - – onderzoeksrechter – 108 detentiedagen] - Wederrechtelijke vrijheidsberoving (Europees aanhoudingsmandaat 401 vanuit Nederland): De verdachte stemt in met zijn uitlevering aan Nederland. Hij werkt in vast dienstverband. Hij zou kunnen verblijven bij een vriend van hem in België. [Model thuisdetentie - onderzoeksrechter – 60 detentiedagen] - Onwettig bezit en verkoop van verdovende middelen: Uit verschillende elementen uit het dossier, met name de in beslag genomen documenten, instrumenten, verpakkingen en hoeveelheden verdovende middelen, alsmede de verklaring van de inverdenkinggestelde zij het minimaliserend, blijken er ernstige aanwijzingen te zijn dat de inverdenkinggestelde betrokken zou zijn bij het gebruik van verdovende middelen, met name marihuana, speed, XTC, cocaïne, GHB en de verkoop ervan om anderen te “depanneren”. De persoon is nog nooit veroordeeld geweest voor drugs, heeft wel een aantal veroordelingen wegens verkeersovertredingen opgelopen. Hij zegt dat de marihuana en andere drugs voor eigen gebruik bestemd waren. Hij is alleenstaande, werkloos, en leeft van de verkoop van zijn huis. 400

Aangezien de daartoe noodzakelijke informatie veelal ontbreekt, kunnen voor de Nederlandstalige dossiers geen uitspraken worden gedaan over de prevalentie van misdrijven strafbaar met opsluiting van meer dan 15 jaar. 401 Anders dan bij de voorlopige hechtenis beslist de (Belgische) onderzoeksrechter niet over het al dan niet uitvaardigen van een aanhoudingsbevel, aangezien de buitenlandse collega reeds een Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd dat enkel ten uitvoer moet worden gelegd. De onderzoeksrechter kan de verdachte echter, onder voorwaarden of mits betaling van een borgsom, in vrijheid laten tot op het tijdstip waarop definitief wordt beslist over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. De betrokkene kan eveneens in de loop van de procedure in vrijheid worden gesteld. (C. Van den Wijngaert, m.m.v. S. Vandromme, B. De Smet, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen (7de herziene uitgave), Antwerpen, Maklu, 2009, 1149).

186

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS Betrokkene geeft toe dat hij af en toe wel eens iets verkoopt, maar niet in de regel. Hij zegt niet drugsafhankelijk te zijn maar wel alcoholist. [Traditioneel model – GPS-model - onderzoeksrechter – 61 detentiedagen] - Valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, poging tot oplichting, poging tot informaticabedrog (Europees aanhoudingsbevel vanuit Spanje): De verdachte zou in Alicante, Spanje met een factuur op andere naam in een huishoudapparatenwinkel een airconditioning apparaat hebben willen afhalen en zou in het bezit zijn gevonden van originele facturen gemaakt op basis van een gemanipuleerde kredietkaart. De verdachte gaat niet akkoord met de uitlevering naar Spanje. Hij zegt: “ik werd reeds vijf keer aangehouden en terug vrijgelaten voor dezelfde feiten, vermits ik niets met de feiten te maken heb. Ik zal trouwens klacht neerleggen tegen mijn aanhouding. Ik heb reeds ongeveer 11 maanden in de gevangenis gezeten in verschillende stukken.” De verdachte zou nog 312 dagen moeten uitzitten volgens het dossier. [Model thuisdetentie – GPS-model - onderzoeksrechter – 61 detentiedagen] - Daderschap of mededaderschap verschillende winkeldiefstallen: De verdachte is deze keer op heterdaad betrapt door een winkeldetective. De feiten zouden verband houden met het heroïnegebruik van de persoon in kwestie. Hij heeft geen vaste woonplaats, is werkzoekend en is al eens eerder veroordeeld geweest voor verboden wapenbezit en poging tot inbraak. [Traditioneel model - onderzoeksrechter - 66 detentiedagen] - Daderschap of mededaderschap diefstal en heling van auto’s. [Traditioneel model – onderzoeksrechter ] - Daderschap of mededaderschap diefstal met geweld: De verdachte had samen met een kompaan een advertentie in de krant gezet met auto te koop. Hier heeft iemand op gereageerd en ze hebben deze persoon van zijn geld beroofd en hierbij geweld gebruikt. [GPS-model - onderzoeksrechter] - Daderschap of mededaderschap van diefstal met geweld: De verdachte maakte deel uit van een bende, en was ten tijde ten tijde van de aanhouding onder vrijheid onder voorwaarden. Hij staat bekend als veelpleger. [Model thuisdetentie – Raadkamer - 51 detentiedagen] - Slagen en verwondingen en poging tot diefstal: De verdachte heeft een verleden van opzettelijke slagen en verwondingen en is al vier à vijf jaar bekend bij de jeugdrechtbank. [Traditioneel model – Model thuisdetentie - Raadkamer - 58 detentiedagen] - Daderschap of mededaderschap bezit verdovende middelen (teveel voor eigen gebruik): De verdachte heeft zich spontaan gemeld bij de politie nadat zijn neef was aangehouden. Hij beweert dat de betreffende drugs van zijn neef zijn. Hij is nog nooit eerder veroordeeld. Hij leeft van een werkloosheidsuitkering. Er is onduidelijkheid over van wie de drugs waren; de neef van de verdachte beschuldigt hem van bezit. Er is ook onduidelijkheid over een garagebox en hetgeen er is opgeslagen. [Model thuisdetentie – onderzoeksrechter - 0 detentiedagen] - Daderschap of mededaderschap winkeldiefstal zonder geweld: De verdachte verblijft illegaal in België. Hij stond op de uitkijk terwijl zijn kompaan iets uit de winkel stal. Hij heeft een adres maar heeft geen inkomen. [Model thuisdetentie – onderzoeksrechter - 0 detentiedagen] - Daderschap of mededaderschap winkeldiefstal zonder geweld: De verdachte verblijft illegaal in België, zonder adres en inkomen. [Model thuisdetentie – onderzoeksrechter - 0 detentiedagen] - Handel in verdovende middelen: De verdachte is zelf gebruikster, en verkocht heroïne en speed. Zij wordt door andere gebruikers aangeduid als dealer. [GPS-model – Kamer van Inbeschuldigingstelling – 18 detentiedagen]

187

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

De verdeling van de ET-dossiers laat naar aantal reeds ondergane detentiedagen toe zien dat elektronisch toezicht ook wel degelijk wordt overwogen in dossiers waar de voorlopige hechtenis zich in feite nog in een beginstadium bevindt: in de helft van de dossiers gaat het om een termijn van minder dan 2 maanden, in de andere gevallen werd een detentieduur van 2 maanden of meer opgetekend402. Ten aanzien van de dossiers waarin magistraten elektronisch toezicht niet zouden overwegen, werden door de betrokkenen volgende redenen (opgetekend in 62 van de 63 niet voor elektronisch toezicht in aanmerking komende dossiers) als tegenindicatie opgeworpen: - uitsluitend de zwaarwichtigheid van de feiten (2 dossiers); - uitsluitend de afwezigheid van het recht op verblijf op het grondgebied (1 dossier); - op zijn minst één van de wettelijke ‘tegenindicaties’ (collusie-, verduisterings-, onttrekkings- en recidivegevaar), zonder verwijzing naar de zwaarwichtigheid van de feiten (40 dossiers; in 28 van deze dossiers werd als bijkomende motivering verwezen naar de afwezigheid van enig recht op verblijf); - zowel de zwaarwichtigheid van de feiten als één of meerdere wettelijke ‘tegenindicaties’ (19 dossiers). In totaal wordt dus in 59 dossiers naar op zijn minst één van de wettelijke tegenindicaties verwezen. Bij deze dossiers vermelden 4 dossiers alle 4 de wettelijke ‘tegenindicaties’, terwijl 31 dossiers (d.i. meer dan de helft) verwijzen naar op zijn minst twee wettelijke ‘tegenindicaties’. Wanneer de motivering enkel gebaseerd is op het onttrekkingsgevaar (of vluchtgevaar) (18 dossiers), dan gaat deze omzeggens steeds gepaard met een tweede motivering, nl. de afwezigheid van het recht op verblijf op het grondgebied (in 16 op de 18 dossiers). In slechts 3 dossiers steunt de argumentatie uitsluitend op het collusiegevaar, in geen enkel geval exclusief op het verduisteringsgevaar. En in slechts 7 gevallen wordt als motivering enkel verwezen naar het gevaar op recidive; daarbij wordt in 3 gevallen bijkomend verwezen naar de zwaarwichtigheid der feiten. Algemeen beschouwd (zie tabel 2.12) vormt het vluchtgevaar het belangrijkste motief om elektronisch toezicht te weigeren (47 op 62 dossiers, al dan niet gecombineerd met andere motieven), gevolgd door: de afwezigheid van het recht op verblijf op het grondgebied (38 dossiers), het recidivegevaar (35 dossiers), de zwaarwichtigheid van de feiten en het collusiegevaar (beide 21 dossiers), en het verduisteringsgevaar (8 dossiers). De relatief geringe impact van het verduisterings- en collusiegevaar kan hier wél te maken hebben met het feit dat het hier veelal gaat om hechtenissen die al even duren, waardoor de bekommernis om de vrijwaring van het gerechtelijk onderzoek slechts in mindere mate een rol speelt. Vergelijken we de motivering om elektronisch toezicht niet toe passen met de motivering van de aanhouding zelf, dan stellen we vast dat het motief ‘collusiegevaar’ zich ietwat minder scherpt stelt wanneer het er om gaat elektronisch toezicht al dan niet te 402

Terwijl het in 3 gevallen ging om personen die pas waren aangehouden (0 dagen hechtenis), bedroeg de geobserveerde maximale termijn hier 108 dagen. In 2 gevallen is de duur van de reeds ondergane hechtenis onbekend.

188

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

overwegen. Daar waar elektronisch toezicht niet zou worden toegekend, zou dit in ongeveer één-derde van de dossiers gebeuren omwille van collusiegevaar. Opvallend is dat het vluchtgevaar niet alleen een voorname rol speelt om elektronisch toezicht niet toe te wijzen, maar ook een zeer prominente factor blijkt te zijn om de aanhouding op te baseren. Wellicht heeft één en ander hier ook te maken met het vrij hoge percentage vreemdelingen, bovendien vaak zonder recht op verblijf, binnen het staal geanalyseerde dossiers. Tabel 2.12: Overzicht van de motiveringen voor het aanhoudingsmandaat en de niettoepassing van elektronisch toezicht (enkel cases waarin elektronisch toezicht niet werd overwogen) Motivering aanhoudingsmandaat*

Motivering niet-toepassing ET*

---

33,9%

Collusiegevaar

41,3%

33,9%

Verduisteringsgevaar

9,5%

12,9%

Onttrekkingsgevaar

74,6%

75,8%

Recidivegevaar

66,7%

56,5%

Geen recht op verblijf

58,7%

61,3%

Criteria Zwaarwichtigheid feiten

* N=62 (motivering aanhoudingsmandaten) en N=63 (motivering niet-toepassing ET)

2.4 ENKELE COMMENTAREN VAN MAGISTRATEN NAAR AANLEIDING VAN DE SCREENING VAN DOSSIERS (NEDERLANDSTALIG LUIK) Naar aanleiding van de bevraging van Nederlandstalige magistraten op basis van reële gerechtelijke dossiers, werden verschillende bedenkingen geformuleerd, kanttekeningen geplaatst en commentaren geleverd met betrekking tot de toepassing van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis. Het is van belang deze gegevens mee in rekening te brengen bij de interpretatie van de kwantitatieve resultaten van de dossierscreening. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat er over het algemeen redelijk wat scepsis leeft bij de magistraten in verband met elektronisch toezicht. Dit komt vooral voort uit hun kennis en ervaringen met de wijze waarop elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering wordt toegepast en wat hierover in de media wordt gecommuniceerd. Met name met betrekking tot de betrouwbaarheid van de technologie, de controle, de lange wachtlijsten en de beschikbaarheid van de enkelbanden werden heel wat vragen geformuleerd. Eén van de aspecten die hun bijzondere aandacht wegdroeg, was de kwestie of het elektronisch toezicht meteen operationeel zou zijn indien men dit zou opleggen, dan wel of de verdachte nog een tijd zou dienen te wachten op een enkelband.

189

CHAPITRE 2 – LA PAROLE AUX ACTEURS HOOFDSTUK 2 – ACTOREN AAN HET WOORD

Het feit dat de betrokken magistraten in het kader van de screening werden geïnformeerd en hen de mogelijkheid werd geboden om ook huisarrest (thuisdetentie) of elektronisch toezicht met GPS te overwegen, heeft er wel toe geleid dat sommigen hun opinie met betrekking tot toepassing van elektronisch hebben bijgesteld. Een aantal magistraten was er van bij aanvang van overtuigd dat geen enkele casus voor elektronisch toezicht in aanmerking zou komen, doch bij nader inzien bleken zij toch een aantal cases daartoe geschikt te vinden. Een aantal belangrijke thema’s die tijdens de gesprekken met magistraten naar aanleiding van de screening van dossiers vaak weerkeerden, kunnen als volgt worden beschreven. Verschillende magistraten gaven aan dat de overbevolking van de gevangenissen in hoge mate wordt gedetermineerd door het aanzienlijke aantal illegale vreemdelingen die onder voorlopige hechtenis worden opgesloten. De meeste magistraten gaven aan dat veel illegalen ‘noodgedwongen’ worden opgesloten voor misdrijven waarvoor eigen onderdanen niet worden opgesloten, bijvoorbeeld voor loutere winkeldiefstallen, zonder geweld. Mocht elektronisch toezicht kunnen worden toegewezen met verblijf in een ‘asielcentrum’ 403, dan zouden sommige magistraten hiervoor probleemloos opteren: in die zin werd in het kader van de screening soms geopteerd voor toepassing van elektronisch toezicht, zij het slechts onder conditie dat een degelijke opvangstructuur aanwezig zou zijn. Een gerelateerd probleem dat vooral in Antwerpen te berde werd gebracht, betreft de problematiek van een nog andere categorie van verdachten, nl. personen zonder vast adres (‘landlopers’, daklozen). Ten aanzien van deze categorie acht men toepassing van elektronisch toezicht eveneens niet mogelijk. Een grote meerderheid van de magistraten gaf wel te kennen in sommige van deze gevallen wel elektronisch toezicht toe te passen in zoverre de verdachte over een vast adres zou beschikken. Vooral de onderzoeksrechters waren van mening dat elektronisch toezicht vaak geen toepassing zou kunnen krijgen omwille van het collusiegevaar of onduidelijkheid over wie de dader(s) en/of mededader(s) zijn. Wanneer dit gevaar echter geweken zou zijn en/of de onduidelijkheden in het onderzoek opgelost zouden zijn, dan zou men zich wel voorstander betonen voor de toepassing van elektronisch toezicht. Een aantal magistraten was verder van oordeel dat ze elektronisch toezicht alleen zouden toepassen indien het zou gaan om GPS-controle. De klassieke (traditionele) vorm van elektronisch toezicht kon hen weinig vertrouwen schenken. Eén magistraat zag het gebruik van GPS bijvoorbeeld ook als ‘drukkingsmiddel’ bij een drugsverslaafde om werk te zoeken en ‘zijn leven te beteren’. Begeleiding werd door verschillende magistraten aanzien als een randvoorwaarde om elektronisch toezicht toe te passen, vooral bij jongvolwassenen en drugsgebruikers. Een andere magistraat meende ook veel mogelijkheden te zien voor de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van Europese aanhoudingsbevelen, tenminste indien de persoon een verblijfsadres zou 403

Er werd niet concreet toegelicht welk soort (asiel)centrum werd geviseerd (cf. het verschil tussen open en gesloten centra), doch mocht het gaan om ‘gesloten’ centra, dan kan moeilijk de meerwaarde van het elektronisch toezicht in dergelijke context worden ingezien.

190

SECTION II – EXAMEN DE DOSSIERS JUDICIAIRES AFDELING II – SCREENING VAN GERECHTELIJKE DOSSIERS

kunnen voorleggen. En tot slot gaven verschillende onderzoeksrechters aan dat ze elektronisch toezicht zouden toepassen als controlemiddel in dossiers waarin een vrijheid onder voorwaarden zou worden toegekend: vooral binnen deze context werden redelijk wat mogelijkheden erkend om elektronisch toezicht toe te passen.

191

Hoofdstuk 3 – Chapitre 3 Voorlopige hechtenis in beeld (jaar 2008) – La détention préventive en chiffres (année 2008)

1

Situering en initiële vraagstelling

1.1 BELANG VAN HET KWANTITATIEF ONDERZOEK NAAR DE TOEPASSING VAN DE VOORLOPIGE HECHTENIS IN 2008 Ter ondersteuning van het debat in verband met de eventuele toepassing van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis, werd het in voorliggend project “Toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis”, ook nuttig geacht een kwantitatieve analyse uit te voeren op basis van bestaande databanken, in het bijzonder de databank van de penitentiaire administratie (SIDIS-Griffie). Deze analyse dient toe te laten een accuraat beeld te schetsen van de mogelijke impact van eventueel voorgestelde hervormingen op de penitentiaire capaciteit en/of vanuit de resultaten van de analyse (nieuwe) ideeën aan te reiken voor de nadere studie van een aantal vragen die zich stellen met betrekking tot de invoering van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis.

1.2 INITIËLE VRAGEN Als uitgangspunt werd vooropgesteld dat het kwantitatieve onderzoek met betrekking tot verdachten die onder aanhoudingsmandaat werden geplaatst, in de mate van het mogelijke een antwoord diende te geven op de vraag naar: − het socio-biografisch profiel van de personen die onder aanhoudingsmandaat worden geplaatst; − de gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis en het moment waarop het einde van de voorlopige hechtenis tussenkomt; en − de misdrijven die ten grondslag liggen van het aanhoudingsmandaat, etc.

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

1.3 AANGEWEZEN EN GEHANTEERDE GEGEVENSBRONNEN EN DATA Voor de beantwoording van hoger vermelde vragen werd beroep gedaan op gegevens geregistreerd in de databank van de penitentiaire administratie (SIDIS-Griffie). Gelet op de vlotte toegankelijkheid van deze gegevensbron en de opgedane ervaring van de onderzoeksequipe met het gebruik van deze gegevensbank werd binnen dit kwantitatief onderzoek vrijwel uitsluitend van deze databank SIDIS-Griffie gebruik gemaakt 404 . Gegevens werden opgevraagd voor aanhoudingsmandaten die in de loop van het jaar 2008 een begin van uitvoering kenden.

2

Opzet van het kwantitatieve onderzoeksluik

2.1 OMSCHRIJVING VAN DE GEVRAAGDE EXTRACTIE (2008) Bij de omschrijving van de te bestuderen onderzoekspopulatie werd in het voorliggende onderzoek niet enkel uitgegaan van de opsluitingen (‘vanuit vrijheid’) als beklaagde – zoals dit gebruikelijk is bij de presentatie van de officieel gepubliceerde penitentiaire statistiek (cf. Activiteitenverslag Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen 2008) -, maar van zowel opsluitingen vanuit vrijheid als beklaagde als tijdens lopende detenties afgeleverde aanhoudingsmandaten. Wat de te bestuderen tijdsperiode betreft, werd uit de penitentiaire databank een extractie opgevraagd met betrekking tot de detentieperiodes onder aanhoudingsmandaat waarbij de uitvoering van het aanhoudingsmandaat een aanvang nam in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008. Voor de bedoelde aanhoudingsmandaten werd aan de penitentiaire administratie gevraagd om verschillende soorten informatie uit de databank te onttrekken, en deze met het oog op analyse in een databestand over te maken. De aangevraagde informatie had betrekking op: − socio-biografische kenmerken van de gedetineerden (leeftijd, geslacht, nationaliteit) − gegevens in verband met de verblijfstoestand (land en plaats van verblijf, verblijfsstatuut) − misdrijfgerelateerde kenmerken: misdrijfcodes − penitentiaire gegevens: plaats van opsluiting (gevangenis) − tijdsvariabelen: begin en einde aanhoudingsmandaat, aansluitende wettelijke toestand of invrijheidstellingswijze (in voorkomend geval) − historische gegevens in verband met de voorlopige hechtenis: data beslissingen en instanties, aard beslissing.

404

De cijfergegevens die uit de analyse van deze databank resulteerden, werden in een verder stadium wel nog in verband gebracht met gegevens uit de databank SIPAR van het Directoraat-generaal Justitiehuizen. De kwantitatieve analyse op deze data werd uitgevoerd door collega Alexia Jonckheere, in het kader van het onderzoeksproject ‘Wetenschappelijke exploitatie van SIPAR, de databank van de justitiehuizen’.

194

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Aansluitend werd ons door de Dienst ICT van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) begin juni 2009 een databestand (Access-formaat) overgemaakt. Schema 3.1: Overzicht aangeleverd databestand voorlopige hechtenis 2008

In hetgeen volgt wordt vooreerst stilgestaan bij de verschillende methodologische aspecten die van belang zijn geweest voor de analyse van de gegevens (par. 2.2. e.v., en par. 3). Bij de daaropvolgende presentatie van de resultaten zal worden ingezoomd op vier grote aspecten, nl. het socio-biografisch profiel van de populatie voorlopig gehechten (jaar 2008; par. 4.1.), misdrijfgerelateerde kenmerken en penitentiaire indicatoren (ook enkel voor het jaar 2008; par. 4.2.), en de duur van de voorlopige hechtenis, zij het maximaal tot de beslissing tot verwijzing (par. 4.3.). Ten slotte wordt ook nog een vergelijking gemaakt tussen enerzijds de beklaagdenpopulatie en anderzijds de populatie voor wie door de justitiehuizen in het jaar 2008 een mandaat inzake vrijheid onder voorwaarden werd opgenomen (par. 4.4.).

195

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

2.2 STRUCTUUR AANGELEVERD DATABESTAND (JAAR 2008) Voor het jaar 2008 werden – zoals in bijgaand schema wordt aangegeven (supra, schema 3.1) - binnen het aangeleverde Access-bestand verschillende tabellen opgemaakt die elk betrekking hebben op een bijzonder aspect van de aanhoudingsmandaten waarvan de uitvoering begon in 2008, o.m.: socio-biografische kenmerken, misdrijfgerelateerde kenmerken, informatie in verband met de initiële penitentiaire toestand en de toestand op het ogenblik van de aflevering van het aanhoudingsmandaat, het verloop van de voorlopige hechtenis, en de uiteindelijke (definitieve) beslissing ten gronde (voor zover gedetineerd tot op het ogenblik van de uitspraak).

2.3 KEUZE VAN TELEENHEID De aangeleverde databestanden laten toe om analyses te verrichten op diverse niveaus, nl. per gedetineerde, per detentieperiode (waarbinnen een periode van voorhechtenis gesitueerd is) of per detentietitel (van voorlopige hechtenis). Schema 3.2: Verduidelijking diverse analyseniveaus TELEENHEDEN

GEDETINEERDE Titel 1 DETENTIE 1

Titel 2 Titel n

Titel 1 DETENTIE 2

Titel 2 Titel n

Titel 1 DETENTIE n

Titel 2 Titel n

Bij de presentatie van de resultaten werden verschillende teleenheden gebruikt. Wanneer het gaat om het socio-biografisch profiel van de beklaagden, worden de resultaten voorgesteld op het niveau van de teleenheid van (unieke) gedetineerde. Voor het overige, bijvoorbeeld voor wat de duur van de hechtenis en het misdrijfprofiel betreft, is geopteerd voor een analyse op het niveau van de detentietitels (van voorlopige hechtenis). D.w.z. dat hier de duur van elke detentieperiode van voorhechtenis apart werd bestudeerd, ongeacht het feit of eenzelfde gedetineerde doorheen de bestudeerde tijdsperiode 196

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

(onderbroken) één of meerdere periodes van (voor)hechtenis heeft ondergaan, of dat voor een gedetineerde binnen één en dezelfde detentie één of meerdere aanhoudingsmandaten werden uitgevoerd. De teleenheid betreft dan dus de detentietitel (periode) van voorhechtenis (supra, schema 3.2).

3

Fasering van en methodologische kanttekeningen bij het kwantitatieve onderzoeksluik

In de periode tussen de ontvangst van de bedoelde extractie (12 juni 2009) – waarvan de gegevens zijn bijgewerkt tot op datum van 9 juni 2009 - en de fase van de eindredactie werden met betrekking tot de vooropgestelde analyse van de penitentiaire gegevens voor het jaar 2008 verschillende onderzoeksactiviteiten verricht, nl.: studie van de aangeleverde databestanden, doorvoeren van correcties, samenvoeging van de verschillende tabellen tot één definitief bestand, en uiteindelijk uitvoering van de kwantitatieve analyses. In een eerste fase werden de aangeleverde databestanden nauwkeurig bestudeerd. Tijdens deze ‘studieronde’ werd een overzichtstabel samengesteld waarin de structuur van het aangeleverde databestand en de hierin opgenomen variabelen werden weergegeven. Tevens werden via enkelvoudige analyses op de databestanden controles doorgevoerd teneinde de interne coherentie en correctheid/volledigheid van de geregistreerde gegevens te toetsen. In deze eerste fase werd met het oog op de verduidelijking van de tabelstructuren en de variabelen/codes ook overleg gepleegd met de Dienst ICT van de penitentiaire administratie. Op basis van de vaststellingen die werden gedaan tijdens de eerste fase van controle van de aangeleverde gegevens, werden een aantal eerste correcties of meer duidelijke coderingen aangebracht in de originele – en zeer uitvoerige - tabellen zoals die ons door de penitentiaire administratie werden overgemaakt, zoals onder andere: de invoering van uniforme codes voor onbekende geboortedata (wijzigingen in tabel ‘detenu_2008’), de wijziging van een aantal verkeerdelijk als niet-prioritair gemarkeerde wettelijke toestanden (of hechtenistitels) in prioritaire wettelijke toestand (= wijziging in tabel ‘situation_legale’) 405 , correcties van de datum van beslissing (tot veroordeling, internering) waar soms verkeerdelijk een andere datum werd geregistreerd (bijv. geboortedatum, of andersoortige vergissingen in jaartal) (= aanpassing in tabel ‘juridiction_2008’), … Nadat de meest opvallende foute registraties in het originele databestand werden gecorrigeerd, werd in een volgende fase getracht de voor de analyse relevante gegevens uit de verschillende tabellen samen te voegen in een definitief werkbestand waarop

405

Meer concreet: in de gevangenisstatistiek krijgt de titel van voorlopige hechtenis sinds de invoering van het nieuwe Griffie-programma voorrang op andere hechtenistitels (zoals bijv. deze van definitief veroordeelde).

197

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

vervolgens – mits creatie van een aantal nieuwe variabelen - een volledige analyse kon worden doorgevoerd. Vóór samensmelting van de verschillende tabellen in één definitief bestand werden echter in een aantal originele – en desgevallend al eerder gecorrigeerde – tabellen enkele operaties doorgevoerd die de verdere analyses dienden te vereenvoudigen. Dit is met name het geval voor de tabel die gegevens bevat met betrekking tot de misdrijven die aan het aanhoudingsmandaat zijn gekoppeld. De grote variëteit aan (vaak al te gedetailleerde) misdrijfcodes noodzaakt immers tot een rationalisering, t.t.z. dat voor de presentatie van zinvolle resultaten een hergroepering van de codes in ruimere misdrijfcategorieën (N=22) noodzakelijk is (zie bijlage voor een overzicht van de detailcodes die in ruimere delictcategorieën werden gegroepeerd). Voor de hergroepering van de misdrijfcodes in ruimere categorieën werd dezelfde wijze van categorisering gebruikt als in eerder NICConderzoek uit 2005 406 , met dien verstande evenwel dat de pas meer recent geïntroduceerde code voor het misdrijf ‘belaging’ (stalking) nu als een bijkomende, aparte categorie werd beschouwd. Aansluitend werd dan per periode van voorhechtenis gecontroleerd voor ‘dubbels’ (in misdrijfcategorieën): dubbels werden uiteindelijk verwijderd waardoor er dus binnen één en dezelfde misdrijfcategorie geen dubbeltellingen kunnen voorkomen (per periode van voorlopige hechtenis). Concreet: een periode van voorhechtenis met twee geregistreerde ‘drugsmisdrijven’ zal uiteindelijk slechts één maal als zodanig geteld worden (binnen de misdrijfcategorie ‘drugs’). Daarnaast werden alle tabellen voorafgaand tevens geherstructureerd zodanig dat alle gegevens die betrekking hebben op een en dezelfde periode van voorlopige hechtenis niet in verschillende tabelrijen, doch wel in één enkele rij verschijnen (zie schema 3.3).

406

Zie P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005, bijlage 1, p. 303 e.v.

198

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Schema 3.3: Overzicht structuur originele tabel in SPSS-formaat (voorlopige hechtenis 2008)

De aanwezigheid van gemeenschappelijke sleutelvariabelen in de diverse originele en dus ook geherstructureerde tabellen (nl. de meeste tabellen bevatten volgende sleutels: ‘Nr_Detenu’, ‘Nr_Detention’, ‘Nr_Titre’) liet ten slotte toe relevante informatie uit de diverse tabellen samen te voegen in één gegevensbestand (zie schema 3.4407). Als basisbestand werd de geherstructureerde tabel ‘Gestion_preventive’ gehanteerd (N=11.276 periodes van voorhechtenis). De gegevens uit deze tabel maken het mogelijk het verloop van de volledige periode van voorhechtenis tot aan een beslissing tot internering door de onderzoeksgerechten, de opheffing van het aanhoudingsmandaat of de beslissing tot verwijzing te reconstrueren. Uit de andere tabellen werd vervolgens die relevante informatie gehaald die verdere en verfijndere analyses van de VH-periodes uit de tabel ‘Gestion_preventive’ mogelijk maken (bijv. de bijhorende misdrijfcategorieën, socio-biografische kenmerken, ...). Casussen uit deze ‘andere’ tabellen die een equivalent hadden in de tabel ‘Gestion_preventive’, werden gekoppeld aan dit (basis)bestand

407

Uiteindelijk werden enkel de ingekleurde tabellen (uit schema 3.4) gebruikt voor onze analyse. Voor de andere tabellen rezen problemen op het vlak van (correcte) interpretatie van de daarin opgenomen data.

199

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

zodanig dat de analyse steeds betrekking heeft op de periodes van voorhechtenis die figureren in de basistabel ‘Gestion_preventive’.408 Van de betreffende 11.276 periodes van voorhechtenis (basisbestand ‘Gestion_preventive’) werden er nog 47 verwijderd omdat ze bij nader inzien geen betrekking hadden op een ‘gewoon’ aanhoudingsmandaat. Technisch gesproken was er binnen de variabele ‘Code_Regle’ geen sprake van een code 1 die staat voor de uitvaardiging van een ‘gewoon aanhoudingsmandaat’; een aantal codes verwees naar enkele particuliere gevallen (bijv. aanhoudingsmandaat ‘douane en accijnzen’, Europees aanhoudingsbevel, ...). Na uitvoering van deze correctie werd dan een bestand verkregen waarin uiteindelijk 11.229 periodes van voorhechtenis als analyse-eenheid overbleven. In dit (definitieve) bestand werden ook een aantal nieuwe variabelen gecreëerd die dienstig en noodzakelijk waren voor de verdere analyse. Zo werden bijvoorbeeld variabelen gecreëerd die refereren aan de duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot aan de verwijzingsbeslissing). Het gaat hier – voor wat deze eerste fase van de voorlopige hechtenis betreft - met name om het verschil tussen de ‘d_debut_decision’ van de eerste ‘Code_Regle’ (code ‘1’; = datum aanhoudingsmandaat) en de ‘d_debut_decision’ van de laatst geregistreerde ‘Code_Regle’ (= de laatste beslissing, maximaal tot de beslissing van verwijzing). Via enkele eenvoudige analyses op de data uit dit gegevensbestand werden enkele bijkomende controles uitgevoerd met het oog op een inschatting van de correctheid en volledigheid van de gegevens en het doorvoeren van eventuele verdere correcties. Eén van de belangrijkste problemen die hierbij aan het licht kwamen – maar ook al in vroeger onderzoek werden gedetecteerd 409 -, heeft betrekking op het feit dat voor een niet onbelangrijk deel van de periodes van voorhechtenis (ongeveer in zo’n 1.600 gevallen waar de eerste fase was afgesloten) klaarblijkelijk geen registratie gebeurde van de (feitelijk) laatste beslissing die in het kader van de voorhechtenis werd genomen. In het merendeel van deze casussen – en deze waarbij de voorlopige hechtenis nog lopend was op het moment dat de data uit de penitentiaire databank werden geëxtraheerd, zijn hier niet mee in beschouwing genomen - is als laatste ‘Code_Regle’ (lees: type beslissing) namelijk een code geregistreerd die geen afsluiting van de periode van voorhechtenis (hier: periode maximaal tot aan de verwijzing) kan betekenen (bijv. code ‘26’ die verwijst naar de handhaving van het bevel tot aanhouding zonder dat er beroep wordt aangetekend, als laatste beslissing). In een beperkt aantal gevallen van de casussen zonder feitelijk laatste beslissingstype was zelfs helemaal geen ‘Code_Regle’ meer geregistreerd na de eerste ‘Code_Regle’ (= 408

Gedetineerden die als beschuldigde werden opgesloten (en dus tijdens hun detentie een code JB12 als wettelijke toestand kennen), zijn enkel in de analyse betrokken indien zij voordien onder het statuut van ‘beklaagde’ (JB10) in voorlopige hechtenis verbleven; de categorie beschuldigden kent op zichzelf geen historiek in de tabel ‘Gestion_preventive’ die alle beslissingen tijdens de voorlopige hechtenis repertorieert tot maximaal aan de beslissing tot verwijzing. 409 P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005, p. 230.

200

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

‘Code_Regle’ met code ‘1’). D.w.z. dat hier wél het aanhoudingsmandaat was geregistreerd, maar zonder verdere aanvulling. De duur van de voorhechtenis werd in dit geval dan berekend rekening houdend met een eventuele beslissing tot invrijheidstelling (onder statuut van beklaagde: cf. code ‘ha’ = ‘reden van afschrijving’) en de daaraan gekoppelde datum van invrijheidstelling (‘Date_Liberation’). Voor deze casussen werd dergelijke operatie bijzonder wenselijk geacht gezien het hier gaat om de eerste fase van de voorlopige hechtenis, en zich in deze fase – zoals achteraf gebleken is – een zeer groot aantal invrijheidstellingen voordeed tijdens de eerste vijf dagen. De andere gevallen met een oneigenlijk laatste beslissingstype (‘Code_Regle’) werden niet aangevuld, gelet ook op de onmogelijkheid (in vele gevallen) om de datum van de laatste beslissing in het kader van de eerste fase van de voorlopige hechtenis nog te kunnen traceren (via consultatie van de databank SIDIS-Griffie). De datum waarop een eventuele beslissing tot verwijzing werd genomen, kan bijvoorbeeld enkel in de tabel ‘Gestion_preventive’ teruggevonden worden. Uit vroeger onderzoek blijkt alleszins dat het zeer aannemelijk is om te stellen dat, in de gevallen waarvan sprake, telkens enkel de laatste beslissing niet meer geregistreerd is410. De foutenmarge bij de berekening van de duur (= onderschatting van de hechtenisduur) moet dan ook niet als al te hoog worden ingeschat, wanneer men er althans van uit gaat dat de feitelijk laatste beslissing en de laatst geregistreerde beslissing niet al te ver van elkaar verwijderd zullen zijn in de tijd (ofwel is er aansluitend een beslissing tot opheffing van het aanhoudingsmandaat of tot internering, ofwel zou er een beslissing tot verwijzing moeten volgen). Eén en ander betekent natuurlijk wel dat, voor wat de door ons berekende duur betreft, rekening gehouden moet worden met een zekere onderschatting ervan. Enerzijds dus omdat de duur in een aantal gevallen in feite slechts werd berekend tot aan de voorlaatste beslissing, maar anderzijds ook omdat een aantal hechtenissen nog lopend was op de datum tot wanneer de gegevens uit de extractie zijn geactualiseerd (9 juni 2009). Verder is het ook nog van belang erop te wijzen dat de voorhechtenissen met een duur van minder dan 24 uur (waarvoor bij berekening van de duur in dagen in het dataverwerkingsprogramma SPSS 0 dagen wordt aangerekend) werden beschouwd als een voorhechtenis van één dag (= optrekking van de duur van 0 dagen tot 1 dag). Om de duur van de voorlopige hechtenis correct te kunnen berekenen, is verder trouwens ook nog gecorrigeerd voor de duur van een eventuele ontvluchting tijdens deze periode van voorhechtenis. Uiteindelijk konden zo 6 gevallen worden geïdentificeerd waarvoor de oorspronkelijk berekende duur van voorlopige hechtenis bijgesteld diende te worden.

410

P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005, p. 231.

201

Schema 3.4: Overzicht van de structuur van de tabellen en het definitieve werkbestand inzake de voorlopige hechtenis in 2008

Ma2008 Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre Nr_Version Type_Gestion Actif Date_B_Val Date_E_Val Statuut

JB10

situation_legale Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre Situation_legale Statut Nr_Ligne Date_E_Val Date_B_Val Principale

evasion Nr_Detenu Nr_Detention deb_calc2 deb_hour2 date_inc Code_Circ Code_Inc Cdec Cdab Geb_Datum Regime Situation_legale Date_Opsl_Ecrou Type nr_type date_fin_inc hour_fin_inc ha ha_princ …

gestion_preventive Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre d_debut_decision Nr_Ligne Code_regle Code_Arrond Date_fin Date_E_Val statuut Date_B_Val

detenu_2008 Nr_Detenu Nr_detention Cdec Cdab Geb_Datum Situation_legale Principale Date_Opsl_Ecrou Cdgb Cdeb_Landverblijf Cd_Post DVZ_Opsl DVZ_last

Delit_2008 Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre Date_B_Val Nr_Delit Code_Delit Date_E_Val Statuut

juridiction_2008 Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre Code_Arr Date_E_Val Statuut Date_B_Val Nr_Ligne Code_Inst Date_Von_Jug Remarks

Herstructurering (per titel)

recode

regime_2008 Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre date_B_Val Regime Regime-Mot_Mod Date_E_Val Statuut

Liberation_suivant_ma_2008 Nr_Detenu Nr_Detention Nr_Titre Date_Liberation ha ha_princ

Toevoeging variabelen (hercodering, berekening termijnen, extractie uit datum, …)

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Het als zodanig opgebouwde databestand liet, zoals al eerder gesteld, toe een aantal specifieke kwantitatieve analyses door te voeren voor wat betreft de voorlopige hechtenissen die in 2008 werden opgestart.

4

Presentatie van de belangrijkste resultaten

Op het definitieve databestand dat betrekking heeft op de periodes van voorhechtenis die in 2008 een aanvang namen (N=11.229), werden verschillende statistische analyses uitgevoerd. Zo zijn o.m. analyses doorgevoerd met betrekking tot volgende aspecten: − de verdeling van de beklaagdenpopulatie naar geslacht; − de verdeling naar nationaliteit; − de gemiddelde leeftijd van de voorlopig gehechten; − het jaar van opsluiting van de voorlopig gehechten, en de maand van het jaar waarin het aanhoudingsmandaat in uitvoering kwam; − de verdeling van de voorhechtenissen naar gevangenis en gerechtelijk arrondissement; − de verdeling naar misdrijfcategorie (als enig misdrijf, en in onderlinge combinatie), algemeen en verder opgesplitst naar gerechtelijk arrondissement; − de gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot de laatste ‘Code_Regle’); − de verdeling van de voorlopige hechtenis (maximaal tot de laatste ‘Code_Regle’) naar duur uitgedrukt in tijdsblokken van telkens een maand (bijv. 0-30 dagen, 31-60 dagen, ...); en − de gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot de laatste ‘Code_Regle’) naar geslacht, nationaliteit, en per misdrijf, gevangenis en gerechtelijk arrondissement. De hierna verder gepresenteerde resultaten van de analyses die op de data uit SIDISGriffie zijn verricht, laten zich opdelen in drie aparte rubrieken, te weten: ¾ Socio-biografisch profiel ¾ Misdrijfkenmerken, en straf(proces)rechtelijke en penitentiaire indicatoren ¾ Duur van de voorlopige hechtenis

4.1 SOCIO-BIOGRAFISCH PROFIEL (JAAR 2008) Op basis van de gegevens die actueel in de databank Griffie worden geregistreerd, is een uitgebreide profielschets van de gedetineerdenbevolking in het algemeen, en de voor ons relevantie deelpopulatie van voorlopig gehechten in het bijzonder, niet mogelijk, aangezien slechts een beperkt aantal gegevens hieromtrent worden geregistreerd. Beschikbaar en meest bruikbaar (ook in het licht van de betrouwbaarheid ervan) voor enige profielschets van de betrokken gevangenispopulatie zijn momenteel vooral de gegevens in verband met het geslacht, de leeftijd, en de nationaliteit van de gedetineerden.

203

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Voor onze analyse werden weliswaar ook gegevens opgevraagd met betrekking tot het verblijfsstatuut van de gedetineerde (op het ogenblik van de opsluiting, en de laatst geregistreerde toestand, tot uiterlijk 9 juni 2009), de postcode (verbonden aan het laatst geregistreerde adres van de verblijfsplaats) en het (laatst geregistreerde) land van verblijf. Maar uiteindelijk zijn deze variabelen niet erg nuttig gebleken, omwille van hetzij een gebrekkige registratie 411 , hetzij moeilijkheden om de gegevens (correct) te kunnen interpreteren412. We beperken ons voor het socio-biografisch profiel van de voorlopig gehechten in 2008 dan ook voornamelijk tot hoger genoemde drie kenmerken (geslacht, leeftijd en nationaliteit). Voorafgaand dient echter ook nog opgemerkt te worden dat de gepresenteerde resultaten hier meestal betrekking hebben op het aantal gedetineerden dat in de loop van 2008 minstens één maal als beklaagde werd opgesloten (= teleenheid ‘gedetineerde’), en niet (!), tenzij anders vermeld, op de periodes van voorhechtenis die in 2008 werden opgestart413. Het gebruik van de teleenheid ‘gedetineerd’ impliceert meer concreet dat gedetineerden die in hetzelfde jaar meerdere malen werden opgesloten onder aanhoudingsmandaat, slechts één maal zijn meegeteld. In totaal gaat het voor het jaar 2008 om 10.472 (‘unieke’) gedetineerden (zie schema 3.5).

411

Voor de niet-Belgen gaat het hier om 1.012 niet ingevulde records en 2.074 records met als registratie ‘verblijfsstatuut onbekend’. 412 Dit was meer bepaald het geval wanneer het ‘land van verblijf’ en de geregistreerde ‘postcodes’ (van de plaats van verblijf) met elkaar worden geconfronteerd. Hier rijst de vraag of de geregistreerde postcodes wel uitsluitend betrekking hebben op Belgische gemeenten, en in welke mate de registratie binnen het veld ‘land van verblijf’ wel degelijk naar dit item refereert dan wel (in bepaalde gevallen) eerder naar het land van geboorte. We stelden zo bijvoorbeeld vast dat er in een aantal gevallen wel postcodes (4 cijfers) werden geregistreerd, maar dat als ‘land van verblijf’ niet naar België (maar naar een ander land) werd verwezen of dat het land van verblijf niet werd geregistreerd. Daarnaast werd in veel omvangrijker mate weliswaar als land van verblijf ‘België’ geregistreerd, doch zonder registratie van de postcode. Een aantal geregistreerde postcodes kon bovendien niet in verband worden gebracht met een concrete gemeente. 413 Bijvoorbeeld wanneer wordt uitgesplitst naar gerechtelijk arrondissement. Ten aanzien van één persoon kunnen in de bewuste periode namelijk aanhoudingsmandaten zijn afgeleverd in verschillende gerechtelijke arrondissementen. Indien geteld wordt op het niveau van de persoon, wordt enkel het eerste mandaat (en het daarbij horende arrondissement) in rekening genomen, hetgeen kan leiden tot een – weliswaar beperkte – scheeftrekking van de resultaten.

204

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Schema 3.5: Overzicht van aantallen per teleenheid

4.1.1

Geslacht

Niet geheel verwonderlijk, en in de lijn met de beschikbare cijfers over de gedetineerdenpopulatie in haar globaliteit beschouwd, behoren de meeste gedetineerden die in 2008 onder aanhoudingsmandaat werden geplaatst, tot het mannelijke geslacht. In slechts 7,4% gaat het om vrouwelijke gedetineerden. Tabel 3.1: Verdeling naar geslacht (jaar 2008) Geslacht* Man Vrouw

N 9.684 773

% 92,6 7,4

10.457

100,0

* teleenheid=unieke gedetineerden Missing: n=15

4.1.2

Leeftijd

Naar leeftijd toe gaat het om een vrij jonge populatie. De gemiddelde leeftijd van de voorlopig gehechten is 30,8 jaar (mediaanwaarde: 29 jaar). De oudste gedetineerde was op het ogenblik dat het (eerste!) aanhoudingsmandaat (in 2008) in uitvoering werd gebracht, 92 jaar. Daarentegen was de jongste persoon voor wie in 2008 een periode van voorlopige hechtenis werd opgetekend, slechts 11 jaar oud (!).

205

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.2: Spreiding van de leeftijd (jaar 2008) Leeftijd missing values

N 10.440

Gemiddelde Mediaan 30,8 29,0

Minimum Maximum 11 92

32

Hoewel dit laatste gegeven opmerkelijk is, want in strijd met de wettelijke bepalingen inzake de voorlopige hechtenis die de aanhouding van minderjarigen jonger dan 16 jaar in geen enkel geval toelaten, moet worden opgemerkt dat het hierbij gaat om een berekening van de leeftijd op basis van de geboortedata zoals ze in de penitentiaire databank worden geregistreerd. Voor een juist begrip van hoger vermeld resultaat moet dan ook rekening worden gehouden met de procedures die door de administratie worden gehanteerd bij de registratie van geboortedata. In concreto verloopt deze procedure als volgt. Indien een gedetineerde wordt opgesloten en in het bezit is van officiële identiteitsdocumenten baseert men zich voor de bepaling van de geboortedatum op de gegevens die dienaangaande in het identiteitsdocument zijn aangegeven. In principe wordt deze datum ook vergeleken met de geboortedatum die op het aanhoudingsmandaat genoteerd staat. In geval deze data van elkaar afwijken wordt hiervan melding gemaakt op het aanhoudingsmandaat dat opnieuw aan de onderzoeksrechter wordt overgemaakt. Zo de betrokken persoon niet in het bezit is van geldige identiteitsdocumenten, wordt als geboortedatum de datum die vermeld is op het aanhoudingsmandaat, geregistreerd. Indien ook het aanhoudingsmandaat geen uitsluitsel of op zijn minst geen indicatie geeft over de (vermoedelijke) geboortedatum, wordt aan de persoon zelf gevraagd wanneer hij geboren is en – enkel en alleen in dit geval - wordt dus bij de registratie uitgegaan van de verklaring van betrokkene zelf. Vanuit dit perspectief is het dus mogelijk dat leeftijden van minder dan 16 jaar worden opgetekend. Klaarblijkelijk is het ook niet ongebruikelijk dat personen worden gedetineerd waarvan de leeftijd op het ogenblik van de opsluiting niet met zekerheid kan worden vastgesteld, zoals uit eerder onderzoek blijkt. Daaruit blijkt dat de onduidelijkheid soms zelfs ook in het aanhoudingsmandaat zelf gesignaleerd wordt. Volgens onze gegevens gaat het echter wel om een relatief beperkt aantal gedetineerden (onder aanhoudingsmandaat) met een leeftijd van ‘minder dan 16 jaar’ (N=21). Verdeeld naar leeftijdscategorie toe, kan worden geobserveerd dat de populatie beklaagden vooral bestaat uit gedetineerden in de leeftijdsgroep 18 tot en met 25 jaar (meer dan één-derde).

206

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.3: Verdeling naar leeftijdscategorie (jaar 2008) Leeftijd (cat.) 0-15 j. 16-17 j. 18-25j. 26-30 j. 31-35j. 36-40 j. 41-45 j. + 45 j.

