Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876

Loading...

J. van Donselaar

Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876

J. van Donselaar

Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876

Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 J. van Donselaar

Meertens Instituut, Amsterdam

Nederlandse Taalunie, Den Haag

Vormgeving: Ineke Meijer Druk: VTC Hoofddorp ISBN NUR

9789070389772 627

Alle rechten voorbehouden © erven J. van Donselaar Redactie: Nicoline van der Sijs Technische verzorging: Meertens Instituut Amsterdam Deze uitgave is tot stand gekomen met financiële steun van de Nederlandse Taalunie



Inhoud

Over de totstandkoming van deze uitgave - Nicoline van der Sijs

7

1. Over de taal van de Nederlandse bewoners van Suriname van 1667 tot 1876

9

2. Aanwijzingen voor het gebruik van dit woordenboek

11

3. De belangrijkste auteurs over het Nederlands in Suriname tot 1876

17

4. Alfabetische lijst van Nederlandse woorden in Suriname van 1667 tot 1876

29

5. Niet als trefwoord opgenomen, duistere en/of onbetrouwbare woorden

247

6. Contraregisters 6.1 Hedendaags en/of toenmalig Europees-Nederlands (toenmalig) Surinaams-Nederlands 6.2 Hedendaags (vanaf 1954) Surinaams-Nederlands (ook) toenmalig Surinaams-Nederlands 6.3 Wetenschappelijke namen van dieren en planten toenmalig Surinaams-Nederlandse naam, 1667-1876

253

266

7. Lijst van literatuur en bronnen

275

253 263





Over de totstandkoming van deze uitgave

Vanaf begin jaren negentig heeft J. van Donselaar systematisch gegevens verzameld voor een Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Zijn doel was de woordenschat te beschrijven van de Nederlandse bevolkingsgroep in Suriname vanaf 1667, het moment dat Nederlanders zich in Suriname vestigden, tot de invoering van de leerplicht – met Nederlands als voertaal – in 1876. Het Nederlands was daar toen (en is nu nog steeds) de enige officiële taal en alleen bij deze groep was toen het Nederlands de moedertaal en de thuistaal. Hun Nederlands onderscheidde zich echter van de zich in Nederland ontwikkelende standaardtaal, voornamelijk door zijn woordenschat. Deze laatste was namelijk uitgebreid met vooral woorden voor zaken en begrippen waarmee men in Suriname wel, maar in Nederland niet te maken had en waarvoor dan ook in Nederland geen woorden bestonden. Het gaat dus om een historisch contrastlexicon. Met dit woordenboek wilde Van Donselaar de voorgeschiedenis van het moderne Surinaams-Nederlands vastleggen. Het Surinaams-Nederlands is de variant van het Nederlands die zich na 1876 in Suriname heeft ontwikkeld, veelal als tweede of zelfs derde taal van de bewoners van Suriname met een andere moedertaal dan het Nederlands. Dit moderne Surinaams-Nederlands was al eerder door Van Donselaar beschreven: in 1977 publiceerde hij het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1989 verscheen een aanzienlijk uitgebreide editie bij uitgeverij Coutinho in Muiderberg. In dat woordenboek, dat 6600 ingangen bevat, streefde Van Donselaar ernaar “ieder woord op te nemen dat men in Suriname gebruikt wanneer men Nederlands spreekt of schrijft maar dat niet in Neder­landse woordenboeken staat, ook niet in het meest uitgebreide (Van Dale). Hetzelfde geldt voor woorden die wel in Van Dale e.a. staan, maar met een betekenis of met een gebruikssfeer die afwijkt van de in Suriname gangbare.” Het woordenboek is nog steeds in de handel en was en is een waardevol instrument voor onderzoekers; de KNAW heeft Van Donselaar er in 1989 voor beloond met de Johan de la Court-prijs. Als aanvulling op Van Donselaars werk publiceerde Renata de Bies in 2008 het Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands, bij de Universiteit van Suriname in Paramaribo. In 2009 verscheen dit werk als Prisma Woordenboek Surinaams Nederlands. In het onderhavige Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 vinden we dus de prehistorie van het Surinaams-Nederlands. Van Donselaar heeft tot voor kort



8

aan het woordenboek gewerkt en het lexicale gedeelte is, met ongeveer 2100 ingangen, in principe compleet. Er was nog een uitgebreide inleiding voorzien, maar vanwege zijn gevorderde leeftijd heeft Van Donselaar die niet meer kunnen voltooien; op 12 april 2013 is hij overleden. In het voorwerk van deze uitgave zijn wel de belangrijkste stukken, waarvan Van Donselaar een concept had geschreven, opgenomen. Van Donselaar heeft me eind vorig jaar verzocht de tekst van het woordenboek gereed te maken voor publicatie. Het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 verschijnt in boekvorm, als pdf en als database. Tevens heeft Van Donselaar erin toegestemd dat de inhoud van dit historische woordenboek, net als het Woordenboek van het SurinaamsNederlands uit 1989, wordt toegevoegd aan de etymologiebank (www.etymologiebank.nl). Hiermee komt voor onderzoekers een schat aan gegevens beschikbaar, die nooit eerder zijn gepubliceerd. Van Donselaar heeft met beide woordenboeken een monument nagelaten voor de taal die hem zo lief was, en daarmee ook een monument voor zichzelf. De Nederlandse Taalunie heeft deze publicatie financieel mogelijk gemaakt. De tekst is op het Meertens instituut verzorgd: Dieuwertje Kooij heeft de tekst persklaar gemaakt, Ineke Meijer heeft het boek opgemaakt en Rob Zeeman heeft de inhoud geconverteerd naar een database. Voor hun nuttige suggesties voor de oplossing van enkele vragen dank ik Margot van den Berg, Renata de Bies en Michiel van Kempen. Nicoline van der Sijs

1

Over de taal van de Nederlandse bewoners van Suriname van 1667 tot 1876

Sedert Suriname, toentertijd een plantagekolonie, in 1667 door de Zeeuwen op de Engelsen veroverd werd, is het Nederlands daar de enige officiële taal. Niettemin waren het gedurende de eerste twee eeuwen van het Nederlandse bewind vrijwel alleen de Nederlanders zelf - vaste kolonisten en hun nageslacht, en tijdelijke bewoners - die zich in Suriname ook werkelijk van het Nederlands, hun moedertaal, bedienden. De diverse andere inwoners spraken toen allen binnen hun eigen groep hun eigen taal. Tot 1853 waren dat vooralsnog indianen, negerslaven, de slavernij ontvluchte negers, andere Europeanen (in het begin vooral achtergebleven Engelsen) en van elders verdreven joden. Het Neger-Engels, de taal van de negerslaven (nu genoemd Sranantongo of Sranan), was tevens de voornaamste en veel gesproken contacttaal (lingua franca) tussen de groepen, de Nederlandse inbegrepen. Wel ontstond er een groeiende tussengroep van vrije negers en gemengdbloedigen van wie sommigen het Nederlands toen al, maar als tweede, vreemde en aangeleerde taal enigszins beheersten. Al tijdens deze periode begon het Nederlands in Suriname zich te onderscheiden van dat van het Nederlandse taalgebied in Europa, voornamelijk doordat er nieuwe woorden nodig waren voor de vele Surinaamse zaken en begrippen die men in Europa niet, of althans nog niet kende of voor welke men daar geen woorden had. Dat contrastlexicon is het onderwerp van dit boek: woorden, vaste verbindingen en vaste uitdrukkingen gedurende de eerste twee eeuwen in gebruik bij moedertaalsprekers van het Nederlands in Suriname onder elkaar, maar, althans in hun daar gebruikte betekenis, toen onbekend in Europa. Ik heb er ongeveer 2100 gevonden en die zijn hier, alfabetisch gerangschikt, in een lijst ondergebracht. Aan de betreffende woorden in die lijst zijn, behalve de vertaling of een betekenisomschrijving in hedendaags Europees-Nederlands, per woord nog enige andere gegevens toegevoegd. Dat is ten eerste, voor zover bekend, de wijze waarop het woord door de sprekers verkregen werd: een bestaand Nederlands woord kreeg een ruimere of beperktere of (mede) een andere betekenis of er werd een geheel nieuw Nederlands woord gevormd, er werd een woord geleend uit een andere al of niet in Suriname gesproken taal of geïmporteerd uit een ander gebied. Verder: van welk van de daartoe hier onderscheiden domeinen (betekenisvelden, levensgebieden) het woord deel uitmaakte; de totale periode gedurende welke het door mij is aangetroffen,



10

ook na 1876; eventueel gebruik ook buiten Suriname. Buitendien wordt waar nuttig of nodig aandacht besteed aan spellingvariatie en latere synoniemen. Ten slotte al deze bevindingen kort samengevat in een code; deze kan in het bijzonder als hulpmiddel gebruikt worden bij het opsporen van relaties tussen de genoemde aspecten. Deze codes bevatten: etymologie/ domein/periode/voorkomen buiten Suriname (zie 2 Aanwijzingen voor het gebruik van dit woordenboek). Dit boek is enerzijds een gewoon vertaalwoordenboek voor lezers en onderzoekers die voor hen onbekende woorden tegenkomen in een boek, document of ander geschrift uit of over het Suriname van de hier behandelde periode. Er hoeft dan niet bijzondere belangstelling voor taal op zich in het spel te zijn. Anderzijds kunnen de gegevens aan welke hiervoor gerefereerd wordt, relevant zijn voor onderzoek aan het Nederlands van na 1876, alsmede allerlei ander taalkundig onderzoek dan lexicologisch en lexicografisch, namelijk historisch, etymologisch, morfologisch, fonologisch, sociolinguïstisch, alsmede verbanden tussen deze gedurende de hier onderzochte periode. Hoe dan ook: het boek geeft een beeld van de lotgevallen van de Nederlandse woordenschat in de mond van, of althans op papier bij Nederlanders in een ver verleden, in een ver weg gelegen, exotisch land, met vergeleken bij het moederland een ander klimaat, andere landschappen, planten en dieren, andere economische en sociale omstandigheden en verhoudingen. Het was dit levende Nederlands dat na twee eeuwen werd doorgegeven aan alle ‘andere Surinamers’, aldus het uitgangspunt vormend voor een verdere, ingrijpende ontwikkeling, waarin de genoemde tussengroep wellicht al enigszins was voorgegaan. De naam ‘protero-SurinaamsNederlands’ zou hier op zijn plaats kunnen zijn. Nadat de slavernij in 1863 was opgeheven en vooral nadat in Suriname in 1876 de leerplicht met Nederlands als schooltaal was ingevoerd, werd het Nederlands daar geleidelijk voor velen van de bovengenoemde Surinamers met een andere moedertaal de tweede of zelfs de derde taal. Dat gold ook vanaf 1853 voor het toegenomen aantal immigranten: Chinezen, Hindostanen (uit het toenmalige Brits-Indië) en Javanen. Het Neger-Engels handhaafde zich daarnaast nog lang als lingua franca. Dit Nederlands heeft zich ontwikkeld tot het ‘Surinaams-Nederlands’ zoals we dat nu kennen, inmiddels voor velen in Suriname de moedertaal. Mijn Woordenboek van het Surinaams-Nederlands uit 1989 is in de eerste plaats gewijd aan de woordenschat van dat toentertijd gebruikelijke en ook nu nog grotendeels gangbare Surinaams-Nederlands. Het bevat uiteraard ook woorden die al van voor 1876 in gebruik zijn, echter ook woorden die inmiddels historisch genoemd moeten worden. Waar de behandeling van een bepaald woord in het onderhavige boek verschilt van die in het woordenboek van 1989, moet dat niet opgevat worden als een tegenstrijdigheid, maar als een verbetering.

2



Aanwijzingen voor het gebruik van dit woordenboek

Ingangen Alle verwerkte woorden staan als trefwoord in alfabetische volgorde. Daarbij is de toenmalige spelling gebruikt, bijvoorbeeld boschkers. Trefwoorden die vroeger met c of q gespeld werden en tegenwoordig met k, kw of s, zijn voor de terugvindbaarheid in het alfabet opgenomen op de plaats van het modern gespelde woord; dus capitein staat onder de woorden die beginnen met k. Woorden die met onderling significant verschillende spellingen werden aangetroffen, staan eventueel op meerdere plaatsen, maar slechts op een van deze uitgewerkt tot artikel, elders met een gesterde verwijzing. Als in een artikel een ander Surinaams-Nederlands woord dan het trefwoord gebruikt wordt, is dat voorzien van een sterretje. Betekenis Na het trefwoord volgt in het algemeen een vertaling of omschrijving in hedendaags Algemeen of Europees-Nederlands, waar nodig en/of nuttig gelardeerd met andere Surinaams-Nederlandse woorden. Planten en dieren zijn ook voorzien van hun wetenschappelijke naam. Etymologie < betekent ‘afkomstig van’. Onderscheiden worden betekenisverandering en nieuwvorming op basis van Algemeen Nederlands of Europees-Nederlands, ontlening aan andere talen, bijvoorbeeld Engels of Karaïbisch, en combinaties van deze mogelijkheden. Waar nodig en/of mogelijk met uitleg en bronverwijzing. Achteraan iedere ingang wordt de belangrijkste informatie over etymologie, periode en domein in een korte code samengevat, voorafgegaan door het teken Ø (bijvoorbeeld: Ø /N’/d/25/- of Ø /S/d/2-6/-). De eerste letter(s) geeft de herkomstinformatie weer. Hiervoor zijn de volgende afkortingen gebruikt:

12



Am Am-Braz Am-N Am-S Am-X Ar Braz. Dui. E Fr Ind K N N’ Port. S Sp W X

= = = = = = = = = = = = = = = = = = =

tropisch Amerikaans tropisch Amerikaans-Braziliaans tropisch Amerikaans-Nederlands tropisch Amerikaans-Sranantongo tropisch Amerikaans-algemeen of onbekend welke variëteit Arowaks Braziliaans, dit is met betrekking tot Nederlands-Brazilië Duits Engels Frans Indianentaal Karaïbisch Nederlands Nederlands, maar bijzondere betekenis in Suriname Portugees Sranantongo Spaans Westelijk Guyana, dit is Guyana tussen de Corantijn en de Orinoco onbekend

Een vraagteken in de reeks letters en cijfers betekent dat het ervoorstaande gegeven niet zeker is. Zo betekent E?S?: uit Engels of uit Sranantongo. Bij samenstellingen wordt soms informatie gegeven over beide delen, bijvoorbeeld: X-S (herkomst eerste deel onbekend, tweede deel ontleend aan het Sranantongo). Tropisch Amerikaanse elementen Waar mogelijk is bij woorden die typisch zijn voor tropisch Amerika, aangegeven wat hun oorspronkelijke herkomst is. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd: Tropisch Amerikaans element, sub 1 = via Portugees uit een Afrikaanse taal Tropisch Amerikaans element, sub 2 = via Spaans uit een indiaanse taal van de West Indische eilanden of van noordelijk Zuid-Amerika Tropisch Amerikaans element, sub 3 = via Portugees uit Tupi Tropisch Amerikaans element, sub 4 = 2 en/of 3 Tropisch Amerikaans element, sub 5 = uit een Europese taal Periode In het geval dat er slechts een of twee jaartallen van tussen 1667 en 1876 gevonden werden, zijn deze opgenomen, met bron. Zijn er meer dan twee, dan zijn de eerste en de laatste opgenomen met tussen deze een streepje. Als er verder alleen tussen 1876 en 1945 nog meer vondsten zijn, dan is van deze de laatste opgenomen. Is het woord nog na 1945 in gebruik (geweest), dan wordt het element ‘periode’ afgesloten met een pijl (→).

13



NB: Bij alles van na 1876 gaat het niet meer (alleen) om moedertaalsprekers van het Nederlands.

Aan de hand van de jaartallen worden ‘tijdvakken’ onderscheiden: 1 = 1667-1725; 2 = 17261775; 3 = 1776-1825; 4 = 1826-1876; 5 = 1877-1945; 6 = 1946-heden. Domeinen

Van de woorden kan ca. 85% verdeeld worden over elf domeinen (betekenisvelden). De domeinen - levensgebieden zowel de natuur als de cultuur en de relatie tussen die twee betreffende - kwamen in deze vorm, met deze aard en/of inhoud, in Europa niet voor. Ze zijn zo gekozen dat het aantal woorden niet te klein is. Het is namelijk alleen dan mogelijk de samenhangen tussen het Nederlands en de toeleverende talen, de gebieden en de domeinen getalsmatig tot uitdrukking te brengen. De onderscheiden domeinen worden hieronder omschreven en samengebracht in een schema dat hun onderlinge verhoudingen weergeeft. · bc: de blanken en hun cultuur Alles wat de blanken waren, hadden en deden, voor zover niet behorend tot een van de genoemde of nog te noemen domeinen. · bs: bestuur Alles wat betrekking heeft op het bestuur van het land en daarmee samenhangende handelsactiviteiten. · cp: cultuurplanten Inheemse en van elders ingevoerde planten die (mede) aangeplant en gecultiveerd werden, hetzij omwille van hun nuttige voortbrengselen, hetzij als sierplant. Hierbij horen ook alle plantagegewassen en hun spontane voortbrengselen, niet echter fabrieksmatig vervaardigde producten. · d: dieren Het betreft in bijna alle gevallen wilde dieren. Er is een kleine overlap met ‘ziektes’ (z), van welke enkele de naam dragen van de inwendige parasiet die ze veroorzaakt. · ic: de indianen en hun cultuur Alles wat specifiek betrekking heeft op de indianen, ook indien pas ontstaan als gevolg van hun contact met de kolonisten en de slaven. Er is een kleine overlap met de cultuur van de kolonisten en de slaven, waar dezen huisraad e.d. van de indianen hadden overgenomen. · ln: levenloze natuur Het klimaat, het weer, de geologie, de bodemgesteldheid, de natuurlijke wateren en alle andere eigenschappen van het natuurlijke landschap, behalve de dieren, de planten en de vegetatietypen.



14

· o: oorlog Alles wat te maken heeft met de weggelopen slaven en met de strijd tussen dezen en de kolonisten. · pp: plantage, personeel De personele aspecten, in de eerste plaats van de plantages: allen die op of ten behoeve van (een) plantage(s) werkten, alsmede slaven en hun functies in de stad. · pt: plantage, technisch De technische, landbouw- en veeteeltkundige aspecten van de plantages, zoals het systeem van watergangen, de indeling, de gebouwen, de machinerieën en de teelt- en productieprocessen. · r: rest · sc: de cultuur van de slaven Alles wat specifiek betrekking heeft op de slaven, behalve hun functies en werkzaamheden op de plantages en in de stad. · wp: wilde planten Niet aangeplante en niet gecultiveerde inheemse planten en hun natuurlijke voortbrengselen (hout, vruchten). Natuurlijke en half natuurlijke vegetatietypen. · z: ziektes Zie ook d.

15



Schematisch: Natuur

Cultuur

levenloze natuur dieren

ziektes

bestuur

wilde planten

cultuurplanten

plantage, technisch

cultuur van de blanken

plantage, personeel

oorlog

cultuur van de slaven indianen en hun cultuur

De relatie tussen de domeinen en de perioden De veronderstelling ligt voor de hand dat er allereerst, in de periode tot 1700, nieuwe woorden in gebruik raakten voor zaken en begrippen waarmee men het eerst en het meest te maken kreeg. Die woorden zouden dan moeten behoren tot de domeinen van de cultuurgewassen, het plantagesysteem, het bestuur en de indianen met hun cultuur. Wilde planten (eerst marktwaardige houtsoorten en andere nuttige gewassen), dieren (eerst jachtwild en eetbare vissen) en de zich ontwikkelende cultuur van de kolonisten zelf zouden dan kunnen volgen in de eerste helft van de achttiende eeuw. De cultuur van de slaven en de strijd tegen de bosnegers zouden nog weer wat later aandacht en dus aanvulling van de woordenschat hebben gevraagd: in de tweede helft van de achttiende eeuw. Echter, als we de gevonden woorden per domein getalsmatig over de drie perioden verdelen, dan wordt de genoemde veronderstelling niet bevestigd. Dat zal komen door de aard en de spreiding in de tijd van de bronnen. In zijn algemeenheid neemt per domein het aantal woorden toe met de toename van het aantal bronnen dat (mede) op dat domein betrekking heeft. De sterke toename van het aantal dierennamen in de periode 1700-1750 is te danken aan de lange opsomming bij Herlein en vooral aan de zeer grote bijdrage van de anonieme planter uit 1740. Al in de eerste periode, voor 1700, zijn drie liefhebbers planten, ook wilde, gaan bestuderen, te weten Van Aerssen van Sommelsdijck, Meyer (= Hermann) en Merian. Zij zijn verantwoordelijk voor het al vroeg optreden van vele plantennamen, waaronder ook de meeste die na die eerste periode niet meer terugkomen.



16

Het lijkt waarschijnlijk, als al gezegd, dat vele woorden uit het plantagewezen al in de eerste periode in gebruik zijn geweest. De meeste echter duiken pas op met Herlein en Anonymus (1740) in periode 2, waarna vooral Blom, Visscher Heshuysen en Roos (alle drie landbouwspecialisten) zorgden voor de verdere sterke stijging in de periode na 1750. Bijna alle woorden beginnend in periode 1 en het plantagepersoneel, het bestuur en de blanke cultuur betreffend komen uit de plakkaten (Schiltkamp & De Smidt). Een extra bijdrage aan het grote aantal nieuwe woorden uit de blanke cultuur in de periode na 1750 wordt geleverd door de inventarislijsten van Clifford Kocq & Vieira. Samenvattend kan gezegd worden dat een veronderstelde prioriteit en chronologie in de ontwikkeling van de behoefte aan nieuwe woorden bij de kolonisten niet in het materiaal terug te vinden is. De hoeveelheid bronnen en de eventueel (en soms toevallige) speciale gerichtheid van enige dezer zijn bepalend voor het chronologische verloop in de aantallen woorden.

3

De belangrijkste auteurs over het Nederlands in Suriname tot 1876

A.J. van der Aa is de auteur van het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dat in dertien genummerde delen verscheen van 1839 tot 1851. Met ‘Nederlanden’ worden ook de toenmalige koloniën bedoeld. Over Suriname ontleende hij veel aan Teenstra (1835, 1842). Janssen en ten Hove (1993) op hun beurt hebben dit alles opgespoord, bewerkt en verwerkt tot een aparte publicatie. Hun Historisch-geografisch woordenboek van Suriname bevat vele woorden die specifiek zijn voor het Suriname van die tijd, voor het merendeel hier niet nauwkeuriger te dateren dan 1839-1851. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck was van 1683 tot 1688 gouverneur van Suriname. Hij was een plantenliefhebber en zond zaden en levende exemplaren van wilde en (ten dele door hem zelf) gekweekte planten naar Amsterdam. De namen bij deze 61 planten, als vermeld in bijlagen bij twee brieven uit 1685 en 1686, zijn van zeer diverse herkomst. Een deel van deze is ongetwijfeld gemeengoed geweest onder de toenmalige kolonisten, een ander deel lijkt wellicht alleen door hemzelf opgetekend te zijn uit de mond van indiaanse informanten. Er zijn ook namen bij waarvan de herkomst (nog) niet kon worden achterhaald. Zie Oudschans Dentz (1938), Brinkman (1980), Wijnands (1983), Van Donselaar (1994:47). Anonymus (1679): Een in Suriname opgesteld ambtelijk verslag over een mislukte veldtocht tegen de Surinaamse Karaïben in 1679. Anonymus z.j. (1740). Dit ‘Ontwerp’, opgesteld door een kennelijk ter zake zeer kundige plantagedirecteur, heeft twee delen. Het eerste bestaat uit een lange, geordende, puntsgewijze opsomming van alle onderwerpen die bij een algehele beschrijving van Suriname aan de orde zouden moeten komen, in het tweede deel zijn alleen de onderwerpen die betrekking hebben op (of met) de plantagelandbouw voorlopig nader uitgewerkt. De schrijver vermeldt het werk van Labat (1731) te kennen. Zie Beeldsnijder (1994:289, noot 10), Van Donselaar (1996). Anonymus z.j. (1769). Van Trier-Guicherit (1991) vestigt de aandacht op dit als ‘klapper’ aangeduide hekelgeschrift over misdragingen van plantagedirecteuren, in het bijzonder ten opzichte van de slaven, en oppert mijns inziens overtuigend dat het geschreven is in navolging



18

van Van Dyk (1768). De auteur van de ‘klapper’ stelt een vervolg in het vooruitzicht. Op het titelblad van het exemplaar in de universiteitsbibliotheek te Leiden wordt in handschrift gewezen op overeenkomsten met Experientia (1771). Instemmend met de suggestie van Paasman (zie Van Kempen 2003:279) dat auteur dezelfde zou zijn als Experientia, stel ik als jaar van verschijnen 1769. Apricius (1677), een theoloog, had het initiatief en de leiding bij een kolonisatiepoging in 16761677 aan de Wajapoc, heden de grensrivier tussen Frans-Guyana en het Braziliaanse Amapa. Hij kende en gebruikte de op Brazilië geïnspireerde aanbevelingen van Keye (1659, 1660). Zie Lichtveld & Voorhoeve (1980:50); zie ook De Myst (1677) en Van der Woude (1677). Edward Bancroft, een bereisde Engelsman die zichzelf als een ‘gentleman in the medical faculty’ presenteert, wordt door Price & Price (1988) een ‘naturalist and chemist’ genoemd. Zijn boek van 1769 heeft vrijwel uitsluitend betrekking op de Guyanese, toen Nederlandse gebieden Demerara, waar hij woonde, en Essequibo. Hij heeft het boek de vorm gegeven van vier in 1766 geschreven brieven aan zijn broer, maar voegt daaraan op het titelblad toe ‘interspersed with a variety of literature and medical observations’. Fouten en onduidelijkheden laten zien dat zijn observatievermogen of dat van zijn informanten vaak tekortschoot. In de anonieme Nederlandse vertaling van 1782 zijn ook de voetnoten opgenomen uit de Duitse vertaling van 1769. Uit deze, alsmede uit de vertalingen zelf, blijkt dat de eveneens anonieme Duitse vertaler zelf ook een (goede) naturalist was, maar overigens, evenals zijn Nederlandse collega, niet beschikte over kennis op grond van eigen waarnemingen in de betreffende gebieden. Welke van de vele bij Bancroft vermelde volksnamen van planten en dieren werkelijk gebruikt zijn en waar, is bijzonder moeilijk uit te maken. E.J. Bartelink werd in 1834 in Suriname geboren als zoon van een Nederlandse plantagedirecteur en een negerslavin (Van Kempen 2003:461-462). Hij doorliep in het plantagewezen alle rangen van opzichter tot planter en administrateur. Zijn boek van 1916, geschreven in het toenmalige algemeen beschaafd, heeft betrekking op ervaringen in de jaren 1855-1863; bij verwijzingen is dat verdisconteerd - hij heeft de slavernij nog meegemaakt. Soms is het mogelijk en nodig bij hem woorden te onderkennen van na de genoemde periode. Zie ook Doelwijt (1974:26) en Van Kempen (2003:461). De Beet & Price (1982) en De Beet (1984): Twee publicaties vrijwel geheel bestaande uit bundelingen van authentieke verslagen uit de jaren 1750-1763 en 1765-1778, geschreven door bevelvoerende officieren, onderofficieren en ambtenaren die betrokken waren bij oorlog tegen of vrede met negers. Beide met een glossarium. N.B.: Price citeert eerstgenoemde publicatie in zijn latere werk met zichzelf als eerste auteur. E. Beijer was een Duitse koopman die enige tijd in Paramaribo woonde (Teenstra 1842:331). Opmerkelijk is de taal van zijn anoniem uitgegeven boek uit 1823: Nederlands, met slechts enkele aanwijzingen voor zijn ware herkomst. Hij noemt Lammens als een van zijn bronnen, kende ook Fermin (1770) en bekritiseert Stedman (1796).



19

Pierre Jacques Benoit, een Antwerpenaar van geboorte, bezocht Suriname vermoedelijk gedurende een groot deel van het jaar 1831. In zijn Franstalige boek van 1839 geeft hij blijk met veel belangstelling en inlevingsvermogen om zich heen te hebben gekeken, zowel in Paramaribo als daarbuiten. Echter, waar hij steunt op literatuur - hij kende Fermin (1770) en Stedman (1796) - of mondelinge inlichtingen van anderen maakt hij fouten en geeft hij ruimte aan zijn fantasie. Ook bij een aantal van de 98 prachtige en zeer instructieve illustraties kan vermoed worden dat de voorstelling niet alleen directe waarneming betreft maar ook gecomponeerd is. Zie De Groot (1980). Enerzijds introduceert de Nederlandse vertaling van 1980 enige nieuwe fouten, anderzijds worden een aantal fouten van Benoit zelf onder ‘Aantekeningen’ door de vertaler dan wel in de ‘Notes’ van De Groot gecorrigeerd. Adriaan van Berkel verbleef van 1671 tot ten minste 1674 in de ten westen van Suriname gelegen Nederlandse kolonie Berbice en was daar secretaris van de gouverneur. Hij geeft in het eerste deel van zijn boek van 1695 een levendig verslag van zijn belevenissen, dat bovendien verregaand werkelijkheidsgetrouw lijkt. Het tweede deel heet te berusten op zijn ervaringen als planter in Suriname van 1680 tot 1689. Al in 1925 echter legde Roth (1948: X) er terloops de vinger op dat dit deel een Nederlandse versie is van Warren (1667). Zie voor een latere analyse van deze bevinding Van Donselaar (1993). Dit rechtvaardigt de veronderstelling dat Goslinga (1985:267) zich door Van Berkels eigen vermelding van zijn planterschap heeft laten misleiden en dat Roth gelijk had met zijn opmerking ‘... Surinam ... (which, it seems, he never visited) ...’. Anthony Blom (1786, 1787, 1801-1802) was afkomstig uit de kring van hoveniers en tuinders. Na zijn aankomst in Suriname in 1766 klom hij op in de planterswereld van blankofficier (opzichter), via directeur (bedrijfsleider) tot administrateur (bewindvoerder). Hij ontwikkelde zich tot een ware landbouwdeskundige en had buitendien veel belangstelling voor andere facetten van land en volk van Suriname. Een boek over de Surinaamse landbouw, waarvan hij samen met de ‘Raad van Justitie’ Visscher Heshuysen de tekst had opgesteld, werd door de laatste geheel naar eigen inzicht in 1786 in Nederland gepubliceerd. Het uitvoerige ‘voorwerk’ en de hoofdstukken 11 en 17 zijn zelfs geheel alleen van zijn hand - dit alles zeer tot ongenoegen van Blom, die een jaar later een eigen, slechts weinig andere versie het licht deed zien (Oostindie & Van Stipriaan 1991). Achteraf valt de uitgave van 1786 toe te juichen, omdat alleen die is voorzien (door Visscher Heshuysen) van onder meer vele verduidelijkingen in voetnoten en van een uitvoerig glossarium, alsmede de mededeling dat schrijver(s) de werken van Labat (1731) en Fermin (1765-1770) kenden. Blom voegde met zijn werk van 1801-1802 weinig nieuws aan het al voorafgegane toe. Hij overleed in Paramaribo in 1807. W. Boekhoudt, een theologiestudent, werkte in de jaren 1845-1849 in Suriname als huisonderwijzer voor een plantagedirecteur en publiceerde later (1874) zijn bevindingen (Bakker e.a. 1993:43-45). Van Bouwhuijsen e.a. (1988): Voornamelijk een geordende verzameling van authentieke contemporaine documenten betreffende de strijd tegen bosnegers (1757-1759). Met een glossarium.



20

Charles Brouwn (1796) schreef een ambtelijk, samenvattend verslag over de strijd tegen bosnegers van 1761 tot 1793. Carl Gustav Dahlberg, een Zweed, kwam in 1746 als korporaal naar Suriname en klom op tot ‘Raad van Policie en Crimineele Justitie’. Vanaf zijn komst tot 1781 verzamelde hij vele planten (Ek 1991:35). In het archief van de Linnean Society te Londen bevindt zich een ongedateerde catalogus bij een collectie van 49 van zijn planten. Voor zover hij daarin refereert aan eerdere waarnemingen van anderen, beperkt zich dat tot Labat (1731). Deze catalogus werd in 1934 ten behoeve van de Universiteit Utrecht overgeschreven door H. Uittien en vervolgens geanalyseerd (Lanjouw & Uittien 1935). Auteurs komen tot een datering van 1746-1754, maar later onderzoek van Ek (zie aldaar) heeft uitgewezen dat dat 1766-1771 moet zijn. Van der Doe e.a. (1992): Een bundel brieven en verslagen, voornamelijk verzonden door gouverneurs en andere vooraanstaande lieden in Suriname aan de Staten van Zeeland en aan elkaar. Met een glossarium. Pieter van Dyk z.j. (1768). Na een taalgids bestaande uit lijsten van per domein gerangschikte woorden, korte uitdrukkingen en korte zinnetjes in het Neger-Engels met hun vertaling in het Nederlands, volgen een aantal samenspraken, ook weer in beide talen. De langste van deze, getiteld ‘Het leeven en bedrijf van een Surinaamsze directeur met de Slaaven op een KoffiePlantagie’, geeft een beeld van de gruwelijke behandeling waaraan laatstgenoemden onderworpen konden worden; deze is ook in verkorte vorm opgenomen in Lichtveld & Voorhoeve (1980:220-229). Een analyse van het ongedateerde boekje door Van Trier-Guicherit (1991) wijst uit dat het hier gaat om informatie uit de eerste hand en dat het jaar van verschijning waarschijnlijk 1767 of 1768 is. De volledige tekst is opnieuw gepubliceerd door Arends & Perl (1995), die als jaar van verschijnen ca. 1765 geven. Don Experientia (1771). In een satirisch toneelstuk beschrijft de auteur de malversaties van het hogere personeel op plantages in Suriname en het bedrog gepleegd ten opzichte van de eigenaars in Nederland. Het zou het vervolg kunnen zijn op de ‘klapper’, als bedoeld door Anonymus (1769). De Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917:611) geeft als plaats van uitgave Paramaribo, maar die wordt in het boekje zelf niet vermeld. Gezien het onderwerp en het gebruik van voornamelijk - niet uitsluitend - het toenmalige Nederlands van Nederland lijkt verschijning in Nederland evenzeer mogelijk. Philip Fermin, een in Berlijn geboren arts van Franse afkomst, oefende zijn beroep uit in Suriname van 1754 tot 1762 (Blonden 1930, Oudschans Dentz 1942a). Al het vele dat hij daarna publiceerde schreef hij na terugkeer in zijn ook al eerdere woonplaats Maastricht. Zijn mededeling dat hij zich daarbij uitsluitend baseerde op eigen, nauwkeurige waarnemingen (1765, opdracht), wordt gelogenstraft door vele, soms essentiële fouten in zijn teksten en figuren. Dat begon met de onjuiste beschrijving van het voortplantingsgedrag bij de Surinaamse pad (pipa, Grzimek 1975,5:449-451), waarop hij in 1763 in Berlijn promoveerde. Zijn daarna volgende geschriften over ziektes (1764), planten en dieren (1765) en Suriname in het algemeen (1769) zijn later uit het Frans in het Nederlands vertaald. Uit niets blijkt dat Fermin, behalve



21

de door hem vermelde Merian (1705), nog andere bronnen kende dan Franstalige aan welke hij wel (Labat 1731, Buffon 1749-1788) of niet (De Rochefort 1662) refereert. Hij beheerste het Nederlands kennelijk niet of slecht en dat geldt ook voor het Neger-Engels, ondanks zijn bewering van het tegengestelde (1765:IV). Fermins onbetrouwbaarheid is tijdgenoten en latere inwoners van Suriname niet ontgaan: Nepveu (1771:6), Visscher Heshuysen en Blom (1786:I-III e.a), Mazer (1788:96) en Nassy (1791:153) kraken hem ieder op hun eigen manier af. De Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917:296) vermeldt hem wel, zij het gebrekkig, de Encyclopedie van Suriname (1977) besteedt aan hem geen expliciete aandacht. Al het voorgaande mag niet verhelen dat Fermin een groot aantal woorden aandraagt die in het kader van het onderhavige onderzoek van waarde zijn geweest. Het heeft echter bij hem, meer dan bij enige andere auteur, veel moeite gekost het kaf van het koren te scheiden. Hendrik Charles Focke, in 1802 geboren in Suriname als zoon van een uit Nederland afkomstige plantagedirecteur, ontving middelbaar en academisch onderwijs in Nederland, promoveerde daar, werd advocaat, en bleef dat na zijn terugkeer in Suriname tot 1837. Vervolgens heeft hij verscheidene functies bij de rechterlijke macht bekleed, ten slotte onder meer die van ‘President van het Collegie van Kleine Zaken’. Buitendien was hij, als amateur, een kundige botanicus, taalkundige en musicoloog, zoals mag blijken uit o.m. zijn postume publicaties van 1858. In zijn Neger-Engelsch Woordenboek van 1855 bedient hij zich bij de vertaling van Sranan woorden zo nodig (en dat is vaak) van een Surinaams-Nederlands equivalent. Hij overleed in 1856. Zie John Focke (1983). Pieter Constantijn Groen maakte in de jaren 1792-1794 een inspectiereis langs enige plantages in Suriname en Berbice in opdracht van de eigenaars in Nederland. Hij bezocht ook de toen Nederlandse, meer westelijk gelegen koloniën Demerara, Essequibo en Pommeroen. Hij legde zijn bevindingen neer in een handgeschreven journaal van vijf delen; Suriname komt ter sprake in deel 3 van 1793. Het is mogelijk dat hij specifieke woorden die hij in één gebied oppikte, ook bij de behandeling van andere gebruikte. Hiermee is bij de verwerking hier rekening gehouden. Jan Jacob Hartsinck was onder meer ‘president van de hoofdparticipanten’ van de West-Indische Compagnie en had een vader die 25 jaar lang directeur was van de Geoctroyeerde Societeit van Suriname. Deze omstandigheden gaven hem toegang tot vele documenten uit en over de Zuid-Amerikaanse bezittingen en brachten hem ook rechtstreeks in contact met vele (door hemzelf niet met name genoemde) informanten die de betreffende gebieden dankzij eigen ervaring kenden. Zelf is Hartsinck nooit buiten Nederland geweest. Zie Oudschans Dentz (1942b). In zijn indrukwekkende, tweedelige boek van 1770 heeft hij genoemde documenten en mondelinge informatie verwerkt en bovendien veel literatuur, waaronder De Laet (1625, 1630), David de Vries (1655), Keye (1659), de vertaling van Warren (1669), Apricius (1677), en Herlein (1718). Hij noemt deze allen, zij het slechts bij de eerste aanhaling en daardoor verder moeilijk herkenbaar. Uit de wijze waarop hij Van Berkel (1695) vermeldt, blijkt dat diens bedrog inzake Suriname hem ontgaan is. Niet genoemd, maar aantoonbaar wel gebruikt zijn De Rochefort (1662), Pistorius (1763) en Bancroft (1769). Te betreuren valt dat hij zonder bronvermelding in zijn hoofdstukken over planten en dieren gebruik maakt van het desbetreffende boek van



22

Fermin uit 1765 en het daarbij kennelijk moest stellen zonder een ingewijde die hem voor een aantal fouten had kunnen behoeden. Ook de door hem genoemde aantekeningen van Nepveu - waren dat die van 1765? - hebben in dezen hun uitwerking gemist. Een ander probleem is dat hij in diezelfde hoofdstukken geen onderscheid maakt tussen namen die in Suriname en die in het aangrenzende Berbice en verderop naar het westen in gebruik waren. Pas door een nauwkeuriger analyse, mede aan de hand van de indianentalen Arowaks en Karaïbisch en de creooltalen Berbice-Nederlands en Neger-Engels, kan in de meeste gevallen wel achterhaald worden welke woorden toentertijd in Suriname in gebruik moeten zijn geweest, maar in een aantal gevallen blijft dat onzeker. Zie Van Donselaar (1997a). J.D. Herlein is de auteur van een boek ‘over Suriname’ dat in 1718 verscheen. Uit onderzoek van U.M. Lichtveld (1966) is gebleken dat deze Fries vermoedelijk van 1707 tot 1715 in Suriname verbleef. Zij vermeldt reeds dat zijn beschrijvingen voor een belangrijk deel zijn ontleend aan, zo niet overgeschreven van de door hem genoemde De Rochefort (1662) die betrekking hebben op toen Franse Caraïbische eilanden. Zijn enige andere met name genoemde bron is De Lery, vermoedelijk de vertaling van 1597; die schreef over Brazilië. Uit nader onderzoek is inmiddels gebleken dat hij ook Van Berkel (1695, over Berbice) verwerkte dan wel plagieerde (Van Donselaar 1993). Als overige niet vermelde, maar wel aantoonbaar gebruikte bronnen kunnen nog toegevoegd worden Piso & Marcgrave (1648), Keye (1659), S. de Vries (1682) en Staden (1707), alle betrekking hebbend op Brazilië. Ook twee van zijn prenten zijn gemaakt naar of geïnspireerd door Braziliaanse voorbeelden (Kolfin 1997:33). In het bijzonder aan dezen, naast de al genoemde De Lery, moet toegeschreven worden dat hij, behalve authentiek Surinaamse, vele namen opsomt die aan planten en dieren gegeven werden in het eertijds Nederlandse Noordoost-Brazilië, waaronder er zijn die in Suriname zelfs niet voorkomen. Nepveu (1771) wist kennelijk niets van dit alles toen hij tevergeefs probeerde met zijn eigen bevindingen over Surinaamse indianen (p. 283), planten en dieren (p. 331, 346 e.a.) bij Herlein aansluiting te vinden. Herlein behoort dan ook tot de auteurs bij wie zorgvuldig zoeken, confronteren met publicaties van anderen, wikken en wegen nodig is om het ook aanzienlijke zuiver Surinaamse element uit zijn vocabularium op te diepen. Opmerkelijk zijn ook twee aanhangsels. Het eerste (p.242-248), genoemd ‘Notitie’, geeft een opsomming van 350 à 400 goederen die vanuit Europa in Suriname vrij mogen worden ingevoerd. De namen van dertig dezer producten staan niet in het WNT, wat geenszins hoeft te betekenen dat ze toen specifiek voor Suriname zouden zijn geweest. Het is zelfs de vraag of Herlein deze lijst zelf heeft samengesteld. Het andere aanhangsel (p. 249-262) behelst een ‘Karaïbaans woorden-boek’, waarvan vermeld wordt dat het overgenomen is uit de Nederlandse vertaling (1662) van Rochefort (1658). Herleins boek wordt noch in de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (19141917), noch in de Encyclopedie van Suriname (1977) besproken. Het is opgenomen in Arends & Perl (1995). Hermann (1689). Het zogenoemde ‘Herbarium Hermann’ is een map met gedroogde planten die waarschijnlijk in de jaren 1687-1689 door de overigens onbekende Hendrik Meyer in Suriname verzameld werden en in 1689 geschonken werd aan de Leidse hoogleraar in de plantkunde Paul Hermann (Ek 1991). De map berust nu bij het Nationaal Herbarium Nederland. De planten werden voor zover mogelijk gedetermineerd door Van Ooststroom (1939). De