N 21 65 3.846 1.993 1.584 1.159 762 1.010 10.440

% 0,2 0,6 36,8 19,1 15,2 11,1 7,3 9,7 100,0

* teleenheid=unieke gedetineerden Missing: n=32

4.1.3

Nationaliteit

Een opvallende vaststelling is de zeer sterke vertegenwoordiging van personen van vreemde nationaliteit binnen de populatie voorlopig gehechten. Het aandeel in 2008 opgesloten beklaagden met vreemde nationaliteit bedraagt 45,8%, wat rekening houdend met hun respectievelijke aandeel binnen de globale bevolkingsstatistiek uiteraard duidt op een sterke oververtegenwoordiging van vreemdelingen binnen de gevangenispopulatie of meer concreet de beklaagdenpopulatie. Bovendien moet hierbij ook worden opgemerkt dat hun aandeel nog hoger zou komen te liggen indien in plaats van het criterium van de nationaliteit uitgegaan zou worden van de ‘etnische origine’, m.a.w. wanneer ook vreemdelingen die tot Belg werden genaturaliseerd, effectief als vreemdeling zouden worden geteld. Tabel 3.4: Verdeling naar nationaliteit (jaar 2008) Nationaliteit Belg Niet-Belg**

N* 5.661 4.785 10.446

% 54,2 45,8 100,0

* teleenheid=unieke gedetineerden ** incl. onbepaald, vluchteling, vaderlandsloos Missing values: n=26

De meeste beklaagden met vreemde nationaliteit behoren tot een land van buiten de Europese Unie: 17,0% van alle beklaagden heeft de nationaliteit van één van de EUlidstaten (uitgezonderd België), 28,5% van een land daarbuiten. De buitenlanders die het sterkst vertegenwoordigd zijn in de (totale) beklaagdenpopulatie (n > 100), zijn – in dalende orde –: Marokkanen (n=856), Algerijnen (n=604), Fransen (n=425), Roemenen (n=338), onderdanen van de vroegere Sovjet-Unie (n=281) en het vroegere Joegoslavië

207

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

(n=276)414, Nederlanders (n=324), Italianen (n=188), Turken (n=154), Polen (n=128) en ten slotte Kongolezen (n=115). Het grote aantal buitenlanders in de beklaagdenpopulatie mag niet zomaar worden geïnterpreteerd als zijnde het gevolg van een zogenaamde grotere ‘criminele geneigdheid’ bij deze groep. Er dient immers ook rekening gehouden te worden met een aantal andere elementen die van doorslaggevende invloed kunnen zijn, zoals: de geografische situering van ons land (transit), de fenomenen van internationaal georganiseerde criminaliteit en grenscriminaliteit, en een mogelijke selectiviteit in de gerechtelijke besluitvorming (bij de al dan niet toebedeling van een of andere maatregel: voorlopige hechtenis, VOV, of invrijheidstelling zonder meer). De verhouding tussen Belgen en vreemdelingen verschilt trouwens ook sterk naargelang het gerechtelijk arrondissement. Hoewel enige voorzichtigheid is geboden gezien de percentages soms op vrij kleine absolute aantallen zijn berekend, mag worden gesteld dat sommige gerechtelijke arrondissementen een bovengemiddeld aandeel vreemdelingen (d.i. hoger dan het globale aandeel van 45,1%, wanneer berekend op het totaal aantal aanhoudingsmandaten 415 ) laten optekenen, nl.: Antwerpen (60,1% vreemdelingen), Brussel (58,0%), Eupen (53,7%), Charleroi (46,5%), Gent (46,1%), en Veurne (45,8%). Andere arrondissementen daarentegen kennen een relatief kleine proportie vreemdelingen binnen het totaal aantal aanhoudingsmandaten. Arrondissementen met minder dan 25% niet-Belgen zijn de arrondissementen Ieper (16,5%), Oudenaarde (22,7%), Bergen (22,9%), en Namen (23,1%). Voor deze toch wel opmerkelijke verschillen tussen de diverse arrondissementen kunnen verschillende verklaringen worden aangedragen. Het lijkt vooreerst logisch dat één en ander verband houdt met de bevolkingssamenstelling in de respectievelijke arrondissementen. Verder kunnen de cijfers ook beïnvloed zijn door de concentratie van internationaal georganiseerde criminaliteit in bepaalde grootstedelijke gebieden en rond de belangrijkste toegangspoorten van ons land (lucht- en zeehavens), en door ‘grenscriminaliteit’. En ten slotte kan er bij de toepassing van de voorlopige hechtenis ook sprake zijn van een differentieel beleid naargelang arrondissement.

414

Voor wat de nationaliteit betreft, observeerden we dat in de extractie uit de databank SIDIS-Griffie, naast verwijzing naar nieuwe staten (bijv. de verschillende Baltische staten – Estland, Litouwen, Letland -, Georgië, Kazakhstan, Macedonië, Kroatië, etc.), voor sommige gedetineerden bij de registratie ook nog werd verwezen naar vroegere geografische omschrijvingen die van toepassing waren vóór het uiteenvallen ervan (Joegoslavië, Sovjet-Unie). Aangezien niet uitgemaakt kan worden in welke mate bijvoorbeeld voor ex-Joegoslaven en ex-Sovjets de oude of nieuwe nationaliteitscodes zijn geregistreerd, zijn ze hier gegroepeerd volgens de oorspronkelijke configuratie van deze staten (t.t.z. dat de situatie in aanmerking werd genomen vóór de eerste afscheuring; voor Joegoslavië bijvoorbeeld gaat het dan om de situatie in 1990). 415 Hier werd rekening gehouden met het totaal aantal aanhoudingsmandaten (hechtenistitels) in plaats van het aantal ‘unieke’ gedetineerden, aangezien één en dezelfde gedetineerde onder aanhoudingsmandaat kan worden geplaatst door onderzoeksrechters uit verschillende arrondissementen. In het andere geval zou de nationaliteit enkel in rekening worden gebracht voor het arrondissement dat ten aanzien van de persoon in kwestie het eerste mandaat afleverde.

208

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.5: Verdeling naar nationaliteit per gerechtelijk arrondissement (jaar 2008) Arrondissement (aanhoudingsbevel) Aarlen Antwerpen Bergen Brugge Brussel Charleroi Dendermonde Dinant Doornik Eupen Gent Hasselt Hoei Ieper Kortrijk Leuven Luik Marche-en-Famenne Mechelen Namen Neufchâteau Nijvel Oudenaarde Tongeren Turnhout Verviers Veurne

Belg 55,0 39,9 77,1 60,6 42,0 53,5 64,3 71,2 65,5 46,3 53,9 67,5 74,1 83,5 67,7 66,8 58,6 73,8 62,0 76,9 60,3 70,2 77,3 59,9 57,4 70,0 54,2

Nationaliteit* EU niet-EU 22,5 22,5 17,7 41,7 8,0 14,6 13,8 25,7 15,7 42,0 10,5 35,9 19,6 15,9 14,4 14,4 28,8 5,7 29,6 24,1 21,0 24,6 17,9 14,2 8,6 17,2 7,8 8,7 20,4 11,4 18,8 14,5 15,0 26,1 13,8 12,5 10,9 27,1 5,4 17,3 26,0 12,3 10,7 18,5 4,5 18,2 28,5 11,6 28,4 14,2 13,3 16,3 26,4 18,1

54,9

16,4

Andere 0,0 0,6 0,3 0,0 0,4 0,1 0,2 0,0 0,0 0,0 0,5 0,4 0,0 0,0 0,5 0,0 0,3 0,0 0,0 0,3 1,4 0,5 0,0 0,0 0,0 0,4 1,4

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

0,3

100,0

missing values (n=26)

Totaal

28,3

* teleenheid: aantal aanhoudingsmandaten (n=11.229)

4.2 DELICTKENMERKEN, EN STRAF(PROCES)RECHTELIJKE EN PENITENTIAIRE INDICATOREN

4.2.1

Wettelijke toestand, jaar van opsluiting en verdeling van de mandaten naar maand

Voor de analyse van de toepassing van de voorlopige hechtenis in 2008 naar delictkenmerken, straf(proces)rechtelijke en penitentiaire indicatoren toe, werd zoals al eerder aangehaald, logischerwijze niet de beklaagde, doch het aanhoudingsmandaat als teleenheid genomen. Deze kenmerken zijn immers rechtstreeks gelieerd aan het mandaat, niet aan de persoon van de verdachte. Dat het databestand waarop de hier gepresenteerde analyses zijn verricht, zich beperkte tot de periodes van voorlopige hechtenis waarbij het aanhoudingsmandaat in uitvoering werd gebracht in de loop van het jaar 2008, betekent nog niet dat de betrokken personen

209

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

op het ogenblik van de uitvoering van het aanhoudingsmandaat niet reeds in detentie konden verblijven, m.a.w. al voordien opgesloten konden zijn, desgevallend onder een andere opsluitingstitel. Het gaat hier bij de in 2008 in uitvoering gebrachte aanhoudingsmandaten immers niet enkel om zgn. opsluitingen vanuit vrijheid, doch ook om aanhoudingsmandaten die desgevallend tijdens een al lopende detentie worden uitgevaardigd. Uit de analyse blijkt alleszins dat het overgrote merendeel (nl. zo’n 11.000 gevallen of meer dan 98%) van de gedetineerden die in 2008 onder aanhoudingsmandaat werden geplaatst, (ook) initieel, en al dan niet reeds in een voorgaand jaar, werd opgesloten als beklaagde (code JB10). Dit betekent echter nog niet dat de initiële opsluitingstitel (als beklaagde) noodzakelijkerwijze dezelfde zaak betreft als deze waarvoor de persoon in kwestie in 2008 onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst. Uit verdere analyse blijkt wel dat bijna alle gedetineerden ten aanzien van wie in 2008 een aanhoudingsmandaat werd uitgevaardigd en uitgevoerd, ook daadwerkelijk in 2008 werden opgesloten: voor 98,3% van de periodes van voorhechtenis (in 2008) geldt een opsluitingsdatum (als beklaagde of anders) die zich in 2008 situeert. Slechts voor een zeer miniem aantal voorhechtenissen dat in 2008 van start ging, wordt een (initiële) opsluitingsdatum vóór 2008 vastgesteld: het in de tijd meest verwijderde jaar van opsluiting is het jaar 1995. In concreto gaat het hier om een persoon die in 1995 in de hulpgevangenis te Leuven werd opgesloten én tegen wie in 2008 nog een aanhoudingsmandaat wegens drugsmisdrijven werd uitgevaardigd en uitgevoerd. Deze situatie is evenwel vrij uitzonderlijk, en in de meeste gevallen gaat het bij de in 2008 in uitvoering gebrachte aanhoudingsmandaten om opsluitingen vanuit vrijheid als beklaagde die effectief plaatsvonden in 2008. Zoals uit onderstaande figuur kan worden afgelezen, is er voor het jaar 2008 geen sprake van een gelijke temporele spreiding (naar maand) van de in uitvoering gebrachte aanhoudingsmandaten, doch is daarentegen een duidelijke fluctuatie waarneembaar naargelang de beschouwde tijdsperiode. Zo kan worden vastgesteld dat zich vanaf juni een dalende trend in beweging zet die een absoluut dieptepunt bereikt in de maand augustus. Nadien stijgt het aantal in uitvoering gebrachte mandaten vrij sterk om tegen het einde van het jaar (december) wederom af te nemen. Hiermee lijkt bevestiging te worden gevonden voor een reducerende invloed van de vakantieperiodes op de aanhoudingsactiviteit.

210

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Figuur 3.1: Verdeling naar maand van aanhouding (jaar 2008) 1.200 1.027 1.000

974 896

941

972

993

935

926

905

866 769

800

N

1.013

600

400

200

0 JAN

FEB

MAA

APR

MEI

JUN

JUL

AUG

SEP

OKT

NOV

DEC

Maand

Uit eerder onderzoek, waar een gelijkaardig patroon werd vastgesteld met betrekking tot de zomerse verlofperiodes, blijkt echter ook dat dergelijke tendens niet in elk gerechtelijk arrondissement kon worden teruggevonden416. 4.2.2

Gevangenis

Wanneer de in 2008 in uitvoering gebrachte aanhoudingsmandaten worden geanalyseerd naar plaats van (initiële) opsluiting (binnen de betrokken detentieperiode), dan blijkt dat – in lijn met vroegere onderzoeksbevindingen 417 - een beperkt aantal gevangenissen tekenen voor bijna de helft van de opsluitingen (45,1%). Het gaat hierbij, in orde van grootte, om de gevangenissen te Vorst (18,7% van alle detentieperiodes), Antwerpen (16,5%), en Lantin (9,8%).

416

P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005, p. 241. 417 S. Deltenre, E. Maes, “Overbevolkte gevangenissen op de beklaagdenbank. Kan een begrenzing van de duur van de voorlopige hechtenis effectief bijdragen tot een ‘ontvolking’ van onze gevangenissen?”, Winket, Tijdschrift van de Federatie van Vlaamse Gevangenisdirecteurs, 7 (2002), nr. 1, 6-31; S. Deltenre, E. Maes, “Chronique de criminologie. Simulation de l’impact de quelques changements législatifs en matière de détention avant jugement”, Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 84 (2004), nr. 1 (janvier), 83-117.

211

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.6: Verdeling naar gevangenis (van opsluiting, jaar 2008) Gevangenis (bij opsluiting) Antwerpen Aarlen Bergen Bergen EDS Berkendael Brugge Dendermonde Dinant Doornik Gent Hasselt (nieuw) Hoei Ieper Jamiouxl Lantin Leuven-Hulp Mechelen Namen Nijvel Oudenaarde Sint-Gillis/Saint-Gilles Turnhout Verviers Vorst/Forest

N 1.857 106 402 1 207 646 430 156 222 693 596 72 194 680 1.105 248 212 386 182 105 58 292 259 2.105

missing values

4.2.3

% 16,5 0,9 3,6 0,0 1,8 5,8 3,8 1,4 2,0 6,2 5,3 0,6 1,7 6,1 9,8 2,2 1,9 3,4 1,6 0,9 0,5 2,6 2,3 18,7

15

0,1

11.229

100,0

Gerechtelijk arrondissement

De verdeling van de aanhoudingsmandaten naar gerechtelijk arrondissement toe vertoont een vrij sterke parallel met de verdeling naar gevangenis, wat vrij logisch te noemen is. In het merendeel van de gevallen gaat het om opsluitingen vanuit vrijheid als beklaagde, en, behoudens uitzondering (bijv. op verzoek van de onderzoeksrechter, of omwille van onbeschikbare capaciteit in sommige gevangenissen, zoals bijvoorbeeld naar aanleiding van renovatiewerken), worden de betrokken gedetineerden ook opgesloten in het arresthuis binnen het gerechtelijk arrondissement van de instantie die het aanhoudingsmandaat heeft uitgevaardigd.

212

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.7: Verdeling naar gerechtelijk arrondissement Arrondissement (aanhoudingsbevel) Aarlen Antwerpen Bergen Brugge Brussel Charleroi Dendermonde Dinant Doornik Eupen Gent Hasselt Hoei Ieper Kortrijk Leuven Luik Marche-en-Famenne Mechelen Namen Neufchâteau Nijvel Oudenaarde Tongeren Turnhout Verviers Veurne Totaal

N 40 1.808 338 489 2.277 775 485 153 229 54 640 268 58 103 202 325 1.065 80 221 313 73 206 88 303 324 240 72 11.229

% 0,4 16,1 3,0 4,4 20,3 6,9 4,3 1,4 2,0 0,5 5,7 2,4 0,5 0,9 1,8 2,9 9,5 0,7 2,0 2,8 0,7 1,8 0,8 2,7 2,9 2,1 0,6 100,0

Zoals dit voor de gevangenissen geldt, valt dan ook hier logischerwijze vast te stellen dat vooral drie arrondissementen zeer sterk vertegenwoordigd zijn, namelijk de gerechtelijke arrondissementen Brussel (20,3% van de aanhoudingsmandaten), Antwerpen (16,1%) en Luik (9,5%). Daartegenover staat evenwel dat sommige arrondissementen eerder laag scoren, zoals de gerechtelijk arrondissementen van de Vlaamse centrumsteden Gent (5,7%), Brugge (4,4%) en Leuven (2,9%). Dat de arrondissementen Brussel, Antwerpen en Luik een groot aantal aanhoudingsmandaten laten optekenen, hoeft geen verbazing te wekken. Eén en ander wordt namelijk ook beïnvloed door onder andere de omvang van de bevolking strafrechtelijk meerderjarigen in het betrokken arrondissement418 en het aantal verdachten 418

In onze analyse werd uiteindelijk niet gecorrigeerd voor de bevolkingsomvang van het gerechtelijk arrondissement in kwestie (door de cijfers bijvoorbeeld te herberekenen naar 10.000 inwoners toe). Een – in sommige gevallen wellicht aanzienlijk – aantal beklaagden dat onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst, maakt immers geen deel uit van de officiële bevolking van het betrokken arrondissement. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gaat om criminele feiten gepleegd door vreemdelingen zonder

213

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

ten aanzien van wie een gerechtelijk onderzoek werd ingesteld. Daarom wordt de verdeling van de aanhoudingsmandaten naar gerechtelijk arrondissement hier dan ook nog eens afgezet tegen het aantal verdachten waartegen in het jaar 2008 een gerechtelijk onderzoek werd ingesteld419. Cijfers van het College van Procureurs-generaal420 wijzen zo uit dat in de loop van 2008 ten aanzien van 24.497 verdachten een gerechtelijk onderzoek werd opgestart (tegenover 11.229 ‘gewone’ aanhoudingsmandaten in onze extractie uit SIDIS-Griffie). De verhouding tussen enerzijds het door ons becijferde aantal aanhoudingsmandaten en anderzijds het aantal verdachten betrokken in een gerechtelijk onderzoek bedraagt aldus 2,2 (t.t.z., tegenover 2,2 personen in gerechtelijk onderzoek staat 1 aanhoudingsmandaat). Deze indicator moet als volgt verstaan worden: hoe dichter het verhoudingsgetal aanleunt bij 1, hoe meer er beroep gedaan wordt op de voorlopige hechtenis ten aanzien van de personen betrokken in een gerechtelijk onderzoek. Zoals blijkt uit tabel 3.8 wordt de voorlopige hechtenis niet in gelijke mate gebruikt naargelang het arrondissement: voor Verviers wordt een verhoudingsgetal van 1,6 opgetekend, voor Hoei ligt dit cijfer op 3,9. Dit hoge verhoudingsgetal in het arrondissement Hoei laat veronderstellen dat er verhoudingsgewijs weinig beroep wordt gedaan op de voorlopige hechtenis, afgaande op het aantal personen ten aanzien van wie een gerechtelijk onderzoek wordt opgestart. Tussen hoger vermelde kwantitatieve variabelen - enerzijds het aantal verdachten betrokken in een gerechtelijk onderzoek en anderzijds het aantal uitgevaardigde aanhoudingsmandaten - bestaat er een lineaire verhouding en tevens een sterke positieve correlatie (Pearson-correlatiecoëfficiënt van 0,983): hoe meer verdachten, hoe meer aanhoudingsmandaten.

verblijfplaats in België of om verdachten met woonplaats in een ander arrondissement dan datgene waar de strafbare feiten werden gepleegd. 419 Deze analyse kwam tot stand in het kader van een deelonderzoek – samen met collega Alexia Jonckheere – waarin werd getracht gegevens uit de databank SIDIS-Griffie te relateren aan data uit de databank SIPAR (van de Dienst Justitiehuizen) voor wat betreft de aanhoudingsmandaten en de begeleidingsmandaten in het kader van de vrijheid onder voorwaarden (als alternatief voor de voorlopige hechtenis). 420 Met dank aan Wim De Bruycker en Inne Tutelaars, statistisch analisten bij het Parket van het Hof van Beroep te Antwerpen, voor de terbeschikkingstelling van gegevens met betrekking tot het aantal zaken en verdachten die in de loop van 2008 in een gerechtelijk onderzoek werden betrokken. De gegevens zijn afkomstig uit REA/TPI, het registratiesysteem van de correctionele afdelingen van de parketten en de griffies bij de rechtbanken van eerste aanleg. Op te merken valt dat wanneer tegen een en dezelfde verdachte in 2008 meermaals een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, deze persoon even zovele keren werd geteld. In die zin kunnen de betreffende cijfers ook worden afgezet tegenover het aantal uitgevaardigde aanhoudingsmandaten.

214

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.8: Verhouding tussen het aantal verdachten betrokken in een gerechtelijk onderzoek en het aantal uitgevaardigde aanhoudingsmandaten (jaar 2008) Gerechtelijk onderzoek Hoei Dinant Ieper Bergen Oudenaarde Hasselt Kortrijk Mechelen Nijvel Brussel Turnhout Tongeren Veurne Gent Charleroi Antwerpen Leuven Aarlen Neufchâteau Luik Doornik Namen Marche-en-Famenne Dendermonde Brugge Verviers

N verdachten (1) 227 440 284 893 231 699 517 522 478 5.281 749 691 164 1.416 1.691 3.800 674 82 149 2.099 445 589 147 891 826 389

N VH 58 153 103 338 88 268 202 221 206 2.277 324 303 72 640 775 1.808 325 40 73 1.065 229 313 80 485 489 240

Verhoudingsgetal 3,9 2,9 2,8 2,6 2,6 2,6 2,6 2,4 2,3 2,3 2,3 2,3 2,3 2,2 2,2 2,1 2,1 2,1 2,0 2,0 1,9 1,9 1,8 1,8 1,7 1,6

(1) Missing: n=123 (Federaal parket) en arrondissement Eupen

Tabel 3.8 laat zien dat in arrondissementen zoals Hoei, Dinant en Ieper verhoudingsgewijs in beperktere mate gebruik wordt gemaakt van de voorlopige hechtenis; arrondissementen zoals Brugge, Verviers en Dendermonde situeren zich aan het andere uiteinde. 4.2.4

Misdrijfgegevens

Uitermate relevant voor een studie naar de toepassing van de voorlopige hechtenis is ongetwijfeld ook de analyse van de aanhoudingsmandaten naar misdrijfcategorie toe. Gezien de zeer gedetailleerde nomenclatuur die binnen de penitentiaire gegevensbank wordt gehanteerd, bevatte het oorspronkelijke bestand enorm veel verschillende misdrijfcodes. Zoals hoger al aangehaald, in het kader van de methodologische beschouwingen, werden deze gedetailleerde misdrijfcodes met het oog op een interpretatief zinvolle analyse gehergroepeerd in verschillende ruimere misdrijfcategorieën (n=22). Daarbij is uitgesloten dat binnen elke categorie dubbeltellingen voorkomen.

215

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Waar voor 3 gevallen geen bruikbare misdrijfcodes werden geregistreerd, valt ook op te merken dat er in 7.392 gevallen (op een totaal van 11.226 periodes van voorhechtenis die hier voor analyse in aanmerking komen) sprake is van slechts één misdrijf (ruime categorie). In de andere gevallen werd een aanhoudingsmandaat afgeleverd voor meerdere misdrijven tegelijkertijd. In totaal worden voor 11.226 periodes van voorhechtenis 16.560 misdrijven (ruime categorieën) opgetekend (tabel 3.10), die zich laten verdelen zoals weergegeven in tabel 3.9. Tabel 3.9: Aantal misdrijven per hechtenistitel van voorlopige hechtenis Aantal misdrijven (groep) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 missing values

N 7.392 2.770 776 187 74 12 11 3 1

% 65,8 24,7 6,9 1,7 0,7 0,1 0,1 0,0 0,0

% 65,8 24,7 6,9 1,7 0,7 0,1 0,1 0,0 0,0

100,0

-

3

11.226

Wanneer wordt gekeken naar de misdrijven die het vaakst – al dan niet in combinatie met elkaar – aan een aanhoudingsmandaat zijn gekoppeld, dan kan – gelijklopend met eerdere onderzoeksbevindingen 421 – worden vastgesteld dat vooral drie misdrijfcategorieën bijzonder hoog scoren, met telkens meer dan 20% van de mandaten, nl. de categorieën drugs (29,1%), diefstal (25,7%) en diefstal met geweld (21,9%) (tabel 3.10). Aangezien combinaties kunnen voorkomen dienen deze percentages (uit de laatste kolom: % berekend op het aantal periodes van voorhechtenis) zo gelezen te worden dat bijvoorbeeld 29,1% van de mandaten betrekking heeft op ten minste drugs, al dan niet in combinatie met andere misdrijven uit de lijst. De combineermogelijkheid maakt eveneens dat de verschillende percentages niet zomaar opgeteld mogen worden.

421

S. Deltenre, E. Maes, “Overbevolkte gevangenissen op de beklaagdenbank. Kan een begrenzing van de duur van de voorlopige hechtenis effectief bijdragen tot een ‘ontvolking’ van onze gevangenissen?”, Winket, Tijdschrift van de Federatie van Vlaamse Gevangenisdirecteurs, 7 (2002), nr. 1, 6-31; S. Deltenre, E. Maes, “Chronique de criminologie. Simulation de l’impact de quelques changements législatifs en matière de détention avant jugement”, Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 84 (2004), nr. 1 (janvier), 83-117; P. Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 247.

216

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.10: Verdeling naar misdrijfcategorie (al dan niet gecombineerd) Misdrijven (AL DAN NIET GECOMBINEERD) Aanranding eerbaarheid Andere Bedreigingen Bedrog Bendevorming Diefstal Diefstal met geweld Doodslag Drugs Familie Gijzeling Heling Mensenhandel Onvrijwillige doding Openbare orde Opzettelijke slagen Stalking Verkeer Verkrachting Vernieling Vreemdelingen Wapens

N 325 323 409 1.001 1.087 2.889 2.464 435 3.263 39 183 391 189 26 521 1.209 206 59 397 408 324 412

missing values

% 2,0 2,0 2,5 6,0 6,6 17,4 14,9 2,6 19,7 0,2 1,1 2,4 1,1 0,2 3,1 7,3 1,2 0,4 2,4 2,5 2,0 2,5

% 2,9 2,9 3,6 8,9 9,7 25,7 21,9 3,9 29,1 0,3 1,6 3,5 1,7 0,2 4,6 10,8 1,8 0,5 3,5 3,6 2,9 3,7

100,0

-

3

16.560

Interessant is ook om te bekijken welke delicten vaak alleen voorkomen en hoe vaak dit dan gebeurt. Zoals reeds aangehaald, werd in 7.392 gevallen een aanhoudingsmandaat afgeleverd voor slechts één misdrijf. De verdeling naar misdrijf toe voor aanhoudingsmandaten met één enkel misdrijf (zie tabel 3.11) geeft een min of meer gelijkaardig beeld als voor de verdeling van de misdrijven over alle mandaten het geval is (zie bovenstaande tabel 3.10).

217

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.11: Verdeling naar misdrijfcategorie (als enig misdrijf) Misdrijven (ENIG misdrijf) Aanranding eerbaarheid Andere Bedreigingen Bedrog Bendevorming Diefstal Diefstal met geweld Doodslag Drugs Familie Gijzeling Heling Mensenhandel Onvrijwillige doding Openbare orde Opzettelijke slagen Stalking Verkeer Verkrachting Vernieling Vreemdelingen Wapens

N 74 68 25 271 58 1.585 1.211 312 2.664 12 7 86 56 3 79 557 62 5 120 101 12 24 7.392

% 1,0 0,9 0,3 3,7 0,8 21,4 16,4 4,2 36,0 0,2 0,1 1,2 0,8 0,0 1,1 7,5 0,8 0,1 1,6 1,4 0,2 0,3 100,0

Ook hier kunnen drie vooraanstaande – en dezelfde - categorieën worden onderscheiden (drugs, diefstal, diefstal met geweld). Wel verschillend is dat de categorie drugs verhoudingsgewijs vaker voorkomt als enkel misdrijf, nl. bij de aanhoudingsmandaten met één enkel misdrijf vertegenwoordigt deze categorie 36,0% van de mandaten (tabel 3.11) tegenover 29,1% algemeen (tabel 3.10). Een andere belangrijke vaststelling is dat bijvoorbeeld het delict bendevorming bijna nooit alleen figureert, nl. slechts in 0,8% van de casussen als enkel misdrijf, tegenover 9,7% overall. Het interessante aan deze resultaten waarbij we ons beperken tot de mandaten voor één enkel misdrijf, is ook dat het ons, wanneer het gecombineerd wordt met de gemiddelde duur van de voorhechtenis (per categorie), onmiddellijk de mogelijkheid biedt na te gaan wat het effect zou zijn van een maatregel die de voorlopige hechtenis voor bepaalde misdrijven niet meer mogelijk zou maken (zie tabel 3.19). Op basis van deze cijfers kan namelijk op eenvoudige wijze worden berekend welke ‘uitsparing’ in detentiecapaciteit bereikt zou kunnen worden wanneer een aantal categorieën uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van de voorlopige hechtenis worden geweerd (en bijvoorbeeld enkel voor een ‘alternatieve’ maatregel in aanmerking zouden komen). Voor de vier arrondissementen die de meeste impact hebben op de bezetting van penitentiaire capaciteit in het kader van de voorlopige hechtenis (zie hierover meer concreet: infra, tabel 3.18), is tevens nader onderzocht in welke mate in deze arrondissementen een ander “misdaadprofiel” aanwezig blijkt te zijn. In dit verband is

218

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

voor elk van deze arrondissementen de verdeling naar misdrijfcategorie uitgezet en grafisch in beeld gebracht (zie onderstaande figuur 3.2). Uit onderstaande figuur kan worden afgeleid dat er enkele opvallende verschillen bestaan in het relatieve belang van sommige misdrijven naargelang arrondissement. Zo wordt in Brussel verhoudingsgewijs meer bedrog, bendevorming, en diefstal met of zonder geweld geconstateerd, in Charleroi meer vernieling en inbreuken op de vreemdelingenwetgeving, in Luik relatief gezien meer doodslag, drugs en opzettelijke slagen. Uiteraard moet hierbij ook rekening gehouden worden met het feit dat bepaalde vaststellingen eveneens verklaard kunnen worden door de wijze van kwalificatie. Ook andere verklaringen kunnen hier in het geding zijn: in de eerste plaats natuurlijk het gegeven dat in bepaalde arrondissementen nu ook eenmaal meer zaken van een bepaald type misdrijf zullen worden vastgesteld, aan de andere kant is het ook mogelijk dat voor bepaalde types misdrijven in het ene arrondissement meer tot aanhouding wordt overgegaan dan in andere.

219

Brussel Antw erpen Luik

Misdrijfcategorie Charleroi

Wapens

Vreemdelingen

Vernieling

Verkrachting

Verkeer

Stalking

Opzettelijke slagen

Openbare orde

Onvrijwillige doding

Mensenhandel

Heling

Gijzeling

Familie

Drugs

Doodslag

Diefstal met geweld

Diefstal

Bendevorming

Bedrog

Bedreigingen

Andere

Aanranding eerbaarheid

Figuur 3.2: Verdeling naar misdrijfcategorie voor 4 gerechtelijke arrondissementen 40,0

35,0

30,0

25,0

% 20,0

15,0

10,0

5,0

0,0

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Wanneer de situatie voor alle arrondissementen samen wordt bekeken (zie tabel 3.12), dan wordt vastgesteld dat bijvoorbeeld ‘drugsmisdrijven’ zeer vaak voorkomen in de arrondissementen Eupen (in 53,7% van al de in dit arrondissement uitgevaardigde aanhoudingsmandaten), Turnhout (44,1%), Kortrijk (43,6%), Ieper (39,8%), Tongeren (39,3%) en Luik (34,6%). ‘Diefstallen met geweld’ zijn – naast de in figuur 3.2 opgenomen arrondissementen Brussel (28,3%) en Antwerpen (27,4%) – sterk vertegenwoordigd in Nijvel (34,0%), Verviers (29,6%) en Hoei (29,3%).

221

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

* Percentage berekend op totaal aantal aanhoudingsmandaten per misdrijfcategorie ** Aantal aanhoudingsmandaten met op zijn minst één geregistreerde misdrijfcategorie (aantal missing values = 3: 1 te Antwerpen, 2 te Dinant)

0,0 0,0 0,2 6,8 13,4 10,8 1,7 3,3 2,9 0,0 3,0 3,7 13,6 21,2 16,7 10,2 5,5 8,3 3,4 4,0 2,9 10,2 1,5 2,7 0,0 5,5 2,5 3,4 0,5 1,0 0,0 4,3 2,9 1,7 1,5 1,2 1,7 0,5 1,7 1,7 1,3 2,0 0,0 2,8 1,5 5,1 4,0 1,5 6,8 8,1 8,8 5,1 0,8 4,2 1,7 2,0 2,9 8,5 3,3 6,9 0,0 1,0 1,2 5,1 2,3 4,2 1,7 1,0 1,2 3,4 4,8 1,7 5,1 1,8 3,2 3,4 2,3 2,5 0,0 0,5 0,7 100,0 100,0 100,0

0,3 0,2 0,0 9,5 0,3 0,5 5,2 1,5 26,2 28,4 27,8 8,3 0,9 1,5 0,0 0,2 0,0 1,2 0,0 0,0 0,3 4,4 0,0 1,5 0,0 0,2 0,0 0,5 0,0 1,0 0,6 3,2 36,7 13,6 0,3 2,2 0,0 1,0 0,6 4,6 0,0 0,5 0,0 3,2 0,0 1,5 0,6 2,7 0,0 4,1 0,0 4,6 0,0 0,2 100,0 100,0

Mandaten**

Wapens

Vreemdelingen

0,5 14,6 1,9 4,4 16,5 8,3 4,4 0,5 1,0 0,0 7,8 1,9 1,5 1,0 1,0 2,4 10,2 1,5 3,9 4,4 1,5 1,9 1,0 1,9 1,9 2,9 1,5 100,0

Vernieling

0,2 11,3 4,5 3,6 19,2 8,0 2,2 2,2 3,1 0,1 4,1 2,3 0,8 0,7 0,8 2,2 12,0 1,1 2,2 5,1 1,2 2,6 1,3 2,6 1,8 4,3 0,2 100,0

Verkrachting

Stalking

0,2 15,0 1,5 4,0 21,3 8,4 1,3 1,9 1,3 0,0 3,5 2,7 1,3 1,3 0,4 2,3 11,9 1,0 3,3 2,7 1,0 1,5 0,8 3,8 2,7 3,6 1,2 100,0

Verkeer

Opzettelijke slagen

0,0 0,0 0,0 0,5 0,0 17,9 12,6 16,6 9,0 15,4 10,3 1,6 2,8 1,1 3,8 5,1 3,3 3,1 4,8 19,2 15,4 32,2 27,9 51,3 3,8 15,4 7,1 4,6 0,5 15,4 2,6 0,5 3,6 5,3 0,0 0,0 0,0 0,8 0,0 7,7 2,6 2,2 1,0 2,1 0,0 5,1 0,5 1,0 0,0 0,0 10,3 3,8 4,6 7,4 0,0 0,0 6,0 0,8 2,1 0,0 0,0 1,1 0,5 0,0 3,8 0,0 0,5 0,3 0,5 3,8 0,0 1,1 0,8 0,0 0,0 0,0 2,2 1,0 2,1 15,4 7,7 8,7 12,8 1,1 0,0 0,0 1,6 1,5 0,0 3,8 0,0 3,8 1,5 0,5 0,0 0,0 2,7 2,6 1,1 7,7 2,6 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 2,2 1,5 0,5 0,0 2,6 0,0 0,3 0,0 0,0 0,0 3,3 7,2 9,0 0,0 0,0 0,5 2,3 0,5 0,0 0,0 2,2 0,8 0,5 0,0 2,6 0,0 0,3 0,0 0,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Openbare orde

Onvrijwillige doding

Mensenhandel

Heling

0,2 16,5 3,2 4,8 14,0 7,9 5,1 1,1 2,5 0,9 5,2 2,4 0,3 1,3 2,7 3,1 11,3 0,7 1,8 2,0 0,5 1,0 0,9 3,6 4,4 1,9 0,7 100,0

Gijzeling

1,4 16,3 4,4 2,8 19,5 6,7 5,5 0,9 1,1 0,5 5,5 2,1 0,9 0,2 1,6 3,9 14,5 1,1 3,0 1,6 0,5 0,9 0,9 1,8 0,5 1,6 0,2 100,0

Familie

Drugs

0,3 0,0 1,2 0,2 0,2 0,5 0,3 13,8 15,2 10,3 14,1 21,3 13,0 20,1 4,3 1,2 2,7 3,4 1,3 2,1 2,3 4,3 2,5 2,0 7,0 7,1 5,3 2,0 14,2 30,7 23,2 24,2 28,1 19,7 26,1 6,2 6,2 6,8 6,8 2,5 5,5 7,8 3,4 4,3 1,7 3,3 3,9 4,5 2,5 1,2 0,9 1,0 0,8 1,0 1,5 0,9 3,7 1,2 2,2 1,0 0,4 1,2 1,8 0,0 0,0 0,5 1,0 0,6 0,7 0,2 4,3 6,5 3,9 5,8 3,0 8,5 4,3 2,5 3,7 1,7 2,7 0,8 3,4 1,6 2,2 0,6 1,7 0,9 0,6 0,4 0,7 1,8 1,2 0,7 0,3 0,5 0,9 0,1 3,4 0,6 0,7 1,5 0,2 2,0 1,4 3,7 8,4 2,2 2,3 3,0 3,5 2,0 7,1 2,2 12,5 8,6 7,1 8,2 9,6 0,9 0,3 2,9 0,9 1,0 0,8 0,5 3,1 0,3 1,5 1,2 0,2 2,8 1,3 4,3 0,9 4,6 3,8 4,1 2,8 3,0 1,2 0,0 1,7 0,4 1,1 0,7 0,7 1,2 4,6 4,9 2,3 3,6 2,1 2,8 1,5 0,3 1,5 1,0 0,0 0,9 0,9 5,2 3,1 2,9 2,9 3,0 2,8 1,7 1,5 4,0 1,0 1,9 2,8 3,5 2,1 2,8 0,0 3,7 1,0 1,8 2,1 2,9 1,8 0,9 0,2 0,8 1,0 0,8 0,1 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Doodslag

Diefstal met geweld

Diefstal

Bendevorming

Bedrog

Bedreigingen

Misdrijfcategorie (%*)

Andere

Arrondissement (aanhoudingsbevel) Aarlen Antwerpen Bergen Brugge Brussel Charleroi Dendermonde Dinant Doornik Eupen Gent Hasselt Hoei Ieper Kortrijk Leuven Luik Marche-en-Famenne Mechelen Namen Neufchâteau Nijvel Oudenaarde Tongeren Turnhout Verviers Veurne Totaal

Aanranding eerbaarheid

Tabel 3.12: Verdeling van de misdrijfcategorieën (%), per gerechtelijk arrondissement

40 1.807 338 489 2.277 775 485 151 229 54 640 268 58 103 202 325 1.065 80 221 313 73 206 88 303 324 240 72 11.226

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Voor de zeven misdrijven die het hoogst scoren op het vlak van de gemiddelde dagelijkse penitentiaire bezetting (infra, tabel 3.20), is verder, in een omgekeerde beweging, de verdeling van deze misdrijven over de verschillende arrondissementen geanalyseerd. Hoewel de arrondissementen die globaal genomen voor het grootste aandeel aanhoudingsmandaten tekenen (Brussel, Antwerpen, Luik), ook hier uiteraard binnen elk van de beschouwde misdrijftypes hoog scoren, valt niettemin op dat ook sommige andere arrondissementen sterk vertegenwoordigd zijn wanneer hun relatief aandeel wordt bekeken binnen nader gespecificeerde misdrijfcategorieën (ingekleurde velden = hoger percentage dan het aandeel van het betrokken arrondissement in het globaal aantal mandaten; infra, tabel 3.13). Zo blijken bijvoorbeeld de arrondissementen Brussel, Antwerpen en Luik sterk vertegenwoordigd te zijn binnen de categorie ‘doodslag’ (19,5% van de mandaten voor dit misdrijf is te situeren in het arrondissement Brussel, 16,3% in Antwerpen en 14,5% in Luik). Ook ‘bedrog’, ‘bendevorming’, ‘diefstal’ en ‘diefstal met geweld’ komen het vaakst voor in Brussel (resp. 24,2%, 28,1%, 19,7% en 26,1% van de voor de misdrijven uitgevaardigde mandaten).

223

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Diefstal

Diefstal met geweld

Doodslag

Drugs

Opzettelijke slagen

0,2 14,1 3,4 7,0 24,2 6,8 3,3 0,8 1,0 1,0 5,8 2,7 0,9 0,3 1,5 2,3 8,6 0,9 1,2 3,8 0,4 2,3 1,0 2,9 1,9 1,0 0,8 100,0 1.001

0,2 21,3 1,3 7,1 28,1 2,5 3,9 1,0 0,4 0,6 3,0 0,8 0,6 0,5 0,2 3,0 7,1 1,0 0,2 4,1 1,1 3,6 0,0 3,0 2,8 1,8 1,0 100,0 1.087

0,5 13,0 2,1 5,3 19,7 5,5 4,5 1,5 1,2 0,7 8,5 3,4 0,4 0,9 2,0 3,5 8,2 0,8 2,8 2,8 0,7 2,1 0,9 2,8 3,5 2,1 0,8 100,0 2.889

0,3 20,1 2,3 2,0 26,1 7,8 2,5 0,9 1,8 0,2 4,3 1,6 0,7 0,1 1,4 2,0 9,6 0,5 1,3 3,0 0,7 2,8 0,9 1,7 2,1 2,9 0,1 100,0 2.464

1,4 16,3 4,4 2,8 19,5 6,7 5,5 0,9 1,1 0,5 5,5 2,1 0,9 0,2 1,6 3,9 14,5 1,1 3,0 1,6 0,5 0,9 0,9 1,8 0,5 1,6 0,2 100,0 435

0,2 16,5 3,2 4,8 14,0 7,9 5,1 1,1 2,5 0,9 5,2 2,4 0,3 1,3 2,7 3,1 11,3 0,7 1,8 2,0 0,5 1,0 0,9 3,6 4,4 1,9 0,7 100,0 3.263

0,2 11,3 4,5 3,6 19,2 8,0 2,2 2,2 3,1 0,1 4,1 2,3 0,8 0,7 0,8 2,2 12,0 1,1 2,2 5,1 1,2 2,6 1,3 2,6 1,8 4,3 0,2 100,0 1.209

Aandeel globaal

Bendevorming

Arrondissement (aanhoudingsbevel) Aarlen Antwerpen Bergen Brugge Brussel Charleroi Dendermonde Dinant Doornik Eupen Gent Hasselt Hoei Ieper Kortrijk Leuven Luik Marche-en-Famenne Mechelen Namen Neufchâteau Nijvel Oudenaarde Tongeren Turnhout Verviers Veurne Totaal % Totaal N

Bedrog

Tabel 3.13: Verdeling van de 7 misdrijfcategorieën met de grootste impact op de penitentiaire dagbevolking over de verschillende arrondissementen

0,2 11,3 4,5 3,6 19,2 8,0 2,2 2,2 3,1 0,1 4,1 2,3 0,8 0,7 0,8 2,2 12,0 1,1 2,2 5,1 1,2 2,6 1,3 2,6 1,8 4,3 0,2 100,0

4.3 DE DUUR VAN DE VOORLOPIGE HECHTENIS (JAAR 2008) De duur van de voorlopige hechtenis werd door ons berekend op basis van hetzelfde gegevensbestand dat van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) werd verkregen. Zoals hoger al uitvoeriger uiteengezet, werd deze duur berekend door de datum van het aanhoudingsmandaat te relateren aan de laatst geregistreerde beslissing binnen de eerste fase van de voorlopige hechtenis (maximaal tot aan de beslissing tot verwijzing), en werd gecorrigeerd voor eventuele periodes van ontvluchting. Gelet op het feit dat de laatste beslissing niet steeds geregistreerd is en dat een aantal detenties nog

224

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

lopend waren op het ogenblik van de gegevensextractie, maakt dat de duur enigszins is onderschat. De door ons uitgevoerde analyse wijst uit dat de gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis – maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging (of: de beslissing tot verwijzing) – 62 dagen bedraagt voor de aanhoudingsmandaten die in 2008 ten uitvoer werden gelegd (zie tabel 3.14). In de helft van de gevallen is de duur van het mandaat korter of gelijk aan 44 dagen (d.i. de mediaanwaarde). Tabel 3.14: Gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008)

N 11.212 missing values

Duur (op basis van coderegels) Gemiddelde Mediaan Minimum Maximum 61,9 44,0 1 513

Som 693.731

GDP 1900,6

(17)

Deze mandaten vertegenwoordigen een populatie van 1900 gedetineerden op dagbasis (zie tabel 3.14, kolom GDP). Deze indicator voor de gemiddelde dagpopulatie werd berekend aan de hand van de formule: STOCK (populatie) = FLOW (instroom) x DUUR / 365. De duur van de voorlopige hechtenis werd - globaal genomen, t.t.z. zonder hier verder te differentiëren naar bijvoorbeeld nationaliteit, misdrijf, etc.) – niet enkel berekend op basis van de ‘code_regles’ geregistreerd in de tabel ‘Gestion_preventive’ (d.w.z. op het niveau van de aparte hechtenistitels, maar maximaal tot aan de beslissing tot verwijzing). Ter vergelijking berekenden we de duur ook aan de hand van de variabele ‘situation_legale’ (wettelijke toestand); deze variabele die zich situeert op het niveau van de teleenheid ‘detentie’, geeft hier concreet aan vanaf en tot wanneer een gedetineerde in de gevangenis was opgesloten met als wettelijke toestand ‘beklaagde’ (code JB10).

225

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Schema 3.6: Aangewezen variabelen voor de berekening van de detentieduur (voorlopige hechtenis) naargelang teleenheid TELEENHEDEN

GEDETINEERDE Titel 1 DETENTIE 1

Titel 2 Titel n

Titel 1 DETENTIE 2

Titel 2 Titel n

Titel 1 DETENTIE n

Titel 2 Titel n

DUUR

(JB10)

(code_regle)

Wettelijke toestand 'beklaagde'

tot max. verwijzing

tot max. niet-definitieve veroordeling/internering

(regeling v/d rechtspleging)

Aangezien de wettelijke toestand van ‘beklaagde’ beïnvloed kan zijn door meerdere aanhoudingsmandaten die elkaar (deels) overlappen of op elkaar aansluiten, selecteerden we hier - met het oog op een zuiverder vergelijking met de duur van de aanhoudingsmandaten (op niveau van hechtenistitel) - voor de berekening van de duur enkel die gevallen waarin er sprake was van slechts één aanhoudingsmandaat. Terwijl de duur van de voorlopige hechtenis op basis van de hechtenistitels dus werd berekend tot maximaal de regeling van de rechtspleging, wordt bij de duur, berekend op het niveau van de detentie (code JB10), ook rekening gehouden met een gebeurlijke periode van voorlopige hechtenis NA regeling van de rechtspleging (max. tot aan de niet-definitieve veroordeling of beslissing tot internering). Zoals uit tabel 3.15 blijkt, staat zo tegenover een duur van 61 dagen voorlopige hechtenis (max. tot aan de regeling van de rechtspleging) een duur van gemiddeld 83 dagen indien bijkomend rekening wordt gehouden met een eventuele periode van voorhechtenis na regeling van de rechtspleging.

226

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.15: Vergelijking van de gemiddelde duur van de voorlopige hechtenis, berekend op niveau van detentie en hechtenistitel (jaar 2008)

Termijn JB10* Termijn VH (coderegels)

N 10.713 10.713 missing values

Gemiddelde 83,2 60,8

Duur* Mediaan Minimum Maximum 66,0 1 520 44,0 1 513

Som 891.581 651.063

GDP 2442,7 1783,7

(11 = 1 JB10-termijn; 10 VH-termijn)

* enkel berekend voor gedetineerden met één enkel aanhoudingsmandaat in 2008 EN zowel JB-termijn als VHtermijn (coderegels) mogelijk te berekenen

Bekijken we de oorspronkelijk berekende termijn van de voorlopige hechtenis (op basis van de ‘code_regles’, d.i. max. tot aan de beslissing tot verwijzing) naar categorie van duur (telkens in blokken van één maand), dan wordt vastgesteld dat een belangrijk deel van de mandaten, nl. ongeveer één-derde, binnen de maand wordt beëindigd, en iets meer dan drie-kwart binnen de drie maanden wordt afgesloten (tabel 3.16). Tabel 3.16: Duur van de voorlopige hechtenis, in categorieën (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Duur (categorie)

0-30 31-60 61-90 91-120 121-150 151-180 181-210 211-240 241-270 271-300 301-330 331-360 > 360 Totaal missing values

(in maanden)

≤ 1 maand ≤ 2 maanden ≤ 3 maanden ≤ 4 maanden ≤ 5 maanden ≤ 6 maanden ≤ 7 maanden ≤ 8 maanden ≤ 9 maanden ≤ 10 maanden ≤ 11 maanden ≤ 12 maanden > 12 maanden

N 3.806 3.148 1.740 1.029 537 372 236 140 57 43 35 21 48 11.212

% 33,9 28,1 15,5 9,2 4,8 3,3 2,1 1,2 0,5 0,4 0,3 0,2 0,4 100,0

(17)

Nadere analyse toont verder ook aan dat bijna 2.000 voorhechtenissen (n= 1.905 of 17,0%) niet langer duren dan 5 dagen. De duur van de voorlopige hechtenis verschilt echter ook – en vaak aanzienlijk – naargelang kenmerken van de verdachte en delictgerelateerde, penitentiaire of andere kenmerken. De analyse van de duur van de voorlopige hechtenis naargelang de gevangenis (van oorsprong) toont zo bijvoorbeeld aan dat gedetineerden die initieel werden opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis een langere duur van de voorlopige hechtenis kennen (96,8

227

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

dagen). Hetzelfde geldt voor de inrichtingen te Namen (79,2 dagen), Bergen (76,4 dagen), Jamiouxl (73,2 dagen), Lantin (71,7 dagen) en Oudenaarde (70,8 dagen). Tabel 3.17: Duur van de voorlopige hechtenis naar gevangenis (van opsluiting; maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Gevangenis (bij opsluiting) Antwerpen Aarlen Bergen Bergen EDS Berkendael Brugge Dendermonde Dinant Doornik Gent Hasselt (nieuw) Hoei Ieper Jamiouxl Lantin Leuven-Hulp Mechelen Namen Nijvel Oudenaarde Sint-Gillis/Saint-Gilles Turnhout Verviers Vorst/Forest missing values (duur of gevangenis)

N 1.856 106 401 1 207 644 430 156 221 690 596 72 191 680 1.105 248 212 385 182 105 58 291 259 2.101

Gemiddelde 58,4 68,3 76,4 34,0 51,2 61,8 65,4 54,2 61,5 45,0 48,7 61,7 65,5 73,2 71,7 63,8 57,2 79,2 64,0 70,8 96,8 45,5 67,8 60,2

Duur Mediaan Minimum Maximum 40,0 1 490 44,5 1 498 62 1 470 34 34 34 38 1 296 49,5 1 499 45,5 1 509 35 2 300 55 1 238 34 1 456 32 1 440 39,5 2 297 59 1 308 56 1 430 57 1 513 55 1 445 41 1 364 62 1 419 36,5 2 389 58 1 370 59 2 292 31 1 341 45 1 440 40 1 392

Som 108.385 7.239 30.624 34 10.607 39.784 28.126 8.459 13.592 31.036 29.010 4.440 12.503 49.746 79.238 15.817 12.124 30.487 11.652 7.430 5.613 13.237 17.563 126.483

GDP 296,9 19,8 83,9 0,1 29,1 109,0 77,1 23,2 37,2 85,0 79,5 12,2 34,3 136,3 217,1 43,3 33,2 83,5 31,9 20,4 15,4 36,3 48,1 346,5

(32)

11.197

Wanneer de gemiddelde duur wordt gekoppeld aan het aantal mandaten kan ook een beeld worden geschetst van de gemiddelde dagpopulatie beklaagden in de respectievelijke gevangenissen. De inrichtingen die zo een gemiddelde populatie van meer dan 100 gedetineerden op dagbasis tellen, zijn in hoger staande tabel gemarkeerd. De inrichtingen met de omvangrijkste populatie beklaagden zijn – in dalende orde Vorst/Forest (346,5), Antwerpen (296,9) en Lantin (217,1).422 Een andere variabele die sterk verwant is aan de gevangenis van opsluiting, is het gerechtelijk arrondissement waar het aanhoudingsmandaat werd uitgevaardigd. De vier arrondissementen waarbinnen het grootste aantal aanhoudingsmandaten werd uitgevaardigd (Brussel, Antwerpen, Luik en Charleroi), geven een gemiddelde dagpopulatie voorlopig gehechten van meer dan 100 gedetineerden te zien. Het arrondissement Charleroi laat zich hierbij kenmerken door een weliswaar gering aantal aanhoudingsmandaten (n=775), doch de duur van de hechtenis is er langer dan gemiddeld (nl. 74,3 dagen). Gemiddeld genomen langere periodes van voorlopige hechtenis (tot aan de verwijzing) komen verder ook voor in bijvoorbeeld de gerechtelijke arrondissementen Aarlen (105,3 422

In realiteit ligt deze populatie niettemin hoger, aangezien de duur van de voorlopige hechtenis in deze analyses enigszins is onderschat.

228

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

dagen), Namen en Bergen (76,1 dagen), Oudenaarde (74,5 dagen) en Luik (73,2 dagen). De hechtenis is daarentegen van (veel) kortere duur in de arrondissementen Gent (42,9 dagen), Hasselt (44,2 dagen) en Turnhout (43,3 dagen). Tabel 3.18: Duur van de voorlopige hechtenis naar gerechtelijk arrondissement (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Arrondissement Aarlen Antwerpen Bergen Brugge Brussel Charleroi Dendermonde Dinant Doornik Eupen Gent Hasselt Hoei Ieper Kortrijk Leuven Luik Marche-en-Famenne Mechelen Namen Neufchâteau Nijvel Oudenaarde Tongeren Turnhout Verviers Veurne missing values

Totaal

N 40 1.807 338 488 2.273 775 485 153 228 54 637 268 58 99 202 325 1.065 80 220 313 73 205 88 303 323 240 72

Gemiddelde 105,3 59,3 76,1 61,7 59,6 74,3 65,2 65,8 58,4 51,5 42,9 44,2 61,1 53,5 71,3 65,5 73,2 63,5 55,3 76,1 55,0 61,8 74,5 51,1 43,3 69,0 55,7

Duur Mediaan Minimum Maximum 85,5 2 498 41,0 1 490 63,0 1 278 54,0 1 243 38,0 1 499 56,0 1 470 46,0 1 509 43,0 1 402 49,5 2 238 35,0 3 210 33,0 1 456 29,0 1 393 38,0 3 297 45,0 1 208 61,0 1 249 55,0 1 445 58,0 1 513 46,0 2 377 41,0 1 477 62,0 2 300 36,0 1 230 41,0 2 389 56,5 1 428 33,0 1 440 31,0 1 341 47,5 1 343 30,0 1 308

Som 4.213 107.058 25.719 30.095 135.390 57.582 31.606 10.064 13.307 2.779 27.341 11.847 3.544 5.295 14.400 21.283 77.901 5.076 12.155 23.811 4.012 12.669 6.556 15.487 13.975 16.559 4.007

(17)

11.212

61,9

44,0

1

513

693.731

GDP 11,5 293,3 70,5 82,5 370,9 157,8 86,6 27,6 36,5 7,6 74,9 32,5 9,7 14,5 39,5 58,3 213,4 13,9 33,3 65,2 11,0 34,7 18,0 42,4 38,3 45,4 11,0 0,0 1900,6

De duur van de voorlopige hechtenis varieert eveneens naargelang het misdrijf (misdrijfcategorie) dat aan de basis ligt van het aanhoudingsmandaat. Wanneer enkel de voorlopige hechtenissen in beschouwing worden genomen waarin er sprake is van één enkele misdrijfcategorie, kan worden geobserveerd dat de misdrijven die het vaakst ten grondslag liggen van het aanhoudingsmandaat, het grootste deel van de gevangenisbevolking aanleveren (uitgedrukt als gemiddelde dagbevolking). Bij andere misdrijven gaat het om hetzij een beperkter aantal mandaten hetzij een kortere gemiddelde duur van de hechtenis. De misdrijven die het sterkst vertegenwoordigd zijn in de gemiddelde dagbevolking (hier enkel in gevallen met één enkel misdrijf) zijn drugsmisdrijven, diefstal, diefstal met geweld en doodslag. Voor diefstal en diefstal met geweld berekenen we een omzeggens even grote gemiddelde dagpopulatie: er zijn weliswaar meer aanhoudingsmandaten met diefstal als enig misdrijf (dan diefstal met geweld), doch dit verschil wordt gecompenseerd door de langere duur van de voorlopige hechtenis in geval van diefstal met geweld (53,1 dagen tegenover 41,0 dagen). Hetzelfde

229

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

geldt, doch veel meer uitgesproken, voor de aanhoudingsmandaten die betrekking hebben op doodslag: het aantal mandaten blijft beperkt (n=312) in vergelijking met de andere hoger vermelde misdrijven, doch de duur van de voorlopige hechtenis is in dit geval veel langer (151,1 dagen). Tabel 3.19: Duur van de voorlopige hechtenis naargelang misdrijfcategorie (enig misdrijf; maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Misdrijven (ENIG MISDRIJF) Aanranding eerbaarheid Andere Bedreigingen Bedrog Bendevorming Diefstal Diefstal met geweld Doodslag Drugs Familie Gijzeling Heling Mensenhandel Onvrijwillige doding Openbare orde Opzettelijke slagen Stalking Verkeer Verkrachting Vernieling Vreemdelingen Wapens missing values (duur)

N 73 68 25 271 58 1.581 1.209 312 2.661 12 7 86 56 3 79 556 62 5 119 101 12 24

Gemiddelde 53,7 58,7 43,2 53,2 92,0 41,0 53,1 151,1 63,8 27,9 48,9 51,8 72,4 70,0 39,7 41,9 30,0 33,8 56,5 57,8 76,3 34,5

Duur Mediaan Minimum Maximum 34,0 1 214 42,0 2 172 31,0 2 173 39,0 1 217 73,0 3 296 32,0 1 341 35,0 1 440 119,0 2 513 56,0 1 365 16,5 2 92 17,0 1 219 34,5 2 335 39,5 1 255 80,0 49 81 31,0 2 185 32,0 1 423 30,5 1 129 5,0 4 123 50,0 1 226 43,0 2 238 69,0 15 176 21,5 1 127

Som 3.922 3.990 1.079 14.413 5.335 64.786 64.237 47.137 169.873 335 342 4.454 4.052 210 3.134 23.307 1.859 169 6.725 5.840 916 828

GDP 10,7 10,9 3,0 39,5 14,6 177,5 176,0 129,1 465,4 0,9 0,9 12,2 11,1 0,6 8,6 63,9 5,1 0,5 18,4 16,0 2,5 2,3

12

7.380

Worden alle misdrijven in rekening gebracht die aan een aanhoudingsmandaat zijn gekoppeld (en dus de heterogeniteit in beschouwing genomen), dan wordt een vrij gelijkaardig resultaat bekomen. Al vallen er ook wel een aantal belangrijke verschillen te noteren. Terwijl ook hier weer de misdrijven die het vaakst gekoppeld zijn aan een aanhoudingsmandaat (drugs, diefstal, diefstal met geweld), het zwaarst doorwegen op het vlak van de gemiddelde dagpopulatie (met meer dan 400 gedetineerden)423, zien we nu ook een aantal andere misdrijven opduiken met een corresponderende dagbevolking van meer dan 100 gedetineerden (bedrog, bendevorming en opzettelijke slagen). Waar het misdrijf doodslag ook al als enig misdrijf een hogere dagpopulatie laat optekenen (omwille van de langere detentieduur: supra), wordt de aanwezigheid in dit lijstje van de misdrijven bedrog, bendevorming en opzettelijke slagen bepaald door hun interactie met andere misdrijven.

423

Het is van belang hier wel in beschouwing te nemen dat aan elk misdrijf de globale duur werd toegekend, ook al zijn er bij het aanhoudingsmandaat ook andere misdrijven in het spel die deze duur kunnen beïnvloeden.

230

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.20: Duur van de voorlopige hechtenis naargelang misdrijfcategorie (al dan niet gecombineerd; maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Misdrijven (AL DAN NIET GECOMBINEERD) Aanranding eerbaarheid Andere Bedreigingen Bedrog Bendevorming Diefstal Diefstal met geweld Doodslag Drugs Familie Gijzeling Heling Mensenhandel Onvrijwillige doding Openbare orde Opzettelijke slagen Stalking Verkeer Verkrachting Vernieling Vreemdelingen Wapens missing values (duur)

N 323 323 408 1.000 1.086 2.883 2.460 435 3.260 39 183 391 189 26 520 1.206 206 58 395 407 323 411

Gemiddelde 70,7 70,7 53,0 66,2 97,2 51,8 60,5 141,6 66,0 66,1 79,8 68,6 87,7 42,7 52,7 49,0 40,7 42,0 70,3 59,3 62,7 57,2

Duur Mediaan Minimum Maximum 60,0 1 359 56,0 1 296 40,0 1 259 50,0 1 440 82,0 1 499 34,0 1 389 43,0 1 499 109,0 1 513 56,5 1 369 45,0 2 397 61,0 1 352 53,0 1 335 60,0 1 255 33,0 2 227 35,0 1 284 34,0 1 423 34,0 1 213 32,0 2 227 60,0 1 359 44,0 1 499 52,0 3 224 44,0 1 259

Som 22.823 22.822 21.611 66.228 105.500 149.296 148.756 61.592 215.138 2.576 14.596 26.821 16.571 1.109 27.399 59.117 8.377 2.435 27.764 24.114 20.255 23.518

GDP 62,5 62,5 59,2 181,4 289,0 409,0 407,6 168,7 589,4 7,1 40,0 73,5 45,4 3,0 75,1 162,0 23,0 6,7 76,1 66,1 55,5 64,4

17

16.532

Zoals uit bovenstaande tabel eveneens blijkt, is de duur van de voorlopige hechtenis het langst wanneer er op zijn minst sprake is van het misdrijf ‘doodslag’ (141,6 dagen; t.t.z. al dan niet gecombineerd met andere misdrijven). Een vrij lange duur wordt ook vastgesteld voor de misdrijven bendevorming (97,2 dagen), mensenhandel (87,7 dagen) gijzeling (79,8 dagen), aanranding van de eerbaarheid (70,7 dagen) en verkrachting (70,3 dagen). Voor de misdrijven diefstal (51,8 dagen) en diefstal met geweld (60,5 dagen) ligt de duur lager dan het algemeen gemiddelde, maar voor drugsmisdrijven daarboven (66,0 dagen). Tot hier toe werd de duur van de voorlopige hechtenis in zijn globaliteit bekeken naar misdrijfcategorie toe, t.t.z. voor het ganse Rijk. Niettemin kan de duur voor een en dezelfde misdrijfcategorie verschillen naargelang (bijvoorbeeld) het gerechtelijk arrondissement. Maken we bij wijze van voorbeeld de oefening voor het delict ‘diefstal met geweld’ (als enig misdrijf; zie tabel 3.11), dan komen deze verschillen duidelijk tot uiting, zoals blijkt uit tabel 3.21. Terwijl de duur van de voorlopige hechtenis voor dit misdrijf als alleen voorkomende categorie globaal genomen 53,1 dagen bedraagt, varieert de duur aanzienlijk naargelang arrondissement, met bijvoorbeeld 36,7 dagen in Gent, maar 83,7 dagen in Bergen. Er zijn nog wel andere uitschieters, doch het absolute aantal mandaten is in die gevallen doorgaans erg klein, waardoor het resultaat sterk kan zijn bepaald door occasionele gebeurtenissen.

231

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.21: Duur van de voorlopige hechtenis voor de misdrijfcategorie ‘diefstal met geweld’ (als enig misdrijf) naargelang gerechtelijk arrondissement (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Duur (diefstal met geweld als enig misdrijf)

Arrondissement Aarlen Antwerpen Bergen Brugge Brussel Charleroi Dendermonde Dinant Doornik Eupen Gent Hasselt Hoei Ieper Kortrijk Leuven Luik Marche-en-Famenne Mechelen Namen Neufchâteau Nijvel Oudenaarde Tongeren Turnhout Verviers Veurne missing values

Totaal

N 5 273 30 13 318 89 44 19 25 2 51 15 3 1 21 12 112 0 19 35 2 36 9 20 21 33 1

Gemiddelde 53,4 44,2 83,7 29,9 53,4 58,5 63,1 54,2 59,2 50,0 36,7 29,1 38,0 29,0 57,1 56,4 61,5 52,2 62,4 22,5 54,1 107,4 48,7 57,1 56,5 37,0

Mediaan 49,0 30,0 74,5 32,0 35,0 44,0 33,0 31,0 58,0 50,0 33,0 25,0 36,0 29,0 48,0 57,0 41,0 47,0 48,0 22,5 34,0 67,0 29,5 48,0 37,0 37,0

53,1

35,0

Minimum Maximum 5 158 1 260 2 171 1 59 1 329 1 307 1 255 2 136 2 153 31 69 3 103 1 59 5 73 29 29 4 180 5 159 2 440 2 141 3 180 1 44 5 193 3 267 4 162 2 169 13 183 37 37

Som 267 12.068 2.510 388 16.985 5.208 2.774 1.029 1.481 100 1.869 436 114 29 1.200 677 6.893 991 2.184 45 1.948 967 973 1.200 1.864 37

GDP 0,7 33,1 6,9 1,1 46,5 14,3 7,6 2,8 4,1 0,3 5,1 1,2 0,3 0,1 3,3 1,9 18,9 2,7 6,0 0,1 5,3 2,6 2,7 3,3 5,1 0,1

64.237

176,0

(2)

1.209

1

440

Naast de waargenomen variaties naargelang gevangenis, gerechtelijk arrondissement en misdrijfcategorie, is het verder ook belangrijk om te vermelden dat de duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot aan de beslissing tot verwijzing) eveneens verschilt volgens nationaliteit van de verdachte. Terwijl de gemiddelde duur voor Belgen 55,9 dagen bedraagt en dus onder het globale gemiddelde blijft, loopt deze op tot 66,5 dagen voor onderdanen uit een ander land van de Europese Unie en tot 70,9 dagen voor burgers uit een niet-EU-land. Meer in detail bekeken zien we een zeer uiteenlopend patroon: Albanezen verblijven het langst in voorlopige hechtenis (116,2 dagen)424, gevolgd door bijvoorbeeld Irakezen (96,9 dagen), Turken (84,6 dagen) en Marokkanen (72,1 dagen).

424

Voor deze populatie (n=89) analyseerden we ook van naderbij het ‘misdrijfprofiel’. Daaruit blijkt dat vooral volgende misdrijven er sterk vertegenwoordigd (> 10% van de mandaten) zijn: bendevorming (36,0%), diefstal (31,5%), drugs (21,3%), diefstal met geweld (20,2%), en bedrog (10,1%). Deze resultaten dienen zo begrepen te worden dat bij de Albanezen in 36% van de aanhoudingsmandaten ten minste de kwalificatie ‘bendevorming’ werd opgenomen (al dan niet in combinatie met andere misdrijftypes).

232

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Daartegenover staat dan weer een kortere termijn van voorlopige hechtenis (onder het gemiddelde) voor bijvoorbeeld Polen, Algerijnen, Spanjaarden en Fransen. Tabel 3.22: Duur van de voorlopige hechtenis naargelang nationaliteit (meest vertegenwoordigde: n > 40; maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Duur N Nationaliteit Albanese Iraakse Turkse Roemeense Ex-Joegoslavië Nederlandse Marokkaanse Italiaanse Ex-Sovjet-Unie Tunesische Palestijnse Congolese (Dem. Rep.) Duitse Algerijnse Belgische Poolse Spaanse Franse

Totaal missing values (duur + nation.)

89 79 159 356 291 330 922 200 303 66 80 121 49 653 6.140 131 47 438

Gemiddelde 116,2 96,9 84,6 78,3 74,0 72,2 72,1 70,2 69,5 68,9 68,7 67,5 59,0 55,9 55,9 55,4 50,5 50,1

Mediaan 105,0 60,0 62,0 62,5 58,0 58,5 57,0 57,0 42,0 61,0 45,0 53,0 48,0 41,0 39,0 39,0 33,0 34,0

11.186

61,9

44,0

(indien > 40)

Minimum Maximum 2 377 1 255 1 499 1 294 1 439 1 372 1 486 1 423 1 286 1 224 4 224 1 392 2 188 1 341 1 513 2 311 3 215 1 395

1

513

Som 10.343 7.652 13.443 27.890 21.537 23.834 66.432 14.040 21.067 4.544 5.498 8.169 2.891 36.513 343.292 7.255 2.375 21.942

692.664

GDP 28,3 21,0 36,8 76,4 59,0 65,3 182,0 38,5 57,7 12,4 15,1 22,4 7,9 100,0 940,5 19,9 6,5 60,1

1.897,7

(43)

Deze vaststelling hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat ten aanzien van sommige bevolkingsgroepen een strikter aanhoudingsbeleid wordt gevoerd, louter op grond van nationaliteit (of herkomst). Er zijn immers ook nog andere verklaringen mogelijk, zoals onderlinge verschillen in ‘misdaadprofiel’ en het verblijfsstatuut van de verdachte. Wat dit laatste betreft, is het niet uitgesloten, doch veeleer waarschijnlijk, dat personen zonder recht op verblijf in België lang(er) in detentie (voorlopige hechtenis) worden gehouden om te vermijden dat ze zich aan de strafvervolging en latere –uitvoering zouden onttrekken. Zoals eerder al aangehaald, ontbreekt in de extractie uit SIDIS-Griffie voor een omvangrijke groep enige informatie met betrekking tot het verblijfsstatuut. Berekenen we echter de detentieduur voor diegenen ten aanzien van wie een beslissing tot ‘verwijdering’ van het grondgebied door de Dienst Vreemdelingenzaken werd geregistreerd (n=832)425, dan blijkt dat de duur van de voorlopige hechtenis voor deze categorie veel langer is (nl. gemiddeld 73,5 dagen, met als mediaan 58 dagen) dan het globale cijfer (61,9 dagen).

425

Hier gaat het concreet over het aantal aanhoudingsmandaten waarbij ten aanzien van de betrokken verdachte een beslissing tot verwijdering werd genomen. Bekijken we voor de niet-Belgen de verhouding tussen het aantal verblijfs- en niet-verblijfsgerechtigde verdachten, dan komen we uit op een 45,8% niet-verblijfsgerechtigde vreemdelingen (n = 778, op 1.699). In vele gevallen (meer dan 2.000) was de verblijfstoestand echter ‘onbekend’ (zie ook supra, par. 4.1).

233

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

De duur van de gemiddelde hechtenis verschilt niet enkel naargelang nationaliteit. Ook op het vlak van geslacht zijn er verschillen merkbaar: vrouwen verblijven gemiddeld genomen minder lang (56 dagen) in voorlopige hechtenis dan mannen (62 dagen). Tabel 3.23: Duur van de voorlopige hechtenis naargelang geslacht (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Geslacht Man Vrouw missing values

N* 10.394 803

Gemiddelde 62,4 55,6

Duur Mediaan Minimum Maximum 45,0 1 513 38,0 1 477

Som 648.572 44.657

GDP 1776,9 122,3

(32)

* teleenheid = aanhoudingsmandaat (n=11.229)

Variaties in gemiddelde duur zijn verder bijvoorbeeld ook merkbaar wanneer rekening wordt gehouden met de leeftijdscategorie waartoe de gedetineerde behoort. Voor gedetineerden uit de leeftijdscategorie 18-25 jaar – overigens de verreweg het sterkst vertegenwoordigde groep – geldt een opvallend lagere detentieduur (56 dagen) in vergelijking met de overige leeftijdscategorieën426. Tabel 3.24: Duur van de voorlopige hechtenis naargelang leeftijdscategorie (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging; jaar 2008) Leeftijd (cat.) 0-15 j. 16-17 j. 18-25j. 26-30 j. 31-35j. 36-40 j. 41-45 j. + 45 j. missing values

N* 21 68 4.198 2.115 1.691 1.232 806 1.053

Gemiddelde 50,8 68,6 56,0 65,0 66,1 65,3 65,0 65,8

Duur Mediaan Minimum Maximum 35,0 2 324 44,0 3 392 39,0 1 470 49,0 1 513 47,0 1 509 46,0 1 478 46,0 1 456 46,0 1 498

Som 1.067 4.664 235.149 137.452 111.689 80.466 52.352 69.267

GDP 2,9 12,8 644,2 376,6 306,0 220,5 143,4 189,8

45

* teleenheid = aanhoudingsmandaat (n=11.229)

4.4 ENKELE VERGELIJKINGEN MET DE POPULATIE VERDACHTEN ‘VRIJ ONDER VOORWAARDEN’ Vergelijken we de toepassing van de voorlopige hechtenis met deze van de ‘vrijheid onder voorwaarden’ (op basis van SIPAR-gegevens), dan zien we dat de toepassing van het alternatief van de vrijheid onder voorwaarden (VOV) nog beduidend onder het niveau van de voorlopige hechtenis onder de vorm van een opsluiting in de gevangenis ligt. Globaal staan, voor het jaar 2008, tegenover 1 VOV-begeleidingsmandaat 2,4

426

Abstractie makend van de (geregistreerde) minderjarigen jonger dan 16 jaar.

234

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

aanhoudingsmandaten (11.229 aanhoudingsmandaten tegenover 4.705 VOVbegeleidingsmandaten427). Wanneer we op basis van andere, officieel gepubliceerde cijfers de evolutie over langere termijn (zie figuur 3.3) bekijken van het aantal opsluitingen als beklaagde428 en het aantal nieuwe VOV-mandaten429, dan stellen we echter wel vast dat het aantal nieuwe VOVbegeleidingsmandaten in sterk stijgende lijn gaat430. Doch ook het aantal opsluitingen (in de gevangenis) als beklaagde neemt gestaag toe: na een sterke terugval in 1998, werd in 2002 opnieuw de kaap van 10.000 opsluitingen op jaarbasis overschreden. Sindsdien is het aantal opsluitingen bijna steeds blijven toenemen, met in 2008 meer dan 12.000 opsluitingen431. We zien dus niet enkel een groeiende instroom van voorlopig gehechten in de gevangenis, doch ook een toenemend gebruik van de alternatieven voor de voorlopige hechtenis. Het zou interessant zijn om deze gegevens in de verdere toekomst nog verder te kunnen contextualiseren aan de hand van gegevens met betrekking tot het aantal verdachten ten aanzien van wie in de loop van het jaar een gerechtelijk onderzoek werd ingesteld. De vraag rijst immers of de toename van zowel het aantal opsluitingen als het aantal VOV’s kan worden verklaard door een groeiende instroom van zaken op het niveau van het gerechtelijk onderzoek. Eerder werd alvast al een eerste oefening in die zin gedaan door de door ons geanalyseerde aanhoudingsmandaten voor het jaar 2008 in relatie te brengen

427

De hier aangehaalde cijfers met betrekking tot de vrijheid onder voorwaarden werden door collega Alexia Jonckheere berekend op basis van een extractie uit de SIPAR-databank (databank van het Directoraat-generaal Justitiehuizen). De door A. Jonckheere uitgevoerde analyse heeft betrekking op alle mandaten uit de sector van de alternatieven voor de voorlopige hechtenis, die in de loop van het jaar 2008 (t.t.z. in de periode tussen 1 januari en 31 december 2008) gedurende minstens één dag in een justitiehuis werden behandeld. De extractie werd op 29 mei 2009 uitgevoerd en op 19 juni 2009 aan het Departement Criminologie overgemaakt. Met dank aan Dirk Verbinnen, attaché bij de Stafdienst ICT van de FOD Justitie en Anabelle Rihoux, attaché bij de Cel data-analyse en kwaliteit van de Stafdienst Managementondersteuning van het DG Justitiehuizen voor de uitvoering van de gegevensextractie en de terbeschikkingstelling van de data. 428 De cijfers over het jaarlijks aantal opsluitingen van beklaagden - en de verder gepresenteerde cijfers over de gemiddelde dagpopulatie beklaagden - werden overgenomen uit diverse jaargangen van de brochure ‘Justitie in cijfers’. 429 De cijfers in verband met de VOV-begeleidingsmandaten in figuur 3.3 zijn afkomstig uit de rapporten van de vroegere Dienst Maatschappelijk Werk Strafrechtstoepassing (jaren 1995-1996), uit de Jaarverslagen van de Dienst Justitiehuizen (1999-2004), en de brochure ‘Justitie in cijfers 2009’ (20012008). 430 Het verschil in het aantal begeleidingsmandaten voor het jaar 2008 zoals weergegeven in onderstaande figuur 3.3 (N=4.917) en het aantal mandaten verkregen via analyse op voormelde gegevensextractie (N=4.705), valt te verklaren door enkele verschillen in gehanteerde methodologie (met name voor wat de wijze van gegevensselectie betreft). 431 Deze cijfers over het aantal opsluitingen zijn niet vergelijkbaar met het aantal aanhoudingsmandaten dat door ons werd berekend op basis van de extractie uit de databank SIDIS-Griffie, en dit omwille van meerdere redenen. Bij het aantal ‘opsluitingen’ (als beklaagde) gaat het vooreerst enkel om zgn. opsluitingen ‘vanuit vrijheid’; in onze extractie gaat het echter om uitgevoerde aanhoudingsmandaten ongeacht of ze aan de basis liggen van de opsluiting dan wel tijdens een reeds lopende detentie in uitvoering kwamen. Verder zijn bij de opsluitingscijfers alle soorten aanhoudingsmandaten opgenomen (in onze extractie enkel ‘gewone’ mandaten; zie supra). Bovendien zijn bij de opsluitingen onder de categorie ‘beklaagden’ ook de niet-definitief veroordeelden inbegrepen.

235

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

met het totaal aantal verdachten ten aanzien waarvan een gerechtelijk onderzoek werd geopend, en dit tevens per gerechtelijk arrondissement432. Figuur 3.3: Nieuwe begeleidingsmandaten vrijheid onder voorwaarden, in relatie tot aantal opsluitingen en gevangenispopulatie (op 1 maart) beklaagden (1995-2009) 13000 11.954 11.916 12000 10.865 10.805

10.616 10.469

11000

9.992 10000 8.997

9.212

12.042

11.053 11.194

9.608

9000 8000 7000

N 6000 5000 4000

2.863

2.862

2.773

1997

1998

3000

3.023 2.554

2.951

3.238

3.680

3.614

3.550

3.530

3.473

3.527

3.557

2.224

2.855

3.156

3.460

3.713

4.107

4.563

4.917

1996

2.235

1995

1.914

0

887

1000

609

2000

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

Jaar Gevangenis - opsluitingen beklaagden

Nieuw e begeleidingsmandaten VOV

Gevangenis - populatie beklaagden

Linear (Nieuw e begeleidingsmandaten VOV)

Opvallend in verband met de ontwikkeling op langere termijn is verder ook dat, daar waar de toename van het aantal opsluitingen in het begin van deze eeuw nog een impact had op de gemiddelde dagpopulatie beklaagden in de gevangenissen (+ 28,5% in 2003 ten opzichte van het referentiejaar 1996), deze invloed nadien niet meer zichtbaar is. Vanaf 2004 blijft de populatie beklaagden immers vrij stabiel - tussen 2003 en 2007 is er zelfs sprake van een lichte daling - en fluctueert rond de 3.500 gedetineerden. Op basis van deze bevinding zou geconcludeerd kunnen worden dat de duur van de voorlopige hechtenis afneemt, waarbij zich mogelijks twee fenomenen voordoen. Dergelijke verkorting van de gemiddelde detentieduur kan het gevolg zijn van de invrijheidstelling van beklaagden op een vroeger tijdstip dan dat dit vroeger het geval was (via opheffing van het aanhoudingsmandaat, zonder meer) of een toenemend gebruik van een vrijheid onder voorwaarden - na een initiële periode van voorlopige hechtenis – waarbij de VOV dan in de plaats treedt van de voorlopige hechtenis (dus toekenning van VOV i.p.v. de voorlopige hechtenis te laten voortduren). Dit laatste zou ook een (alleszins gedeeltelijke) verklaring kunnen bieden voor de al hoger vermelde toename van de vrijheid onder voorwaarden433.

432

Supra, par. 4.2.3. Zie hierover ook: E. Maes, “Punitiviteit in België: lessen uit de justitiële statistieken”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems en E. Maes (ed.), Antwerpen, Maklu, 2010, 73. 433

236

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Het profiel van beide populaties is op een aantal vlakken (jaar 2008) vrij gelijkaardig. De VOV-populatie (die betrekking heeft op 4.483 ‘unieke’ justitiabelen) telt eveneens, relatief gezien, weinig vrouwen (8,0% tegenover 7,4% in het kader van de voorlopige hechtenis). De gemiddelde leeftijd verschilt niet opvallend veel (31,5 jaar tegenover 30,8) en ook bij de VOV-populatie is de leeftijdscategorie 18-25 jaar het sterkst vertegenwoordigd (38,4% tegenover 36,8%). Naar misdrijven toe zijn de SIPAR-434 en SIDIS-Griffie-gegevens onderling wel moeilijk vergelijkbaar, omwille van een andersoortige wijze van registratie. Doch ook in het kader van de VOV nemen drugsmisdrijven (24,3%) een voorname plaats in, zoals blijkt uit onderstaande tabel. Tabel 3.25: Begeleidingsmandaten VOV naargelang misdrijfcategorie (%) (jaar 2008) % (België) Categorieën van strafbare feiten Delict tegen personen Eigendomsdelicten Drugsdelicten Openbare orde Zedendelict tegen minderjarigen Andere misdrijven Delicten in familiale context Zedendelict (algemeen) Verkeersinbreuken

33,7 32,3 24,3 6,8 5,3 4,1 2,8 2,5 0,3

Antwerpen 28,5 28,2 25,5 4,9 9,3 7 3,9 3,7 0,4

Rechtsgebied hof van beroep Brussel Gent Luik 36,8 16,7 37,9 39,1 20,3 32,3 16,8 40,7 26,7 16,6 0,8 3,4 3,9 6,6 3,9 1,6 8,7 3,1 0,8 7,4 2,3 2,8 1,6 2,3 0,2 0,2 0,7

Bergen 43,8 36,8 16,5 3,4 3,9 1,7 1,7 1,6 0

Er valt anderzijds wel een zeer opvallend verschil tussen de VOV- en beklaagdenpopulatie te bespeuren op het vlak van de nationaliteit van de betrokkenen. Gelet op het feit dat de nationaliteit in SIPAR (dus voor wat de VOV betreft) in vele gevallen niet geregistreerd wordt, beperken we ons hier voor de (vergelijkende) analyse tot die arrondissementen waarin de registratie van de nationaliteit wel in voldoende mate voldeed en een redelijk aantal VOV-mandaten werd opgetekend435.

434

Luidens de gangbare instructies dienen in SIPAR, ingeval verschillende feiten aan de oorsprong van het (begeleidings)mandaat liggen én deze behoren tot verschillende categorieën van inbreuken, meerdere registraties uitgevoerd te worden (SIPAR Technische handleiding en vademecum, 22 december 2006, p. 27). Hebben de feiten betrekking op één en dezelfde categorie van inbreuken, dan is in principe één enkele registratie verplicht. 435 Voor de geselecteerde arrondissementen Brugge, Charleroi, Mechelen, Leuven en Turnhout (telkens meer dan 100 VOV-mandaten) werden resp. 8,0%, 7,0%, 11,7%, 3,6% en 11,2% missing values (op het totaal aantal VOV-begeleidingsmandaten) opgetekend voor wat de nationaliteit van de justitiabelen betreft.

237

HOOFDSTUK 3 – VOORLOPIGE HECHTENIS IN BEELD (JAAR 2008)

Tabel 3.26: Verdeling van de beklaagden- en de VOV-populatie naar nationaliteit, voor enkele geselecteerde arrondissementen (jaar 2008) Nationaliteit (%)* EU niet-EU

Arrondissement Brugge

Belg

Beklaagden VOV

60,6 96,1

13,8 0,0

25,7 3,9

100,1 100,0

53,5 83,3

10,5 9,2

36,0 7,5

100,0 100,0

62,0 89,1

10,9 2,3

27,1 8,6

100,0 100,0

66,8 94,4

18,8 2,8

14,5 2,8

100,1 100,0

57,4 89,4

28,4 6,6

14,2 4,0

100,0 100,0

Totaal

Charleroi Beklaagden VOV

Mechelen Beklaagden VOV

Leuven Beklaagden VOV

Turnhout Beklaagden VOV

* teleenheid = aantal aanhoudings- resp. VOV-mandaten

Zoals bovenstaande tabel uitwijst, zijn buitenlanders en meer in het bijzonder onderdanen van een staat buiten de Europese Unie, veel sterker vertegenwoordigd in de beklaagdenpopulatie dan in de VOV-populatie436. De VOV-populatie bestaat namelijk overwegend uit eigen onderdanen. Deze vaststelling wijst nog niet noodzakelijk op een sterkere repressieve attitude ten aanzien van buitenlandse verdachten. Evenzeer kunnen hierbij andere factoren in het geding zijn die de toepassing van een alternatief belemmeren of de voorlopige hechtenis kunnen rechtvaardigen, zoals: het verblijfsstatuut van de verdachte en het mogelijke risico op onttrekking aan het gerecht (cf. de motiveringvereisten van het aanhoudingsmandaat), een gebrek aan bestaansmiddelen, of de aanwezigheid van taalproblemen die bijvoorbeeld een inschakeling in een hulpverleningstraject bemoeilijken, ... Doch het feit dat de alternatieven klaarblijkelijk in hoofdzaak ‘gereserveerd’ blijven voor eigen onderdanen, lijkt wel uitermate relevant te zijn voor wat betreft een mogelijke toekomstige toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis.

436

Zie voor een gelijkaardig resultaat doch bekeken vanuit een enigszins ander perspectief: N. Delgrande, M. Aebi, “Le statistiche sui detenuti stranieri in Europa (1989-2006)”, in Razzismo democratico. La persecuzione degli stranieri in Europa, S. Palidda, Milano, Agenzia X, 2009, p. 28: “In generale in media più di 1/3 degli stranieri in carcere nei paesi europei sono imputati mentre i nazionali sono solo 1/5. Questa differenza potrebbe essere dovuta al fatto che le alternative alla detenzione provvisoria prima della condanna concesse ai nazionali sono applicate meno agli stranieri.”

238

Eindconclusies

Eind 2008 werd door toenmalig minister van Justitie Jo Vandeurzen, in aansluiting bij zijn beleidsnota 2009, aan het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie de opdracht toebedeeld wetenschappelijk onderzoek te verrichten naar de “toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis”. Aangezien de resultaten van dit onderzoek eind 2009 ter beschikking gesteld dienden te worden, kende het onderzoek slechts een beperkte looptijd (van 10 maanden). Het onderzoek werd verricht in de periode maart - december 2009. In hetgeen volgt, presenteren we de belangrijkste conclusies die uit voorliggend onderzoek kunnen worden gedistilleerd. Vooreerst wordt ingegaan op de belangrijkste objectieven of voordelen die – theoretisch gezien – aan het elektronisch toezicht kunnen worden toegeschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de meest relevante onderzoeksbevindingen. Daarbij wordt gefocust op de cases die (naar misdrijfkenmerken of socio-biografisch profiel van de verdachte) eventueel voor toepassing van elektronisch toezicht in aanmerking komen, het potentiële bereik van het elektronisch toezicht, de verschillende modellen van elektronisch toezicht die aangewend kunnen worden, en de opgeworpen tegenindicaties tegen het gebruik van het elektronisch toezicht in deze context. Eveneens voor een groot deel gebaseerd op de onderzoeksresultaten, wordt verder ook ingegaan op een aantal concrete voorstellen tot juridische omkadering van het elektronisch toezicht – mocht het finaal geïntroduceerd worden – en op noodzakelijke randvoorwaarden en praktische schikkingen of aandachtspunten. Er wordt afgesloten met een globale evaluatie en enkele aanbevelingen voor het verdere debat.

* * *

Aan de invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis zouden, theoretisch gezien, verschillende objectieven (of voordelen) kunnen worden toegeschreven, in vergelijking met de klassieke opsluiting in de gesloten omgeving van een gevangenis. Deze objectieven kunnen worden ondergebracht onder volgende noemers: een systemisch objectief (strijd tegen de overbevolking van de gevangenissen), een ethisch-penologisch objectief (beperking van detentieschade), een juridisch objectief (vrijwaring van het vermoeden van onschuld), een sociaal objectief (behoud in het familiaal en professioneel milieu ter voorkoming van marginalisering), en een economisch objectief (besparing op de kosten van de detentie).

EINDCONCLUSIES

Een eerste belangrijk objectief dat met de invoering van het elektronisch toezicht wordt nagestreefd, bestaat erin een bijdrage te leveren in de strijd tegen de overbevolking van de gevangenissen. Waar doorgaans in meer algemene termen over de overbevolking in de gevangenissen wordt gesproken, verwijst men in dit verband meer specifiek ook veelal naar het percentage beklaagden binnen de globale gevangenispopulatie. De gevangenisoverbevolking is een problematiek die in ons land al vele jaren aansleept, doch het is eveneens een fenomeen dat zich ook in vele andere landen sterk doet gevoelen. Gelet op de sterke impact van deze problematiek op de concrete intramurale leefomstandigheden van gedetineerden, de werklast van het gevangenispersoneel, de veiligheid binnen de inrichtingen, etc., is het niet verwonderlijk dat het thema van de overbevolking een prominente plaats heeft verworven binnen de officiële discoursen, in binnen- en buitenland en op supranationaal niveau. Niettemin moet worden opgemerkt dat de overbevolking in wezen een ‘construct’ is, en in feite louter verwijst naar een bestaande wanverhouding tussen enerzijds de op een gegeven ogenblik aanwezige gedetineerdenpopulatie en anderzijds de op dat moment beschikbare gevangeniscapaciteit. Overbevolking doet zich dan voor wanneer de populatie de voorziene capaciteit overschrijdt. Problemen van overbevolking kunnen als zodanig worden tegengegaan door in te spelen op de omvang van de gedetineerdenpopulatie en/of de gevangeniscapaciteit. Om te komen tot een vermindering van het aantal gedetineerden kan zowel worden ingegrepen op de instroom in de gevangenissen als op de duur van de detentie. De omvang van de gevangenispopulatie wordt inderdaad niet enkel bepaald door het aantal gedetineerden dat in de gevangenissen wordt opgesloten maar ook door de duur van hun verblijf. Dergelijke ingrepen – hetzij wettelijke, hetzij meer praktische - dienen of hoeven zich zelfs niet uitsluitend te beperken tot de populatie beklaagden maar kunnen ook andere deelpopulaties (zoals veroordeelden, geïnterneerden) viseren. Een andere mogelijke optie – vaak weliswaar bekritiseerd vanuit welbepaalde hoek – betreft een uitbreiding van de beschikbare gevangeniscapaciteit: deze richting wordt thans vanuit politieke hoek ingeslagen om het hoofd te kunnen bieden aan de sterke toename van de gevangenispopulatie tijdens de afgelopen decennia437. Hoewel deze optie de – parallelle – invoering van reductionistische maatregelen niet uitsluit, wordt tegen capaciteitsuitbreiding niettemin dikwijls aangevoerd dat het niet strookt met de ‘ultimum remedium’-gedachte die in vele officiële beleidsteksten ten aanzien van de gevangenisstraf (maar ook het gebruik van de voorlopige hechtenis) wordt uitgesproken, en dat de bijkomende capaciteit snel opnieuw zal worden ingevuld. In voorliggend onderzoek is de problematiek in verband met de invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis (als detentievervangende maatregel) in eerste orde bekeken vanuit zijn mogelijke bijdrage om de gevangenispopulatie (met name de populatie beklaagden) onder controle te brengen. Het is vanuit die optiek dat de onderzoeksopdracht tot stand kwam, aansluitend bij hetgeen de vroegere minister van Justitie Jo Vandeurzen in zijn beleidsnota met betrekking tot de voorlopige hechtenis verkondigde. Zo werd in deze beleidsnota, als één van de mogelijkheden om de voorlopige hechtenis te “optimaliseren”, verwezen naar “(…) de

437

Zie in dit verband het ‘Masterplan 2008-2012 voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden’ dat op 18 april 2008 door de Belgische regering werd goedgekeurd.

240

EINDCONCLUSIES

aanwending van elektronisch toezicht, de toepassing van moderne technieken als GPSbewaking, als alternatief voor de voorlopige hechtenis.”438 Een verminderd gebruik van de voorlopige hechtenis – met mogelijks positieve effecten op de omvang van de gevangenispopulatie die daaruit zou kunnen resulteren – zou dan eveneens moeten toelaten ruimte te creëren voor een behoorlijke huisvesting van en regime-invulling voor die gedetineerden die wel nog in de gevangenis zouden verblijven (nog los van eventuele capaciteitsuitbreiding). Daarmee zouden ook een aantal nadelige effecten die aan de detentie zijn gekoppeld (zoals het verlies van werk, inkomen, verstoring gezinsrelaties, het risico op ‘institutionalisering’), kunnen worden getemperd. Deze achterliggende filosofie verwijst naar het beginsel van de ‘beperking van detentieschade’ dat ook de rode draad vormt doorheen de Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden die een aantal jaar geleden door het parlement werd goedgekeurd 439 . In deze Basiswet werd het objectief om detentieschade zoveel als mogelijk te beperken – te realiseren via het zgn. ‘normaliseringsbeginsel’440 - voor de verdachten gegrond op het beginsel van het vermoeden van onschuld dat in de fase van het vooronderzoek nog steeds als dominant uitgangspunt geldt 441 . Doch de Basiswet focust enkel op de interne regimeaspecten van de detentie, t.t.z. ze omschrijft - in juridisch opzicht - de interne levensvoorwaarden ten aanzien van diegenen die wel zijn ingesloten. Beperking van detentieschade kan uiteraard ook worden bereikt door de opsluiting op zich te vermijden. Alternatieven voor de detentie kunnen onder verschillende mogelijke verschijningsvormen zichtbaar worden. In welke mate de negatieve effecten van de klassieke detentie daarmee kunnen worden teruggedrongen, hangt voor een belangrijk deel af van de graad van vrijheidsbeperking of -beneming van het voorgestelde alternatief (cf. elektronisch toezicht onder de vorm van ‘thuisdetentie’). Bovendien kan de beleving van de maatregel individueel verschillen, ook gelet op de woonomstandigheden, en is het niet uitgesloten dat een zeer ‘strikte’ beperking van de bewegingsvrijheid het risico op overtredingen van de voorwaarden maximaliseert. Een zuinig gebruik van de voorlopige hechtenis wordt niet enkel nagestreefd vanuit een objectief om de overbevolking van de gevangenissen een halt toe te roepen en de schadelijke effecten van de detentie voor de verdachte en zijn naaste omgeving te vermijden. Ook andere – elkaar trouwens niet uitsluitende - argumenten kunnen worden aangevoerd om de voorlopige hechtenis slechts toe te passen in die gevallen waarin ze werkelijk noodzakelijk is en er geen enkel deugdelijk alternatief hiervoor voorhanden is. In eerste instantie geldt in het kader van het vooronderzoek in strafzaken, zoals hoger reeds aangehaald, nog steeds het vermoeden van onschuld, en dient de door de Grondwet gewaarborgde vrijheid van persoon442 vanuit humaan en mensenrechtelijk perspectief zo 438

Parl. St., Kamer, 2008-2009, nr. 52 1529/016, p.71 – Algemene beleidsnota van de minister van Justitie. Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, B.S., 1 februari 2005. 440 Hiermee wordt bedoeld dat de levensomstandigheden in de gevangenis zoveel mogelijk in overeenstemming worden gebracht met de levensomstandigheden in de vrije samenleving. 441 Zie hierover: Eindverslag van de commissie ‘basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden’, Verslag namens de commissie voor de Justitie uitgebracht door de heren Vincent Decroly en Tony Van Parys, Parl. St., Kamer, 2000-2001, 1076/001, 85-86. 442 Zie art. 12 Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (B.S., 17 februari 1994): 439

241

EINDCONCLUSIES

maximaal mogelijk gevrijwaard te worden. Zeker ten aanzien van personen van wie de schuld nog niet is bewezen, dient de persoonlijke vrijheid als hoogste goed te worden aanzien en moet indien nodig, en daar waar mogelijk, telkens die maatregel worden voorzien die het minst op de persoonlijke vrijheid ingrijpt.443 De (thans beschikbare) alternatieven voor de voorlopige hechtenis krijgen verder vaak ook een invulling die erop gericht is eventueel bestaande risico’s op recidive beter te kunnen ondervangen, door aan een invrijheidstelling bijvoorbeeld hulpverleningsgerichte voorwaarden te koppelen, zoals het volgen van een begeleiding inzake agressiebeheersing, drugsproblematiek, seksuele delinquentie, etc. Aangenomen wordt dat de inschakeling in een hulpverleningstraject, reeds in een vroeg stadium van de strafprocedure, op langere termijn bezien een adequater middel vormt ter preventie van nieuwe criminaliteit. Bovendien kan dit hulpverleningsproces waarin wordt ingewerkt op criminogene factoren en het sociale weefsel rond de verdachte wordt versterkt, gebeurlijk ook nog zijn verlengstuk krijgen, of voor de verdachte gunstiger effecten sorteren, in een verder stadium van het strafproces, wanneer door het vonnisgerecht geoordeeld dient te worden over de schuldvraag en de gepaste strafmaat, naar aard en duur toe. De vraag rijst echter of personen die reeds goed geïntegreerd zijn – indien ze niet in hechtenis worden genomen - wel onder vrijheid onder voorwaarden (of elektronisch toezicht) geplaatst (dienen te) worden in functie van het vermijden van recidive of ter bevordering van hun reïntegratie. Uit vroeger onderzoek blijkt dat er vaak sprake is van een persoonsgerichte selectie waarbij voornamelijk personen die in een sociaal kwetsbare positie verkeren (werkloosheid, problemen in verband met middelenafhankelijkheid, precaire financiële situatie, dakloosheid) in detentie worden geplaatst, en niet in het systeem van de vrijheid onder voorwaarden (of vrijstelling zonder meer), terwijl het net voor deze populatie nuttig zou zijn om van een vrijheid (invrijheidstelling) onder voorwaarden te kunnen genieten 444 . Verder kan eveneens de vraag worden gesteld welke meerwaarde elektronisch toezicht hier biedt ten opzichte van een conventionele detentie en zelfs een vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden, beschouwd vanuit het perspectief van recidivebeperking. Kan elektronisch toezicht een middel zijn tot vermijding of beperking van recidive, of moet eerder worden gesteld dat naar buiten toe een “illusie van

“De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren.” 443 Zie in dit verband ook de regel 3/1 van de Aanbeveling van de Raad van Europa [Recommendation Rec(2006)13 of the Committee of Ministers to member states on the use of remand in custody, the conditions in which it takes place and the provision of safeguards against abuse], goedgekeurd door het Comité van Ministers op 27 september 2006: “In view of both the presumption of innocence and the presumption in favour of liberty, the remand in custody of persons suspected of an offence shall be the exception rather than the norm.” 444 Zie hierover: S. Snacken, K. Beyens, “Alternatieven voor de vrijheidsberoving: hoop voor de toekomst?”, in Strafrechtelijk beleid in beweging, S. Snacken (ed.), Brussel, VUBPress, 2002, 304-305; S. Snacken, A. Raes, K. De Buck, K. D’Haenens, P. Verhaeghe, Onderzoek naar de toepassing van de voorlopige hechtenis en de vrijheid onder voorwaarden, Brussel, Vrije Universiteit Brussel/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 1997.

242

EINDCONCLUSIES

veiligheid” wordt gecreëerd? In elk geval zal hier ook veel afhangen van de mogelijkheden tot snelle interventie bij gebeurlijke overtredingen. Het achterwege laten van de opsluiting zou – niettegenstaande dat het niet tot de primaire doelstellingen van de voorlopige hechtenis kan worden gerekend (gelet op het vermoeden van onschuld) – aan de verdachte ook kunnen toelaten reeds een aanvang te maken met de schadeloosstelling van eventuele slachtoffers. Hoewel het discutabel is om voor verdachten enige schadeloosstelling van slachtoffers als bijzondere – en dus verplicht na te komen - voorwaarde op te leggen in het kader van een gebeurlijke invrijheidstelling445, kan de vrijwaring van zulke mogelijkheid tot schuldaflossing in bepaalde gevallen wel degelijk pertinent zijn, bijvoorbeeld: indien de verdachte schuld erkent en vrijwillig tot schadeloosstelling wil overgaan vóór vonnis, of, indien het gaat om verdachten die al eerder (in andere zaken) zijn veroordeeld tot schadeloosstelling. Het behoud van tewerkstelling en het verwerven van een inkomen, of het genot van andere inkomensvervangende uitkeringen, bieden op dit vlak uitgebreidere mogelijkheden voor de verdachte dan een opsluiting in de gevangenis. Wat dit laatste betreft, wordt men niet alleen geconfronteerd met een onvoldoende groot tewerkstellingsaanbod, maar ook met een vergoeding voor penitentiaire arbeid die, zelfs de dag van vandaag, nog steeds helemaal niet in verhouding staat tot hetgeen in de vrije buitenwereld gangbaar is. Een ander argument dat vaak wordt ingebracht tegen de praktijk van de opsluiting, is ingegeven door budgettaire motieven. Zo wordt doorgaans gesteld dat alternatieven voor de detentie – waaronder ook het elektronisch toezicht – voor de overheid kostenbesparend zijn in vergelijking met de budgetten die voor de instandhouding van het (traditionele) gevangeniswezen worden opgehoest. Verondersteld wordt dat het elektronisch toezicht bijdraagt tot een vermindering van de gevangenispopulatie, op die manier de kosten voor het gevangeniswezen drukt, én zelf als alternatief goedkoper is dan opsluiting in de gevangenis. Ten slotte kan, meer specifiek voor wat het elektronisch toezicht betreft, ook worden aangevoerd dat met dit technologisch middel een betere controle kan worden verzekerd van de voorwaarden aan een invrijheidstelling onder voorwaarden worden verbonden. Daardoor zou de invrijheidstelling een meer ‘geloofwaardig’ karakter kunnen krijgen, waardoor magistraten ertoe geneigd zouden kunnen zijn frequenter - dan nu het geval is – gebruik te maken van de alternatieven. Het elektronisch toezicht zou dan als vermeend ‘beter’ alternatief in de plaats kunnen treden van de ‘traditionele’ VOV, of de voorlopige hechtenis zelf vervangen ter verwezenlijking van de aan de hechtenis toegeschreven doelstellingen zonder de nadelen die eraan zijn verbonden mee over te nemen.