23

namen die ze van Meyer meekregen zijn van zeer verschillende herkomst; sommige zijn nog in het geheel niet getraceerd. M. Houttuyn, een arts en naturalist, publiceerde van 1761 tot 1785 een voor zijn tijd voorbeeldig standaardwerk van 38 delen over de levende have alsmede de mineralen van de gehele aarde, zich baserend op eerder werk van Linnaeus. Het bevat vele volksnamen van planten en dieren uit meerdere talen, waaronder specifiek Surinaamse. August Kappler, een Duitser, verbleef in Suriname van 1836 tot 1841 als militair, van 1842 tot 1879 als ondernemer in de landbouw, de veeteelt en de bosbouw, enige jaren tevens als houder van een bestuurspost. Hij verzamelde vele planten en dieren voor verkoop in Europa. De vertalingen van twee van zijn in het Duits geschreven zeer informatieve boeken (van 1854 en 1883) die in het bijzonder gaan over zijn avontuurlijke leven in het binnenland, zijn dermate deskundig dat ze voor dit woordenboek zonder bezwaar gebruikt konden worden. Die van 1854, handelend over de periode 1836-1842, wordt hier geciteerd uit de heruitgave van 1983 (als 1983a). Zie Bubberman (1983). Ottho Keye was officier in Nederlands-Brazilië en nam later (1658-1660) deel aan een mislukte kolonisatiepoging in het deel van Guyana dat nu Frans is. In 1659 verscheen van hem het hier aangehaalde boek ‘Het waere onderscheyt tussen koude en warme landen’, waarin hij voorgeeft een vergelijking te maken tussen ‘Nieu-Nederlant’ in Noord-Amerika en het Zuid-Amerikaanse Guyana, waarbij een sterke nadruk valt op laatstgenoemd gebied. In de ‘opdracht’ door Keye zelf en in een gedicht van Q. Spranger, ook deel uitmakend van het voorwerk van het boek, wordt zonder omhaal gesteld dat het hier in feite over het toenmalige Nederlands-Brazilië gaat. De bevindingen van het onderhavige onderzoek zijn dienovereenkomstig en dat heeft gevolgen voor de interpretatie van het woordgebruik. Hetzelfde boek verscheen in hetzelfde jaar (maar gedateerd 1660) ook nog bij een andere uitgever onder een andere naam, namelijk ‘Beschryvinge van het heerlijcke en gezegende landt Guyana waer inne gelegen de seer voorname landstreke genaemt Serrename’. Alleen in het voorwerk zijn kleine veranderingen aangebracht. Zie Benjamins (1926). T.A. Kuhn was een Nederlandse arts die in Suriname verbleef om medisch onderzoek te doen. Zijn verslag van 1828 is rijk aan informatie van allerlei aard. Ioannes de Laet, een zeer geleerde en belezen man, was onder meer een van de Heren XIX van de West-Indische Compagnie. Hij is nooit buiten Nederland geweest en baseerde zijn uitvoerige publicaties over andere landen op schriftelijke en mondelinge bronnen die hij kritisch verwerkte. Zie Boxer (1957:293). De beschrijving van Guyana in zijn boek van 1625 heeft betrekking op de delen die nu Braziliaans en Frans zijn; hij vermeldt dat de gegevens ontleend zijn aan Harcourt (1613). Zie ook Van Donselaar (1997b). Adriaan François Lammens was een Nederlandse jurist die van 1815 tot 1835 in Suriname werkzaam was bij de rechterlijke macht, vanaf 1828 als ‘President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie’. Zijn belangstelling voor Suriname was welhaast grenzeloos en zijn ijver



24

erover te schrijven ook. Zijn geschriften zijn verspreid geraakt (zie Voorhoeve 1960) en later slechts ten dele gepubliceerd (De Bruijne 1982). Hij verwijst naar o.m. Herlein (1718), Fermin, Hartsinck (1770), Sneebeling (1775), Bancroft (1782), Blom (1786), Voegen van Engelen (17861788), Nassy (1791), Stedman (1796) en Von Sack (1821). Jean de Lery (‘Lerius’) was een Fransman die als zendeling in 1556-1557 een half jaar verbleef onder mensenetende Tupinamba, een indianenvolk in het kustgebied van tropisch Brazilië. Van zijn fascinerende verslag uit 1578 is de tweede versie, van 1580, alom bekend geworden en vertaald - in het Nederlands, anoniem, in 1597. Maria Sybilla Merian verbleef in de jaren 1699-1701 in Suriname en verzamelde daar de gegevens die leidden tot haar beroemde, wereldwijd verbreide en vertaalde boek van 1705 over de gedaanteverwisseling van insecten. Dat boek bevat 60 platen met dieren en planten en daarbij behorende beschrijvingen, waar mogelijk met volksnamen. Rücker & Stearn (1982) geven bij dit alles de huidige wetenschappelijke namen, alsmede bij nog acht soortgelijke platen die postuum werden gepubliceerd. De determinaties zijn van V.O. Becker en W.T. Stearn. Zie ook Wettengl (1998). G. de Myst (1677) was een van de twee ‘Hooge Raaden’ bij het bestuur van de kolonie aan de Wajapoc in 1677 (Hartsinck 1770:930). Zie ook Apricius (1677) en Van der Woude (1677). David D.J.C. Nassy betreft de anonieme vertaling uit 1791 van een oorspronkelijk Franstalig boek uit 1788 over de geschiedenis van Suriname. Het wordt vaak onder de Franse titel geciteerd (‘Éssai Historique’), maar even vaak onder de naam De Leon of de naam Nassy. Dat moet als volgt verklaard worden. De ‘opdragt’ aan het begin is ondertekend door vijf personen, waarvan Mos. Pa. de Leon de eerste is. Onder de daarop volgende ‘voorreden’ staan dezelfde namen plus nog een zesde, nu met bovengenoemde Nassy aan het hoofd. Zie Encyclopedie van Suriname (1977:417). Jan (of Jean) Nepveu woonde en werkte van 1734 met een onderbreking tot zijn dood in 1779 in Suriname, vanaf 1769 als gouverneur. Hij bestudeerde aan boord van een schip op weg van Suriname naar Nederland het boek van Herlein uit 1718 en zette zijn commentaar daarop alsmede nog het een en ander wetenswaardigs over Suriname meteen op schrift. Ook de kladversie van het manuscript (1765) is grotendeels bewaard gebleven. Na kennisneming van Warren (1669), Pistorius (1763) en vooral van het inmiddels verschenen boek van Hartsinck uit 1770 - zie ook Nepveus ‘Nottitie’ dienaangaande (1770) - maakte hij een definitieve versie (1771, ‘merkelijk vermeerdert en verbetert’, onder meer met een woordenlijst en een register), die hij vervolgens met een begeleidende brief toezond aan de Societeit van Suriname (Bijlsma 1921). Zie voor verdere details Herlein hiervoor en De Groot (1983:127). Thomas Pistorius was ‘Raad van Policie en Crimineele Justitie’ toen hij het boek schreef dat in 1763 uitkwam en inderdaad, zoals de titel zegt, Suriname kort en zakelijk behandelde. Reeds Nepveu (1771:6) stelde vast dat veel was ontleend aan of rechtstreeks overgeschreven van Herlein (1718). Pistorius vermeldt dat niet. Wel blijkt dat hij zich bij het overnemen met kennis van



25

zaken beperkt heeft tot wat echt Surinaams was, met andere woorden alle wijsheid uit Brazilië en van de West-Indische eilanden heeft weggelaten. Pistorius heeft het boek gedicteerd, omdat hij zelf slecht zag (‘voorrede’, p. 3); volgens Nepveu (zie boven) was hij toen zelfs blind. Christlieb Quandt, een Hernhutter zendeling van Duitse afkomst, verbleef van 1768 tot 1780 onder Arowakken in het westen van Suriname. Hij heeft er zijn ogen en oren goed de kost gegeven en verwerkte zijn dagboekaantekeningen tot 22 gefingeerde brieven aan een vriend, die samen het Duitstalige boek uitmaken dat in 1807 verscheen. Hij kende toen inmiddels het werk van Labat (1731). Waar het Duits tekortschoot, gebruikte Quandt goed herkenbare letterlijke vertalingen of verduitsingen van (Surinaams-)Nederlandse woorden. Zie Van Renselaar (1968). Jan Reeps, een koopman uit Hoorn, leed met een groep van aspirant-kolonisten in 1692 schipbreuk voor de kust van Zuid-Amerika even ten zuiden van de Amazonedelta. Na een moeizame tocht door het toen merendeels Portugese deel van Guyana bereikte hij Suriname. In een bewaard handschrift beschrijft hij niet alleen de tocht, maar ook zijn verblijf in Suriname, aangevuld met allerlei wetenswaardigheden over dat gebied. Onder de van Suriname geregistreerde ‘Braziliaanse’ woorden zijn er die door Reeps kunnen zijn meegenomen. Zie Van Alphen (1960). Paul François Roos werkte vanaf 1768 met een korte onderbreking tot zijn dood in 1805 in Suriname, waar hij achtereenvolgens plantage-employee en koopman was en ten slotte ‘Raad van Policie en Crimineele Justitie’. Hij schreef over zijn Surinaamse leven gedichten, die tussen 1783 en 1804 in elkaar overlappende en duplicerende bundels gepubliceerd werden. Zie Voorhoeve (1955), Van Wel (1971) en de Encyclopedie van Suriname (1977). Voor de onderhavige studie is vooral van belang de lange ‘Schets van het plantaadjeleven’ uit 1788, ook opgenomen door Lichtveld & Voorhoeve (1988:204-213) met vele verhelderende aantekeningen. Roos is voor de terminologie van het plantagewezen in dit gedicht kennelijk te rade gegaan bij Blom en Visscher Heshuysen (1786). Schiltkamp & De Smidt (1973). Het plakkaatboek van Suriname bevat 1137 plakkaten en andere merendeels ambtelijke publicaties uit de periode 1667-1813. Ze geven een schat aan wetenschappelijke informatie over vele aspecten van het leven in Suriname, ook over de woordenschat van de kolonisten. Met een uitgebreide index. Zie ook Van Donselaar (1997d). Albertus Seba was een naturalist die een deel van zijn zelf verzamelde en van anderen ontvangen tropische planten en dieren beschreef en met prachtige figuren publiceerde in een vierdelig werk van 1734-1763. Waar mogelijk voegde hij volksnamen toe, waaronder een aantal uit Suriname. Zie Price & Price (1988:637). Johannis Sneebeling kan, als geopperd door Voorhoeve (1960:46), een plantagedirecteur ‘in de Para’ geweest zijn, maar meer valt er over zijn rol in Suriname niet te zeggen. Evenwel, in de bibliotheek van de Stichting Surinaams Museum te Paramaribo zit onder de handschriften van Lammens (zie aldaar) een stuk dat zijn naam draagt en als jaartal 1775. Het heet ‘Van de Indianen’. Kloos (1973) heeft dit stuk, enigszins bewerkt ter wille van de begrijpelijkheid en voorzien van commentaar, gepubliceerd. Graag onderschrijf ik de indruk van Kloos dat het



26

om een authentieke beschrijving gaat, berustend op eigen waarnemingen, en dat de beschreven indianen Karaïben zijn. John Gabriel Stedman, in Nederland geboren, had een Schotse vader en een Nederlandse moeder. Hij maakte deel uit van de Schotse Brigade, een legereenheid van de Republiek, die in de jaren 1773-1777 in Suriname werd ingezet om de bosnegers te bestrijden. In zijn Engelstalige boek van 1796 geeft hij een schitterende beschrijving van zijn waarnemingen en belevenissen, adequaat aangevuld met oudere gegevens van met name genoemde anderen en van elders, te weten David de Vries (1655), Merian (1705), Buffon (1749-1788), Seba (1734-1765), Bancroft (1769) en Vosmaer (1766-1787). Opmerkelijk is de wijze waarop hij allerlei (Surinaams-)Nederlandse woorden, in het bijzonder namen van planten en dieren, zodanig Engels-fonetisch spelt dat ze voor een spreker van het Nederlands goed herkenbaar zijn. Het was al langer bekend dat Stedman in dit boek tegemoetgekomen was aan wensen van zijn uitgever (zie Van Lier 1974:XXIV), maar de mate waarin bleek pas na de vondst en de uitgave van de tekst volgens het oorspronkelijk manuscript uit 1790 door Price & Price (1988). De twee hier genoemde versies (van 1796 en van 1790), beide gebruikt voor het onderhavige onderzoek, zijn voorzien van honderden noten die ook taalkundig van grote waarde zijn. In het bijzonder waar het planten en dieren betreft hebben Price & Price die noten overgenomen van Van Lier (1972). De anonieme vertaling in het Nederlands van 1799-1800 levert, hoe bestuderenswaardig ook, geen aanvullende lexicografisch belangwekkende informatie - hij werkt hier en daar eerder verwarrend. Cornelis Ascanius van Sypesteyn diende van 1846 tot 1855 als militair en later als adjudant van de gouverneur in Suriname en was daar van 1873 tot 1882 zelf gouverneur. Toen hij zijn beschrijving van het land publiceerde (1854) was hij adjudant van de gouverneur. Zie Encyclopedie van Suriname (1977:597). Marten Douwes Teenstra, een telg uit een familie van Groningse herenboeren, werd, nadat hij al in Nederlands Oost-Indië en op de Nederlandse Antillen gewerkt had, in 1828 door de Nederlandse regering als landbouwkundig adviseur naar Suriname gezonden. Hij bleef daar tot 1834. Hij heeft er ook op exploitatie gericht bosonderzoek gedaan. Mede door de grote belangstelling die hij voor land en volk van Suriname opvatte, kon hij later zijn verworven kennis en inzichten vastleggen in twee boeken, van 1835 en 1842, in welke hij laat weten inmiddels gelezen te hebben Merian (1705), Herlein (1718), Pistorius (1763), Fermin, Hartsinck (1770), Blom (1786, 1787), Roos (1789), Stedman (1796 of de vertaling?), een vertaling van Von Sack (1821), Beijer (1823), Lammens en Kuhn (1828). Zijn boeken bevatten een schat aan als zodanig betrouwbare Surinaams-Nederlandse woorden. Bij zijn vele namen van dieren, bomen en andere planten zijn er enige tientallen die, bij gebrek aan nadere gegevens, (nog) niet thuis gebracht kunnen worden. In het laatste boek onder zijn naam, dat van 1842, keert hij zich tegen de slavernij en daarna nog tweemaal anoniem (Van Kempen 2003:317, 322). Zie verder de Encyclopedie van Suriname (1977) en Van Weerden (1968). Visscher Heshuysen: zie Blom (1786).



27

Jacob Voegen van Engelen vertrok in 1785 of 1786 als arts naar Suriname en overleed daar in 1794 of niet veel later. Zijn functie was toen ‘Raad van Civiele Justitie’. Hij stichtte het tijdschrift De Surinaamsche Artz en schreef dat vervolgens grotendeels zelf vol. Zie Lindeboom (1981). David Pietersz. de Vries bezocht als marineofficier in 1635 de kust van het tegenwoordige Frans-Guyana en voer de Suriname een eindweegs op. Zijn boek van 1655 wordt door historici vaak aangehaald. Colenbrander (1911) veronderstelde al dat zijn beschrijvingen van de natuur (pp. 196-198) niet van hemzelf waren, maar besteedde hieraan, evenals latere auteurs, verder geen aandacht. Het onderhavige onderzoek doet blijken dat het betreffende gedeelte door De Vries, met kleine toevoegingen, is overgeschreven van De Laet (1625). S. de Vries (1682) bedoelde met West-Indië geheel tropisch Amerika. Hij maakte een compilatie van alles wat hij daarover te weten was gekomen. Hier ter zake doende is Brazilië. Hij vermeldt Lerius (1586) en lijkt ook Piso & Marcgrave (1648) verwerkt te hebben, wellicht ook Van Linschoten (1596), niet echter Keye (1660). George Warren, een Brit, verbleef naar zijn eigen getuigenis drie jaar in de Engelse kolonie Suriname en gaf van deze een korte en, naar het lijkt, geheel eigen en betrouwbare beschrijving in 1667. De anonieme vertaling in het Nederlands van 1669 is van de hand van een (inzake het onderwerp) ondeskundige. Zie Van Donselaar (1993). G.C. Weygandt schreef een leerboekje voor het Sranantongo (1798). Het bevat lijsten van woorden en ‘samenspraken’, van welke menige door hemzelf gegeven Nederlandse vertaling een Surinaams stempel draagt. Elisabeth van der Woude was 21 jaar toen zij in 1677 de eerste fase van de later mislukte kolonisatiepoging aan de Wajapoc in het huidige Frans Guyana meemaakte. Ze legde haar ervaringen (1677) vast in een dagboek. Zie Lichtveld & Voorhoeve (1980:42-43) en Muller (2001).

4

Alfabetische lijst van Nederlandse woorden in Suriname van 1667 tot 1876

31

aal

a aal, gemarmerde kieuwspleetaal, een vis van het zoete water (Synbranchus marmoratus). < Europees-Nederlands aal (paling), een andere vis (Anguilla anguilla) waar de Surinaams-Nederlandse aal op lijkt. 1740 (Anonymus 24). 1798 (Weygandt 40). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 671). Zie ook: slangevisch*, snekifisi*, sombo*. Ø /N’/d/2-5/-. aan: zie fort*. aanbrassen, als brassen*. 1783 (Roos 34). Ø /N-E/pt/3/-. aankomende (aan), behorende aan, behorende tot, behorende bij. Een formulering algemeen aangetroffen in berichten en advertenties waarin sprake is van een slaaf (slavin) en zijn (haar) eigenaar of diens plantage*, indien eerstgenoemde te koop wordt aangeboden of weggelopen is. Voorbeeld: “...nog als afwezig opgegeven ...De slaaf Toontje, aankomende H. Stenhuijs.” (De Surinaamsche Courant 1854). 1720 (Bijlsma 1922:326) - 1858 (Bakker e.a. 1993:50). Ø /N’/r/1-4/-. aboma, anaconda, waterboa (Eunectus murinus). < Sranantongo aboma (Fermin 1765:33) < Afrikaans bom(ma), aboma (oed 2:374). 1740 (Anonymus 24, pomma). - 1816 (Lammens 110, abomaslang). 1835 (Teenstra 2:215). →. Opmerking: In recentere publicaties wordt de naam soms gegeven aan de ‘boa constrictor’ (papa* of papaslang*), vermoedelijk onder invloed van de ruimere betekenis van boa in het Engels (zie oed 2:374). Ø /S/d/2-6/-. abonjera, bonjera, sesam, een uit Afrika ingevoerd kruid (Sesamum indicum).

achiote

< Sranantongo abonjira (Schumann 1783:3). Hermann 1689 (fol. 25) geeft bowangala, wellicht ook al Sranantongo, Dalton (1855, 2:206) voor Westelijk Guyana vanglo, wangala. Van deze laatste twee alsmede verwante vormen op Jamaica stellen Cassidy & Le Page (1980:462): van Kongo wangila. Met a-: 1872 (Anonymus 67). - 1910 (Sack 59). → (abongra, als Sranantongo). Zonder a-: 1768 (Hoogbergen 1978:461, bonjeras). - 1802 (Blom 144, bongera). Ø /S/cp/2-6/-. abo-tya, als marmeldoosje* (1 en 2). < Sranantongo abadya (Klooster e.a. 154). 1835 (Teenstra 2:275, abo-taya). Ø /S/ wp/4/-. abrikoos, een ingevoerde en gekweekte boomsoort (Mammea americana) met eetbare vruchten, van welke de naam niet aangetroffen is. < Europees-Nederlands abrikoos, een andere boom (Prunus armeniaca) en zijn vrucht, waarvan het oranje vruchtvlees en dat van de bovengenoemde op elkaar lijken. Vergelijk Frans abricotier (Houttuyn 2, 3:16; 1774), Engels (St. Domingo) apricot op St. Lucia (Allsopp 38). 1770 (Hartsinck 45). 1883 (Westeroüen van Meeteren 32, wilde abrikoos). Zie ook: mammie*. Ø /N’/cp/2-5/-. abrikoosboom: als abrikoos*. 1770 (Hartsinck, in register). Ø /N’/cp/2/-. acacia, flamboyant, een ingevoerde boomsoort (Delonix regia). < Europees-Nederlands acacia, boom­ soorten uit andere genera (Acacia, Robinia) waar de flamboyant op lijkt. 1839 (Benoit 35). 1881 (Kappler 1883:99). →. Ø /N’/cp/4-6/-. acajou(-): zie caschou(-)*. Accourie(-), Acourie(-): zie Akoerie(-)*. achiote, de inheemse en eertijds ook aan-

achterdam

geplante anattoboom (Bixa orellana), waarvan de vruchten de kleurstof anatto (orleaan, bixine) leveren. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1718 (Herlein 219). 1763 (Pistorius 3). Volgens Nepveu (1771:368) was de naam in zijn tijd in Suriname niet in gebruik. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:85, achiolt). Zie ook: koesoewe*, rocoe*. Ø /Am/ cwp/1-2/W./. achterdam, dijk (dam*) aan de achterzijde van een plantage*. 1786 (Visscher Heshuysen 214). 1867 (Oostindie 1989:22). →. Zie ook: achterpolder*, binnenpolder*. Ø /N-(N’?E?W?)/pt/3-6/-. achtergrond (-en), als achterland*. 1854 (Van Sypesteyn 189). Ø /N-E/pt/4/-. achterland (-en), land achter het eerst ontgonnen deel van een plantage*. < Europees-Nederlands achterland, dat is onder meer niet of minder gecultiveerd land achter cultuurland in het algemeen. 1749 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 338). - 1854 (Van Sypesteyn 189). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 338). Ø /N’/pt/2-5/-. achterpolder, dijk (polder*, dam*) aan de achterzijde van een plantage*. 1773 (Hoogbergen 1985:50) - 1867 (Oostindie 1989:22). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 568). → (verouderend). Zie ook: achterdam*, binnenpolder*. Ø /N-N’/pt/2-6/-. acosjuna, niet geïdentificeerde plant, “de distel niet ongelijck draagende schoone geele appels” (Van Aerssen van Sommelsdijck, zie beneden). Herkomst van het woord vermoedelijk indiaans. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 2 nr. 3; nr. 21, ocossuwa). Ø /Ind.?/wp/1/-.

32

administratie

Acurie: zie Akoerie*. Adam-en-Evaas-boom, een boomwurger die zelf tot een zeer grote boom uitgroeit (Ficus maxima). Hartsinck (1770:83, 84) geeft de naam voor Suriname, Westelijk Guyana of beide - en verklaart deze, doordat de liaan “zich om een Boom hechtende de gedaante aanneemt van een paar Menschen met de Armen in malkander gestrengeld”. Zie ook: kato*. Ø /(X-N)?W?/wp/2/W./. adderdier (-en), adderslang, gifslang. In Nederland is adderslang heden een pleonasme voor ‘adder’, de enige gifslang in Nederland, en voor enige uitheemse verwanten van deze. 1718 (Herlein 81, adder-dier). Adderslang bij Fermin (1765:53; 1769, 2:236). Bij Hartsinck (1770:102) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N’/d/12/W./. administrateur (de, -s, -en), uitsluitend bewindvoerder over plantage(s)*, als gevolmachtigde agent in dienst van de in Nederland verblijvende eigenaar(s), zelf in het algemeen wonende te Paramaribo. < Europees-Nederlands administrateur (bewindvoerder over enig bedrijf in het algemeen) of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1740 (Anonymus 115). -1866 (Van Schaick 247). Zie ook: administreren*, administratie*, stuurman*. Ook in Westelijk Guyana (2e helft 18e eeuw, Bosman 1994:21). Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië (Van Dale). Ø /N’?W?/pp/2-4/W./. administrateurskantoor, uitsluitend kantoor in Paramaribo van waaruit een aantal plantages* werd geadministreerd*. 1855-1863 (Bartelink 1916:7). Ø /N’-N/ pp/4-5/-. administratie (de), uitsluitend het admini-

administreren

streren* van een plantage* door de directeur* of een administrateur*. < Europees-Nederlands administratie, bewindvoering over enig bedrijf. 1713 (Schiltkamp & De Smidt 288). 1855-1863 (Bartelink 1916:69). Ook in Westelijk Guyana (2e helft 18e eeuw, Bosman 1994:21) en mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/pp/1-4/W./. administreren, uitsluitend het bewind voeren over (een) plantage(s)* als directeur* of administrateur*. < Europees-Nederlands administreren, bewind voeren over enige bedrijvigheid. 1771 (Experientia 29). -1834 (Teenstra 1842:16). Ø /N’/pp/2-4/-. advocaat, 1. een ingevoerde en gekweekte boomsoort (Persea americana); 2. avocado, de vrucht van deze. De in Suriname gebruikelijke vorm kan niet (geheel) op dezelfde manier verklaard worden als die door Van Veen & Van der Sijs (18) gegeven voor avocado in Nederland. Tropisch Amerikaanse element, sub 2. 1: 1783 (Roos 16). →. 2: 1770 (Fermin 57, avoacat). - 1872 (Anonymus 67). → (advokaat, ook in samenstellingen). 1 en 2: /Am/cp/2-6/-. advocaatappel, een type ronde advocaat* (2). Zie appel* (2). 1835 (Teenstra 1:361). Zie ook: appeladvocaat*, advocatenpeer*. Ø /Am-N’/cp/4/-. advocatenboom, als advocaat* (1). 1770 (Hartsinck 44). - 1798 (Weygandt 37). →. Zie ook: appeladvocaatboom* en peer­ advocaatboom*. Ø /Am-N/cp/2-6/-. advocatenpeer, een type peervormige advocaat* (2). Bij Hartsinck (1770:44 en register) voor Suriname of Westelijk Guyana of beide. Houttuyn (2, 2; 1777) noemt zowel de

33

agoema

boom (p. 352) als de vrucht (p. 354) advocaat-peer, in het laatste geval als vertaling van Engels avocado-pear. Zie ook: peeradvocaat*, advocaatappel*. Ø /X/cp/2/W./. afmalen (afgemalen), gezegd van een zeker oppervlakte waarvan het suikerriet geoogst en uitgeperst is (zie beneden). Zie malen* (1). 1765 (Hudig, 116; “300 ackers afgemalen”). Ø /N-E/pt/2/-. afwieden, wegmaaien (van ongewenste plantengroei). < Europees-Nederlands afwieden, een stuk cultuurgrond geheel van onkruid ontdoen (wnt). 1783 (Roos 40). →. Ø /N’/pt/3-6/-. agama, marmerleguaan of (bij terrariumhouders) Amerikaanse kameleon (Polychrus marmoratus) en vier minder algemene verwanten van deze. < Sranantongo (Schumann 1783:4, agamma) < Afrikaans (Encyclopedie van Suriname 18). Opmerking: Wetenschappelijk hoort het dier tot de Amerikaanse familie der leguanen; de families der agamen en kameleons komen in Amerika niet voor. 1765 (Fermin 22). - 1835 (Teenstra 2:438). →. Zie ook: cameleon*. Ø /S/d/3-6/-. agent-generaal (de), ambtenaar met als taak toezicht op en controle over Hindostaanse* immigranten. 1872 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 374) - 1921 (Encyclopedie van Suriname 276). Ø /N’/bs/4-5/-. agoema, agoema wiwiri, zekere wilde nachtschade (Solanum americanum) en de groente van de bladeren. < Sranantongo agoema (Schumann 1783:4) < Afrikaans guma (Cassidy & Le Page 1980:215). Sranantongo wiwiri* is onder meer ‘blad’. 1752 (Inventaris Archief Raad van Politie

agoesoké

803 fol. 106, agoema wiriwiri). 1796 (Stedman 167, agoma). 1802 (Blom 87). 1835 (Teenstra 1:207). →. Opmerking: Het is mogelijk, dat met agamoe (Anonymus 1740:16) dezelfde plant bedoeld wordt, gezien de daar genoemde vorm van de vruchten. Zie ook: jodenkars*. Ø /S/wp/2-3/-. agoesoké: zie soké*. aira (de), twee aan elkaar verwante, eertijds in het Surinaams-Nederlands niet met namen onderscheiden marterachtige roofdieren: 1. taira (Eira barbata); 2. grison (Galictis vittata). < Sranantongo aira (Staffeleu 1975:29) < Karaïbisch aira (Staffeleu 1975:29, alleen 1, Courtz 215). 1835 (Teenstra 2:412, haïra). →. Zie ook: crabbedago*, tijgerkat*. Ø /K?S?/d/4-6/-. akansa, dikke maïsbrij. < Sranantongo akansa (Schumann 1783:5) < Afrikaans (Wooding 1972:516). 1796 (Stedman 374). →. Ø /S/sc/3-6/-. aker: zie akker*. akker (-s), landmeetkundige vlaktemaat van 10 vierkante ketting* (4294 m2, 4 à 5 ha.), officieel sedert 1874 niet meer, maar bij het volk daarna nog lang in gebruik. < Engels acre (oed). nb: het citaat van 1669: aker. In Europees-Nederlands akker van 1740 tot 1814 (wnt Supplement, 1956) en in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:269 e.a) voor diverse andere vlaktematen. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 26, aker). 1675 (Schiltkamp & De Smidt 77). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 141). → vóór 1950 (Waller 1965:55). Opmerking 1: Lammens (1822; 1982:26) geeft een citaat met ackre uit 1781. Opmerking 2: In samenstellingen als rietakker, koffieakker en dergelijke gaat het over de oppervlakte die met dat gewas beplant is. Ø /E/pt/1-5/W./.

34

alanjatiki

akkergeld (het, -en), grondbelasting. De hoogte van het akkergeld is afhankelijk van het aantal akkers* dat men bezit. In het wnt komt geld in de betekenis van ‘belasting’ niet voor, ook niet in samenstellingen. Kan afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1674 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 769). - 1854 (Van Sypesteyn 189). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 93). Ook in Westelijk Guyana, z.j. (Goslinga 1985:451); zie akker*. Ø /E-N/bs/1-5/W./. Akkorij, Akkorie: zie Akoerie*. Akoerie (-ries, -riërs), Akoerio, eertijds (ook Acurie, Ac(c)ourie, Akkorie, Akkorij Indiaan) indiaan behorende tot nu niet meer met zekerheid te identificeren groep van bovenlandsche Indianen*; na 1968 (Akoerio): zie de Encyclopedie van Suriname (19, 296, 598). 1749 (De Beet & Price 1982:65). - 1854 (Van Sypesteyn XV). Ø /X/r/2-4/-. Akoeriehond, afgerichte jachthond, door boschnegers* gekocht van Akoerie* en verkocht aan plantages* en in Paramaribo. 1854 (Van Sypesteyn XV, Accouri-hond). Opmerking: Kappler (1854; 1983:136) zegt, dat de boschnegers* zich afgerichte honden verwerven door ruil bij “de Taroema- of Barokotto-Indianen”. Die woonden nog zuidelijker dan de Akoerie*. Ø /X-N/ic/4/-. akonipje (de, -’s), pinda. < Karaïbisch akunepy (Courtz 220). Bij Hartsinck (1770:62) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: pinda*. Ø /K?W?/cp/2/W./. alanjatiki, takje van een oranjeboom (sinaas­ appelboom), aan één einde tot een kwastvormig borsteltje uitgekauwd, om er de mond mee te verfrissen en de tanden te reinigen. < Sranantongo alanjatiki (Sranantongo

allegaar

alanja, hetzelfde als oranje*; Sranantongo tiki ‘stokje’). 1845-1849 (Boekhoudt 1874:85). →. Zie ook: oranjestokje*. Opmerking: Bij Teenstra (1842:48) kort tiekie. Ø /S/sc/4-6/-. allegaar, kleine chachalaca, een boomhoen (Ortalis motmot). Hartsinck (1770:109): zo genoemd “door sommigen der onzen”. Het is een onomatopee - het dier lijkt dit te roepen. In Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: toriman*, wakago*. Ø /X/d/2/W./. aloë (de, -s), mauritiushennep (Furcraea foetida); zie verder onder ingisospo*. < Europees-Nederlands aloë, dat zijn Aloe- en Agave-soorten, op welke de Surinaams-Nederlandse aloë lijkt. 1765 (Nepveu 83). - 1835 (Teenstra 2:161). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:283). Zie ook: sempervies*, waterpinan*. Ø /N’?W?/wp/2-4/W./. Aloekoe: zie boschnegerstam*. aloema, zekere heester (Cestrum-soort) en de groente van de bladeren. < Sranantongo aloema (Focke 1855:3). 1802 (Blom 87, ook aloma). 1835 (Teenstra 1:206).→. Ø /S/wp/3-6/-. althaea, okra, okro, ochro, een ingevoerde en gekweekte plant (Abelmoschus esculentus) en zijn eetbare vrucht; de tegenwoordige Surinaams-Nederlandse naam is oker. < Engels of (en) Europees-Nederlands althaea, voor enige Althaea- en Hibiscussoorten aan welke de Surinaams-Nederlandse althaea verwant is. 1704 (Merian 37; de plaat vertoont echter zuring*, Rücker & Stern). 1796 (Stedman 374). - 1802 (Blom 207). Zie ook: kinkanbau*, okro*. Ø /E?N’?/ cp/1-3/-. amandel, vrucht van de amandelboom*.

35

anakokke

< Europees-Nederlands amandel, de vrucht van de Europees-Nederlandse amandelboom, waar de Surinaams-Nederlandse amandel op lijkt. 1839-1851 (Van der Aa 1993:21). 1855 (Focke 3). →. Ø /N’/cp/4-6/-. amandelboom, een ingevoerde, en dan tot schaduwboom gesnoeide boom, ook verwilderd (Terminalia catappa). < Europees-Nederlands amandelboom, een boom uit de Oude Wereld (Prunus amygdalus); zie amandel*. 1855 (Focke 3). 1881 (Kappler 1883:276). →. Zie ook: tafelboom* (1). Ø /N’/cwp/4-6/-. ambachtneger, negerslaaf (neger*) werkzaam in een ambacht (kuiperneger*, metselneger*, smitneger*, timmerneger*). 1759 (Schiltkamp & De Smidt 671). - 1851 (Van Stipriaan 1993:193). Ø /N-Am/pp/24/-. ambachtslaaf, als ambachtneger*. 1772 (De Beet 1984:12). Ø /N-N/pp/2/-. Amerikaansche planken, als Engelsche planken*. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 48). 1853 (ibid. nr. 147). Ø /N+N/bc/3-4/-. anaatje (het, -s): Deze naam heeft heden alleen betrekking op de bahamapijlstaart (Anas bahamiensis). Het is meestal niet mogelijk vast te stellen welke soort of soorten van kleine eenden auteurs van voor 1900 met de naam bedoelen, evenmin als met soecroer*. Opmerkelijk is, dat Focke (1858a:309) het anaatje determineert als de ‘witwangfluiteend’ (Dendrocygna viduata). < Sranantongo anaki (Focke 1855:4) of < Spaans anade ‘eend’. Voorkomen van het woord: 1740 (Anonymus 23). - Focke (1858a, zie boven). →. Ø /S?Sp?/d/2-6/-. anakokke, anakok, de bomen van het genus Ormosia en de aan deze verwante struik Abrus precatorius (een van de leveranciers

anamoe

van de zwartrode ‘paternosterboontjes’). In Suriname is de tegenwoordige Sranantongo en Surinaams-Nederlandse naam van de genoemde planten kokriki (< Sranantongo) of kokrietje. < Karaïbisch anakoko (Ostendorf 1962:100, voor het zaad van Ormosiasoorten). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nrs. 1 en 2 (“grote” en “cleyne soort” anakokke)). 1689 (W. Sherard, anacock; Brinkman 1980, bijlage I). Ø /K/wp/1/-. anamoe (-s), grote tinamoe (Tinamus major), bij uitbreiding ook enige kleinere vogelsoorten die eveneens behoren tot de kortstaart- of stuithoenders (Tinamidae). < Sranantongo anamoe (Focke 1855:4) < Karaïbisch njamoe (Penard & Penard 1908:318), inamu (Hoff 1968:14, Courtz 275). 1771 (Nepveu 333). - 1872 (Anonymus 66). →. Zie ook: namoe*, patrijs*. Ø /(K)S/2-6/-. ananas (-sen), enige inheemse, op de bodem groeiende plantensoorten verwant aan de gecultiveerde ananas en op deze lijkend. 1835 (Teenstra 2:144, wilde ananas). →. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:283), mogelijk afkomstig van daar. Opmerking: Voor ‘ananas’ als bij Heneman (1784) zie pinezwamp*. Ø /N’?W?/ wp/4-6/W./-. anaura, enige boomsoorten van de genera Licania en Hirtella en hun hout. < Sranantongo anaura (Focke 1855:4) < Arowaks anaura (Ostendorf 1962:68). 1786 (Visscher Heshuysen 336). - 1802 (Blom 178). →. Ø /S?Ar?/wp/3-6/-. anijsblad (-en), enige struikjes van de genera Piper en Lepianthes en hun naar anijs geurende bladeren. In Nederland wordt van oudsher aan gerechten en dranken de smaak/geur ‘anijs’ gegeven door middel van de zaden van de

36

apoetoehout

anijsplant (Pimpinella anisum). 1689 (W. Sherard, Brinkman 1980, bijlage VI; anysblade, mv.). 1740 (Anonymus 19; -en). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 357). →. Ø /N’-N/ wp/1-6/-. anilplant, anil, indigo, cultuurvormen van geïmporteerde planten van het genus Indigofera die de kleurstof indigo leveren. < Engels anil + Europees-Nederlands plant. 1826 (De Surinaamsche Courant nr.68). 1835 (Teenstra 1:119). Ø /E-N/cp/4/-. annaatje: zie anaatje*. annamoe: zie anamoe*. annoura, anoura: zie anaura*. antroea, cultuurvorm van dezelfde plant als aubergine (Solanum melongena) en de bittere vruchten van deze als groente gegeten. Herkomst van het woord onbekend. Teenstra (1835, 2:279) als eerste noemt alleen de plant en spelt de naam als androy; zo ook Focke (1855:4) als Sranantongo en Surinaams-Nederlands woord antroea. Pas Stahel (1944:36) geeft antroewa. In het Engels van enige Caribische eilanden antrover, antrova e.a. (Allsopp). Ø /X/ cp/4-6/-. apatoe: zie apoetoe*. apoetoe, poetoe, apatoe, indiaanse strijdknots. < Karaïbisch putu (Ahlbrinck 1931:399), apatoe (Van Coll 1903:642). 1771 (Nepveu 293; poetoe). 1775 (Sneebeling 1973:28; apatoe). 1796 (Stedman 214; apootoo, Engelse spelling). 1835 (Teenstra 2:164). → (in het algemeen apoetoe). Zie ook: (indiaansch) zwaard*. Ø /K/ic/26/-. apoetoehout, apatoehout, een boomsoort (Swartzia panacoco) en het hout van deze, in Surinaams-Nederlands heden genaamd gandoe (< Sranantongo). Indianen maakten van het zeer harde, bruine

appel

kernhout hun strijdknotsen: zie apoetoe*. 1855 (Focke 3, met -oe-). 1883 (Westeroüen van Meeteren 7, met -a-). - 1910 (Sack 26). Zie ook: basterdijzerhart*, bokkenhout*. Ø /K-N/wp/4-5/-. appel, 1.vrucht van een ingevoerde en gekweekte vruchtboom (Syzygium samarangense). < Europees-Nederlands appel, de vrucht van de boom Malus sylvestris subspecies mitis, op welke de Surinaams-Nederlandse appel lijkt. 1855 (Focke 4). →. Ø /N’/cp/4-6/-. 2. als tweede lid van een zelfstandig naamwoord: deel van de naam van enige boom- en heestersoorten en hun vruchten, welke laatste enigszins lijken op een Europees-Nederlandse of Surinaams-Nederlandse appel* (1). Zie: advocaatappel*, borstappel*, boschappel*, gideonsappel*, kaneelappel*, caschouappel*, klopappel*, mammieappel*, marmeladeappel*, prikkelappel*, sterappel* en venusappel*. - : appel van Sodom, sodomsappel, een ingevoerde en gecultiveerde heester (Solanum mammosum) en zijn min of meer ronde (appelvormige) vrucht. 1705 (Merian 27). Zie ook: appel* (2), wintje-bobbie*. Ø /X/ cp/1/-. appeladvocaat: als advocaatappel*. 1835 (Teenstra 2:250). Zie ook: peeradvocaat*. Ø /N’-Am/cp/4/-. appeladvocaatboom, advocatenboom* met ronde vruchten. 1835 (Teenstra 2:250). Zie ook: peeradvocaatboom* Ø /(N’Am)-N/cp/4/-. appriseren: zie priseren*. aracicoeran, een wilde soort zuurzak, Surinaams-Nederlands heden zwampzuurzak (Ostendorf 1962:45; Annona glabra). < Karaïbisch arastiuran, arasikju-rang (Brinkman 1980:38, Klooster e.a 162)

37

aratakaka

1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 20). Ø /K/wp/1/-. aracourou, klimmende palmsoort, Surinaams-Nederlands heden dikke bamba (Ostendorf 1962:264; Desmoncus orthacanthos). < Karaïbisch arakoele (Ahlbrinck 1931:77), arakure (Courtz 237). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 19). Opmerking: Van Aerssen van Sommelsdijck (zie boven) vermeldt rode bloemen, maar het gaat om rode vruchten. Ø /K/ wp/1/-. arakaka (de), twee soorten schildpad: a) Zuid-Amerikaanse aardschildpad (Grzimek 6:110; Rhinoclemys punctularia), een landdier dat vaak in water jaagt, b) Zuid-Amerikaanse modderschildpad (Kinosternon scorpioides), een moerasbewoner. < Sranantongo arakaka (Weygandt 1798:40), volgens Nepveu (1771:327) een slavenwoord of < Karaïbisch (Focke 1858a:309), Courtz 237. 1796 (Stedman 310, arlacaca). - 1855 (Focke 5). →. Ø /K?S?/d/3-6/-. arapapa, bootsnavel (schuitbekreiger, lepelbekreiger, Cochlearius cochlearius). < Sranantongo arapapa (Focke 1855:5) of < Karaïbisch (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 50, Courtz 237). 1855 (Focke 5, arapappa) →. Ø /K?S?/d/4-6/-. araroet, arrowroot of pijlwortel, een vermoedelijk inheems voedingsgewas (Maranta arundinacea). < Sranantongo araroetoe (Focke 1855:5) of < Engels arrowroot. 1835 (Teenstra 2:284). Ø /E?S?/cp/4/-. aratakaka, zekere kleine, langwerpige Spaanse pepers. Verkorting van Sranantongo aratakakapepre (‘rattenkeutelpeper’, Schumann

aratte

1783:6), zo genoemd naar de vorm. 1765 (Nepveu 86, 1771:383). →. Zie ook: atty*, peper*, piment*. Ø /S/ cp/2-6/-. aratte, een boomsoort (Minquartia guianensis). < Sranantongo arata (Focke 1858a:309), afkomstig van Sranantongo arata-oedoe ‘rattenhout’; de vele groeigaten in de stam maken de indruk alsof deze door ratten aangevreten is (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 473). 1835 (Teenstra 1:351). Zie ook: konthout*. Ø /S/wp/4/-. aribanarix, boomsoort(en) van het genus Gustavia. De tegenwoordige Karaïbische naam luidt arepawana (Klooster e.a. 163). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 2 nr. 1, met x). 1689 (Hermann fol. 16, aribanari). Zie ook: mamahout*, watramamabobi*. Ø /K/wp/1/-. arlacaca: zie arakaka*. armazoen (het), de lading slaven als aangevoerd door een schip. Er blijkt geen verband met deze betekenis als in het wnt, noch met het Spaanse armazon. 1730-1739 (A. Jungman in Oso 27:254258). Ø /?/r/2/-. arnaat-appelboom, niet geïdentificeerde boomsoort. 1771 (Nepveu 380). Ø /X-N’/cp of wp/2/-. arrawepi, arwepi (-’s), soort kraal. Bij de eerste vondsten (Teenstra, zie beneden; arraweepi) betreft het schijfvormige kralen, vervaardigd door boschnegers* van de schaal van kokosnoten en, wellicht (ook) door indianen, van schelpen (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 55). < Sranantongo (Focke 1855:5; aroewepi) of < Karaïbisch (Van Coll 1903:468, 642, arewepi).