445

Zie bijvoorbeeld K. Lauwaert, ‘De vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden’, in Alternatieve straffen en maatregelen. Penologisch vademecum. Volume I, W. Meyvis, D. Martin (coörd.), Heule, Uitgeverij UGA, 1997, 68. Herstelmaatregelen (schade vergoeden, excuses aanbieden, teruggave), maar ook vorming en dienstverlening zijn volgens haar niet gepast als voorwaarden in het kader van een vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden, omdat: 1) deze voorwaarden moeilijk verantwoord kunnen worden vanuit het vermijden van recidive, collusie of ontvluchting; en 2) men zich kan afvragen of het vermoeden van onschuld en de onpartijdigheid van de rechter niet in het gedrang komen (risico dat geprejudicieerd wordt over de schuld van de verdachte).

243

EINDCONCLUSIES

* * *

Zoals al eerder werd toegelicht, was het de bedoeling in het kader van voorliggend onderzoek na te gaan: welk toepassingsbereik het elektronisch toezicht zou kunnen krijgen, mocht het thans als bijkomend alternatief voorhanden zijn; in welke concrete gevallen (naar misdrijfomschrijvingen toe en/of afhankelijk van het profiel van de beklaagdenpopulatie) elektronisch toezicht toegepast zou kunnen worden; welk model of welke vorm van elektronisch toezicht daarbij de voorkeur zou genieten; en, welke tegenindicaties opgeworpen zouden worden om uiteindelijk toch van het gebruik van elektronisch toezicht af te zien. Hiertoe werden diverse onderzoeksactiviteiten georganiseerd, met verschillende methodologische inslag, die zich als volgt laten omschrijven. Vooreerst werd op basis van literatuur, plaatsbezoeken en contacten met bevoorrechte getuigen een overzicht geschetst van de situatie in binnen- en buitenland met betrekking tot de toepassing van het elektronisch toezicht, meer bepaald in het kader van de voorlopige hechtenis. Vervolgens werd een bevragingsronde georganiseerd. In eerste instantie gebeurde dit via rondetafelgesprekken met een aantal actoren uit het werkveld die inzake de toepassing van alternatieven voor de voorlopige hechtenis kunnen beslissen, daartoe een vordering kunnen instellen of daartoe een verzoek kunnen indienen. En in een latere fase werden een aantal reële gerechtelijke dossiers gescreend waarin door onderzoeksrechters, leden van de Raadkamer en de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd beslist tot aanhouding resp. verlenging van de voorlopige hechtenis. En ten slotte werd op basis van data uit de penitentiaire gegevensbank SIDIS-Griffie onder meer een beeld geschetst van de huidige toepassing van de voorlopige hechtenis. Deze data werden ook in verband gebracht met gegevens uit de databank SIPAR van het Directoraat-generaal Justitiehuizen voor wat betreft de populatie die thans onder voorwaarden in vrijheid werd gelaten of gesteld (VOV). De belangrijkste resultaten van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat. Naar mogelijke casussen toe waarin elektronisch toezicht al dan niet toegepast zou kunnen worden in het kader van de voorlopige hechtenis, werden doorheen de georganiseerde rondetafelgesprekken verschillende situaties aangehaald waarin wel degelijk mogelijkheden werden gezien voor het gebruik van het elektronisch toezicht. Zo werd bijvoorbeeld verwezen naar gevallen van stalking (belaging), alsook naar vormen van intrafamiliaal geweld, zij het evenwel slechts onder bepaalde condities, nl. wanneer de partners of gezinsleden niet op dezelfde plaats woonachtig zijn. In deze cases werd voornamelijk gedacht aan de toepassing van GPS-technologie, met de bedoeling contactverboden te kunnen controleren. Ook in zware dossiers, zoals moord en doodslag, zou elektronisch toezicht, naargelang de omstandigheden (bijv. bij partnerdoding), volgens bepaalde actoren mogelijk kunnen zijn: terwijl sommigen hierbij aangeven dat elektronisch toezicht toegepast kan worden na de beslissing tot verwijzing (regeling van de rechtspleging), zijn anderen dan weer van mening dat de keuze voor het moment van

244

EINDCONCLUSIES

verwijzing als scharnierpunt arbitrair is en de beslissing over toepassing van elektronisch toezicht daarvan los dient te staan. Een andere categorie waarvoor een mogelijke toepassing wordt gezien, zijn zgn. jongvolwassen primaire delinquenten ten aanzien waarvan de voorlopige hechtenis of het elektronisch toezicht, na een eerste korte periode van hechtenis, als instrument ter verduidelijking en bevestiging van de ‘norm’ wordt/zou worden gehanteerd. Cases waarin eerder zou worden afgezien van enige toepassing van elektronisch toezicht, zijn die zaken waarin er sprake is van seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen, zeker wanneer de feiten werden gepleegd in de thuisomgeving; van drugshandel, meer in het bijzonder wanneer – en dit geldt ook voor andere vormen van crimineel gedrag – de feiten herhaald zouden kunnen worden van op de toegewezen verblijfplaats. Ook de problematiek van de illegaliteit (afwezigheid van recht op verblijf op het grondgebied) weegt zwaar door in het oordeel over al dan niet toepassing van elektronisch toezicht, in die zin dat het de toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht maar ook van andere alternatieven ernstig hypothekeert. De situatie van ‘illegale’ vreemdelingen in de Belgische gevangenispopulatie verdient de nodige aandacht. Vroeger onderzoek waarin werd nagegaan wat het effect zou zijn van een beperking van de duur van de voorlopige hechtenis (voor bepaalde misdrijven, nl.: drugs en/of diefstal, eventueel in combinatie met andere misdrijven, doch zonder aantasting van de fysieke integriteit) op de omvang van de beklaagdenpopulatie, wees reeds uit dat ongeveer de helft van de voorspelde uitgespaarde detentiecapaciteit verloren zou gaan wanneer illegale vreemdelingen van dergelijke maatregel zouden worden uitgesloten 446 . In voorliggend onderzoek konden op basis van de databank SIDIS-Griffie geen sluitende uitspraken worden gedaan over het precieze aandeel illegalen binnen de beklaagdenpopulatie, maar wel duidelijk is dat illegalen (daar waar als zodanig geregistreerd) langer in voorlopige hechtenis blijven dan gemiddeld genomen447. Uit de screening van dossiers blijkt alleszins dat deze problematiek van illegaal verblijf zich – zeker in sommige arrondissementen – zeer sterk stelt. Hoewel illegalen niet per definitie van het toepassingsgebied van elektronisch toezicht werden uitgesloten, kwamen zij hiervoor verhoudingsgewijs toch veel minder frequent voor in aanmerking (bovendien vaak enkel mits bepaalde randvoorwaarden vervuld zouden zijn, bijv. in combinatie met opvang in een asielcentrum 448 ). Door de bevraagde magistraten werd trouwens ook aangegeven dat illegalen soms in hechtenis worden geplaatst voor eerder mineure feiten, zoals winkeldiefstal (zonder geweld), waarvoor eigen onderdanen of vreemdelingen met wettig verblijf in België niet zouden worden opgesloten 449 . De detentie van illegale 446

S. Deltenre, E. Maes, “Pre-trial Detention and the Overcrowding of Prisons in Belgium. Results from a Simulation Study into the Possible Effects of Limiting the Length of Pre-trial Detention”, European journal of crime, criminal law and criminal justice, 2004, nr. 4, 367. 447 Tegenover een gemiddelde – zij het ietwat onderschatte – detentieduur van 61,9 dagen, staat voor verdachten ten aanzien van wie een beslissing tot verwijdering van het grondgebied werd genomen, een gemiddelde duur van 73,5 dagen. 448 Het is niet helemaal duidelijk wat men hier concreet voor ogen heeft (asielcentrum of eender welke residentiële opvangmogelijkheid?) en welk soort van asielcentrum (open vs. gesloten?) geviseerd zou worden. Indien het gaat om gesloten structuren, rijst de vraag naar de pertinentie van het gebruik van elektronische toezichtsmiddelen binnen dergelijke context. 449 Zie Hoofdstuk 2, Afdeling I, par. 3.2.8 en Afdeling II, par. 2.4.

245

EINDCONCLUSIES

vreemdelingen blijkt vooral gebaseerd te zijn op het mogelijke onttrekkingsgevaar dat hier hoog wordt ingeschat. Waar – afgaande op de rondetafelgesprekken - wel enigszins mogelijkheden werden gezien voor de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis, viel wel veel moeilijker in te schatten in welke mate het elektronisch toezicht – indien het zou worden toegepast – gehanteerd zou worden ter vervanging van actueel lopende voorlopige hechtenissen dan wel invrijheidstellingen onder voorwaarden. Met andere woorden, onduidelijk was welk werkelijk detentievervangend effect het elektronisch toezicht zou kunnen hebben. In elk geval was de algemene teneur dat het veel moeilijker is om voorbeelden te vinden van gevallen waar het elektronisch toezicht de voorlopige hechtenis zou doen vervangen, dan gevallen waar het elektronisch toezicht louter bijkomend (als supplementaire controlemogelijkheid) bij een gewone VOV zou worden opgelegd of in het geheel niet zou worden toegepast. Uit de verdere screening van reële gerechtelijke dossiers blijkt dat de gevallen waarin elektronisch toezicht zou worden toegepast, daar waar de verdachte thans in voorlopige hechtenis verblijft bij gebreke aan dergelijk alternatief, naar aard van de gepleegde feiten toe vrij gevarieerd zijn. Het gaat dan zowel over bezit, handel in en invoer van verdovende middelen, gewone diefstallen of diefstallen met geweld, als over informaticabedrog, slagen en verwondingen, en zelfs doodslag. Er blijkt, net zoals dit uit de rondetafelgesprekken kan worden afgeleid, dat er geen aanleiding toe is a priori bepaalde misdrijfomschrijvingen uit het toepassingsbereik te weren 450 . De toepassingsmogelijkheid van elektronisch toezicht wordt veeleer van geval tot geval beoordeeld, rekening houdend met de aard van de feiten, maar ook met het profiel van de verdachte, de concrete omstandigheden waarin de feiten zijn gepleegd, het verloop en de voortgang van het gerechtelijk onderzoek, ... Het elektronisch toezicht zou vooral enige toepassing kunnen krijgen in gevallen waar het vermijden van recidivegevaar centraal staat en de toepassing van elektronisch toezicht het vlot verloop van de bewijsgaring (gerechtelijk onderzoek) niet (meer) in de weg zal staan: tijdens de rondetafelgesprekken werd – via eliminatie - gesteld dat het recidivegevaar de enige factor is die de toepassing van elektronisch toezicht niet bij voorbaat uitsluit. De argumenten die vaak tegen het gebruik van elektronisch toezicht geciteerd worden, lijken in niet onbelangrijke mate gelieerd te zijn aan de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek. Zo wordt gesteld dat het elektronisch toezicht onvoldoende garanties biedt om een aantal risico’s te neutraliseren (daarvoor wordt thans de voorlopige hechtenis gehanteerd), zoals het collusiegevaar en het gevaar op verduistering van bewijzen. Maar ook het gevaar op onttrekking (ontvluchtingsgevaar) en het recidivegevaar spelen hierbij een zeer prominente rol. Het gevaar op onttrekking blijkt, afgaande op de resultaten van de dossierscreening, één van de belangrijkste factoren te zijn (aan Nederlandstalige zijde zelfs dé belangrijkste factor) om elektronisch toezicht niet te overwegen. Verder blijken ook de zwaarwichtigheid van de feiten en het mogelijke recidivegevaar een voorname hinderpaal te vormen voor de toepassing van 450

Contra de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel-Taelman: Parl. St., Senaat, 2007-2008, 4-613/1, Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990, betreffende de voorlopige hechtenis met het oog op de invoering van het elektronisch toezicht (Memorie van Toelichting, p. 3). Zie hierover ook: Hoofdstuk 1, Afdeling V, par. 2.

246

EINDCONCLUSIES

elektronisch toezicht; aan Franstalige kant wordt het recidivegevaar zelfs als dé belangrijkste tegenindicatie naar voren geschoven.451 Dit geldt in mindere mate voor het collusie- en verduisteringsgevaar, zeker wanneer de voorlopige hechtenis al enigszins is gevorderd in de tijd. Tegenover deze kanttekeningen die worden geplaatst ten aanzien van de opportuniteit om elektronisch toezicht aan te wenden in het kader van de voorlopige hechtenis, staat echter ook dat meermaals – met name tijdens de rondetafelgesprekken – (impliciet) de indruk werd gewekt van een soms ‘oneigenlijk’ gebruik van de voorlopige hechtenis. Er werd bijvoorbeeld verwezen naar het ‘intimiderend’ of schokeffect dat de voorlopige hechtenis kan teweegbrengen (cf. jongvolwassen primaire misdrijfplegers) 452 , alsook naar een zekere druk vanuit de buitenwereld (media, publieke opinie), in het bijzonder ingeval van moord of doodslag, die sommige magistraten ervan zou weerhouden een invrijheidstelling (al dan niet onder voorwaarden) in overweging te nemen. Binnen zulke context dient men zich o.i. niet zozeer af te vragen welk alternatief voor de hechtenis voorgesteld kan worden. De meer fundamentele kwestie die zich hier stelt, is veeleer deze naar het correct gebruik van de als zeer uitzonderlijk bestempelde maatregel van de voorlopige hechtenis. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat ook het bij sommige actoren heersende ongenoegen over de strafuitvoering (niet-uitvoering van korte straffen, volledige uitboeting van sommige straffen onder elektronisch toezicht en vroegtijdige voorlopige invrijheidstelling) consequenties heeft (kan hebben) voor wat het gebruik van de voorlopige hechtenis betreft453. In die zin dat de voorlopige hechtenis zou worden aangewend als een soort van voorbestraffing waardoor op zijn minst zeker wel een deel van de ‘straf’ in de gevangenis zou worden uitgezeten. In het kader van de screening van dossiers werd eveneens getracht te onderzoeken – hoewel dit geenszins een evidentie is - welk toepassingsbereik het elektronisch toezicht (ter vervanging van lopende voorlopige hechtenissen) in kwantitatieve termen zou kunnen hebben. Uit deze bevragingsronde blijkt dat op een totaal van ongeveer 200 geanalyseerde dossiers in zo’n 15% van de gevallen elektronisch toezicht, volgens één of ander model, toegepast zou worden. Dit aantal dient zelfs nog hoger ingeschat te worden, wanneer rekening wordt gehouden met de uitgebreide bevoegdheden van de onderzoeksrechter om op elk ogenblik van de procedure de voorlopige hechtenis op te heffen: bekijken we derhalve enkel de dossiers van de onderzoeksrechters, dan wordt een toepassingsbereik van zo’n 25% bereikt454. Dit betekent echter wel nog niet zomaar dat 451

Zie hiervoor Hoofdstuk 2, in het bijzonder Afdeling II, par. 2.1 en 2.3. Overigens werd ook vastgesteld dat soms minderjarigen jonger dan 16 jaar in voorlopige hechtenis worden genomen. Zie hierover Hoofdstuk 2, Afdeling II, par. 2.1, en Hoofdstuk 3, par. 4.1.2. 453 Zie bijvoorbeeld Hoofdstuk 2, Afdeling I, par. 3.2.7. Zie in dergelijke zin bijvoorbeeld ook in verband met de vorderingspraktijk door het openbaar ministerie: J. Sabbe, “De (bescheiden) invloed van het vervolgings- en strafbeleid van het OM op de punitiviteit”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 155. 454 Aan Franstalige zijde achtten de onderzoeksrechters toepassing van elektronisch toezicht mogelijk in 15 op de 57 dossiers (of 26,31%), aan Nederlandstalige kant in 11 dossiers op 41 (of 26,82%). Gelet op de kanttekeningen die de onderzoeksmagistraten naar aanleiding van de bevraging plaatsten bij het elektronisch toezicht of de condities waaronder ze dit pas mogelijk achtten, moet er worden vanuit gegaan 452

247

EINDCONCLUSIES

hieruit moet worden afgeleid dat de invoering van het elektronisch toezicht de gevangenispopulatie beklaagden in een gelijke verhouding zou drukken. Zoals hoger reeds aangehaald, wordt de omvang van deze populatie immers niet alleen bepaald door de instroom (het aantal uit te voeren aanhoudingsmandaten) maar ook door de duur van de hechtenis. En welke duur van voorlopige hechtenis nu juist met het elektronisch toezicht zou worden uitgespaard, valt zeer moeilijk in te schatten. Zoals blijkt uit de rondetafelgesprekken en uit de door magistraten geleverde commentaren bij de dossierscreening, zal elektronisch toezicht zeker niet altijd binnen de 24 uur na de politionele arrestatie worden toegewezen. Veelal zal dit pas kunnen gebeuren na een eerste, initiële periode van voorlopige hechtenis, waarbinnen een aantal onderzoekshandelingen kunnen worden gesteld 455 en de magistraat meer precies kan worden voorgelicht over de materiële mogelijkheden van elektronisch toezicht en de eventuele concrete inhoudelijke invulling ervan. Wat trouwens ook erg opvalt, is dat afgaande op de kwantitatieve resultaten van de screening van dossiers, en zoals hoger ook reeds aangegeven – de onderzoeksrechters kennelijk veel gunstiger staan tegenover de toepassing van elektronisch toezicht dan magistraten van de Raadkamer en de Kamer van Inbeschuldigingstelling. Hoger werd er ook al op gewezen dat, naast de zojuist vermelde cijfers over de toepassing van elektronisch toezicht als detentievervangend alternatief, er aanwijzingen voor bestaan (cf. rondetafelgesprekken) dat elektronisch toezicht wellicht in niet onbelangrijke mate ook toegepast zal worden in gevallen waarin momenteel VOV wordt toegepast. Het gaat hier dan niet zozeer om wat – volgens een enge interpretatie - ook wel eens wordt benoemd als het fenomeen van net-widening (uitbreiding van het sociale controle-net, t.t.z. meer personen onder justitiële controle), maar wel om een versterking van de controle, of in termen van één van de deelnemers, een “verzwaring van de voorlopige invrijheidstelling” (of invrijheidstelling onder voorwaarden)456. Een mogelijke optie om het gebruik van het elektronisch toezicht te stimuleren ten aanzien van personen die momenteel niet genieten van een vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden, maar die daadwerkelijk in de gevangenis verblijven (dus als werkelijk detentievervangend alternatief) 457 , zou er in kunnen bestaan dat, vooraleer dat het geobserveerde aandeel allicht ietwat overschat is (zie hiervoor Hoofdstuk 2, Afdeling II, par. 2.2 en par. 2.4). 455 Vandaar dat het wetsvoorstel-Taelman de toepassing van elektronisch toezicht slechts mogelijk acht vanaf de eerste verschijning voor de Raadkamer. Zie Parl. St., Senaat, 2007-2008, 4-613/1, Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990, betreffende de voorlopige hechtenis met het oog op de invoering van het elektronisch toezicht (Memorie van Toelichting, p. 2-3): “Er wordt bewust voor geopteerd om elektronisch toezicht enkel te voorzien voor gevallen waarin de raadkamer zich buigt over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Dit is vijf dagen na het bevel tot aanhouding uitgaande van een onderzoeksrechter. Men mag er vanuit gaan dat in deze periode de elementaire opsporingen (huiszoeking, getuigenverklaringen, sporenonderzoek) zijn verricht, zodat het risico op collusiegevaar wordt verminderd en er enkel een vorm van vrijheidsberoving noodzakelijk is om te vermijden dat een verdachte op de vlucht gaat.” Niettemin is het verkieslijk alle opties open te houden en de mogelijkheid tot toekenning van elektronisch toezicht zeker ook toegankelijk te stellen voor de onderzoeksrechter. 456 Zie onder meer Hoofdstuk 2, Afdeling I, par. 2.1.1. 457 Op de moeilijkheid om dit fenomeen (van oplegging van supplementaire controlemiddelen aan wie anders een gewone VOV zou zijn toegestaan) te omzeilen, werd bijvoorbeeld ook gewezen door Hassett:

248

EINDCONCLUSIES

elektronisch toezicht kan worden toegekend, eerst een beslissing genomen dient te worden in verband met de al dan niet aanhouding. Vervolgens zou (eventueel) een andere instantie kunnen beslissen over de concrete uitvoering van de voorlopige hechtenis (in feite naar analogie met hetgeen zich thans op het niveau van de strafuitvoering afspeelt)458 en daarbij dan de keuze hebben tussen enerzijds opsluiting in de gevangenis of hechtenis onder de vorm van elektronisch toezicht.459 De vraag rijst dan echter wel in welke mate in het kader van de besluitvorming over de wijze van uitvoering van de hechtenis nog wel in voldoende mate rekening zal worden gehouden met de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek. Bovendien is het niet uitgesloten dat finaal een omgekeerd effect wordt bewerkstelligd, nl. dat de onderzoeksrechter (of de onderzoeksgerechten), in plaats van te beslissen tot invrijheidstelling zonder meer of tot vrijheid (invrijheidstelling) onder voorwaarden, initieel meer tot voorlopige hechtenis zal overgaan, vanuit de verwachting dat de voorlopige hechtenis vervolgens zal worden uitgevoerd onder de vorm van elektronisch toezicht. Men dient er zich verder ook voldoende rekenschap van te geven dat, nog afgezien van het feit dat de toepassing die het elektronisch toezicht kan verkrijgen ten aanzien van personen die momenteel onder invrijheidstelling onder voorwaarden (VOV) staan en in die zin een verzwaring van het bestaande ‘alternatief’ inhoudt, door het elektronisch toezicht als het ware ook ‘mislukkingen’ kunnen worden geïnduceerd. Uit eerder onderzoek blijkt zo bijvoorbeeld dat de elektronische bewaking een zware psychologische druk met zich kan meebrengen (veroorzaakt door het vrij rigide systeem van uurroosters dat nageleefd dient te worden), en vaak externe factoren, buiten de wil van de betrokkenen om, de niet-naleving van het uurrooster in bepaalde gevallen in de hand werken460. Bovendien zullen inbreuken op de gestelde voorwaarden met behulp van “In cases where prison depopulation is said to be a high priority objective of the program, eligibility guidelines may require that candidates come only from the in-custody population. Such a requirement has the seeming advantage of ensuring that monitoring is not used to net-widen. The difficulty is that judges aware of the eligibility condition may, consciously or unconsciously, use custodial orders in cases which would, in absence of monitoring, have received non-custodial orders.” Een alternatieve techniek die bijvoorbeeld in Nottingham werd toegepast, bestond erin magistraten een informatiebundel te overhandigen waarin een checklist was opgenomen die de beslisser gericht ondervroeg naar de mate waarin de verdachte niet onder andere voorwaarden in vrijheid gesteld zou kunnen worden (P. Hassett, The Use of Electronic Monitoring for Pretrial Release, 2005, p. 4; http://www.bileta.ac.uk/Document%20Library/1/The%20Use%20of%20Electronic%20Monitoring%20for %20Pretrial%20Release.pdf). 458 In het kader van de strafuitvoering wordt aan de door de strafrechter ten gronde genomen beslissingen tot vrijheidsberovende straf concreet gestalte gegeven door de strafuitvoeringsrechtbank en later mogelijks ook door de alleenzetelend strafuitvoeringsrechter (thans nog de administratie). Wat de voorlopige hechtenis betreft zou – naast de eventuele creatie van een aparte figuur (een soort van detentierechter) – mogelijks ook gedacht kunnen worden aan het openbaar ministerie als instantie die het belang van de maatschappij vertegenwoordigt en in dat verband onder meer ook het gerechtelijk onderzoek en de gebeurlijke voorlopige hechtenis vordert. Met betrekking tot de uitvoering van korte gevangenisstraffen beschikte het openbaar ministerie vroeger reeds over mogelijkheden om de uitvoeringswijze concreet gestalte te geven: cf. het weekendarrest (uitvoering tijdens de weekends) en de beperkte hechtenis (een vorm van ‘nachtdetentie’, waarbij de betrokkene overdag activiteiten buiten de gevangenismuren verricht). 459 Voorstel geformuleerd tijdens de vergadering van het begeleidingscomité d.d. 27 mei 2009. 460 Zie hierover: L. Robert, E. Stassart, “Onder elektronisch toezicht gestelden aan het woord. Krachtlijnen uit het eerste Belgische onderzoek” in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing?

249

EINDCONCLUSIES

de ingezette technologische hulpmiddelen sneller en makkelijker opgemerkt kunnen worden. Eén en ander kan leiden tot intrekking van de toegekende maatregel van elektronisch toezicht, met als bijkomend mogelijk gevolg dat later in de procedure geen ‘tweede kans’ meer zal worden geboden, en finaal dan zelfs een langere detentie zal worden ondergaan dan wanneer initieel geen elektronisch toezicht zou zijn verleend. In die zin zou de ‘uitgespaarde’ detentiecapaciteit die bereikt kan worden daar waar elektronisch toezicht in de plaats komt van een lopende voorlopige hechtenis, zeker ten dele, teniet gedaan kunnen worden. Misschien zou hieruit zelfs een averechts effect kunnen sorteren. Zoals ook uit de analyse van de actuele situatie in binnen- en buitenland is gebleken, kan het elektronisch toezicht op zeer diverse wijzen worden ingevuld. In ons eigen onderzoek onderscheidden we, in het kader van de bevraging van de diverse actoren (cf. rondetafelgesprekken en dossierscreening) drie mogelijke modellen van elektronisch toezicht, te weten: het traditionele model (d.i. het elektronisch toezicht zoals dit thans in België op het niveau van de strafuitvoering wordt toegepast), het model thuisdetentie, en het GPS-model. De resultaten van onze analyses wijzen uit dat al deze drie modellen een zekere toepassing zouden kunnen krijgen, en dus – indien elektronisch toezicht wordt ingevoerd in de fase van het vooronderzoek - een gedifferentieerde toepassing, afgestemd op het individuele geval, mogelijk moet zijn. Wel blijken er verschillen te bestaan naargelang de bevraagde taalgroep. Enerzijds blijkt uit de dossierscreening dat aan Nederlandstalige zijde voor één en dezelfde casus soms meer dan één specifiek model toepasbaar wordt geacht (aan Franstalige kant steeds één model). Anderzijds geven de meeste Franstalige magistraten de voorkeur aan het zgn. ‘traditionele’ model, dit in tegenstelling tot hun Nederlandstalige tegenhangers bij wie meer diversiteit en een groter evenwicht in de vooropgestelde modellen te bespeuren valt. Wel stelden sommige Franstalige magistraten – tijdens de rondetafelgesprekken - dat het model ‘thuisdetentie’ het meest de vergelijking met de voorlopige hechtenis kan doorstaan, waar men in abstracto redeneert over elektronisch toezicht als modaliteit van uitvoering van de voorlopige hechtenis461.

* * *

Met betrekking tot de vraag naar de juridische (wettelijke) omkadering van deze modellen - met name de eraan te verbinden consequenties in verband met de handhaving/verlenging van de maatregel, de maximumduur ervan, de schadevergoeding in geval van onwerkdadige hechtenis, en de aftrek op de uiteindelijk uitgesproken straf -, leert ons onderzoek dat sommigen elektronisch toezicht in alle gevallen (dus ongeacht het model) juridisch gezien gelijkstellen met een vrijheid onder voorwaarden, terwijl anderen Onderzoek en beleid 1998-2008 (reeks Samenleving, Criminaliteit & Strafrechtspleging, nr. 33), T. Daems, S. De Decker, L. Robert, F. Verbruggen (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 9-33; M.-S. Devresse, H. Luypaert, D. Kaminski, K. Beyens, Onderzoek betreffende de evaluatie van de reglementering, van de besluitvorming en van het verloop van elektronisch toezicht, Brussel, UCL-VUB-FOD Justitie, 2006. 461 Zie Hoofdstuk 2, Afdeling I, par. 3.2.4.

250

EINDCONCLUSIES

(en trouwens de meesten) ertoe komen een onderscheid te maken tussen enerzijds elektronisch toezicht opgevat als een specifieke modaliteit van uitvoering van de voorlopige hechtenis 462 , en anderzijds elektronisch toezicht als een bijzondere (nl. verscherpte) vorm van vrijheid onder voorwaarden. Algemeen genomen mag worden gesteld dat de toepassing van het GPS-model, wanneer het er enkel toe te doen is zeer specifieke voorwaarden (bijvoorbeeld verwijzend naar zgn. gedefinieerde exclusiezones) te controleren, veeleer wordt beschouwd als een (bijzondere) vorm van vrijheid onder voorwaarden. De andere modellen (traditioneel model en model thuisdetentie) worden eerder gecatalogeerd als uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis, aangezien er in dit geval sprake is van een zekere mate van vrijheidsberoving (of vrijheidsbeneming)463, terwijl andere (verbods)bepalingen – dan het niet verlaten van de toegewezen verblijfplaats op bepaalde tijdstippen - worden gezien als vrijheidbeperkende maatregelen 464 . Zeker wat het model thuisdetentie betreft, zijn de meeste bevraagden ervan overtuigd dat dit model van elektronisch toezicht met een werkelijke hechtenis gelijkgesteld moet worden. Over het ‘traditionele’ model zijn de meningen ietwat verdeeld, zij het dat er aan Nederlandstalige kant toch een sterke neiging bestaat dit model eveneens als een vorm van detentie te zien. Het hierboven geformuleerde onderscheid is fundamenteel van aard, in de zin dat de juridische consequenties die aan de ene en de andere optie verbonden (kunnen) worden, zeer verschillend zijn. Gepeild naar de heersende opinies hieromtrent, werd duidelijk dat, indien het gaat om een uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis: over de opportuniteit van de voortzetting van het elektronisch toezicht in beginsel regelmatiger, bijv. maandelijks naar analogie met het systeem van de voorlopige hechtenis (behoudens bij niet-correctionaliseerbare misdaden), geoordeeld dient te worden; de ondergane 462

Zie in die zin ook Van Cauwenberghe (2008: 26): “E.T. is momenteel een modaliteit van strafuitvoering en lijkt mij dus moeilijk te rijmen met voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis heeft immers niets te maken met bestraffing en is enkel een veiligheidsmaatregel in een stadium van het vooronderzoek waarbij nog geen definitieve uitspraak voorhanden is omtrent schuld of onschuld. Het lijkt mij eerder logisch dat dit zou ingevoerd worden als een mogelijke uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis waarbij de in verdenking gestelde de voorlopige hechtenis ondergaat onder elektronisch toezicht in plaats van in het arresthuis en waaraan dan ook een maatschappelijke begeleiding moet gekoppeld worden.” (eigen onderlijning) (K. Van Cauwenberghe, “Wat is een geloofwaardige strafuitvoering ?”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2008, nr. 118 (april-mei-juni), 24-27). Zie hierover ook al vroeger: K. Thys, “The End op Violence. Enkele bedenkingen bij het elektronisch toezicht in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis”, Orde van de dag, afl. 10 (juni 2000), 62. 463 Ook Thys stelde dat het anno 2000 toegepaste systeem van elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering in essentie een straf is met een “essentieel ‘vrijheidsbenemend karakter’”. (K. Thys, “The End op Violence. Enkele bedenkingen bij het elektronisch toezicht in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis”, Orde van de dag, afl. 10 (juni 2000), 62). 464 Cf. het wetsvoorstel-Taelman [Parl. St., Senaat, 2007-2008, 4-613/1, Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990, betreffende de voorlopige hechtenis met het oog op de invoering van het elektronisch toezicht (Memorie van Toelichting, p. 2)] waar gesproken wordt over “vrijheidsbeneming in een arresthuis of vrijheidsbeneming via een elektronische enkelband” (eigen onderlijning). Zie in gelijkaardige zin het wetsvoorstel-Landuyt [Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, 50-0040/001, Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis voor wat betreft het elektronisch toezicht, Artikelsgewijze toelichting, p. 5] waarin wordt bepaald dat de onderzoeksrechter (en de Raadkamer) de keuze kunnen maken tussen twee “vrijheidsbenemende” maatregelen: de verdachte opsluiten in een huis van arrest of de verdachte onder elektronisch toezicht plaatsen.

251

EINDCONCLUSIES

periode van elektronisch toezicht afgetrokken dient te worden van de uiteindelijk uitgesproken (eventuele) vrijheidsberovende straf; en; eveneens naar analogie met de voorlopige hechtenis, tevens voorzien dient te worden in de toekenning van schadevergoeding in geval van onwerkdadige hechtenis (naargelang de opgelopen schade). Voor het elektronisch toezicht toegepast als bijzondere vorm van de vrijheid onder voorwaarden (VOV ‘nieuwe stijl’) zou op dit vlak de parallel getrokken kunnen worden met het bestaande VOV-systeem (opgelegd voor maximum 3 maanden, en verlengbaar; geen schadevergoeding; geen aftrek op de later uitgesproken straf). De gelijkschakeling van het traditionele ET-model en het model thuisdetentie met een gewone klassieke hechtenis (in de gevangenis) sluit aan bij hetgeen momenteel gangbaar is op het niveau van de strafuitvoering. Het elektronisch toezicht als bijzondere strafuitvoeringsmodaliteit wordt daar immers in zijn effecten opgevat als zijnde uitvoering van de uitgesproken en te ondergane vrijheidsberovende straf, ook wanneer een toegekend elektronisch toezicht in een latere fase zou worden herroepen 465 . Een andere kwestie hierbij – niet voorgelegd aan de actoren maar wel het bediscussiëren waard - is echter ook de vraag naar de concrete ‘omzettingsregel’ die dan gehanteerd zou moeten worden. Met andere woorden, valt één dag elektronisch toezicht zonder meer gelijk te stellen met één dag hechtenis (in de gevangenis)? Binnen het kader van de strafuitvoering is dit laatste alleszins de telregel die momenteel in gebruik is (wel voor elektronisch toezicht, maar bijv. niet steeds voor de voorwaardelijke invrijheidstelling466). Bovendien wordt de voorlopige hechtenis in een latere fase, wanneer het tot een veroordeling tot effectieve gevangenisstraf komt, ook volledig in mindering gebracht op deze straf (één dag voorlopige hechtenis = één dag uitgezeten vrijheidsstraf)467. Indien deze logica’s worden doorgetrokken, is het aannemelijk te stellen dat één dag 465

Zie artikel 68, § 5, eerste lid Wet externe rechtspositie: “Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht, bepaalt (...) de strafuitvoeringsrechtbank dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.” (eigen onderlijning) 466 Inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling geldt als regel dat de definitieve invrijheidstelling pas wordt verworven indien de voorwaardelijke invrijheidstelling niet werd herroepen. De duur van de proeftijd binnen dewelke de veroordeelde de aan de invrijheidstelling verbonden voorwaarden dient na te leven, is gelijk aan het strafrestant (het aantal dagen straf dat de veroordeelde op het ogenblik van de invrijheidstelling nog diende uit te zitten mocht hij niet in vrijheid zijn gesteld). Doch hier gelden wel een aantal minimumtermijnen (in zoverre het strafrestant korter zou zijn) die, naargelang het geval, twee, vijf of tien jaar bedragen en die als zodanig het aantal dagen strafrestant kunnen overstijgen. Bovendien wordt het aantal dagen onder voorwaardelijke invrijheidstelling bij een gebeurlijke herroeping niet noodzakelijk integraal afgetrokken van het opnieuw in uitvoering gebrachte strafrestant. De strafuitvoeringsrechtbank zal hierover geval per geval beslissen. Zie artikel 68, § 5, tweede lid Wet externe rechtspositie: “Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling, bepaalt (...) de strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.” (eigen onderlijning) 467 Zie artikel 33, § 1, tweede lid Voorlopige hechteniswet: “Wordt (de beklaagde of beschuldigde) tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel veroordeeld, dan wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, in vrijheid gesteld zodra de ondergane hechtenis gelijk is aan de uitgesproken hoofdgevangenisstraf; zoniet, dan blijft hij aangehouden voor zover de straf wordt uitgesproken wegens het feit dat de voorlopige hechtenis heeft gewettigd.”

252

EINDCONCLUSIES

elektronisch toezicht, ondergaan binnen het kader van de voorlopige hechtenis, ook in dezelfde verhouding (1/1) in rekening zou worden gebracht op de later uitgesproken gevangenisstraf (ook wanneer die straf op het niveau van de strafuitvoering volledig onder elektronisch toezicht zou worden uitgevoerd). Het is uiteraard niet uitgesloten eventueel andere omzettingsregels te overwegen: in Engeland en Wales geldt bijvoorbeeld het principe van een aanrekening half-rate, hetgeen betekent dat de periode onder elektronisch toezicht slechts voor de helft in mindering wordt gebracht. De aanvaarding van zulke afwijkende telregel zou echter wel, gelet op de thans bestaande situatie, de na te streven coherentie tussen de fase van het vooronderzoek en dit van de strafuitvoering in de weg staan. Alleszins werd in vroeger onderzoek waarin de eventuele invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf werd onderzocht, ook gepleit voor een volledige gelijkschakeling tussen elektronisch toezicht en klassieke detentie (“één dag gevangenisstraf = één dag elektronisch toezicht”468). Bijkomend zou men zich – meer algemeen met betrekking tot de verhouding tussen voorlopige hechtenis en definitieve (vrijheids)straf - ook de vraag kunnen stellen of de voorlopige hechtenis (klassieke opsluiting, en bij uitbreiding elektronisch toezicht) niet ‘zwaarder’ moet worden aangerekend op de uiteindelijke strafmaat. Deze reflectie kan zelfs nog veel breder opengetrokken worden. Namelijk rijst de vraag of niet alle maatregelen genomen in de fase van het strafrechtelijk vooronderzoek op één of andere wijze in mindering kunnen/moeten worden gebracht op de uiteindelijk uitgesproken, al dan niet vrijheidsberovende, straf. Moet een VOV ook niet, volgens een bepaalde verhouding, worden afgetrokken op de uiteindelijk uitgesproken (gevangenis)straf 469 ? En moet, omgekeerd, de voorlopige hechtenis ook niet worden aangerekend op de (duur van een) uiteindelijk opgelegde niet-vrijheidsberovende straf470? Via een eventuele herziening van de bestaande regelgeving, waarbij deze exclusieve oriëntatie op vrijheidsberovende interventies zou worden doorbroken, zou alleszins enige ‘winst’ geboekt kunnen worden, beschouwd vanuit een perspectief om de gevangenispopulatie in toom te houden. Doch ook om redenen van billijkheid verdient één en ander nadere overweging. In elk geval zal het elektronisch toezicht toch enkel – en dit is als het ware een conditio sine qua non - een reducerend effect op de gevangenispopulatie (kunnen) hebben indien de periode die onder elektronisch toezicht werd doorgebracht, ook daadwerkelijk in mindering wordt gebracht op de uiteindelijk uitgesproken strafmaat; een gelijkaardig 468

Zie hiervoor: F. Goossens, m.m.v. E. Maes, S. Deltenre, Onderzoek met betrekking tot het invoeren van het elektronisch toezicht als autonome straf (onderzoeksrapport, nr. 14), Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, oktober 2005, 161. 469 Bijvoorbeeld ook Fieuws merkte recent nog op dat de vrijheid onder voorwaarden niet wordt aangerekend op de uiteindelijke straf. Zie: E. Fieuws, “Hoe punitief zijn de Belgische justitiehuizen? Reflecties en duiding vanuit het justitiehuis Mechelen”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 183. 470 In tal van landen van de Raad van Europa is voorzien dat de voorlopige hechtenis ook in zekere mate wordt of kan worden aangerekend op niet-vrijheidsberovende sancties, zoals: Oostenrijk, Bulgarije, Denemarken, Finland, Duitsland, Hongarije, Nederland, Polen, Portugal, … Zie hierover: A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (ed.), Pre-trial Detention in the European Union, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 84-88.

253

EINDCONCLUSIES

effect wordt ook bereikt indien de verdachte wordt vrijgesproken of veroordeeld wordt tot een niet-vrijheidsberovende straf. Indien de verdachte echter tot vrijheidsstraf wordt veroordeeld zonder dat de gebeurlijke ET-periode daarop in mindering wordt gebracht, dan zal dit betekenen dat hetgeen in eerste instantie met elektronisch toezicht wordt ‘uitgespaard’, in een later stadium, toch zal moeten worden uitgezeten, nl. in het kader van de strafuitvoering471, tenzij de strafrechter ten gronde bij de bepaling van aard en duur van de straf in gunstige zin rekening zou houden met het ondergane elektronisch toezicht (dus in de zin van strafmatiging). Verder is het niet ondenkbeeldig dat verdachten die onder elektronisch toezicht zullen worden geplaatst, uiteindelijk langer onder justitiële controle worden gehouden dan wanneer ze in de gevangenis in hechtenis zouden zijn genomen (omdat het ‘maar’ om elektronisch toezicht zou gaan) en/of dat de gerechtelijke procedure in dergelijke dossiers niet met dezelfde spoed wordt voortgezet (doordat voorrang wordt gegeven aan dossiers van personen die in de gevangenis onder voorlopige hechtenis zijn opgesloten)472. De ervaringen die met de vrijheid onder voorwaarden zijn opgedaan, lijken er alleszins op te wijzen dat er meer en meer een tendens zou bestaan om de VOV na een eerste termijn van drie maanden quasi-automatisch te verlengen473. Deze vaststelling vormt des te meer een argument om het elektronisch toezicht - daar waar het gelijkgesteld kan worden met een ‘detentie’ (traditioneel model en model thuisdetentie) - te onderwerpen aan een zeer regelmatige controle, bijvoorbeeld naar analogie met het regime van de voorlopige hechtenis zoals we dat vandaag kennen. In het licht van de juridische omkadering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis moet ook uitsluitsel worden gegeven over de maximumduur van het elektronisch toezicht. In Frankrijk bijvoorbeeld voorziet het Projet de loi pénitentiaire dat het elektronisch toezicht kan worden opgelegd voor een initiële periode van zes maanden, verlengbaar, maar wel in de tijd begrensd tot een totale duur van twee jaar. In 471

Een concreet voorbeeld kan één en ander illustreren. Stel: een verdachte die in het kader van de voorlopige hechtenis zes maanden onder elektronisch toezicht heeft doorgebracht, wordt uiteindelijk veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 24 maanden. Indien het elektronisch toezicht als reeds ondergane straf wordt beschouwd, dienen nog 18 maanden gevangenisstraf uitgevoerd te worden (met voorlopige invrijheidstelling na twee maanden, nl. (24 maanden/3) - 6 maanden voorhechtenis = 2 maanden). Wordt het elektronisch toezicht echter niet in rekening gebracht (m.a.w. niet gelijkgesteld met ondergane hechtenis), dan blijft de uitgesproken straf van 24 maanden integraal uitvoerbaar (met voorlopige invrijheidstelling na acht maanden, nl. 24 maanden/3 = 8 maanden). Dit betekent dus concreet dat de initiële ‘uitsparing’ van zes maanden (via plaatsing onder elektronisch toezicht) gewoon in een later stadium toch ondergaan zal moeten worden. 472 Zelfs wanneer het elektronisch toezicht beschouwd zou worden als een ‘volwaardige’ hechtenis en evenredig in mindering zou worden gebracht op een mogelijks latere vrijheidsberovende straf (bij de fase van straftoemeting en –uitvoering), kan een deel van de ‘winst’ die met elektronisch toezicht wordt geboekt op het vlak van de bezetting van de penitentiaire capaciteit, nog worden uitgevaagd. Dit is met name het geval voor de termijn die is uitgezeten na het bereiken van de toelaatbaarheidsdatum voor een vervroegde invrijheidstelling. 473 Fieuws komt – weliswaar beperkt tot het arrondissement Mechelen - tot de vaststelling dat het percentage VOV’s dat niet wordt verlengd na de eerste termijn van drie maanden, daalt van 95% in het jaar 2000 tot 45% in 2007. Zie: E. Fieuws, “Hoe punitief zijn de Belgische justitiehuizen? Reflecties en duiding vanuit het justitiehuis Mechelen”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 182.

254

EINDCONCLUSIES

eigen land is de voorlopige hechtenis – en dit van het bestaande alternatief van de ‘vrijheid onder voorwaarden’ - weliswaar aan geen enkele maximumtermijn onderworpen. Doch rekening houdend met de zogeheten ‘pijngrens’ die in de literatuur vaak beschreven wordt – en waarmee wordt bedoeld dat het elektronisch toezicht na zekere termijn (tussen de zes maanden en een jaar) niet meer te dragen valt en zodoende niet meer effectief is474 -, is het aangewezen het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis – en zelfs die van de voorlopige hechtenis zelf?475 - in duur te beperken (niettegenstaande dit vragen zou kunnen oproepen naar de continuïteit van de controle na afloop van de maximumtermijn). In realiteit gebeurt dit nu trouwens ook reeds op het niveau van de strafuitvoering. Voor veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van meer dan drie jaar is zo in de wet op de externe rechtspositie uitdrukkelijk vastgelegd dat elektronisch toezicht (vóór vervroegde invrijheidstelling, of eventueel strafeinde) voor zes maanden kan worden toegekend, éénmaal verlengbaar met eenzelfde termijn476. Veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van drie jaar of minder komen wel onmiddellijk in aanmerking voor toepassing van het elektronisch toezicht, doch zij genieten daarbij, net zoals gedetineerden die in de gevangenis zijn opgesloten, van een quasi-automatische invrijheidstelling (voorlopige invrijheidstelling) na 1/3 van de straf(fen) te hebben ondergaan, wanneer ze een straf ondergaan van meer dan één jaar tot en met drie jaar477. Eén en ander betekent dat het elektronisch toezicht in de praktijk (meestal) niet meer dan één jaar zal duren478.

474

Zie hierover bijvoorbeeld ook: F. Goossens, m.m.v. E. Maes, S. Deltenre, C. Vanneste (promotor), Onderzoek met betrekking tot het invoeren van het elektronisch toezicht als autonome straf (onderzoeksrapport, nr. 14), Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, oktober 2005, 57-61. 475 Zie hierover: Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, maart 2005. 476 Zie artikel 44, § 1 Wet externe rechtspositie: “Ingeval de strafuitvoeringsrechter [strafuitvoeringsrechtbank] beslist een beperkte detentie of een elektronisch toezicht toe te kennen, bepaalt hij de termijn voor welke deze strafuitvoeringsmodaliteit wordt toegekend. Deze termijn mag maximum zes maanden bedragen en kan éénmaal worden verlengd voor een duur van maximum zes maanden. De duur van de termijn mag nooit meer bedragen dan de duur van de oorspronkelijk toegekende vrijheidsstraf en moet minimum één derde van de straf bedragen.” 477 Zie hiervoor de Ministeriële Omzendbrief nr. 1771 van 17 januari 2005 (Voorlopige invrijheidstelling) die thans nog steeds van toepassing is voor veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van drie jaar of minder. 478 Eerdere analyses met betrekking tot de duur van het elektronisch toezicht, toegepast in het kader van de strafuitvoering, geven een gemiddelde duur aan van 86,8 dagen in het jaar 2003 (Maes e.a., 2006: 7) en 102 dagen in 2005 (Beyens e.a., 2007: 31). Zie hierover: E. Maes, F. Goossens, R. Bas, “Elektronisch toezicht: enkele cijfergegevens over de actuele Belgische praktijk, mede in het licht van zijn eventuele invoering als autonome straf”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2006, nr. 110 (april-mei-juni), 4-14, err., nr. 111 (juli-augustusseptember), 31; K. Beyens, R. Bas, D. Kaminski, “Elektronisch toezicht in België, Een schijnbaar penitentiair ontstoppingsmiddel”, Panopticon, 2007, nr. 3, 21-40. Deze cijfers worden ook bevestigd door meer recente gegevens die door de minister van Justitie S. De Clerck werden verspreid. Voor de ET’s die tussen 1 januari en 26 mei 2009 werden afgesloten, werd een gemiddelde duur berekend van 90 dagen. Slechts 21 van de in totaal 988 ET’s kende een duur van meer dan 330 dagen (Persbericht Minister De Clerck, Elektronisch toezicht, Brussel, 27 mei 2009, 6-7; http://www.just.fgov.be/persberichten/2009/05/Persbericht_NL_27-5-2009.pdf).

255

EINDCONCLUSIES

* * *

Mocht daadwerkelijk worden overgegaan tot invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis, dan dient daartoe niet alleen een adequate juridische regelgeving uitgewerkt te worden (met aanpassing van de wet op de voorlopige hechtenis), maar moeten ook een aantal noodzakelijke randvoorwaarden gecreëerd worden en meer praktische schikkingen getroffen worden. Vooreerst moet uiteraard een voldoende grote capaciteit aan controle-apparatuur (enkelbanden, GPS-infrastructuur) voorzien worden. In het kader van de voorlopige hechtenis dient de beslissing van de rechterlijke overheid onmiddellijk zijn beslag te kunnen krijgen: gelet op de finaliteit van de voorlopige hechtenis is het moeilijk te verantwoorden de verdachte gedurende (al te lange tijd) in volledige vrijheid te laten vertoeven in afwachting van definitieve plaatsing onder elektronisch toezicht. Maar ook wanneer de gedetineerde in hechtenis zou blijven tot op het ogenblik dat hij effectief onder elektronisch toezicht zou kunnen worden geplaatst, mag met de ondertoezichtstelling niet te lang worden getalmd; de voorlopige hechtenis kent over het algemeen immers een relatief beperkte duur waardoor het elektronisch toezicht slechts enig reducerend effect op de beklaagdenpopulatie zou kunnen hebben wanneer het ook al in een vroeg stadium van de procedure kan worden toegepast. Uit ons onderzoek blijkt dat 17,0% van de voorlopige hechtenissen reeds wordt afgesloten binnen de vijf dagen, 33,9% binnen de maand. En iets meer dan driekwart van de voorlopige hechtenissen heeft een maximumduur van 3 maanden 479 . Een systeem van ‘wachtlijsten’ (cf. ook het systeem van ‘strafonderbreking’ voor veroordeelden met een straftotaal van drie jaar of minder480) is in deze specifieke context van de voorlopige hechtenis dan ook uit den boze. Het verdient aanbeveling te ageren zoals dit thans gebeurt met betrekking tot de beslissingen door de strafuitvoeringsrechtbanken, en dus ook een aantal enkelbanden exclusief te ‘reserveren’ voor verdachten met het oog op toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis481. Zoals ook door sommige deelnemers aan het rondetafelgesprek werd aangekaart, valt het op grond van het gelijkheidsbeginsel trouwens ook moeilijk te rechtvaardigen dat sommige verdachten niet van een minder intrusieve maatregel zoals het elektronisch toezicht zouden kunnen genieten, louter bij gebrek aan voldoende capaciteit. Het is daarnaast ook niet uitgesloten dat sommige actoren huiverachtig staan tegenover het elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis, net omwille van de actuele toepassingsproblemen in het kader van 479

Er dient wel rekening mee gehouden te worden dat de duur van de voorlopige hechtenis (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging) hier enigszins onderschat is (zie hiervoor de methodologische kanttekeningen in Hoofdstuk 3, par. 3; zie par. 4.3. voor de resultaten). 480 Eind november 2009 waren er zo 1.680 veroordeelden in strafonderbreking (in afwachting van een enquête, beslissing over elektronisch toezicht of plaatsing onder elektronisch toezicht). (SC, “Elektronische enkelbanden niet meer in voorraad”, De Morgen, 24 november 2009). 481 Zie bijvoorbeeld ook het persbericht van minister van Justitie De Clerck d.d. 27 mei 2009 (p. 1): “Veroordeelden tot een vrijheidsstraf van meer dan 3 jaar kunnen bij de strafuitvoeringsrechtbank het regime ET aanvragen. De rechtbank gaat al dan niet in op dit verzoek. De vonnissen tot ondertoezichtstellingen gebeuren onmiddellijk, van zodra het vonnis uitvoerbaar is.”

256

EINDCONCLUSIES

de strafuitvoering, met name voor wat de veroordeelden tot en met drie jaar betreft. De vrees leeft dat de geschiedenis (cf. het probleem van ontoereikende capaciteit aan apparatuur of justitieassistenten die instaan voor opvolging en begeleiding) zich zal herhalen wanneer elektronisch toezicht ook mogelijk wordt in het kader van de voorlopige hechtenis.482 Welke capaciteit concreet voorzien zou moeten worden, is echter niet zo eenvoudig in te schatten. Wanneer zou worden uitgegaan van de hypothese dat op een jaarlijks aantal van 12.000 opsluitingen (onder het statuut van beklaagde of gelijkgestelde)483 25% in aanmerking komt voor elektronisch toezicht en het elektronisch toezicht gemiddeld twee maanden zou duren 484 , dan betekent dit bijvoorbeeld dat op dagbasis zo’n 500 verdachten onder elektronisch toezicht zouden staan485; vermindering in ET-aantal en/of duur leidt ook tot een geringe capaciteitsbehoefte op dagbasis. Bij deze ET’s die in de plaats van een effectieve hechtenis (hier berekend aan een gemiddelde duur van twee maanden) zouden treden, voegen zich wellicht nog een aantal elektronische toezichten die zouden worden bevolen ten aanzien van personen voor wie thans sowieso een ‘klassieke’ vrijheid (of invrijheidstelling) onder voorwaarden wordt gelast en waar het elektronisch toezicht dan enkel nog als een supplementair controlemiddel verschijnt (zonder in de plaats te treden van een hechtenisperiode die zich zou voortzetten). In welke mate magistraten elektronisch toezicht zouden toewijzen aan wie zij vandaag een gewone VOV toekennen, valt ook moeilijk op voorhand in te schatten. Het is belangrijk om in deze discussie tevens voor ogen te houden dat de fase van de strafuitvoering en deze van het gerechtelijk onderzoek ook niet helemaal vergelijkbaar zijn of zomaar met elkaar gelijk te stellen zijn. In het kader van de strafuitvoering geldt het elektronisch toezicht als een wijze van uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraf en een stap in de richting naar vervroegde of definitieve invrijheidstelling die wordt toegepast ten aanzien van veroordeelden met perspectieven op reïntegratie in onze samenleving en met een duidelijk beeld over de termijn waarbinnen de straf zal zijn uitgeboet. In de fase van het gerechtelijk onderzoek daarentegen overheerst voor de 482

Zie in die zin bijvoorbeeld ook: K. Van Cauwenberghe, “Wat is een geloofwaardige strafuitvoering ?”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2008, nr. 118 (april-mei-juni), 26. 483 Volgens cijfers van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen werden er in 2008 12.043 personen in de Belgische gevangenissen opgesloten onder het statuut van ‘beklaagde’ (DG EPI, Activiteitenverslag 2008, p. 161). Zoals al eerder aangegeven, is niet enkel het aantal, doch ook de duur van belang voor een inschatting van de capaciteitsbehoefte. En vooral dit laatste aspect (de vraag naar de mogelijks ‘uitgespaarde’ duur) blijft vooralsnog een zeer onzekere factor. 484 Hetgeen overeenkomt met de door ons berekende gemiddelde – doch enigszins onderschatte - duur van de voorlopige hechtenis in 2008 (maximaal tot aan de regeling van de rechtspleging). Zie Hoofdstuk 3, par. 4.3. 485 Deze ‘capaciteitsbehoefte’ kan enkel worden beschouwd als een werkelijke ‘uitsparing’ op de detentiecapaciteit (of beter: gevangenispopulatie) indien de periode onder elektronisch toezicht in een later stadium in mindering wordt gebracht op de uiteindelijke strafmaat bij veroordeling tot vrijheidsstraf, of indien de verdachte wordt vrijgesproken (buiten vervolging gesteld) of wordt veroordeeld tot een nietvrijheidsberovende straf. Verder moet er ook rekening mee worden gehouden dat, uitgaande van de hier uitgewerkte hypothese, 500 ET’s met een duur van 2 maanden een flux (of instroom) betekenen van 3.000 op jaarbasis, waarvoor dus ook heel de procedure inzake voorbereiding en inwerkingstelling, etc. van de maatregel moet worden georganiseerd.

257

EINDCONCLUSIES

verdachte nog steeds de onzekerheid over de uitkomsten van het mogelijke strafproces (de strafmaat), gaat het vaak ook om verdachten zonder vaste verblijfplaats in ons land486, en zijn er overwegend andersoortige criteria aan de orde die de (verderzetting van de) hechtenis rechtvaardigen (cf. bijv. vlucht- of onttrekkingsgevaar)487. Deze verschillen in achterliggende context hebben implicaties voor de wijze waarop actoren onder meer de controle op het elektronisch toezicht (in het kader van de voorlopige hechtenis) ingevuld wensen te zien. Zo zijn bepaalde actoren ervan overtuigd dat de toepassing van het elektronisch toezicht enkel dan zal worden overwogen wanneer er sprake is van een controle, 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 488 , en de ingezette (technologische) controlemiddelen ‘waterdicht’ zijn. Met andere woorden dient het elektronisch toezicht volledig betrouwbaar en geloofwaardig te zijn. De vraag rijst echter of een permanente controle – in de zin van een controle in ‘real time’ of volgens een zgn. semi-passieve modus 489 – wel in alle gevallen wenselijk en noodzakelijk is om de 486

Uit de screening van de dossiers blijkt dat deze problematiek zich zeer scherp stelde bij de Nederlandstalige dossiers uit Brussel en Antwerpen: in 54,5% van de aanhoudingsmandaten bleek de aanhouding van de verdachte (mee) gebaseerd te zijn op het illegaal verblijf in ons land. Zie Hoofdstuk 2, Afdeling II, par. 2.3. Wat de veroordeelden betreft sluit de wet op de externe rechtspositie niet uit dat bijvoorbeeld elektronisch toezicht zou worden toegekend aan gedetineerden van vreemde nationaliteit die illegaal in het land verblijven, maar aangenomen moet worden dat dit in de praktijk toch zelden of nooit gebeurt. Relevant in die zin is ook het arrest van het Hof van Cassatie waarbij een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Gent werd verbroken. De strafuitvoeringsrechtbank kwam tot een beslissing tot onontvankelijkheid van een verzoek tot beperkte detentie, op grond van het gegeven dat de veroordeelde niet voldeed aan het vereiste van een onafgebroken wettig verblijf in het land. Het Hof van Cassatie was echter van oordeel dat “[g]een enkele van (...) de bepalingen [van de wet op de externe rechtspositie] stelt dat een ononderbroken wettig verblijf in België een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van een verzoek tot beperkte detentie.” Dit neemt evenwel niet weg dat, zoals in de noot bij dit Cassatie-arrest wordt geargumenteerd - het “in de praktijk (...) wel zo [is] dat het inhoudelijk nogal moeilijk is om een beperkte detentie voor een vreemdeling in te vullen”, voornamelijk om buiten de gevangenis een dagbesteding in het reguliere circuit te vinden. Met betrekking tot het elektronisch toezicht ligt de situatie volgens de auteur nog moeilijker, omdat de veroordeelde zich dan vierentwintig uur per dag buiten de gevangenis bevindt. (Cass., 20 januari 2009, P.08.1930.N, met noot, Tijdschrift voor Strafrecht, 2009, nr. 3, 160-161) 487 Dit criterium speelt niet mee in de besluitvorming over de toekenning van bijzondere strafuitvoeringsmodaliteiten zoals beperkte detentie, elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidstelling. Het is althans niet expliciet in de wet op de externe rechtspositie opgenomen als één van de mogelijke tegenindicaties. Zie art. 47, § 1 Wet externe rechtspositie: “Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: 1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde; 2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten; 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen; 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid.” 488 Dit kan begrepen worden als de noodzaak van een permanente bezetting van het controlecentrum, zodanig dat inbreuken (quasi-)onmiddellijk kunnen worden gedetecteerd en snel kan worden geïntervenieerd. 489 Hiermee wordt bedoeld dat de positie van de drager van de apparatuur constant wordt bepaald, maar pas actief wordt wanneer de drager een gebied verlaat waarbinnen hij moet blijven of een gebied betreedt

258

EINDCONCLUSIES

geïdentificeerde risico’s zoveel als mogelijk te ondervangen, ook al gelet op de hoge kostprijs van dergelijk controlesysteem490. Eventueel dient ervoor geopteerd te worden de intensiteit van de controle te variëren (bijv. naargelang risiconiveau), en een quasicontinue controle enkel toe te passen of de toepassing ervan alleen toe te laten in een aantal nader te definiëren dossiers, en bijvoorbeeld te beperken tot die gevallen waar het risico op ontvluchting of op verontrusting van de slachtoffers zich het scherpst stelt. In elk geval is ook in dergelijke hypothese een vlotte en snelle communicatie, in reactie op mogelijke inbreuken op de gestelde voorwaarden, tussen de verschillende diensten die bij het elektronisch toezicht zullen worden betrokken, van essentieel belang. Daarnaast wijzen ervaringen uit het buitenland uit dat best niet al te veel actoren in dit (opvolgings)proces worden betrokken. Aandacht moet ook worden besteed aan de responstijd van de politiediensten ingeval van (zware) overtredingen die wijzen op het bestaan van risico’s die met het elektronisch toezicht ondervangen dienden te worden. En ten slotte dient ook op ondubbelzinnige wijze gedefinieerd te worden of en in welke mate de informatie die met de controle via elektronisch toezicht wordt verkregen, voor andere doeleinden kan of mag worden aangewend (cf. het fenomeen van zgn. ‘function creep’, en het gevaar van aanwending van elektronisch toezicht als een soort van bijzondere opsporingsmethode491). Welke diensten, in ruimer verband, welke rol kunnen vervullen bij zowel de voorbereiding en inwerkingstelling van als de controle op het elektronisch toezicht, is geen uitgemaakte zaak. In het kader van de gesprekken met diverse actoren (onderzoeksmagistraten, openbaar ministerie, advocatuur) werden soms zeer verschillende standpunten ingenomen. De controle op de naleving van het uurrooster, de al dan niet aanwezigheid op de toegewezen verblijfplaats of het al dan niet respecteren van de vastgelegde ‘exclusiezones’ (of specifieke gebodsbepalingen, zoals een nietpermanent huisarrest in het kader van een stadionverbod) kan – zoals dit nu gebeurt in het kader van de strafuitvoering – worden toegewezen aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht (van het Directoraat-generaal Justitiehuizen), doch andere opties kunnen eveneens worden overwogen. In sommige andere jurisdicties wordt dit (controle)aspect bijvoorbeeld opgenomen door privé-ondernemingen die tevens de apparatuur aanleveren en instaan voor de praktische organisatie van de ondertoezichtstelling (cf. de situatie in Engeland & Wales492). Elders – in het kader van de rondetafelgesprekken – werd dan weer gesuggereerd de controle in handen van de politiediensten te geven (bijv. één centrale controlepost binnen de politie, of gedecentraliseerd op het niveau van de politiezones 493 ). In dit verband dient wel opgemerkt te worden dat gedetecteerde ‘overtredingen’ verschillend geïnterpreteerd kunnen worden naargelang de actor die zal instaan voor de controle.

waarin hij niet mag komen. Van zodra de drager een gebied verlaat of betreedt, wordt de centrale gewaarschuwd en schakelt men over naar de actieve modus. 490 Zie in dit verband: Hoofdstuk 1, Afdeling III, par. 5. 491 Zie hierover: Hoofdstuk 2, Afdeling I, par. 2.2.4 en 3.2.5. 492 Zie Hoofdstuk 1, Afdeling III. 493 Zie bijvoorbeeld: Hoofdstuk 2, Afdeling I, par. 2.2.6.

259

EINDCONCLUSIES

Van belang is in elk geval dat er ook voldoende zorg wordt gedragen voor de uittekening van een performante communicatiestroom tussen de diverse mogelijks te betrekken partners, te weten: de justitiële opdrachtgevers, de controlerende instanties (incl. de diensten die instaan voor de plaatsing van de controle-apparatuur), de penitentiaire administratie, de politiediensten (centraal en lokaal, met het oog op een eventuele snelle interventie), en de parajustitiële instanties (justitiehuizen) die instaan voor de begeleiding van en controle van eventuele hulpverleningsgerichte voorwaarden die aan het elektronisch toezicht zouden worden verbonden. In dit kader dient ook nader omschreven te worden welke overtredingen naar wie worden gecommuniceerd, en op welk tijdstip. Hoewel sommigen menen dat sowieso elke overtreding (onmiddellijk) gemeld dient te worden aan de justitiële opdrachtgever en/of het parket, komt het ons voor dat hierin best enige hiërarchische structuur wordt ingebouwd, met variërende reactiepatronen naargelang ernst van de overtreding 494 . Waar manipulatie of beschadiging van de apparatuur een snelle en onmiddellijke (politionele) interventie kan noodzaken, zou in andere gevallen (bijv. in geval van kleine inbreuken op het uurrooster) in eerste instantie kunnen worden volstaan met een tussenkomst door de justitieassistent, ter verificatie van de redenen die aan de overtreding ten grondslag liggen en met periodieke verslaggeving over het verloop van de maatregel naar de opdrachtgever toe. De vraag naar de rol en de mate van betrokkenheid van verschillende instanties stelt zich ook ten aanzien van de voorbereiding van de maatregel van elektronisch toezicht. Gelet op het feit dat de snelheid waarmee de magistraat met het oog op zijn besluitvorming wordt voorgelicht, cruciaal lijkt te zijn in deze fase van de procedure (om enig effect te kunnen sorteren), zou niet al te veel tijd gespendeerd mogen worden aan een eventueel voorafgaand sociaal onderzoek 495 . Dit onderzoek dient zich best te beperken tot de weergave van de meest essentiële gegevens, bijv. met betrekking tot de aangewezen verblijfplaats, de gezinssituatie en professionele toestand, en eventuele hulpverleningsnoden. In Engeland en Wales wordt dergelijke voorlichtingsfunctie opgenomen door een zgn. bail information officer die de magistraat bijstaat bij een eerste screening van het dossier naar ET-toepasbaarheid toe. Noodzakelijke achtergrondinformatie zou ook aangeleverd kunnen worden door andere instanties, zoals de verbaliserende politiedienst (al dan niet via een gestandaardiseerde topiclijst) of de raadsman van de verdachte. Waar het bij de actuele toepassing van elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering zo is dat voorafgaand aan de ondertoezichtstelling ook de materieel-technische mogelijkheden van de verblijfplaats worden nagegaan (vraag naar de geschiktheid van de toe te wijzen verblijfplaats), leert de praktijk in het buitenland dat hiervan soms wordt afgezien en dat elektronisch toezicht wordt toegewezen zonder voorafgaande controle van de verblijfplaats. Hierbij wordt dus vertrouwd op de informatie die daaromtrent door de verdachte zelf wordt aangeleverd (cf. 494

Zie hiervoor bijvoorbeeld ook de situatie in Nederland: Hoofdstuk 1, Afdeling I, par. 4. In eerder onderzoek toonden de cijfers over de toepassing van het elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering aan dat deze voorlichtingstaak gemiddeld iets minder dan één maand in beslag nam (termijn tussen de aanvraag en de ontvangst van de enquête). Zie hierover: E. Maes, F. Goossens, R. Bas, “Elektronisch toezicht: enkele cijfergegevens over de actuele Belgische praktijk, mede in het licht van zijn eventuele invoering als autonome straf”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2006, nr. 110 (april-mei-juni), 7. 495

260

EINDCONCLUSIES

Engeland en Wales) 496 . Wanneer de opgegeven verblijfplaats niet geschikt wordt bevonden, kan de verdachte alsnog in hechtenis worden genomen. Een andere kwestie die hieraan gelieerd is, heeft betrekking op de vraag of het elektronisch toezicht, wanneer toegekend, onmiddellijk uitvoering dient te krijgen, t.t.z.: moet de enkelband geplaatst worden, quasi onmiddellijk volgend op de beslissing tot toekenning van elektronisch toezicht, of is het acceptabel dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld en de effectieve ondertoezichtstelling ‘binnen de kortst mogelijke termijn’ wordt gerealiseerd. Het antwoord op deze vraag hangt af van de mate waarin er wordt aanvaard een zeker risico te nemen. Is het soms, bijvoorbeeld gelet op mogelijks onttrekkingsgevaar, wellicht moeilijk aanneembaar de verdachte gedurende enkele dagen zonder toezicht buiten de gevangenis te laten, dan zou ook een andere (alternatieve) optie genomen kunnen worden, door bijvoorbeeld de mogelijkheid te voorzien om het tijdstip waarop of de voorwaarde waaronder vrijstelling uit de gevangenis en plaatsing onder elektronisch toezicht kan plaatsvinden, nader te omschrijven in de rechterlijke beslissing. Dergelijke mogelijkheid is reeds ingeschreven in de wet op de externe rechtspositie, waar de strafuitvoeringsrechtbank bij toekenning van elektronisch toezicht kan voorschrijven dat deze beslissing uitvoerbaar wordt nadat ze in kracht van gewijsde is getreden of op een andere (in het vonnis omschreven) datum of tijdstip497. Deze wet op de externe rechtspositie en de bijkomende regelingen die gebaseerd zijn op deze wet kunnen ook inspirerend zijn voor een aantal andere te treffen schikkingen wanneer het elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis zou worden geïntroduceerd, zoals bijvoorbeeld voor wat betreft de vastlegging van het uurrooster dat de verdachte zal moeten naleven (vnl. relevant in geval van toepassing van het ‘traditionele’ ET-model). De wet op de externe rechtspositie voorziet op dit vlak dat de strafuitvoeringsrechtbank enkel het zogenaamde ‘programma van inhoudelijke invulling’ van elektronisch toezicht bepaalt 498 . De vastlegging van het uurrooster in concreto gebeurt door de justitieassistent, nadat het elektronisch toezicht is toegekend en deze beslissing is uitgevoerd. Het Franse Projet de loi pénitentiaire omvat – met betrekking tot 496

Zie Hoofdstuk 1, Afdeling III, schema 1.1. Zie artikel 60 Wet externe rechtspositie: “Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit zoals bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de (door deze wet) bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. De (...) strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.” 498 Zie artikel 42 Wet externe rechtspositie: “De strafuitvoeringsrechter [strafuitvoeringsrechtbank] bepaalt in het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht het programma van de concrete invulling hiervan. De justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels.” Zie hiervoor meer concreet het Koninklijk Besluit van 27 januari 2007 tot bepaling van de concrete invulling van het programma van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht (B.S., 1 februari 2007) en het Koninklijk Besluit van 16 juli 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot bepaling van de concrete invulling van het programma van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht (B.S., 5 september 2008). 497

261

EINDCONCLUSIES

de ‘assignation à résidence’ in het kader van het vooronderzoek in strafzaken - nog een andere regeling: aldaar zou het volgens het thans liggende voorstel de directeur van de gevangenis zijn die het uurrooster nader omschrijft. Wat tot slot de zgn. toestemmingsvereiste betreft, kan naar analogie met regeling in verband met de vrijheid onder voorwaarden (en uiteraard de voorlopige hechtenis zelf) worden gesteld dat voor de toepassing van het elektronisch toezicht geen voorafgaand formeel akkoord van de betrokken verdachte noodzakelijk is499, al is het met het oog op een succesvol verloop van de maatregel wel opportuun rekening te houden met de opinie van de verdachte hieromtrent. Het heeft weinig zin een maatregel op te leggen waarmee de verdachte zich niet akkoord weet te verklaren. De vraag of voor de toepassing van het elektronisch toezicht ook het akkoord van de meerderjarige huisgenoten vereist is, is geen eenvoudige kwestie. Thans wordt dit akkoord weliswaar gevraagd wanneer op het niveau van de strafuitvoering elektronisch toezicht wordt overwogen. Maar over de vraag of dergelijke regeling ook overgenomen dient te worden bij een gebeurlijke introductie van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis, lopen de meningen van de bevraagde actoren uiteen. Als argument contra wordt aangevoerd dat de huisgenoten ook geen inspraak (of beter nog, ‘vetorecht’) hebben bij de gerechtelijke besluitvorming over andere maatregelen (voorlopige hechtenis, vrijheid onder voorwaarden) en dat moeilijk kan worden ingezien op basis waarvan de huisgenoten de terugkeer van de verdachte naar de eigen woonplaats kunnen verbieden. O.i. lijkt het opportuun dat de rechter zelf, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, bepaalt in welke mate gehoor dient te worden gegeven aan de verzuchtingen van de betrokken huisgenoten: met andere woorden, de toestemming van de huisgenoten mag niet bepalend zijn in de beslissing tot het elektronisch toezicht, al is het wel gepast te polsen naar de inzichten van de personen met betrekking tot een eventueel elektronisch toezicht en er desgevallend rekening mee te houden. Zeker in een systeem waarbij de bewegingsvrijheid van de verdachte drastisch zou worden beperkt (cf. ‘model thuisdetentie’), kan de toepassing van het elektronisch toezicht leiden tot de nodige spanningen binnenshuis en het familiaal en sociaal leven van de gezinsleden onder zware druk zetten500.

* * * 499

In het kader van het Franse Projet de loi pénitentiaire is wél dergelijke toestemmingsvereiste bepaald. In het kader van het Nederlandse conceptwetsvoorstel tot invoering van de thuisdetentie als hoofdstraf zoals dit door minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin werd uitgewerkt, wordt in de Memorie van Toelichting gesteld dat de (meerderjarige) huisgenoten toestemming dienen te verlenen omdat “de verplichte aanwezigheid thuis van de verdachte (...) immers tot de nodige spanningen (kan) leiden.” (Memorie van Toelichting, p. 3) Deze thuisdetentie, te controleren met elektronische hulpmiddelen, is wel zeer strikt opgevat en wordt omschreven als “(...) de verplichting van de veroordeelde om een in het vonnis aangegeven plaats gedurende een in het vonnis vastgesteld aantal dagen niet te verlaten, waarbij de aanwezigheid van de veroordeelde op die plaats gecontroleerd wordt door middel van elektronisch toezicht.” De veroordeelde beschikt binnen dit systeem over maximaal twee “vrije uren” per dag, en is gedepriveerd van participatie aan reïntegratiebevorderende activiteiten. [Voorstel van wet 4 mei 2007 – Wijziging van het wetboek van strafrecht en enige andere wetten in verband met de invoering van de hoofdstraf van thuisdetentie, www.justitie.nl (zoekterm ‘thuisdetentie’)]. 500

262

EINDCONCLUSIES

Terugkerend naar de - aan het begin van deze tekst - geformuleerde objectieven die aan het elektronisch toezicht kunnen worden verbonden, en rekening houdend met de resultaten van ons onderzoek, kan worden gesteld dat de mogelijke beslissing tot invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis moet worden omschreven als: een beleidsmaatregel die een bijkomende (en wellicht zware) budgettaire inspanning zal vergen, met een naar waarschijnlijkheid eerder bescheiden – zeker geen substantiële - impact op de omvang van de beklaagdenpopulatie in onze gevangenissen, die bovendien is omgeven door tal van juridische en praktisch-organisatorische vraagstukken. De meest pertinente juridisch-technische en praktisch-organisatorische vragen die omtrent de invoering van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis kunnen worden gesteld, werden hoger reeds uiteenzet en in dat verband werden ook al enkele voorzetten tot mogelijke probleemoplossing gegeven. Verdere aandacht dient ook nog uit te gaan naar een aantal andere aspecten, zoals de nood aan ondersteuning en begeleiding van de ondertoezichtgestelde ter naleving van de gestelde voorwaarden 501 , het sociale zekerheidsstatuut van de ondertoezichtgestelde (leefloon, werkloosheidsuitkeringen, ...), de registratie in het detentiedossier van de toepassing van elektronisch toezicht502, ... Voor wat betreft de heikele vraag of het elektronisch toezicht kan bijdragen tot een ontlasting van onze gevangenissen (in termen van reductie van de gevangenispopulatie), kan in elk geval niet worden miskend dat enige ontvankelijkheid voor de toepassing van deze maatregel kan worden waargenomen bij de magistraten die terzake beslissingen zullen dienen te nemen. De vraag of de invoering van het elektronisch toezicht ook daadwerkelijk zal leiden tot een (drastische) vermindering van de gevangenispopulatie is daarmee echter nog niet beantwoord. Daarover kan ook moeilijker uitsluitsel worden gegeven dan op het eerste gezicht zou worden verwacht, gelet op de aanwezigheid van een aantal vooralsnog onzekere factoren. Hoewel het toepassingsbereik van het elektronisch toezicht in het kader van de voorlopige hechtenis zich naargelang het geval situeert tussen de 15 (alle dossiers in aanmerking nemend) en 25% (enkel dossiers van onderzoeksrechters), zijn daarbij ook verschillende kanttekeningen te maken. Eén en ander betekent geenszins dat de gevangenispopulatie in dezelfde orde van grootte gereduceerd zal kunnen worden. Vooreerst lijkt een toepassingsbereik van 25% een ietwat optimistische inschatting te zijn gelet op de conditionele wijs waarop elektronisch

501

In zijn advies ten aanzien van het conceptwetsvoorstel inzake ‘thuisdetentie’ in Nederland uitte de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming scherpe kritiek op de afwezigheid van reïntegratiegerichte activiteiten (opleiding, werk, ...) binnen dat kader en wees daarvoor onder meer naar het toepasselijke Belgische model. (Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Thuisdetentie, Advies d.d. 6 juli 2007, p. 12; www.rsj.nl, zoekterm ‘thuisdetentie’). 502 In België geldt in het kader van de toepassing van het elektronisch toezicht op het niveau van de strafuitvoering de praktijk dat veroordeelden die onder elektronisch toezicht worden geplaatst, in het registratiesysteem (met betrekking tot het detentiebeheer) worden ingevoerd. Zie bijvoorbeeld ook in Frankrijk: Hoofdstuk 1, Afdeling II, par. 2.6.

263

EINDCONCLUSIES

toezicht in hun ogen soms wordt overwogen 503 en het feit dat met name de onderzoeksrechters zich in hun reflectie zouden kunnen laten leiden door de mogelijkheid van een invrijheidstelling onder voorwaarden (gekoppeld aan elektronisch toezicht) op verdere termijn. Daarbij komt trouwens ook nog dat niet enkel het aantal onder elektronisch toezicht geplaatste gevallen determinerend is voor de omvang van de gevangenispopulatie, doch ook de detentieduur die mits toepassing van elektronisch toezicht kan worden uitgespaard. Wil het elektronisch toezicht enig effect hebben op de omvang van de gevangenisbevolking, dan dient dit ook gepaard te gaan met een regeling waarbij de ET-periode in mindering wordt gebracht op de uiteindelijk uitgesproken vrijheidsberovende straf. In die zin zou enige netto-‘winst’ gemaakt kunnen worden. Men dient er zich aan de andere kant echter ook rekenschap van te geven dat het elektronisch toezicht, tenzij hiervoor een sluitende ‘oplossing’ kan worden gevonden, ook toegepast zal worden ten aanzien van personen die thans onder het regime van vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden verkeren. Gelet op het feit dat met de ‘verbeterde’ controle maar ook door de aard (impact) van de maatregel zelf, inbreuken makkelijker zullen worden gedetecteerd resp. mislukkingen als het ware in de hand zullen kunnen worden gewerkt, is het niet ondenkbeeldig dat één en ander in zekere mate ook een tegengesteld effect kan hebben, nl.: meer herroepingen, met als mogelijke consequentie een langdurige(re) opsluiting, en per saldo een opstuwend effect op het vlak van de gevangenispopulatie.504 Het lijkt er op dat magistraten het elektronisch toezicht vooral aanzien als een maatregel die de invrijheidstelling een ‘geloofwaardiger’, ‘effectiever controleerbaar’ karakter kan meegeven, maar de vraag rijst welke effecten verwacht mogen worden wanneer het elektronisch toezicht de voorgespiegelde verwachtingen niet kan waar maken. Kan het elektronisch toezicht daadwerkelijk worden ingezet tegen het mogelijks collusiegevaar of gevaar op verduistering van bewijzen? Kan recidive worden voorkomen, wanneer de toegewezen verblijfplaats niet verhindert om nieuwe strafbare feiten te plegen of wanneer de reactiesnelheid en interventiemogelijkheid bij gedetecteerde inbreuken ontoereikend blijkt te zijn? En kan vluchtgevaar worden voorkomen wanneer niet uitgesloten kan worden de controleapparatuur te beschadigen, te verwijderen, …? Finaal rijst dan ook de vraag welke meerwaarde het elektronisch toezicht dan nog biedt ten opzichte van de klassieke, traditionele vorm van vrijheid (of invrijheidstelling) onder voorwaarden. In se betreft het elektronisch toezicht een maatregel zonder voorwerp, en moet het louter worden beschouwd als een technisch hulpmiddel om bepaalde voorwaarden te controleren (gebods- en verbodsbepalingen). Hoewel de introductie van het elektronisch toezicht naar alle verwachting wel een zekere invloed zal (kunnen) hebben op de beklaagdenpopulatie in onze gevangenissen, mag de reële impact ervan o.i. zeker ook niet

503

Bijvoorbeeld enkel toepasbaar indien een aantal randvoorwaarden zijn vervuld, in verband met opvangmogelijkheden (cf. opname in asielcentra van verdachten zonder recht op verblijf) of in functie van de beschikbaarheid van het vooropgestelde ET-model (bijvoorbeeld uitsluitend via GPS-controle). 504 Ervaringen in het buitenland, zoals Nederland en Engeland en Wales, tonen aan dat de invoering van elektronisch toezicht (in het kader van de voorlopige hechtenis) niet leidt tot een (substantiële) daling van de gevangenispopulatie, al dient wel opgemerkt te worden dat zonder elektronisch toezicht de populatie wellicht nog (veel) hoger zou liggen. Zie Hoofdstuk 1, Afdeling I, par. 1 (Nederland) en Hoofdstuk 1, Afdeling III, par. 5 (Engeland en Wales).

264

EINDCONCLUSIES

worden overschat of als een zgn. ‘mirakeloplossing’ worden gepresenteerd voor de aanpak van de overbevolkingsproblematiek. Of met de eventuele introductie van het elektronisch toezicht dan nog een kostenbesparing zal worden bereikt, is nog een gans andere kwestie. Hoewel het elektronisch toezicht op zich wel degelijk goedkoper blijkt te zijn dan een gevangenisverblijf505, lijkt het er ons inziens op dat de invoering van het elektronisch toezicht in de fase van het vooronderzoek in strafzaken een serieuze bijkomende financiële investering zal vergen. Vooreerst is aan een mogelijke vermindering van de gevangenispopulatie slechts een minimale budgettaire besparing verbonden (bijv. op het vlak van voedselvoorziening, terbeschikkingstelling van kledij, arbeidsvergoeding). Daartegenover staan een aantal vaste kosten die zullen blijven bestaan wanneer geen substantiële ‘depopulatie’ tot stand kan worden gebracht (cf. infrastructuur- en personeelskost). Een aantal toepassingen van elektronisch toezicht (bijv. GPS met real time tracking) zijn bovendien extreem duur. Een substantiële kostenbesparing zal enkel bereikt kunnen worden wanneer er sprake zou zijn van een drastische vermindering van de gedetineerdenpopulatie die ook zou resulteren in een buitengebruikstelling van één of meerdere gevangenissen. De specificiteit van de voorlopige hechtenis maakt echter dat de eventuele reductie van de gevangenispopulatie die bereikt zou kunnen worden, niet slechts in één inrichting voelbaar zal zijn, doch noodzakelijkerwijs gespreid zal zijn over al de arresthuizen, verspreid over het ganse grondgebied (d.w.z. een vermindering van een aantal eenheden in elk van deze inrichtingen). Dit betekent niet dat de overweging om elektronisch toezicht in te voeren als alternatief voor de voorlopige hechtenis bij voorbaat achterwege dient te worden gelaten, doch de ambities in termen van indijking van de gevangenispopulatie en vermindering van de budgettaire last dienen toch enigszins getemperd te worden. Het verdient aanbeveling het elektronisch toezicht als mogelijks waardevol initiatief veeleer in beschouwing te nemen vanuit humaan, mensenrechtelijk en ethisch perspectief, in de zin van beperking van detentieschade en beter recht doend aan het juridisch beginsel van het vermoeden van onschuld. Mocht in het kader van de politieke besluitvorming terzake overgegaan worden tot invoering van het elektronisch toezicht als alternatief voor de voorlopige hechtenis, dan kan er aan worden gedacht om in een eerste fase, vóór veralgemening op landelijk niveau, te starten met een pilot (experiment) in een beperkt aantal gerechtelijk arrondissementen, zoals dit trouwens ook in het buitenland gebruikelijk is. Binnen die context kan werk worden gemaakt van de uittekening van een adequaat organisatieschema waarbinnen de rol en bevoegdheden van, de hiërarchische structuur en de communicatielijnen tussen de diverse actoren in detail worden omschreven, en kan het uitgewerkte model in de praktijk op zijn efficiëntie en effectiviteit worden getoetst.

505

Volgens een – nog niet gepubliceerd - antwoord op een parlementaire vraag van mevr. Carina Van Cauter d.d. 26 januari 2009 (Parl. Vr., Kamer, 2008-2009, nr. 396, QRVA nr. 51 – 2 maart 2009, p. 123) wordt de gemiddelde kostprijs per dag voor een gedetineerde op € 110 geschat, tegenover een kostprijs van € 38,65 voor een veroordeelde onder elektronisch toezicht.

265

Conclusions générales

Comme annoncé dans sa note de politique générale pour 2009, le ministre de la Justice, Jo Vandeurzen à l’époque, a chargé, fin 2008, l’Institut National de Criminalistique et de Criminologie de réaliser une étude scientifique sur les « possibilités d’application de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive ». Étant donné que les résultats de cette étude devaient être disponibles fin 2009, la durée de l’étude a été limitée (10 mois). L’étude a ainsi été réalisée de mars à décembre 2009. Ci-après, nous présentons les principales conclusions qui peuvent être tirées de la recherche effectuée. Nous nous penchons d’abord sur les principaux objectifs et avantages qui peuvent être attribués – en théorie – à la surveillance électronique. Nous passons ensuite en revue les constatations les plus pertinentes de la recherche. À cet égard, l’accent est mis sur les cas dans lesquels (en fonction des caractéristiques de la qualification d’infraction et du profil social et biographique du prévenu) l’application de la surveillance électronique peut être éventuellement prévue, la portée potentielle de la surveillance électronique, les différents modèles de surveillance électronique qui peuvent être appliqués et les contre-indications du recours à la surveillance électronique dans ce contexte. A la lumière des résultats de la recherche, nous avons également examiné une série de propositions concrètes en matière d’encadrement juridique de la surveillance électronique – si celle-ci devait finalement être instaurée – ainsi que les conditions et modalités pratiques requises. Pour terminer, nous formulons une évaluation globale et quelques recommandations afin de poursuivre le débat.

* * *

Divers objectifs (ou avantages) peuvent être attribués à l’instauration de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive par rapport à la détention dans l’espace fermé d’une prison. Ces objectifs peuvent être classés comme suit: un objectif systémique (lutte contre la surpopulation des prisons), un objectif éthique et pénologique (limitation des effets préjudiciables de la détention), un objectif juridique (la préservation de la présomption d’innocence), un objectif social (maintien dans l’environnement familial et professionnel afin d’éviter une marginalisation) et un objectif économique (réduction des coûts liés à la détention). Le premier objectif important de l’instauration de la surveillance électronique est de contribuer à lutter contre la surpopulation des prisons. Alors qu’on parle souvent, en termes plus généraux, de la surpopulation dans les prisons, on vise plus spécifiquement

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

ici le pourcentage de prévenus qui compose la population carcérale globale. La surpopulation carcérale est un problème que notre pays traîne depuis déjà de nombreuses années, mais c’est un phénomène qui se fait aussi lourdement sentir dans de nombreux autres pays. Étant donné l’impact important de ce problème sur les conditions de vie concrètes des détenus à l’intérieur de la prison, la charge de travail sur le personnel pénitentiaire, la sécurité au sein des établissements, etc., il n’est pas étonnant que le thème de la surpopulation occupe désormais une place de choix dans les discours officiels et ce, à l’échelle nationale, internationale et supranationale. Il y a cependant lieu d’observer que la surpopulation est en fait une ‘construction’ et résulte purement et simplement d’un déséquilibre entre la population carcérale présente à un moment donné et la capacité carcérale disponible au même moment. La surpopulation se produit lorsque la population excède la capacité prévue. Il est possible de remédier aux problèmes de surpopulation en tant que tels en agissant sur la population carcérale 437 et/ou sur la capacité carcérale. Pour diminuer le nombre de détenus, on peut agir tant sur le flux entrant dans les prisons que sur la durée de la détention. La population carcérale est en effet déterminée non seulement par le nombre de détenus enfermés dans les prisons, mais aussi par la durée de leur séjour. De telles interventions – qu’elles aient un caractère légal ou plus pratique – ne doivent pas nécessairement se limiter à la population des prévenus mais peuvent aussi viser d’autres catégories de population (comme les condamnés, les internés). Une autre option – souvent critiquée par certains, il est vrai – consiste à accroître la capacité disponible dans les prisons. C’est l’option actuellement retenue par le monde politique pour faire face à la forte augmentation de la population carcérale enregistrée au cours des dernières décennies438 . Bien que cette option n’exclue pas – parallèlement – l’instauration de mesures de réduction, de nombreuses voix s’élèvent néanmoins pour condamner cet accroissement de la capacité, qui ne cadre pas avec l’idée formulée dans de nombreux textes politiques officiels, à savoir que la peine d’emprisonnement (mais aussi l’usage de la détention préventive) doit constituer le ‘remède ultime’, tout en précisant par ailleurs que cette capacité supplémentaire sera de nouveau très vite occupée. Dans la présente étude, la question de l’instauration de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive (en tant que mesure de substitution à la détention) est examinée avant tout sous l’angle de la contribution qu’un tel dispositif pourrait apporter au niveau de la maîtrise de l’augmentation de la population carcérale (à savoir celle des prévenus). C’est dans cette optique que l’étude a été commandée par l’ancien ministre de la Justice, Jo Vandeurzen, dans sa note de politique générale. Dans cette note de politique générale, l’une des possibilités envisagées pour ‘optimaliser’ la détention préventive est « (…) la mise en œuvre d'une surveillance électronique, l'application de techniques modernes telles qu'un contrôle par GPS en guise d'alternative à la détention préventive »439.

437

Par ‘population carcérale’ on comprend le nombre de personnes détenues à un moment déterminé. Voir à cet égard le ‘Masterplan 2008-2012 pour une infrastructure carcérale plus humaine’, approuvé par le gouvernement belge le 18 avril 2008. 439 Doc. parl., Chambre, 2008-2009, n° 52 1529/016, p. 71 – Note de politique générale du ministre de la Justice. 438

268

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

Un recours réduit à la détention préventive – avec les éventuels effets positifs sur la population carcérale qui pourraient en résulter – devrait également permettre d’offrir un hébergement et un régime corrects aux détenus qui séjourneraient encore dans la prison (indépendamment d’une éventuelle extension de la capacité). De la sorte, certains effets préjudiciables liés à la détention (comme la perte d’emploi, la perte de revenu, la perturbation des relations familiales, le risque d’‘institutionnalisation’) pourraient également être tempérés. Cette philosophie sous-jacente renvoie au principe de ‘limitation des effets préjudiciables de la détention’. Celui-ci constitue le fil rouge de la loi de principes concernant l’administration pénitentiaire et le statut juridique des détenus qui a été adoptée il y a quelques années par le parlement440. Cette loi de principes visait à limiter autant que possible les effets préjudiciables de la détention pour les prévenus – par le biais du ‘principe de normalisation’441 –, en se fondant sur le principe que, dans la phase de l’information, c’est toujours la présomption d’innocence qui prévaut442. La loi de principes ne se concentre cependant que sur les aspects internes du régime de la détention, c’est-à-dire qu’elle définit – en termes juridiques – les conditions de vie internes de ceux qui sont bel et bien détenus. Il est naturellement aussi possible de limiter les effets préjudiciables de la détention en évitant l’enfermement en soi. Les alternatives à la détention peuvent revêtir diverses formes. La mesure dans laquelle les effets négatifs de la détention classique peuvent ainsi être diminués dépendra largement du degré de restriction ou de privation de liberté qui va de pair avec l’alternative proposée (cf. la surveillance électronique sous la forme de l’‘assignation à résidence’ ou de la ‘détention à domicile’). En outre, la perception de la mesure peut varier d’un individu à l’autre, compte tenu aussi des conditions d’habitation, et il n’est pas exclu qu’une limitation très ‘stricte’ de la liberté de mouvement maximise le risque d’infraction aux conditions. Un recours modéré à la détention préventive ne se justifie pas seulement par l’objectif d’endiguer la surpopulation des prisons et d’éviter les effets préjudiciables de la détention pour le prévenu et son entourage proche. D’autres arguments – d’ailleurs conciliables – peuvent également être invoqués pour n’appliquer la détention préventive que dans les cas où celle-ci s’impose réellement et où aucune alternative satisfaisante n’est disponible. Pour commencer et comme nous l’avons indiqué ci-avant, la présomption d’innocence est toujours de mise dans le cadre de l’information en matière pénale et il convient, dans une perspective d’humanité et de respect des droits de l’homme, de préserver autant que possible la liberté individuelle443 garantie par la Constitution. A fortiori dans le cas de personnes dont la culpabilité n’est pas encore prouvée, la liberté individuelle doit être 440

Loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration des établissements pénitentiaires ainsi que le statut juridique des détenus, M.B., 1er février 2005. 441 Cela signifie que les conditions de vie dans la prison doivent autant que possible être mises en conformité avec les conditions de vie dans la société libre. 442 Voir à ce propos: Rapport final de la commission « loi de principes concernant l’administration pénitentiaire et le statut juridique des détenus », Rapport fait au nom de la commission de la Justice par MM. Vincent Decroly et Tony Van Parys, Doc. parl., Chambre, 2000-2001, 1076/001, 85-86. 443 Voir art. 12 de la Constitution coordonnée le 17 février 1994 (M.B., 17 février 1994): « La liberté individuelle est garantie. Nul ne peut être poursuivi que dans les cas prévus par la loi, et dans la forme qu’elle prescrit. Hors le cas de flagrant délit, nul ne peut être arrêté qu’en vertu de l’ordonnance motivée du juge, qui doit être signifiée au moment de l’arrestation, ou au plus tard dans les vingt-quatre heures. »

269

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

considérée comme le bien le plus précieux et il y a lieu, si nécessaire et si possible, d’opter pour la mesure qui affecte le moins cette liberté individuelle444. Les alternatives (actuellement disponibles) à la détention préventive intègrent par ailleurs aussi souvent des modalités destinées à mieux maîtriser les éventuels risques de récidive. Une libération peut par exemple être assortie de conditions axées sur l’assistance, comme l’obligation de suivre un accompagnement en matière de maîtrise de l’agressivité, de problèmes de drogue, de délinquance sexuelle, etc. On considère que l’insertion dans un trajet d’assistance, déjà à un stade précoce de la procédure pénale, constitue à plus long terme un moyen plus adéquat pour prévenir une nouvelle criminalité. En outre, ce processus d’assistance, où l’on travaille sur des facteurs criminogènes et qui renforce le tissu social autour du prévenu, peut éventuellement trouver son prolongement ou sortir des effets plus favorables pour le prévenu à un stade ultérieur de la procédure pénale, c’est-à-dire lorsque la juridiction de jugement doit se prononcer sur la question de la culpabilité ainsi que sur celle de la nature et de la durée de la peine appropriée. On peut cependant se demander si les personnes qui sont déjà bien intégrées – si elles n’ont pas été placées en détention – sont (ou doivent être) placées en liberté sous conditions (ou sous surveillance électronique) afin d’éviter une récidive ou pour favoriser leur réintégration. Il ressort d’études antérieures qu’il est souvent question d’une sélection axée sur la personne. Autrement dit, ce sont principalement les personnes qui se trouvent dans une situation socialement vulnérable (chômage, problèmes de dépendance, situation financière précaire, absence de domicile) qui sont placées en détention et non dans le système de liberté sous conditions (ou de libération pur et simple). Or il serait précisément utile que cette population puisse aussi bénéficier d’une liberté (ou libération) sous conditions445. On est également en droit de se demander quelle est la plus-value offerte par la surveillance électronique par rapport à la détention conventionnelle et même à la liberté ou la libération sous conditions dans la perspective d’une limitation de la récidive. La surveillance électronique peut-elle constituer un moyen pour prévenir ou limiter la récidive ou faut-il plutôt considérer qu’elle crée une « illusion de sécurité » visà-vis de l’extérieur? Quoi qu’il en soit, cela dépendra aussi beaucoup des possibilités d’intervention rapide en cas d’infraction. L’abandon de l’enfermement pourrait aussi permettre au prévenu – même s’il ne s’agit pas de l’un des objectifs primaires de la détention préventive (vu la présomption d’innocence) – de déjà commencer à indemniser les éventuelles victimes. Bien que le fait d’imposer à un prévenu une quelconque indemnisation des victimes – en tant que 444

Voir aussi à cet égard la règle 3/1 de la recommandation du Conseil de l’Europe [Recommandation Rec(2006)13 du Comité des ministres aux Etats membres concernant la détention provisoire, les conditions dans lesquelles elle est exécutée et la mise en place de garanties contre les abus], adoptée par le Conseil de ministres le 27 septembre 2006: « Tenant compte à la fois de la présomption d’innocence et de l’argument en faveur de la liberté, le placement en détention provisoire de personnes soupçonnées d’une infraction doit être l’exception plutôt que la règle. » 445 Voir à ce propos: S. Snacken, K. Beyens, “Alternatieven voor de vrijheidsberoving: hoop voor de toekomst?”, in Strafrechtelijk beleid in beweging, S. Snacken (éd.), Brussel, VUBPress, 2002, 304-305; S. Snacken, A. Raes, K. De Buck, K. D’Haenens, P. Verhaeghe, Onderzoek naar de toepassing van de voorlopige hechtenis en de vrijheid onder voorwaarden, Brussel, Vrije Universiteit Brussel/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 1997.

270

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

condition particulière à respecter – dans le cadre d’une éventuelle libération soit discutable446, la préservation de cette possibilité de payement de dettes peut dans certains cas être bel et bien pertinente, par exemple, si le prévenu reconnaît sa faute et souhaite volontairement procéder à une indemnisation avant le jugement ou s’il s’agit d’un prévenu qui a déjà été condamné précédemment (dans d’autres affaires) à une indemnisation. Dans cette optique d’indemnisation, la conservation de l’emploi et l’acquisition d’un revenu ou le bénéfice d’autres allocations de remplacement offrent plus de possibilités au prévenu qu’un emprisonnement. En effet, il y a non seulement une offre de travail insuffisante dans les prisons, mais en outre, la rémunération du travail pénitentiaire reste, même aujourd’hui, sans aucune mesure avec les rémunérations en vigueur dans le monde extérieur (libre). Un autre argument fréquemment avancé contre la pratique de l’enfermement est d’ordre budgétaire. On considère ainsi généralement que les alternatives à la détention – parmi lesquelles la surveillance électronique – permettraient aux pouvoirs publics de réaliser des économies par rapport aux budgets consacrés au maintien de l’administration pénitentiaire (traditionnelle). On part de l’hypothèse que la surveillance électronique contribue à une diminution de la population carcérale, qu’elle permet ainsi de réduire les coûts pour l’administration pénitentiaire et qu’elle constitue elle-même une alternative moins onéreuse que l’emprisonnement. Enfin, et plus spécifiquement en ce qui concerne la surveillance électronique, on peut faire valoir que ce moyen technologique permet d’assurer un meilleur contrôle des conditions liées à une libération sous conditions. La libération pourrait ainsi acquérir un caractère plus ‘crédible’, ce qui pourrait inciter les magistrats à recourir plus fréquemment – que ce n’est le cas à l’heure actuelle – aux alternatives. En tant qu’alternative prétendument ‘meilleure’, la surveillance électronique pourrait dès lors se substituer à la libération sous conditions ‘traditionnelle’ ou remplacer la détention préventive proprement dite, afin de réaliser les objectifs attribués à la détention, sans subir les inconvénients qui y sont liés.