38

Aukaans

Opmerking 1: Bij latere vondsten vanaf 1903 betreft het, behalve de bovenstaande, ook kralen van diverse andere materialen: been, allerlei zaden en harde vruchten. Opmerking 2: De Arowakse naam voor deze en dergelijke kralen, oeroeëbbe of iets dergelijks, wordt door enige auteurs vermeld, ook door Van Berkel (1695:20) voor het Nederlands van Berbice. 1835 (Teenstra 2:158). → (arwepi). Ø /K?S?/r/4-6/-. asema, heks in de gedaante van een vampier. < Sranantongo (Schumann 1783:1, asehman) < Afrikaans (Lichtveld 1929:513). 1822 (Lammens 1982:108). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 63). →. Ø /S/sc/3-6/-. atty (de), Spaanse peper, de vrucht van Capsicum-soorten. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1718 (Herlein 109). Bij Hartsinck (1770:23) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Oudste vindplaats in Oostelijk Guyana (De Laet 1625:6, axi); ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:10). Zie ook: aratakaka*, peper*, piment*. Ø /Am/cp/1-2/O./W./. augurk: Surinaamse augurk, jonge komkommer, ingelegd in zuur. Europees-Nederlands augurk is de kleinere vrucht van een ander ras van dezelfde wetenschappelijke soort als de komkommer (Cucumis sativus). 1855-1863 (Bartelink 1916:12). Ø /N+N’/ bc/4/-. Aukaans (bn.), alleen in Aukaanse bosch­ negers, zekere stam van boschnegers*. Genoemd naar de toenmalige plantage* Auka aan de Surinamerivier, van waaruit de Nederlandse vredesdelegatie in 1760 het toenmalige woongebied van de Aukaners* aan de Djoekakreek bereikte. 1773 (Schiltkamp & De Smidt 862). 1789

Aukaner

(Brouwn 1796:63). → (bijvoeglijk naamwoord zonder beperking). Opmerking: Oucas Negers op kaart van J. van den Bosch (1817, in Fontaine, red., 1980:72-73). Ø /X/r/2-6/-. Aukaner (-s), 1. (zn.) Aukaanse* bosch­neger*; 2. (bn.) als Aukaans*. 1. 1762 (Hartsinck 1770:807, Aucanen). 1854 (Van Sypesteyn 158). →. Zie ook: Joukaene*. Ø /N”/r/2-6/-. 2. 1833 (Teenstra 1842:169). 1854 (Winkels in Kolfin 1999:168). Ø /X/r/4/-. awara, soort palm (Astrocaryum vulgare) en de eetbare vrucht van deze. < Sranantongo awara (Schumann 1783:52 of < Karaïbisch awara (Hoff 1968:391), Arowaks awara (Ostendorf 1962:258) of afkomstig uit Westelijk Guyana. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 10). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 13 awari). 1740 (Anonymus 16, auwari). - 1835 (Teenstra 1:407, awarra). →. Bij Hartsinck (1770:70 en 80) aware en aouara; ook in Westelijk Guyana (Dalton 1855, 2:193). Ø /S?Ind.?W?/wp/1-6/W./. awaraboom, awara* (de palm). 1771 (Nepveu 355). →. Ø /(S?Ind.?W?)N/wp/2-6/-. awarapalm, awara* (de palm). 1854 (Kappler 1983:35). 1855 (Focke 6). →. Ø /(S?Ind.?W?)-N/wp/4-6/-. aware, awari (een palm): zie awara*. awari I. (-’s) gewone opossum, een buidelrat (Didelphys marsupialis). < Sranantongo awari (Fermin 1765:27) of < Karaïbisch awari, Focke 1858a:309, Courtz (248, aware). 1769 (Fermin 2:114, avari, spelling onder invloed van Frans). - 1854 (Kappler 1983:85). →. Zie ook: beursrot*, boschrat* (1), jawari*, zakrot*. Ø /K?S?/d/2-6/-. awari II., spel voor twee personen (in dit geval negers*), gespeeld met twee maal 24

39

baarden

balletjes op een awaribord* waarin twaalf kleine uithollingen en één grote. < Sranantongo awari (Schumann 1783:9) < Afrikaans (Cassidy & Le Page 1980:462). 1796 (Stedman 375, awaree, Engelse spelling). 1926 (Cappelle 397). →. Ook in het Engels van enige West-Indische eilanden (ook als wari e.a.; Cassidy & Le Page 1980:462, oed). Ø /S/sc/3-6/-. awaribord, zie awari* (II) (Focke 1855:6). awojo, witstaarthert (Odocoileus virginianus cariacou). < Sranantongo woijo-dia (Schumann 1783:204), awojo-dia (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:4). 1835 (Teenstra 2:407). Zie ook: savanehert*, strandhert*. Ø /S/d/4/-. ax (-en), < Engels, aks (zware bijl) in todo ax*, valax* en veldax* aya(e)me(n)s (meervoud): zie igname*.

b baaljaren: zie baljaren*. baard of baarde (-n), kuipersbijl. Ba(e)rde is een Middelnederlands woord voor ‘bijl’, dat - het wnt suggereert via ‘bard-achse’ en ‘bardse’ (Kiliaen) - al in 1697 veranderd was in baars. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). Opmerking: Opgenomen vanwege de late vondst. baarden, ongewenste kleine bij- of adventiefworteltjes aan de onderste knopen van een (verwaarloosde) suikerrietstengel. Europees-Nederlandse baarden zijn harige (of vergelijkbare) uitsteeksels als normaal aan sommige delen van sommige planten (wnt).

baars

1787 (Blom 47). Ø /N’/pt/3/-. baars, niet eenduidige naam voor een aantal soorten zoetwatervis. < Europees-Nederlands baars, een andere vis (Perca fluviatilis); er is geen opvallende gelijkenis. 1718 (Herlein 199). →. Opmerking 1: Ook in Brazilië in gebruik voor meerdere niet geïdentificeerde vissoorten (Keye 1659:71). Opmerking 2: De tekst in Van Donselaar (1989:53) is onjuist. Ø /N’/d/1-6/B./. baas: de baas spelen op ..., de baas spelen over ... Letterlijke vertaling van Sranantongo prei basi na ... tapu. 19e eeuw, vóór 1863 (Hoogbergen 1978:52). →. Ø /S/r/3 of 4/-. babamoni: zie papamoni*. baboen (de, -en), rode brulaap (Alouatta seniculus). < Sranantongo (Fermin 1765:43; baboun, Franse spelling) of < Engels baboon (Warren 1667:11). Het Engelse woord was oorspronkelijk alleen de naam voor de ‘bavianen’ (Papio-soorten) in Afrika (oed). De veronderstelling in Van Donselaar (1989:54) dat ook een oud Nederlands scheldwoord baboen in het spel zou kunnen zijn geweest, lijkt te speculatief. 1740 (Anonymus 21). - 1866 (Van Schaick 44). → (met als meervoud ook -s). Zie ook: baviaan*. Ø /E?S?/d/2-6/-. baboenhout, een boomsoort (Virola surinamensis). < Sranantongo baboen + hout of < Sranantongo baboen-oedoe. Zie verder baboentrie*. 1855 (Van Sypesteyn 170) - 1927 (Stahel 75). Ø /E-N/wp/4-5/-, of /S-N/wp/4-5/-. baboenkatoen, vermoedelijk een ras van een inheemse soort katoen (Gossypium peruvianum). Vertaling van de Arowakse naam itoeri

40

bacove

(= baboen*)- jaho (= katoen). Zie verder katoen* (1). 1835 (Teenstra 1:272). Ø /Ar/cp/4/-. baboen-nefi (het), naam voor een aantal schijngrassen met snijdende bladranden (Scleria-soorten). < Sranantongo baboen-nefi (Focke 1855:7). Zie baboen*; het is de vraag of er verband is. Sranantongo nefi ‘mes’. 1835 (Teenstra 1:205; baboen niffi). 1854 (Kappler 1983:26, babonnefi). →. Ø /S/ wp/4-6/baboentrie, 1. een boomsoort (Virola surinamensis); 2. het hout van deze. < Sranantongo baboentrie (Focke 1855:7). Baboens* zitten graag in deze bomen en eten er de vruchten van. Zie ook baboenhout*, waroesi* en wilde kruidnoot*. De meest gebruikte Surinaams-Nederlandse naam, zowel voor de boom als voor het hout, is tegenwoordig baboen. 1: 1796 (Brouwn 56, babontrie). - 1855 (Van Sypesteyn 170). Ø /S/wp/3-4/-. 2: 1802 (Blom 183). 1835 (Teenstra 1:241). Ø /S/wp/3-4/-. bacove (de, -n, -s, -ns), zekere vormen van de ingevoerde bananenboom (genus Musa) en de sterk suikerhoudende, zoete, rauw eetbare vruchten van deze. < Portugees pacova (J.L.Taylor 1970:459) < Afrikaans (Simons 1958a). 1685 (Schiltkamp & De Smidt 155, backhoovens, mv.). - 1872 (Anonymus 67). → (in het algemeen bakove). Oudste vindplaats van het woord in 1604 (wnt, aanvang p. 81) aan de westkust van Afrika (bachovens). Ook in Brazilië (Keye 1659:56); zeer waarschijnlijk heeft het woord van hieruit Suriname bereikt. Verder in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:36) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:74). Zie ook: bananna*, banannebakhove*.

bacovenboom

Opmerking: Het verschil met bananna* wordt niet gedekt door de wetenschappelijke indeling als gegeven in het wnt (zie boven). Zie Ostendorf (1962:237). Ø /Braz./cp/1-6/B./O./W./. bacovenboom, zie bacove*. 1693 (Reeps 21, bacovis-bomen). 1770 (Hartsinck 55). →. Ook in Brazilië (Vingboons 1640-50 in Buvelot, red., 2004:116; Backovens Boomen). Ø /Braz./cp/1-2/B./. bagaal, bakal: zie pagaal*. bakjesmeid, negerslavin als straatventster. Zie meid*. Bakjes zou kunnen komen van baksie* ‘mand’. 1874 (Winkels IV:285). Ø /X-N’/r/4/-. bakkeljauw, bakeljauw, opgeweekte en aan repen gesneden stokvis, uit Noord-Amerika in vaten ingevoerd, aanvankelijk alleen als voedsel voor de slaven. Het was sedert de 17e eeuw de EuropeesNederlandse naam voor de ‘kabeljauw’ die voor de kust van Noord-Amerika gevangen werd, van Portugees bacalhao (Philippa e.a. 2005:599). De SurinaamsNederlandse betekenis kan afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1726 (Schiltkamp & De Smidt 389). - 1862 (Oostindie 1989:154). →. Ook in Westelijk Guyana (1774, Beeldsnijder 1994:93). Zie ook: zoutevis*. Ø /Port.?W?/sc/26/W./. bakkerneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als bakker. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 25). 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 14). Ø /N-Am/bc/3/-. bakkra oeman, grote hamerhaai (Sphyrna tudes). < Sranantongo; de letterlijke betekenis is ‘blanke vrouw, dame’ (Focke 1855:8). 1835 (Teenstra 2:446). Zie ook: panapana*. Ø /S/d/4/-.

41

baljaren

bakove: zie bacove*. bakra (de), blanke. < Sranantongo bakkerare (mv., Herlein 1718:117), backara. (1757; Van den Berg 2000:92) < Afrikaans, Lichtveld 1929:518. 1840 (Winkels I:28). - 1866 (Van Schaick 31). →. Ø /S/r/4-6/-. bakroe, (begrip uit de religie der negers*) kleine, boosaardige, lagere bosgeest, die diensten verricht voor hogere goden of bepaalde mensen; neemt de gedaante aan van een dwerg of een kind; kwelgeest. < Sranantongo bakroe (Focke 1855:8) < Afrikaans, Echteld (50). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 5). 1903 (Van Coll 567). →. Ø /S/sc/4-6/-. baksie (-s), mand. < Sranantongo bakkesi (Schumann 1783:55). Zie ook baskiet*. 1831 (Teenstra 1835 2:366). Ø /S/pt/4/-. baksielaadster, negerslavin die het uitgemalen (zie malen*,1) suikerriet (tras*) in een mand laadt en wegbrengt. Zie baksie*. 1835 (Teenstra 1:188). Ø /S-N/pp/4/-. balcon, kroonlijst. Ten tijde van Lammens (citaat 1822; 1982:44) was de betekenis als boven in Europees-Nederlands al lang verdwenen. Zie wnt, zie Van Veen & Van der Sijs. baljaar (-en), danspartij van negerslaven. Zie baljaren*; baljaar kan ook kort zijn voor baljaarpartij*. 1770 (Hartsinck 910). Zie ook: baljaring*, pley*, spel* (II). /N’/sc/2/-. baljaarpartij (-en), als baljaar*. 1828 (Gobardhan 2001:53). - 1889 (Veth 55). Ø /N’-N/sc/4-5/-. baljaren (gebaljaart), dansen door negerslaven volgens hun traditie. In Nederlandse dialecten betekende baljaren (< Spaans/Portugees bailar) ‘dansen’, ‘springen’, later ook ‘drukte en lawaai

baljaring

maken’ in het algemeen (wnt). 1718 (Herlein 95, baaljaren). - 1761 (Schiltkamp & De Smidt 727, balliaren). 1763 (De Beet & Price 1982:187, baljarden). 1772 (De Beet 1984:102, biljarden; 134, biljaaren; 99, gebeljart). 1796 (Brouwn 50, baliaren). 1835 (Teenstra 2:191). → (ook van vrijen en minder traditioneel). Zie ook: banjaarden*. Ø /N’/sc/1-6/-. baljaring (-en), als baljaar*. 1759 (Schiltkamp & De Smidt 672) - 1784 (Schiltkamp & De Smidt 1072). Ø /N’/ sc/2-3/-. bambamaka, enige zeer stekelige, klimmende palmsoorten van het genus Desmoncus. Zie maka* (I, 1). De herkomst van bamba hier is (nog) onbekend. 1855 (Focke 75). →. Zie ook: boombamba*, houtbamba*. Ø /X-Am/wp/4-6/-. banaanbek: zie banannebek*. bananna, banana, bananne, banane, (meervoud velerlei: zie beneden), zekere vormen van de ingevoerde bananenboom (genus Musa) en de sterk meelhoudende vruchten van deze die voor consumptie eerst toebereid moeten worden (kook-, bakbanaan). Zie ook bacove*. Tropisch Amerikaans element, sub 1. 1685 (Schiltkamp & De Smidt 155, banantes). - 1763 (Pistorius 29, bananassen). 1770 (Hartsinck 55, bananas). - 1783 (Roos 33 (banannen). - 1855 (Focke 39). → (banaan, meervoud bananen). Oudste vindplaats in Brazilië (Keye 1659:57, banantes), zo ook in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:36) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:73, benantes, meervoud). Opmerking 1: Over het verschil met bacove* zie de opmerking onder dat woord. Ø /Am/cp/1-6/B./O./W./. Opmerking 2: Bij de combinaties en

42

banannebraf

samenstellingen hieronder wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vormen banana en banane enerzijds en bananne anderzijds. - : wilde bananna, grote, in het wild groeiende verwant van de bananenboom, heden in Surinaams-Nederlands (grote) paloeloe genoemd (Phenacospermum guyannense). 1775 (Sneebeling 12). Opmerking: bannannes bladeren bij Herlein (1781:119) heeft vermoedelijk betrekking op bladeren van deze plant, gezien het gebruik als voering in de doodkist van een slaaf. Ø /N+Am/wp/2/-. banannebakove, zeker type bacove* met vruchtvlees dat zo stevig is als dat van een banana*. 1775 (De Beet 1984:193; bananne bakhoovens, meervoud). 1910 (Sack 14). → (bananebakove). Ø /Am-Braz./cp/2-6/-. banannebek, bananebek, banaanbek, (-ken), twee vogelsoorten, (1) de geelrugoropendola of geelstuitbuidelspreeuw (Cacicus cela) en (2) de roodrugoropendola of roodstuitbuidelspreeuw (Cacicus haemorrhous), beide in hedendaags Surinaams-Nederlands banabeki; Lammens (1835:175) geeft een tussenvorm: bannanne bekkies (meervoud). Hun snavel is zo geel als een banaan. 1835 (Teenstra 2:427). 1855 (Focke 7). → (1961, Vermeulen 160). Zie ook: bananevreter*, grietbak-koeken*, spotvogel*. Ø /AmN/d/4-6/-. bananneboom, bananeboom, de plant die bananen* voortbrengt. 1693 (Reeps 19, banantesboomen). - 1763 (Pistorius 28, bananas-boomen). →. Ø /Am-N/cp/1-6/-. banannebraf, bananebraf, bananenbraf, soep van bananen* met zout en spek. Zie banaan*, zie braf*. De tekst bij Focke (1855, onder ‘jagi’) suggereert, dat

banannegrond

banannebraf symbolisch staat voor het allerpoverste gerecht, wellicht ook omdat bananen sowieso het hoofdvoedsel van de slaven zijn. 1839-1851 (Van der Aa 1993:21; bananneblaf). 1855 (Focke 49). Ø /Am-E/sc/4/-, of /Am-S/sc/4/-. banannegrond, bananegrond: zie grond* (I, 2). banannevogel, bananevogel, bananenvogel, gele troepiaal (Icterus nigrogularis), heden in Surinaams-Nederlands banafowroe en fransmankanarie. De vogel is geel, zoals een banaan. 1835 (Teenstra 2:427). - 1910 (Penard & Penard 377). Opmerking: Kappler (1854;1983:53) geeft deze naam aan de banannebek* (?). Zie ook: geelvogel*. Ø /Am-N/d/4-5/-. banannevreter, bananevreter (-s), als banannebek* (1). De vogel eet onder andere vruchten. 1740 (Anonymus 22). Ø /Am-N/d/2/-. banja I. (de, -s), banjo van een kalebas* (3). < Sranantongo banja (Fermin 1769, 1:142; bagna, Franse spelling) < vermoedelijk Afrikaans (zie Cassidy & Le Page 1980:26). 1740 (Dragtenstein 119) - 1761 (Schiltkamp & De Smidt 721, banje). 1787 (Blom 334). Zie ook: banjaard*. Opmerking: Banja als naam voor ‘eene negertrom’ door Kuhn (1828:21) lijkt een vergissing. Ø /S/sc/2-3/-. banja II., traditionele dans van negerslaven. < Sranantongo banja (Focke 1855:8) < Afrikaans (Cassidy & Le Page 1980:25). 1835 (Teenstra 2:191). - 1866 (Van Schaick. 159). → (ook van vrijen, heden alleen als folkloristisch schouwspel). Zie ook: doe* (2). Ø /S/sc/4-6/-. banjaar, als banja* (II). 1761 (S. de Groot in Oso 16:189), hier van

43

barbacot

boschnegers*. Ø /S/sc/2/-. banjaard (-s), als banja* (I), vernederlandsing. 1787 (Schouten in Letterkundige Uitspanningen 4:6). Ø /S/sc/3/-. banjaarden, als baljaren*. ‘Banjaar* dansen’ of ‘bij de banjaard* dansen’. 1828 (Kuhn 59). 1866 (Van Schaick 159). Ø /S/sc/4/-. bankje, krukje (laag, houten zitmeubel voor één persoon); Sranantongo bangi. < Europees-Nederlands bank, gewoonlijk een hoger zitmeubel voor meer dan één persoon; Sranantongo langa bangi. 1775 (Sneebeling 1973:16). →. Ø /N’/r/36/-. bannannes: zie wilde bananna*. barbacot, barbekot, berbekot (de, -ten). Dit woord had, evenals etymologisch verwante woorden in andere tropisch Amerikaanse talen, in Suriname tot ca. 1900 altijd de betekenis van een horizontaal raamwerk van stokken of latten, meestal op enige afstand boven de grond. Het kon vele functies hebben. Al deze woorden gaan terug op enige onderling nauw verwante Arowakse talen. De eerste attestaties komen van Barbados in het Engels (Ligon 1657, in Cassidy & Le Page 1980:28; barbycu) en van Haiti in het Spaans (oed 1:947, barbacoa). Zie verder Cassidy & Le Page (1980:28) en Allsopp (1996:54). De -t op het eind beperkt zich tot overzeese vormen van het Engels, het Nederlands en creooltalen van de Guyana’s. Het Surinaams-Nederlandse woord moet tot het tropisch Amerikaanse element (sub 2) gerekend worden. In Suriname kwamen (en komen) volgende betekenissen voor: 1. rooster voor het roosteren van vlees en vis bestemd voor onmiddellijke consumptie (vergelijk Europees-Nederlands barbe-

Barbadosdruif

cue, < Engels of, en dan vaak zeer groot, (ook) voor het roken en drogen van vlees en vis ter conservering voor later gebruik. 1775 (Sneebeling 1973:15). - 1855 (Focke 16). →. Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:21, 47, berbekot). Ø /Am/ic/2-6/W./. 2. provisorische brits (slaapbank) van stokken. 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:100). →. Ook in Westelijk Guyana (historisch, Allsopp 54). Ø /Am/bc/2-6/W./. 3. vlonder. 1772 (De Beet 1984:109, 111, 114, 116). Zie ook: vasijne*. Ø /Am/bc/2/-. 4. vlotbrug bestaande uit aaneensluitende vlonders als betekenis 3. 1749 (De Beet & Price 1982:43). - 1777 (Schiltkamp & De Smidt 915). Ø /Am/ bc/2-3/-. 5. vloer met openingen waarop suikervaten gezet worden om uit te lekken. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:97) - 1771 (Nepveu 137, het barbacot). 1854 (Van Sypesteyn 206). - 1884 (Elout van Soeterwoude 15). Ø /Am/pt/2-5/-. 6. zaagstelling, dat is een zaagbok in de vorm van een hoge stellage van (in dit geval minderwaardige) stammen, waarop waardevolle stammen door twee slaven met een lange zaag tot planken worden gezaagd. 1787 (Blom 311, barbekotte).- 1854 (Kappler 1983:25). Ø /Am/pt/3-4/-. 7. dakje om gewassen te beschermen tegen felle zon en regen. 1835 (Teenstra 2:273). Ø /Am/pt/4/-. Barbadosdruif, ingevoerd boompje (Coccoloba uvifera), gekweekt en verwilderd. < Europees-Nederlands druif, de vrucht van de wijnstok (Vitis vinifera), op welke de vrucht van Barbadosdruif lijkt. Volgens Nepveu (zie beneden) ingevoerd uit Barbados.

44

basie

1771 (Nepveu 366). Zie ook: druiveboom*, rode mangro*, zeedruif*. Ø /N-N’/cp/2/-. barbekot platen, planken uit welke een barbacot* (5, hier attributief) is samengesteld. 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 129, 145; barbacot platen). Ø /Am-N/pt/4/-. barbekotten (gebarbekot), roosteren of drogen en roken van vlees en vis op een barbacot* (1). 1732 (gebarbequot, Dragtenstein 93). 1855 (Focke 16). →. Oudste vondst in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:36), ook in Westelijk Guyana (1762, Hartsinck 1770:369). Zie ook: droge vis*. Ø /Am/ic/2-6/O./W./. bariklak: zie barklak*. barillaplant, loogkruid (Salsola kali). < Portugees barrilha (soort soda) + plant. 1835 (Teenstra 1:119). Ø /Port.-N/wp/4/-. barklak (-s), berklak, enige boomsoorten van het genus Eschweilera en hun als timmerhout gebruikte hout, ook attributief. < Sranantongo barkrakki (Focke 1855:9). 1689 (Hermann fol. 4, barcklock). 1740 (Anonymus 15, 85, berglak). 1755 (Schiltkamp & De Smidt 625). 1787 (Blom 31, bariklak). 1796 (Stedman 394, berclack). 1855 (Focke 9). → (barklak). Zie ook: manberklak*, oemanbarklak*. Ø /S/wp/1-6/-. barklakhout, hout van barklak*. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1786 (Visscher Heshuysen 336). Ø /S-N/wp2-3/-. baschiet: zie baskiet*. bascouriaar (de), een soort purperhart*. Herkomst onbekend. 1770 (Hartsinck 76). Ø /X/wp/2/-. bashout, niet geïdentificeerd soort hout. 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:31, in dit geval gebruikt voor een tafel). Ø /X-N/?/2/-. basie, aanspreekvorm voor slaaf door een

basja

ander dan zijn meester (althans ten tijde van het citaat). < Sranantongo basi, aanspreekvorm van slaven onderling met betrekking tot mannen die jong of van middelbare leeftijd zijn (Focke 1855:9, 117). 1822 (Lammens 1982:114). Zie ook: booi*, sisa*. Ø /S/bc/3/-. basja: zie bastiaan* (1). basjafisi, een soort harnas- of zuigmeerval, een vis levend in stroomversnellingen (Loricaria cataphracta). < Sranantongo basjafisi (Focke 1855:9). Zie basja*, Sranantongo fisi ‘vis’. De staart loopt zo dun uit, dat deze op de zweep van een basja* lijkt. Andere, één maal gevonden namen duiden ook op deze herkomst: bassia wiepie (Teenstra 1835, 2:449; Sranantongo wipi ‘zweep’, swiepvis (Anonymus 1740:24) en wellicht ook bastia (ibid.). 1835 (Teenstra 2:448). →. Ø /S/d/4-6/-. baskiet, basquit, baschiet (de, -en), mand. < Sranantongo baskita (Schumann 1783:12). Smith (1987:276) acht het waarschijnlijk, dat dit Sranantongo woord ontleend is aan een Engelse creooltaal aan Afrika’s westkust, dus niet rechtstreeks aan Engels basket. baskiet: 1732 (Inventaris Archief Raad van Politie 787 fol. 35, bassekiet). 1740 (Anonymus 66, paskiet). - 1866 (Van Schaick 135). → (baskiet). basquit: 1757 (Schiltkamp & De Smidt 646) - 1791 (Hoogbergen 1984:110.). baschiet: 1757 (Schiltkamp & De Smidt 646) - 1790 (Hoogbergen 1984:97). Zie ook: baksie*, warimbo* (1). Ø /S/r/26/-. baskietewarimbo: zie warimbo* (3). bass, een voor consumptie uit Engels Noord-Amerika aangevoerde soort zeebaars (Roccus saxatilis). < Amerikaans-Engels bass.

45

basterdbolletrie

1871 (De Surinaamsche Courant nr. 58). Ø /E/bc/4/-. bassia, bassiaan: zie bastiaan* (1). bast: rode bast, de buitenste, rode bast (schil) van een koffiebes. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:170). - 1825 (Bosch, 125, 4). Zie ook: rode koffie*. Ø /N+N/cp/2-3/-. - : koffie in de witte bast, witte bast koffie, koffiebessen waarvan in de breekmolen* de buitenste, rode schil is verwijderd en alleen de binnenste, witte schil over is. 1749 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 411). - 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 114). Zie ook: schrobben*. Ø /N+(N+N)/cp/2-4/-. - : koffie in de zwarte bast, zwarte bast koffie, koffiebessen waarvan de buitenste, rode bast* door de bewerking in de breekmolen* niet is verwijderd, maar, door uitdroging zwart, is blijven zitten. 1786 (Visscher Heshuysen 409). 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 114). Zie ook: zwarte koffie*, schrobben*. Ø /N+(N+N)/cp/3-4/-. bastaard-Engelsch, als Neger-Engelsch*. Bastaard betekent hier ‘onecht’. 1768 (Van Dyk 3, 5, Bastert Engelsch). 1835 (Teenstra 2:208). Ø /N-N/bc/2-4/-. basterd- heeft in de volgende samenstellingen niet betrekking op kruising of ver­menging van soorten, maar betekent ‘gelijkend op’, ‘verwant aan’ en eventueel­ ook ‘niet of minder goed bruikbaar’ vergeleken bij de soort die in het tweede lid wordt genoemd. basterdbolletrie (de), soort boom of struik (Humiria balsamifera) en het hout van deze, gebruikt als timmerhout en voor singels*. Zie basterd*. Het hout lijkt op dat van bolletrie*. 1763 (Schiltkamp & De Smidt 775). Focke (1858c:21). →.

basterdgoebaij

Zie ook: blakberie*, merie*. Ø /N-E/ wp/2-6/-. basterdgoebaij, zekere boomsoort behorend tot het genus Jacaranda. De naam suggereert verwantschap of gelijkenis met de boomsoort goebay*, dat is Jacaranda copaia; zie basterd*. Opmerkelijk is de vermelding bij Teenstra (zie beneden), dat uit basterd­ goebaij een medicijn verkregen kan worden tegen jaas*, vandaar bij hem als synoniem jashout*. Ostendorf (1962:168) stelt hetzelfde voor goebaja met betrekking tot hedendaags Surinaams-Nederlands bosyaws (leishmaniasis, jaas*, 2), ook een huidziekte, met soortgelijke verschijnselen als jaas* (1). Dit alles wijst op indertijd nog een tekort aan zowel botanische als medische kennis. 1835 (Teenstra 1:365). Ø /N-S/wp/4/-. basterdijzerhart, een boomsoort (Swartzia panacoco) en zijn hout, heden in Surinaams-Nederlands genaamd gandoe (< Sranantongo). Zie basterd*. Het kernhout is zeer hard, zoals dat van de verwante ijzerhart*. 1855 (Focke 3). Zie ook: apoetoehout*, bokkenhout*. Ø /N-(N-N)/wp/4/-. basterdlocus, een boomsoort (Dicorynia guianensis). < Engels bastard locust (Ligon 1657; 1673:74). Het is niet duidelijk welke de overeenkomst is met lokus*. 1835 (Teenstra 1:377). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 269, bastaard lokus). → basralokus (< Surinaams-Engels). Zie ook: sinapletoe*. Ø /E/wp/4-6/-. basterdmope (uitspraak -mopéé), een boomsoort (Tapirira guianensis). Vergelijk Sranantongo basramope in deze betekenis (Woordenlijst SranantongoNederlands-Engels 1980:162). Het is niet

46

bastiaan

duidelijk welke de overeenkomst is met mope*. 1835 (Teenstra 1:383). Ø /N-K/wp/4/-, of /N-S/wp/4/-. basterdwane, de boomsoort Vochysia guianensis, heden in Surinaams-Nederlands genaamd wiswiskwari (< Sranantongo). Zie basterd*. Het is niet duidelijk welke de overeenkomst is met wane*. 1855 (Focke 147, Van Sypesteyn 184). Ø /N-K/wp/4/-, of /N-S/wp/4/-. basterd-zwieti boonti, zekere niet nader te identificeren boom van het genus Inga. Zie basterd*, zie switie-boontje*. 1835 (Teenstra 1:403). Ø /N-S/wp/4/-. bastia, 1. zie bastiaan* (1 en 2); 2. zie basjafisi*. bastiaan (de, -s, -en), 1. negerslaaf als opzichter over andere slaven, in het bijzonder op een plantage*; 2. negerslaaf met een functie rechtstreeks onder het leidinggevende hoofd van enigerlei onderneming of actie (‘assistent’). < Sranantongo bassia (Van Dyk 1768:68; Schumann 1783:12), basian (Weygandt 1798:125) < Engels overseer, Smith 1987:265. De volgende vormen, in chronologische volgorde naar eerste vindplaats: bassia: 1728 (Dragtenstein 2002:80). 1771 (Nepveu 223). bastia: 1740 (Anonymus 59). 1790 (Stedman 363). bastiaan: 1772 (De Beet 1984:106). - 18551863 (Bartelink 1916:13). bassiaan: 1816 (Lammens 113). - 1846 (Klinkers 1997:24). Opmerking 1: 1862 een bastianes (Everaert 1999:35). Zie ook: negerofficier* (2), zwarte en blanke officier*, hoofdbastiaan*, loods­ bastiaan*. Ø /S/pp/2-4/-. 2. Aangetroffen in de volgende betekenissen: (a) 1749 (De Beet & Price 44)

batagger

bastian voor een opzichter bij een bosch­ patrouille*. (b) negerbastiaan in 1815 (Schiltkamp & De Smidt 1339) voor een hulpkracht, voorzien van een zweep, van een ambtenaar die toezicht houdt op de veiligheid en de hygiëne in Paramaribo. (c) bastiaan voor hulpkracht van de savanne­ schout* (1815, Schiltkamp & De Smidt 1342; 1834, Teenstra 1842:220). (d) bastiaan voor een onderaanvoerder van de bosnegerleider Bonnie. Ø /S/bs/2-4/-. Opmerking 2: Bastiaan en basja betekenen heden ‘onderhoofd’ (onder capitein*, I) in een indianen- of boschnegerdorp. Ø /S/ pp/2-4/-. batagger: zie pataka*. batatta, soort indiaanse draagmand, vermoedelijk met een vorm als die van wat heden in Surinaams-Nederlands een moetete genoemd wordt. < Karaïbisch patoto (Ahlbrinck 1931:506). 1854 (Kappler 1983:50 e.a.). Ø /K/ic/4/-. batatte, battatte: zie patatte*. batterij (de), het geheel van in een serie geplaatste suikerketels*. < Europees-Nederlands batterij, een groep gelijkvormige, bijeenhorende zaken in het algemeen. 1720 (Oostindie 1989:49).- 1804 (Eensgezindheid 120). Ø /N’/pt/1-3/-. - : Engelsche batterij, batterij* bestaande uit een grote, langwerpige, stenen kuip, verdeeld in een aantal vakken waarin evenzovele ketels voor de bereiding van suiker uit suikerrietsap, met een vuur onder 3 of 4 ketels tegelijk. Zonder de toevoeging ‘Engelsch’ betreft het een dergelijke batterij* met een vuur onder iedere ketel apart. 1762 (Oostindie 1989:465, dubbele Engelsche batterij, dus met twee rijen ketels naast elkaar). 1771 (Nepveu 133). Ø /N+N’/pt/2/-./ - : lage batterij, batterij* die ingezonken

47

bebe

is, dus lager ligt dan het vloeroppervlak van de suikerfabriek. 1828 (Kuhn 19). Ø /N+N’/pt/ 4/-. baviaan (-en), rode brulaap (Alouatta seniculus straminea). < Europees-Nederlands baviaan (de naam voor zekere bodembewonende apen (voornamelijk Papio-soorten) in Afrika), maar waarschijnlijker afkomstig uit Westelijk Guyana of zelfs Oostelijk Guyana (zie beneden). 1855 (Focke 7). - 1903 (Van Coll 550). Oudste vindplaats in Oostelijk Guyana 1678 (Van der Woude; Lichtveld & Voorhoeve 51); ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:11). Zie ook: baboen*. Ø /X/d/4-5/O./W./. bazuinkoor, klein ensemble dat in het verband van de Evangelische Broedergemeente religieuze muziek ten gehore bracht en nog brengt. < Duits Posaunenchor. Het SurinaamsNederlandse woord ontstond toen de Broedergemeente nog door Duitstaligen gedomineerd werd. 1870-80 (J. IJzerman in Oso 6:56). →. Opmerking: In de loop van de tijd is de samenstelling, in het bijzonder de verhouding zangers-koperblazers-andere instrumentalisten, aan veranderingen onderhevig geweest, waarbij de exclusieve relatie met de Broedergemeente verloren ging en wereldlijke muziek de overhand kreeg. Het is niet aan te geven tot wanneer het oorspronkelijke karakter stand heeft gehouden. Ø /Dui./bc/4-?/-. bebe, boomsoorten van het genus Pterocarpus. < Sranantongo bebe (Van Coll 1903:643) of kort voor Sranantongo bebe-hoedoe (Focke 1855:9). 1790 (Stedman 410, bee bee, Engelse spelling). →. Ø /S/wp/3-6/-. - : hooglandsche bebe, zekere boomsoorten, voornamelijk van het genus Pterocarpus.

bebeboom

Zie bebe*; deze soorten groeien op hoogland*, in tegenstelling tot de laaglandse bebe*. 1835 (Teenstra 1:353). - Focke 1858c:22. → (hooglandbebe). Ø /N’+S/wp/4-(-6)/-. - : laaglandsche bebe, de boomsoort Pterocarpus officinalis, in SurinaamsNederlands heden genaamd watrabebe (< Sranantongo). Groeit, in tegenstelling tot de soorten hooglandsche bebe*, in bossen die periodiek onder water staan. Europees-Nederlands laagland betekent laag gelegen land in het algemeen. 1835 (Teenstra 1:353). - Focke 1858c:22. Ø /N’+S/wp/4/-. bebeboom, als bebe*. < Sranantongo bebe-hoedoe (Focke 1855:9). 1771 (C. Dahlberg nr. 59; de verzamelde plant is echter een liaan (zie Lanjouw & Uittien 1935-1936:185) die blijkbaar in die boom zat). 1827 (Lammens 1999:139). Ø /S-N/wp/24/-. bebehout, hout van laaglandsche bebe*: zie aldaar 1835 (Teenstra 1:241). Ø /S-N/wp/4/-. Becou en Moesinga (meervoud), Becou en Moesinga negers, twee meestal samen genoemde groepen van boschnegers* die zich verenigden tot de stam der Matoeari*. 1773 (toen Boucou en Moesinga, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 156). - 1859 (ibid.). → 1917 (ibid.). bed (-den), rechthoekige kleinste eenheid, als deel van een stuk*, op een plantage; met een vaste afmeting, beplant met één gewas. < Europees-Nederlands bed, onder meer in de tuinbouw een afgeperkt stuk grond met één gewas, echter niet van een vaste afmeting. 1735 (Bijlsma 1923:56). - 1854 (Kappler 1983:27). →.

48

beestenwerk

Zie ook: rietbed*. Ø /N’/pt/2-6/-. bedelven (bedolven), weinig aangetroffen als Algemeen Nederlands woord voor ‘door delven bewerken, ontginnen’ (als in wnt, 1660), in Suriname in het bijzonder 1. watergangen graven en dijken opwerpen als eerste fase bij de aanleg van een nieuwe plantage*; 2. een watergang uitbaggeren. 1. 1701 (Inventaris West-Indische Compagnie 1137). 188 4 (Elout van Soeterwoude 38). Zie ook: bedelving*, polder*. Ø /N’/pt/15/-. 2. 1867 (Oostindie 1989:38). Zie ook: uitmodderen*, ophalen*. Ø /N’/ pt/4/-. bedelving (de), het stelsel van watergangen van een plantage*. < Europees-Nederlands bedelving, het bedelven. 1740 (Anonymus 46). - 1855-1863 (Bartelink 1916:22). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 569). Ø /N’/ pt/2-5/-. bediendenhuis: zie dienaarshuis*. beestenmolen, molen aangedreven door trekdieren (ossen, muilezels of paarden). Beest betekent hier ‘dier’ (niet ‘rund’, zoals bij Nederlandse boeren). 1720 (Bijlsma 1922:327, beestenhuis). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:95). - 1835 (Teenstra 1:214). Opmerking: In Nederland was wel bekend de paardenmolen of rosmolen. Zie ook: beestenwerk*, paardenwerk*, waterwerk*, en de onderdelen stoel*, zwieping*, koning*, brug* (1) en roller*. Ø /N-N/pt/1-4/-. beestenpen, stal voor vee. Zie beest onder beestenmolen*, zie pen*. 1787 (Blom hoofdstuk 5). Ø /N-E/pt/3/-. beestenwerk (het, -en), als beestenmolen*. Europees-Nederlands werk betekent hier ‘bewegend toestel’.

beljak

1720 (Bijlsma 1922:327) - 1835 (Teenstra 1:214). Opmerking: Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië 1865 (wnt, aanvang p. 223). Ø /N-N/pt/1-4/-. beljak, droge koliek, ofwel buikpijn zonder diarree. < Engels (dry) belly-ache, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 100. 1705 (Merian 38). - 1828 (Bosch, 125, 2). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 100). Ø /E/z/1-5/-. beljaren: zie baljaren*. benan...: zie banan...*. benedenlandsch, (bn.) bij het gebied stroomafwaarts van de noordelijkste, dat is laagst gelegen stroomversnellingen in de grote rivieren. Hoewel staand tegenover bovenlandsch*, werd en wordt het begrip niet gedefinieerd en afgebakend op grond van de relatieve hoogteligging. 1717 (Schiltkamp & De Smidt 313).- 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 101). →. Ø /N’/m/1-6/-. benedenlandsche Indianen (alleen meervoud), benedenlandsch* wonende indianen. 1717 (Schiltkamp & De Smidt 313). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 101) →. Zie ook: bovenlandsche Indianen*. Ø /N’+N/ic/1-6/-. benedenwaarts (bn., bw.), stroomafwaarts. < Europees-Nederlands benedenwaarts dat is ‘(in) de richting naar beneden (hebbend)’. 1714 (Schiltkamp & De Smidt 303). 1839-1851 (Van der Aa 1993:52). → . Ø /N’/m/1-6/-. benta (de), muziekinstrument bestaande uit een boog met een snaar die meer of minder met de tanden aangetrokken wordt en met een stokje aangeslagen; in gebruik bij negerslaven.

49

besmet

< Sranantongo benta (Focke 1855:10), Afrikaans (Nuñez 1980:69) 1796 (Stedman 377). Opmerking: Later en tot op heden de naam voor enige andere muziekinstrumenten. Ø /S/sc/3/-. bepoldering, bedijking, in dit geval zowel het stelsel van dijken (dammen*, polders*) en watergangen van een bestaande plantage*, als de aanleg daarvan voor een nieuwe. < Europees-Nederlands bepoldering, dat is ‘inpoldering’. 1770 (Hartsinck 575). - 1835 (Teenstra 1:172). Zie ook: in polder leggen*. Ø /N’/pt/24/-. berangine (de), aubergine (Solanum melongena) en zijn vrucht. < Frans beringène (Larousse 1956:428). 1835 (Teenstra 2:279). Opmerking: Later in Surinaams-Nederlands genoemd berangère, thans boulanger Zie ook: antroea*. Ø /Fr./cp/4/-. berbekot: zie barbekot*. berklak: zie barklak*. beslag, binnenbetimmering van een buitenmuur. In wnt alleen een min of meer overeenkomstige betekenis uit West-Vlaanderen van 1898: “beleglatten of -planken op eene deur of een venster”. 1762 (De Beet & Price 1982:155). →. Ø /N’/bc/2-6/-. beslagplank, plank bestemd voor of deel uitmakend van (een) beslag*. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 42). →. Ø /N’-N/bc/2-6/-. besmet, in het bijzonder besmet met, lijdende aan lepra. < Europees-Nederlands besmet, dat is ‘aangestoken door enige ziekte’. In Surinaams-Nederlands zo verwoord, als spreker schroomt de ziekte bij de naam

besmetteling

(boasie*, lepra) te noemen. 1866 (Van Schaick 215, 221, 222). Zie ook: de ziekte*. Ø /N’/z/4/-. besmetteling, lepralijder. Zie besmet*. 1832 (Klinkers in Oso 22:53). Ø /N’/z/4/-. beursrot, gewone opossum, een buidelrat (Didelphys marsupialis). < Europees-Nederlands beurs, ‘buidel’ in het algemeen, + Europees-Nederlands rot ‘rat’. 1705 (Merian 66). Zie ook: awari*, boschrat*, jawari*, zakrot*. Ø /N’-N/d/1/-. bevredigden (meervoud), bevredigde (dat wil zeggen gepacificeerde) boschnegers*. < Europees-Nederlands bevredigden, voor gepacificeerde opstandigen in het algemeen 1809 (Schiltkamp & De Smidt 1283). 1811 (Schiltkamp & De Smidt 1293). Ø /N’/o/3/-. bewaarplaats, in Paramaribo het onderkomen voor krankzinnigen. < Europees-Nederlands bewaarplaats, een gezamelijk onderkomen voor zekere behoeftigen in het algemeen 1866-1895 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 762). Ø /N’/bc/4-5/-. bezemkruid, zeker kruid (Scoparia dulcis). < Engels (sweet) broomweed; zie ook bromwied*. Er worden bezems van gemaakt. 1777 (Houttuyn 2, 7:328). 1910 (Sack 58). →. Ø /E/wp/2-6/bijlegger (de), assistent van een uitlegger* (posthouder*). Gevormd naar analogie van uitlegger* of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1774 (S. de Groot in Oso 16:221). - 18451849 (Boekhoudt 1874:126). Oudste vindplaats 1763 in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:426). Ø /(NN)?W?/bs/2-4/W./. bijlhart, hout van vermoedelijk bijlhout*.

50

biljaaren

Zie ook hart*. 1689 (Schiltkamp & De Smidt 186). Ø /X/ wp/1/-. bijlhout, een boomsoort (Eperua falcata), thans genoemd walaba*, en het hout van deze, gebruikt als timmerhout en voor singels*; ook attributief. < Engels billwood (Van Aerssen van Sommelsdijck 1686, Brinkman 1980:38). De Engelse naam is ontleend aan de gelijkenis van de peul van deze boom met de vorm van het blad van de ‘machete’, van oudsher in het Engels van West-Indië bill genoemd (Cassidy & Le Page 1980:42). Bij Surinaams-Nederlands bijlhout is dus sprake van een “leenbetekenis” (sensu Van der Sijs 1989:63). De etymologie in Van Donselaar (1989:72) is onjuist, die in Van Dale ook. 1718 (Herlein 227). - 1855 (Focke 11). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 282). Ø /E/wp/1-5/-. bijlhouten (bn.), van bijlhout*. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213) - 1805 (Schiltkamp & De Smidt 775). Ø /E/wp/2-3/-. bijlhoutvet, harsachtige substantie uit bijlhout*, (eertijds) gebruikt tegen reumatiek en jicht. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 39). 1884 (De Surinaamsche Courant nr. 36). Opmerking: Later (ook?) genoemd bijlhoutolie (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:517), walaba-houtolie (Ostendorf 77). Ø /E-N/bc/4-5/-. bijzitter, assistent van een posthouder*. < Europees-Nederlands bijzitter, een assessor van een rechter of een examinator, in het wnt één keer van een bestuurder (1673). 1835 (Teenstra 2:168, 172). Zie ook: bijlegger*. Ø /N’/bs/4/-. bilambi: zie birambi* biljaaren, biljarden: zie baljaren*.

binden

binden: een hangmat binden, een hangmat ophangen. 1855-1863 (Bartelink 1916:39). →. Ø /N+N’/r/4-6/-. binnenfort (het), het fort Zeelandia in de meest strikte zin, dat is het stenen verdedigingswerk ingesloten door vijf bastions. De onderscheiding ten opzichte van het totale verdedigingswerk werd nodig, toen vanaf ca. 1750 het omliggende terrein erbij werd betrokken met daarop onder meer houten woningen voor de militairen, het geheel omgeven door een wal en een gracht. 1815 (Schiltkamp & De Smidt 1340). 1855 (Focke 96). - 1881 (Kappler 1883:20). Zie ook: het fort*/Fort*. Ø /N-N/bs/35)/-. binnenpolder, dijk (polder*) niet aan de voorzijde van een plantage*, dus achterpolder* of zijpolder*, maar niet voorpolder*. 1740 (Anonymus 55). Ø /N-N’/pt/2/-. binnenwaards, landinwaards, zowel vanaf de kust als vanaf een rivieroever. 1818, 1822 (Lammens 1982: 170, 164). Tegenwoordig gebruikt men naar binnen. Ø /N’/r/3/-. birambi, blimbing, de naam voor drie uit Zuidoost-Azië ingevoerde kleine bomen en hun vruchten. < Maleis belimbing (Van Veen & Van der Sijs). 1. birambi (zonder meer), met langwerpige vruchten (Averrhoa bilimbi). 2. grote birambi, carambola of stervrucht, met grote, op doorsnede stervormige vruchten (Averrhoa carambola), heden genoemd in Surinaams-Nederlands fransman­birambi. 3. kleine of ronde birambi, met ronde vruchten (Phyllanthus acidus). 1835 (Teenstra 2:256, ook bilamby), 1, 2 en 3. - 1872 (Anonymus 67). → (1 en 3). Maleis/cp/4-6/-. biribiri, biribirie (de, -s), 1. (stuk) moeras-

51

bita wirri wirri

land met een vegetatie van biribiri (2); 2. biezen en andere (hoge) moeraskruiden. < Sranantongo biribiri (Schumann 1783:17, in Surinaams-Nederlands betekenis 2) of < Karaïbisch birebire (Van Panhuys 1904:612). De etymologie in Van Donselaar (1989) is niet juist. 1: 1759 (Oostindie 1989:28). 1768 (De Beet 1984:78, birebire). - 1835 (Teenstra 1:95) →. Zie ook: savane* (2). Ø /K?S?/m/2-6/-. 2: 1770 (Hartsinck 866).- 1835 (Teenstra 1:101). Ø /K?S?/wp/2-4/-. - : hoogland biribiri, plaatselijk moeras op hoogland*. 1759-1764 (Oostindie 1989:459). Ø /N(K?S?)/m/2/-. biribirigrond (-en), als biribiri* (1). 1835 (Teenstra 1:101). Ø /(K?S?)-N/m/4/-. biribiriland (-en), als biribiri* (1). 1765 (Nepveu 59). - 1849 (Van Sypesteyn). Ø /(K?S?)-N/m/2-4/-. biribirisavane (-s), (stuk) laagland met een open, hoge kruidenvegetatie dat in de regentijd* onder water staat; in de droge tijd* is de bodem hoogstens nat. Biribirisavane houdt het midden tussen biribiri* (1) en open savanne* (2). De tegenwoordige Surinaams-Nederlandse naam is zwampsavanne. 1775 (De Beet 1984:92). - 1796 (Brouwn 57, 58). Ø /(K?S?)-Am/m/2-3/-. biribirizwamp, als biribiri* (1). Zie biribiri*, zie zwamp*. 1796 (Stedman 273; biree-biree swamp, Engelse spelling). /(K?S?)-(E?W?)/m/3/-. bita wirri wirri, een soort heester (Cestrum latifolium) en de groente van zijn bladeren. Sranantongo (thans bitawiwiri, Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:163), betekent ‘bitterblad’, naar de smaak van de groente. 1740 (Anonymus 9). 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). →

bitter

(bitawiwiri). Ø /S/wp/2-6/-. bitter: zie quassie*. blaasman, Amerikaanse reuzenooievaar of jabiroe (Jabiru mycteria). Het dier kan blazen. Als tweede lid van een samenstelling komt man met diverse etymologische achtergronden voor in Sranantongo-namen van dieren. Voorbeelden: gronman, fisman en toriman* (vogels), alataman (een slang), bosrokoman en kweriman* (vissen). Focke (1855:12) bestempelt de gehele naam (blaasman) als Sranantongo. Die zou dan echter mede ontleend moeten zijn aan eerder Surinaams-Nederlands, want Europees-Nederlands blazen is (nu) Sranantongo blo. Vóór 1855 (zie boven). →. Zie ook: kraan*, toejoejoe*. Ø /NS/d/4-6-. blaf: zie braf*. blafard, albino-neger. < Frans blafard (bn.), dat betekent onder meer ‘bleek’. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:90). Zie ook: kakkerlak*. Ø /Fr./r/4/-. blakberi (de), boom of heester met kleine, blauwzwarte vruchten (Humiria balsamifera). < Sranantongo brakka beri (Focke 1855:17); blaka ‘zwart’, beri ‘bes’. 1835 (Teenstra 1:354). →. Zie ook: basterd* bolletrie, merie*. Ø /S/ wp/4-6/-. blaker (-s), metalen bekken. < Europees-Nederlands blaker voor ‘vuurpan’. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:103, wasch blaakertje). 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). →. Ø /N’/bc/2-6/-. blakkamaka, niet nader geïdentificeerde soort palm. < Sranantongo (Focke 1855:75, brakka makka); blaka ‘zwart’, zie maca* (4).

52

blinkert-laulau

1771 (Nepveu 356). 1835 (Teenstra 1:417). Ø /S/wp/3-4/-. blakkat, niet nader geïdentificeerde soort meerval (vis). Sranantongo blaka ‘zwart’, Sranantongo kati ‘meerval’ (Woordenlijst SranantongoNederlands-Engels 1980:196), maar Sranantongo ‘blak’kati’ niet gevonden. 1740 (Anonymus 23, blakgat). 1771 (Nepveu 347). Ø /S/d/2/-. blankofficier (de, -s, -en), blanke, later ook gemengdbloedige plantage-opzichter, tevens leerling, rechtstreeks onder de directeur*. Latere vorm van ‘blanke officier*’ (zie aldaar). 1798 (Weygandt 130). - 1866 (Schaick 129). 1884 (Elout van Soeterwoude 48). Opmerking 1: Tegen het eind van de slaventijd eventueel ook niet blank (zie Bartelink 1916:21). Opmerking 2: Bij Winkels (I:21; 1840) blankofficieren als werkwoord voor ‘blank­officier zijn’. Opmerking 3: De vermelding voor Westelijk Guyana door Bosman (1994:29) is onjuist. Zie ook: negerofficier* (1), schrijver*. Ø /N-E/pp/3-5/-. blauwtje (-s), blauwe tangara, bisschopstangare, een vogel (Thraupis episcopus). Europees-Nederlands blauwtje kan onder meer betrekking hebben op iets concreets, levend of levenloos. 1740 (Anonymus 23). →. Ø /N’/d/2-6/-. blinders, rolgordijn. < Amerikaans-Engels, daar met ruimere betekenis (Webster 83). 1853 (Algemeen Nieuws en Advertentieblad nr. 1 en De Surinaamsche Courant nr. 118). Ø /E/bc/3-6/-. blinkert-laulau, als laulau*. < Europees-Nederlands blinkerd, iets dat kort blinkt of oplicht (wnt), vandaar ook

bloedhout

snoeklepel (Van Dale); of vanwege “hunne zilverachtigen huid”) (Hartsinck, zie beneden). In hedendaags Sranantongo betekent blinka op zich al laulau*. 1770 (Hartsinck 121). Ø /X/d/2/-. bloedhout, enige boomsoorten met in hun bast rood sap, in het bijzonder enige Irianthera-soorten. 1835 (Teenstra 1:340). 1855 (Van Sypesteyn 170). Ø /N’-N/wp/4/-. blomvat (-en), meelvat. Europees-Nederlands blom ‘bloem’, ‘gezeefd tarwemeel’ werd indertijd in vaten uit Noord-Amerika ingevoerd. Het vat werd toen ook gebruikt om er andere zaken in te verpakken en te vervoeren (zie De Beet & Price 1982:55). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:68). - 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 38). →. Ø /N’/bc/2-6/-. blucher (-s), blucherboots (meervoud), zware hoge schoenen, het bovenleer en de tong uit één stuk (Webster 86). < Engels blucher, daar genoemd naar de Pruisische maarschalk Blücher, die ze in 1815 invoerde als militair schoeisel. 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 7 en 52, de laatste planters bluchers). 1904 (J. Samuels in Doelwijt red. 1974:52). Opmerking: Wellicht worden met grondschoenen* en plantageschoenen* dezelfde bedoeld. Ø /E/pt/4-5/-. boasie (de), lepra. < Sranantongo boasie (Schumann 1783:19) of < Afrikaans? (zie Poolman 1798 in Teenstra 1835, 2:195) of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1761 (Schiltkamp & De Smidt 707). - 1866 (Van Schaick 225). →. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1792:9, boisi). Zie ook: knobbelboasi*, besmet*, de ziekte*. Ø /S?W?/z/2-6/W./. - : droge boasie, vorm van lepra zonder de

53

boeba

verschijnselen van de natte boasie; heden genoemd kokobe (< Sranantongo). 1770 (Hartsinck 913). - 1839-1851 (Van der Aa 1993:40). Ø /N+(S?W?)/z/2-4/-. - : natte boasie, vorm van lepra waarbij ontvellingen optreden. 1770 (Hartsinck 913). - 1839-1851 (Van der Aa 1993:40). Ø /N+(S?W?)/z/2-4/-. Boasiegrond, bijnaam van de voormalige kostplantage* Voorzorg aan de Saramaka, toen deze was ingericht voor de opvang van lepralijders (boasiers*). 1839-1851 (Van der Aa 1993:135). Ø /(S?W?)-E/bs/3-4/-. boasier (-s), lepralijder. 1817 (Lammens 172). Ø /(S?W?)/z/3/-. boasievlieg (-en), niet nader geïdentificeerd insectje waarvan destijds ten onrechte verondersteld werd dat het boasie* kan overbrengen van een open wond bij een lijder naar een gezonde persoon. 1839-1851 (Van der Aa 1993:50). Ø /(S?W?)-N/d/4/-. boasieworm, guineaworm of medinaworm (Dracunculus medinensis), een draadworm waarvan destijds ten onrechte verondersteld werd dat hij boasie* veroorzaakt (zie Simons 1958b:79). 1835 (Teenstra 2:195). Zie ook: regenworm*. Ø /(S?W?)-N/d/4/-. bobbetje (-s), borst van vrouw, in het bijzonder jonge. < Sranantongo bobbi (Schumann 1783:19) < Engels bubby (oed 2:608). 1834 (Teenstra 1842:50). → (ook en vooral bobbie, < Sranantongo). Opmerking: Herlein (1718:96) vermeldt een doek om de borsten van slavinnen “’t welk van haar werd genoemd Bobbelap”. Ø /S/r/4-6/-. boeba, bast of schil van een vrucht of een zaad. < Sranantongo boeba (Schumann 1783:24). 1768 (Van Stipriaan 1993:117). 1835 (Teen-

boegslaaf

stra 1:259; in dit geval van koffiebessen). Ø /S/r/2-4/-. boegslaaf, slaaf met (nog) niet achterhaalde taak op een boot. 1767-1802 (Van der Putte 2005:282). Ø /X/ pp/2-3/-. boekanier (-s), zeer lang, ver dragend geweer. < Frans boucanier, in de betekenis van ‘jager op Hispaniola die zo’n geweer gebruikt’. Zie wnt (3, 1:112). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:327, bukanier). 1738 (Schiltkamp & De Smidt 447, bokanier). - 1763 (De Beet & Price 192, bokkenier). Opmerking 1: Een plakkaat van 1701 (Schiltkamp & De Smidt 241) geeft boec(k)anierroer. Opmerking 2: Buiten Suriname als Nederlands woord alleen vermeld van Hispaniola (1691; wnt op. cit.). Ø /Fr./bc/2/-. boekjes, calicot, een katoenen stof, in het bijzonder voor kleding en in de boekbinderij. Vergelijk Engels book muslin (idem). 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 44). 1853 (Surinaamsch Weekblad nrs. 10 en 28). Opmerking: In 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 15): “Haarlemmer Boekjes”. Ø /X/bc/3-4/-. boekjesstreep, als boekjes*, met een ingeweven streeppatroon. Europees-Nederlands streep was de naam voor allerlei gestreepte stoffen. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 97). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 65). Ø /X-N/bc/3-4/-. boerenverdriet, niet nader geïdentificeerd onkruid (Cyperus-soort). 1835 (Teenstra 1:206). Ø /N’/wp/4/-. boetaboeta, nachtzwaluw, enige vogelsoorten van de families Caprimulgidae en Nyctibiidae. < Sranantongo boetaboeta (Focke 1855:14) < Afrikaans (Smith 1987). 1855 (Focke 14) →. Ø /S/d/4-6/-.

54

bok

bogaier, bogajer: zie pogaier*. Boheems gras, handjesgras of bahamagras (Cynodon dactylon), een wereldwijd verbreide grassoort. De naam berust wellicht op de gelijkenis in klank tussen de woorden Bohemen en Bahama. 1831 (Teenstra 1835, 2:366). Zie ook: trigriston*. Ø /N’+N/cp/4/-. boi: zie booi*. bok I.: Spaanse bok (-ken), bestraffing van een slaaf, waarbij deze werd neergelegd met naar voren samengebonden handen, met de knieën tussen de armen naar boven getrokken, een stok onder de knieholten door, en vervolgens op beide zijden werd geslagen met een zweep of roede. Europees-Nederlands bok was een geselbank; Amerikaans-Engels to buck was de wijze van geselen als boven. Circa 1680 (in Wettengl 1998:178). - 1843 (Van Stipriaan 1993:372). Later alleen historiserend. Opmerking 1: De straf werd in het openbaar toegediend, in Paramaribo op een variabel aantal daartoe aangewezen straathoeken. Wolbers (130, 133) meldt uit 1711 een vierhoekse en uit 1732 een zevenhoekse Spaanse bok, Nepveu (1765:80) en Hartsinck (1770:916) melden een Spaanse bok rondom Paramaribo. Zie ook: drogen*. Opmerking 2: Vanaf 1828 op plantages* verboden, in 1843 ook in de stad* afgeschaft (Van Stipriaan, zie boven). Ø /N+X/ bs/1-4/-. bok II. (-ken), bokkin, indiaan, indiaanse. Den Besten (1992:64) oppert omtrent dit duistere woord, dat het zou kunnen komen van verouderd Arowaks bo-kia, betekenend ‘jij’, met nadruk. Voor een relativerend element in zijn analyse, namelijk dat het ongewoon is volksbenamingen in de verkleinvorm te zetten, kan kritisch

bokhout

verwezen worden naar Schotjes, de naam voor een clan van indianen in Berbice (Hartsinck 1770:289). bok: 1740 (Helman 1968:51) - Vreede 1861 (wnt 3, 1:2590). 1883 (Westeroüen van Meeteren 11). Eerder (1675) in de samenstelling bokkenruilder*. Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:41, daar ook bokje), wellicht van daar afkomstig. bokkin: 1758 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 305 fol. 23). - 1770 (Hartsinck 97). Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:469). Zie ook puyta*. Samen: /X?W?/bc/2-5/W./. bokhout: zie bokkenhout*. bokkendorp, dorp van indianen. Zie bok* (II). 1855 (Focke 48). Ø /(X?W?)-N/ic/4/-. bokkengrond, kostgrond* (2) van indianen. Zie bok* (II), zie grond* (I, 3). 1761 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 313 fol. 239, bokke grond). Ø /(X?W?)-E/ic/2/-. bokkenhout, bokhout, de boomsoort Swartzia panacoco en zijn hout, in Surinaams-Nederlands heden genaamd gandoe (< Sranantongo). Zie bok* (II). Indianen maakten uit het hout hun strijdknotsen. 1835 (Teenstra 1:350). 1855 (Van Sype­ steyn 172). Zie ook: apoetoehout*, basterdijzerhout*. Ø /(X?W?)-N/wp/4/-. bokkenier: zie boekanier*. bokkenkatoen (het), inheemse katoensoort (Gossypium peruvianum). Zie bok* (II). Het werd (wordt nog ?) vooral verbouwd door indianen in hun dorpen. 1835 (Teenstra 1:265). - 1926 (Cappelle 126).

55

bolletrie

Zie ook: katoen*(1). Ø /(X?W?)-N/ cwp/4-5/-. bokkenier: zie boekanier*. bokkennoot, bokke-, een boomsoort (Caryocar nuciferum) en de noot (souarinoot) van deze als verzameld en verkocht door indianen (bokken* II). 1822 (Lammens 1982:175). - 1855 (Focke 91). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 198). Zie ook: sawari(-)*. Ø /(X?W?)-N/wp/35/-. bokkenruilder (-s), handelaar in dienst van de koloniale overheid die, in ruil voor goederen, bij bevriende indianen indiaanse krijgsgevangenen verwierf ten behoeve van slavendienst; het kon een posthouder* zijn (zie plakkaat 1780, Schiltkamp & De Smidt 980). Zie bok* (II). 1675 (Bubberman in Teunissen 1972:33). 1769 (Fermin 1, 92). Zie ook: posthouder*, zwerver*. Ø /(X?W?)-N/bs/1-2/-. bokkewarimbo: zie warimbo* (3). bokkin: zie bok* (II). boks, taal van indianen. Zie bok* (II). Bij Hartsinck (1770:55), voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: negersch*. Ø /X/ic/2/W./. bokscalabas (de), zie calabas* (II). Zie bok* (II). Indianen en boschnegers* kweekten en kweken de plant om van de vruchten waterkruiken te maken. Een eetbare vorm zonder harde schil heet in hedendaags Surinaams-Nederlands poen of poeng (< Sranantongo). Bij Hartsinck (1770:54) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: corre*, wilde fles*. Ø /(X?W?)N/cp/2/W./. boksjammes: zie napie*. bolletrie, 1. (de), een boomsoort die balata levert (Manilkara bidentata); 2. het hout

bolletrieboom

van deze, ook attributief. < Engels bully-tree (oed 2:646). De vrucht lijkt op Engels bully, ‘kroosje’ (klein pruimpje; Van Dale. nb: Crijnsen in brief 1668 of 1669: “vyff hondert (..) Bully houtboom stukken” (Archief Staten van Zeeland, in Van der Linde (1966:90). De voorgaande afleiding weerspreekt die van Van Veen & Van der Sijs (1989), te weten van Arowaks boeroewe via Sranantongo bolletrie, en die in het wnt (Aanvang p. 1008) waar de naam in verband wordt gebracht met balata; zie voor nog weer andere afleidingen ook Cassidy & Le Page (1980:78). 1. 1718 (Herlein 227). - 1858 (Focke c:21). →. Opmerking: Bij Hermann (1689 fol. 20) is bolotre een andere boomsoort, vermoedelijk Rheedia floribunda (Van Ooststroom 1939, nr. 20). Teenstra (1835, 1:343) noemt zekere niet identificeerbare boomsoort hooglandsche bolletri*. Zie ook: basterdbolletrie*, Hans Ipsen bolletrie* en zwampbolletrie*. 2. 1687 (Schiltkamp & De Smidt 173). 1855 (Van Sypesteyn 171). →. 1 + 2: /E/wp/1-6/-. - : witte bolletrie, vermoedelijk een boomsoort die veel wit melksap geeft en heden Surinaams-Nederlands savannebolletrie genoemd wordt (Himathanthus articulatus). 1835 (Teenstra 1:355). - 1858 (Focke c:21). Ø /N+E/wp/4/-. bolletrieboom, als bolletrie* (de boom). 1770 (Hartsinck 74, bouletri-boom). 1771 (C. Dahlberg nr. 133). Ø /E-N/wp/2/-. bolletriehout, als bolletrie* (het hout, gebruikt als timmerhout, ook voor singels*). 1770 (Hartsinck 578, bolatriehout). - 18451849 (Boekhoudt 1874:31). Opmerking: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van hout uit Suriname met deze naam tussen 1847 en 1851 in

56

booi

Zwolle. Ø /E-N/wp/2-4/-. bomba, een woord voor negerslaaf als bewaker van of opzichter over mede-slaven. Vermeld voor slavendepots in Afrika (1770), een slavenschip (1688) en plantages* buiten Suriname (1770, 1792). Voor Suriname met betrekking tot de periode van de slavernij niet vermeld, wel later en dan historiserend. bonboni, Braziliaanse eekhoorn (Sciurus aestuans). < Sranantongo boniboni (Focke 1855:15). 1835 (Teenstra 2:414; bonni bonni). →. Zie ook: eekhoorn*. Ø /S/d/4-6/-. bonenboom: zie zoete boontjes-boom*. bongera, bonjera: zie abonjera*. Boni: zie Bonni-negers*. bonkelrad (-en, -eren), bonkelaar, bij een waterwerk* het vertikale aswiel aan de spil van het scheprad* dat de draaiende beweging daarvan overbrengt op het horizontale kamrad. Europees-Nederlands bonkels zijn de pinnen aan dit aswiel. 1763 (Pistorius 46). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 145). Ø /N-N/pt/2-4/-. Bonni-negers (1773, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 156), Bonnische Bosch-Negers (1796, Brouwn 62), groep van boschnegers* in Noordoost-Suriname die 1765-1778 en 1789-1793 - vanaf 1773 onder deze en dergelijke namen - in oorlog was met de koloniale overheid en tenslotte over de grens naar Frans-Guyana werd verdreven. De namen werden door anderen ontleend aan die van Boni, hun voornaamste aanvoerder vanaf 1773. Opmerking: Later en nog heden, wonend aan de Lawa en in Frans-Guyana, werd Boni hun gebruikelijke naam. Ø /X/r/2-3/-. booi, negerslaaf als huisknecht of (ook) lijfknecht, zo ook aangesproken door zijn meester. < Engels boy (huisbediende).

boombamba

1759 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 309 fol. 47). - 1853 (Van Schaick in Van Putten & Zantinge. 1988:94; boi). Zie ook: huisneger*, jongen*, voetebooi*. Ø /E/bc/2-5/-. boombamba, vermoedelijk een (of meer) boomsoort(en) van de Laurierfamilie. ‘Boom’ kan duiden op het verschil met bambamaka*, een klimmende palm. 1738 (Inventaris Archief Raad van Politie 792 fol. 1, hier attributief). Zie ook: houtbamba*. Ø /N-X/wp/2/-. boomrijp (bn.), (met betrekking tot vruchten) aan de boom gerijpt, rijp om geplukt te worden. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 84). Ø /N-N/r/4/-. boomtintel, tintel ‘tondel’ als gemaakt door mieren; zie fonk*. 1855 (Focke 34). Ø /N-N’/r/4/-. boontjes: zoete boontjes (alleen meervoud), de zaden (boontjes) van een zoete boontjesboom*, heden in Surinaams-Nederlands genoemd switieboontjes*. De zaden liggen in de peul ingebed in een zoete pulp. 1705 (Merian 51) - 1796 (Stedman 344). Ø /N+N/wp/1-3/-. boontjesboom: zoete boontjesboom, enige boom- en heestersoorten van het genus Inga die de zoete boontjes* voortbrengen; heden in Surinaams-Nederlands genoemd switieboontje*. 1705 (Merian 58, zoete-boonen-boom). 1771 (C. Dahlberg nr. 43). Zie ook: prokonie*, suikerboontjesboom*, weiki*. Opmerking: Merian (zie boven) geeft ook boonen-boom. Ø /N+(N-N)/wp/1-2/.-. bootneger, negerslaaf (neger*) werkzaam op een passagiersboot, in het bijzonder als roeier. 1735 (Inventaris Archief Raad van Politie

57

bosch

789 fol. 39). - 1866 (Van Schaick 130). Ook in Westelijk Guyana (Essequibo en Demararische Courant 29-12-1794) en mogelijk afkomstig van daar. Ø /(NAm)?W?/r/2-4/W./. borstappel: zie wintje-bobbie*. borstelbras, in een katoenmolen een borstel die tegen de draaiende rollers* (3) gezet kon worden om deze te reinigen. Zie bras*. 1835 (Teenstra 1:292). Ø /N-E/pt/4/-. bos (de, -sen), met betrekking tot bananen* en bacoven* de gezamenlijke kammen (handen*, 2) aan één steel. In Europees-Nederlands betekende bos in dit verband eertijds ‘tros’, ‘kam’ (wnt). 1757 (Schiltkamp & De Smidt 646). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 149). →. Ø /N’/cp/2-6/-. bos-: zie boschappel* en alle daarop volgende samenstellingen van bosch*. bosal: zie bozal*. bosch: het bosch, niet ontgonnen land, in het bijzonder binnenland; wildernis. < Engels the bush; dat kan, maar hoeft niet bebost te zijn. 1760 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 309 fol. 47). - 1796 (Brouwn 48). →. Opmerking: Bij Van Schaick (1866:128) in de betekenis van ‘het plantagegebied’. Ø /E/m/2-6/-. bosch-, als eerste lid van een zelfstandig naamwoord, kan betekenen: 1. behorende bij Europees-Nederlands bos (door bomen gedomineerd begroeiingstype). In de code aangeduid als N. 2. behorende bij het bosch (zie beneden). In de code aangeduid als E. 3. wild, vooral gebruikt om een wilde soort van plant of dier te onderscheiden van een verwante of gelijkende, welke laatste gekweekt, gecultiveerd of gedomesticeerd is. In de code N’.

boschappel

Combinaties van twee van deze mogelijkheden komen voor. boschappel: grote en kleine boschappel, twee niet nader geïdentificeerde boomsoorten. Zie appel* (2). De beschrijvingen passen niet voldoende bij wat tegenwoordig in Surinaams-Nederlands bosappel heet, namelijk een (of meer dan een) soort Chrysophyllum. 1835 (Teenstra 2:274). Ø /N+X/wp/4/-. boschbewoner (-s), vaste bewoner van het bosch* (in dit geval indiaan en bosch­ neger*). 1802 (Blom:145). →. Ø /E-N/r/3-6/-. boschbuffel, Zuid-Amerikaanse tapir (Tapirus terrestris). Het dier leeft voornamelijk in bos. Zie buffel*. 1768-1780 (Quandt 1807:205, Buschbüffel, verduitsing van het Surinaams-Nederlandse woord). →. Zie ook: Surinaamsche olifant*. Ø /NE/d/2-6/-. boschcacao (de), een boomsoort (Pachira aquatica). Zie bosch* (3); de vrucht lijkt op een cacaokolf. 1855 (Focke 84). →. Opmerking: Bij Teenstra (1835, 1:399) is het, vermoedelijk door een vergissing, Gustavia augusta. Zie ook: wilde cacaoboom* Ø /N’-N’/ wp/4-6/-. bosch-caschou (de), een soort boom, in het algemeen laag en grillig gevormd (Curatella americana), heden in Surinaams-Nederlands genoemd schuurpapierboompje, of meer algemeen savannekasjoe. Zie bosch* (3); komt voornamelijk voor op savannen* (1) en lijkt op caschou* (1). 1835 (Teenstra 1:359). - 1855 (Van Sypesteyn 172). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 258, bosch-kasjoe).

58

boschduivelboom

Zie ook: wilde caschou*. Opmerking: De naam bosch-caschou wordt tegenwoordig gegeven aan enige andere, in bos voorkomende bomen, in het bijzonder aan Anacardium-soorten. Ø /E-Am/wp/4-5/-. boschcommando, militaire eenheid met dezelfde doelstelling als een boschpatrouille*. Commando betekent hier ‘kleine, gespecialiseerde, militaire eenheid’, een betekenis die in het wnt niet voorkomt. 1767 à 1802 (Van der Putte 2005:282). Zie ook: commanderen*, commandoneger*, commandoslaaf*. Ø /E-N’/o/2-3/-. boschcreool (-en), -criool, -criolin, in vrijheid uit boschnegers* geboren persoon. Zie creool* (3); leeft in het bosch*. 1730 (Inventaris West-Indische Compagnie 786 fol. 44). - 1796 (Brouwn 67, 71). Zie ook: boschneger*, boschslaaf*, marron*, schuiler*, wegloper*. Ø /NAm/o/2-3/-. boschdoks, boschdoksie (-s), muskuseend (Cairina moschata), vermoedelijk in het bijzonder de wilde, zwart- tot bruinachtige vorm. Zie doks*, doksie*. < Sranantongo bussi-doksi (Schumann 1783:8) < Engels bush-duck, Penard & Penard 1908:85. 1834 (Friderici 30). → (bosdoks). Ø /S/d/46/-. boschduivel, zwarte slingeraap, ook (en thans) in Surinaams-Nederlands geheten kwatta* (Ateles paniscus). < Europees-Nederlands boschduivel, naam voor verwilderde bosbewoner, onder meer gekenmerkt door een ruig, ‘ongekamd’ voorkomen (wnt). Deze in bosch* (1) levende aap roept associaties op met een dergelijke persoon. 1768 (Vosmaer 1805). 1798 (Weygandt 39). - 1934 (De Kom 1981:12). Ø /N’/d/2-5/-. boschduivelboom, niet geïdentificeerde wilde struik die visvergif levert.

boschgans

Mogelijk een gedeeltelijke leenvertaling van Karaïbisch kwata-oerali (zie kwatta*), dat is een liaan (een Strychnos-soort) die curare, het vergif voor pijlpunten, levert (Ostendorf 1962:187). 1770 (Hartsinck 79). Ø /X/wp/2/-. boschgans, niet geïdentificeerde vogelsoort, vermoedelijk de boschdoksie* (zie aldaar). 1822 (Lammens 1982:108). Ø /X/d/3/-. boschgeit (-en), grauw spieshert (Mazama gouazoubira nemorivaga), thans in Surinaams-Nederlands in het algemeen klein boshert genoemd. Een bosdier, ongeveer zo groot als een Europees-Nederlandse geit, met een onvertakt gewei. 1835 (Teenstra 2:407). →. Zie ook: kabriet*, ree*. Ø /N-N’/d/4-6/-. boschgoejave (de), enige wilde boompjes en struiken, voornamelijkvan het genus Myrcia. Zie bosch* (3); sommige komen (ook) als boom voor in bos, andere (ook) als struik in savannen* (1). Van dezelfde familie als guajave*. 1835 (Teenstra 1:361). →. Opmerking: Van de ‘Bosch-Gojave-Boom’ uit 1774 bij Houttuyn (2, 2:527) is de ware identiteit niet vast te stellen; ook de gewone guajave* zou er (mede) mee bedoeld kunnen worden. Ø /N’-Am/wp/4-6/boschhaan, roodpootcaracara (Daptrius americana), zwarte caracara (Daptrius ater) of beide bosvogels. De naam kan berusten op het luide geschreeuw van eerstgenoemde in de ochtendschemering. Vergelijk ook de tegenwoordige Surinaams-Nederlandse naam boesiekaka (< Sranantongo), die hetzelfde betekent. 1854 (Kappler 1883:94). 1881 (Kappler 1883:94). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 290). →. Ø /NN’/d/4-5/-. boschhond, 1. hond die geschikt is voor

59

boschkatoen

jacht in het bosch; 2. persoon die zich vooral in het bosch* thuis voelt. Mogelijk zijn het eigen innovaties van de onderstaande anonieme schrijver. Zie vos* (4). 1740 (Anonymus 92, betekenis 1; 83, betekenis 2, over indianen). 1: /N-N/d/2/-. 2: Als 1, metaforisch. Ø /N-N’/bc/2/-. boschhoorn (de), recht, houten blaasinstrument, door boschnegers* gebruikt als signaalhoorn en oorlogstrompet. Gebruikt in het bosch*. 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:110). Zie ook: toetoe*. Ø /E-N/o/2/-. boschkalebas, een boomsoort (Couroupita guianensis) en zijn vrucht. Groeit in bos; de grote, ronde vrucht lijkt op een kleine calabas* (I, 1). 1855 (Focke 64). →. Ø /N-Am/wp/5-6/en N’-Am/wp/5-6/-. boschkalkoen, naam voor twee onderling nauw verwante sjakohoenders (Penelope marail en Penelope jacupeba). Het zijn bosdieren die enigszins op een Europees-Nederlandse kalkoen lijken, onder meer door het kale, rode, losse vel aan hun keel. 1768-1780 (Quandt 1807:213 Buschkalkune, verduitsing van het Surinaams-Nederlands). - 1855 (Focke 77). →. Zie ook: maray* (thans meer gebruikelijk). Ø /N-N’/d/2-6/-. boschkapitein, soort boom, vermoedelijk die later kapiteinshout genoemd wordt (Brosimum guianense) en aan deze verwante soort(en) uit dezelfde familie. Herkomst onbekend. 1858 (Van Sypesteyn 184). Ø /X/wp/4/-. boschkatoen, een boomsoort (Eriotheca globosa); vermoedelijk ook andere soorten uit dezelfde familie. Het is een bosboom. Het rijkelijk in de vrucht aanwezige vruchtpluis werd des-

boschkers

tijds, al bij Teenstra (1835, 1:370), katoen* (2), < Engels cotton(-wool), genoemd. 1835 (Teenstra 1:370). →. Opmerking: Stahel (1944:108) en andere botanische deskundigen na hem vonden de naam verwarrend en stelden er boskapok voor in de plaats. /N-E/wp/4-6/-. boschkers, naam voor enige algemene, in bos voorkomende boompjes met witte bloempjes (Eugenia-soorten) en hun kersachtige, eetbare vruchten; vermoedelijk ook enige verwante of gelijkende soorten uit andere genera en families. 1855 (Van Sypesteyn 184). →. Zie ook kers* en varianten. Opmerking 1: Van der Aa (zie boven) vermeldt de verkoop van hout uit Suriname met deze naam op een houtmarkt tussen 1847 en 1851 in Zwolle Opmerking 2: Teenstra (1835, 1:418) gebruikt de naam voor enige niet nader te bepalen slingerplanten­met kersachtige vruchten. Ø /N-N’/wp/4-6/-. boschkoffie, (nog) niet geïdentificeerde boom of heester. Wellicht is het een bosplant die, evenals alle andere soorten die heden in het Surinaams-Nederlands zo genoemd worden, lijkt op de echte, gecultiveerde koffieplant, ongeacht wetenschappelijke verwantschap. 1835 (Teenstra 1:348). →. Ø /X/wp/4-6/-. boschlakken, in het kader van ontbossing omgehakte bomen van takken ontdoen en in stukken verdelen die met mankracht verwijderd kunnen worden. Zie lakken*. 1786 (Visscher Heshuysen 441). Ø /N-E/ pt/3/-. boschmarcusa, enige wilde soorten passiebloem, waaronder Passiflora glandulosa. Zie bosch* (3), zie marcoesa*. 1835 (Teenstra 2:269). →. Ø /N’-X/wp/46/-. boschmarmeldoosje, een soort boom

60

boschnegerstam

(Amajoua guianensis). Lijkt op marmeldoosje* (1). Zie bosch* (1). 1855 (Focke 78, Van Sypesteyn 178). →. Opmerking: Later ook gebruikt voor marmeldoos* (1 en 2). Ø /N-X/wp/4-6/-. boschmas, (nog) niet geïdentificeerde boomsoort met hard, zwart kernhout. 1802 (Blom 190). boschneger (-en, -s), 1. de slavernij ontvluchte, in groepsverband feitelijk vrij levende neger; 2. in vrijheid geboren afstammeling van deze(n). Zij leefden (en leven, zie betekenis 2) in Surinaams-Nederlands bosch*. In de bronnen zijn de twee betekenissen niet te onderscheiden. 1740 (Anonymus 138). - 1856 (Trap in Kolfin 1999:169). → (betekenis 2). Opmerking: Formele erkenning van hun vrijheid door de koloniale overheid ging geleidelijk, beginnend in 1760, toen met de Aukaners* een vredesverdrag gesloten werd, en eindigend in 1856, toen de beperkingen van de bewegingsvrijheid voor alle boschnegers werden opgeheven (Encyclopedie van Suriname 87, 89). In 1835 (Teenstra 2:151) de term bevredigde boschneger, in 1851 de term vrije Bosch­ neger (Gobardhan 2001:91). Zie ook: boschslaaf*, boschcreool*, marron*, schuiler*, wegloper*, vrije neger* (2). Ø /N-N/o/2-6/-. boschnegerkamer, onderkomen voor boschnegers* (2) die tijdelijk in de stad* verbleven. Kamer betekent hier vermoedelijk ‘gebouw’, als in wnt (6,11:1074, betekenis I, 15). Nadere gegevens ontbreken. 1832 (Teenstra 1842:260). Ø /(N-N)N’/r/4/-. boschnegerstam, zich ontwikkelende en tenslotte bestaande gemeenschap van boschnegers* met aan het hoofd een granman*(1), gevestigd in een bepaald gebied in dorpen met ieder aan het hoofd een

boschpapaye

61

kapitein* (3), met een eigen taal en andere culturele eigenheden. 1855 (Focke 24). →. Zie Aukaner*, Saramakaner*, Matoeari*, Becou en Moesinga*, Boni* en Aloekoe*. Ø /E-N/r/4-6/-. boschpapaye (-en), de boomsoorten van de genera Cecropia en Pourouma. Zie het bosch*; ze lijken op papaye* (1). 1801 (Blom 38). →. Zie ook: papaye* (2) en varianten. Opmerking: Plukenet (1696; zie Brinkman­ 1980) wist al, dat de boschpapaye een familielid is van de vijgenboom. Hij drukte zich in het Latijn als volgt uit: Ficus arbor Papaie sylvestris nomine, ofwel ‘een boomvormige Ficus genaamd bospapaja’. Ø /E-Am/wp/3-6/-. boschpatrouille, militaire expeditie of meerdaagse tocht van een groep gewapende burgers om gevluchte slaven en hun nakomelingen op te sporen en te vangen of te doden, alsmede hun dorpen en gronden* (I, 3) te verwoesten. De gezochten leefden in het bosch*. Patrouille heeft hier niet, als in EuropeesNederlands, een betekenis die ‘waken’ of ‘verkennen’ insluit. 1730 (Bakker e.a. 1993:63). - 1854 (Van Sypesteyn 49). Zie ook: boschcommando*, boschtocht*. Ø /N-N’/o/2-4/-. boschpeer, vrucht van twee (nog) niet identificeerbare boomsoorten. 1835 (Teenstra 2:247). Ø /X/wp/4/-. boschrat, boschrot (-ten) is in EuropeesNederlands de naam voor enige knaagdiersoorten van buiten Nederland en buiten Suriname. In het Surinaams-Nederlands zijn de betekenissen (geweest): 1. buidelrat, volgens sommigen alle soorten, volgens anderen alleen de soorten die geen buidel hebben, maar de jongen op hun rug dragen. Ze leven in de wildernis, meestal

boschtafelboom

niet in bos; sommige zijn cultuurvolgers. 1761 (Houttuyn 1, 2:325). - 1770 (Hartsinck 98). - 1926 (Cappelle 399). Zie ook: awari* (I), beursrot*, jawari*, zakrot*. Ø /X/d/2-5/-. 2. cayennerat, een soort stekelrat (Proechimys guyanensis), thans in Surinaams-Nederlands maka-alata (< Sranantongo). Een dier van het bosch*. 1855 (Focke 5, met verkeerde wetenschappelijke naam). →. Zie ook: macarat*. Ø /E-N/d/4-6/-. boschslaaf, neger die zich door weg te lopen aan de slavernij heeft onttrokken en in Europees-Nederlands bosch* leeft, maar door de overheid formeel nog als slaaf wordt beschouwd. 1749 (Hartsinck 1770:769). Zie ook: boschneger*, boschcreool*, marron*, schuiler*, wegloper*. Ø /NN/o/2/-. boschspin, naam voor twee soorten vogelspin, (1) de bruine boschspin (Theraphosa leblondi) en (2) de zwarte boschspin (Avicularia metallica). De eerste leeft in bos, de tweede op allerlei plaatsen niet in bos, ook bij en in woningen. In oudere literatuur worden de toevoegingen ‘bruine’ en ‘zwarte’ weggelaten. Europees-Nederlands boschspin is de naam voor iedere spin die in bos leeft. 1767 (Houttuyn 1, 13:232; de bruine). 1796 (Stedman 272, bush-spider, Engels; de zwarte). - 1855 (Focke 14, de zwarte). → (beide). Zie ook: tarantula*. 1: /N-N/d/2-6/-. 2: /E-N/d/3-6/-. boschtafelboom, enige boomsoorten van het genus Cordia, geheel als tafelboom* (2, zie aldaar). Zie bosch* (3); ter onderscheiding van tafelboom* (1).

boschtamarinde

1835 (Teenstra 1:394). → Ø /N’-(N’-N)/ wp/4-6/-. boschtamarinde, enige soorten uit diverse genera van peuldragende bomen (Abarema, Hydrochorea, Macrolobium, Zygia) en hun hout. Voorkomend in bos, verwant aan en gelijkend op de Europees-Nederlandse tamarinde (Tamarindus indica), een boomsoort uit Afrika, die al voor 1762 (Ostendorf 1962:79) in Suriname was ingevoerd. 1789 (Hoogbergen 1984:55). - 1855 (Van Sypesteyn 182). →. Zie ook: schildpad(hout)*. /N-N’/wp/3-6/-. boschthee, aftreksel (‘thee’) van een wilde plant, in het bijzonder van gedroogde bladeren van bospapaja*, zowel gebruikt als genotmiddel als tegen nier- en blaasaandoeningen. 1854 (Kappler 1983:53). →. Ø /N’-N’/ wp/4-/-. boschtocht (-en), als bospatrouille*: zie aldaar In Europees-Nederlands kon eertijds tocht betekenen ‘strafexpeditie’ (wnt). 1730? (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 153). 1775 (De Beet 1984:170). - 1854 (Van Sypesteyn 39). Ø /N-N/o/2, 3-4/-. boschtouw (-en), liaan. wnt vermeldt boschtouw voor het voormalige Nederlands Oost-Indië met vindplaats van 1726 en 1750; touw voor slingerplanten ook in het Nederlands vanaf 1697. 1740 (Anonymus 40). 1775 (Houttuyn 2(4):143, een soort Cissus). - 1858 (Copijn 8).→. Zie ook: bossi teitei*, taytay*. Ø /N-N/ wp/2-6/boschvis, naam voor iedere soort vis en voor de gezamenlijke vissoorten voorkomend in beken (kreken*) en moerassen (zwampen*),

62

bot

ter onderscheiding van riviervis en zeevis. 1831 (Teenstra 2:388). 1872 (Anonymus 66). →. Ø /E-N/d/4-6/-. boschwater (het), 1. water dat in een natte tijd* in bos tot boven de oppervlakte is gestegen; 2. water als 1 dat vanuit bos cultuurgrond heeft overspoeld. 1: 1775 (De Beet 1984:174). -1863 (Klinkers 1997:119). →. Ø /N-N/m/2-6/-. 2: 1735 (Bijlsma 1923:53). 1780 (Schiltkamp & De Smidt 981). →. Ø /N-N/pt/2-6/-. boschworm, larf van enige horzelsoorten van het genus Dermatobia, levend in de huid van mensen en warmbloedige dieren. Zie worm*. Het dier is enigszins wormvormig, maar beperkt zich niet tot ‘bos’ in enige betekenis. 1738 (Beeldsnijder 1994:202; boswurm). 1796 (Stedman 320, bush-worm, Engels). Zie ook: muskieteworm*. Ø /XN/d/2-3/-. boschzuurzak, enige wilde boomsoorten van het genus Annona, wellicht ook van andere soorten uit dezelfde familie. Ze komen voor in bos en hebben vruchten die lijken op die van de gekweekte zuurzak* (Annona muricata). 1835 (Teenstra 1:402). 1855 (Focke 123). →. Zie ook: wilde kaneelappel*. Ø /N-N’/ wp/4-6/-. bossi teitei, liaan. < Sranantongo bossi teitei (Schumann 1783:26). 1786 (Blom 44). 1845-1849 (Boekhoudt 1874:77). → (boesitité, < Sranantongo). Zie ook: boschtouw*, taytay*. Ø /S/wp/36/-. bot, enige soorten platvis uit de familie der ‘tongen’ (Soleidae). < Europees-Nederlands bot, een platvis behorend tot de familie der ‘schollen’ (Pleuronectidae). 1718 (Herlein 199). - 1804 (Roos 154). →. Oudste vindplaats in Brazilië (Keye

bottel

1659:71) en mogelijk van daar afkomstig. Ø /N’?Braz.?/d/1-6/. bottel (-s), fles. < Engels bottle. 1762 (De Beet & Price 1982:134). 1839 (Benoit 27). Opmerking: Van Dyk (1768:14) geeft bottelje; < Frans bouteille ? Ø /E/bc/2-4/-. bottelarij (de, -en), in een groot huis het vertrek waar tafel- en keukengerei is opgeborgen. De Europees-Nederlandse betekenis die het dichtst bij genoemde komt is ‘vertrek waar de spijs en drank, het tafelgereedschap en dergelijke bewaard en uitgegeven wordt’ (wnt). 1727 (Inventaris Archief Raad van Politie 785). - 1866 (Van Schaick 5). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 169) → (betekent keuken). Zie ook: botterie*. Ø /N’/bc/2-5/-. bottelarijmeid, negerslavin (meid*) belast met werk betreffende de bottelarij*. 1822 (Lammens 1982:74) - 1855 (Focke 16). Ø /N’-N’/bc/3-4/-. botterie, als bottelarie*. Het kan ontstaan zijn uit bottelarij*/bottelarie of samenhangen met Sranantongo botri (Focke 1855:16). Zie verder Van Donselaar (1989:94-95). 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 10). Ø /X/bc/3/-. bottervisch, niet nader geïdentificeerde soort meerval (vis). 1835 (Teenstra 2:448, daar ook kakavisch*). Ø /X-N/d/4/-. bovenland: de bovenlanden, het gebied stroomopwaarts, dat is ten zuiden van de noordelijkste stroomversnellingen in de grote rivieren. < Europees-Nederlands, ‘meer stroomopwaarts, hoger gelegen gebied in het algemeen’. 1786b (Voegen 2:15). 1834 (Friderici 16).