* * *

Comme nous l’avons déjà indiqué précédemment, l’objectif de la présente étude était de vérifier quel pourrait être le champ d’application de la surveillance électronique, si celleci était actuellement disponible en tant qu’alternative supplémentaire; dans quels cas concrets (en fonction des infractions et/ou du profil de la population des prévenus) la 446

Voir par exemple K. Lauwaert, “De vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden”, in Alternatieve straffen en maatregelen. Penologisch vademecum. Volume I, W. Meyvis, D. Martin (coörd.), Heule, Uitgeverij UGA, 1997, 68. Les mesures de réparation (indemnisation du préjudice, présentation d’excuses, restitution), mais aussi la formation et le travail d’intérêt général ne constituent pas, selon elle, des conditions appropriées dans le cadre d’une liberté ou d’une libération sous conditions, parce que: 1) ces conditions peuvent difficilement se justifier du point de vue de la prévention de la récidive, de la collusion ou de l’évasion; et 2) on peut se demander si la présomption d’innocence et l’impartialité du juge ne sont pas menacées (risque de préjuger la culpabilité du prévenu).

271

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

surveillance électronique pourrait être appliquée; quel modèle ou quelle forme de surveillance électronique emporterait la préférence ; et, quelles seraient les contreindications justifiant finalement quand même un rejet de l’application de la surveillance électronique. À cet effet, diverses activités de recherche, basées sur des méthodologies différentes, ont été organisées. Premièrement, sur la base de la littérature, de visites sur place et de contacts avec des témoins privilégiés, nous avons brossé un tableau de la situation en Belgique et à l’étranger concernant l’application de la surveillance électronique et, plus particulièrement, dans le cadre de la détention préventive. Ensuite, nous avons organisé un sondage. Dans un premier temps, celui-ci a été réalisé par le biais de tables rondes réunissant divers acteurs du terrain habilités à prendre une décision concernant l’application d’alternatives à la détention préventive, à requérir en ce sens ou à introduire une demande en ce sens. Dans une phase ultérieure, une série de dossiers judiciaires réels ont été analysés, dossiers dans lesquels des juges d’instruction, des membres de la Chambre du conseil et de la Chambre des mises en accusation ont décidé de procéder à l’arrestation du prévenu ou de prolonger sa détention préventive. Enfin, sur la base des données provenant de la base de données pénitentiaires SIDIS-GREFFE, nous avons brossé, entre autres, un tableau actuel de l’application de la détention préventive. Ces données ont également été confrontées avec celles provenant de la banque de données SIPAR de la Direction générale des Maisons de justice en ce qui concerne la population qui a été actuellement laissée ou mise en liberté sous conditions. Les principaux résultats de la recherche peuvent être résumés comme suit. En ce qui concerne les cas dans lesquels la surveillance électronique pourrait ou non être appliquée dans le cadre de la détention préventive, les tables rondes organisées ont permis d’identifier plusieurs situations offrant des possibilités de recours à la surveillance électronique. Les participants ont ainsi évoqué certains cas de harcèlement, ainsi que certaines formes de violences intrafamiliales, sous certaines conditions toutefois (à savoir lorsque les partenaires ou les membres de la famille n’habitent pas au même endroit). Dans ces cas, ils ont principalement songé à l’application de la technologie GPS, dans le but de pouvoir contrôler les interdictions de contact. Certains acteurs entrevoient aussi des possibilités d’application de la surveillance électronique dans des dossiers graves (assassinats et meurtres), en fonction des circonstances (p. ex. en cas d’homicide du partenaire): alors que d’aucuns indiquent à cet égard que la surveillance électronique peut être appliquée après la décision de renvoi (règlement de la procédure), d’autres estiment que le choix du moment du renvoi en tant que point charnière est arbitraire et que la décision relative à l’application de la surveillance électronique doit être indépendante de celui-ci. Les jeunes adultes délinquants primaires sont une autre catégorie vis-à-vis de laquelle la surveillance électronique pourrait servir, après une courte période de détention, d’instrument de précision et de confirmation de la ‘norme’. Les cas dans lesquels une application de la surveillance électronique est plutôt à proscrire concernent les dossiers où il est question d’abus sexuels vis-à-vis de mineurs, surtout lorsque les faits ont été commis dans l’environnement domestique, et de trafic de

272

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

stupéfiants, en particulier lorsqu’il y a un risque de récidive depuis la résidence assignée (ce qui vaut d’ailleurs aussi pour d’autres formes de comportement criminel). Le problème de l’illégalité (l’absence de droit de séjourner sur le territoire) pèse aussi lourdement sur la question de savoir si la surveillance électronique peut ou non être appliquée, en ce sens qu’elle hypothèque gravement les possibilités d’application non seulement de la surveillance électronique mais aussi d’autres alternatives. La situation des personnes étrangères en situation ‘illégale’ au sein de la population carcérale belge mérite une grande attention. Une étude précédente consacrée à l’effet que pourrait avoir une limitation de la durée de la détention préventive (pour certaines infractions, à savoir le trafic de stupéfiants et/ou le vol, éventuellement en combinaison avec d’autres infractions, mais sans atteinte à l’intégrité physique) sur la population des prévenus, a déjà montré qu’environ la moitié de la capacité de détention qui pourrait être économisée serait perdue si les étrangers illégaux étaient exclus de cette mesure447. Dans le cadre de la présente recherche, il n’a pas été possible, en s’appuyant sur la base de données SIDISGreffe, de déterminer avec exactitude la proportion de personnes en situation illégales au sein de la population des prévenus, mais il est en revanche clair que (là où elles sont enregistrées en tant que telles), les personnes en situation illégales restent plus longtemps en détention préventive que la moyenne448. Il ressort en tout cas de l’examen des dossiers que ce problème du séjour illégal se pose de manière aiguë ; en particulier, dans certains arrondissements. Bien que les personnes en situation illégales ne soient pas par définition exclues du champ d’application de la surveillance électronique, elles ont cependant été proportionnellement beaucoup moins fréquemment concernées par cette possibilité (en outre, cette possibilité était souvent offerte uniquement moyennant le respect de certaines conditions, par exemple, en combinaison avec un accueil dans un centre d’asile449). Les magistrats interrogés ont d’ailleurs aussi indiqué que les personnes en situation illégales étaient parfois placées en détention pour des faits plutôt mineurs, comme le vol à l’étalage (sans violence), pour lesquels les propres ressortissants ou les personnes étrangères en séjour légal en Belgique ne seraient pas enfermés 450 . La détention de personnes étrangères en séjour illégal s’avère être justifiée avant tout en raison d’un risque potentiel de fuite jugé élevé. Alors que les tables rondes ont mis en évidence plusieurs possibilités d’application de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive, il s’est avéré beaucoup plus difficile d’estimer dans quelle mesure la surveillance électronique pourrait – si elle était appliquée – se substituer aux détentions préventives actuellement en cours ou aux 447

S. Deltenre, E. Maes, “Pre-trial Detention and the Overcrowding of Prisons in Belgium. Results from a Simulation Study into the Possible Effects of Limiting the Length of Pre-trial Detention”, European journal of crime, criminal law and criminal justice, 2004, nr. 4, 367. 448 Alors que la durée de détention moyenne générale – certes, un rien sous-estimée – s’élève à 61,9 jours, on enregistre, pour les prévenus à l’égard desquels une décision d’éloignement du territoire a été prise, une durée de détention moyenne de 73,5 jours. 449 Il n’est pas clairement établi s’il s’agit concrètement d’un centre d’asile ou d’une quelconque infrastructure d’accueil résidentiel ni s’il s’agit d’un centre d’asile ouvert ou fermé. S’il s’agit de structures fermées, se pose alors la question de la pertinence de l’utilisation de moyens de surveillance électronique dans un tel contexte. 450 Voir Chapitre 2, Section I, par. 3.2.8 et Section II, par. 2.4.

273

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

libérations sous conditions. En d’autres termes, il n’a pu être déterminé clairement quelle pourrait être l’effet de substitution réel de la surveillance électronique à la détention. En tout cas, d’une manière générale, il s’est avéré beaucoup plus difficile de trouver des exemples de cas où la surveillance électronique pourrait remplacer la détention préventive que d’exemples de cas où elle pourrait être imposée en complément à une libération sous conditions (en vue d’offrir une possibilité de contrôle supplémentaire) ou de cas où elle ne serait pas du tout appliquée. L’examen des dossiers judiciaires fait par ailleurs apparaître que les cas dans lesquels la surveillance électronique serait appliquée (alors qu’à l’heure actuelle, le prévenu séjourne en détention préventive à défaut d’une telle alternative) sont très variés en ce qui concerne la nature des faits commis. Il s’agit tant de cas de possession, de trafic et d’importation de stupéfiants, de vol ordinaire ou de vol avec violence que de cas de fraude informatique, de coups et blessures et même de meurtre. Les tables rondes ont par ailleurs mis en évidence qu’il n’y a pas de raison d’exclure a priori certaines qualifications d’infraction du champ d’application451. La possibilité d’application de la surveillance électronique est plutôt appréciée au cas par cas, compte tenu de la nature des faits, mais aussi du profil du prévenu, des circonstances concrètes dans lesquelles les faits ont été commis, du déroulement et de la suite de l’instruction, etc. La surveillance électronique pourrait surtout être appliquée dans les cas où la prévention du risque de récidive constitue la préoccupation majeure et où l’application de la surveillance électronique ne risque pas (plus) d’empêcher le bon déroulement du rassemblement d’éléments de preuve (l’instruction): lors des tables rondes, les acteurs de terrain ont établi – par élimination – que le risque de récidive est le seul facteur qui n’exclut pas d’avance l’application de la surveillance électronique. Les arguments qui sont souvent cités à l’encontre de l’utilisation de la surveillance électronique semblent liés dans une mesure non négligeable aux besoins de l’instruction. D’aucuns font ainsi valoir que la surveillance électronique n’offre pas suffisamment de garanties pour neutraliser une série de risques, comme le risque de collusion ou le risque de détournement de preuves (et c’est à cet effet que l’on recourt actuellement à la détention préventive). Le risque de fuite et le risque de récidive jouent cependant aussi un rôle prépondérant à cet égard. À la lumière des résultats de l’analyse des dossiers, le risque de fuite s’avère être l’un des principaux facteurs (et est même le principal facteur du côté néerlandophone) pour ne pas envisager la surveillance électronique. La gravité des faits et le risque potentiel de récidive constituent par ailleurs aussi des obstacles de taille à l’application de la surveillance électronique; du côté francophone, le risque de récidive est même avancé comme la principale contre-indication.452 Il en va de même, dans une moindre mesure, du risque de collusion et de détournement, surtout lorsque la détention préventive est déjà en cours depuis un certain temps.

451

En sens inverse, voir l’exposé des motifs de la proposition de loi Taelman: Doc parl, Sénat, 2007-2008, 4-613/1, Proposition de loi modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, afin d’instaurer une surveillance électronique (exposé des motifs, p. 3). Voir aussi à ce propos: Chapitre 1, Section V, par. 2. 452 Voir à cet effet Chapitre 2, en particulier Section II, par. 2.1 et 2.3.

274

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

En dépit de ces observations formulées à l’égard de l’opportunité d’appliquer la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive, les participants aux tables rondes ont cependant aussi implicitement laissé entendre à plusieurs reprises que la détention préventive était parfois utilisée de manière ‘impropre’. D’aucuns ont par exemple évoqué l’effet ‘intimidant’ ou de choc que peut provoquer la détention préventive (chez les jeunes adultes délinquants primaires) 453 , ainsi qu’une certaine pression du monde extérieur (médias, opinion publique), en particulier en cas d’assassinat ou de meurtre, qui empêcherait les magistrats d’envisager une libération (sous conditions ou non). Dans un tel contexte, il n’y a, selon nous, pas tellement lieu de se demander quelle alternative peut être proposée à la détention. La question plus fondamentale qui se pose ici est plutôt celle de l’usage correct de la mesure, qualifiée d’exceptionnelle, qu’est la détention préventive. À cet égard, on peut encore ajouter que l’insatisfaction ressentie par certains acteurs concernant l’application des peines (non-exécution des courtes peines, peines purgées totalement sous surveillance électronique et libération provisoire anticipée) a (ou peut avoir) aussi des conséquences au niveau de l’usage qui est fait de la détention préventive454, en ce sens que la détention préventive serait utilisée comme une sorte de condamnation avant la lettre, histoire d’être certain qu’au moins une partie de la ‘peine’ sera purgée en prison. Dans le cadre de l’examen des dossiers, nous avons également essayé – bien que ce soit tout sauf évident – de déterminer quel pourrait être le potentiel d’application de la surveillance électronique (en lieu et place de la détention préventive en cours) en termes quantitatifs. Il ressort de ce sondage que dans 15% des quelque 200 dossiers analysés, l’un ou l’autre modèle de surveillance électronique pourrait être appliqué. Cette estimation devrait même être accrue, si l’on tient compte des compétences étendues du juge d’instruction de lever la détention préventive à tout moment de la procédure: si par conséquent nous prenons en considération les seuls dossiers des juges d’instruction, nous obtenons un potentiel d’application de quelque 25%455. Cela ne signifie pas pour autant que l’on peut en inférer que l’instauration de la surveillance électronique permettrait de réduire la population carcérale des prévenus dans la même proportion. Comme nous l’avons déjà indiqué précédemment, la taille de cette population n’est en effet pas déterminée uniquement par le flux entrant (le nombre de mandats d’arrêt à exécuter), mais aussi par la durée de la détention. Or, il est très difficile d’estimer avec précision quelle durée de détention préventive il serait possible d’économiser grâce à la surveillance électronique. Comme il ressort des tables rondes et des commentaires 453

Il a d’ailleurs été constaté que des mineurs de moins de 16 ans sont parfois mis en détention préventive. Voir à ce propos Chapitre 2, Section II, par. 2.1, et Chapitre 3, par. 4.1.2. 454 Voir par exemple Chapitre 2, Section I, par. 3.2.7. En ce sens, voir par exemple aussi, en ce qui concerne les réquisitoires du ministère public: J. Sabbe, “De (bescheiden) invloed van het vervolgings- en strafbeleid van het OM op de punitiviteit”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (éd.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 155. 455 Du côté francophone, les juges d’instruction ont estimé possible l’application de la surveillance électronique dans 15 dossiers sur 57 (soit 26,31%) et du côté néerlandophone, dans 11 dossiers sur 41 (soit 26,82%). Étant donné les observations formulées par les magistrats d’instruction lors du sondage sur la surveillance électronique ou sur les conditions que requiert, selon eux, l’application de celle-ci, il faut considérer que le pourcentage observé est sans doute un rien surestimé (voir à ce propos Chapitre 2, Section II, par. 2.2 et par. 2.4).

275

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

formulés par les magistrats lors de l’analyse des dossiers, la surveillance électronique ne sera certainement pas toujours enjointe dans les 24 heures suivant l’arrestation policière. Cette mesure ne pourra être prise qu’après une première période initiale de détention préventive, au cours de laquelle une série de devoirs d’instruction peuvent être effectués456 et le magistrat peut être informé de manière plus précise sur les possibilités matérielles de surveillance électronique ainsi que les modalités concrètes de celle-ci. Ce qui frappe d’ailleurs aussi, c’est que – à la lumière des résultats de l’examen des dossiers et comme nous l’avons déjà indiqué ci-avant – les juges d’instruction sont manifestement beaucoup plus favorables à l’application de la surveillance électronique que les magistrats de la Chambre du conseil et de la Chambre des mises en accusation. Nous avons aussi déjà indiqué précédemment que, parallèlement aux chiffres qui viennent d’être mentionnés concernant l’application de la surveillance électronique en tant qu’alternative à la détention, il y a des indications (cf. les tables rondes) selon lesquelles la surveillance électronique sera sans doute aussi appliquée dans une mesure non négligeable dans des cas où l’on recourt actuellement à la liberté/libération sous conditions. Nous n’avons dès lors pas tant affaire ici à ce que l’on appelle parfois – selon une interprétation étroite – le phénomène de net-widening (un élargissement du réseau de contrôle social, c.-à-d. plus de personnes sous le contrôle de la justice) qu’à un renforcement du contrôle ou, pour reprendre les termes d’un des participants, un « alourdissement de la libération provisoire » (ou de la libération sous conditions)457. Pour stimuler l’usage de la surveillance électronique vis-à-vis de personnes qui ne bénéficient pas actuellement d’une liberté ou d’une libération sous conditions, mais séjournent effectivement en prison (donc en tant que mesure réelle de substitution à la détention) 458 , on pourrait envisager de subordonner l’application de la surveillance 456

C’est la raison pour laquelle l’application de la surveillance électronique n’est possible, selon la proposition de loi Taelman, qu’à partir de la première comparution devant la Chambre du conseil. Voir Doc. parl., Sénat, 2007-2008, 4-613/1, Proposition de loi modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, afin d’instaurer une surveillance électronique (Exposé des motifs, pp. 2-3): “Nous avons délibérément choisi de ne prévoir une surveillance électronique que pour les cas où la chambre du conseil se penche sur le maintien de la détention préventive, à savoir cinq jours après la délivrance du mandat d’arrêt par un juge d’instruction. On peut en effet considérer qu’à ce moment, les recherches élémentaires (perquisition, dépositions de témoins, analyse de traces) ont été effectuées, ce qui diminue le risque de collusion, et qu’une forme de privation de liberté n’est alors nécessaire que pour éviter que l’inculpé ne prenne la fuite.” Néanmoins, il est préférable de maintenir toutes les options ouvertes et de permettre aussi au juge d’instruction d’enjoindre une surveillance électronique. 457 Voir entre autres Chapitre 2, Section I, par. 2.1.1. 458 La difficulté de contourner ce phénomène (consistant à imposer des moyens de contrôle supplémentaires aux personnes qui, autrement, auraient bénéficié d’une liberté/libération sous conditions ordinaire) a par exemple aussi été mise en évidence par Hassett: “In cases where prison depopulation is said to be a high priority objective of the program, eligibility guidelines may require that candidates come only from the incustody population. Such a requirement has the seeming advantage of ensuring that monitoring is not used to net-widen. The difficulty is that judges aware of the eligibility condition may, consciously or unconsciously, use custodial orders in cases which would, in absence of monitoring, have received noncustodial orders.” Une technique alternative qui a, par exemple, été appliquée à Nottingham consistait à remettre aux magistrats un recueil d’informations contenant une liste de contrôle qui interroge le décideur de manière ciblée sur la mesure dans laquelle le prévenu ne pourrait pas être mis en liberté sous d’autres conditions (P. Hassett, The Use of Electronic Monitoring for Pretrial Release, 2005, p. 4;

276

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

électronique à une décision préalable concernant l’arrestation ou non. Ensuite, une autre instance pourrait (éventuellement) se prononcer sur l’exécution concrète de la détention préventive (en fait, par analogie avec ce qui se passe actuellement au niveau de l’exécution des peines)459 et opérer alors le choix entre l’enfermement en prison et la détention sous la forme d’une surveillance électronique. 460 Dans ce cas, se pose la question de savoir dans quelle mesure il sera encore tenu compte des besoins de l’instruction dans le cadre de la décision sur le mode d’exécution de la détention. En outre, il n’est pas exclu que l’on obtienne finalement un effet contraire, à savoir que le juge d’instruction (ou les juridictions d’instruction), au lieu d’opter pour une libération pure et simple ou la liberté (ou libération) sous conditions, recourra initialement davantage à la détention préventive, s’attendant à ce que cette détention préventive soit ensuite exécutée sous la forme d’une surveillance électronique. Par ailleurs, il faut cependant aussi avoir suffisamment conscience qu’indépendamment même du fait que l’application qui peut être faite de la surveillance électronique à l’égard de personnes actuellement en liberté sous conditions et qui, en ce sens, entraîne un alourdissement de l’‘alternative’ actuelle, la surveillance électronique peut aussi induire véritablement des ‘échecs’. Il ressort par exemple d’études antérieures que la surveillance électronique peut exercer une lourde pression psychologique (provoquée par le système d’horaires très rigide qui doit être respecté) et que des facteurs souvent externes, indépendants de la volonté des intéressés, peuvent favoriser dans certains cas le nonrespect de l’horaire461. En outre, grâce aux outils technologiques utilisés, les infractions aux conditions posées pourront être remarquées plus rapidement et plus aisément. Tout cela peut déboucher sur un retrait de la mesure de surveillance électronique accordée, avec éventuellement comme conséquence supplémentaire que l’intéressé ne se verra plus offrir une ‘seconde chance’ à un stade ultérieur de la procédure et subira même finalement une détention plus longue que si une mesure de surveillance électronique n’avait pas été prise initialement. En ce sens, la capacité de détention qui peut être http://www.bileta.ac.uk/Document%20Library/1/The%20Use%20of%20Electronic%20Monitoring%20for %20Pretrial%20Release.pdf). 459 Dans le cadre de l’exécution des peines, c’est le tribunal de l’application des peines et, plus tard, éventuellement aussi le juge de l’application des peines siégeant seul (actuellement, encore l’administration) qui concrétise les décisions d’infliger une peine privative de liberté prises par le juge pénal statuant sur le fond. En ce qui concerne la détention préventive, on pourrait aussi songer – outre à la création éventuelle d’une figure juridique distincte (une sorte de juge de la détention) – au ministère public, en sa qualité d’organe qui représente l’intérêt de la société et qui requiert aussi à cet égard l’instruction et l’éventuelle détention préventive. En ce qui concerne l’exécution des courtes peines d’emprisonnement, le ministère public disposait déjà précédemment de possibilités de déterminer concrètement le mode d’exécution: cf. les arrêts de fin semaine (exécution pendant les week-ends) et la détention limitée (une forme de ‘détention nocturne’, l’intéressé exerçant des activités hors des murs de la prison en journée). 460 Proposition formulée lors de la réunion du comité d’accompagnement du 27 mai 2009. 461 Voir à ce propos: L. Robert, E. Stassart, “Onder elektronisch toezicht gestelden aan het woord. Krachtlijnen uit het eerste Belgische onderzoek”, in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing? Onderzoek en beleid 1998-2008 (reeks Samenleving, Criminaliteit & Strafrechtspleging, n° 33), T. Daems, S. De Decker, L. Robert, F. Verbruggen (éd.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 9-33; M.-S. Devresse, H. Luypaert, D. Kaminski, K. Beyens, Onderzoek betreffende de evaluatie van de reglementering, van de besluitvorming en van het verloop van elektronisch toezicht, Brussel, UCL-VUBSPF Justice, 2006.

277

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

‘économisée’ grâce au remplacement d’une détention préventive en cours par une surveillance électronique pourrait être annihilée, du moins en partie. Un effet contraire pourrait même être induit. Comme l’a également révélé l’analyse de la situation actuelle en Belgique et à l’étranger, la surveillance électronique peut revêtir des formes très diverses. Dans notre propre étude, nous avons distingué, dans le cadre du sondage des divers acteurs (cf. tables rondes et examen des dossiers) trois modèles de surveillance électronique envisageables, à savoir: le modèle ‘traditionnel’ (c’est-à-dire la surveillance électronique qui est actuellement appliquée en Belgique au niveau de l’exécution des peines), le modèle ‘assignation à résidence’ et le modèle ‘GPS’. Les résultats de nos analyses montrent que chacun de ces trois modèles pourrait faire l’objet d’une certaine application et donc – si la surveillance électronique était instaurée dans la phase de l’information – qu’une application différenciée, adaptée au cas individuel, doit être possible. Des différences sont cependant observées selon les groupes linguistiques. D’une part, il ressort de l’examen des dossiers, que les acteurs néerlandophones considèrent que pour un seul et même dossier, il est parfois possible d’appliquer plus qu’un seul modèle spécifique (du côté francophone, les acteurs interrogés optent systématiquement pour un seul modèle). D’autre part, la plupart des magistrats francophones accordent la préférence au modèle ‘traditionnel’ et ce, contrairement à leurs homologues néerlandophones, qui font preuve d’une plus grande diversité et d’un plus grand équilibre entre les modèles proposés. Certains magistrats francophones ont toutefois indiqué – lors des tables rondes – que le modèle ‘assignation à domicile’ présentait le plus de similitudes avec la détention préventive, le raisonnement in abstracto étant de considérer la surveillance électronique comme une modalité de l’exécution de la détention préventive462.

* * *

En ce qui concerne la question de l’encadrement (légal) juridique de ces modèles – à savoir les conséquences liées au maintien ou à la prolongation de la mesure, sa durée maximale, l’indemnisation en cas de détention inopérante et la soustraction de la peine finalement prononcée –, notre étude montre que d’un point de vue juridique, d’aucuns assimilent la surveillance électronique dans tous les cas (donc quel que soit le modèle) à une liberté sous conditions, alors que d’autres (la majorité d’ailleurs) opèrent une distinction entre, d’une part, la surveillance électronique en tant que modalité spécifique de l’exécution de la détention préventive463 et, d’autre part, la surveillance électronique 462

Voir chapitre 2, Section I, par. 3.2.4. Voir aussi en ce sens Van Cauwenberghe (2008: 26): “E.T. is momenteel een modaliteit van strafuitvoering en lijkt mij dus moeilijk te rijmen met voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis heeft immers niets te maken met bestraffing en is enkel een veiligheidsmaatregel in een stadium van het vooronderzoek waarbij nog geen definitieve uitspraak voorhanden is omtrent schuld of onschuld. Het lijkt mij eerder logisch dat dit zou ingevoerd worden als een mogelijke uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis waarbij de in verdenking gestelde de voorlopige hechtenis ondergaat onder elektronisch toezicht in plaats van in het arresthuis en waaraan dan ook een maatschappelijke begeleiding moet gekoppeld worden.” (notre soulignement) (K. Van Cauwenberghe, “Wat is een geloofwaardige strafuitvoering ?”, 463

278

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

en tant que forme particulière (à savoir renforcée) de liberté sous conditions. D’une manière générale, on peut considérer que l’application du modèle GPS, lorsqu’elle vise uniquement à contrôler des conditions très spécifiques (par exemple, renvoyant à des zones d’exclusion définies), est plutôt considérée comme une forme (particulière) de liberté sous conditions. Les autres modèles (modèle traditionnel et modèle de l’assignation à résidence) sont plutôt catalogués comme une modalité d’exécution de la détention préventive, étant donné qu’il est question dans ce cas d’un certain degré de privation de liberté) 464 , alors que d’autres dispositions (d’interdiction) – autres que l’interdiction de quitter la résidence assignée à certains moments – sont considérées comme des mesures restrictives de liberté465. Certainement en ce qui concerne le modèle de l’assignation à résidence, la plupart des acteurs interrogés sont convaincus que ce modèle de surveillance électronique doit être assimilé à une vraie détention préventive. Les avis sur le modèle ‘traditionnel’ sont en revanche un peu plus partagés, même si les acteurs néerlandophones ont quand même fort tendance à considérer également ce modèle comme une forme de détention. La distinction formulée ci-dessus est de nature fondamentale, en ce sens que les conséquences juridiques qui sont (ou peuvent être) liées à l’une et l’autre option sont très différentes. Les opinions formulées par les acteurs interrogés sur la question ont montré clairement que si la surveillance électronique est une modalité d’exécution de la détention préventive, il y a lieu en principe d’apprécier plus régulièrement (par exemple, mensuellement, par analogie avec le système de la détention préventive – sauf pour les crimes non correctionnalisables) l’opportunité de poursuivre la surveillance électronique; de soustraire la période de surveillance électronique subie de la peine privative de liberté (éventuelle) prononcée finalement et, également par analogie avec la détention préventive, de prévoir une indemnisation en cas de détention inopérante (en fonction du préjudice subi). En ce qui concerne l’application de la surveillance électronique en tant que forme particulière de liberté sous conditions, on pourrait faire un parallèle sur ce plan avec le système de liberté/libération sous conditions actuel (imposé pour maximum 3 mois et prolongeable, pas d’indemnisation, pas de soustraction de la peine prononcée ultérieurement). Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2008, n° 118 (avril-mai-juin), 24-27). Voir déjà aussi précédemment à ce propos: K. Thys, “The End op Violence. Enkele bedenkingen bij het elektronisch toezicht in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis”, Orde van de dag, afl. 10 (juin 2000), 62. 464 Thys a également considéré en 2000 que le sytème de surveillance électronique appliqué à cette époque dans le cadre de l’exécution des peines était essentiellement une peine revêtant “een essentieel ‘vrijheidsbenemend karakter’” [un caractère privatif de liberté ‘essentiel]. (K. Thys, “The End op Violence. Enkele bedenkingen bij het elektronisch toezicht in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis”, Orde van de dag, afl. 10 (juin 2000), 62). 465 Cf. la proposition de loi Taelman [Doc. parl., Sénat, 2007-2008, 4-613/1, Proposition de loi modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, afin d’instaurer une surveillance électronique (Exposé des motifs, p. 2)], où il est question de “la privation de liberté en maison d’arrêt ou la privation de liberté par le biais d’un bracelet électronique.” (notre soulignement) Dans le même sens, voir la propositon de loi Landuyt [Doc. parl., Chambre, S.E. 2007, 52-0040/001, Proposition de loi modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive en ce qui concerne la surveillance électronique, commentaire des articles, p. 5], où l’on peut lire que le juge d’instruction (et la Chambre du conseil) peuvent choisir entre deux mesures “privatives de liberté”: enfermer le suspect dans une maison d’arrêt ou placer le suspect sous surveillance électronique.

279

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

L’assimilation du modèle de surveillance électronique traditionnel et du modèle de l’assignation à résidence à une détention classique ordinaire (en prison) correspond à la conception qui est actuellement de mise au niveau de l’exécution des peines. En termes d’effets, la surveillance électronique en tant que modalité particulière de l’exécution des peines est en effet perçue comme l’exécution de la peine privative de liberté prononcée et à purger, même si la surveillance électronique accordée est révoquée à un stade ultérieur466. Une autre question qui mérite d’être posée à cet égard – même si elle n’a pas été soumise aux acteurs – est celle de la ‘règle de conversion’ concrète qui devrait être appliquée dans ce cas. En d’autres termes, un jour de surveillance électronique doit-il être assimilé ni plus ni moins à un jour de détention (en prison)? Dans le cadre de l’exécution des peines, c’est en tout cas la règle qui est actuellement d’usage (c’est du moins le cas pour la surveillance électronique mais pas toujours, par exemple, pour la libération conditionnelle 467 ). En outre, lorsqu’une condamnation à une peine d’emprisonnement effective est prononcée à un stade ultérieur, la détention préventive est entièrement déduite de cette peine (un jour de détention préventive = un jour de peine privative de liberté purgée) 468 . Si ces logiques sont prolongées, on peut considérer qu’un jour de surveillance électronique, purgé dans le cadre de la détention préventive, pourrait être déduit dans la même proportion (1/1) de la peine d’emprisonnement prononcée ultérieurement (même si, au niveau de l’exécution des peines, cette peine était effectuée entièrement sous surveillance électronique). Il n’est naturellement pas exclu d’envisager d’autres règles de conversion: en Angleterre et au pays de Galles, on applique par exemple le principe d’une imputation half-rate, ce qui signifie que la période sous surveillance électronique n’est déduite que pour moitié. Dans la situation actuelle, cette règle de calcul dérogatoire porterait cependant atteinte à la cohérence recherchée entre la 466

Voir article 68, § 5, alinéa 1er, de la loi relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté: « S’il s’agit d’un jugement de révocation d’une détention limitée ou d’une surveillance électronique, le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines précise que la période au cours de laquelle le condamné était en détention limitée ou sous surveillance électronique est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l’octroi. » (notre soulignement) 467 En matière de libération conditionnelle, la règle est que la libération définitive n’est acquise que si la libération conditionnelle n’a pas été révoquée. La durée de la période d’épreuve pendant laquelle le condamné doit respecter les conditions liées à la libération est égale à la peine restant à subir (le nombre de jours de peine que le condamné devrait encore purger au moment de la libération s’il n’avait pas été libéré). Il y a cependant lieu de tenir compte d’une série de délais minimaux (dans la mesure où la peine restant à purger serait plus courte) qui, selon le cas, s’élèvent à deux, cinq ou dix ans et qui peuvent, en tant que tels, excéder le nombre de jours de la peine restant à subir. En outre, le nombre de jours de libération conditionnelle en cas de révocation n’est pas nécessairement déduit intégralement de la peine restant à purger qui est de nouveau mise en exécution. Le tribunal d’application des peines se prononcera sur ce point au cas par cas. Voir article 68, § 5, alinéa 2, de la loi relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté: « S’il s’agit d’un jugement de révocation d’une libération conditionnelle, (…) le tribunal de l’application des peines détermine la partie de la peine privative de liberté que doit encore subir le condamné en tenant compte de la période du délai d’épreuve qui s’est bien déroulée et des efforts fournis par le condamné pour respecter les conditions qui lui étaient imposées. » (notre soulignement) 468 Voir article 33, § 1er, alinéa 2, de la loi relative à la détention préventive: « Si [le prévenu ou l’accusé] est condamné à un emprisonnement principal sans sursis, il est mis en liberté, nonobstant appel, dès que la détention subie égale la durée de l’emprisonnement principal prononcé; dans les autres cas, il reste détenu pour autant que la peine soit prononcée en raison du fait qui a motivé la détention préventive. »

280

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

phase de l’information et celle de l’exécution de la peine. Dans le cadre d’une étude antérieure consacrée à l’instauration éventuelle de la surveillance électronique en tant que peine autonome, les auteurs ont en tout cas aussi plaidé en faveur d’une assimilation complète de la surveillance électronique à une détention classique (un jour de peine d’emprisonnement = un jour de surveillance électronique469). Accessoirement, on pourrait aussi se demander – de manière plus générale, concernant le rapport entre la détention préventive et la peine (privative de liberté) définitive – si la détention préventive (enfermement classique et, par extension, surveillance électronique) ne doit pas être imputée plus ‘lourdement’ sur le taux de la peine final. Cette réflexion peut même être étendue. On peut en effet se demander si toutes les mesures prises dans la phase de l’information pénale ne peuvent ou ne doivent pas être déduites d’une manière ou d’une autre de la peine, privative ou non de liberté, prononcée finalement. Une libération/liberté sous conditions ne doit-elle pas aussi être déduite, dans une proportion donnée, de la peine (d’emprisonnement) prononcée finalement 470 ? Et, inversement, la détention préventive ne doit-elle pas aussi être imputée (sur la durée d’une peine non privative de liberté prononcée en dernier ressort) 471 ? Une révision éventuelle de la réglementation actuelle, aux termes de laquelle cette imputation ne serait plus axée exclusivement sur les interventions privatives de liberté, permettrait à tous égards d’enregistrer une certaine ‘avancée’ dans la perspective de contenir la population carcérale. Pour des raisons d’équité, un examen plus approfondi de la question s’impose cependant aussi. En tout cas, la surveillance électronique ne pourra avoir un effet réducteur sur la population carcérale que – et c’est véritablement une condition sine qua non – si la période purgée sous surveillance électronique est effectivement déduite du taux de la peine prononcé finalement ; un effet similaire est obtenu si le prévenu est acquitté ou est condamné à une peine non privative de liberté. Si le prévenu est cependant condamné à une peine d’emprisonnement sans que la période éventuelle de surveillance électronique soit portée en déduction de celle-ci, ‘l’économie d’occupation’ réalisée initialement grâce à la surveillance électronique sera quand même perdue ultérieurement, lorsque la peine devra être purgée dans le cadre de l’exécution des peines472, sauf si le juge pénal statuant 469

Voir à ce propos: F. Goossens, coll. E. Maes, S. Deltenre, Onderzoek met betrekking tot het invoeren van het elektronisch toezicht als autonome straf (onderzoeksrapport, nr. 14), Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, oktober 2005, 161. 470 Fieuws a par exemple aussi fait observer dernièrement que la liberté sous conditions n’est pas imputée sur la peine finale. Voir: E. Fieuws, “Hoe punitief zijn de Belgische justitiehuizen? Reflecties en duiding vanuit het justitiehuis Mechelen”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (éd.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 183. 471 Dans de nombreux pays du Conseil de l’Europe, il est prévu que la détention préventive est ou peut être imputée dans une certaine mesure sur les sanctions non privatives de liberté, par exemple: en Autriche, en Bulgarie, au Danemark, en Finlande, en Allemagne, en Hongrie, aux Pays-Bas, en Pologne, au Portugal, etc. Voir à ce propos: A.M. van Kalmthout, M.M. Knapen, C. Morgenstern (éd.), Pre-trial Detention in the European Union, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009, 84-88. 472 Un exemple concret permet d’illustrer la chose. Prenons le cas d’un prévenu qui, dans le cadre de la détention préventive a passé six mois sous surveillance électronique et qui est finalement condamné à une peine d’emprisonnement effective de 24 mois. Si la surveillance électronique est considérée comme une peine déjà purgée, l’intéressé doit encore effectuer 18 mois de peine d’emprisonnement (avec une libération

281

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

sur le fond tenait compte favorablement de la surveillance électronique subie au moment de se prononcer sur la nature et la durée de la peine (donc, dans le sens d’une atténuation de la peine). Par ailleurs, il n’est pas illusoire de penser que les prévenus qui seront placés sous surveillance électronique pourraient finalement rester plus longtemps sous contrôle judiciaire que s’ils avaient été incarcérés en prison (parce qu’il ne s’agirait ‘que’ de surveillance électronique) et/ou que dans de tels dossiers, la procédure judiciaire ne se poursuivrait pas avec la même rapidité (parce que la priorité est accordée aux dossiers des personnes qui sont détenues préventivement)473. L’expérience acquise dans le cadre de liberté sous conditions semble indiquer à tout égard l’existence d’une tendance de plus en plus marquée à prolonger presque automatiquement la liberté sous conditions après une première période de trois mois474. Cette constatation constitue d’autant plus un argument pour soumettre la surveillance électronique – dans les cas où elle peut être assimilée à une ‘détention’ (modèle traditionnel et modèle d’assignation à résidence) – à un contrôle très régulier, par exemple par analogie avec le régime de la détention préventive, tel que nous le connaissons aujourd’hui. À la lumière de l’encadrement juridique de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive, il faut également trouver une réponse à la question de la durée maximale de la surveillance électronique. En France, par exemple, le Projet de loi pénitentiaire dispose que la surveillance électronique peut être imposée pour une période initiale de six mois, qui peut être prolongée, sans pour autant pouvoir dépasser une durée totale de deux ans. Dans notre pays, la durée de la détention préventive – et celle de l’alternative en vigueur, la ‘liberté sous conditions’ – n’est certes soumise à aucun maximum, mais compte tenu du ‘seuil de douleur’ qui est souvent évoqué dans la littérature – et par lequel on entend que la surveillance électronique n’est plus supportable après une certaine durée (entre six mois et un an) et n’est dès lors plus efficace475 –, il convient de limiter la durée de la surveillance électronique dans le cadre de la détention provisoire après deux mois, à savoir (24 mois/3) - 6 mois de détention préventive = 2 mois). En revanche, si la surveillance électronique n’est pas prise en compte (en d’autres termes, si elle n’est pas assimilée à une détention subie), la peine de 24 mois prononcée doit être purgée intégralement (avec une libération provisoire après huit mois, à savoir 24 mois/3 = 8 mois). Cela signifie donc concrètement que ‘l’économie’ initiale de six mois (réalisée grâce au placement sous surveillance électronique) est quand même perdue à un stade ultérieur. 473 Même si la surveillance électronique devait être considérée comme une détention ‘à part entière’ et être déduite proportionellement d’une éventuelle peine privative de liberté ultérieure (dans la phase de la fixation et de l’exécution de la peine), le ‘gain’ réalisé grâce à la surveillance électronique en termes d’occupation de la capacité pénitentiaire, pourrait encore être dillué. C’est le cas pour la période purgée après que la date d’admissibilité à une libération anticipée a été atteinte. 474 Fieuws arrive au constat – certes limité à l’arrondissement de Malines – que le pourcentage de libérations sous conditions qui ne sont pas prolongées après la première période de trois mois est tombé de 95% en 2000 à 45% en 2007. Voir: E. Fieuws, “Hoe punitief zijn de Belgische justitiehuizen? Reflecties en duiding vanuit het justitiehuis Mechelen”, in Hoe punitief is België?, I. Aertsen, K. Beyens, T. Daems, E. Maes (éd.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 182. 475 Voir par exemple aussi à ce propos: F. Goossens, coll. E. Maes, S. Deltenre, C. Vanneste (promoteur), Onderzoek met betrekking tot het invoeren van het elektronisch toezicht als autonome straf (onderzoeksrapport, nr. 14), Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, oktober 2005, 57-61.

282

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

préventive – et même celle de la détention préventive elle-même476 – et ce, nonobstant le fait qu’une telle limitation puisse soulever des questions quant à la continuité du contrôle après l’expiration de la durée maximale. En réalité, c’est d’ailleurs déjà aussi le cas au niveau de l’exécution des peines. En ce qui concerne les condamnés ayant, au total, des peines exécutoires de plus de trois ans, la loi relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté dispose expressément que la surveillance électronique (avant la libération anticipée ou, éventuellement, la fin de la peine) peut être accordée pour une durée de six mois prolongeable une fois de la même durée477. Les condamnés ayant, au total, des peines exécutoires de trois ans ou moins entrent en revanche immédiatement en ligne de compte pour l’application de la surveillance électronique mais, à l’instar des détenus qui sont enfermés en prison, ils bénéficient d’une libération quasi automatique (libération provisoire) après avoir purgé un tiers de la peine (ou des peines) lorsqu’ils ont été condamnés à une peine supérieure à un an et inférieure à trois ans 478 . Tout cela signifie qu’en pratique, la surveillance électronique ne durera généralement pas plus d’un an479.

* * *

Si la surveillance électronique devait être instaurée effectivement dans le cadre de la détention préventive, il conviendrait non seulement d’élaborer une réglementation juridique adéquate à cet effet (avec une modification de la loi relative à la détention préventive), mais aussi de créer une série des conditions connexes requises et de prévoir des modalités plus pratiques. 476

Voir à ce propos: Daeninck, S. Deltenre, A. Jonckheere, E. Maes, C. Vanneste (promoteur), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Rapport final, Institut national de criminalistique et de criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, mars 2005. 477 Voir article 44, § 1er de la loi relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté: « Si le juge de l’application des peines [le tribunal de l’application des peines] décide d’accorder une détention limitée ou une surveillance électronique, il fixe la période pour laquelle cette modalité d’exécution de la peine est accordée. Cette période est fixée à six mois maximum et peut être prolongée une fois pour une durée de six mois maximum. La durée de la période ne peut jamais excéder celle de la peine privative de liberté initiale. » 478 Voir à ce propos la circulaire ministérielle n° 1771 du 17 janvier 2005 (Libération provisoire), qui est toujours d’application pour les condamnés dont le total des peines s’élève à trois ans ou moins. 479 Des analyses antérieures relatives à la durée de la surveillance électronique, appliquée dans le cadre de l’exécution des peines, indiquent une durée moyenne de 86,8 jours en 2003 (Maes e.a., 2006: 7) et de 102 jours en 2005 (Beyens e.a., 2007: 31). Voir à ce propos: E. Maes, F. Goossens, R. Bas, “Elektronisch toezicht: enkele cijfergegevens over de actuele Belgische praktijk, mede in het licht van zijn eventuele invoering als autonome straf”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2006, n° 110 (avril-mai-juin), 4-14, err., n° 111 (juilletaoût-septembre), 31; K. Beyens, R. Bas, D. Kaminski, “Elektronisch toezicht in België, Een schijnbaar penitentiair ontstoppingsmiddel”, Panopticon, 2007, n° 3, 21-40. Ces chiffres sont également confirmés par des données plus récentes qui ont été diffusées par le ministre de la Justice S. De Clerck. Pour les surveillances électroniques conclues entre le 1er janvier et le 26 mai 2009, une durée moyene de 90 jours a ainsi été calculée. Seules 21 des 988 surveillances électroniques décidées ont eu une durée de plus de 330 jours (Communiqué de presse du ministre De Clerck, La surveillance électronique, Bruxelles, 27 mai 2009, 6-7; http://www.just.fgov.be/communiques/2009/05/Persbericht_FR_27-5-2009.pdf ).

283

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

Tout d’abord, il faut naturellement des équipements de contrôle (bracelets, infrastructure GPS) en quantité suffisante. Dans le cadre de la détention préventive, la décision de l’autorité judiciaire doit pouvoir s’exercer immédiatement: étant donné la finalité de la détention préventive, il est difficilement justifiable de laisser (trop longtemps) le prévenu en totale liberté en attendant le placement définitif sous surveillance électronique. Inversement, on ne peut pas davantage tergiverser trop longtemps lorsque le détenu est maintenu en détention jusqu’à ce qu’il puisse être effectivement placé sous surveillance électronique; d’une manière générale, la durée de la détention préventive est relativement limitée, de sorte que la surveillance électronique ne peut avoir d’effet réducteur sur la population des prévenus que si elle peut déjà être appliquée à un stade précoce de la procédure. Il ressort de notre étude que 17,0% des détentions préventives se terminent déjà dans les cinq jours et, 33,9%, dans le mois. Et un peu plus de trois quarts des détentions préventives ont une durée maximale de trois mois480. Un système de ‘listes d’attente’ (cf. aussi le système ‘d’interruption de la peine’ pour les condamnés à un total des peines de trois ans ou moins481) est dès lors à proscrire dans ce contexte spécifique de la détention préventive. Il est recommandé d’agir comme c’est actuellement le cas pour les décisions prises par les tribunaux de l’application des peines et donc de ‘réserver’ un certain nombre de bracelets exclusivement aux prévenus en vue de l’application de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive482. Comme l’ont aussi indiqué quelques participants à la table ronde, il se justifie d’ailleurs difficilement, eu égard au principe d’égalité, que certains prévenus soient privés d’une mesure moins intrusive, comme la surveillance électronique, purement et simplement par manque de capacité suffisante. Il n’est par ailleurs pas non plus exclu que certains acteurs soient hésitants à l’égard de la surveillance électronique comme alternative à la détention préventive précisément en raison des problèmes d’application rencontrés actuellement dans le cadre de l’application des peines, c’est-à-dire en ce qui concerne les condamnés à des peines de trois ans au plus. D’aucuns craignent que l’histoire ne se répète (cf. le problème de capacité insuffisante en termes d’appareils ou d’assistants de justice chargés du suivi et de l’encadrement) si la surveillance électronique devait également être instaurée dans le cadre de la détention préventive.483 Il n’est cependant pas aisé d’estimer concrètement la capacité nécessaire. Si l’on part de l’hypothèse que sur un nombre annuel de 12.000 personnes enfermées (sous le statut de prévenu ou assimilé) 484 , 25% sont 480

Il convient néanmoins de tenir compte du fait que la durée de la détention préventive (au maximum jusqu’au règlement de la procédure) est ici quelque peu sous-estimée (voir à ce propos les remarques méthodologiques au Chapitre 3, par. 3; voir par. 4.3. pour les résultats). 481 Fin novembre 2009, il y avait ainsi 1.680 condamnés en interruption de peine (en attendant une enquête, une décision sur la surveillance électronique ou un placement sous surveillance électronique). (SC, “Elektronische enkelbanden niet meer in voorraad”, De Morgen, 24 november 2009). 482 Voir par exemple aussi le communiqué de presse du ministre de la Justice, S. De Clerck, du 27 mai 2009 (p. 1): « Les personnes condamnées à une peine privative de liberté de plus de trois ans peuvent demander le régime de la SE auprès du tribunal de l’application des peines. Le tribunal donne suite ou non à cette demande. Les arrêts de la mise sous surveillance se font immédiatement, dès que l’arrêt est exécutoire. » 483 Voir par exemple aussi en ce sens: K. Van Cauwenberghe, “Wat is een geloofwaardige strafuitvoering ?”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2008, n° 118 (avril-mai-juin), 26. 484 Selon les chiffres de la Direction générale Établissements pénitentiaires, en 2008, 12.043 personnes ont été enfermées dans les prisons belges sous le statut de ‘prévenu’ (DG EPI, Rapport d’activités 2008, p. 161).