63

braf

→. Ø /N’/m/3-6/-. bovenlandsch, bijvoeglijk naamwoord bij bovenland*. 1678 (Dragtenstein 36). 1717 (Schiltkamp & De Smidt 313). →. Zie ook: benedenlandsch*. Ø /N’/m/1-6/bovenlandsche Indianen (alleen meervoud), bovenlandsch* wonende indianen. 1717 (Schiltkamp & De Smidt 313). →. Zie ook: benedenlandsche Indianen*. Ø /N’+N/r/1-6/-. boventrekker, watergang aan de achterzijde, dat is de het verst landinwaarts gelegen zijde, van een koffieplantage. 1758-1825 (Oostindie 1989:208). Ø /NN’/pt/2-3/-. bovenwaarts, stroomopwaarts. < Europees-Nederlands bovenwaarts ‘(in) de richting naar boven (hebbend)’. 1714 (Schiltkamp & De Smidt 303). 18391851 (Van der Aa 1993:52). →. Ø /N’/m//1-6/-. bozal (-s), kort tevoren uit Afrika aangevoerde neger*. Herkomst van het woord onbekend. 1767-1802 (Van der Putte 2005:280). Bij De Groot (1983:178) meervoud bosales (z.j.). Zie ook: zoutwaterneger*, nieuwe neger*, oude neger*. Ø /X/r/2-3/-. braddeliefiehout, zie bradilifie*. bradilifie, bradelief, enige kleine soorten boom en heester van het genus Coccoloba. < Sranantongo bradilifi (Focke 1855:16), ‘breedblad’, verwijzend naar dat kenmerk. 1835 (Teenstra 1:356, bradilifie, zo ook heden), echter 1845, 1855 (respectievelijk Boekhoudt 1874:77 en Van Sypesteyn 172, bradelief). →. Opmerking: Voor het hout in 1804 (Eensgezindheid 32) braddeliefiehout. Ø /S/ wp/3-6/-. braf, blaf (de), dikke soep van variabele samenstelling, van vlees- of visbouillon

branden

of (en ook) van (of met) okro*, peesjes*, napies*, tayer* of bananen*. < Sranantongo (Schumann 1783:17, blaffo; Focke 1855:16, brafoe) of < Engels broth, Smith 1987:224. 1769 (Fermin 1:50). - 1855 (Focke 16). 1903 (Van Coll 534), → (ook brafoe en blafoe, < Sranantongo). Zie ook: banannenbraf*, okrobraf*, tayer­braf*. Opmerking 1: Van Bocharen (1828:35) vermeldt een aardappelblufje. Opmerking 2: Het wnt (12, 2:2993) geeft alleen uit 1754 voor Nederland iets dergelijks, een ‘Poespas braaf met Uyen’, waarbij die ‘poespas’ op zich al een SurinaamsNederlandse braf lijkt te zijn. Ø /E?S?/ bc/2-5/-. branden, (met betrekking tot aardewerk) bakken in een open vuur. < Europees-Nederlands branden, bakken (van aardewerk) in een oven (wnt). Opmerking: Het is een techniek van in­ dianen. 1775 (Sneebeling 1973:10). Ø /N’/ic/2-6/-. - : een grond branden, een grond* (I, 2, 3) in aanleg ontdoen van het hout dat na het lakken* is achtergebleven door dit te verbranden. 1740 (Anonymus 75). →. Ø /E+N’/pt/26/-. brandewijn: Surinaamsche brandewijn (-en), rum. Het is brandewijn in ruime zin, als gestookt uit suiker in Suriname. In Nederland is het gestookt uit graan. 1676 (Schiltkamp & De Smidt 78, Zerrenamse brandewijn). - 1783 (Schiltkamp & De Smidt 1056). Ø /N+N/ bc/1-2/-. brandnetel, een kruid met zachte, buigzame brandharen (Laportea aestuans). < Europees-Nederlands brandnetel, de naam voor enige verwante kruiden

64

breakfast

(Urtica-soorten) met dezelfde eigenschap. Opmerking: Het gebruik van de naam door Weygandt (1798:37) voor brantimaka* berust vermoedelijk op een vergissing. 1769 (Fermin 1:230). - 1855 (Focke 65). → (rode brandnetel.). Ø /N’/wp/2-6/-. brantimaka, een soort struik met stekels op de takken (Machaerium lunatum). < Sranantongo brantimaka (Weygandt 1798:37). Contact met de stekels (zie maca*, I, 4) veroorzaakt huiduitslag (Sranantongo branti). 1828 (Teenstra 1835, 2:134). 1854 (Kappler 1983:115; brandi macca). →. Ø /S/wp/46/-. bras, klamp (of iets dergelijks) om de rollers* van een suikermolen strak tegen elkaar te zetten. < Engels brace. 1835 (Teenstra 1:289, 377). Zie ook: aanbrassen*, brassen*, borstelbras*. Opmerking: Mogelijk ook de naam voor een dergelijke voorziening aan een koffiemolen* en aan een katoenmolen*. Ø /E/ pt/4/-. brassen, strak tegen elkaar zetten door middel van een bras* van (1) de rollers* van een suikermolen, (2) de rollers* van een koffiemolen*, (3) de spillen van een katoenmolen* < Engels to brace. 1771 (Nepveu 180). - 1835 (Teenstra 1:289). Zie ook: aanbrassen*. Ø /E/pt/2-4/-. breakfast, brekfest (de, het), 1. maaltijd omstreeks het middaguur; 2. ontbijt. < Engels breakfast, de eerste maaltijd van de dag. 1: 1816 (Lammens 112. - 1866 (Van Schaick 136). →. Ø /E/bc/3-6/-. 2: 1826 (De Surinaamsche Courant nr. 69). 1855 (Focke 17). →. Ø /E/bc/4-6/-. Zie ook: breakfasten*.

breakfasten

Opmerking 1: Eerder brekvorst bij Stoelman (1790, Hoogbergen 1984:71) en brikvorst (1825, Bosch 125, 4) voor ‘eerste maaltijd’ en brekvorsten (gebrekvorst, gebrikvorst) bij Beutler (1791, Hoogbergen 1984:135) voor het gebruiken van de eerste maaltijd. Het is opmerkelijk dat het hier in alle drie de gevallen het spraakgebruik betreft van een van huis uit Duitstalige officier. Opmerking 2: Opmerkelijk is ook de gelijkenis van deze woorden met brikvorsje, gewestelijk voor ‘meevallertje’ (Van Dale), en brikvosje in Zeeland voor een ‘(lekker) restje’, een ‘financieel meevallertje’ en een ‘appeltje voor de dorst’ (Ghijsen 143). Opmerking 3: De vondst de Breegenstijt voor ‘het middaguur’ (1825, Bosch 125, 4) past wellicht in dit kader (al is het mogelijk een schrijffout); in 1980 was in Suriname in gebruik, zij het bij weinigen, (van de) bregfens(t) of ’s bregfens(t) voor ‘tussen de middag’. breakfasten, brekfesten (gebreakfest), de breakfast* (1 of 2) gebruiken. < Engels to breakfast. 1: 1828 (Teenstra 2:141). Ø /E/bc/4/-. 2: 1855 (Focke 17). Ø /E/bc/4/-. Opmerking 1: Zie de Opmerkingen onder breakfast*. Opmerking 2: Bij Van Borcharen (1828:34) brikvasten. breekhuis (het), op een koffieplantage het gebouw waar in een koffiemolen* de buitenste schil (de rode bast*) van de koffiebessen wordt gebroken (gekneusd), zodat deze verwijderd kan worden. Zie ook huis*. 1768 (Van Dyk 70). Zie ook: morsloods*, breekmolen*. Ø /N-N/pt/2/-. breekmolen (de, -s), molen voor het breken (kneuzen) van de buitenste schil (de rode bast*) van koffiebessen.

65

bromwied

< Europees-Nederlands breekmolen, een lichter werktuig voor het kneuzen van granen, bonen en dergelijke (wnt). 1769 (Fermin 2:48). - 1835 (Teenstra 1:258). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:31) en mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: koffiebreekmolen*, koffiemolen*, breekhuis*, roller* (2), koffiemat*. Opmerking: De omschrijving in Van Donselaar (1989:98) is niet juist. Ø /N’?W?/pt/2-4/W./. breken (gebroken), 1. suikerrietsap verkrijgen door suikerriet uit te persen, uitgedrukt in de verkregen hoeveelheid sap (zie beneden); 2. zie gebroken gronden*. Ad 1. In Nederland kon breken betekenen alleen verbrijzelen in een molen of ook tevens uitpersen, bijvoorbeeld van lijnzaad (wnt). 1740 (Anonymus 125, een back vol lekker* breeken). 1786 (Blom 6l, ketels) - 1835 (Teenstra 1:188, gallons). Ø /N’/pt/2-4/-. brekfest(-), brekvorst(-), brikvorst: zie breakfast* en varianten. briluil, maskeruil (Pulsatrix perspicillata). De Surinaams-Nederlandse en de Europees-Nederlandse naam hebben beide betrekking op de koptekening. 1835 (Teenstra 2:423). Opmerking: In Nederland duikt de Surinaams-Nederlandse naam (Surinaamse briluil) op in 1939 bij A.F.J. Portielje in ‘Dierenleven in Artis’, p. 64; Zaandam, Verkade. Ø /N-N/d/4/-. bromstal (de), ruimte die (tijdelijk?) als strafcel dient. Brommen voor ‘gevangen zitten’ in Europees-Nederlands pas in 1840 (Philippa e.a. 386). De vraag is of er een andere, eigenlijke functie van brommen was. 1775 (Schiltkamp & De Smidt 886). Ø /X/ bc/2/-. bromwied, een kruid (Scoparia dulcis), thans

brood

bezemkruid* genoemd. < Engels (sweet) broomweed (op Jamaica en in Guyana, Cassidy & Le Page 1980:431); Engels broom ‘bezem’. Er worden bezems van gemaakt. 1689 (Hermann fol. 13). Ø /E/wp/1/-. brood (het), (ook) kort voor cassavebrood*: zie aldaar. 1705 (Merian 4, 5). 1763 (Pistorius 17, 18). →. Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:69) en mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/ic/1-6/W./. brug, 1. in een suikermolen de horizontale balk als onderkant van de (grote) stoel* waarop de staande rollers* (1) rusten; 2. in een koffiemolen* een houten of stenen balk met holle bovenkant tussen dewelke en de roller* (2) de rode bast* van koffiebessen wordt vermorzeld; 3. zie Plattebrug*. Europees-Nederlands brug kan zijn “aan ene molenpers, het bovenstuk dat door de vijzel tegen de drempel wordt aangeschroefd” (wnt, met citaat uit 1849). 1: 1720 (Oostindie 1989:43). - 1834 (Teenstra 1835, 1:188). Ø /N’/pt/1-4/-. 2: 1771 (Nepveu 180). 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1014). Ø /N’/pt/2-3/-. bruidsdivisie: als aanstaande bruid en bruidegom in verschillende divisies* wonen de aanduiding voor de divisie van eerstgenoemde. 1692 (Schiltkamp & De Smidt 199, bruytsdevisie). Ø /N-E/bs/1/-. bruin: zie Engels bruin*. bruinhart, een boomsoort (Vouacapoua americana) en zijn hout, ook attributief. Het hart* (kernhout), gebruikt als timmerhout, ook voor meubels, is zeer fraai donkerbruin. 1718 (Herlein 227). - Focke 1858c:22. →. Ø /N-N/wp/1-6/-. bruinharthout, hout van de boomsoort

66

buiten

bruinhart*. 1770 (Fermin 1:22). 1828 (Teenstra 1835, 2:137). Opmerking: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van hout met deze naam uit Suriname tussen 1847 en 1851 in Zwolle. Ø /(N-N)-N/wp/2-3/-. bruinpesie: zie pees*. brummer-uiltje, een nachtvlinder (Erinnyis ello, zie Rücker & Stern nr. 68). Europees-Nederlands uil ‘nachtvlinder’. Duits Brummer is ‘bromvlieg’. Middelnederlands brummen, ‘brommen’ (De Vries & De Tollenaere 7). Het vliegen van het dier geeft een brommend geluid. 1705 (Merian 62, 68). Ø /Dui.-N/d/1/-. buckskin, geiten- of schapenleer. < Engels. 1854 (Surinaamsch Weekblad nr. 48). Ø /E/bc/4/-. buffel (-s), Zuid-Amerikaanse tapir (Tapirus terrestris). < Engels buffalo; vergelijk Warren (1667:10, Engels buffaloes, meervoud). Het dier lijkt enigszins op een EuropeesNederlandse buffel. 1718 (Herlein 170). - 1872 (Anonymus 66). →. Zie ook: boschbuffel*, Surinaamsche olifant*. Ø /E/d/1-6/-. buffelhout, een boomsoort, vermoedelijk dezelfde die heden in Surinaams-Nederlands bofroe-oedoe (< Sranantongo, Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:164, Sacoglottis guianensis), of een verwant van deze, genoemd wordt. Herkomst? 1855 (Van Sypesteyn 185). Ø /X/wp/4/-. buiten (-s), plantage*, wanneer gezien als ‘recreatie-oord buiten de stad*’. Vergelijk Europees-Nederlands buiten als afkorting van buitengoed en buitenplaats (wnt 3, 1:1785). 1834 (Friderici 18).

67

buitendistrict

Zie ook: lustplaats*; grond* (I, 1), staat*. Ø /N’/bc/4/-. buitendistrict (-en), ieder district* (2) buiten Paramaribo. 1835 (Teenstra 2:150). →. Ø /N-N’/bc/46/-. buitengrond, tegen of nabij Paramaribo gelegen plantage*. Buiten wordt hier gedacht als ‘gelegen buiten’ met betrekking tot de stad. Zie grond* (I, 1), 1768 (Schiltkamp & De Smidt 816). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 20). Ø /N-E/pt/2-4/-. burgerofficier (-en), officier van een burgercompagnie. 1760 (Schiltkamp & De Smidt 677). 1767 (Schiltkamp & De Smidt 687). Ø /NN/o/3/-.

c ce, ch, ci; zie voor andere woorden beginnend met een c onder k en s ceder (de, -s), een loofboomsoort (Cedrela odorata) en zijn hout, ook attributief. Het hout lijkt op en geurt ook als dat van Europees-Nederlands ceder (Cedrussoorten), naaldbomen (van oorsprong) uit het Middellandse-Zeegebied; veel gebruikt voor de vervaardiging van onder meer bankjes* en gebruiksvoorwerpen. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1786 (Blom 13). 1789 (Hoogbergen 1984:57, ceeder spooren*). - 1854 (Van Sypesteyn 212). →. Ø /Am/wp/3-6/-. - : rode ceder, als ceder*. Het hout is roodbruin (zie rood*), in tegenstelling tot dat van witte ceder*. 1770 (Hartsinck 75). - 1835 (Teenstra 1:360). →. Ø /N+Am/wp/2-6/-.

cederhout

- : witte ceder, 1. een boomsoort (Simarouba amara) en zijn hout, heden in Surinaams-Nederlands genoemd soemaroeba; 2. een boomsoort van het genus Protium en zijn hout. Bij betekenis 1 is het hout even licht en gemakkelijk bewerkbaar als cederhout*, echter wit tot geelachtig van kleur. Bij betekenis 2 gaat het om het hout, dat soms geurt als cederhout*. Opmerking: De betekenissen bij Von Sack (1821, 2:69) en die bij Teenstra (1835, 1:360) zijn niet duidelijk. 1: 1770 (Hartsinck 75). - 1802 (Blom. 186). Zie ook: simarouba* (synoniem). Ø /N+Am/wp/2-4/-. 2: 1855 (Van Sypesteyn 174). 1883 (Westeroüen van Meeteren 26). Ø /N+Am/m/wp/4-5/-. cederboom, als ceder* (de boom); bij Houttuyn (1774 2(2):158) Westindische cederboom. 1763 (Pistorius 52). - 1855 (Focke 114). →. Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:74) en mogelijk afkomstig van daar. Ø /(Am-N)?W?/wp/2-6/W./. cedere(n) (bn.), van cederhout*. 1718 (Herlein 82, cederen plank). 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213, ceedere kastje). Ø /Am/wp/1-2/-. cederhout, cederen(-)hout, hout van ceder*. 1693 (Reeps 19, cederen hout). - 1854 (Kappler 1883, cederhout). 1858 (Van Sypesteyn 139, cederhout). Oudste vindplaats in Brazilië (Keye 1659:42, cederen-hout), ook in Westelijk Guyana 1720 (attributief, Hartsinck 1770:328). Opmerking 1: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van hout uit Suriname met deze naam tussen 1847 en 1851 in Zwolle. Opmerking 2:Visscher Heshuysen (1786:339) geeft deze naam aan de soort

centraalschool

Ø /Am-N/wp/1-6/B./W./. - : rood cederhout, zie rode ceder*. 1802 (Blom 85). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:14) en mogelijk afkomstig van daar. Ø /N+(Am-N)/wp/3/W./. of /W/wp/3/W./. centraalschool, ‘kweekschool voor onderwijzers’ (pedagogische akademie voor leraren ten behoeve van basisonderwijs aan 6- tot 12-jarigen), gesticht door de Evangelische Broedergemeente, aanvankelijk op plantage* Beekhuizen, later in Paramaribo. De betekenis van centraal kan hier niet gegeven worden. 1852-1901 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:181, 519). Ø /N’-N/bc/4-5/-. chagrijntje: zie sagouin*. chica, chicque: zie sieka*. chirurgijns (of chirurgisch) etablissement, medische post (met ziekenhuisje?) in het plantagegebied. 1819; 1839-1851 (Van der Aa 1993:163; 59, 69, 83, 92 e.a.). Ø /N+N/z/3-4/-. cikapeper, kleine, ronde Spaanse peper (vrucht van een Capsicum-soort). < Sranantongo sikapepre (Focke 1855:116). 1765 (Nepveu 86), 1771 (Nepveu 383). /S/cp/2/-. cingel: zie singel*. cipoe-boom, soort boom, vermoedelijk Protium heptaphyllum; met de toevoeging boom* (zie aldaar) is het een pleonasme. < Karaïbisch sipo (Courtz 370) ? 1771 (Nepveu 379). Ø /K?/wp/2/-. cirka: zie sirika*. citroenvla, gekscherende naam voor sterke drank. 1835 (Friderici 50; “courage pap (citroenfla zoo als men het hier noemt)”). Ø /N’/ bc/4/-.

68

dam

d daalder: zekere munt; zie onder gulden*. - : Spaanse daalder, naam voor een munt die zowel in het Nederlands van Europa als dat van Suriname (ook) piaster genoemd werd. 1805 (Schiltkamp & De Smidt 1256). 1854 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 488). 1874 (ibid). Ø /N+N/bc/3-4/-dadelpalm: wilde dadelpalm, soort palm (Phoenix reclinata), ingevoerd, gekweekt en verwilderd. < Europees-Nederlands dadelpalm, de gecultiveerde verwant (Phoenix dactylifera). De kleine vruchten van de SurinaamsNederlandse wilde dadelpalm zijn eetbaar, maar verdienen de naam ‘dadel’ niet (Ostendorf 1962:261). 1771 (Nepveu 361). →. Ø /N+N’/cwp/26/-. dagoefisi, dagovis, twee soorten spilzalm (Grzimek 4:337), Acestrorhynchus falcatus en Acestrorhynchus microlepis. < Sranantongo dagoefisi (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917: 30). Sranantongo dagu ‘hond’; de tanden zijn kegelvormig en scherp, als van een hond. 1742 (Inventaris Archief Raad van Politie 795 fol. 159; daggo vis). - 1835 (Teenstra 2:448). → (dagoefisi). Ø /S/d/2-6/-. daksingel, als singel*. Ter onderscheiding van singels* die dienen voor buitenmuurbekleding van een huis, hoewel laatstgenoemde toepassing voor de onderhavige periode niet vermeld is gevonden. 1828 (Kuhn 20). Ø /N-E/bc/4/-. dam (de, -men), 1. dijk, in het bijzonder van een plantage*. Toentertijd lag een Europees-Nederlandse dam dwars over een water om dit te keren,

dambord

te leiden of te verdelen; een EuropeesNederlandse dijk lag langs een water of een nat gebied om aangrenzend land tegen overstroming te beschermen, zelden met de betekenis als ‘dam’ (wnt 3, 2-3:2599, betekenis 3). In het Middelnederlands werd dit onderscheid zo nog niet gemaakt (Verwijs & Verdam). Vergelijk Engels dam, dat de betekenis heeft van zowel Europees-Nederlands dam als EuropeesNederlands dijk. 1740 (Anonymus 53). 1855-1863 (Bartelink 1916:22). →. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1794, 5:4) en mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: achterdam*, dwarsdam*, voordam* en zijdam*; polder*. Ø /N’?E?W?/ pt/2-6/W./. 2. zie tap*, val*. dambord, zekere geruite stof (textiel). Vergelijk het patroon van een bord voor het damspel. Vergelijk ook Engels damboard (attributief) voor ‘geruit’ bij stof, met als oudste een vindplaats van 1870 (oed). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 37). Zie ook: damruit*. Ø /N’?E?/bc/4/-. damruit, vermoedelijk als dambord*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 138). 1950 (H. Spalburg 2004, 1:353, in advertentie). Ø /N’-N/bc/4-6/-. delver(s)neger, negerslaaf (neger*) als delver, ‘grondwerker’. 1792 (De Surinaamsche Courant nr. 48). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 32). Ø /N-Am/pp/3-4/-. Demerary, de kolonie Brits Guyana. Sedert de landstreek Demerara deel uitmaakt van de kolonie Brits-Guyana en later de staat Guyana, gebruikt men in Suriname deze of een dergelijke naam voor die gehele kolonie dan wel staat. Demerary: 1866 (Van Schaick 244). → 1923 (Blankensteijn 246).

69

directeur

Demerare: 1884 (Elout van Soeterwoude 31). 1929 (Ahlbrinck 10, Demarare). Demerara: 1908 (Penard & Penard XIII). →. Ø /N’/r/4-6/-. destrict: zie district*. devisie: zie divisie*. diaas, djaas: zie jaas*. diakraloe, wild struikje (Centropogon cornutus), waarvan de bladeren als bladgroente eetbaar zijn. < Sranantongo dia-kraroe (Focke 1855:22). Sranantongo dia ‘hert’; zie caleloe*. 1835 Teenstra 2:275). → (diaklaroen). Ø /S/wp/4-6/-. dieken, graven, opgraven. < Sranantongo diki (Schumann 1783:31) < Engels to dig. 1753 (Inventaris Archief Raad van Politie 803 fol. 140). →. Ø /S/r/2-6/-. dienaarbroeder, dienaarzuster, inheemse, huishoudelijke hulpkracht van de Evangelische Broedergemeente. < Duits Dienerbruder, Dienerschwester (Wullschlägel 1856:57). De SurinaamsNederlandse woorden ontstonden in Suriname toen daar de Broedergemeente nog door Duitsers gedomineerd werd. Zie ook: helper*, helpster*. 1859, 1861 (Klinkers 1997:61, 63). Ø /Dui./bc/4/-. dienaarshuis, bediendenhuis, een apart huis voor het blanke personeel (voornamelijk blankofficieren*) op sommige plantages*. 1730, 1749 (Beeldsnijder 1994:173, 294). Ø /N-N/pt/2/-. directeur (de, -s/-en), in het bijzonder bedrijfsleider van een plantage*, ondergeschikt aan de eigenaar of aan een administrateur* die dan de feitelijke bewindvoerder is. < Europees-Nederlands directeur, leider van enig bedrijf of instelling in het algemeen. 1695 (Schiltkamp & De Smidt 209). -

directie

1855-1863 (Bartelink 1916:7). →. Ook in Westelijk Guyana, 1e helft 18e eeuw (Bosman 1994:27), daar echter (ook) met een ruimere betekenis. Ø /N’/pp/16/W./. directie, 1.bedrijfsleiding over een plantage* door een directeur*; 2. post van directeur*. 1: 1731 (Dragtenstein 92). - 1855-1863 (Bartelink 1916:41). →. Ook in Westelijk Guyana: 1768-1780 (Quandt 1807:89; Direktion, Duitse vorm), mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/ pp/2-6/W./. 2: 1834 (Teenstra 1842:17). Ø /X/pp/4/-. district, 1.(het district) het gehele land buiten Paramaribo, of (districten) een deel daarvan; 2. (-en), sedert 1863 een van de administratieve gebiedsdelen waarin Suriname toen verdeeld werd. < Europees-Nederlands district, in algemene zin voor een gebiedsdeel als hier in betekenis 2. 1: Het is in deze betekenis niet een formele term. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 35, destricten). 1828, in de samenstelling districtchirurgijn*. →. Ø /N’/bc/1-6/-. Opmerking: Een bijzonder gebruik van het woord betreft de vaste combinatie die zich voor het eerst voordoet in 1672 (Schiltkamp & De Smidt 70): “Luytenant Gouverneur* van de provincie, rivieren en districten van Zerenam”. Bedoeld wordt ‘... van het hele land’; zie ook rivier*. De gouverneurs* handhaafden deze formulering met kleine variaties als een epitheton tot 1812. 2: 1863 (zie boven). →. Zie ook: buitendistrict*. Ø /N’/bs/4-6/-. Opmerking: Het woord kreeg al een formele betekenis toen in 1836 de districten Nickerie (Opper- en Nederdistrict) werden ingesteld. district-chirurgijn, chirurgijn, ‘genees-

70

djiendjamaka

kundige’, werkzaam in ‘het district*’ (1), plattelandsdokter. 1828 (Kuhn 119, district-chirurgijn) Zie ook: stadsgeneesheer*. Ø /N’-N/ bc/4/-. districtscommissaris (de, -sen), commissaris, in dit geval hoogste gezagsdrager, van een district* (2). 1863 (zie district*, 2). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 9). →. Ø /N’-N’/ bs/4-6/-. divisie (de, -n), devisie, administratief gebiedsdeel, van 1669 tot 1863. < Engels division of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1669 (Schiltkamp & De Smidt 25). - 1863 (zie boven). Zie ook: district* (2). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:520). Ø /E?W?/bs/1-4/W./. djiendjamaka, gindjamaka, naam voor twee boomdieren, het gewone grijpstaartstekelvarken of boomstekelvarken (Surinaams-Nederlands gewone of grote djiendjamaka, Coendou prehensilis) en het ‘listig’ of ‘wolharig grijpstaartstekelvarken’ (Surinaams-Nederlands kleine djiendjamaka, Coendou insidiosus). < Sranantongo djiendjamaka (Focke 1855:23, de tweede) < Afrikaans (ogiga-e, Lichtveld 1929:513). De relatie met Sranantongo gindya ‘gember’, als genoemd in Van Donselaar (1989) en daar ontleend aan Penard (1900 1:52), kan hoogstens volksetymologisch geweest zijn. Bij het oudste jaartal maakt Teenstra (1835, 2:414) wel onderscheid: agidja-maká voor de eerste, gingi-a-maká voor de tweede. Daarna, tot heden, komen zowel de schrijfwijze djiendjamaka als gindjamaka voor, maar niet om de twee soorten van elkaar te onderscheiden. Opmerking: Grzimek (11:502) gebruikt Europees-Nederlands boomstekelvarken

Djoeka

alleen voor enige andere, niet in Suriname voorkomende dieren. Zie ook: egel*, ijzervarken*, stekelvarken*. Ø /S/d/4-6/-. Djoeka: zie Joukaene*. doe (de, -s), 1. genootschap van negerslaven dat periodiek een zang- en dansspel ten tonele voert; 2. bedoeld zang- en dansspel. < Sranantongo doe (Focke 1855:24) < Engels do (vertoning, oorspronkelijk “vulgar or dialect”, vanaf 1824, oed). De etymologische verklaring in Van Donselaar (1989) is niet juist. Zie ook: banja*(II). 1: 1791 (Nassy 2:30, dou, Franse spelling). - 1866 (Van Schaick 159) → (van vrijen). Ø /S/sc/3-4-(6)/-. 2: 1822 (Lammens 1982:93). - Focke 1858b:99. Opmerking: Later en heden opgevoerd als folkloristische operette of musical. Zie ook: zangdoe*. Ø /S/sc/3-4/-. doidoien (gedoidoid), wiegen (van een baby). < Sranantongo dodoi (Focke 1855:24) < Afrikaans, Lichtveld 1929:525. 1866 (Van Schaick 37). →. Ø /S/ bc+sc/4-6/-. dokenoe, gerecht van gestampte maïs. < Sranantongo dokoenoe (Schumann 1783:13) < Afrikaans (Cassidy & Le Page 1980:155). 1796 (Stedman 374, doquenoo, Engelse spelling). 1913 (J. Spalburg 49, dokun)→ (dokoen, in deze en verwante betekenissen). Ø /S/sc/3/-. doks, muskuseend (Cairina moschata), in het bijzonder de cultuurvorm die bont tot wit is. < Sranantongo doksi (Schumann 1783:8) < Engels duck(s) Echteld (1961:70). Zie ook: doksie*, boschdoksie*. 1835 (Teenstra 2:431). 1855-1863 (Bartelink 1916:85). → Ø /S/d/4-6/-

71

doosiesboom

doksie, als doks*. < Sranantongo (zie doks*). Zie ook: boschdoksie*. 1828 (Teenstra 1842:74). Ø /S/d/4/-. domine (de), aanvoerder, in dit geval van een groep strijdende boschnegers* In verouderd Europees-Nederlands is dominee een van eerbied getuigende titel voor een vooraanstaande man, al of niet met een leidende functie (wnt). 1774 (De Beet 1982:57). Ø /N’/o/2/-. domkeen (de), donkeen (de), een giftig kruid (Dieffenbachia seguina), gebruikt in de suikerfabricage. < Engels dumbcane (oed); de plant is een gevaar voor grazend vee, want het sap maakt de bek en tong bewegingloos, ‘stom’ (Engels dumb). Bij Van Aerssen van Sommelsdijck (1686; Brinkman 1980:38) als Engelse naam: dom kane. 1763 (Pistorius 23). - 1866 (Van Schaick 76). 1881 (Kappler 1883: 44). Opmerking: Sedert 1910 (Sack 11) is de Surinaams-Nederlandse naam donke (< Sranantongo). Ø /E/wp/2-5/-. donkee: zie domkeen*. donkein zwamp: zie mokomokozwamp* (opmerking). doodshoofdje (-s), doodskopaapje, doodshoofdaapje (Saimiri sciurus). De tekening van het gezicht doet denken aan het doodshoofd van een mens. 1718 (Herlein 173). - 1770 (Fermin 2:116). Zie ook: kaboutermannetje*, marmazet*, monkie*, monkiemonkie*. Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:81), mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/d/1-2/W./. door, voltooid (met betrekking tot werk). 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 805, deur). 1783 (Roos 44). Ø /N’/r/2-3/-. doosiesboom, als marmeldoosje* (2): zie aldaar. 1771 (C. Dahlberg nr. 12). Ø /N’-N/

doosje

wp/2/-. doosje, omslagdoek voor het bovenlichaam bij boschnegers*. Herkomst onbekend. 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:104). Ø /X/r/2/-. doquenoo: zie dokenoe*. dou: zie doe*. draadschuimer: zie schuimer*. dram (de), een slechte soort rum, het eenmalige distillatieproduct van het schuim op kokend suikerrietsap. < Engels dram ‘borrel’ (oed, sedert 1590). 1707 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 234 fol. 255). - 1855 (Focke 27). →. Zie ook: Surinaamsche brandewijn*, garappa*, kilduivel*, lowijn*, spiritus*, tafia*. Ø /E/bc/1-6/-. drambrander, brander (stoker) van dram*. 1772 Drambrandersgracht in Paramaribo. Zie ook: dramstijler*, schuimen*, schuimer*. Ø /E-N/bc/2-?/-. dramhuis (het), 1. stokerij van dram*; 2. bewaarplaats van dram*. < Engels dram-house (oed). Zie huis*. Zie ook: dramstijlderij*, schuimhuis*, stijlhuis*. 1: 1693 (Reeps 19).- 1855 (Focke 27). Ø /E/pt/1-4/-. 2: 1786 (Blom 106). - 1855 (Focke 27). Ø /E/pt/3-4/-. dramketel, ketel waarin het schuim van het kokende suikerrietsap gedistilleerd wordt tot dram*. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 46). 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 53). Ø /E-N/pt/3/-. dramstijlder (-s), stoker van dram*. Zie stijlen*. De enige vindplaats van stijl(d)er (< Engels stiller, oed) voor Suriname is die van 1891 in het wnt. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:306). - 1783 (Oostindie 1989:105).

72

dresmama

Zie ook: likeurstijlder*. Ø /E-E/pp/2-3/-. dramstijlderij (-en), stokerij van dram*. Zie stijlen*. Oudste vindplaats van stijlerij* (< Engels stillery, oed) 1884 (zie aldaar). 1753 (Hartsinck 1770:848). - 1822 (Lammens 1982:61). Zie ook: dramhuis*, schuimhuis*. Ø /E-E/ pt/2-3/-. dramstijlhuisje, als dramhuis* (1). Zie stijlen*. Oudste vindplaats van stijlhuis* (< Engels still-house) bij Teenstra (1835 1:234). 1788 (Roos 1804:34, 40). Ø /E-E/pt/3/-. dramvat, vat waarin dram* wordt opgeslagen en bewaard. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 28). Ø /E-N/pt/3/-. dras: zie tras*. dres: zie dreshuis* en dresneger*. dresbak, bak (of iets dergelijks) met de medicijnen en dergelijke, in gebruik bij een dresneger*. Zie dressen*, zie dressie*. 1828 (Kuhn 63). Ø /(E?S?)-N/z/4/-. dreshuis, gebouw(tje) op een plantage* voor de geneeskundige en heelkundige verzorging van zieke en gewonde slaven; het is niet duidelijk of het de functie had van behandelkamer of (ook) die van plantagehospitaal. Zie dressen*, zie huis*. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). Opmerking: Bij Teenstra (1832; 1842:256) afgekort: in de dres. Ø /(E?S?)-N/pt/2/-. dreskast, medicijnkist of -doos van dresneger*. Zie dressen*. 1768 (Oostindie 1989:219). - 1828 (Kuhn 45, 64). Ø /(E?S?)-N/z/2-4/-. dresmama (-’s), oude negerslavin als verzorgster van zieken en gewonden in een plantageziekenhuis.

dresneger

Zie dressen*. Mama (< Sranantongo) betekent hier ‘oude vrouw’. 1828 (Kuhn 41). 1835 (Teenstra 2:201). Zie ook: dresneger*. Ø /(E?S?)-S/z/4/-. dresneger, negerslaaf (neger*) als lekendokter op een plantage*. Zie dressen* 1758 (Oostindie 1989:261). - 1855 (Focke 27). Zie ook: dresmama*, dresser*, lapper*. Opmerking 1: In 1838 (Hudig, 140) als afkorting dres. Opmerking 2: Latere betekenis ‘kwakzalver’. Ø /(E?S?)-Am/z/2-4/-. dressen (gedrest), medisch (heel- of geneeskundig) behandelen. < Sranantongo dressi (Schumann 1783:36) of < Engels to dress, Smith 1989:368 (onder meer gewonden behandelen; oed). nb: Warren (1667:19) gebruikt to dress voor ‘verzorgen’ in het algemeen. 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). - 1840 (Winkels I:22). Ø /E?S?/z/2-4/-. dresser, negerslaaf als lekendokter. Zie dressen*. In Engeland betekent dresser nu ‘doktersassistent’ (oed). 1730-1750 (Beeldsnijder 1994:274). 1758 (Oostindie 1989:491). Zie ook: dresneger*, lapper*. Ø /E?S?/z/2/-. dressie, geneesmiddel, medicijn. < Sranantongo dressie (Schumann 1783:36). 1763 (Inventaris Archief Raad van Politie 808) - 1835 (Teenstra 1:366). →. Ø /S/z/26/-. dreswerk, pluksel van vlas, dienende als verbandmiddel zoals watten nu. Zie dressen*. Europees-Nederlands werk is onder meer draderig afval, overblijvend bij het hekelen van vlas. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1828 (Kuhn 64).