284

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

susceptibles de bénéficier de la surveillance électronique et que celle-ci dure en moyenne deux mois 485 , cela signifie par exemple que, sur une base journalière, quelque 500 prévenus se retrouveraient sous surveillance électronique486; une diminution du nombre de personnes sous surveillance électronique et/ou de la durée entraîne aussi un besoin de capacité réduit sur une base journalière. A ces dispositifs de surveillance électronique qui remplaceraient une détention effective (estimée ici en moyenne à deux mois) s’ajoutent sans doute encore un certain nombre de placements sous surveillance électronique qui seraient ordonnées à l’égard de personnes pour lesquelles on ordonne actuellement de toute façon une liberté (libération) sous conditions ‘classique’, la surveillance électronique n’étant plus alors qu’un moyen de contrôle supplémentaire (sans se substituer à une période de détention qui se poursuivrait). Il est aussi difficile d’estimer à l’avance dans quelle mesure les magistrats enjoindraient une surveillance électronique pour les personnes auxquelles ils accordent actuellement une liberté/libération sous conditions. Dans le cadre de ce débat, il est aussi important de ne pas perdre de vue que la phase de l’exécution de la peine et celle de l’instruction ne sont pas non plus tout à fait comparables ou ne peuvent pas être assimilées purement et simplement. Dans le cadre de l’exécution de la peine, la surveillance électronique est un mode d’exécution de la peine privative de liberté infligée et une étape vers la libération anticipée ou définitive qui est appliquée à l’égard de condamnés, avec des perspectives de réintégration dans notre société et une vue précise du délai dans lequel la peine aura été purgée. En revanche, dans la phase de l’instruction, c’est toujours l’incertitude quant à l’issue de l’éventuel procès pénal (le taux de la peine) qui prédomine; il s’agit souvent aussi de prévenus sans domicile fixe dans notre pays487 et ce sont principalement d’autres types de critères qui Comme indiqué précédemment, outre le nombre, la durée est également importante pour estimer la capacité nécessaire. Et c’est surtout ce dernier facteur (la question de la durée potentiellement ‘économisée’) qui demeure très incertain. 485 Ce qui correspond à la durée moyenne de la détention préventive en 2008 calculée par nos soins – mais quelque peu sous-estimée – (au maximum jusqu’au règlement de la procédure). Voir Chapitre 3, par. 4.3. 486 Ce ‘besoin de capacité’ ne peut être considéré comme une ‘économie’ effective sur la capacité de détention (ou mieux, sur la population carcérale) que si la période sous surveillance électronique est déduite ultérieurement du taux de peine final en cas de condamnation à une peine privative de liberté ou si le prévenu est acquitté (bénéficie d’un non-lieu) ou est condamné à une peine non privative de liberté. Il faut par ailleurs aussi tenir compte du fait que sur la base de l’hypothèse développée ici, 500 placements sous surveillance électronique d’une durée de 2 mois signifient un flux de 3.000 sur une base annuelle, pour lequel il faut aussi organiser toute la procédure de préparation et de mise en œuvre de la mesure. 487 Il ressort de l’analyse des dossiers que cette problématique s’est posée de manière très aiguë dans les dossiers en néerlandais traités à Bruxelles et à Anvers: dans 54,5% des mandats d’arrêt, l’arrestation du prévenu était basée (en partie) sur le séjour illégal dans notre pays. Voir Chapitre 2, Section II, par. 2.3. En ce qui concerne les condamnés, la loi relative au statut juridique externe n’exclut pas par exemple que la surveillance électronique soit accordée à des détenus de nationalité étrangère qui séjournent illégalement dans notre pays, mais il faut admettre qu’en pratique, cela arrive quand même rarement voire jamais. En ce sens, l’arrêt de la Cour de cassation qui casse un jugement du tribunal de l’application des peines de Gand est également pertinent en se fondant sur le fait que le condamné ne répondait pas à l’exigence d’un séjour légal ininterrompu dans le pays. La Cour de cassation a cependant considéré qu’aucune disposition de la loi relative au statut juridique externe ne dit qu’un séjour légal ininterrompu en Belgique est une condition de recevabilité d’une demande de détention limitée. Il n’en demeure pas moins que, comme il est argumenté dans la note de cet arrêt de cassation, en pratique, il est assez difficile, du point de vue du contenu, d’appliquer une détention limitée dans le cas d’un étranger, et en particulier de trouver pour celui-ci une

285

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

justifient (la poursuite de) la détention préventive (par exemple le risque de fuite ou de soustraction)488. Ces différences de contexte ont des implications sur la manière dont les acteurs souhaitent, entre autres, voir appliquer le contrôle de la surveillance électronique (dans le cadre de la détention préventive). Certains acteurs sont ainsi convaincus que l’application de la surveillance électronique ne sera alors envisagée que s’il est question d’un contrôle 24 heures sur 24 et 7 jours sur 7 489 et que si les moyens de contrôle (technologiques) utilisés sont ‘étanches’. En d’autres termes, la surveillance électronique doit être totalement fiable et crédible. On peut cependant se demander si un contrôle permanent – dans le sens d’un contrôle en temps réel ou selon un ‘mode semi-passif’490 – est souhaitable et nécessaire dans tous les cas pour faire face autant que possible aux risques identifiés, ne serait-ce qu’en raison du coût élevé d’un tel système de contrôle491. Il y a éventuellement lieu d’opter pour une variation de l’intensité du contrôle (par exemple, en fonction du niveau de risque) et de n’appliquer un contrôle quasi continu ou de n’autoriser l’application de celui-ci que dans une série de dossiers à définir plus précisément. On pourrait ainsi prévoir une limitation aux cas où le risque de voir l’intéressé s’évader ou inquiéter les victimes est le plus aigu. En tout cas, même dans une telle hypothèse, une bonne communication rapide entre les différents services qui seront impliqués dans la surveillance électronique est essentielle pour pouvoir réagir aux éventuelles infractions aux conditions posées. Des expériences à l’étranger montrent par ailleurs qu’il vaut mieux ne pas associer trop d’acteurs à ce processus (de suivi). Il faut aussi être attentif au temps de réponse des services de police en cas d’infraction (grave) indiquant l’existence de risques qu’il convenait de canaliser par la surveillance électronique. Et enfin, il y a lieu de définir sans équivoque si ou dans quelle mesure les occupation en journée dans le circuit régulier, en dehors des murs de la prison. En ce qui concerne la surveillance électronique, la situation est, selon l’auteur, encore plus difficile, parce que le condamné se trouve dans ce cas 24 heures sur 24 hors de la prison. (Cass., 20 janvier 2009, P.08.1930.N, avec note, Tijdschrift voor Strafrecht, 2009, n° 3, 160-161) 488 Ce critère n’entre pas en ligne de compte dans la prise de décision sur l’octroi de modalités particulières d’exécution de la peine, comme la détention limitée, la surveillance électronique ou la libération conditionnelle. Il n’est en tout cas pas mentionné explicitement dans la loi relative au statut juridique externe comme l’une des contre-indications possibles. Voir art. 47, § 1er, de la loi relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté: « À l’exception de la mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire ou de la remise, les modalités d’exécution de la peine prévues au Titre V peuvent être accordées au condamné pour autant qu’il n’existe pas de contreindications dans le chef de celui-ci. Ces contre-indications portent sur: 1° l’absence de perspectives de réinsertion sociale du condamné; 2° le risque de perpétration de nouvelles infractions graves; 3° le risque que le condamné importune les victimes; 4° l’attitude du condamné à l’égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation. » 489 Ceci peut être compris comme la nécessité d’une occupation permanente du centre de contrôle, de manière à ce que les infractions puissent être détectées (presque) immédiatement et qu’une intervention rapide soit possible. 490 Il y a lieu d’entendre par là que la position du porteur de l’appareillage est déterminée en permanence, mais le système n’est activé que lorsque le porteur quitte une zone dans laquelle il doit rester ou pénètre dans une zone qui lui est interdite. Dès que le porteur quitte une zone ou y pénètre, la centrale est avertie et le système passe en mode actif. 491 Voir à cet égard: Chapitre 1, Section III, par. 5.

286

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

informations qui sont obtenues dans le cadre du contrôle par surveillance électronique peuvent être utilisées à d’autres fins (cf. le phénomène de ‘function creep’ et le risque d’utiliser la surveillance électronique comme une sorte de méthode de recherche particulière492). Il n’est pas aisé de déterminer quels services peuvent, dans un cadre plus large, jouer un rôle (et lequel) tant dans la préparation et la mise en œuvre de la surveillance électronique que dans le contrôle de celle-ci. Lors des entretiens avec divers acteurs (magistrats d’instruction, ministère public, avocats), des points de vue parfois très différents ont été formulés. Le contrôle du respect de l’horaire, de la présence ou non à la résidence assignée ou du respect ou non des ‘zones d’exclusion’ fixées (ou de dispositions d’interdiction spécifiques, comme une assignation à résidence non permanente dans le cadre d’une interdiction de stade) peut être confié – comme c’est actuellement le cas dans le cadre de l’exécution des peines – au Centre National de Surveillance Électronique (de la Direction générale Maisons de justice), mais d’autres options peuvent également être envisagées. Dans certaines autres juridictions, cet aspect (de contrôle) est par exemple assuré par des entreprises privées, qui fournissent également les appareils et se chargent de l’organisation pratique de la mise sous surveillance (cf. la situation en Angleterre et au pays de Galles493). Lors des tables rondes, d’aucuns ont par ailleurs suggéré de confier ce contrôle aux services de police (par exemple, un poste de contrôle central au sein de la police ou plusieurs postes de contrôle décentralisés au niveau des zones de police494). À cet égard, il y a cependant lieu d’observer que les ‘infractions’ détectées peuvent être interprétées différemment selon l’acteur chargé du contrôle. Il est en tout cas important d’accorder une attention suffisante à l’élaboration d’un réseau de communication performant entre les divers partenaires susceptibles d’être associés à la surveillance électronique: les commanditaires judiciaires, les organes de contrôle (en ce compris les services chargés de l’installation des appareils de contrôle), l’administration pénitentiaire, les services de police (aux niveaux central et local, en vue d’une éventuelle intervention rapide) et les organes parajudiciaires (maisons de justice) qui assurent l’accompagnement et le contrôle des éventuelles conditions en matière d’assistance liées à la surveillance électronique. Dans ce cadre, il convient aussi de définir de manière détaillée quelles infractions sont communiquées à quels organes et à quel moment. Même si d’aucuns considèrent que toute infraction doit être de toute manière communiquée (immédiatement) au commanditaire judiciaire et/ou au parquet, il nous semble néanmoins opportun de prévoir une certaine structure hiérarchique, avec des canevas de réaction variables en fonction de la gravité de l’infraction495 . Alors que la manipulation ou la dégradation des appareils de surveillance électronique peut nécessiter une intervention (policière) rapide et immédiate, dans d’autres cas (par exemple, pour les infractions mineures à l’horaire), une intervention de l’assistant de justice pourrait suffire dans un premier temps, afin de vérifier les raisons de l’infraction et de faire rapport périodiquement au commanditaire sur le déroulement de la mesure. 492

Voir à ce propos: Chapitre 2, Section I, par. 2.2.4 et 3.2.5. Voir Chapitre 1, Section III. 494 Voir par exemple: Chapitre 2, Section I, par. 2.2.6. 495 Voir par exemple aussi à ce propos la situation aux Pays-Bas: Chapitre 1, Section I, par. 4. 493

287

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

La question du rôle et du degré d’implication de divers organes se pose également en ce qui concerne la préparation de la mesure de surveillance électronique. Étant donné que la rapidité avec laquelle le magistrat est informé en vue de la décision qu’il doit rendre semble cruciale dans cette phase de la procédure (afin de pouvoir produire certains effets), il ne faudrait pas consacrer trop de temps à une éventuelle enquête sociale préalable496. Cette enquête devrait se limiter aux éléments les plus essentiels, par exemple la résidence assignée, la situation familiale et professionnelle et les éventuels besoins d’assistance. En Angleterre et au pays de Galles, cette fonction d’information est assurée par un bail information officer, qui assiste le magistrat dans le cadre d’une première analyse du dossier en termes d’applicabilité de la SE. Les informations nécessaires concernant le contexte du dossier pourraient aussi être fournies par d’autres organes, comme le service de police verbalisant (par le biais ou non d’une liste standardisée de points) ou le conseil du prévenu. Alors que dans l’application actuelle de la surveillance électronique dans le cadre de l’exécution des peines, les possibilités matérielles et techniques de la résidence (question de l’adéquation de la résidence à assigner) sont également examinées préalablement à la mise sous surveillance, la pratique montre que ce n’est pas toujours le cas à l’étranger et que la surveillance électronique est accordée sans contrôle préalable de la résidence. On se fie donc aux informations fournies à ce propos par le prévenu luimême (cf. Angleterre et pays de Galles) 497 . Si la résidence indiquée est jugée inappropriée ultérieurement, le prévenu peut toujours être mis en détention. Dans le prolongement, se pose aussi la question de savoir si, une fois que la surveillance électronique a été accordée, cette mesure doit être exécutée immédiatement. Autrement dit, le bracelet doit-il être mis presque immédiatement après la décision d’accorder la surveillance électronique ou est-il acceptable que le prévenu soit mis en liberté et que la mise sous surveillance effective ait lieu ‘dans les plus brefs délais’ ? La réponse à cette question dépend de la mesure dans laquelle on accepte de prendre un certain risque. S’il est difficilement acceptable, eu égard par exemple au risque de fuite, de laisser le prévenu en liberté sans surveillance pendant plusieurs jours, une autre option (alternative) pourrait être prise, en prévoyant par exemple la possibilité de définir plus précisément dans la décision judiciaire le moment où la condition à laquelle la libération et la mise sous surveillance électronique peuvent avoir lieu. Cette possibilité est déjà inscrite dans la loi relative au statut juridique externe, le tribunal de l’application des peines pouvant prescrire, lorsqu’il accorde une mesure de surveillance électronique, que cette décision est exécutoire à partir du jour où elle est passée en force de chose jugée ou à partir d’une autre date ou d’un autre moment (fixé dans le jugement)498.

496

Dans une étude antérieure, les chiffres relatifs à l’application de la surveillance électronique dans le cadre de l’exécution des peines ont montré que cette tâche d’information prenait en moyenne un peu moins d’un mois (délai entre la demande et la réception de l’enquête). Voir à ce propos: E. Maes, F. Goossens, R. Bas, “Elektronisch toezicht: enkele cijfergegevens over de actuele Belgische praktijk, mede in het licht van zijn eventuele invoering als autonome straf”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2006, n° 110 (avril-mai-juin), 7. 497 Voir Chapitre 1, Section III, schéma 1.1. 498 Voir article 60 de la loi relative au statut juridique externe: « Le jugement d’octroi d’une modalité d’exécution de la peine visée au Titre V est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose

288

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

Cette loi relative au statut juridique externe et les réglementations supplémentaires basées sur celle-ci pourraient aussi constituer une source d’inspiration pour une série d’autres dispositions à prendre, si la surveillance électronique devait être instaurée comme alternative à la détention préventive, par exemple en ce qui concerne la fixation de l’horaire que le prévenu devra respecter (ce sera principalement le cas pour l’application du modèle de SE ‘traditionnel’). Dans ce domaine, la loi relative au statut juridique externe prévoit que le tribunal de l’application des peines détermine uniquement le ‘programme du contenu concret’ de la surveillance électronique 499 . La fixation de l’horaire concret est assurée par l’assistant de justice, une fois que la surveillance électronique a été accordée et que cette décision a été exécutée. Le projet de loi pénitentiaire français – relatif à l’assignation à résidence dans le cadre de l’information en matière pénale – prévoit encore une autre règle, en disposant que c’est le directeur de la prison qui fixe l’horaire. Enfin, en ce qui concerne la condition de consentement, on peut considérer, par analogie avec la réglementation concernant la liberté sous conditions (et, naturellement, la détention préventive proprement dite), que l’application de la surveillance électronique ne nécessite pas un accord formel préalable du prévenu concerné500, même si pour le succès de cette mesure, il est opportun de tenir compte de l’opinion du prévenu sur la question. Il n’a en effet guère de sens d’imposer une mesure à laquelle le prévenu n’adhère pas. La question de savoir si l’application de la surveillance électronique nécessite aussi l’accord des cohabitants majeurs n’est pas aisée. Si cet accord est actuellement demandé lorsqu’une surveillance électronique est envisagée au niveau de l’exécution de la peine, les avis des acteurs interrogés divergent cependant lorsqu’on leur demande si cette règle devrait être reprise en cas d’instauration de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive. Comme argument contre, d’aucuns font valoir que les cohabitants n’ont pas davantage leur mot à dire (ou, mieux encore, ne disposent pas d’un ‘droit de veto’) au niveau de la décision judiciaire concernant d’autres mesures (détention préventive, liberté sous conditions) et qu’il est difficile d’imaginer sur quelle base les cohabitants pourraient interdire le retour du suspect à son propre domicile. Il nous semble opportun que ce soit le juge lui-même qui, compte tenu de toutes les circonstances du dossier, détermine dans quelle mesure il y a lieu d’être à l’écoute des jugée et au plus tôt à partir du moment où le condamné satisfait aux conditions de temps prévues [par la présente loi]. Toutefois, le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire. » 499 Voir article 42 de la loi relative au statut juridique externe: « Le juge [tribunal] de l’application des peines détermine dans le jugement d’octroi d’une détention limitée ou d’une surveillance électronique le programme du contenu concret de celle-ci. L’assistant de justice ou, le cas échéant, le Centre national de surveillance électronique se charge de donner un contenu concret à la modalité d’exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi. » Voir plus concrètement à ce propos l’arrêté royal du 29 janvier 2007 déterminant le contenu concret du programme de détention limitée et de surveillance électronique (M.B., 1er février 2007) et l’arrêté royal du 16 juillet modifiant l’arrêté royal du 29 janvier 2007 déterminant le contenu concret du programme de détention limitée et de surveillance électronique (M.B., 5 septembre 2008). 500 Une telle condition de consentement est en revanche prévue dans le projet de loi pénitentiaire français.

289

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

aspirations des cohabitants concernés. En d’autres termes, le consentement des cohabitants ne peut pas être déterminant dans la décision relative à la surveillance électronique, même s’il est opportun de prendre connaissance du point de vue des personnes concernant un éventuel placement du prévenu sous surveillance électronique et, le cas échéant, d’en tenir compte. A fortiori, dans un système où la liberté de mouvement du prévenu serait fortement limitée (cf. le modèle ‘assignation à résidence’), l’application de la surveillance électronique pourrait générer d’importantes tensions au sein du ménage et peser lourdement sur la vie familiale et sociale de ses membres501.

* * *

En nous référant aux objectifs – formulés au début de ce texte – qui peuvent être associés à la surveillance électronique et compte tenu des résultats de notre étude, nous pouvons dire que la décision éventuelle d’instaurer la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive doit être définie comme: une mesure politique requérant un effort budgétaire supplémentaire (et sans doute important), qui aura vraisemblablement un impact assez modeste – et certainement pas substantiel – sur la taille de la population de prévenus dans nos prisons et qui pose en outre toute une série de problèmes d’ordre juridique, pratique et organisationnel. Les questions les plus pertinentes qui peuvent être posées concernant les aspects juridiques et techniques, d’une part, et pratiques et organisationnels, d’autre part, liés à l’instauration de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive ont déjà été examinées ci-avant et quelques ébauches de solution ont également déjà été formulées. Certains autres aspects doivent également retenir notre attention, comme la nécessité d’offrir un soutien et un accompagnement à la personne mise sous surveillance en vue du respect des conditions posées502, le statut de sécurité sociale de la personne mise sous surveillance (revenu d’intégration, allocations de chômage, etc.),

501

Dans l’exposé des motifs de la proposition de loi néerlandaise instaurant la détention à domicile en tant que peine principale, telle qu’elle a été élaborée par le ministre néerlandais de la Justice, Ernst Hirsch Ballin, il est indiqué que les cohabitants (majeurs) doivent marquer leur consentement parce que “de verplichte aanwezigheid thuis van de verdachte (...) immers tot de nodige spanningen (kan) leiden.” (Memorie van Toelichting, p. 3) Cette détention à domicile, qui doit être contrôlée au moyen d’instruments électroniques, est cependant conçue de manière très stricte et est définie comme “(...) de verplichting van de veroordeelde om een in het vonnis aangegeven plaats gedurende een in het vonnis vastgesteld aantal dagen niet te verlaten, waarbij de aanwezigheid van de veroordeelde op die plaats gecontroleerd wordt door middel van elektronisch toezicht.” Dans le cadre de ce système, le condamné dispose de maximum deux heures libres (“vrije uren”) par jour et est privé de participation à des activités favorisant la réintégration [Voorstel van wet 4 mei 2007 – Wijziging van het wetboek van strafrecht en enige andere wetten in verband met de invoering van de hoofdstraf van thuisdetentie, www.justitie.nl (mot-clé ‘thuisdetentie’)]. 502 Dans son avis sur la proposition de loi néerlandaise instaurant la ‘détention à domicile’, le Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming a sévèrement critiqué l’absence d’activités axées sur la réintégration (formation, travail, etc.) dans ce cadre et a renvoyé à cet égard au modèle belge. (Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Thuisdetentie, Advies d.d. 6 juli 2007, p. 12; www.rsj.nl, motclé ‘thuisdetentie’).

290

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

l’enregistrement de l’application de la surveillance électronique dans le dossier de détention503, etc. En ce qui concerne la question délicate de savoir si la surveillance électronique peut contribuer à désengorger nos prisons (en termes de diminution de la population carcérale), on observe indéniablement une certaine réceptivité à l’égard de l’application de cette mesure chez les magistrats qui devront prendre des décisions en la matière. Cela ne répond pas pour autant à la question de savoir si l’instauration de la surveillance électronique se traduira aussi effectivement par une diminution (sensible) de la population carcérale. Il est plus difficile qu’on ne pourrait le croire à première vue de répondre à cette question, car il subsiste une série de facteurs incertains. Bien que le potentiel d’application de la surveillance électronique dans le cadre de la détention préventive se situe, selon les cas, entre 15 (en prenant en considération tous les dossiers) et 25% (en ne prenant en considération que les dossiers des juges d’instruction), ces chiffres appellent néanmoins quelques remarques. En effet, ces pourcentages ne signifient nullement que la population carcérale pourra être réduite dans les mêmes proportions. Pour commencer, un potentiel d’application de 25% semble une estimation un peu optimiste, étant donné la manière conditionnelle dont la surveillance électronique est parfois envisagée par les magistrats504 et le fait que les juges d’instruction, notamment, pourraient se laisser guider dans leur réflexion par la possibilité, à plus long terme, d’une mise en liberté sous conditions (associée à la surveillance électronique). À cela s’ajoute d’ailleurs aussi le fait que le nombre de personnes mises sous surveillance électronique n’est pas le seul facteur déterminant pour réduire la taille de la population carcérale. La durée de détention pouvant être économisée moyennant l’application de la surveillance électronique en est un autre. Si l’on veut que la surveillance électronique ait un impact sur la population carcérale, il faut aussi que la période sous surveillance électronique soit déduite de la peine privative de liberté finalement prononcée. De cette manière, il serait alors possible de réaliser un gain ‘net’. Il faut par ailleurs aussi se rendre compte que la surveillance électronique sera aussi appliquée – à moins que l’on parvienne à trouver une ‘solution’ satisfaisante à ce problème – à l’égard de personnes qui bénéficient actuellement du régime de la liberté ou de la libération sous conditions. Étant donné que grâce au contrôle ‘amélioré’, mais aussi du fait de la nature (l’impact) de la mesure proprement dite, les infractions pourront être plus aisément détectées (ce qui ‘favorisera’ les échecs), il n’est pas à exclure que l’on puisse être confronté à un effet contraire, à savoir plus de révocations, avec comme conséquence possible un enfermement de (plus) longue durée et, en fin de compte, un effet d’accroissement de la population carcérale.505 503

En Belgique, dans le cadre de l’application de la surveillance électronique au niveau de l’exécution des peines, les condamnés qui sont placés sous surveillance électronique sont inscrits dans le système d’enregistrement (relatif à la gestion de la détention). Voir par exemple aussi en France: Chapitre 1, Section II, par. 2.6. 504 Par exemple, applicable uniquement si une série de conditions supplémentaires sont réunies, en ce qui concerne les possibilités d’accueil (cf. placement dans des centres d’asile de prévenus sans droit de séjour) ou en fonction de la disponibilité du modèle de surveillance électronique envisagé (par exemple, uniquement via contrôle par GPS). 505 Les expériences à l’étranger, par exemple aux Pays-Bas et en Angleterre et au pays de Galles, montrent que l’instauration de la surveillance électronique (dans le cadre de la détention préventive) n’entraîne pas une diminution (substantielle) de la population carcérale, même s’il y a lieu de préciser que sans

291

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

Il semble que les magistrats considèrent surtout la surveillance électronique comme une mesure permettant de conférer un caractère ‘plus crédible’ et plus ‘efficacement contrôlable’ à la libération sous conditions, mais on est en droit de se demander quelles pourraient être les effets si la surveillance électronique ne répondait pas aux attentes. La surveillance électronique peut-elle être véritablement utilisée pour prévenir le risque de collusion ou de détournement de preuves? La récidive peut-elle être évitée, si la résidence assignée n’empêche pas de commettre de nouveaux faits punissables ou si la vitesse de réaction et la possibilité d’intervention en cas de détection d’infractions s’avèrent insuffisantes? Et le risque de fuite peut-il être évité si l’on ne peut exclure que les appareils de contrôle puissent être endommagés, éliminés, etc.? En fin de compte, se pose dès lors la question de savoir quelle plus-value la surveillance électronique peut encore offrir par rapport à la forme classique et traditionnelle de liberté (ou de libération) sous conditions. En soi, la surveillance électronique est une mesure sans objet et doit dès lors être considérée purement comme un outil technique permettant de contrôler certaines conditions (dispositions injonctives et d’interdiction). Même si l’instauration de la surveillance électronique aura (ou pourra avoir) selon toute vraisemblance une certaine incidence sur la population de prévenus dans nos prisons, son impact réel ne peut certainement pas, selon nous, être surestimé et il faut dès lors se garder de présenter cette mesure comme une ‘solution miracle’ au problème de la surpopulation. Le fait de savoir si l’instauration de la surveillance électronique permettra aussi de réaliser une économie est encore une tout autre question. Bien que la surveillance électronique s’avère effectivement être en soi moins coûteuse qu’un séjour en prison506, il nous semble cependant que l’instauration de la surveillance électronique dans la phase de l’information en matière pénale nécessitera un important investissement financier supplémentaire. Premièrement, une diminution potentielle de la population carcérale n’entraîne qu’une économie budgétaire minimale (par exemple, en matière d’approvisionnement en nourriture, de mise à disposition de vêtements, de rémunération du travail pénitentiaire). Par ailleurs, une série de coûts fixes seront maintenus si l’on n’est pas en mesure de procéder à une ‘dépopulation’ substantielle (cf. coût de l’infrastructure et du personnel). Certaines formules de surveillance électronique (par exemple, par GPS avec real time tracking) sont en outre extrêmement coûteuses. Une économie substantielle ne pourra être réalisée qu’en cas de diminution considérable de la population de détenus, qui permettrait également de désaffecter une ou plusieurs prisons. Du fait de la spécificité de la détention préventive, la réduction de la population carcérale susceptible d’être obtenue ne sera pas tangible au niveau d’un seul établissement, mais sera nécessairement étalée sur toutes les maisons d’arrêt, réparties sur tout le territoire (c.à-d. une diminution de quelques unités dans chacun de ces établissements).

surveillance électronique, cette population serait probablement encore (beaucoup) plus élevée. Voir Chapitre 1, Section I, par. 1 (Pays-Bas) et Chapitre 1, Section III, par. 5 (Angleterre et pays de Galles). 506 Selon une réponse – pas encore publiée – à une question parlementaire de Mme Carina Van Cauter du 26 janvier 2009 (Q. parl., Chambre, 2008-2009, n° 396, QRVA n° 51 – 2 mars 2009, p. 123) le coût journalier moyen d’un détenu est estimé à € 110, contre un coût de € 38,65 pour un condamné placé sous surveillance électronique.

292

CONCLUSIONS GÉNÉRALES

Cela ne signifie pas qu’il faut abandonner d’avance l’idée d’instaurer la surveillance électronique comme alternative à la détention préventive, mais il convient néanmoins de tempérer quelque peu les ambitions en termes d’endiguement de la population carcérale et de réduction de la charge budgétaire. Il s’indique d’envisager plutôt la surveillance électronique comme une initiative potentiellement valable du point de vue humain, des droits de l’homme et de l’éthique, dans le sens d’une limitation des effets préjudiciables de la détention et d’un meilleur respect du principe juridique de la présomption d’innocence. Si la surveillance électronique en tant qu’alternative à la détention préventive devait être instaurée, on pourrait songer dans un premier temps à introduire la mesure, avant de la généraliser à l’ensemble du territoire, dans le cadre d’un projet pilote (une expérience) dans un nombre limité d’arrondissements judiciaires, comme il est d’ailleurs aussi d’usage à l’étranger. Dans ce contexte, il serait possible de définir un schéma d’organisation adéquat, au sein duquel le rôle et les compétences des divers acteurs et la structure hiérarchique et les lignes de communication entre ceux-ci pourraient être fixés de manière détaillée, et de vérifier en pratique l’efficacité et l’efficience du modèle élaboré.

293

Bibliografie – Bibliographie

Literatuur Activiteitenverslag Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen 2007; en, Activiteitenverslag 2008. Airs, J., Elliott, R., Conrad, E., Electronically monitored curfew as a condition of bail - report of the pilot, Home Office, 2000 Ausma, W.J., Syrier, A.W., Strafprocesrecht, Dordrecht, Kluwer, 2008. Barry, M., Malloch, M., Moodie, K., Nellis, M., Knapp, M., Romeo, R., Dhanasiri, S., An evaluation of the use of electronic monitoring as a condition of bail in Scotland, Scottish Executive Social Research, 2007. Beyens, K., Snacken, S., Eliaerts, C., Barstende muren. Overbevolkte gevangenissen: omvang, oorzaken en mogelijke oplossingen, Antwerpen, Kluwer, 1993. Beyens, K., Tubex, H., “Gedetineerden geteld”, in Strafrechtelijk beleid in beweging, S. Snacken (ed.), Brussel, VUBPress, 2002, 139-177. Beyens, K., Bas, R., Kaminski, D., “Elektronisch toezicht in België, Een schijnbaar penitentiair ontstoppingsmiddel”, Panopticon, 2007, nr. 3, 21-40. Cardet, C., “La mise en oeuvre du placement sous surveillance électronique,” Recueil Dalloz, 2003, II, 1782-1877. Daeninck, P., “De voorlopige hechtenis, een (te lang) voorspel op de gevangenisstraf?”, Limburgs Rechtsleven, 2006, 29-48. Daeninck, P., Deltenre, S., Jonckheere, A., Maes, E., Vanneste, C. (promotor), Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005. Dallaire, J.-Cl., Lalande, P., Surveillance électronique: solution ou panacée, Rapport de la direction générale des Services correctionnels, Ministère de la Sécurité publique, Québec, 2000. De Decker, S., “Elektronisch toezicht: woelig verleden, wollige toekomst?”, in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing?, Daems, T., De Decker, S., Robert, L., Verbruggen, F. (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 182. de Jongste, W.M., “Het Nederlandse strafrechtssysteem”, in Criminaliteit en rechtshandhaving 2007, Ontwikkelingen en samenhangen, A.Th.J. Eggen, S.A. Kalidien (ed.), Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, CBS, WOCD, 2008, 19-60. De Wilde, L., “Alternatieve voorlopige hechtenis”, Panopticon, 1982, 156-158. Delarue, J.M., Rapport fait au nom de la Commission de suivi de la détention provisoire, 2007.

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE Delgrande, N., Aebi, M., “Le statistiche sui detenuti stranieri in Europa (1989-2006)”, in Razzismo democratico. La persecuzione degli stranieri in Europa, S. Palidda, Milano, Agenzia X, 2009, 21-34. Deltenre, S., Maes, E., “Overbevolkte gevangenissen op de beklaagdenbank. Kan een begrenzing van de duur van de voorlopige hechtenis effectief bijdragen tot een ‘ontvolking’ van onze gevangenissen?”, Winket, Tijdschrift van de Federatie van Vlaamse Gevangenisdirecteurs, 2002, 7, nr. 1, 6-31. Deltenre, S. Maes, E., “Pre-trial Detention and the Overcrowding of Prisons in Belgium. Results from a Simulation Study into the Possible Effects of Limiting the Length of Pre-trial Detention”, European Journal of Crime, Criminal Law and Criminal Justice, 2004, 12, nr. 4, 348-370. Deltenre, S. Maes, E., “Chronique de criminologie. Simulation de l’impact de quelques changements législatifs en matière de détention avant jugement”, Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 2004, 84, nr. 1, 83-117. Devresse, M.-S., Innovation pénale et surveillance électronique, quelques réflexions sur une base empirique, Séminaire innovation pénale, 2007, à consulter sur : http://champpenal.revues.org/1641 Devresse, M.-S., Luypaert, H., Kaminski, D., Beyens, K., Onderzoek betreffende de evaluatie van de reglementering, van de besluitvorming en van het verloop van elektronisch toezicht, Brussel, UCL-VUB-FOD Justitie, 2006. Devresse, M.-S., “Responsabilité du condamné et contrôle situationnel: l’exemple de la surveillance électronique”, in Actes du colloque ‘Le pénal aujourd’hui’, Centre International de Criminologie Comparée, Montréal, 5-6-7 décembre 2007, 130-146. Dodgson, K., Goodwin, P., Howard, P., Llewellyn-Thomas, S., Mortimer, E., Russell, N., Weiner, M., Electronic monitoring of released prisoners: an evaluation of the home detention curfew scheme, Home Office, 2001; http://www.homeoffice.gov.uk/rds/pdfs/hors222.pdf. Elliott, R., Airs, J., New measures for fine defaulters, persistent petty offenders and others: the report of the Crime (Sentences) Act 1997 pilots, Home Office occasional paper, 2000; http://www.homeoffice.gov.uk/rds/pdfs/occ-fine.pdf. ElmoTech/Comunidad de Madrid, Evaluation of electronic monitoring and dissuasion of domestic violence in Spain, 21p. Erftemeijer, L., Het projectplan Elektronisch Huisarrest, Bijlage 3 ‘Projectplan experiment elektronisch huisarrest minderjarigen in het arrondissement Rotterdam’, Adviesbureau Van Montfoort, 1999. Fieuws, E., “Hoe punitief zijn de Belgische justitiehuizen? Reflecties en duiding vanuit het justitiehuis Mechelen, in Hoe punitief is België?, Aertsen, I., Beyens, K., Daems, T., Maes, E. (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 177-189 (te verschijnen). FOD Justitie, Justitie in cijfers 2008. Froment, J.-Ch, “Le développement du placement électronique en France: mobilisation du politique et neutralisation idéologique”, in Justice et technologies, surveillance électronique en Europe, Froment, J.-Ch., Kaluszynski, M. (dir.), Presses Universitaires de Grenoble, 2006. Goossens, F., Maes, E., Deltenre, S., Vanneste, C. (promotor), Onderzoek met betrekking tot het invoeren van het elektronisch toezicht als autonome straf (onderzoeksrapport, nr. 14), Brussel, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 2005.

296

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE Hassett, P., The Use of Electronic Monitoring for Pretrial Release, 2005, paper gepresenteerd op de 5e BILETA Conference; http://www.bileta.ac.uk/Document%20Library/1/The%20Use%20of%20Electronic%20Monit oring%20for%20Pretrial%20Release.pdf. Kaluszinski, M., Froment, J.-C. (dir.), Sécurité et nouvelles technologies. Évaluation comparée dans cinq pays européens (Belgique, Espagne, France, Grande-Bretagne, Suisse) des processus de recours au placement sous surveillance électronique, rapport final, Grenoble, 2003. Kaminski, D., “L’assignation à domicile sous surveillance électronique: de deux expériences, l’autre”, Revue de droit pénal et de criminologie, 1999, 626-658. Kaminski, D., Lalande, P., Dallaire, J.-C. “Actualité de la surveillance électronique des condamnés au Québec et en Belgique”, Revue de droit pénal et de criminologie, 2001, 560574. Landreville, P., “La surveillance électronique des délinquants: un marché en expansion”, Déviance et société, 1999, n° 1, 105-121. Lauwaert, K., “De vrijheid of invrijheidstelling onder voorwaarden”, in Meyvis, W., Martin, D. (coörd.), Alternatieve straffen en maatregelen. Penologisch vademecum. Volume I, Heule, Uitgeverij UGA, 1997, 59-78. Levy, R., Tournier, P.V., Pitoun, A., Kensey, A., « Le placement sous surveillance électronique : bilan de la phase d’expérimentation », Questions pénales, XVI.3, CESDIP, Paris, 2003, 1-5. Levy, R. Pitoun, A., “L’expérimentation du placement sous surveillance électronique en France et ses enseignements”, Déviance et société, 2004, n° 4, 411-437. Lyon, D., The electronic eye. The Rise of Surveillance Society, Cambridge, Polity Press, 1994. Lyon, D., Surveillance as Social Sorting, New York, Routledge, 2003. Maes, E., Goossens, F., Bas, R., “Elektronisch toezicht: enkele cijfergegevens over de actuele Belgische praktijk, mede in het licht van zijn eventuele invoering als autonome straf”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2006, nr. 110, 4-14. Maes, E., Van gevangenisstraf naar vrijheidsstraf. 200 jaar Belgisch gevangeniswezen, Apeldoorn/Antwerpen, Maklu, 2009. Maes, E., “Lessen uit de justitiële statistieken”, in Hoe punitief is België?, Aertsen, I., Beyens, K., Daems, T., Maes, E. (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 43-83 (te verschijnen). Mampaey, L., Renaud, J.-P., Prison technologies (An appraisal of technologies of political control), European Parliament, 2000. Miedema, M., Post, B., Evaluatie pilot elektronische volgsystemen, Nijmegen, ITS, 2006. Nellis, M., “The electronic monitoring of offenders in England and Wales”, The British journal of criminology, 1991, 31, nr. 2, 165-185. Nellis, M., “Community penalties in historical perspective”, in Community penalties. Change and challenges, Bottoms, A., Gelsthorpe, L., Rex R. (ed.), Uffculme, Willan Publishing, 2004, 1640. Nellis, M., “Out of this world: The advent of the satellite tracking of offenders in England and Wales”, The Howard journal of criminal justice, 2005, 44, nr. 2, 125-150. Nellis, M., “The Limitations of electronic monitoring,” Prison Service Journal, 2006, 164, 3-12. Nijboer, J.A., Elzinga, H.K., van der Flier, C.A., Keekstra, L., Elektronisch Toezicht met GPS: Mogelijkheden en onmogelijkheden van GPS volgsystemen bij toezicht op reclasseringscliënten, Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vakgroep Strafrecht en Criminologie, december 2005.

297

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE Paterson, C., “Street-level surveillance: Human agency and the electronic monitoring of offenders” Surveillance & Society, 2007, nr. 4, 314-328. Post, B., Tielemans, L., Woldringh,C., Geboeid door de enkelband, Evaluatie pilot elektronische detentie, Nijmegen, WODC/ITS Nijmegen, 2005. Robert, L., Stassart, E., “Onder elektronisch toezicht gestelden aan het woord. Krachtlijnen uit het eerste Belgische onderzoek”, in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing? Onderzoek en beleid 1998-2008 (reeks Samenleving, Criminaliteit & Strafrechtspleging, nr. 33), Daems, T., De Decker, S., Robert, L., Verbruggen, F. (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 9-33. Sabbe, J., “De (bescheiden) invloed van het vervolgings- en strafbeleid van het OM op de punitiviteit”, in Hoe punitief is België?, Aertsen, I., Beyens, K., Daems, T., Maes, E. (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, 151-158 (te verschijnen). Shute, S., Satellite Tracking of Offenders: A Study of The Pilots in England and Wales, Ministry of Justice, 2007. Snacken, S., Raes, A., De Buck, K., D’Haenens, K., Verhaeghe, P., Onderzoek naar de toepassing van de voorlopige hechtenis en de vrijheid onder voorwaarden, Brussel, Vrije Universiteit Brussel/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, 1997. Snacken, S., Beyens, K., “Alternatieven voor de vrijheidsberoving: hoop voor de toekomst?”, in Strafrechtelijk beleid in beweging, Snacken, S. (ed.), Brussel, VUBPress, 2002, 271-316. Spaans, E.C., Verwers, C., Elektronisch Toezicht. Uitkomsten van het experiment: Samenvatting en Discussie, WODC, 1997. Terlouw, G.J., Kamphorst, P.A., Van vast naar mobiel. Een evaluatie van het experiment met elektronisch huisarrest voor minderjarigen als modaliteit voor de voorlopige hechtenis, Den Haag, WODC, 2002 (Reeks Onderzoek en Beleid nr. 195). Thys, K., “The End op Violence. Enkele bedenkingen bij het elektronisch toezicht in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis”, Orde van de dag, afl. 10 (juni 2000), 61-67. Tubex, H., Strypstein, J., “Grasduinen in penitentiaire bronnen en statistieken”, in Zwart op wit? Duiding van cijfers over onveiligheid en strafrechtsbedeling in België, Devroe, E., Beyens, K., Enhus, E. (ed.), Brussel, VUBPress, 2006, 321-357. Van Cauwenberghe, K., “Wat is een geloofwaardige strafuitvoering ?”, Fatik, Tijdschrift voor strafbeleid en gevangeniswezen, 2008, nr. 118, 24-27. Van den Wijngaert, C., m.m.v. Vandromme, S., De Smet, B., Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen (7de herziene uitgave), Antwerpen, Maklu, 2009. van Kalmthout, A.M. , Knapen, M.M., Morgenstern, C. (ed.), Pre-trial detention in the European Union, An analysis of minimum standards in pre-trial detention and the grounds for regular review in the member states of the EU, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2009. Verbeke, N. (namens het Antwerps Advokatenkollektief), “Reaktie van Antwerps Advokatenkollektief op het alternatief voor voorlopige hechtenis van advokaat-generaal L. De Wilde”, Panopticon, 1982, 469-473. Vermeulen, G., van Puyenbroeck, L., “Mensenrechtenhof schudt strafrechtlandschap dooreen”, De Juristenkrant, nr. 180, 2008. Verstraeten, R., Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 1994. Wood, D.M. (ed.), A report on the surveillance society, Surveillance Studies Network, 2006.

298

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE

Wetteksten, beleidsdocumenten, etc. België Masterplan 2008-2012 voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden’, goedgekeurd door de Belgische regering op 18 april 2008. Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, B.S., 17 februari 1994. Wet 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, B.S., 14 augustus 1990. Wet 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, B.S., 31 juli 2002. Basiswet 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, B.S., 1 februari 2005. Wet 31 mei 2005 tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkzame voorlopige hechtenis, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van sommige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, B.S., 16 juni 2005. Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, B.S., 15 juni 2006. KB 16 juli 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot bepaling van de concrete invulling van het programma van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht, B.S., 5 september 2008. MO 24 november 1997 – Elektronisch toezicht MO 27 maart 1998 – Elektronisch toezicht MO 27 november 1998 – Elektronisch toezicht MO 13 oktober 2000 Regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering MO 12 april 2001 Regelgeving inzake elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering MO 19 april 2001 MO 10 juli 2006 Elektronisch toezicht als modaliteit van strafuitvoering MO 21 december 2006 Het plaatsen onder elektronisch toezicht van veroordeelden die zich op 6 maanden van het einde van de hoofdgevangenisstraf bevinden MO nr. 1803 25 juli 2008 - Reglementering elektronisch toezicht als strafuitvoeringsmodaliteit MO nr. 1771 17 januari 2005 - Voorlopige invrijheidstelling MO nr. 1790 1er janvier 2007 relative aux personnes sous surveillance électronique sans moyens d’existence Doc. Parl., Sén., sess. extr. 1988, n° 421-1 Doc. Parl., Sén., 1989-1990, nr. 658/2 (Rapport Arts). Parl. St., Kamer, 2000-2001, 1076/001 - Verslag namens de commissie voor de Justitie uitgebracht door de heren Vincent Decroly en Tony Van Parys. Parl. St., Kamer, 2004-2005, 51-1317/005 - Verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer Alain Courtois. Parl. St., Kamer, B.Z. 2007, 50-0040/001, Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis voor wat betreft het elektronisch toezicht. Parl. St., Kamer, 2008-2009, nr. 52 1529/016– Algemene beleidsnota van de minister van Justitie. Parl. St., Senaat, 2007-2008, 4-613/1 - Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990, betreffende de voorlopige hechtenis met het oog op de invoering van het elektronisch toezicht. 299

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE Doc. Parl., Ch., 2007-2008, n° 52-0649/001 Parl. Vr., Kamer, 2008-2009 (vraag van mevr. Sabien Lahaye-Battheu), 1 oktober 2009, Commissie voor de Justitie, CRIV 52 COM 647; http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/52/ic647.pdf

Nederland Ministerie van Justitie, Inspectie voor de Sanctietoepassing, Thema-onderzoek uitvoering elektronische detentie, 2007; http://www.inspectiesanctietoepassing.nl/images/7404_ISt_ED%20%28repro%20versie%29_t cm56-82742.pdf Kamerstukken II, 1972/73, 9994, 10. Wetboek Strafvordering, te raadplegen op: http://www.st-ab.nl/wetten/0475_Wetboek_van_Strafvordering_Sv.htm. Penitentiaire Beginselenwet, te raadplegen op: http://www.st-ab.nl/wetten/0230_Penitentiaire_beginselenwet_Pbw.htm. Aanwijzing Elektronisch Toezicht, Staatscourant 29 december 2005, 253, te raadplegen op: http://www.rechtennieuws.nl/files/stcrt2005-252.pdf

Frankrijk Discours de Rachida Dati, Garde des Sceaux, ministre de la Justice, lors de l’examen du projet de loi pénitentiaire au Sénat, 3 mars 2009 ; http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10093&ssrubrique=11374&article=172 81. Discours de Michèle Alliot-Marie, ministre d’Etat, garde des sceaux, ministre de la justice et des libertés, Audition sur le projet de loi pénitentiaire, Assemblée Nationale, 8 septembre 2009: http://www.presse.justice.gouv.fr/index.php?rubrique=10093&ssrubrique=11374&article=177 17. Commission d’évaluation de la détention préventive, rapport 2007. Loi (pénitentiaire) n° 2009-1436 du 24 novembre 2009, Journal Officiel, 25 novembre 2009. Décret Conseil d’État du 17 mars 2004. Ordonnance n° 45-174 du 2 février 1945 relative à l’enfance délinquante. Compte rendu intégral des débats de la Commission mixte paritaire du 13 octobre 2009: http://www.senat.fr/seances/s200910/s20091013/s20091013006.html#section565.

Engeland & Wales House of Commons Hansard, Daily Hansard - Written Answers 17 Dec 2007: Column 1108W— continued, Prisoner Release: Electronic Tagging, te raadplegen op: http://www.parliament.the-stationeryoffice.com/pa/cm200708/cmhansrd/cm071217/text/71217w0041.htm. National Audit Office, Supporting innovation: Managing risk in government departments, 2000, http://www.nao.org.uk/publications/9900/managing_risk_in_gov_depts.aspx?.

300

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE National Audit Office, The electronic monitoring of adult offenders, 2006, http://www.nao.org.uk/publications/0506/the_electronic_monitoring_of_a.aspx?. Bail Act 1976 (c.63), te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/RevisedStatutes/Acts/ukpga/1976/cukpga_19760063_en_1#pb1-l1g1. Police and Criminal Evidence Act 1984 (PACE), s. 30(1), S. 34-36, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1984/pdf/ukpga_19840060_en.pdf. Crime (Sentences) Act te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/Acts/acts1997/ukpga_19970043_en_1 Crime and Disorder Act 1998 te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts1998/ukpga_19980037_en_1 The Community Order (Electronic Monitoring of Requirements) (Responsible Officer) (Amendment) 2001, te raadplegen op: http://www.england-legislation.hmso.gov.uk/si/si2001/20012233.htm. Criminal Justice Act 2003, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/acts/acts2003/ukpga_20030044_en_1 The Criminal Procedure (Amendment) Rules 2009, te raadplegen op: http://www.opsi.gov.uk/si/si2009/uksi_20092087_en_1. Probation Circular 19/2005, te raadplegen op: http://www.probation2000.com/pit/circulars/PC19%202005.pdf. Home Office Circular 25/2006, Electronic monitoring on bail for adults – procedures, te raadplegen op: http://www.homeoffice.gov.uk/about-us/publications/home-office-circulars/circulars2006/025-2006/. Circular 2008/05 (Criminal Justice and Immigration Act 2008), te raadplegen op: http://www.justice.gov.uk/publications/docs/circular-criminal-justice-031108.pdf

Hongarije http://bunmegelozes.easyhosting.hu/en/doc/home_arrest_Hungarian_slide_for_Bucharest_present ation.ppt.

Portugal Instituto de Reinserção Social. Obtigação de permanência na habitação com Vigilância electrónica, alternativa à prisão preventiva. Acedido em: 7, Outubro, 2009 em: http://www.mj.gov.pt/sections/justica-e-tribunais/justica-criminal/vigilanciaelectronica/downloadFile/attachedFile_f0/ve_kit.pdf?nocache=1185986851.13 http://www.ristretti.it/commenti/2008/settembre/pdf2/bracciale_europa.pdf.

Europese Unie Recommendation Rec(2006)13 of the Committee of Ministers to member states on the use of remand in custody, the conditions in which it takes place and the provision of safeguards against abuse, goedgekeurd door het Comité van Ministers op 27 september 2006.

301

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE Commissie van de Europese Gemeenschappen, Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees surveillancebevel in procedures tussen EU-lidstaten in afwachting van het proces {SEC(2006)1079}{SEC(2006)1080}, 2006, te raadplegen op: http://eurlex.europa.eu/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexplus!prod!DocNumber&lg=nl&type_doc= COMfinal&an_doc=2006&nu_doc=468. European Parliament, Report on the draft Council Framework Decision on the application, between Member States of the European Union, of the principle of mutual recognition to decisions on supervision measures as an alternative to provisional detention (17002/2008 – C6-0009/2009 – 2006/0158(CNS)).