73

droog

Opmerking: Een plukje van dergelijk pluksel heet in Europees-Nederlands wiek. Ø /(E?S?)-N/z/2-4/-. drietje (-s), enigszins driekantig muntje met een waarde van drie (toenmalig Surinaamse) stuivers*, afkomstig van Curaçao, alwaar het in 1798 zijn ontstaan dankte aan het in vieren kappen van een pilaardaalder (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 489) en daar driekantje genoemd werd. 1798 (Schumann 180, verduitst tot Drittchen). 1799 (Schiltkamp & De Smidt 1200). Ø /N’/bs/2-3/-. drogen, (met betrekking tot een slaaf die onderworpen is geweest aan een Spaanse bok*) zich zijn bloedende wonden en rauw geslagen huid laten ‘opdrogen’. 1832 (Teenstra 1842:232). Ø /N’/r/4/-. drogerij (-en), in het bijzonder stenen droogvloer voor koffiebessen of cacaopitten. < Europees-Nederlands drogerij, een inrichting in het algemeen waar iets gedroogd wordt. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213, voor koffie). 1786 (Visscher Heshuysen 417, voor beide). - 1855-1863 (Bartelink 1916:26). Zie ook: steen*. Ø /N’/pt/2-4/-. drogerspas, schriftelijk bewijs van vergunning tot het gebruik van een drogersvaartuig*. Pas < Engels pass. 1831 - 1853 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 275). Ø /E/bc/4/-. drogersvaartuig, kustvaarder (kleine schoener of sloep) voor het vervoer van goederen tussen Paramaribo en Nickerie. < Engels droguer, in het Caribisch gebied (Cassidy & Le Page 1980:160). 1831-1853 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 275). Ø /E-N/bc/4/-. droog: droge vis, sterk gebarbekotte* vis. 1834 (Teenstra 1842:232). →. Ø /N’+N/r/4-6/-.

droogte

- : droge tijd: zie tijd*. droogte (de; grote en kleine), twee seizoenen met een tekort aan regen: een lang van half augustus tot begin december; een kort van begin februari tot eind april. < Europees-Nederlands droogte, droge periode, niet seizoensgebonden. 1718 (Herlein 23). 1771 (Nepveu 37). Zie ook: droge tijd*. Ø /N+N’/m/1-2/-. druiveboom, boompje (Coccoloba uvifera) met druifachtige vruchten, ingevoerd, gekweekt en verwilderd. Vergelijk Engels grape-tree (oed), mogelijk afkomstig daarvan. 1718 (Herlein 211). 1763 (Pistorius 35). Zie ook: Barbadosdruif*, rode mangro*, zeedruif*. Opmerking: Later ook in Europees-Nederlands (Houttuyn 2(2):303; 1774). Ø /X/ cwp/1-2/-. drukken, onder druk zetten met betrekking tot een persoon. < Europees-Nederlands drukken, in diverse andere, verwante betekenissen. 1828 (Kuhn 89). → Ø /N’/r/4-6/-. ducaatbeursjes, soort liaan of struik (Allamanda cathartica), thans geheten wilkensbita. De bolronde vrucht gaat met twee kleppen open en bevat vele, gevleugelde zaden, aldus lijkend op een beurs met munten. 1771 (C. Dahlberg nr. 34). Zie ook: goudbeursjes*. Ø /N’/wp/2/-. duit, zekere alleen in Suriname geldige munt, geslagen in Nederland. < Europees-Nederlands duit, toentertijd een munt ter waarde van 1/8 stuiver én ‘geldstuk’ in het algemeen. Korte tijd in omloop tijdens gouverneur* Crommelin (1756-1768; zie De Jong 1980:82). Zie ook: schelling*, stuiver*. Ø /N’/bs/2/-. duivel: armen duivel, niet nader geïdentificeerde soort klimplant uit de Maagden-

74

dwarsdam

palmfamilie. Europees-Nederlands armen duivel betekent ‘beklagenswaardige persoon’. 1689 (Hermann, zie Brinkman 1980 bijl. II). Ø /N’/wp/1/-. duivelsnaaigaren, enige niet nader geïdentificeerde, sterk zodevormende grassoorten. Opmerking: Europees-Nederlands duivelsnaaigaren en hedendaags SurinaamsNederlands duivelsnaaigaren zijn de naam van laag bij de grond groeiende slingerplanten van het genus Cuscuta, SurinaamsNederlands bovendien van pronkwinde (Ipomoea quamoclit). 1835 (Teenstra 1:206). Ø /N’/wp/4/-. duizendbeen of duizendbenen, iedere mangrovesoort van het genus Rhizophora. Genoemd naar de vele steltwortels. 1763 (Pistorius 2). - 1787 (Blom 14). Zie ook: duizendbeenboom*, (zwarte) mangro* (1), oesterboom*. Ø /N-N’/ wp/2-3/-. duizendbeenboom, als duizendbeen*, zie verder aldaar. 1855 (Focke 76). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 608). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:34), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N-N-N)?W?/wp/4-5/W./. dulhouwer (de, -s), lang kapmes (machete, houwer*) waarvan het houten handvat bevestigd zit in het steelhuis van het lemmet. Middelnederlands dul is steelhuis, ook later in Noordoost-Nederland (Weijnen). 1771 (Nepveu 124). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 129). Ø /N-N’/pt/2-4/-. dwarsdam, niet nader geïdentificeerde dam* (1) van een suikerplantage. 1855-1863 (Bartelink 1916:85). Ø /N(N’?E?W?)/pt/4-5/-.

75

ebbenhout

e ebbenhout, hout als ijzerhart* (zie aldaar). Het kernhout is zwart en zeer hard, zoals het ebbenhout van de Oude Wereld. De enige zekere vindplaats is die van 1768-1780 bij Quandt (1807:170), in het Duits Ebenholz. Bij Hartsinck (1770:42) ebbenhout-boom voor Suriname, Westelijk Guyana of beide en bij Keye (1659:42) voor Brazilië kan ook sprake zijn van een Swartzia-soort. Ø /N’/wp/3/W./B./. ebbenhout: groen ebbenhout, boomsoort (Tabebuia serratifolia) en het hout van deze. Mogelijk vertaling van Frans ébène verte (Kappler 1881, 1883:79). Tegenwoordig ook in Europees-Nederlands voor het hout (Van Dale). 1835 (Teenstra 1:362; “gebruikt door sommigen”). Zie ook: groenhart*. Ook in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:17) Ø /X/wp/4/O./. eekhoorn, Braziliaanse eekhoorn, de enige in Suriname inheemse eekhoornsoort (Sciurus aestuans). < Europees-Nederlands eekhoorn, in het bijzonder de Europese verwant (Sciurus vulgaris). 1765 (Fermin 14). 1855 (Focke 15). →. Opmerking: Misschien bedoelt Herlein (1718:182) met rode Eekhoorn dit dier. Zie ook: bonboni*. Ø /N’/d/2-4/-. egel, (gewoon) grijpstaartstekelvarken of boomstekelvarken (Coendou prehensilis). < Europees-Nederlands egel, een (overigens geheel ander) zoogdier met stekels (Erinaceus europaeus). 1855 (Focke 2, 141). Zie ook: djiendjamaka*, ijzervarken*, stekelvarken*.

Emancipatiewet

Opmerking: De “witte Indiaansche Egel” bij Herlein (1718:182) is niet te plaatsen. Ø /N’/d/4/-. eiercalabasje, eivormige calabas* (II). 1771 (C. Dahlberg nr. 30). Zie ook: bokscalabas*, kopcalabasje*, kruithoornkalabas*, corre*, wilde fles*. Ø /N’-N/wp/2/-. eijzervarken: zie ijzervarken*. emancipatie: de emancipatie, de gezamenlijke vrijwording der negerslaven in Suriname in 1863. Voordien had het woord zowel in Europees-Nederlands als Surinaams-Nederlands alleen betrekking op afzonderlijke individuen. 1839-51 (Van der Aa 1993:40). 1863 (Bartelink 1916:59). →. Zie ook: geëmancipeerde*, manumitteren*. Ø /N’/bs/4-6/-. emancipatiegelden, gelden door het gouvernement uitbetaald aan iedere voormalige slavenhouder, als compensatie voor het financiële verlies geleden als gevolg van de emancipatie*. 1864 (Oostindie 1989:297). Ø /N’-N/ bs/4/-. emancipatieregister, bij gelegenheid van de emancipatie* in 1863 per plantage* opgestelde lijst met de namen van de vrijgemaakten, voorzien van nog enige andere gegevens. Zie Oostindie (1989:264 en volgende). Ø /N’-N/bs/4/-. emancipatieverslag, verslag over de voortgang van ontwikkelingen voortvloeiende uit de emancipatie*, sedert 1863 (in het Koloniaal Verslag 1864) uitgebracht door de koloniale overheid. 1863 (Gobardhan 2001:119). - ? Ø /N’-N/ bs/4/-. Emancipatiewet, wet afgekondigd op 8 aug. 1862, waarin de emancipatie* op 1 juli 1863 in het vooruitzicht wordt gesteld.

Engelsch

Ø /N’-N/bs/4/-. Engelsch (zn.): zie bastaard-Engelsch*, Neger-Engelsch* - bijvoeglijk naamwoord, toegevoegd achter een maat (bedrag in geld, gewicht, inhoud en dergelijke) beduidt, dat het een Engelse maat betrof, ter onderscheiding van maten en dergelijke, met min of meer dezelfde naam, maar deel uitmakend van een ander dan Engels stelsel. Zie Hollands*, zie Surinaams*. Voorbeeld: Plakaat 1669 (Schiltkamp & De Smidt 35): “eenhondert ende twaelf pondt Engelsch” (in dit geval gewicht). Ø /N+N/ bs/1-/-. - : Engelsche batterij: zie batterij*. - : Engelsch bruin, vermoedelijk, gezien het aanbrengen op sluisdeuren, carboleum of (als beschreven in Van Stipriaan, 1993:89) een mengsel van “pik, teer, fijngestampt glas, aloësap, talk en terpentijn”. < Europees-Nederlands bruin, ook in Europees-Nederlands gebruikelijk voor ‘bruine verfstof’; voor Engelsch is geen verklaring gevonden. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:120). - 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 28). Ø /N+N’/bc/2-3/-. - : Engelsche peperpot: zie peperpot* - : Engelsche planken, vurenhouten planken uit Engels Noord-Amerika. 1726 (Schiltkamp & De Smidt 338) - 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 20). Zie ook: Amerikaansche planken*. Ø /N’+N/bc/2-3/-. - : Engelsch raam (-en), houten louvre­ raam, om de bovenzijde draaibaar en uitzetbaar, gesloten onder een hoek van ongeveer 20 graden met het vertikale vlak naar buiten. In tropisch Amerika gebruikelijk in Engelse koloniën en bij Engelse kolonisten. 1770 (Hartsinck 569). Opmerking: In Suriname later genoemd

76

faisanten

Demerara window. Ø /N+N/bc/2/-. - : Engelsche zuring: zie rode zuring*. erf (het, erven), 1. met slavenwoningen bebouwd stuk grond, achter en behorende bij een huis aan de straat; 2. als combées*: zie aldaar. < Europees-Nederlands erf, alle onbebouwde grond rondom en behorende bij een huis of ander gebouw. 1. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 139). → (met woningen bebouwd, eventueel onafhankelijk van huis aan de straat). Ø /N’/bc/2-6/-. 2. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 39). Ø /N’/bc/3/-. eyzer varken: zie ijzervarken*.

f façade, breedte van een plantage* aan de voorzijde. < Engels façade, voorzijde. 1787 (Blom 114, fasade). →. Zie ook: face* en dergelijke. Ø /E/pt/36/-. face, facie, facit, breedte van een plantage* aan de voorzijde. < Engels face, of Frans face (voorzijde). 1724 (Schiltkamp & De Smidt 364, face). 1785 (Schiltkamp & De Smidt 1079, facit). 1786 (Visscher Heshuysen 417, face, facie, facit). Zie ook: façade*. Ø /X/pt/1-3/-. faisanten, fasanten, fezanten (alleen meervoud), enige boomhoenders behorende tot de familie der hokko’s (Cracidae); zie powies*, marai* en wakago*. Bij Fermin (zie beneden) de witkopgoean of blauwgeelgoean (Pipile cumanensis). In Europees-Nederlands zijn het

family

Phasanidae, een familie van hoenders uit Azië, waarvan één soort ook (geïntroduceerd en verwilderd) in Nederland. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1765 (Fermin 75) - 1855 (Focke 145). Oudste vindplaats voor de Guyana’s in het algemeen bij De Laet (1625:471) als vertaling van Engels bij Harcourt (1613;1926:97). Voor het eerst niet vertaald in Brazilië (Nieuhof 1682:31). Ø /Am/d/24/B./O./. family (attributief), gezins-, met betrekking tot in vaten ingevoerde stukken vlees: family vlees, family beef. < Engels zelfstandig naamwoord, attributief. 1853 (Surinaamsch Weekblad nrs. 2 en 42). 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 130 en 145). Ø /E/bc/4/-. Fara, zekere geheimtaal van negerslaven, verkregen door lettergrepen van Srananwoorden te verlengen, naar het vermoeden van Teenstra (zie beneden) met -pi, -pa en -poe. 1835 (Teenstra 2:209-210). Zie ook: Cropina*, Para*. Ø /X/sc/4/-. fiadoe, een soort gebak. < Portugees fiado (Focke 1955:31). 1855 (Focke 31). → (ook viado). Ø /Port./ bc/4-6/-. fingatayer, als vingertayer*. Zie tayer*. Sranantongo finga, ‘vinger’ (Schumann 1783:42). 1740 (Anonymus 93). 1771 (Nepveu 261). →. Ø /S-Am/cp/2-6/-. fini tere, zeker rijstras. < Sranantongo, betekent ‘dunne staart’ (waarom?). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 60). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 610). Ø /S/cp/4-5/-. fire bricks, vuurvaste stenen. < Engels. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 43). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 129). Ø /E/

77

fluiter

pt/4/-. flamingo (-s), rode ibis (Eudocimus ruber), toentertijd in Europees-Nederlands rode wulp. Europees-Nederlands flamingo (1646, Phoenicopterus roseus) < Portugees flamingo dat komt van een Provençaals woord, betrekking hebbend op de roze tot rode kleur van deze vogel (oed). Hoewel ook Suriname een zeer nauwe verwant van deze vogel kent (eertijds onder de naam ticoco*, heden zeegans*), is de naam daar overgegaan op de rode ibis. Een soortgelijke verschuiving vermeldt De Rochefort (1658;1681:167) voor het Frans in het Caribische gebied: flammant is daar de naam voor de ‘rode lepelaar’ (SurinaamsNederlands lepelbek*). 1699-1701 (Merian, in Wettengl 1998:243, Surinaamsche flamingo). - 1835 (Teenstra 2:430). →. Opmerking: In hedendaags SurinaamsNederlands ook korikori (< Arowaks). Ø /N’/d/1-6/-. fles: wilde fles, fleskalebas, de vrucht van de gelijknamige, ingevoerde en gekweekte plant (Lagenaria siceraria). 1740 (Anonymus 18). Zie ook: corre*, calabas* (II). Ø /N+N’/ wp/2/-. floridawater, reuk- en toiletwater op basis van alcohol, met reuk- en kleurstoffen. Heden in flesjes ingevoerd, gezien het etiket uit New York en China, zonder merknaam. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 60). →. Ø /X/bc/4-6/-. fluiter (de), vermoedelijk middelste miereneter of boommiereneter (Tamandua longicaudata). Het dier kan fluiten. De hedendaagse Surinaams-Nederlandse naam is mirafroiti (< Sranantongo), dat letterlijk ‘mierenfluiter’ betekent.

foetoeboi

1770 (Vosmaer, 1805 Ø /N’/d/2/-. foetoeboi: zie voetebooi*. foman, een boomsoort (Chaetocarpus schomburgkianus). < Sranantongo (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:166). 1835 (Teenstra 1:396, voman). →. Ø /S/ wp/4-6/-. fonk, nest van de boommierensoort Dolichoderus mucronifer, als een bruine, viltige massa op boomtakken te vinden en gebruikt als tondel; in Surinaams-Nederlands heden genoemd foengoe (< Sranantongo); zie Ostendorf 1962:68. (a) < Sranantongo foengoe (Schumann 1783:47) < Engels fungus (oed 6:270). Bij Anonymus (1740, zie beneden) gerangschikt onder de ‘gewassen’. Men dacht toen en ook later nog (zie Schumann en Focke 1855:34), dat dit vormsel een zwam was. (b) De vorm van het woord en het gebruik van de stof als tondel suggereren invloed van Europees-Nederlands vonk. Zie ook boomtintel*. 1740 (Anonymus 19). In 1835 (Teenstra 1:349) nog in vonk (hoedoe) - zie voengo* (hoede) - in 1910 al foengoe (Penard & Penard 136). Ø /S/r/2/-. footboy: zie voetebooi* fort: het fort (of Fort), de nederzetting bij het fort Zeelandia en de zich daaruit ontwikkelende stad Paramaribo. Voor de komst van de Nederlanders, toen het fort in strikte zin nog ‘Fort Willoughby’ heette, “a small village, call’d the Fort” (Warren 1667:1); zo overgenomen. 1667 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 435). - 1855 (Focke 35). Zie ook: binnenfort*. Ø /E/bc/1-4/-. - : aan het fort, in Paramaribo. 1667 (enwi 1917:435) - 1822 (Lammens 1982:69, 113). Opmerking: Bij Van Dyk (1768:84) ook: aan Paramaribo. Ø /N+E/bc/1-3/-.

78

friesjes

fortenaar, bewoner van het fort* (Paramaribo). 1788 (Roos 1804:93). 1798 (Weygandt 131). Ø /E/bc/3/-. fortneger, in Paramaribo wonende negerslaaf. Zie fort*, zie neger*. Gebruikt ter onderscheiding van plantageneger*. 1822 (Lammens 1982:107). Ø /E-Am/3/-. fortslaaf, als fortneger*. 1835 (Teenstra 2:179). Ø /E-N/bc/4/. frangipane, een ingevoerd sierboompje (Plumeria rubra). < Frans frangipanier (Trésor 8:1223; 1700). 1822 (Lammens 1982:65). →. Zie ook: Indiaansche jasmijnboom*. Ø /Fr./cp/3-6/-. fridericibloem, (fridericikatoen), inheems kruid, ook gekweekt als sierplant (Asclepias curassavica). Zie katoen* (1). Overigens is de herkomst van de naam onbekend. Er was weliswaar een gouverneur* die Friderici heette (17921802), maar Teenstra (zie beneden) gelooft (vermoedelijk terecht) niet, dat deze de plant ingevoerd zou hebben. 1835 (Teenstra 1:273). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 59). Opmerking: Sack (1910:54) geeft frederiks­ katoen en de tegenwoordige naam konings­bloempje. Ø /X-N/cwp/4-5/-. friesjes, frisjes, friessies, frissies, friskes (meervoud), plotseling hoog water in rivier of kreek*, als bandjir in Indonesië < Engels freskes, (later) freshes (oed), Visscher Heshuysen 1786:417. 1670 (Schiltkamp & De Smidt 58, friskes). 1691 (Schiltkamp & De Smidt 191, fresies) - 1720 (IJzerman 1911, frissies). - 1744 (Schiltkamp & De Smidt 522, frisjes) 1786 (Blom 6, friesjes). Ø /E/m/1-3/-.

79

gaatschuimer

g gaatschuimer: zie schuimer*. gadofowroe, huiswinterkoninkje, een klein, bruin zangvogeltje (Troglodytes aedon albicans). < Sranantongo gado-fowloe (Focke 1855:37), betekent ‘godsvogel(tje)’ “omdat het bijgeloof wil, dat deze vogeltjes speciaal door God beschermd worden” (Penard & Penard 1910:524). Sranantongo gado ‘god’, Sranantongo fowroe ‘vogel’. 1796 (Stedman 69). →. Zie ook: corkietje*, huismusje*, huisvogeltje*, lievenheersvogeltje*, tjotjo(vogel)*, nachtegaal*. Ø /S/d/3-6/-. gadoman (de), sjamaan bij boschnegers*. < Sranantongo gadoman, betekent letterlijk ‘godsman’. 1752 (Inventaris Archief Raad van Politie 803, fol. 45, 46, 51). 1761 (Oso 16:188). Zie ook: loekoeman*. Ø /S/r/2/-. galg, bij een waterwerk* de binnenste van de twee houten Europees-Nederlandse stoelen, ‘stutten’, waarop de as van het scheprad* met zijn uiteinden rust. De galg bestaat uit een horizontale balk (het galgenbint*) die met zijn uiteinden rust op twee korte, staande posten, aldus lijkend op zeker model van de galg als executiewerktuig en op de galg op het dek van een schip (zie wnt), hoewel die beide hoger zijn. 1786 (Visscher Heshuysen 418). Zie ook: kleine stoel*. Ø /N’/pt/3/-. galgenbint (het, -en), de dwarsbalk van de galg*. Algemeen Nederlands bint is onder meer een houten verbindingsstuk. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:303). 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:19). Ø /N’-N/pt/2/-. gandoe (heden): zie apoetoehout*, basterd-

geelbagger

ijzerhout*, bokkenhout*. De betekenis van gandoe-hoede bij Teenstra (1835, 1:370) is niet duidelijk. garappa, alcoholische drank, verkregen door het schuim op het suikerrietsap van de tweede en derde ketel gemengd met water korte tijd te laten gisten. < Portugees guarapo (Von Lippman 1929:487). 1763 (Pistorius 47). 1835 (Teenstra 1:208). Opmerking: Herlein (1718:71) ontleent zijn vermelding aan een onjuiste bron. Oudste vindplaats in Brazilië (Piso 1648:51), in Westelijk Guyana graaf en graap bij Van Berkel (1695:23, 88). Zie ook: Surinaamse brandewijn*, dram*, lowijn*, tafia*. Ø /Port./bc/2-4/B./W./. gebroken (met betrekking tot een slaaf of slavin), gebrekkig (invalide, ziekelijk, afgeleefd en dergelijke) en daardoor geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. < Engels broken. 1730 (Beeldsnijder 1994, zwaar gebroken).- 1742 (Beeldsnijder 1994:144). Zie ook: malinker*. Ø /E/z/2/-. - : gebroken gronden, gebied bestaande uit een afwisseling van moerassen (zwampen*) en zandige opduikingen. < Engels broken ground, ‘oneffen terrein’. Zie grond* (II). 1802 (Blom 82). Ø /E/m/3/-. - : gebroken landen, als gebroken* gronden. 1776 (Wollant) - 1804 (Eensgezindheid 22). Ø /E+N/m/3/-. geelbagger (-s), twee soorten zeemeerval (vissen, Sciadeichthys luniscutis en Sciadeichthys parkeri), tegenwoordig geheten jarabaka (Encyclopedie van Suriname 309; < Sranantongo). < Europees-Nederlands bagger, een andere soort meerval; bij de geelbagger tendeert de kleur van de buik vooral in de paaitijd naar geel (Encyclopedie van Suriname 309). Het Engels gillbacker van Guyana

geelborst

(Dalton 1855, 2:349, niet in oed) is aan de Surinaams-Nederlandse naam ontleend, niet omgekeerd (Allsopp 1996:254). Zie verder Van Donselaar (1995:85). 1765 (Fermin 68, geel-baker). 1770 (Hartsinck 121, gele bagger). - 1855 (Focke 49). →. Opmerking: De gegevens van Teenstra (1835, 2:448, 458) zijn verward ten aanzien van zowel de identiteit als van de naam. Zie ook: kakavis*. Ø /N-N/d/2-6/-. geelborst, gele toekan (Grzimek), een vogel (Rhamphastos vitellinus). Het is in Suriname de enige van de zeven soorten toekan met een gele borst en keel. 1835 (Teenstra 2:426). Zie ook: coejakee*, witborst*. Opmerking: De officiële SurinaamsNederlandse naam is heden in Suriname geleborsttoekan (Dienst ’s Landsbosbeheer 1991:2). Ø /N-N/d/4/geelhart, 1. een boomsoort (Platonia insignis), heden in het algemeen genoemd pakoelie; 2. een boomsoort (Chloro­ cardium rodiaei), heden in Surinaams-Nederlands genoemd Demeraragroenhart. Beide soorten hebben kernhout (hart*) dat in kleur varieert van geel- tot groen- tot bruinachtig. Het is niet duidelijk welke soort Boekhoudt (1845-1849; 1874:6) bedoelt. 1: 1835 (Teenstra 1:361). →. Ø /N-N/ wp/4-6/-. 2: 1854 (Van Sypesteyn 212). 1883 ­(Westeroüen van Meeteren 23). Zie ook: groenhart* (opmerking). Opmerking: Het hout uit Suriname dat blijkens Van der Aa (1993:20) tussen 1847 en 1851 onder de naam geelhout verhandeld werd in Zwolle, was van deze soort (zie wnt 4:667 en 5:844). Ø /N-N/wp/4-5/-. geelhout, enige boomsoorten van het genus Licaria, thans in Suriname kaneelhart* geheten, en hun hout.

80

gemanumitteerde

Het kernhout is in verse toestand oranjegeel. 1771 (Nepveu 365). Zie ook: geelhart*. Ø /N-N/wp/2/-. geelvogel (-en), gele troepiaal, een soort vogel (Icterus nigrogularis), heden in Surinaams-Nederlands genoemd banafowroe (< Sranantongo), of fransmankanarie. 1835 (Lammens 175). Ø /N-N/d/4/-. geëmancipeerde (-n), bij gelegenheid van de emancipatie* vrij geworden persoon. 1869 (zie Van Kempen 2003:374). Ø /N’/ bs/4/-. geil, de zwak zurige smaak van koffie afkomstig van de eertijds algemeen verbouwde en gebruikte Coffea arabica. Vergelijk de betekenis bij dranken in wnt (4:906) “Tot wellust of wulpschheid prikkelend ...”, met citaat uit 17e eeuw. Er is daarmee niet meer dan een vaag verband. 1841 (Oostindie 1989:221). Tijdens de Tweede Wereldoorlog (Walle 1975:25). Ø /N’/bc/?/-. gek, roodvoetrotspelikaan (Grzimek 7:204; Sula sula). < Europees-Nederlands gek, een verouderde volksnaam voor de ‘Jan van Gent’, een verwante vogel op welke de onderhavige enigszins lijkt. Zie verder Van Donselaar (1995:86) 1765 (Fermin 78). 1770 (Hartsinck 114). Ø /N’/d/2/-. gekuert: zie cureren*. gemaksstelletje, stilletje, kakstoel. Europees-Nederlands gemak betekende een voorziening waarin men zich ontlasten kan. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). Ø /N-N/bc/2/-. gemanumitteerde (de, -n), persoon aan wie manumissie* (vrijlating uit slavernij) verleend is, evenwel met beperkte burgerrechten. 1733 (Schiltkamp & De Smidt 411). - 1866

getij

(Van Schaick 70). Zie ook: vrije neger*, emancipatie*, manumitteren*. Ø /Lat./bc/2-4/-. getij: zie tij*. geveleinde (het), topgevel, ook attributief. < Engels gable-end (oed). 1771 (Nepveu 97) - 1790 (Hoogbergen 1984:74). 1815 (Schiltkamp & De Smidt 1341, gevelend huis). - 1835 (Teenstra 2:122, geveleinde huis). Ø /E/bc/2-4/-. gideonsappel (de), een klein type pompelmoes, de vrucht van Citrus grandis. Zie appel* (2). Herkomst niet achterhaald. Richteren 6:11, waar Gideon ter sprake komt, geeft geen aanknopingspunt. 1740 (Anonymus 16). - 1872 (Anonymus 67). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 205). Ø /X-N’/cp/2-5/-. gindjamaka: zie djiendjamaka* gingambo: zie kinkanbau*. gladvisch, schubloze vis (alle soorten). Het staat tegenover schubvis, een woord niet eerder gevonden dan bij H.N. Dahlberg (1961:62). 1831 (Teenstra 2:388). →. Zie ook: katvis*, negervisch*. Ø /NN/d/4-6/-. go(a)jave: zie guajave*. gobbegobbe, kruidachtige plant (Vouadzeia subterranea), oorspronkelijk uit Afrika, en de eetbare zaden van deze, thans in Surinaams-Nederlands geheten bosnegerpinda. < Sranantongo gobogobo (Schumann 1783:51) < Afrikaans gubagubs ‘pinda’s’ (Cassidy & Le Page 1980:213). Er is overeenkomst met pinda’s in de groeiwijze en de smaak. 1771 (Nepveu 382). 1835 (Teenstra 2:286, gobbo gobbo). 1872 (Anonymus 67, gobogobo pesie, Sranantongo). Ø /S/cp/2-4/-. godde (-s), calabas* (I, 2). < Sranantongo godo (Focke 1855:38) < Engels gourd, Smith 1987:427. 1792 (Hoogbergen 1984:152, goode). -

81

gongote

1835 (Teenstra 2:257; goddo). 1855 (Focke 112, godo). Ø /S/cp/3-4/-. goebaij, een boomsoort (Jacaranda copaia). < Sranantongo go(e)bai (Focke 1855:38) < Karaïbisch kopaja (Ostendorf 1962:168), kupaja (Courtz 304). 1835 (Teenstra 1:361). 1855 (Van Sypesteyn 184). → (goebaja < Sranantongo). Zie ook: basterdgoebaij*, jashout*. Ø /(K) S/wp/4-6/-. goejave(-): zie guajave(-)*. gomboom, gumboom, naam voor enige boomsoorten die gom leveren, heden in het bijzonder Sapium-soorten. wnt en Van Dale geven het woord later voor enige met name genoemde soorten uit de Oude Wereld en Australië. Plukenet 1692, 1696 (Brinkman 1980, bijlage I, gum(me-boom). - 1883 (Westeroüen van Meeteren 47, gomboom). Oudste vindplaats Brazilië (S. de Vries 1682, 1:314) en zeer waarschijnlijk afkomstig van daar; ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:77). Ø /Braz./wp/15/B./W./. gomma (de), tapioca in de vorm van zuivere cassave* (2). < Braziliaans-Portugees gôma of < Sranantongo gomma (Schumann 1783:51). 1835 (Teenstra 2:262). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 39). →. Ø /Braz.?S?/bc+sc/4-6/-. gongote (de), 1. gedroogde repen van banaan*; 2. van 1 gemaakt bananenmeel; 3. van 2 gemaakte pap. In al deze gevallen bestemd als slavenkost. < Sranantongo gongote (Schumann 1783:51; betekenis 1) < Afrikaans (Cassidy & Le Page 1980:264). 1: 1855 (Focke 39). Ø /S/sc/4/-. 2: 1828 (Kuhn 7). - 1910 (Sack 15). →. Ø /S/sc/4-5/-. 3: 1835 (Teenstra 2:188). →. Opmerking: Het is niet duidelijk of

goot

Stedman (1796:376) met gangotay (Engelse spelling) 2 of 3 bedoelt. Ø /S/sc/4-6/-. goot: zie likagoot*. goudbeursjes, als ducaatbeursjes*: zie aldaar < Europees-Nederlands goudbeurs: een beurs met goudstukken. Met deze worden de vruchten van de plant vergeleken: bolvormig en gevuld met vele gevleugelde zaden. 1823 (Anonymus 61). Ø /N’/wp/3/-. goudvink, goudtanager, sabeltangare, een soort vogel (Tangara cayana). De naam kan ontleend zijn aan de goudgele glans op de romp. Overigens lijkt de vogel veel meer op de Engelse goldfinch, dat is de Europees-Nederlandse putter (Carduelis carduelis), dan op de Europees-Nederlandse goudvink (Pyrrhula pyrrhula). 1835 (Teenstra 2:428). 1900 (Penard 6). →. Ø /X/d/4-6/. gouvernement (het), als gouvernementshuis*. < Europees-Nederlands gouvernement, (onder meer) gebouw van provinciaal bestuur of ambtswoning van provinciale gouverneur. 1740 (Anonymus 29). - 1835 Friderici 43). → 1899 (J. Spalburg 19). Ook in Westelijk Guyana, 1779 (Bosman 1994:43), mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/bs/2-5/W./. gouvernementshuis, ambtswoning met werk- en ontvangstvertrekken van de gouverneur*. 1683-1688 (Gids 1955:22). - 1810 (Schiltkamp & De Smidt 1287). →. Ø /(N’?W?)-N/bs/1-6/-. gouverneur. Een algemeen Nederlands woord voor de vertegenwoordiger van het oppergezag. In Suriname in gebruik sedert 1845. Daarvoor waren andere betitelingen van deze functie luitenant-gouverneur, soeverein, gouverneur-generaal. Zie de Encyclopaedie van Nederlandsch West-

82

grasparkietje

Indië 32. granman, 1. hoofd van een boschnegerstam*; 2. gouverneur* van Suriname. < Sranantongo granman (Schumann 1783:53, in betekenis 2). Sranantongo gran, ‘voornaam’, Sranantongo man, ‘man’). 1: 1769 (De Beet 87). 1839-51 (Van der Aa 1993:35). → (de o van ‘oorlog’ in de code hieronder heeft slechts geldigheid voor de periode van de daadwerkelijke oorlogsvoering). Zie ook: grootopperhoofd*, landvoogd*. Ø /S/o/2-6/-. 2: 1752 (Inventaris Archief Raad van Politie 803, fol. 44). 1866 (Van Schaick 22). - 1926 (J.C. Kruisland in Doelwijt 1974:97) Ø /S/bs/2-5/-. grasdwergje (-s), als grasparkietje*. 1835 (Teenstra 2:425). Ø /N-N’/d/4/-. grasluis, zeer kleine, rode larf van enige soorten bosmijt (Trombicularia-soorten). Zit onder meer op grassen, stapt over op mens of dier en boort zich daar in de huid. 1783 (Schumann 133). - 1855 (Focke 74). →. Opmerking: Schumann (p. 133) geeft als Duitse naam Grasläuse (meervoud), wat een letterlijke vertaling lijkt te zijn van de Surinaams-Nederlandse naam. Zie ook: patatte(s)luis*. Ø /N-N/d/4-6/-. grasneger, negerslaaf (neger*) als palfrenier met ook als taak het verzamelen van gras als voer voor de paarden van zijn meester. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:31). Ø /NAm/bc/4/-. grasparkietje, de zeer kleine Zuid-Amerikaanse dwergpapegaai (Forpus passerinus), groen van kleur en levend van graszaden; heden in Surinaams-Nederlands okroprakiki (< Sranantongo). 1740 (Anonymus 1740). Zie ook: grasdwergje*. Opmerking: In Nederland de naam voor zekere kleine parkiet, in 1840 als kooivogel

grassnip

uit Australië ingevoerd. Ø /N-N/d/2/-. grassnip, watersnip (Gallinago gallinago paraguaiae). Het is een snip* die vaak in grasland zit. Europees-Nederlands grassnip is een niet-standaardnaam voor deze en nog een andere soort. 1763 (Pistorius 69). - 1796 (Stedman 199; grass-snipe, Engelse vorm). →. Ø /N’/d/26/-. grauwe munnik of grauwe monnik, grauwmunnik (de, -ken), naam voor twee grote zaagbaarzen (zeevissen), namelijk een hamletvis (Hypoplectus chlorurus) en de reuzentandbaars (Epinephelus itajara), Grzimek 5:84; heden granmorgo(e) (< Sranantongo). Genoemd naar de grauwmunnikken of grauwmonnikken, de Kapucijners, die een grauwe (grijze) pij dragen. De verwijzing naar de Franciskaners, als in Van Donselaar (1989) in navolging van het wnt, is onjuist. grauwe munnik: 1693 (Reeps 21).- 1835 (Teenstra 2:455). grauwmunnik: 1765 (Fermin 65). - 1855 (Focke 40). Opmerking: Sranantongo 1855 graumonoekoe (Focke 40) > Sranantongo heden gra(n)morgoe > Surinaams-Nederlands heden idem alsook graumurg. Zie ook: Jacob Evertsen*. Oudste vindplaats in Brazilië (Keye 1659:71, graue-munnik). Ø /Braz./d/14/B./. greystock, baksteen (ook collectivum) van gewone aarde. < Engels grey stock (oed). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 129, graijstock; nr. 151). Ø /E/bc/4/-. grienen, koffiebessen van de schil (rode bast*) ontdoen door deze in een koffiebreekmolen* te breken en vervolgens af te scheiden door te wannen met een

83

groenhart

manarie* (2). < Sranantongo grin. 1771 (Nepveu 180). Zie ook: schrobben* Ø /S/pt/2/-. griet-bak-koeken, geelrugoropendola of geelstuitbuidelspreeuw (Cacicus cela). De vogel heeft een gevarieerd vocabularium dat zich leent voor diverse interpretaties. De naam griet-bak-koeken wordt benaderd door een omschrijving in Penard & Penard(1910:353): koe-lie-kwai-ka-ko. 1740 (Anonymus 22; 96, Griet back koekjes, meervoud). Zie ook: banannebek*, bananenvreter*. Ø /N”/d/2/-. grietjebie; grietjebier (later en heden): zie grietjebuur*. grietjebuur, grote kiskadie, een soort tiran (vogel, Pitangus sulphuratus). De vogel lijkt dit te roepen; het betekent ‘buurvrouw Grietje’. De naam komt uit Brazilië (Marcgrave 1648:216, Grietjenbuyr). 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 40). 1866 (Van Schaick 44, grietje-bier). 1910 (Penard & Penard 243, grietjebie). → (grietjebie). Ø /Braz./d/2-4/B./. grijze aap (de), grijze kapucijnaap (Cebus olivaceus). Bij Hartsinck 1770:96) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: kesikesi*. Ø /(N+N)?W?/ d/2/W./. grittie-grittie, rasp in gebruik bij voedselbereiding. < Sranantongo grit griti (Wullschlägel 1856:183). 1827 (Lammens 1999:139). Ø /S/r/4/-. groene kost, verse levensmiddelen. Vóór 1863 (Bartelink 1916:10). Ø /N+N/r/4/-. groenhart, een boomsoort (Tabebuia serratifolia) en het als timmerhout zeer gewaardeerde hout van deze, in het bijzon-

groenhartboom

der het fraaie kernhout. Het hart* (kernhout) is olijfgroen. 1689 (Schiltkamp & De Smidt 186). - 1855 (Focke 40). →. Zie ook: groen ebbenhout*. Opmerking: Hartsinck (1770:77) en wnt bedoelen met groenhart(sboom) de boom­ soort Chlorocardium (eerder Ocotea, nog eerder Nectandra) rodiaei, die in het Engels greenheart en in Suriname thans Demerara-groenhart heet. Ø /N-N/wp/1-6/-. groenhartboom, als groenhart* (de boom). 1763 (Pistorius 52). Ø /(N-N)-N/wp/2/-. groenharthout, als groenhart* (het hout). 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1838 (Hudig, 140). Ø /(N-N)-N/ wp/2-4/-. grond I., -grond (de, -en), een stuk grond, een stuk land. < Engels ground (‘piece or parcel of land’, 1548-1733, oed) of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1. plantage*. 1754 (De Beet & Price 1982:77). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 7). Zie ook: buitengrond*, kweekgrond*; buiten*, staat*. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1794, 5:4). 2. het beplante gedeelte van een plantage* of een deel daarvan. 1763 (Pistorius 99). - 1866 (Van Schaick 134). Afhankelijk van het verbouwde gewas kunnen onderscheiden worden - de verwijzingen gekozen op grond van vooral eerste jaartallen: rietgrond ‘suikerrietgrond’: 1695 (Schiltkamp & De Smidt 209). - 1786 (Blom 86). caan/keengrond: 1699 (Schiltkamp & De Smidt 236). 1735 (Bijlsma 1923:54). suikergrond: 1866 (Van Schaick 134) coffeegrond: 1740 (Anonymus 32), coffiegrond 1789 (Oostindie 1989:75).