Québec (Canada) Ministère de la Sécurité publique du Québec ; http://www.msp.gouv.qc.ca/reinsertion/reinsertion.asp?txtSection=philosophie

Krantenartikels/persberichten/websites Federale Overheidsdienst Justitie, Persbericht Minister De Clerck, Brussel, 27 mei 2009. Friesch Dagblad, Proef met stemherkenning en GPS. Reclassering draait proef in Noorden; http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artID=28699. Her Majesty’s Prison Service, Home Detention Curfew; http://www.hmprisonservice.gov.uk/adviceandsupport/beforeafterrelease/homedetentioncurfe w/. Hermans, D. ,“Elektronisch toezicht ontspoort”, De Standaard, 1 december 2008. Hogeschool Zuyd, Infonomie en Nieuwe Media, Elektronisch Toezicht: Naar een veiligere samenleving; http://infonomie.hszuyd.nl/index.jsp?id=48. Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk; Ministry of Justice, New bail accommodation and support service, 18 June 2007; http://www.justice.gov.uk/news/newsrelease180607a.htm. NOS Nieuws, Proef met GPS succesvol; http://www.nos.nl/nosjournaal/artikelen/2008/5/23/230508_gps_verdachten.html. Openbaar Ministerie Nederland, U wordt verdacht; http://www.om.nl/vast_menu_blok/contact/publieksvragen/u_wordt_verdacht/. Openbaar Ministerie Nederland, persbericht ‘Proef met elektronisch toezicht in voorarrest’, 23 maart 2005; http://www.om.nl/algemene_onderdelen/uitgebreid_zoeken/@124174/proef_met/. Reclassering Nederland: Standaardregels Elektronisch Toezicht, maart 2006, verwezen naar op Tartuffel.Infoteur, Elektronisch Toezicht.Elektronische controle/huisarrest; http://mens-en-samenleving.infonu.nl/diversen/31565-elektronisch-toezicht-elektronischecontrole-huisarrest.html. Reclassering Nederland, Factsheet Elektronische Controle met Enkelband, geraadpleegd op: http://www.reclassering.nl/documents/Factsheets/Factsheet_Enkelband_versie281008.pdf. Reclassering Nederland, Factsheet Electronische Controle met GPS, geraadpleegd op: http://reclassering.nl/documents/Factsheets/Factsheet_GPS_versie281008.pdf. 302

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE SC, “Elektronische enkelbanden niet meer in voorraad”, De Morgen, 24 november 2009. Statewatch, The worst law yet: the Nationality, Immigration and Asylum Act 2002; http://www.statewatch.org/news/2003/apr/13ukimm.htm. Spirit, Persbericht, Beleid van gevangen onder elektronisch toezicht vraagt voldoende sociale omkadering, 11 mei 2006; http://www.meerspirit.be/article.php?persberichten/2006/5/11/3. Swanson, I., “Electronic tagging for people on bail to be scrapped in December”, Evening news, 1 oktober 2007; http://findarticles.com/p/news-articles/evening-news-edinburghscotland/mi_7832/is_2007_Oct_1/electronic-tagging-bail-scrapped-december/ai_n34711294/ Tartuffel.Infoteur, Elektronisch Toezicht. Elektronische controle/huisarrest; http://mens-en-samenleving.infonu.nl/diversen/31565-elektronisch-toezicht-elektronischecontrole-huisarrest.html. Verhoest, F., “Groeiend wantrouwen tegenover elektronisch toezicht”, De Standaard, 16 mei 2008. Verhoest, F., “Alle beetjes helpen. Waarom gevangenissen in Nederland leeglopen en bij ons uitpuilen”, De Standaard, 22 april 2009. VVSG Nieuws, “OCMW’s willen vangnet voor wachtenden op elektronisch toezicht (ET)”, 16 december 2008; http://www.vvsg.be/Lists/VVSG%20Nieuws/dispform.aspx?id=97&Source=http%3A%2F%2 Fwww.vvsg.be%2Fsociaal_beleid%2FPages%2FNieuws.aspx Ysebaert, T., “Wie op enkelband wacht, kan toch leefloon krijgen”, Het Nieuwsblad, 16 december 2008; http://www.nieuwsblad.be/Article/PrintArticle.aspx?ArticleID=DMF16122008_071.

Gesprekken/presentaties/interviews Andy Homer, Serco Monitoring. Presentatie gegeven op 29 juli 2009, Serco Monitoring Norwich, Verenigd Koninkrijk. Barry Snelgrove, National Offender Management Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. Chris Marsh, Ministry of Justice. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. Jane Seddon, Her Majesty’s Prison Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. Gesprek met en presentatie door Fokko de Boer, Reclassering Noord-Nederland, Groningen 18 juni 2009. Interview JAC-consulent, JAC Leuven, 7 april 2009. Interview justitieassistent, Justitiehuis Leuven, 7 april 2009. Jane Seddon, Her Majesty’s Prison Service. Presentatie gegeven op 30 juli 2009, Ministry of Justice, Londen, Verenigd Koninkrijk. Tom Van Den Bosch, justitieassistent Justitiehuis Leuven. Presentatie in het kader van de seminariereeks ‘Lunchen met Justitie’, K.U. Leuven, 8 oktober 2009.

303

BIBLIOGRAFIE BIBLIOGRAPHIE Annemie Deckers, NCET. Presentatie in het kader van de seminariereeks ‘Lunchen met Justitie’, K.U. Leuven, 8 oktober 2009.

304

I

Liste des publications du Département de Criminologie Publicatielijst van de Hoofdafdeling Criminologie Actualisée en décembre 2009 – Geactualiseerd in december 2009

Ouvrages – Boeken MAES E., Van gevangenisstraf naar vrijheidsstraf. 200 jaar Belgisch gevangeniswezen, Antwerpen Apeldoorn, Maklu, 2009, 1.228 p. (+ bijl.: op website www.maklu.be) VANNESTE CH., GOEDSEELS E., DETRY I. (ed.), De "nieuwe" statistiek van de jeugdparketten: een belichting van de eerste analyseresultaten vanuit verschillende invalshoeken. Academia Press, 2008, 153 p. VANNESTE CH., GOEDSEELS E., DETRY I. (ed.), La statistique "nouvelle" des parquets de la jeunesse: regards croisés autour d'une première analyse. Academia Press, 2008, 151 p. MOREAU TH., RAVIER I., VAN KEIRSBILCK B. (dir.), La réforme de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse - premier bilan et perspectives d’avenir, Liège, Editions jeunesse et droit, 2008. VANFRAECHEM I., Herstelgericht groepsoverleg, Brugge, die keure, 2007, 249 p. VANNESTE CH., Les chiffres des prisons. Des logiques économiques à leur traduction pénale, L'Harmattan, collection Logiques Sociales, série Déviance et Société, 2001, 229 p. VANDERBORGHT J., VANACKER J. en MAES E. (ed.), Criminologie. De Wetenschap, De Mens, Brussel, Politeia, 2000, 288 p.

Contributions à des revues et à des ouvrages collectifs Bijdragen in tijdschriften en verzamelwerken

2009 MAES, E., “Voorwaardelijk invrijheidgestelden onder de vleugels van de strafuitvoeringsrechtbanken. Onderzoek bij een populatie voorwaardelijk invrijheidgestelden na één jaar werking”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 27 (2009), nr. 124 (september-oktober-november), 12-20. MAES, E., “Doctorale proefschriften/Thèses de doctorat. Van gevangenisstraf naar vrijheidsstraf. Onderzoek naar de ontwikkeling van en de samenhang tussen penitentiaire regelgeving (inzake het regime van gedetineerden) en penologische visies of andere normeringsrationaliteiten” (samenvatting doctoraatsproefschrift), Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis/Revue belge d’histoire contemporaine, XXXIX (2009), nr. 3-4. MAES, E., “De actuele Belgische penitentiaire statistiek ... tussen droom en werkelijkheid”, in Van pionier naar onmisbaar. Over 30 jaar Panopticon (jubileumboek naar aanleiding van 30 jaar Panopticon, reeks Panopticon Libri, nr. 1], BRUGGEMAN, W., DE WREE, E., GOETHALS, J., PONSAERS, P., VAN CALSTER, P., VANDER BEKEN, T. en VERMEULEN, G. (ed.), Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2009, 777-783. GOOSSENS, F. en MAES, E., “Elektronisch toezicht als autonome straf: het NICC-onderzoek in een notendop”, in Elektronisch toezicht. De virtuele gevangenis als reële oplossing? Onderzoek en beleid 1998-2008 (reeks Samenleving, Criminaliteit & Strafrechtspleging, nr. 33), DAEMS, T., DE DECKER, S., ROBERT, L. en VERBRUGGEN, F. (ed.), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2009, 35-59.

II

JONCKHEERE, A., “Les assistants de justice aux prises avec SIPAR, un outil de gestion informatique”, Pyramides, 2009/1, n°17, pp.93-109. MAES E., “Het actuele penitentiaire beleid in confrontatie met zijn verleden”, in Achter tralies in België (Verslagboek studiedag Fatik 24 april 2009 – “Achter tralies in België. Waar staan we? Waar gaan we naartoe?”), DAEMS T., PLETINCX P., ROBERT L., SCHEIRS V., VAN DE WIEL A., en VERPOEST K. (ed.), Gent, Academia Press, 2009, 47-73. MAES E. en SCHEIRS V., “De Belgische gevangenispopulatie in cijfers”, in Achter tralies in België (Verslagboek studiedag Fatik 24 april 2009 – “Achter tralies in België. Waar staan we? Waar gaan we naartoe?”), DAEMS T., PLETINCX P., ROBERT L., SCHEIRS V., VAN DE WIEL A., en VERPOEST K. (ed.), Gent, Academia Press, 2009, 91-112. VANFRAECHEM, I., “Restorative policing: in pursuit of principles”, in Moor, L.G., Peters, T., Ponsaers, P., Shapland, J. en Van Stokkom, B. (eds), Restorative policing. Cahiers Politiestudies, 2(11), 2009, 3964. VANFRAECHEM, I., “De rol van de advocaat in hergo”, Nieuwsbrief Suggnomè, 10(1), 2009, 15-18.

2008 COSYNS P., D’HONT C., JANSSENS D., MAES E. en VERELLEN R., “Les internés en Belgique: les chiffres”, Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 2008, nr. 4 (avril), 364-380. DELENS-RAVIER I., « La réforme de la protection de la jeunesse : un compromis à la belge », in BAILLEAU, F., (dir.), Evolution ou rupture? La justice des mineurs en question. 16ème conférence de l'Association internationale de recherches en criminologie juvénile (AIRCJ), Cours d'Appel du Tribunal de Paris 8-11 mars 2006, Vaucresson, 2008, pp. 119-124. DELENS-RAVIER I., « Dispositifs et pratiques de prise en charge des jeunes, introduction », in BAILLEAU, F., (dir.), Evolution ou rupture? La justice des mineurs en question. 16ème conférence de l'Association internationale de recherches en criminologie juvénile (AIRCJ), Cours d'Appel du Tribunal de Paris, 8-11 mars 2006, Vaucresson, 2008, pp. 343-348. DELENS-RAVIER I., « Les parents : partenaires ou adversaires ? », in MOREAU TH., RAVIER I., VAN KEIRSBILCK B. (dir.), La réforme de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse premier bilan et perspectives d’avenir, Liège, Editions jeunesse et droit, 2008, pp. 285-304. DETRY I., « La statistique "nouvelle" des parquets de la jeunesse: quelques résultats des analyses réalisées sur les données relatives aux affaires signalées en 2005 », in MOREAU TH., RAVIER I., VAN KEIRSBILCK B. (dir.), La réforme de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse premier bilan et perspectives d’avenir, Liège, Editions jeunesse et droit, 2008. DETRY I, GOEDSEELS E., "De nieuwe statistiek van de jeugdparketten. Analyse van de gegevens met betrekking tot de instroom voor het jaar 2005", in VANNESTE CH., GOEDSEELS E., DETRY I. (ed.), De "nieuwe" statistiek van de jeugdparketten: een belichting van de eerste analyseresultaten vanuit verschillende invalshoeken. Academia Press, 2008, 21-62. DETRY I, GOEDSEELS E., "La statistique "nouvelle" des parquets de la jeunesse: analyse des affaires signalées au cours de l’année 2005", in VANNESTE CH., GOEDSEELS E., DETRY I. (ed.), La statistique “nouvelle" des parquets de la jeunesse: regards croisés autour d'une première analyse. Academia Press, 2008,19-60. GOEDSEELS E., “Jeugddelinquentie: Wallonië helpt, Vlaanderen straft?”, Alert, 2008, 5, 29-38. GOEDSEELS E., I. DETRY, “Jeugdparket”, in FOD Justitie, Justitie in cijfers, juli 2008, 41–46. GOEDSEELS E., I. DETRY, « Parquet de la jeunesse », in FOD Justitie, Justice en chiffre, 2008, 42–46.

III

GOEDSEELS E., “Cijfergegevens met betrekking tot de jeugdparketten en jeugdrechtbanken. Een stand van zaken”, Agora, januari 2008. JONCKHEERE, A., “Wetenschappelijke exploitatie van SIPAR, de databank van de justitiehuizen”, Panopticon, 2008, n°4, pp. 95-98 (aanvulling in Panopticon, 2008, n° 8, p. 123) JONCKHEERE A., VANNESTE C., « Vers une statistique du secteur parajudiciaire ? Un nouvel outil pour l’évaluation et l’élaboration de la politique criminelle », Revue de droit pénal et de criminologie, 2008, n°6, pp.626-654 LEMONNE, A., “Comparing the Implementation of Restorative Justice in Various Countries. Purpose, Potentials and Caveats”, British Journal of Community Justice, 2008, Vol.6, n°2. MAES E., “Proefschrift. Van gevangenisstraf naar vrijheidsstraf. Onderzoek naar de ontwikkeling van en de samenhang tussen penitentiaire regelgeving (inzake het regime van gedetineerden) en penologische visies of andere normeringsrationaliteiten” (samenvatting), Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2008, nr. 2 (maart-april), 68-73. MAES E., “Komen criminelen te vroeg vrij ?” Over suggestieve vragen en de zoektocht naar genuanceerde antwoorden in verband met de tijdsvoorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidstelling”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2008, nr. 119 (juliaugustus-september), 4-11. MAES, E., “De juridische normering van het gevangenisregime in België. Ontwikkelingen doorheen twee eeuwen detentiepraktijk (1795-heden)”, in Violence, conciliation et répression, Recherches sur l’histoire du crime, de l’Antiquité au XXIe siècle (reeks ‘Histoire, Justice, Sociétés’, nr. 1), MUSIN, V., ROUSSEAUX, X. en VESENTINI, F. (éd.), Louvain-la-Neuve, Université Catholique de Louvain (UCL), Presses Universitaires de Louvain, 2008, 91-135. VANFRAECHEM, I. en LEMONNE, A., “Willen slachtoffers participeren aan de gerechtelijke procedure? Enkele vaststellingen vanuit het onderzoek naar de evaluatie van het slachtofferbeleid in België”, Nieuwsbrief Suggnomè, 2008, n°2, 24-30. VANNESTE CH., « La statistique "nouvelle" des parquets de la jeunesse: une base inédite pour une esquisse historique des signalements aux parquets de la jeunesse et pour une évaluation de la part des mineurs dans la délinquance enregistrée », in MOREAU TH., RAVIER I., VAN KEIRSBILCK B. (dir.), La réforme de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse - premier bilan et perspectives d’avenir, Liège, Editions jeunesse et droit, 2008, 357-378. VANNESTE CH., « La statistique "nouvelle" des parquets de la jeunesse sous l’éclairage d’autres types d’indicateurs. Exercices de contextualisation », in VANNESTE CH., GOEDSEELS E., DETRY I. (ed.), La statistique "nouvelle" des parquets de la jeunesse: regards croisés autour d'une première analyse. Academia Press, 2008, 61-94. VANNESTE CH., « De “nieuwe” statistiek van de jeugdparketten belicht aan de hand van andere types van indicatoren. Oefeningen in contextualisering », in VANNESTE CH., GOEDSEELS E., DETRY I. (ed.), De "nieuwe" statistiek van de jeugdparketten: een belichting van de eerste analyseresultaten vanuit verschillende invalshoeken. Academia Press, 2008, 63-96. VANNESTE CH. « La population carcérale à Bruxelles », in Le détenu: un citoyen comme un autre!, Compte-rendu de la journée d'étude du 13 mars 2008 organisée par le Groupe PS du Parlement bruxellois dur le parcours du détenu à Bruxelles, publication électronique, 23-33.

2007 COSYNS P., D’HONT C., JANSSENS D., MAES E., VERELLEN R., “Geïnterneerden in België: de cijfers”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2007, nr. 1 (januarifebruari), 46-61.

IV

DELENS-RAVIER I., « L’impact de l’enfermement du point de vue des jeunes : approche psychosociale », in VIIIèmes Assises des avocats d’enfants, L’enfant face à l’enfermement, Liège, Editions jeunesse et droit, 2007, pp. 21-55. DELENS-RAVIER I., « Familles dans la tourmente, parents en quête de reconnaissance : quelles politiques d’intervention ? », in LAHAYE W. (ed.) Penser la famille, la matière et l’esprit, Université Mons Hainaut, 7 avril 2007, pp. 19-26. GOEDSEELS E., DETRY I., VANNESTE CH. (dir.), Analyse van de instroom op de jeugdparketten voor het jaar 2005, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Collectie van onderzoeksrapporten & onderzoeksnota's n°20a, juli 2007, 112p. (+ bijlage). GOEDSEELS E., DETRY I., VANNESTE CH. (dir.), Analyse du flux des affaires entrées au niveau des parquets de la jeunesse en 2005, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Collection des rapports et notes de recherche, n° 20b, juillet 2007, 112p. (+ annexes) GOEDSEELS E., Context van de nieuwe jeugdwet. Naar een toepassing van de nieuwe jeugdwet in de diverse gerechtelijke arrondissementen in Noord en Zuid, Panopticon, 2007.6, 5-25. JONCKHEERE A., « SIPAR, un système informatique emblématique des transformations observables au sein des maisons de justice », Actes du séminaire transatlantique Innovations pénales organisé par KAMINSKI D. et CAUCHIE J.-F., Champ Pénal / Penal Field,, mis en ligne le 31 octobre 2007. URL : http://champpenal.revues.org/document2943.html. JONCKHEERE A., DELTENRE S., DAENINCK PH., MAES E., « Garantir l’usage exceptionnel de la détention préventive: du seuil de peine à une liste d’infractions comme critère de gravité ? », Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 2007, nr. 1, pp.50-63. LEMONNE A., « Evolution récente dans le champ de la médiation en matière pénale : entre idéalisme et pragmatisme », Revue de droit pénal et de criminologie, février-mars 2007, 156-169. MAES E., DAENINCK PH., DELTENRE S., JONCKHEERE A., “‘Oplossing(en)’ gezocht om de toepassing van de voorlopige hechtenis terug te dringen”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2007, nr. 2 (maart-april), 19-40. RENARD B., « Les analyses génétiques en matière pénale : l’innovation technique porteuse d’innovation pénale ? », Actes du séminaire transatlantique Innovations pénales organisé par KAMINSKI D. et CAUCHIE J.-F., Champ Pénal / Penal Field, [En ligne], mis en ligne le 20 mai 2007. URL : http://champpenal.revues.org/document1241.html. RENARD B., « Mise en perspective socio-historique de la réforme législative sur les « méthodes particulières de recherche » : de l’adoption de la loi du 6 janvier 2003 à celle de la réforme du 27 décembre 2005 », in Les méthodes particulières de recherche. Bilan et critiques des lois du 6 janvier 2003 et du 27 décembre 2005, Les dossiers de la revue de droit pénal et de criminologie, 14, La Charte Ed., 2007, 5-22. VANDEBROEK M. en VANFRAECHEM I., “Bemiddeling en hergo”, in Het nieuwe jeugdrecht, Put, J. en Rom, M. (eds), Gent, Larcier, 2007, 147-182. VANFRAECHEM I., “Herstel en de Belgische jeugdwet”, Tijdschrift voor herstelrecht, jrg.7 (2007), nr.3, 7-18. VANFRAECHEM I., “New youth law in Belgium incorporates restorative justice”, Newsletter of the European Forum for Restorative Justice, 8(1), March 2007, 5-6. VANFRAECHEM I., “Community, society and state in restorative justice: some reflections”, in Images of Restorative Justice Theory, MACKAY R., BOSJNAK M., DEKLERCK J., PELIKAN C., VAN STOKKOM B. en WRIGHT M. (eds.), Frankfurt am Main, Verlag fur Polizei und Wissenschaft, 2007, 73-91.

V

VANFRAECHEM I., “Herstelgericht groepsoverleg voor ernstige jeugddelinquentie”, Welzijnsgids, juli 2007, afl.65, Van.1-Van.16.

2006 DANCKAERT L., MAES E., MOENS N., VAN DE VYLE J.-G., VERHULST K., “De praktijk van de autonome werkstraf: de projectplaatsen aan het woord” (verslag van een debat op de studiedag ‘De autonome werkstraf: de wet in praktijk’, VUB, 17 november 2005), Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2006, nr. 4 (juli-augustus), 83-88. MAES E., GOOSSENS F., BAS, R., “Elektronisch toezicht: enkele cijfergegevens over de actuele Belgische praktijk, mede in het licht van zijn eventuele invoering als autonome straf”, Fatik, Tijdschrift voor Strafbeleid en Gevangeniswezen, 2006, nr. 110 (april-mei-juni), 4-14, erratum, nr. 111 (juliaugustus-september), 31. MAES E., “De individuele cellulaire opsluiting tussen instrumentalisering en rechtsbescherming. De wet van 4 maart 1870 in confrontatie met de ‘Basiswet ...’ van 12 januari 2005”, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis/Revue belge d’histoire contemporaine, 2006, nr. 1-2, 7-48. RENARD B., « Le statut de l’expert judiciaire en matière pénale. Quelques résultats d'une recherche empirique », in L'expert et la justice. De deskundige en het gerecht, FELIX. E. (Ed.), Bruxelles/Brugge, la Charte/die Keure, 2006, 1-16.

2005 DE FRAENE D., LEMONNE A., NAGELS C., « Débats autour de la victime : entre science et politique », in Quelles places pour les victimes dans la justice pénale ? , La Revue de la Faculté de droit de l’U.L.B., vol.31, 2005, 55-92. GOEDSEELS E., VANNESTE CH., DETRY I., “Gerechtelijke statistieken inzake jeugddelinquentie en jeugdbescherming : een (grote) stap vooruit”, Panopticon, 2005.1, 56-69. JONCKHEERE A., GOEDSEELS E., « Dossier: Les Maisons de Justice », Droits quotidiens, n°93, avril 2005, pp. 4-9. LEMONNE A., « Recension de l’ouvrage de CARIO, R., SALAS, D. (Sld), ‘Oeuvre de justice et victimes’ », L’Harmattan, Coll. Sciences Criminelles, in Revue de droit pénal et de criminology, n°2, 2005, 181-182. LEMONNE A., VANFRAECHEM I., “Victim-Offender Mediation for Juveniles in Belgium”, in VictimOffender Mediation with Youth Offenders in Europe, MESTITZ A., GHETTI S. (eds), Dordrecht, Kluwer International, Spring 2005, 181-209. MAES E., “Beknopte schets van de historische evolutie van de wettelijke onderbouw van het penitentiair regime (1830-2005)”, in Strafrecht als roeping, Liber amicorum Lieven Dupont , VERBRUGGEN F., VERSTRAETEN R., VAN DAELE D., SPRIET B. (eds.) (Reeks Samenleving, Criminaliteit & Strafrechtspleging), Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, vol. 31A, 487-504. MAES E., “De externe rechtspositie van (veroordeelde) gedetineerden”, Metanoia, Driemaandelijks contactblad Katholieke Aalmoezeniersdienst bij het gevangeniswezen, 2005 (1e kwartaal), 33-55. RENARD B., « Faillibilité de la preuve scientifique et exigences de fiabilité. Quelles attentes du droit pénal ? », in Police technique et scientifique. Les exigences d’une preuve fiable, RENARD B. (ss dir), Actes de la journée d’étude organisée à Louvain-La-Neuve le 16 décembre 2004 par le Centre d’Etudes sur la police, Politeia/CEP, Bruxelles, décembre 2005, 15-29.

VI

VAN CAMP T., RUBBENS A., Tien jaar slachtofferbeleid in België: stand van zaken en kritische reflectie, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, mei 2005, 78-84. VAN CAMP T., LEMONNE A., “Critical reflection on the development of restorative justice and victim policy in Belgium”, The 11th United Nation Congress on Crime Prevention and Criminal Justice, Workshop 2: Enhancing Criminal Justice Reform, Including Restorative Justice, 2005, http://www.icclr.law.ubc.ca/Publications/Reports/11_un VANNESTE CH., « Pauvreté, exclusions. La prison en question », contribution aux Actes du colloques, Colloque organisé par Emmaüs France et l’OIP France le 12 février 2005, octobre 2005. VANNESTE CH., coll. GOEDSEELS E., DETRY I., « Pour une histoire chiffrée de quarante années de « protection de la jeunesse » quelques repères utiles », in Protection de la jeunesse. Formes et réformes, CHRISTIAENS J., DE FRAENE D., DELENS-RAVIER I. (éd.), Bruylant, Bruxelles, 2005, 3-26. VANNESTE CH., coll. DELTENRE S., DETRY I., GOEDSEELS E., JONCKHEERE A., MAES E., « De la production à l’exploitation statistique : l’intervention scientifique dans tous ses états », in VESENTINI F. (dir.), Les chiffres du crime en débat. Regards croisés sur la statistique pénale en Belgique (18302005), Académia-Bruylant, 193-217. VANNESTE CH., « « Origine étrangère » et processus décisionnels au sein des tribunaux de la jeunesse », in Délinquance des jeunes et justice des mineurs. Les défis des migrations et de la pluralité ethnique - Youth Crime and Juvenile Justice. The challenge of migration and ethnic diversity, QUELOZ N., BÜTIKOFER REPOND F., PITTET D., BROSSARD R., MEYER-BISCH B. (éd.), Editions Staempfli, Collection KJS – CJS (Crime, Justice and Sanctions), Volume 5, Berne, 2005, 631-650. VANNESTE CH., « Des logiques économiques à leur traduction pénale », in Dedans dehors.Prison peine du pauvre, pauvre peine, revue de l’Observatoire international des prisons section française, n°47, janvier-février 2005, 14-15.

2004 DELTENRE S., MAES E., “Pre-trial detention and the overcrowding of prisons in Belgium. Results from a simulation study into the possible effects of limiting the length of pre-trial detention”, European Journal of Crime, Criminal Law and Criminal Justice, 2004, nr. 4, 348-370. DELTENRE S., MAES E., « Simulation de l’impact de quelques changements législatifs en matière de détention avant jugement », Revue de Droit pénal et de Criminologie, 2004, 1, 83-117. DE PAUW W., DELTENRE S., HENDRICX C., WILLEMS M., “Tien jaar veroordelingstatistiek”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2004, 4, 82-92. DETRY I., VANNESTE CH., « Le dessaisissement : une pratique insaisissable ? », in La réaction sociale à la délinquance juvénile. Questions critiques et enjeux d’une réforme, Les Dossiers de la Revue de Droit Pénal et de Criminologie, la Charte, 2004, n° 10, 185-207. DETRY I., VANNESTE CH., « Une image chiffrée du recours au dessaisissement », Journal du Droit des Jeunes, janvier 2004, n° 231, 23-30. DUPONT-BOUCHAT M.S., CHRISTIAENS J., VANNESTE CH., « Jeunesse et justice (1830-2002) », in Politieke en sociale geschiedenis van justitie in België van 1830 tot heden - Histoire politique et sociale de la justice en Belgique de 1830 à nos jours, HEIRBAUT D., ROUSSEAUX X., VELLE K. (éd.), Die Keure - La Charte, 2004, 125-157. GOETHALS J., MAES E., “Voorwaardelijke invrijheidstelling. Nederland en België door een criminologische bril”, Tijdschrift voor Criminologie, 2004 (Jubileumuitgave - 30 jaar NVK, 45 jaar TvC: Criminologie in Nederland - Een Vlaamse spiegel), 30-41.

VII

LEMONNE A., « La place de la victime dans le procès pénal. Etat des lieux et perspectives », Le Journal du Juriste, Kluwer, n°36, 2004 , 15. MAES E., “Vijf jaar justitiehuizen : enkele cijfers over de werking van de justitiehuizen tijdens de periode 1999-2002”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2004 (november-december), nr. 6, 73-109. MAES E., “De externe rechtspositie van (veroordeelde) gedetineerden”, Ad Rem, Tijdschrift van de Orde van Vlaamse Balies, 2004, speciale editie (Themanummer gevangeniswezen) 12-29. RENARD B., « Quelques méandres du processus de légalisation des méthodes particulières d’enquête. La loi du 6 janvier 2003, un produit fini ? », in Les méthodes particulières de recherche. Premier bilan de la loi du 6 janvier 2003, DESSEILLE M. Actes de la demi-journée d’étude organisée à Bruxelles le 22 mars 2004 sur ce thème par le Centre d’Etudes sur la police, Politeia/CEP, Bruxelles, 15-32. RENARD B., LERICHE A., “Deskundigenonderzoek”, in Postal memorialis, Verbo D15, Kluwer, maart 2004, 30. RENARD B., VANDRESSE C., « La Belgique ou l’incrimination de l’organisation criminelle comme soutien des techniques d’enquête », in Criminalité organisée : des représentations sociales aux définitions juridiques, CESONI M.L. (ss dir.), Georg Librairie de l’Université (Genève), LGDJ (Paris), Bruylant (Bruxelles), 2004, 361-500. VANNESTE CH., « L’exécution des peines. L’usage de la prison de 1830 à nos jours », in Politieke en sociale geschiedenis van justitie in België van 1830 tot heden - Histoire politique et sociale de la justice en Belgique de 1830 à nos jours, HEIRBAUT D., ROUSSEAUX X., VELLE K. (éd.), Die Keure - La Charte, 2004, 103-122. VANNESTE CH., « Les statistiques en matière de délinquance juvénile et de protection de la jeunesse : un état de la situation », in La réaction sociale à la délinquance juvénile. Questions critiques et enjeux d’une réforme, Les Dossiers de la Revue de Droit Pénal et de Criminologie, la Charte, 2004, n° 10, 117-132.

2003 DELTENRE S., GUILLAIN C., « Du classement sans suite à la détention préventive : de la différenciation sociale appliquée par le système pénal aux usagers de drogues », in L'usage pénal des drogues, KAMINSKI D. (éd.), Bruxelles, De Boeck Université, Coll. "Perspectives criminologiques", 2003, 175193 MAES E., PUT J., “Armoede en vrijheidsberoving: een vicieuze cirkel ?”, in Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting, VRANKEN J., DE BOYSER K., DIERCKX D. (eds.), Leuven/Leusden, Acco, 2003, 187-208. MAES E., “Een blik op drie jaar besluitvormingspraktijk van de (Nederlandstalige) commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling (1999-2001)”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2003, nr. 4 (juli-augustus), 400-415. RENARD B., « Au croisement de la recherche proactive et des écoutes téléphoniques : construction et danger du mutualisme légistique », Revue de droit pénal et de criminologie, 2003, 3, 321-359. N° complet de la Revue de Droit Pénal et de Criminologie de février 2003 - Actes de l’Interlabo du GERN du 23 mars 2001 : VANNESTE CH., « Analyse de processus de décision en différentes phases et branches du système d’administration de la justice pénale », Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 2003, 2, 131-132.

VIII

RENARD B., « La mise en œuvre et le suivi de l’enquête de recherche proactive : étude qualitative des facteurs influençant le processus de décision », Revue de Droit pénal et de Criminologie, 2003, 2, 133-167. DELTENRE S., « De l’impact des processus de décision relatifs aux condamnations prononcées sur l’évolution de la population pénitentiaire belge entre 1994 et 1998 », Revue de Droit pénal et de Criminologie, 2003, 2, 168-20. MAES E., « Développements récents dans le processus décisionnel relatif à la libération conditionnelle en Belgique. De quelques aspects quantitatifs et qualitatifs », Revue de Droit Pénal et de Criminologie, 2003, 2, 206-231. VANNESTE CH., « Les logiques décisionnelles des magistrats du parquet et des juges de la jeunesse à l’égard des mineurs délinquants », Revue de Droit pénal et de Criminologie, 2003, 2, 225-256.

2002 DELTENRE S., MAES E., “Overbevolkte gevangenissen op de beklaagdenbank. Kan een begrenzing van de duur van de voorlopige hechtenis effectief bijdragen tot een ‘ontvolking’ van onze gevangenissen?”, Winket, Tijdschrift van de Federatie van Vlaamse Gevangenisdirecteurs, 2002, nr. 1, 6-31. DELTENRE S., MAES E., “Effectmeting van enkele mogelijke wetswijzigingen op het vlak van de voorlopige hechtenis”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2002, nr. 3 (mei-juni), 196-211. MAES E., “Naar een nieuwe wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling in België? Enkele beschouwingen over de voorwaardelijke invrijheidstelling en de mogelijke oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2001, nr. 6 (november-december), 541-570, err. 2002, nr. 2, (maart-april), 187. MAES E., “Studie van de evolutie van de gedetineerdenpopulatie volgens misdrijfcategorie (19801998)”, Panopticon, Tijdschrift voor strafrecht, criminologie en forensisch welzijnswerk, 2002, nr. 4 (juli-augustus), 340-350. MAES E., “Het leven zoals het was (is) …in de gevangenis. Beknopte schets van de historische evolutie van het Belgische gevangeniswezen aan de hand van de belangrijkste penitentiaire regelgeving”, in Gevangen in de tijd, naar een museum over vrijheidsberoving, VAN ROYEN H. (ed.), Referatenboek van de studiedag georganiseerd op 18 mei 2001 in het Vormingscentrum Dr. Guislain te Gent, en ingericht door de vzw Gevangenismuseum en het Dr. Guislainmuseum, Merksplas, 2002, 35-53. MAES E., “Het nieuwe wettelijke kader. Historiek, inhoud en commentaren”, Metanoia, Driemaandelijks contactblad Katholieke Aalmoezeniersdienst bij het gevangeniswezen, maart 2002, 741 (overname van Deel 1 ‘Het nieuwe wettelijke kader: historiek, inhoud en commentaren’ uit het onderzoeksrapport ‘De V.I.-commissies in actie’ in een door de redactie herwerkte versie). MAES E., “De V.I.-commissies ‘aan de bak’. Het functioneren van de (Nederlandstalige) commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling geobserveerd (eerste werkingsjaar – 1999)”, Metanoia, Driemaandelijks contactblad Katholieke Aalmoezeniersdienst bij het gevangeniswezen, maart 2002, 48-64. MAES E., PIETERS F., “De hervorming van de voorwaardelijke invrijheidstelling in Frankrijk. Zijn er ook lessen te trekken voor de Belgische situatie?”, Tijdschrift voor Strafrecht. Jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk, 2002, nr. 1 (maart), 2-15. RENARD B., « De l’automatisation de l’information policière à la systématisation de son traitement : quand les logiques de contrôle s’appuient sur les développements des technologies de l’information », in La gestion de l'information, Seconde partie : Les contours de l’information et (les limites de) son usage, RENARD B. (ss dir.), Manuel de la Police, 2002, 65, 111-133.

IX

RENARD B., « La gestion de l’information dans le cadre de la réforme des polices en Belgique », in La gestion de l’information, Première partie : la réforme et ses impacts, RENARD B. (ss dir.), Manuel de la Police, 2002, 64, 5-50 + addendum dans Manuel de la Police, 2002, 65, 135-141. RENARD B., « Quand l’expression de la vérité est attribuée au corps - Etat des lieux et quelques questionnements sur la légitimité de l’utilisation du polygraphe en procédure pénale », in La Criminalistique, du mythe à la réalité quotidienne, LERICHE A. (éd.), Kluwer, Bruxelles, 2002, 363396. RENARD B., LERICHE A., « L’expertise judiciaire au pénal », in Postal memorialis - Lexique du droit pénal et des lois spéciales, Verbo E 180, Kluwer, juin 2002, 28. VANNESTE CH., « Délinquance et scolarité : regards croisés sur les résultats de différentes recherches », article destiné à Custodes, non publié (arrêt de la revue), 2002. VANNESTE CH., « Des logiques socio-économiques à leur traduction pénale : l’exemple de la Belgique de 1830 à nos jours », in Sociétés et représentations, La vie judiciaire, CREDHESS, Paris, sept. 2002, n° 14, 213-227.

2001 MAES E., “De V.I.-commissies ‘aan de bak’. Het functioneren van de (Nederlandstalige) commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling geobserveerd (eerste werkingsjaar – 1999)”, Fatik, Tijdschrift voor strafbeleid en gevangeniswezen, 2001, nr. 91 (september), 4-14. RENARD B., « Quand l’expression de la vérité est attribuée au corps – Etat des lieux et quelques questionnements sur la légitimité de l’utilisation du polygraphe en procédure pénale », Manuel de la Police, 2001, 59, 155-188. VANNESTE CH., « Pénalité, criminalité, insécurité ... et économie », in Délinquance et insécurité en Europe. Vers une pénalisation du social?, MARY P., PAPATHEODOROU T. (éd.), Groupe Européen de Recherches sur la Justice pénale, Bruylant, Bruxelles, 2001, 47-95. VANNESTE CH., “Een onderzoek over de beslissingen genomen door de parketmagistraten en de jeudgrechters”, Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten, december 2001/5, 193-202. VANNESTE CH., « Une recherche sur les décisions prises par les magistrats du parquet et les juges de la jeunesse », Journal du Droit des Jeunes, septembre 2001, n° 207, 5-12.

2000 DELTENRE S., LEBRUN V., « La nouvelle directive à l’égard des usagers de drogue : changement de politiques ? Entre pénalisation de l’usage et usages de la pénalisation », Revue de Droit pénal et de Criminologie, 2000, 5, 534-570. LECLERCQ S., RENARD B., « Quel gage de fiabilité pour un alibi technologique ? », Sécurité privée, 2000, 6, 20-26. MAES E., “Het wettelijk kader: korte historiek, inhoud en commentaren”, in Voorwaardelijke invrijheidstelling: wetgeving, predictie en begeleiding, GOETHALS J., BOUVERNE-DE BIE M. (ed.), Gent, Academia Press, 2000, 1-57. RENARD B., VAN RENTERGHEM P., LERICHE A., “Bespreking van de wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken”, Vigiles, Tijdschrift voor politierecht, 2000, 4, 120-132.

X

RENARD B., VAN RENTERGHEM P., LERICHE A., « Discussion de la loi relative à la procédure d’identification par analyse ADN en matière pénale », Vigiles, Revue du droit de la police, 2000, 4, 120-132. VANNESTE CH., « L’évolution de la population pénitentiaire belge de 1830 à nos jours : comment et pourquoi ? Des logiques socio-économiques à leur traduction pénale », Revue de Droit pénal et de Criminologie, 2000, 6, 689-723.

1999 HAVELANGE B., RENARD B., « L’analyse criminelle et la protection de la vie privée, ou les dangers de remplacer Hercule Poirot par un processeur », in Droit des technologies de l’information : regards prospectifs, MONTERO E. (éd.), Les 20 ans du CRID, coll. Les Cahiers du CRID, n° 16, Bruxelles, Bruylant, 1999, 217-232. VANDERBORGHT J., “Het doel heiligt de middelen? Proactieve recherche in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit”, in De proactieve recherche/La recherche proactive, Custodes, 1999, 1, 13-32. VANNESTE CH., DUPIRE V., MAES E., “Het N.I.C.C. en het onderzoek naar de nieuwe procedure van voorwaardelijke invrijheidstelling”, Winket, Tijdschrift van de Federatie van Vlaamse Gevangenisdirecteurs, 1999, 40-46.

A

Collection des rapports et notes de recherche Collectie van onderzoeksrapporten en onderzoeksnota’s Actualisée en décembre 2009 – Geactualiseerd in december 2009

N° 22

HEYLEN B., RAVIER I., SCHOFFELEN J., VANNESTE C. (dir.), Une recherche évaluative d’un centre fermé pour mineurs, le centre « De Grubbe » à Everberg/Evaluatieonderzoek van een gesloten instelling voor jongeren, centrum « De Grubbe » te Everberg, Rapport final/Eindrapport, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Bruxelles/Brussel, 2009, 193 p.

N° 21b JONCKHEERE A., VANNESTE C. (dir.), Wetenschappelijke exploitatie van SIPAR, de databank van de justitiehuizen. Analyse van de gegevens betreffende het jaar 2006, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, februari 2009, 111 p. N° 21

JONCKHEERE A., VANNESTE C. (dir.), Recherche relative à l’exploitation scientifique de SIPAR, la base de données des maisons de justice. Analyse de données relatives à l’année 2006, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, juillet 2008, 141 p.

N° 20b

GOEDSEELS

N° 20a

GOEDSEELS E., DETRY I., VANNESTE C. (dir.), Onderzoek met betrekking tot de productie en wetenschappelijke exploitatie van cijfergegevens aangaande jeugddelinquentie en jeugdbescherming, Eerste onderzoeksrapport, Analyse van de instroom op de jeugdparketten voor het jaar 2005, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, juli 2007, 116 p. + bijlagen.

E., DETRY I., VANNESTE C. (dir.), Recherche relative à l’exploitation scientifique des données disponibles en matière de protection de la jeunesse et de délinquance juvénile, Premier rapport, Analyse du flux des affaires entrées au niveau des parquets de la jeunesse en 2005, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, juillet 2007, 112 p. + annexes.

N° 19b LEMONNE A., VAN CAMP T., VANFRAECHEM I., VANNESTE C. (dir.), Onderzoek met betrekking tot de evaluatie van de voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van inbreuken, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, juli 2007, 356 p. + bijlagen. N° 19a LEMONNE A., VAN CAMP T., VANFRAECHEM I., VANNESTE C. (dir.), Recherche relative à l’évaluation des dispositifs mis en place à l’égard des victimes d’infraction, Rapport final, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, juillet 2007, 354 p. + annexes. N° 18

MAES E., i.s.m. het Directoraat-generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen (DELTENRE, S. en VAN DEN BERGH, W.), Strafbecijfering en -uitvoering in België anno 2006. Analyse van de actuele praktijk en voorstelling van enkele alternatieve denkpistes, Onderzoeksnota, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, 26 september 2006, 37 p. + bijlagen.

N° 17

MAES E., Proeve van werklastmeting van de toekomstige strafuitvoeringsrechtbanken. Een simulatie-oefening op basis van data in verband met de strafuitvoeringspraxis tijdens het jaar 2004, Onderzoeksnota, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, 13 december 2005 (met aanvulling d.d. 19 mei 2006: tabel in bijlage), 10 p. + bijlagen.

N° 16b JONCKHEERE A., VANNESTE C. (dir.), Onderzoek met betrekking tot de wetenschappelijke exploitatie van het gegevensbestand betreffende de justitiehuizen – SIPAR, Eerste rapport (vertaling uit het Frans), Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, december 2006, 83 p.

B

N° 16a JONCKHEERE A., VANNESTE C. (dir.), Recherche relative à l’exploitation scientifique des bases de données existantes au sein des Maisons de justice – SIPAR, Premier rapport, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, décembre 2006, 77 p. N° 15b RENARD B., VANNESTE C. (dir.), Het statuut van de deskundige in strafzaken, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, december 2005, (gedeeltelijke vertaling, april 2006), 86 p. N° 15a RENARD B., VANNESTE C. (dir.), Le statut de l’expert en matière pénale, Rapport final de recherche, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, décembre 2005, 405 p. N° 14

GOOSSENS F., MAES E., DELTENRE S., VANNESTE C. (dir.), Projet de recherche relatif à l’introduction de la surveillance électronique comme peine autonome/Onderzoeksproject inzake de invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf, Rapport final de recherche/Eindrapport, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Bruxelles/Brussel, octobre/oktober 2005, 204 p. + bijlagen/annexes.

N° 13

DAENINCK P., DELTENRE S., JONCKHEERE A., MAES E., VANNESTE C. (dir.), Analyse des moyens juridiques susceptibles de réduire la détention préventive/Analyse van de juridische mogelijkheden om de toepassing van de voorlopige hechtenis te verminderen, Rapport final de recherche/Eindrapport, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Bruxelles/Brussel, mars/maart 2005, 367 p.

N° 12

RENARD B., DELTENRE S., L’expertise en matière pénale – Phase 1: Cartographie des pratiques, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Rapport final de recherche, Bruxelles, juin 2003, 138 p. + annexes.

N° 11

DELTENRE S., MAES E., Analyse statistique sur base de données de condamnations: plus-value et applications concrètes/Statistische analyse aan de hand van de veroordelingsgegevens: meerwaarde en praktijkvoorbeeld, Notes de recherche/Onderzoeksnota’s, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Bruxelles/Brussel, 2000-2002.

N° 10

MAES E., Studie van de evolutie van de gedetineerdenpopulatie volgens misdrijfcategorie (1980-1998), Onderzoeksnota, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, september 2001, 15 p. + bijlagen.

N° 9

DELTENRE S., MAES E., Effectmeting van enkele mogelijke wetswijzigingen op het vlak van de voorlopige hechtenis/Simulations de l’impact de quelques modifications législatives en matière de détention préventive, Onderzoeksnota’s/Notes de recherche, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie/Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Brussel/Bruxelles, 2001.

N° 8b

VANNESTE C., De beslissingen genomen door de parketmagistraten en de jeugdrechters ten aanzien van delinquente minderjarigen, Eindrapport (vertaling), Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Brussel, dec. 2001, 206 p. + bijlagen.

N° 8a

VANNESTE C., Les décisions prises par les magistrats du parquet et les juges de la jeunesse à l’égard des mineurs délinquants, Rapport final de recherche, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, juin 2001, 205 p. + annexes.

N° 7

RENARD B., L’usage du polygraphe en procédure pénale; analyse procédurale, Note d’étude – Partie III de l’avis pour le Ministre de la Justice et le Collège des Procureurs généraux sur l'usage du polygraphe en procédure pénale belge, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Bruxelles, septembre 2000, 59-80 p.

N° 6

MAES E., DUPIRE V., TORO F., VANNESTE C. (dir.), De V.I.-commissies in actie. Onderzoek naar de werking van de in het kader van de nieuwe V.I.-wetgeving (wetten van 5 en 18 maart 1998) opgerichte commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling/Les commissions de

C

libération conditionnelle en action. Recherche sur le fonctionnement des commissions de libération conditionnelle créées dans le cadre de la nouvelle réglementation sur la libération conditionnelle (lois des 5 et 18 mars 1998), Eindrapport/Rapport final de recherche, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie/Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, Brussel/Bruxelles, augustus/août 2000, 355 p. + bijlagen/annexes. N° 5

MORMONT, C. (DIR.), VANNESTE, C. (DIR.), TORO, F., MARSDEN, E., SNIJDERS, J., Etude comparative dans les 15 pays de l'Union Européenne relative au statut et modalités de l'expertise des personnes présumées ou avérées abuseurs sexuels, Rapport final de la recherche co-financée par la Commission Européenne et le Ministère de la Justice belge, Programme européen STOP, Université de Liège et Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie, octobre 1999, 192 p. + résumés en néerlandais (11 p.) et anglais (11 p).

N° 4

RENARD B., VANDERBORGHT J., Recherche Proactive, révélateur d’une approche nouvelle? Etude relative à la recherche proactive dans le cadre de la lutte contre la criminalité organisée Proactieve Recherche, exponent van een vernieuwde aanpak? Onderzoek naar de proactieve recherche in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, Rapport final de recherche/Eindrapport, Bruxelles/Brussel, septembre/september 1999, 386 p.

N° 3

SNACKEN S. (dir.), DELTENRE S., RAES A., VANNESTE C., VERHAEGHE P., Recherche qualitative sur l'application de la détention préventive et de la liberté sous conditions/Kwalitatief onderzoek naar de toepassing van de voorlopige hechtenis en de vrijheid onder voorwaarden, Rapport final de recherche/Eindrapport, Institut National de Criminalistique et de Criminologie, Département de Criminologie/Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie/Vrije Universiteit Brussel, Bruxelles/Brussel, 1999, 244 p.

N° 2

SNACKEN S. (dir.), DE BUCK K., D’HAENENS K., RAES A., VERHAEGHE P., Onderzoek naar de toepassing van de voorlopige hechtenis en de vrijheid onder voorwaarden, Eindrapport, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie/Vrije Universiteit Brussel, Brussel, 1997, 174 p.

N° 1

DE BUCK K., D’HAENENS K., Electronic Monitoring, Studienota, Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, Hoofdafdeling Criminologie, 1996, 40 p.

Direction Opérationnelle de Criminologie / Operationele Directie Criminologie WTC III – 11ème ét ./verd. – Bd Simon Bolivarlaan, 30 – B-1000 Bruxelles/Brussel

Loading...

Toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het - NICC

Direction Opérationnelle de Criminologie Operationele Directie Criminologie [email protected] J riminologie Collection des rapports et notes de recherche / Collec...

5MB Sizes 1 Downloads 0 Views

Recommend Documents

Het Land Van De Sultans Maleisie En Het Kolonialisme - tersus.co
File about Het Land Van De Sultans Maleisie En Het Kolonialisme is available on print and digital edition for free. This

Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876
een plantage*: de eigenaar of de admini- strateur*. In Nederland is grootmeester de titel van een opperbestuurder van so

Hoe kan het opvolgen van serumspiegels van - UZ Leuven
Apr 28, 2016 - 100 mg (w2). 50/100 mg (q4w). UC vedolizumab. (Entyvio®). I.V.. 300 mg w0, w2, w6, q8w. UC & CD. Target

Het beloofde land, het beroofde land - SP
het feit dat Nederland zich nog nauwelijks bewust was van het eigen kolonialisme en de behandeling van 'inheemse' bevolk

Genusbepalende Eigenschappen van het Nederlandse Substantief
Aug 29, 1983 - gewel fse l geznaisel gezegs e l gi etsel glaceersel glazuurse l gouddep sel graveersel groeisel groen s

De kunst van het doseren - Elkerliek Ziekenhuis
niet-ernstige bloedingen niet rapporteren in het jaarverslag. Deze niet-ernstige bloedingen wor- den wel in het patiënt

Adviesdocument Omlijning van het deskundigheidsgebied 001 - NRGD
Dec 12, 2016 - have adequate knowledge of the concepts of criminalistics, such as descriptive and inferential statistics

SVZW8.nl | Het gastenboek van Acht
PDF Free . Check VIN . How To Develop Psychic Abilities - 12 Steps To Follow Develop Psychic Powers Spiritual-Web Inform

Geloven in het publiek domein: verkenningen van een dubbele
Becker, J. (2003) De vaststelling van de kerkelijke gezindte in enquêtes, Werkdocument 92,. Den Haag: scp. Becker, J. (

Het Land Van De Sultans Maleisie En Het Kolonialisme Ebook And
File about Het Land Van De Sultans Maleisie En Het Kolonialisme is available on print and digital edition for free. This