84

grondeter

cacaogrond: 1740 (Anonymus 32). patategrond: 1773 (De Beet 1984:155). banannegrond: 1784 (Heneman). 1802 (Blom 79). tayer- of teyergrond: 1783 (Roos 40). 1798 (Weygandt 138). katoengrond: 1826 (De Surinaamsche Courant nr. 71). Opmerking: Men verbond het verblijf aldaar met het voegwoord in: “in den grond (zijn, gaan)” (1768, Van Dyk 1980:229; 1834, Tang 2000:192; 1835, Teenstra 1:218), “de gronden ingaan” (Van Schaick 1866:181). Zie ook: rijstgrond*, houtgrond*, kostgrond*; vischgrond*; Boasiegrond*. Samen betekenis 1en 2: /E?W?/pt/1-4/W./. 3. (de, -en), kleine, eventueel tijdelijke akker of moestuin van of in gebruik bij particulier(en), in het algemeen slaven, boschnegers* en indianen, met voedingsen andere gewassen voor eigen gebruik. 1679 (Anonymus in Lichtveld & Voorhoeve 58). - 1796 (Brouwn 56) →. nb: de samenstellingen: kooren grond: 1762 (De Beet & Price 1982:169); pinda grond: 1762 (De Beet & Price 1982:170); patate grond: 1796 (Brouwn 56); negergrond*: 1787 (Blom 122). Zie ook: bokkengrond*, negerkostgrond*. Ø /E/r/1-6/-. 4. Zie societeitsgrond*. grond II.: gebied, land, zonder aanduiding over de uitgestrektheid: zie biribirigrond*, gebroken* gronden, mangrogrond*. grond III.: zie vrijmansgrond* grond IV.: grond eten (of vreten), het eten van aarde (of houtskool) als symptoom van de ‘ziekte’ grondeter* (2) of als methode voor zelfmoord, voorkomend bij negerslaven. 1740 (Anonymus 83). - 1845-1849 (Boekhoudt 1874:104). Ø /N+N/z/2-4/-. grondeter (-s), grondvreter, 1. aardeter in

grondkorjaal

het algemeen of in het bijzonder geofaag: lijder aan een ziekte die hem of haar tot grond* (IV) eten aanzet; 2. geofagie, dat is de eertijds veronderstelde ziekte die tot aardeten aanzet. 1: 1786 (Blom 385).- 1835 (Teenstra 2:198). Ø /N-N/z/3-4/-. 2: 1828 (Kuhn 36, grondvreter, ook houtskool). Zie ook: zwelziekte*. Ø /N-N/r/4/-. grondkorjaal, korjaal* behorend bij een plantage* (grond* I, 1). 1855-1863 (Bartelink 1916:50). Ø /(E?W?)Am/pt/4/-. grondschoenen, vermoedelijk zeker soort schoenen geschikt voor het werk van leidinggevenden op een plantage*, dus hetzelfde als plantageschoenen* en bluchers*. Zie grond* (1). 1833 (De Surinaamsche Courant nr. 46). Vermoedelijk hetzelfde als plantage­ schoenen* en bluchers*. Ø /(E?W?)-N/ pt/4/-. grootmeester, grote meester (de), hoogste in het land aanwezige gezagsdrager van een plantage*: de eigenaar of de administrateur*. In Nederland is grootmeester de titel van een opperbestuurder van sommige corporaties of orden (wnt). Er kan ook verband zijn met Sranantongo granmasra (Kuhn 1828:65, Grand Massera). 1768 (Van Dyk 83, groote Meester). 1776 (De Beet 1984:225, groot Meester). - 1840 (Winkel I:30). Ø /N’?S?/pp/2-4/-. grootoog (de), vieroog, de naam voor enige vissoorten van het genus Anableps; later en tegenwoordig koetai*. Ze hebben grote ogen die bovenop de kop staan. Fermin (1765:81; 1769, 2:265) geeft Frans gros-yeux, maar aangezien dit niet voorkomt in Franse woordenboeken lijkt het waarschijnlijk, dat het een vertaling door Fermin zelf betreft. De naam

85

guajaveboom

wordt in 1778 en later in het EuropeesNederlands gegeven aan een geheel andere vis (wnt). 1770 (Hartsinck 123). Ø /N-N/d/2/-. groot opperhoofd, formele betiteling van het hoofd van een boschnegerstam*. Het woord kwam in gebruik nadat deze hoofden, na het sluiten van vredesverdragen met de koloniale overheid, door laatstgenoemde als zodanig erkend werden. 1835 (Teenstra 2:169, groot opperhoofd). - 1857 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 155, groot-opperhoofd). →. Ø /N+N/bs/4-6/-. guajave, gujave, goajave, gojave, goejave (de), guave, een wilde en gekweekte struik of kleine boom (Psidium guajava) en de vrucht van deze (dan ook meervoud: -s), ook attributief. Tropisch Amerikaans element, sub 4. 1689 (Hermann fol. 40, guajavas) - 1765 (Nepveu 55, goejave). - 1872 (Anonymus 67). → (goejave). Oudste vindplaats 1625 (De Laet 443, goyave, de boom). Ook in Brazilië (Carpentier 1635, in De Laet 1644:448, guajavos) en in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:72, goejavis). Zie ook: boschgoejave*. Ø /Am/cwp/16/B./W./. - : Fransche gojave, zekere cultuurvorm van guave uit Frans-Guyana. 1770 (Hartsinck 55). 1771 (Nepveu 359). Ø /N+Am/cp/2/-. guajaveboom, als guajave* (de boom). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 3 nr. 2, roode goejave boomtien). - 1771 (C. Dahlberg nr. 40). Ø /Am-N/wp+cp/1-2/-. - : goejave garde, garde (roede) van twijgen van guave, gebruikt als tuchtigings­ instrument. 1765 (Nepveu 83). 1770 (Hartsinck 916). Zie ook: tamarindegarde*. Ø /Am-N/ bc/2/-.

guds

guds (-en), goot waardoor het suikerrietsap van de molen naar de sapbak (sisser*) stroomt. Vergelijk Europees-Nederlands werkwoord gutsen (stromen) en guts (gootvormige beitel en boor); vergelijk Engels gutter (goot). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:95). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 134). Zie ook: likagoot*. Ø /X/pt/2-4/-. guide (-s), lid van het Corps (later de Compagnie) Koloniale Guides (zie beneden). < Europees-Nederlands; guides (< Frans guide, ‘gids’) vormden legereenheden met bij een veldslag een ‘geleidende’ functie. 1833 (Teenstra 1842:169). - 1855 (Focke 109). Bij Van der Aa (1839-1851; 1993:159) negerguide. Ø /N’/o/4/-. - : Compagnie Koloniale Guides, voortzetting van het Corps Koloniale Guides* van 1834 tot de opheffing in 1862. Zie ook: Korps Zwarte Jagers*, Redi Moesoe*. Ø /N+(N+N’)/o/4/-. - : Corps Koloniale Guides, voortzetting van het Korps Zwarte Jagers* van 1818 tot 1834. Zie ook: Compagnie Koloniale Guides*, Redi Moesoe*. Ø /N+(N+N’)/o/3-4/-. gulden: in Suriname een munt met in de loop van de onderzochte periode - dat wil in dit geval zeggen van 1684 tot 1854 - een eigen, maar variabele waarde. Dezelfde omschrijving kan ook gelden voor een aantal andere munten met namen (soms ook voorafgegaan door ‘halve’) als die van munten in het Nederlands van Europa, maar daar terzelfder tijd met een andere waarde dan in Suriname. Dat zijn onder meer de volgende, voorzien van citeerbare jaartallen die merendeels aangetroffen kunnen worden in Schildkamp & De Smidt (1973): cent (1816, 1855), daalder (1684, 1695), dubbeltje (1767), dukaat (1688, 1767), dukaton

86

haagmarmeldoos

(1684, 1695), johannes (1799), kroon (1684), kroondaalder (1766), pistool (1695), quart (1695, 1696), rijksdaalder (1684, 1695, 1854) en schelling (1684, 1767, 1799, 1855). Ze worden in dit boek verder niet apart behandeld. Dat is wel het geval met Spaanse daalder*, Spaanse schelling*, Deense schelling*, duit* en stuiver*, alsmede drietje*, koperen penning* en papegaaiepenning*. Zie ook suikergeld* en kaartengeld*. Aan dit alles kwam een (voorlopig) einde met de muntregeling van 1854, waarbij het muntwezen van Suriname gelijkgesteld werd aan dat van Nederland. Zie ook oud Surinaams geld*. Zie Schiltkamp & De Smidt (1973), Encyclopedie van Suriname (1917:484-489) en De Jong (1980). guldenskaartje (-s), kaart* (II) ter waarde van één gulden*. 1768 (Schiltkamp & De Smidt 1315). Zodanige kaarten* zijn van 1761 tot 1827 in gebruik geweest (Encyclopedie van Suriname 211 Ø /N’-N’/bs/3-4/-. gulzig, gezegd van een bodem die te vruchtbaar is voor het gewas dat men erop wil telen. In Europees-Nederlands gezegd van weelderig opschietende gewassen (wnt). 1771 (Nepveu 44). - 1783 (Roos 41). Ø /N’/pt/2-3/-. gumboom: zie gomboom*.

h haagmarmeldoos, een soort heester (Rosenbergiodendron formosum) Zie marmeldoos* (3); wordt als haag (heg) aangeplant. 1855 (Focke 124). Zie ook: kleine marmelade*. Ø /N-X/

haas

cwp/4/-. haas (de, hazen), paca, een soort knaagdier (Agouti paca). Afgezien van de snuit, het gebit en de eetbaarheid, heeft het dier uiterlijk weinig gemeen met de Europees-Nederlandse haas (Lepus europaeus). Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1693 (Reeps 21). - 1872 (Anonymus 66). →. Oudste vindplaats in Oostelijk Guyana (Zeeuw 1627, in Lichtveld & Voorhoeve 1980:17). Ook in Brazilië (Keye 1659) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:21). Opmerking 1: De aanhaling uit 1627 in Van Donselaar (1989) is niet uit Suriname. Opmerking 2: In Suriname soms Surinaamsche haas, onder meer bij Focke (1855:44). Zie ook: hei*. Ø /Am/d/1-6/B./O./W./. haaymaar: zie heimaar*. halfmerk, merk* (1, dagtaak van een slaaf of slavin) half zo groot als de normale. Ca. 1805 (Van Stipriaan 1993:320, in dit geval van een zwangere slavin). - 1855-1863 (Bartelink 1916:15). Ø /N-E/pt/3-4/-. halfmerker (-s), plantageslaaf (-slavin) gehouden aan het verrichten van halfmerk*. 1840 (Winkels I:22). Zie ook: heelmerker*. Ø /N-(E-N)/pp/4/-. hand (-en), 1. tak van boom of struik; 2. kam, tros (bacoven* of bananen*). 1. Vermoedelijk < Sranantongo anu (Wullschlägel 1856:19, hanoe), dat ‘arm’, ‘hand’ en ‘tak’ betekent. 1740 (Anonymus 35, van cacao). - 1835 (Teenstra 1:281, van katoen). Ø /S?/r/2-4/-. 2. < Engels hand. 1855 (Focke 7). →. Ø /E/cp/4-6/-. hangmat: zie binden*. hangstok, kapstok. 1798 (Weygandt 25). Ø /N-N/bc/3/-. Hans Ipsen bolletrie, zekere boomsoort en het hout van deze gebruikt in de bouw.

87

heelmerker

Genoemd naar een persoon (Teenstra 1835, 1:356). 1835 (Teenstra, zie boven, ook “Hans Hieps bolletrie”). 1883 (Westeroüen van Meeteren 12). Ø /X/wp/4-5/-. harderman (-s), vertegenwoordiger van de pantsermeervallen (vissen, familie Callichtyidae). De naam kan betrekking hebben op het pantser of (ook) geïnspireerd zijn door de Europees-Nederlandse namen van de andere vissen harder en harnasman. Zie ook het gestelde over -man onder blaasman*. 1740 (Anonymus 24). Zie ook: kwikwie*, soke*. Ø /X/d/2/-. haring: Het is niet duidelijk welke vis door Kappler (1854; 1983:47) bedoeld wordt. Tegenwoordig wordt in Suriname onder deze naam Europees-Nederlands draadharing, een zeevis (Ophistoma oglinum), aangevoerd. De Europees-Nederlandse haring (Clupea harengus) wordt geconserveerd ingevoerd. Bij Teenstra (1835, 2:450) is het sardien*. Ø /N’/d/4/-. hart, kan in Europees-Nederlands ‘kernhout’ betekenen (zie wnt), maar komt in Europa niet voor in een samenstelling die de naam is van een boomsoort of diens kernhout. Dat deed en doet het in Suriname wel: zie bruinhart*, geelhart*, groenhart*, kaneelhart*, purperhart* en, (mede) naar analogie, ijzerhard*, ijzerhart* en bijlhart*. hartenbeesttijger: zie rode tijger*. hassie-maca, niet nader geïdentificeerde, stekelige soort palm. Zie maca* (2). Sranantongo hassie (asi), ‘paard’. 1771 (Nepveu 356). Ø /S/wp/2/-. heelmerker (-s), plantageslaaf (-slavin) gehouden aan het verrichten van de normale dagtaak (merk*, 1). 1840 (Winkels I:22). Zie ook: halfmerker*. Ø /N-(E-N)/pp/4/-.

hei

hei, als haas*. < Sranantongo hei (Schumann 1783:64) < Engels hare, Smith 1987:295. 1835 (Teenstra 2:413). →. Ø /S/d/4-6/-. heimaar, haaymaar, haymar (de), een grote roofvis, nauw verwant aan de patakker* (Hoplias aimara); heet tegenwoordig anjoemara (< Sranantongo). < Karaïbisch aimala (Kloos 1975:103), Arowaks aiïmora (Focke 1855:4). 1718 (Herlein 199, haaymaar). 1749 (De Beet & Price 1982:52, heymare, mv.). 1771 (Nepveu 350, haijmar) - 1798 (Weygandt 40, heymaar). - 1858 (Copijn 15). Opmerking: In de vertaling van Kappler (1854:41; 1883:264) staat haimura. Vergelijk, mogelijk uit Westelijk Guyana, bij Hartsinck (1770:122) haimorre. Zie ook: cabeljau*, njoemara*. Ø /Ind./ d/1-4/W./. helper, helpster, lekenhulp van de Evangelische Broedergemeente ten behoeve van zending, prediking of onderwijs. < Duits Helfer(in). De Surinaams-Nederlandse woorden ontstonden toen de Broedergemeente in Suriname nog door Duitstaligen gedomineerd werd. 1753 (Encyclopedie van Suriname 184). 1857 (Klinkers 1997:47). →. Zie ook: nationaalhelper*, schoolhelper*, dienaarbroeder*, dienaarzuster*. Ø /Dui./ bc/2-6/-. hemd, vermoedelijk bovenkledingstuk gedragen zonder iets eronder, met het karakter van wat heden in Europees-Nederlands overhemd genoemd wordt. < Europees-Nederlands hemd 1853 (Surinaamsch Weekblad nr.10). →. Ø /N’/bc/4-6/-. hemphaan: zie kemphaantje*. hiddingh, bovenkant (‘deksel’) of bodem van een suikervat. < Engels heading (oed 7:46, betekenis 7). 1670 (Schiltkamp & De Smidt 56, 57).

88

hoepelolie

Zie ook: hoofd*. Ø /E/pt/1/-. Hindostaans (bn.) komt van voor 1876 in de geraadpleegde bronnen één keer voor (1874; Klinkers 1997:139), echter niet als bijvoeglijk naamwoord bij Hindostan of Surinaams-Nederlands Hindostaan, maar ten onrechte in de betekenis van ‘Hindoeïstisch’, ‘Hindoe-’ (“...mohammedaanse en Hindostaanse feestdagen ....”). De voorouders van de Surinaams-Nederlandse Hindostanen in de tegenwoordige Surinaams-Nederlandse en ook EuropeesNederlandse betekenis zijn nog lang BritsIndiërs en koelies* genoemd. hoe, waarom? 1855 (Focke 26, 27). →. Ø /N’/r/4-6/-. hoep, verkorting van hoepboom* en hoephout*. 1771 (Nepveu 379). →. Ø /N’/wp/2-6/-. hoepel, kort voor hoepel van een suikervat, een suikerhoepel*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 30). Ø /N’/pt/4/-. hoepelboom, hoepboom, een boomsoort (Copaifera guianensis). Er werden van het hout hoepen (hoepels*) voor suikervaten gemaakt. 1763 (Pistorius 23, hoepboom). - 1835 (Teenstra 1:363, hoepelboom). - 1910 (Sack 25). Zie ook: hoep*, hoepelhout*, hoepelolie* (2), suikerhoepel*. Ø /N’-N/wp/2-5/-. hoepelhout, hoephout, als hoepboom*. In Europees-Nederlands is hoephout hout waarvan hoepels gemaakt worden, onverschillig van welke boomsoort (wnt) en voor welke functie. 1771 (Nepveu 379). 1855 (Van Sypesteyn 174). →. Zie ook: hoep*, hoepboom*, hoepelolie* (2). Ø /N’/wp/2-6/-. hoepelolie, hoepolie, 1. copaïvabalsem, de olie gewonnen uit de hoep(boom)*; 2. als hoepboom*; 3. hout van de hoepboom*.

hof

Betekenis 2 en 3 lijken een verkorting van de niet aangetroffen woorden hoepolieboom en hoepoliehout. 1: 1763 (Pistorius 23). 1775 (Sneebeling 1973:20). →. Ø /N’-N/bc/2-6/-. 2 en 3: 1787 (Blom 303, 2). 1802 (Blom 83, 2; 178, 3). Ø /X/wp/3/-. hof: 1. het Rode Hof, en 2. het Zwarte Hof, de bijnamen van twee rechtscolleges. “Deze raden of hoven werden aangeduid als de Raad van Politie en Criminele Justitie [1689-1816] en de Raad van Civile Justitie [ca. 1680-1828], respectievelijk ook wel genoemd het Rode Hof en het Zwarte Hof in verband met de kleur van hun toga’s” (Encyclopedie van Suriname 60). 1: /N+N/bs/1-3/-. 2: /N+N/bs/1-4/-. Opmerking: De straat in Paramaribo waar 2 gevestigd was, heette in 1779 Swartenhoevebrugstraat (Schiltkamp & De Smidt 957), heden Zwartenhovenbrugstraat. Zie ook: court*. Hollandsch, toegevoegd achter een bedrag in geld, beduidt, dat het Hollands geld betreft, ter onderscheiding van Surinaams*. Zonder deze toevoeging was verwarring mogelijk, doordat de namen van munten en munteenheden dezelfde waren, maar de koers niet 1:1. 1718 (Herlein 129). - 1775 (Sneebeling 1973:10) →. In Brazilië met betrekking tot andere zaken (Keye 1659:99, “22 Kannen Hollants”). Zie ook: Nederlandsch*. /N’/bc/1-6/-. hond: vliegende hond, vampier (Desmodus rotundus). < Engels flying dog (Stedman 1790:428; oed). Europees-Nederlands vliegende hond was toentertijd al de naam voor de kalong en enige andere Aziatische, plantenetende vleermuizen van het genus

89

hoofdschool

Pteropus. De vampier heeft met een hond weinig meer gemeen dan het uiterlijk van de bek. Kan ook afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). Bij Hartsinck (1770:98) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: vliegende kat*. Ø /E?N’?W?/ d/2/W./. - : wilde hond, krabbenetende wasbeer (Procyon cancrivorus). Het dier heeft qua verwantschap en qua uiterlijk slechts weinig van een EuropeesNederlandse hond. 1854 (Van Sypesteyn 60). 1855 (Focke 64). Zie ook: crabbedago*, krabbenhond*, vos*. Ø /N+N’/d/4/-. honingvogel, kolibrie (familie Trochilidae). Voedt zich met nectar uit bloemen. Vermoedelijk kwam de naam al in gebruik toen men deze vogeltjes eerder waarnam op de West-Indische eilanden (zie Seba 1734, 1:108). In de Oude Wereld was het nog eerder de naam voor een andere groep van honingzuigende vogeltjes (zie wnt, zie Grzimek 9:378 en volgende). 1768-1780 (Quandt 1807:216). Zie ook: lonkertje*. Ø /X/d/2/-. hoofd, bovenkant (‘deksel’) van een suikervat. < Engels heading; zie hiddingh*. 1835 (Teenstra 1:241). Ø /E/pt/4/-. hoofdbastiaan, (vermoedelijk) hoogstaangestelde onder de bastiaans* (1) van één plantage*. 1855-1863 (Bartelink 1916:16). Ø /N-S/ pp/4-5/-. hoofdloostrens (-trenzen), op een plantage* de watergang die het overtollige water uit de loostrenzen* opneemt en via een loossluis* afvoert naar de rivier. 1786 (Blom 352). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 569). Ø /NN-(E?W?)/pt/3-5/-. hoofdschool, particuliere school voor uitgebreid basisonderwijs.

hoofdtrens

Voor ‘hoofd’ is geen verklaring gevonden. 1816 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 519). - 1861 (Wolbers 774). Zie ook: stadsschool*. Ø /X-N/bc/3-?/-. hoofdtrens, op een suikerplantage een watergang die een aantal kleine trenzen* verbindt met een loostrens*, of elders of anderszins in de waterhuishouding een middenpositie inneemt; de gegevens zijn niet eenduidig. 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:19). - 1867 (Oostindie 1989:22). Zie ook: poldertrens*, trekker*. Ø /N(E?W?)/pt/2-4/-. hoofdvaartrens, de centraal gelegen en belangrijkste vaartrens* op een suikerplantage. 1867 (Oostindie 1989:22). Ø /N-N(E?W?)/pt/4/-. hoofdvoorstander, hoofd van de Evangelische Broedergemeente in Suriname. Europees-Nederlands voorstander betekent ‘leider’ (in het algemeen); mogelijk ook vertaling uit Duits (Vorsteher), gezien de indertijd overheersende rol van Duits­ taligen bij de Broedergemeente in Suriname. 1792-1893 (Van Raalte 1986:46, 49). Ø /N(N’?D?)/bc/3-5/-. hoog: hoog land (het, hoge landen), hoogland, (stuk) land dat van nature nooit of nooit lang onder water staat. < Europees-Nederlands hoogland, dat is heuvel- en bergland. Als bijvoeglijk naamwoord hoog + zelfstandig naamwoord land: 1773 (De Beet 1984:155). - 1835 (Teenstra 1:361). Aaneengeschreven eerder, maar aanvankelijk alleen attributief (zie hoogland biribiri*); later ook als eerste deel van een samenstelling. →. Het bijvoeglijk naamwoord hooglandsch: 1835 (Teenstra 1:155). Alle woorden en combinaties samen:

90

houtgrond

/N’/m/2-6/-. Hoogduits, Asjkenazisch (met betrekking tot joden en hun religie). In Nederland met betrekking tot de taal Standaardduits. nb: wnt: Hoogduitser is iemand uit (Hoog-)Duitsland (citaat 1642, 1657). 1735 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 387). - 1854 (Van Sypesteyn 84). →. Ø /N’/bc/2-6/-. hoogland: zie hoog*. horsepesie, een ingevoerde, gecultiveerde plant (Canavalia ensiformis) en zijn peulen, heden in Surinaams-Nederlands genoemd paardenboon. In het Engels van het Caribisch gebied sedert 1696 horse-bean (Allsopp 297, CL 230). Zie pees* (II). 1835 (Teenstra 2:269). Ø /E-S/cp/4/-. hospitaal, ziekenhuis. < Engels hospital. 1828 (Kuhn 42) - 1866 (Van Schaick 80). →. Opmerking: In Europees-Nederlands eerder ziekenhuis voor minvermogenden, later voor militairen. Ø /E/bc/4-6/-. hout: als het het tweede lid is van de naam van een boomsoort, kan het eerste lid een aanduiding zijn voor: a. een eigenschap van de boom of van zijn hout (baboenhout*, bijlhout*, geelhout*, letterhout*, mierenhout*, purperhout*, satijnhout*, slangenhout*, spijkerhout*, spikkelhout*). b. een toepassing van het hout (apoetoehout*, hoepelhout*, parelhout*, suikerhout*). c. niet a of b: ebbenhout*, konthout*, kraphout*. houtbamba, vermoedelijk als boombamba*. 1732 (Inventaris Archief Raad van Politie 787 fol. 31). Ø /N-X/wp/2/-. houtgrond (de, -en), als begrensd omschreven bosgebied waar men marktwaardige houtsoorten kapt en bewerkt, hetzij als

houtluis

zelfstandig bedrijf (houtplantage*), hetzij behorend bij een (gewone) plantage*. Zie grond* (I, 2). Europees-Nederlands houtgrond is ‘bosgrond’. 1762 (De Beet & Price 1982:113). - 1872 (Hoogbergen 1978:50). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 369). Ø /N-(E?W?)/pt/2-5/-. houtluis (de, -luizen), termiet, witte mier (orde Isoptera). Ze leven in en voeden zich met dood hout. Vergelijk Engels wood-louse, sedert 1666 (oed). In Europees-Nederlands een ander insect dat in hout leeft. 1718 (Herlein 179). - 1855 (Focke 74). →. Zie ook: nieuwjaarsvlieg*. Ø /N’?E?/d/1-6/-. houtplantagie (-giën), als begrensd omschreven natuurlijk bosgebied waar een zelfstandig bedrijf marktwaardige houtsoorten kapt en bewerkt. Het is niet een ‘plantage’ in eigenlijke zin, want er wordt niet geplant. 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:9). 1865 (Winkels III:41). Ø /N-N’/pt/2-4/-. houwer (de, -s), lang kapmes, machete. < Europees-Nederlands houwer in de betekenis van sabel (wnt). 1717 (Schiltkamp & De Smidt 313). - 1857 (Hoogbergen 1978:73). →. Opmerking 1: Onderscheiden worden, behalve dulhouwer*, geelhechte houwer (De Surinaamsche Courant 1824 nr. 27 - 1871, nr. 129) en withechte houwer (Surinaamsch Weekblad nr. 24). Het is niet duidelijk of dit verschil in kleur van de hechten, ‘heften’, met andere verschillen samengaan. Opmerking 2: Bijlsma (1923:57) vermeldt van 1735 een houwertje. Ø /N’/pt/1-6/-. huis. Het is opvallend, dat in het merendeel van de samenstellingen met huis als tweede lid de hele samenstelling van oorsprong Engels is of zou kunnen zijn. Dit is het geval bij dramhuis*, (dram)stijlhuis*,

91

huisneger

dreshuis*, jaashuis*, kookhuis*, koornhuis*, negerhuis*, stijlhuis*, stoorhuis*, suikerhuis*, suikerwerkhuis*, trashuis* en vogelhuis*, maar niet bij breekhuis*, creolenhuis*, gouvernementshuis*, kaaihuis*, meshuis* en pleisterhuis*, pienenhuisje*, schuimhuis* en ziekenhuis*. huishoudster (-s), eufemisme voor zwarte of gemengdbloedige slavin of vrije vrouw, als concubine, eventueel tevens huishoudster, van een blanke man. < Europees-Nederlands huishoudster, een vrouw die in loondienst een huishouden bestuurt. Zie ook: maatje*, op zijn Surinaamsch leven*. 1819 (Lammens 161) - 1874 (Klinkers 1997:177). 1881 (Kappler 1883:29). Opmerking: Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië (wnt). Ø /N’/ bc/3-5/-. huismeid, negerslavin (meid*) als huisbediende. Ook in Nederland eertijds gebruikelijk voor vrouwelijke huisbediende. 1739 (Beeldsnijder 1994:309). - 1863 (Ehrhardt 2000:212). Zie ook: huisneger*. Ø /N-N’/bc/2-4/-. huismier, faraomier, een zeer klein, rood miertje dat veel in huizen voorkomt (Monomorium pharaonis) 1835 (Teenstra 2:477). 1855 (Focke 81, ook voor andere kleine soorten). Zie ook: suikermier*. Ø /N-N/d/4/-. huismusje, huiswinterkoninkje (Troglodytes aedon albicans); heden in Sranantongo en Surinaams-Nederlands gadofowroe*, zie verder aldaar voor andere namen. Het leeft en nestelt graag nabij, op of in een huis, net als de huismus (Passer domesticus) in Nederland. 1740 (Anonymus 23). Ø /N’/d/2/-. huisneger, negerslaaf (neger*) als huisknecht. 1866 (Van Schaick 183).

92

huisvogeltje

Oudste vindplaats in Westelijk Guyana: 1763 Hartsinck 1770:382), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: jongen*, (voete)booi*, huismeid*. Ø /(N-Am)?W?/bc/4/W./. huisvogeltje, als huismusje*. 1771 (Nepveu 336). Ø /N-N/d/2/-. huwelijk: Surinaamsch huwelijk, concubinaat van blanke man met zwarte of gemengdbloedige huishoudster*. 1874 (Klinkers 1997:177). → (concubinaat in het algemeen). Ø /N+N/r/4/-.

i igname (-s), jam, een uit Afrika ingevoerde en gekweekte klimplant (Dioscorea alata) en de eetbare knollen van deze. Zie jammes*. Het lijkt waarschijnlijk, dat ook de volgende vormen van de naam hier thuishoren: ayaemes, ayames, ayamens, alle meervoud (1669, Schiltkamp & De Smidt 55). Tropisch Amerikaans element, sub 1. 1763 (Pistorius 39). - 1770 (Hartsinck 60). Oudste vindplaats in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:36, inhames, meervoud). Ø /Am/cp/2/O./. igne-pipe, enige boomsoorten van het genus Couratari en hun hout. < Sranantongo ingipipa (Focke 1855:45), ‘indianenpijp’. Twee mogelijke verklaringen: 1) Indianen vervaardigen een zeer lange en dikke sigaret door een stuk bast van zo’n boom daartoe te bewerken en op te rollen, als beschreven door Ostenorf (1962:107). 2) Teenstra (1835, 1:363): “Hiengé-pipa draagt (...) eene vrucht als eene Goudsche pijpenkop, zijnde witachtig graauw van kleur, echter tot niets nut.” 1740 (Anonymus 15). - 1858 (Van Sypesteyn 139, als Sranantongo, ingi-pipa).

ijzervarken

→ (ingipipa, als Sranantongo). Ø /S/wp/26/-. ijzerhard, ijzerhart, een boomsoort (Bocoa prouacensis) en het zeer harde hout van deze. Europees-Nederlands ijzerhard (bn.) betekent ‘zo hard als ijzer’. Voor de latere schrijfwijze met -t (vanaf Teenstra 1835 1:402 of eerder): zie hart*. 1740 (Anonymus 15). 1855 (Van Sypesteyn 184). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 571, met verkeerde wetenschappelijke naam). → (ijzerhart). Zie ook: basterdijzerhart*. Ø /X/wp/2-6/-. ijzerhartboom, als ijzerhart* (de boom). 1835 (Teenstra 1:402). Opmerking: Teenstra (zie boven) onderscheidt twee niet nader geïdentificeerde ‘soorten’: “man en wijve of oeman ijzerhartboom”. Ø /X-N/wp/4/-. ijzerhout, als ijzerhard*. Het wnt vermeldt de naam sedert 1652 voor een aantal andere tropische boom­ soorten met zeer hard hout, zo ook het oed sedert 1657 voor Engels iron-wood, met de toevoeging ‘plaatselijk soortgebonden’. 1718 (Herlein 227). - 1768-1780 (Quandt 1807:170, Eisenholz, verduitsing van het Surinaams-Nederlandse woord). Oudste vindplaats voor deze soort in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:75), mogelijk afkomstig van daar. Ø /X/wp/13/W./. ijzerkruid (het), struikachtig onkruid (Stachytarpheta jamaicensis). < Europees-Nederlands ijzerkruid, enige verwante planten in Europa. 1769 (Fermin 1:232). 1770 (Hartsinck 87). 1913 (J. Spalburg 29). →. Ø /N’/wp/2-6/-. ijzervarken (het), (gewoon) grijpstaart­ stekelvarken of boomstekelvarken (Coendou prehensilis). Europees-Nederlands ijzervarken was een naam voor de in Nederland inheemse

in

egel (Erinaceus europaeus). Van Riebeeck gebruikte deze naam ook al voor een stekelvarken van het genus Hystrix in de Kaapkolonie (1652/62, wnt). 1740 (Anonymus 21, eyzer varken). - 1770 (Hartsinck 91, yzervarken). Zie ook: djiendjamaka*, egel*, stekelvarken*. Oudste vindplaats in Brazilië (Marcgrave 1648:233). Ø /N’/d/2/B./. in: zie kreek* (2), rivier*; grond* (I, 1). Indiaansch: Indiaansche calabas, zie bokscalabas*. - : Indiaansch dak, dak van duurzaam palmblad. De huizen en hutten van indianen hebben zo’n dak. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 39). Ø /N+N-/ic+bc/1/-. - : Indiaansche jasmijnboom: zie jasmijnboom*. - : Indiaansch katoen, inheemse katoensoort (Gossypium peruvianum). Wordt verbouwd in dorpen van indianen. 1771 (Nepveu 199). 1835 (Teenstra 1:268). Zie ook: bokkenkatoen*, katoen* (1). Ø /N+N/cwp/2-4/-. - : Indiaansche peper: zie peper*. - : Indiaansche pot: zie Indiaansche waterpot*. - : Indiaansche ruilder: zie Indianen­ ruylder*. - : Indiaansche spiegels, spiegels om aan indianen te verkopen of bij hen te ruilen. Verondersteld kan worden dat ze een bepaalde afmeting en vorm hadden. 1745 (Schiltkamp & De Smidt 528). 1761 (Schiltkamp & De Smidt 708). Ø /N+N/r/2/-. - : Indiaansche waterpot (-ten), poreuze kruik voor het koel bewaren van drinkwater, vervaardigd door indianen; model en versiering als bij hen gebruikelijk; de tegenwoordige naam is watrakan (< Sranantongo).

93

ingenio

1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:158) - 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1839-1851 (Van der Aa 1993:16, Indiaansche pot). Zie ook: waterkan*. Ø /N+N/ic+bc/2/-. - : Indiaansch zwaard: zie zwaard*. Indianenruylder, Indiaansche ruylder, ruil(d)er, handelaar die zich toelegt op ruilhandel, in dit geval met Indianen; kan een posthouder* zijn. 1696 (Dragtenstein 56). 1771 (Nepveu 301). Opmerking 1: Bij Hartsinck (1770:580) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Opmerking 2: In dezelfde periode ook kortweg ruylder genoemd. Ø /N-N/bc/12/W./ Indianin (de, -nen), indiaanse vrouw. 1680 (Van der Doe e.a. 1992:18). - 1781 (McLead 1993:99). Zie ook: bok* (2). Ø /N’/ic/1-3/-. ingenie (-n), suikerfabriek op een plantage*. Zie ingenio*. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 38). Eerder in het voormalige Nederlands Oost-Indië (1600, wnt, Aanvang p. 4091). Ø /Port./pt/1/-. ingenio (-s), suikermolen, suikerfabriek. Van Lier (1977:19) stelt, met verwijzing naar de vertaling van Warren (1667) uit 1669 en naar Herlein (1718), dat “de processen van suikerbereiding en de naam van de fabriek” - op p. 18 al genoemd, ingenio - aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw door Nederlanders met Portugese namen werden aangeduid. Voor Suriname is dit niet juist. Op Barbados noemden de Engelsen de fabriek inderdaad ingenio (Ligon 1657;1673:55), maar Warren (1667:17) geeft voor Suriname sugar-works. De vertaler (1669:15) heeft dit vertaald met “Zuycker wercken ofte Ingenios”. Wellicht baseerde deze zich op de literatuur over Brazilië: zuycker-­

inginoot

Ingenios bij De Laet (1625:417) en Ingenios bij Carpentier (1635, in De Laet 1644:447). Bij Herlein komt het woord niet voor. Zie echter het eenmalige voorkomen van ingenien*. inginoot(e), cashewnoot, van de caschouboom*; heden Surinaams-Nederlands kasjoe. < Sranantongo ingi, dat is ‘indiaans’ + Europees-Nederlands noot, of Sranantongo inginoto (Stedman 1796:211). 1769 (Fermin 1:171, inginoote); in de vertaling van 1770 (1:157) inginoot). Opmerking: Bij Focke (1855:91) en latere schrijvers verstaat men onder Sranantongo inginoto de bokkenoot* of sawarinoot*. Ø /(S-N)?S?/wp/2/-. ingipipa: zie igne-pipe*. ingisopo (de), mauritiushennep (Furcraea foetida). < Sranantongo ingisopo (Schumann 1783:161), betekent ‘indiaanse zeep’. Het sap uit het blad wordt door bewoners van het binnenland als zeep gebruikt. 1835 (Teenstra 2:269, ingoosopo). 1872 (Anonymus 35). →. Zie ook: aloë*, waterpinan*. Ø /S/wp/46/-. ingi-tayer (-s), zoete aardappel of bataat, heden patat (zie patatte*). < Sranantongo ingi, ‘indiaans’ + tayer*. 1835 (Teenstra 2:283, inje-taijer). Ø /SBraz./cp/4/-. inhame: zie igname*. inkt: rode inkt (de), bes waaruit een rode inkt gewonnen werd, afkomstig van de plant die thans in Sranantongo en Surinaams-Nederlands bekend is al gogo­mango (< Sranantongo, Phytolacca rivinoïdes). 1835 (Teenstra 2:269). Opmerking: Sranantongo redi inki, ‘rode inkt’ (Basella rubra) heeft vlezige kelken die ook een als inkt gebruikt rood vocht

94

jaas

bevatten (Focke 1855:48). Ø /N’/wp/4/-. inneemketel, bij een serie van kookpannen (suikerketels*) voor de bereiding van suiker de grootste, dienende om als eerste het dan nog onbewerkte suikerrietsap op te nemen. 1835 (Teenstra 1:224). Zie ook: kap*, likaketel* en melassie­ ketel*, test*. Ø /N-N/pt/4/-. inneemsluis, (waterinneemsluis, de), sluis waardoor rivierwater op een plantage* wordt ingelaten ten behoeve van de vaarwegen en aandrijving van de watermolen. 1786 (Blom 56). 1787 (Blom 62, waterinneemsluis). - 1835 (Teenstra 1:170). →. Ø /N-N/pt/3-6/-. inneemtrens, watergang (trens*) waardoor via de inneemsluis* rivierwater op een plantage* wordt ingenomen. Kon aanvankelijk tevens dienst doen als molentrens*. 1835 (Teenstra 1:172). →. Ø /N-(E?W?)/ pt/4-6/-. iracobi, boomsoorten van het genus Siparuna, tegenwoordig jarakopi (< Sranantongo) geheten. < Karaïbisch irakopi (Klooster 2003:202). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 17). Ø /K/wp/1/-.

j jaagneger: zie jagerneger*. jaas, jas (de), jaws, yaws, 1. framboesia; 2. een leishmaniasis die in hedendaags Surinaams-Nederlands bosyaws genoemd wordt (Van Lier 1972:476). < Engels yaws, ook yaaz (oed, sedert 1679); jawes bij Warren (1667:4); mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). Deze twee ziektes hebben in hun uiter-

jaas

lijke symptomen veel gemeen: zweren, builen en puisten op de huid. Ze werden bestreden met jawspoeders (1850; Oostindie 1989:146). De eerstgenoemde wordt veroorzaakt door een bacterie (Treponema pertenue); besmetting heeft plaats van de ene op de andere persoon door rechtstreeks lichamelijk contact. Bij de tweede is de ziekteverwekker een flagellaat (Leishmania brasiliensis), die wordt overgebracht door een jaasvlieg*. De oorspronkelijke betekenis van de naam is eerstgenoemde. De tweede genoemde ziekte werd in Suriname pas onderkend in de jaren ’20 van de 20e eeuw. Voordien werden de twee ziektes over een kam geschoren. 1: 1728 (Schiltkamp & De Smidt 395, d’jaas). 1855 (Focke 49). → (jaws, yaws). Zie ook: krabbejaas*, Guinesche pokken*, najaas*. Ø /E?W?/z/2-6/-. 2: 1770 (Hartsinck 32). 1835 (Teenstra 1:365). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 723). Zie ook: negerjaas*. Ø /E?W?/z/2-5/-. 1 of 2: 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:108, djaas, diaas). 1771 (C. Dahlberg, onder nr. 28, jass). 1832 (Teenstra 1842:256, jawsziekte), 1854 (Landré 1955:39, yaws). Ook in Westelijk Guyana betekenis 1of 2 of beide (Groen 1792, 2:9, jas), mogelijk afkomstig van daar. Ø /E?W?/z/2/W./. jaas(-): zie ook jas(-)*. jaasbonken, peesknopen als overblijfselen na framboesia (jaas*, 1). Vergelijk jasie [< Sranantongo] bonken (1762, Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1786 (Blom 397). Opmerking: Nepveu (1771:146) noemt ze “bonken van jaas”. Zie ook: mamma-yaws*, najaas*. Ø /(E?W?)-N/z/3/-. jaashok, als jaashuis*.

95

jagtzak

1735 (Van Stipriaan 1993:365). Ø /(E?W?)N/z/2/-. jaashuis, op een plantage* het onderkomen voor slaven die lijden aan jaas* (1 en 2) en wellicht ook andere besmettelijke ziektes. Vergelijk Engels yaw(s)-house (oed; Cassidy & Le Page 1980, citaat 1811); zie ook huis*. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161). - 1783 (Roos 44). Ø /E/z/2-3/-. jaasvlieg, jasvlieg (-en), -je, een zandvliegje (Lutzomyia-soort) dat jaas* (2) overbrengt. Vergelijk ook Sranantongo jasifré (Focke 1855:49) met dezelfde betekenis. 1740 (Anonymus 25). - 1855 (Focke 49, jasvliegje). 1881 (Kappler 1883:85, yawsvlieg). Ø /(E?W?)-N/d/2-5/-. Jacob Evertsen (of Everts), als grauwe munnik* (een soort vis), in dit geval Epinephelus itajara. In het begin van de 17e eeuw werd een zaagbaars uit oostelijke zeeën (Serranus variolosus) door zeelieden genoemd naar de admiraal van die naam vanwege diens taankleurige, gevlekte huid (Veth 1889:154; Sanders 1991:87). De naam raakte vervolgens verspreid over andere zaagbaarzen met spikkels, vlekken of zelfs strepen (zie wnt 7, 1:108). 1693 (Reeps 21). Ook in Brazilië (Marcgrave 1648:169), en afkomstig van daar. Ø /Braz./d/1/B./. jager: Korps Zwarte Jagers, militaire eenheid van vrije negers, onder deze naam bestaande van 1772 tot 1818, vervolgens onder andere namen tot 1872. Zie ook: Corps Koloniale Guides*, Compagnie K. G.*, Redi Moesoe*, ’s Lands Vrijkorps*. Ø /N+N/o/2-3/-. jagerneger, jaagneger, negerslaaf (neger*) aangesteld als jager. 1840 (Winkels I:24). 1866 (Van Schaick 129). Ø /N-Am/pp/4/-. jagtzak, weitas. Omhangtas, in gebruik in

jakje

het binnenland, onder meer om benodigdheden bij de jacht in mee te nemen. 1766 (Hoogbergen 1985:123) - 1798 (Weygandt 128). Ø /N-N/bc/2-3/-. jakje (de), ja(k)kie (de), 1. een draadmeerval (soort vis; Rhamdia quelen); 2. de uitzonderlijk grote larf (‘kikkervisje’) van de paradoxale kikker of Surinaamse staartvors (Pseudis paradoxa). < Karaïbisch yaki (Ahlbrinck 1931:540) in betekenis 1. Courtz (2005) noemt het woord in geen van de twee betekenissen voor het Karaïbisch. De twee wezens lijken sterk op elkaar en zijn vaak verward. Overgenomen in het Sranantongo (djaki) kreeg het beide betekenissen (zie Focke 1855:23), ook in het SurinaamsNederlands, eventueel onderscheiden als vetjakkie* (1) en toddejackie* (2). De Encyclopedie van Suriname (156 en 308) onderscheidt djaki (1) en jackie (2). Opmerking: Het citaat uit Teenstra in Van Donselaar (1989) is verwarrend en niet meer ter zake doende. 1 a (jakje): 1718 (Herlein 199).- 1771 (Nepveu 349). 1 b (jakkie): 1769 (Fermin 2:244). 1796 (Stedman 71; jackee, Engelse spelling).→ (ook djakie, onder invloed van Sranantongo). Ø /K/d/1-6/. 2 a (jakje): 1705 (Merian 71). - 1771 (Nepveu 349). 2 b (jakkie): 1769 (Fermin 2:244). → (ook djakie, < Sranantongo). Ø /S/d/1-6/-. jammes, james, jams (de), jammen (meervoud) jam, een uit Afrika ingevoerde en gekweekte klimplant (Dioscorea alata) en de eetbare knollen van deze. Tropisch Amerikaans element, sub 1. Zie ook igname*. 1685 (Schiltkamp & De Smidt 155). 1693 (Reeps 21, jamas). 1694 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 518, jammen, mv.) - 1786 (Blom 381, jam’s).

96

jasmijnboom

1789 (Hoogbergen 1984:59, jamjes). 1857 (Hoogbergen 1978:6, yames). → (jams). Opmerking: Anonymus (1740:15) met jammesie < Sranantongo (zie boven). Ook in Oostelijk Guyana (Reeps 1793:9, 10) en in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:71). Zie ook: boksjams*. Ø /Am/cp/1-6/ O./W./. jammesvis (de), een soort vis (Schizodon fasciatus), behorende tot de kopstaanders. < Sranantongo njamsifisi (Focke 1855:89, njammisi-fisi). 1740 (Anonymus 24). - 1835 (Teenstra 2:450). → (njamsifisi, als Sranantongo). Opmerking: Het hoeft niet zo te zijn dat Focke (1855), hoewel de rangschikking van het Sranantongo bij hem suggereert dat hij het opvat als een samenstelling van njammisi (zie jammes*), dat ook bedoelde. Zie ook: makamaka*. Ø /S/d/2-4/-. jams: zie jammes*. jas: zie jaas*. jashout, de boomsoort Jacaranda copaia of Jacaranda obtusifolia (subspecies rhombifolia) of beide. Er werd volgens Teenstra (zie beneden) nu nog? - een medicijn uit gewonnen tegen jaas* (2). Zie voor bijzonderheden dienaangaande e.a. ook onder basterdgoebaij*. 1835 (Teenstra 1:365). Opmerking: Het is niet de soort die heden in Sranantongo yasi-udu heet (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1995:252). Ø /(E?W?-N/wp/4/-. jasmijnboom: Indiaansche jasmijnboom, ingevoerd en gekweekt sierboompje (Plumeria rubra). Europees-Nederlands jasmijnboom heeft primair betrekking op heesters van het genus Jasminum. De naam is, wel of niet met een onderscheidend bijvoeglijk naamwoord, vervolgens gegeven aan allerlei andere heesters.

jaswater

1705 (Merian 8). Zie ook: frangipane*. Ø /N+N/cp/1/-. jaswater, water in gewrichten en slijmvliezen als gevolg van framboesia (jaas*, 1). 1855 (Focke 49). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 305). Zie ook: krabbejas*. Ø /(E?W?)N/z/4-5/-. jawari, gewone opossum, een buidelrat (Didelphys marsupialis). < Arowaks jawarè (Staffeleu 1975:9) of afkomstig uit Westelijk Guyana. 1740 (Anonymus 21, jauwari). Bij Hartsinck (1770:89) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: awari* (I), beursrot*, boschrat* (1), zakrot*. Ø /Ar?W?/d/2/W./. jaws(-): zie jaas(-)*. jocataijapeper, poeder van tuinpeper*. Herkomst van het woord niet geïdentificeerd. 1835 (Teenstra 2:265). Ø /X-N/cp/4/-. jodenkars, zekere wilde nachtschade (Solanum americanum) waarvan de bladeren als groente gegeten worden. Kars ‘kers’ heeft betrekking op de ronde vruchten, verder is de naam niet te verklaren. 1740 (Anonymus 16). Zie ook: agoema*. Ø /N-N’/wp/2/-. jodenkruid, niet geïdentificeerde kruidachtige plant. De beschrijving bij Hartsinck vertoont geen gelijkenis met die van enige plantensoort die in Europees-Nederlands van verleden of heden dezelfde naam droeg of draagt. Bij Hartsinck (1770:88) voor Suriname of Westelijk Guyana of beide. Ø /(N-N)?W?/ wp/2/W./. Joekaas: zie Joukaene*. johannes: zekere munt; zie onder gulden*. jongen (-s), neger* als huisknecht. < Europees-Nederlands jongen (zie wnt) of < booi* < Engels boy. 1768 (Van Dyk 47). 1835 (Friderici 53).

97

Joukaene

Opmerking: Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië (wnt). Zie ook: huisneger*, (voete)booi*. Ø /N’?S?E?/bc/2-4/-. jongvloed, net opkomende vloed. 1818 (Lammens 151). - 1855 (Focke 36). →. Ø /N-N/m/3-6/-. joosje (-s), naam voor strandlopers (vogels, voornamelijk Calidris-soorten). < Sranantongo josijosi (Focke 1855:51); het betekent in hedendaags Sranantongo ook kleintje (Woordenlijst SranantongoNederlands-Engels 1995:96). 1771 (Nepveu 333). Opmerking: Penard & Penard (1908:237) gebruiken (weer?) josie-josie. Ø /S/d/2/-. jorka (de, -s), geest van overledene die zich manifesteren kan volgens de religieuze overtuiging van indianen en negers. < Sranantongo jorka (Schumann 1783:75) < Karaïbisch joarakan (Focke 1858a:311). 1775 (Sneebeling 1973:20, 21). 1819 (Lammens 162). 1905 (Van Stockum 67). →. Ø /(K)S/ic/2-6/-. jorojoro, 1. soort boompje (Thevetia peruviana); 2. snoer met gespleten vruchten van 1, slaven dienend als rammelaar bij hun dansen. < Sranantongo jorojoro (Sack 1910:54), een klanknabootsing (zie betekenis 2). 1: 1835 (Teenstra 1:365, jurrie-jurrie). 1910 (Sack 54). →. Ø /S/wp/4-6/-. 2: 1834 (Teenstra 1842:122, jurrie-jurrie). - 1846 (Lammens, 1982:180, jolo-jolo). Focke 1858b:94. →. Ø /S/sc/4-6/-. Joukaene (mv.), Aukaners*. Genoemd naar de kreek* die thans Djoekakreek heet, een zijstroompje van de Marowijne, waarlangs de stam woonde ten tijde van het vredesverdrag met het koloniale bestuur in 1760. 1762 (Schiltkamp & De Smidt 750). → ? (Djoeka). Opmerking 1: In 1762 ‘Joekaase opper-

98

juffer

hoofden’ (Dragtenstein 2002:224). Opmerking 2: Al voor 1914 kreeg Djoeka ook de ruimere betekenis van ‘boschneger’ in het algemeen. Ø /N”/r/2-(7)/-. juffer, juffrouw: zie Spaans*. jurator (-(e)s), soort notaris met ruime taak. < Latijn jurator, betekent: ‘gezworene’. 1676 (Schiltkamp & De Smidt 80). 1684 (Schiltkamp & De Smidt 139, juratoor, jurateur). - 1754 (Schiltkamp & De Smidt 616). Zie ook: gezworen klerk*. Ø /Latijn/bs/12/-. jurrie-jurrie: zie jorojoro*

k k, ca, co, cu; zie ook onder q kaaihuis, hut voor een menstruerende boschnegerin* om zich in terug te trekken en aldus contact te voorkomen met mannen, van welke de kracht van hun obia’s* anders zou verminderen. Herkomst van het woord niet achterhaald. 1854 (Kappler 1983:136). Ø /X-N/r/4/-. kaalstaart, een soort buidelrat (Philander opossum). De achterste helft van de staart is onbehaard. 1763 (Pistorius 58) - ? Opmerking: Staffeleu (1975:8) geeft de naam, in navolging van Husson (1973:6), aan dit dier, maar hij wordt in Suriname nu niet (meer) gebruikt. In Grzimek (10:61) kaalstaartbuidelrat voor de verwante en in Suriname zeldzame Metachirus nudicaudatus. Ø /N-N/d/2-?/-. kaan(‑), kaen(-), kain(-), caan(-), cain(-); keen(-); kien(-), (alle spellingen, ook in de samenstellingen) suikerriet (Saccharum officinarum). < Engels cane.

kaan

Schrijfwijzen met k- vanaf 1687, met c1687-1763. Schrijfwijzen met -a- 1687-1770, met -ee1733-1835. De schrijfwijze met -ie- heeft mogelijk onder invloed gestaan van de uitspraak in Sranan, die wellicht neigde naar een korte i - zie Focke (1855:56), die als alternatieve Sranantongo-spelling kin geeft. kaan (het), suikerriet. 1687 (Schiltkamp & De Smidt 176). - 1788 (Roos 1804:36) Zie ook: riet*, crioole* keen*. Ø /E/cp/13/-. Bij de hieronder volgende samenstellingen heeft het deel kaan alle mogelijke spelvarianten. Zie ook rietkaan*. kaandras(-): zie kaantras(-)*. kaangrond, bij een suikerplantage het met suikerriet beplante deel (zie ook grond* I, 2). Zie ook: rietgrond* of suikergrond*, rietland* of suikerland* 1699 (Schiltkamp & De Smidt 236). 1735 (Bijlsma 1923:54). Ø /E-E/pt/1-2/-. kaanpijl, tophalm van suikerrietstengel waaraan de bloei-aar (ros; zie ook pijl*), in het bijzonder indien gebruikt als stek. 1835 (Teenstra 1:194-5). Zie ook: (riet)top*. Ø /E-X/cp/4/-. kaanpont, pont* voor het vervoer van geoogst suikerriet. 1786 (Blom 49). - 1835 (Teenstra 1:209). Zie ook: rietpont*. Ø /E-(N’?W?)/pt/3-4/. kaansap, sap uit suikerriet. 1785 (Roos 1804:207). Ø /E-N/cp/3/-. kaanstok, suikerstok, suikerrietstengel (wnt 16:504, 505). 1730 (Hartsinck 1770:758). 1788 (Roos 1804:41). Zie ook: (riet)stok*, riet* (opmerking). Ø /E-N/cp/2-3/-. kaanstoker, slaaf die in het kookhuis* het vuur onderhoudt. Als brandstof werd uitgeperste en ge-

kaart

droogde keen* (keentras*, tras*, 1) gebruikt. 1762, 1764 (Oostindie 1989:110, 105). Ø /E-N/pp/2/-. kaantras, als tras* (1). 1708 (Valkenburg, kaanberg). - 1800 (Oostindie 1989:461, kien tras). Ook het Engels kent cane-trash, maar in de betekenis tras* (2, zie oed). Ø /E/pt/13/-. kaantrasloods, loods voor de opslag van keentras*. Zie ook trasloods*. 1733 (Oostindie 1989:54) - 1827 (Oost­ indie 1989:54). Ø /E-N/pt/2-4/-. kaart I., een touwtje, grasspriet of iets dergelijks met evenveel knopen als er dagen resten tot een beraamde actie of een te voorziene gebeurtenis. Men brak er iedere dag een stukje met een knoop af. Quandt (1807:254) noemt het een Knoten-Kalender (Duits). Van iets dergelijks moet ook sprake zijn geweest in 1759 (Hartsinck 1770:793): “Koorden met Knoopen”. Roth (1922; 1948:24) vertaalt het woord als bij Van Berkel (zie beneden) in het Engels met cord. 1678 (Van der Doe e.a. 1992:12, carte, caerte; ibid. 13, caertje). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:22, 50; kaart), mogelijk afkomstig van daar. Ø /W?/ic/1/W./. kaart II. (-en), stuk ‘papier-geld’ gemaakt van een speelkaart (dus van dun karton). Zie kaartengeld*. Opmerking: Behalve rechthoekige waren er ook ronde en achthoekige kaarten (Schiltkamp & De Smidt 1378, 1379); zie verder De Jong (1980:84). 1764 en volgende. (Schiltkamp & De Smidt 1350 en volgende). - 1827 (Encyclopedie van Suriname 211). Zie ook: guldenskaart*, schelling(s)kaart*. Ø /N’/bs/2-4/-. kaarte(n)geld (het), ‘papiergeld’ gemaakt

99

cabbes

van speelkaarten. Dit geld werd door de overheid als wettig betaalmiddel in omloop gebracht van 1761 tot 1827 (Encyclopedie van Suriname 211). 1761 (Schiltkamp & De Smidt 1349). 1827 (zie boven). Zie ook: koperen penning*, papegaaie­ penning*, suikergeld*. Ø/N’-N/bs/2-4/-. kaartenwarrande, warrande* (3) voorzien van een uitmetingskaart. 1786 (Blom 345). Ø /N-E/bs/3/-. kabaai(tje), bovenkledingstuk met mouwen (nadere gegevens ontbreken) voor mannen. In Europees-Nederlands met verschillende details (wnt), uit het voormalige Nederlands Oost-Indië, het woord is van MaleisPersische oorsprong. 1855 (Focke 52). 1866 (Van Schaick 73). Ø /X/bc/4/-. cabale: de cabale, groepering van tegenstrevers van mr. J.J. Mauricius, gouverneur* 1742-1751, door laatstgenoemde zelf zo aangeduid (Encyclopaedie van Neder­ landsch West-Indië 468). Deed zich ook gelden tijdens het tussenbestuur van gouverneur* ad interim W. Crommelin in 1753 (Wolbers 1861:241). Frans cabale betekent onder meer ‘partij van Europees-Nederlandse konkelaars, raddraaiers, intriganten. Het woord is in de geschiedschrijving over Suriname tot een eigennaam geworden. Ø /Fr./bc/2/-. cabalist, deelhebber aan de cabale*. Het woord komt in het wnt niet voor in een soortgelijke betekenis als de bovenstaande. 1861 (Wolbers 242, 247). Ø /Fr./bc/?/-. cabbes I., enige boomsoorten, voornamelijk behorende tot de Vlinderbloemenfamilie, en hun als timmerhout gebruikte hout. < Engels cabbage-tree (oed). Vergelijk ook Sranantongo kabbisi (Focke 1855:57). Er lijkt verband te zijn met cabbes* (II), gezien de betekenis van cabbage en bark

cabbes

100

en hun samenstellingen in het Engels van Jamaica (Cassidy & Le Page 1980:87). De bark ‘een grote bladschede’ van een cabbage tree (een cabbes*, II, 2) wordt daar gebruikt als mat. Cabbage-tree bark echter is daar de bast van de cabbage-bark tree (een cabbes, 1, in dit geval Andira inermis), waaruit een wormdrankje wordt bereid. 1689 (Schiltkamp & De Smidt 86). → (kabbes). Ø /E/wp/1-6/-. - : rode cabbes, de boomsoorten Andira coriacea, Andira inermis en Andira surinamensis en hun bruine tot steenrode (zie rood*) hout. 1802 (Blom 186). - Focke 1858c:22. →. Opmerking: Ook rode cabbes-hout (De Surinaamsche Courant 1804 nr. 48). Zie ook: wormbast*. Ø /N+E/wp/3-6/-. - : witte cabbes, een boomsoort, vermoedelijk Abarema jupunba, die tot de Mimosa­familie behoort. Het hout is wit. De gelijkenis met rode cabbes* lijkt slechts te bestaan in de grofheid van de vezels van het hout, zoals Muntslag (1979:137) vermeldt. 1802 (Blom 186). - 1855 (Van Sypesteyn 176). →. Ø /N+E/wp/3-6/-. - : zwarte cabbes, (de), een boomsoort (Diplotropis purpurea) en zijn hout. Het kernhout is donker bruin (zie zwart*). Vergelijk Engels black cabbage-tree (oed, Stedman 1796:310). 1787 (Blom 303). - Focke (1858c:22). →. Opmerking: Ook zwarte cabbes-hout (De Surinaamsche Courant 1804, nr. 27). Ø /N+E/wp/3-6/-. cabbes II., cabbis (de), 1. palmkool, dat is het eetbare merg van een cabbesboom*; 2. kort voor cabbesboom*. < Sranantongo cabbesi (C. Dahlberg 1771 nr. 65), kjabisi, kabbis (Focke 1855:57) of < Engels cabbage (Smith 1987:421), wellicht mede onder invloed van EuropeesNederlands kabuis, een soort kool.

cabouger

1: 1749 (De Beet & Price 44). - 1856 (Dragtenstein 163). → (kabbes). Opmerking: Bij Anonymus (1740:16) staat kabbis kool, zonder dat blijkt of het om de boom of de kool gaat. Ø /E?S?/wp/2-6/-. 2: 1755 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 296 fol. 178, kappes). - 1849 (Van Sypesteyn). Zie ook de Opmerking onder 1. Ø /E?S?/wp/2-4/-. cabbesboom, koolpalm, dat is iedere palmsoort die palmkool (cabbes*, II, 1) levert. 1763 (Pistorius 69, kabes-boom). 1772 (De Beet 133, cabus boom). Ø /(E?S?)-N/ wp/2/-. cabbesworm (-en), palmworm, dat is de larf van de palmsnuitkever (Rhynchophora palmarum). Het dier leeft in en voedt zich met cabbes* (II, 1). Zie worm*; vergelijk Engels cabbage-tree worm (oed). 1740 (Anonymus 26). - 1855 (Focke 57). → (kabbesworm). Zie ook: palmietworm*. Ø /(E?S?)N/d/2-6/-. cabeljau (de), een grote roofvis van het zoete water (Hoplias macrophthalmus); heet heden in Surinaams-Nederlands anjoemara (< Sranantongo). Behalve in de grootte is er geen bijzondere gelijkenis met de Europees-Nederlandse kabeljauw (Gadus morhua), een zeevis. 1718 (Herlein 199). - 1839 (Benoist 19). Zie ook: heymaar*, njoemara*. Opmerking: De naam komt ook voor bij Keye (1659:71, Brazilië) zonder nader gegeven en bij Hartsinck (1770:121, voor Suriname of Westelijk Guyana of beide; Americaansche kabeljauw) als synoniem van laulau* (zie aldaar). Ø /X/d/13/B./W./. cabouger (de, -s), cabougerin, carbouger­ (in), carboekkel, caboekkel, 1. persoon geboren uit een neger(in) en een mulat(tin), ook attributief; 2. zambo, dat is een

cabouger-haar

101

persoon geboren uit een neger(in) en een indiaan(se), ook attributief; 3. vertegenwoordiger van zekere negroïd gemengde indiaanse stam, gevestigd aan de Coppename en de Tibiti. Portugees caboclo < Tupi caá-boc, voor persoon geboren uit een blanke en een indiaan(se) (Van Veen & Van der Sijs 133). Vergelijk Sranantongo kabugru (Schumann 1783:77, Duitse spelling) voor betekenis 1 en 2. Vormen met en zonder -r- wisselen elkaar af. 1: 1749 (De Beet & Price 1982:67). - 1855 (Focke 52). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 114, karboeger). Ø /Port./r/2-5/-. 2: 1762 (De Beet & Price 131). - 1781 (McLeod 1993:99). Ø /Port./r/2-3/-. 3: 1711 (Dragtenstein 67). - 1839-51 (Van der Aa 1993:31). 1889 (Veth 104). Ø /Port./r/1-5/-. Zie ook: cabouger-neger*, mesties*, poesties*, casties*, testies*, blanke creool*. - : Indiaansche cabouger, als carbouger* (2). 1835 (Teenstra 2:152). 1855 (Focke 52). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 115, I. karboeger). Ø /NPort./r/4-5/-. cabouger-haar, hoofdhaar als van een cabouger*(1), dat is roodachtig. 1774 (De Beet 1984:164). Ø /Port.N/r/2/-. cabouger-indiaan, als cabouger* (3). 1836 (Hoogbergen 1978:11). 1854 (Van Sypesteyn 161). 1903 (Van Coll 463). Ø /Port.-N/r/4-5/-. cabouger-neger (de, -s), als cabouger* (1). 1774 (De Beet 1984:164). Ø /Port.Am/r/2/-. kabouterman (-nen), doodskop- of doodshoofdaapje (Saimiri sciurus). < cabooneman (Hartsinck 1770:96) < Arowaks kabuanama (Fanshawe 1949:64).

kaketoe

1718 (Herlein 173). 1763 (Pistorius 61). 1770 (Hartsinck 96, kaboutermannetje, voor Suriname of Westelijk Guyana of beide). Opmerking: Het lijkt waarschijnlijk, dat de eerste twee vindplaatsen en wellicht ook de derde alle teruggaan op het voorkomen bij Van Berkel (1695:81) voor Westelijk Guyana. Zie ook: doodshoofdje*, marmazet*, monkie(monkie)*. Ø /W?/d/1-2/W./. kabriet, kabrit (-ten), grauw spieshert (Mazama gouazoubira nemorivaga), heden in Surinaams-Nederlands genaamd klein boshert. < Europees-Nederlands kabriet (geit, Capra hircus; wnt). 1718 (Herlein 170, kabritje). - 1770 (Hartsinck 230). Zie ook: boschgeit*, ree*. Ø /N’/d/1-2/-. cacaoboom: wilde cacaoboom, een boomsoort (Pachira aquatica). De vrucht lijkt op een cacaokolf. 1770 (Hartsinck 53). Opmerking: Vermoedelijk bedoelde ook Nepveu (1771:190) met “wilde Caracus” en “Carakus boomen” (zie Carakische cacao*) deze soort. Zie ook: boschcacao*. Ø /N-N’/wp/2/-. cacaogrond: zie grond* (I, 2). cacaostuk: zie stuk*. cachou(-): zie caschou(-)*. kaen(-), kain(-): zie kaan(-)*. cajou(s): zie caschou*. kakavis, niet nader geïdentificeerde soort meerval (vis), volgens Fermin (zie beneden) geelbagger*. < Sranantongo kaka vischi (Fermin 1765:68), kakafisi (Focke 1855:53). Zie ook: bottervisch*. 1771 (Nepveu 348). 1835 (Teenstra 2:448; daar ook bottervisch*). Ø /S/d/2-4/-. kaketoe (-s), kraagpapegaai (Deroptyus accipitrinus), heden in Surinaams-Neder-

kakkerlak

102

lands genoemd fransmadam. < Europees-Nederlands kaketoe, kakatoe, naam voor enige soorten papegaaien behorende tot de Cacatuinae uit Zuidoost-Azië en Australië (sedert 1662, < Maleis kakatua, Van Veen & Van der Sijs). Evenals deze kan de kraagpapegaai zijn kraag opzetten. 1796 (Stedman 238, cocatoo, Engelse vorm). 1835 (Teenstra 2:425). →. Oudste vindplaats in Oostelijk Guyana (Van der Woude 1677; Lichtveld & Voorhoeve 51). Ø /N’/d/3-6/O./. kakkerlak, (ook:) albino-neger. Wellicht erop berustend dat een albino het zonlicht schuwt, net als een kakkerlak 1845-1849 (Boekhoudt 1874:90). Opmerking: Ook en eerder (1714) in het voormalige Nederlands Oost-Indië (wnt 6, 1:906), wellicht van daar afkomstig. Zie ook: blafard*. Ø /N’/r/3/-. kakkerlakkengat, kakkerlakkenhol, bijnaam voor het voormalige kruitmagazijn van het fort Zeelandia, in gebruik als gevangeniscel (Attema 1981:46), vol ongedierte (Teenstra, zie beneden). De naam kan berusten op het laatste of op de gelijkenis met een donker gat waarin een kakkerlak zich overdag ophoudt. 1835 (Teenstra 2:124, kakkerlakkengat). 1866 (Van Schaick 95, kakkerlakkenhol). Ø /N-N/bc/4/-. calabas I., callebas, calbas (de, -sen), 1. vrucht van de calabasboom*, wellicht soms de fleskalebas (zie calabas* II); 2. als 1, gedroogd, uitgehold en voorzien van een gat, dienende als kan en kruik; 3. de helft van 2 (niet van calabas* II), dienende als schaal, kom, drinknap en dergelijke; 4. kort voor calabasboom*. Schrijfwijze met k- (in Suriname): 1718 (Herlein 149), 1770 (Fermin 1:175) en vanaf 1828 (Kuhn 66); heden kalebas, ook in de samenstellingen.

calabasboom

Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1: 1718 (Herlein 127). - 1855 (Focke 64). →. Zie ook: calabasvrucht*. Ook in Brazilië (1659 Keye 46) en Westelijk Guyana (Anonymus 1763:6). Ø /Am/ cp/1-6/B./W./. 2: 1718 (Herlein 127). - 1796 (Brouwn 1984:71). → (ook bij vrije mensen). Zie ook: godde*, maraka*. Ook in Brazilië (Keye 1659:46). Ø /Am/ sc/1-6/B./. 3: 1740 (Anonymus 93). - 1866 (Van Schaick 122). →. Zie ook: kalabas-schaal*, coui*. Ook in Brazilië (Keye 1659:46), in Oostelijk Guyana (Reeps 1692:8) en in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:11). /Am/sc/2-6/B./O./W./. 4: 1770 (Fermin 1:175). 1913 (J. Spalburg 75). →. Zie ook: boschkalebas*. Ø /Am/cp/2-6/-. calabas II., als Europees-Nederlands woord (heden kalebas, ook in de samenstellingen) met equivalenten in onder meer Spaans, Portugees, Engels en Frans, betreft de fleskalebas, dat is de vrucht van Lagenaria siceraria, een over de grond slingerende plant. Deze vrucht heeft van oudsher in Suriname soortgelijke toepassingen als de Surinaams-Nederlandse calabas* (I, zie 1 en 2). Indianen (en boschnegers*) kweken de soort om van de vruchten kruiken te maken, vandaar ook de naam Indiaansche calabas of bokscalabas* voor Suriname, Westelijk Guyana of beide (Hartsinck 1770:54). Zie verder: eiercalabas*, kopcalabas* en kruithoorncalabas(je)*, calabasje*, corre* en wilde fles*. calabasboom, aangeplante boomsoort (Crescentia cujete) die calabassen* (I, 1) levert. 1689 (Hermann fol. 44). - 1858 (Copijn 8). →.

calabasje

103

Zie ook: calabas* (I, 4). Wellicht ook in Westelijk Guyana (zie Hartsinck 1770:54). Opmerking: De identiteit van de man kalebasboom bij Teenstra (1835, 1:366) is niet duidelijk. Ø /Am-N/cp/1-6/W./. calabasje, kruithoorn gemaakt van een kruithoorncalabas* (zie aldaar). 1757 (Schiltkamp & De Smidt 643 (calbassie). - 1790 (Hoogbergen 1984:90). Ø /N’/bc/2-3/-. kalabasschaal (-en), als calabas* (I, 3). 1828 (Kuhn 66). 1854 (Kappler 1983:21). Zie ook: coui* Ø /Am-N/sc/4/-. calabassenstroop, siroop bereid uit het sap van de calabas* (I, 1). 1835 (Friderici 51). → (kalebasstroop). Ø /Am-N/bc/4-6/-. calabasvrucht, als calabas* (I, 1). 1770 (Hartsinck 20). 2000 (Nederlands in Suriname 5, 2:5). Ø /Am-N/cp/2-6/-. calapé, calpé, kalpee, soepschildpad, een soort zeeschildpad (Chelonia mydas). < Vermoedelijk een indiaans woord van het Caribisch gebied (Cassidy & Le Page 1980:90). Al eerder in Spaans, Portugees en Engels in de betekenis van buikvlees van dit dier of een ragout daarvan. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1740 (Anonymus 24, calbé). 1771 (Nepveu 327). - 1881 (Kappler 1883:235). 1900 (Penard 2:65, krapé). → (krape). Zie ook: groene schildpad*. Ø /Am/d/26/-. calbas(-): zie calabas*. calbé: zie calapé*. caleloe, calaloe, karaloe, kraloe, Surinaamse amarant, wilde plantensoorten, voornamelijk van het genus Amaranthus, als bladgroente gegeten. Het woord komt al heel vroeg in Spaans, Portugees en Engels van tropisch Amerika voor; de herkomst is indiaans (Cassidy &

kamawari

Le Page 1980:89) of Afrikaans (Allsopp 1996:130). Tropisch Amerikaans element, sub 1 of 2. 1693 (Reeps 21, calleloe). - 1787 (Blom 247, karaloe). 1835 (Teenstra 2:275, kraloe). 1872 (Anonymus 66, klaroen). → (kraroen, klaroen; ten dele ook gekweekt). Zie ook: diakraloe* en zeekraloe*. Ø /Am/ wp/1-6/-. - : fijne kraloe, de kleinste soort kraloe* (Amaranthus blitum). 1835 (Teenstra 2:275). → (fijne klaroen). Ø /N+Am/wp/4-6/-. - : gekoleurde caleloe, een caleloe*, vermoedelijk met gekleurde bladeren en in dat geval Amaranthus caudatus, Amaranthus tricolor of beide. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 28). Zie ook: kattestaart*. Ø /N+Am/wp/1/-. - : grove kraloe, een soort kraloe*, wellicht Amaranthus dubius, die algemeen is en grover dan de fijne kraloe*. 1835 (Teenstra 2:275). Ø /N+Am/wp/4/-. - : Surinaamse calaloe, een soort caleloe*, vermoedelijk (heden) gogomango (< Sranantongo), Phytolacca rivinoides. 1771 (C. Dahlberg nr. 66). Opmerking: Cassidy & Le Page (1980:429) vermelden uit 1774 en 1814 een Phytolacca-soort van Jamaïca die daar Surinam calalu heette. Ø /N+Am/wp/2/-. kalkbeen, een ziekte, vermoedelijk een been met een gezwel dat hard geworden is (zie wnt 2, 1:201). 1736 (Beeldsnijder 1994:201). Ø /NN/z/2/-. kamawari, Amerikaanse blauwe reiger, zwartkruinreiger of sokoireiger (Ardea cocoi), thans Surinaams-Nederlands koemawari (< Sranantongo). < Sranantongo kamawari. (Focke 1855:53) of < Karaïbisch akamawarie (Penard & Penard 1908:155).

cameleon

104

1796 (Stedman 319, camawarry, Engelse spelling). Ø /K?S?/d/3/-. cameleon, marmerleguaan of (bij terrariumhouders) Amerikaanse kameleon (Polychrus marmoratus). < Europees-Nederlands cameleon, een reptiel van de Oude Wereld (Chameleo vulgaris), dat evenals de Surinaams-Nederlandse cameleon naar behoefte verkleurt. 1740 (Anonymus 25). - 1855 (Focke 2). → (kameleon). Zie ook: agama*. Ø /N’/d/2-6/-. kamer (-s), eenkamerwoning voor slaven (na 1863 voor vrijen) uit één rij in een langwerpige barak op een erf*. < Europees-Nederlands kamer onder meer voor een rijtjeshuis van één kamer. 1782 (De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamsche Courant nr. 300, camer). 1913 (J. Spalburg 1, 37, 68). Ø /N’/bc/3/-. kamera wintje, een soort boom en zijn (timmer)hout. < kamra wentje (Focke 1855:54). Dat betekent ook ‘kamermeisje’ en ‘soorten hagedis die in huizen tegen de muren zitten’. Nadere gegevens ontbreken, het verband is niet duidelijk. 1835 (Teenstra 1:367). Ø /S/wp/4/-. kamerstel (-len), meubels voor een kamer, vermoedelijk een tafel met bijbehorende stoelen. Genoemde betekenis wordt gesuggereerd door de soortgelijke later optredende termen eetstel en terrasstel (zie Van Donselaar 1989). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 108). Ø /N-N/bc/4/-. kamferblad, kruid met bladeren die sterk naar kamfer ruiken (Unxia camphorata). 1835 (Teenstra 1:339). →. Opmerking: De gegevens in Van Donselaar (1989:185) zijn onjuist. Ø /N’-N/ wp/4-6/-. camies (de, -en), camis, lendendoek die

kanawatepi

tussen de benen door bevestigd is, zoals ook heden gedragen door boschnegers* of marrons*. < Portugees camisa ‘hemd, overhemd’, mogelijk van Spaans. 1712 (Dragtenstein 74) - 1835 (Teenstra 2:217). 1899 (J. Spalburg 1979:92, kamisa, als Sranantongo). →. Zie ook: paantje*. Ø /Port./sc/1-4/-. kamikami (de, ’s), trompet(ter)vogel (Psophia crepitans). < Sranantongo kamikami (Focke 1855:53) < akami (Schumann 1783:5) < Karaïbisch akami (Hoff 1968:14, Courtz 216). 1796 (Stedman 143, camy-camy, Engelse spelling). - 1855 (Focke 53). →. Zie ook: trompetter*. /(K)S/d/3-6/-. camp (de, -en), dorp van boschnegers* of indianen. < Europees-Nederlands camp, een eenvoudige en tijdelijke behuizing; een Surinaams-Nederlands camp is wel eenvoudig, maar niet (met opzet) tijdelijk; later ook in de betekenis van ‘hut’. 1762 (Inventaris Archief Sociëteit van Suriname 313 fol. 140). - 1858 (Copijn 5). →. Zie ook: wegloperskamp*. Ø /N’/r/2-6/-. kan (-nen), kannetje (-s), stenen kruikje, als ingevoerd met bier of mineraalwater. < Europees-Nederlands kan, een vaatwerk om mee te schenken. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1855 (Focke 54). Ook in Westelijk Guyana (Essequibo en Demararische Courant 29-12-1793) en mogelijk van daar. Zie ook: spawaterkannetje*. Ø /N’?W?/ bc/2-4/W./. kanawatepi(hout), niet geïdentificeerde boomsoort en zijn hout. De naam lijkt van indiaanse herkomst. 1763 (Pistorius 51, 52). 1769 (Fermin 1:245). Ø /Ind.?/wp/2/-.

kandra

105

kandra (de), zekere heester (Jacaranda obtusifolia subspecies rhombifolia) met in de schors geel melksap dat wordt aangewend tegen ringworm; heden genoemd jaifi (< Sranantongo) of morokobita (< Sranantongo). Afkorting van kandra-oedoe, alleen bij Teenstra (1835). Zie ook: momooije*. Ø /S/wp/4/-. kaneelappel, steenappel, de eironde vrucht van de kaneelappelboom*. Zie appel* (2). De vrucht smaakt enigszins naar kaneel. 1765 (Fermin 133). - 1768-1780 (Quandt 1807:146; Kanelapfel, een verduitsing van het Surinaams-Nederlandse woord). →. Opmerking: Europees-Nederlands kaneelappel is een cultuurvorm van de EuropeesNederlandse appel(boom) (Malus sylvestris). Zie ook: kleine zuurzak*. Ø /N’-N’/cp/26/-. - : wilde kaneelappel, vermoedelijk een wilde boomsoort van het genus Annona. 1771 (C. Dahlberg nr. 2). Zie ook: boschzuurzak* Ø /N+(N’-N’)/-/ wp/2/-. kaneelappelboom, de ingevoerde steen­ appelboom (Annona squamosa), die de kaneelappel * (steenappel) voortbrengt. 1770 (Hartsinck 50). 1774 (Houttuyn 1, 3:89). →. Ø /(N’-N’)-N/cp/2-6/-. kaneelhart, enige boomsoorten van het genus Licaria (vroeger geheten Acrodiclidium) en hun hout. De naam is per soort ontleend aan een (of meer) van de volgende eigenschappen: de bast is aangenaam aromatisch, die van Licaria guianensis ruikt naar kaneel; het hout is aromatisch; het kernhout (zie hart*) verkleurt aan de lucht van geel/ lichtbruin naar kaneel/donkerbruin. 1802 (Blom 190). - 1855 (Van Sypesteyn 176). →. Zie ook: geelhart*, kanelenhout*. Ø /N’-

kanten

N/wp/3-6/-. kanelenhout, als kaneelhart*. 1718 (Herlein 210). 1770 (Nepveu 365). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 30). Ø /N’-N/wp/1-5/-. kankanoedoe, twee boomsoorten (Apeiba petroumo en Apeiba tibourbou). < Sranantongo kankanoedoe (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:80), betekent ‘kamboom’, genoemd naar de gestekelde vrucht. 1835 (Teenstra 1:368). →. Ø /S/wp/4-6/-. kankantrie(-), kankentrie(-): zie cottontrie*. cano (de, -(e)s, -en), indiaans vaartuig, groot of klein. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 34). - 1855 (Van Sypesteyn 65). Zie ook: corjaar*, periage*. Ook in Brazilië (Keye 1659:43), Oostelijk Guyana (De Myst 1677:11) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:14). Opmerking: In 1679 canootje (Lichtveld & Voorhoeve 1980:58). Ø /Am/ic/1-4/B./ O./W./. kanten I. (gekant), voeden van een baby door deze vol pap te gieten, waarbij het kind klem ligt op schoot. < Sranantongo kanti (Focke 1855:54), betekent ook inschenken in het algemeen en omleggen in het algemeen. < Engels to cant, Smith 1987:202, betekent onder meer ‘omleggen’. 1822 (Lammens 1982:103). - 1835 (Teenstra 2:188). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 398). Opmerking: Gebruikelijk bij negerslavinnen. Ø /S/sc/3-5/-. kanten II., disselen, in dit geval vierkant kappen (een gevelde boomstam). < Europees-Nederlands kanten, dat is steen of stenen bekappen (wnt 7, 1:1368). 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798).

kanter

Zie ook: kweelen*. Ø /N’/pt/2/-. kanter (-s), negerslaaf met als functie te kanten* (II). 1737 (Beeldsnijder 1994:300). - 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 25). Ø /N’/ pp/2-3/-. kap, kookpan voor suiker (suikerketel*) in een suikerbedrijf. < Sranantongo kappa < Engels copper, Focke 1855:55. Alleen in mallasie kap voor melasseketel* bij Blom (1802:71). Opmerking: Nog bestaande exemplaren worden in Surinaams-Nederlands heden kapa (< Sranantongo) genoemd. Ø /S/ pt/3/-. capasie (de, -’s), gordeldier (in Suriname vijf soorten, uit de familie Dasypodidae). < Sranantongo capasi (Fermin 1765:2) of < Karaïbisch kapasi (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 398, Courtz 290). 1796 (Stedman 122; capasee, Engelse spelling). - 1872 (Anonymus 66). → (kapasie). Zie ook: schildvarken*, tatou*. Ø /K?S?/d/3-6/-. capasi-marabons (-zen), vermoedelijk hetzelfde dier als de heden in het SurinaamsNederlands genoemde kapasiwaswasi (< Sranantongo), een sociaal levende wesp (Synoeca surinama). Ze hebben hun nest soms in het verlaten hol van een capasie* (Vermeulen 1961:217). < Sranantongo kapasi-marabonsoe (Focke 1855:55). 1854 (Kappler 1983:78). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 370). Zie ook: maribons*. Ø /S/4-5/-. kapasislang, bosmeester, een gifslang (Lachesis mutus), heden in SurinaamsNederlands in het algemeen maka(slang) of makasneki. Het dier huist soms in het hol van een ca-

106

kappen

pasie*. Vergelijk Sranantongo kapasisneki. 1854 (Kappler 1983:56). → (kapasislang). Ø /(K?S?)-N/d/4-6/-. capitein I. (de, -s), 1. dorpshoofd bij indianen; 2. militaire aanvoerder bij bosch­ negers*; 3. dorpshoofd bij boschnegers*. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1: 1679 (Lichtveld & Voorhoeve 1980:61). - 1855-1863 (Bartelink 1916:44). → (kapitein). Ook in Oostelijk Guyana (Zeeuw 1627 in Lichtveld & Voorhoeve 1980:16) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:50). Opmerking: In Van Donselaar (1989:189) wordt Warren (1669) ten onrechte geciteerd. Ø /Am/ic/1-6/O./W./. 2: 1768-1780 (Quandt 1807:113). 1771, 1773 (De Beet 91, 149). Ook in Westelijk Guyana, 1763 (Lichtveld & Voorhoeve 1980:78). Ø /Am/o/2/W./. 3: 1796 (Brouwn 67). - 1854 (Van Sypesteyn 159). →. Ø /Am/r/3-6/-. capitein II., kapitein (-s), vertegenwoordiger van de gouverneur in een divisie*. < Europees-Nederlands capitein, voor diverse leidinggevende functionarissen, niet echter burgerlijk ambtenaar. 1685 (Schiltkamp & De Smidt 156). 1828 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 184) Ø /N’/bs/1-4/-. kapoea (-’s), waterzwijn, waterhaas (Hydrochoerus hydrochoerus). < Sranantongo kapoewa (Focke 1855:55) < Karaïbisch kapia (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 369), kapiwa (Courtz 291). 1835 (Teenstra 1:203). →. Zie ook: tovou*, watervarken*. Ø /(K) S/d/4-6/-. kappen (gekapt), met een bijl, kapmes (machete, houwer*) of iets dergelijks verwonden (een paard of landbouwhuisdier). < Europees-Nederlands kappen, in deze zin alleen met betrekking tot mensen.

kapper

107

1711 (Schiltkamp & De Smidt 281). - 1795 (Schiltkamp & De Smidt 730). →. Ø /N’/r/1-3/-. - : savane kappen, gras maaien met een lang kapmes (machete, houwer*). Zie savane* (3). 1835 (Teenstra 1:186) Zie ook: waaien* (1), rietkappen*. Ø /Am+N/pt/4/-. kapper, man die met een lang kapmes (machete, houwer*) een pad baant of een tracé uitzet in bos of ander dichtbegroeid terrein. 1862 (Hoogbergen 1978:76). →. Zie ook: rietkapper*. Ø /N’/r/4-6/-. kappes: zie cabbes* (II, 2). kappewierie, kappewieriehout, zekere soort boom, respectievelijk houtige gewassen in het algemeen die vooral aangetroffen word(en) in capuerie*. 1835 (Teenstra 1:361). Ø /Braz.-N/wp/4/-. capuerie, ca(p)pewerie (de, -s), kapoeweri, (gebied met) secundaire vegetatie, dat is spontane vegetatie (zoals ruigte, struweel en secundair bos) op een plaats waar het oerbos gekapt is. < Braziliaans capoeira (Encyclopedie van Suriname 325). Mogelijk beïnvloed door Sranantongo kapu (kappen) en Sranantongo (wi)wiri (onder meer gras, onkruid). 1735 (Bijlsma 1923:58, capueere). - 18551863 (Bartelink 1916:32) → (kapoewerie). Ø /Braz./m/2-6/-. - : in capuerie, braakliggend (gezegd van landbouwgrond). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:118). 1771 (Nepveu 41). → 1884 (Elout van Soeterwoude 41). Ø /N+Braz./r/2-5/-. karakara, een soort liaan (Norantea guianensis). < Arowaks karakara (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 513). 1854 (Kappler 1983:108; caracalla). →. Ø /Ar/wp/4-6/-.

carapatolie

Carakische cacao, een type cacao (Theobroma cacao) van de variëteit Forastero met paarse zaden. Eertijds geïmporteerd uit Venezuela (hoofdstad Caracas) of Trinidad en toen ten onrechte voorzien van deze naam, die al bestond voor een type van de variëteit Criollo met witte zaden (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 186) 1740 (Anonymus 42). 1771 (Nepveu 90, tamme Caracus). 1787 (Blom 201, Kuraakse, drukfout ?). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 186, Caracas-cacao). Zie ook: wilde cacaoboom*. Opmerking: Het is niet te zeggen welke variëteit bedoeld wordt door Hartsinck (1770:53) met Carracase cacaoboom voor Suriname of Westelijk Guyana en door Quandt (1768-1780;1807:149) met Karaka in Berbice. Ø /N+N/cp/2-5/W./. karaloe: zie caleloe*. carapat, carpata, carpat, krapatta, krapata, wonderboom, een cultuurplant (Ricinus communis) van welke de oorsprong vermoedelijk in Afrika ligt. < Spaans carapato, Portugees carrapato ‘wonderolie’. 1770 (Fermin 1:42, karapat). 1771 (C. Dahlberg nr. 35, carpata). 1771 (Nepveu 201, carpat). - 1855 (Focke 65, krapatta).→ (krapata, als Sranantongo). Zie ook: olyboom*. Ø /Sp.?Port.?/cp/3-?/-. carapatluis, karpatluis (-luizen), soort teek, vermoedelijk de Amerikaanse bosluis (Amblyomma-soort). < Portugees carrapato, ‘teek’. 1839-51 (Van der Aa 1993:20). 1847 (Winkels III:48). Zie ook: krapa* (II), koepari*. Ø /Port.N/d/4/-. carapatolie, krapataolie, krapatolie, wonderolie. Zie carapat*.

carbet

108

1770 (Fermin 1:42). - 1855 (Focke 65, krapatta-olie). 1903 (Van Coll 463). → (krapata-olie). Ø /(Sp.?Port.?)-N/bc/2-5/-. carbet (-s, -ten), indiaans huis. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1769 (Fermin 1:58). - 1861 (Wolbers 21). Opmerking: Price & Price (1988:648) veronderstellen, dat alle vindplaatsen van buiten West-Indië onjuist zijn en te wijten aan bijvoorbeeld Labat (1731, 4:23), die het woord, huns inziens ook ten onrechte, van Cayenne vermeldt. Ook in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:14). Ø /Am/ic/2-4/W./. carbouger: zie cabouger*. cardamon: wilde cardamon (de), fors kruid (Renealmia alpina) waaruit ten behoeve van de voedselbereiding een gele kleurstof en een olie worden gewonnen; thans in Surinaams-Nederlands geheten masoesa (< Sranantongo). Europees-Nederlands cardamom is een kruid (Elettaria cardamomum, uit dezelfde familie) en de daaruit gewonnen specerij. Bij Hartsinck (1770:82) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N+N’/ wp/2/W./. caro, maïs, zowel de plant (Zea mays) als de korrels. < Sranantongo karo, karu (Schumann 1783:80) < Engels corn, Smith 1987:361. 1769 (De Beet 1984:86). - 1835 (Teenstra 1:211, 433). Zie ook: koorn*. Ø /S/cp/2-4/-. carpata(-): zie carapat(-)*. carron: zie suikertest*, test*. kars, kers, 1. vrucht van de karsenboom* (1), geribd, met één pit, zuur; 2. vrucht van de karsenboom* (2), glad, met vele pitjes, zoet, heden genoemd West-Indische kers. < Europees-Nederlands kars, de vrucht van wilde en gekweekte vormen van enige Prunus-soorten, waarop de SurinaamsNederlandse kersen lijken.

caschou

Spelling met -a- 1740-1788; met -e- 17051770. →. Zie ook: boschkers*, jodenkars*, savannekers*. 1: 1770 (Hartsinck 56) →. Zie ook: kriekjes-over-zee*. Ø /N’/cp/26/-. 2: 1740 (Anonymus 16). →. Ø /N’/cp/26/-. - : Amerikaanse kars, als kars* (1). 1705 (Merian 7). Ø /N+N’/cp/1/-. - : geribde kars, 1. als kars* (1); 2. als karsenboom* (1). 1. 1835 (Teenstra 1:419). 1839-51 (Van der Aa 1993:22). →. Ø /N+N’/cp/4-6/-. 2. 1771 (C. Dahlberg nr. 5). Ø /N+N’/ cp/2/-. - : Surinaamsche kars, 1. als kars* (1); 2, als kars* (2). 1. 1770 (Fermin 1:158). →. Ø /N+N’/cp/26/-. 2. 1771 (C. Dahlberg 96). Ø /N+N’/cp/2/-. - : zoete kars, als kars* (2). 1872 (Anonymus 67). 1883 (Westeroüen van Meeteren 22). Ø /N+N’/cp/4-5/-. - : zure kars, als kars* (1). 1872 (Anonymus 67). 1883 (Westeroüen van Meeteren 32). Ø /N+N’/cp/4-5/-. karsenboom, kersenboom, 1. inheemse, ook gecultiveerde vruchtboom (Eugenia uniflora); 2. uit West-Indië ingevoerde, gecultiveerde vruchtboom (Malpighia punicifolia); 3. als 1, 2, allebei of niet te identificeren. 1: 1718 (Herlein 205). - 1771 (C. Dahlberg nr. 5). →. Ø /N’-N/cwp/1-6/2: 1718 (Herlein 205). - 1763 (Pistorius 30). →. Ø /N’-N/cp/1-6/-. 3: 1783 (Roos 38). →. Ø /X/cp/3-6/-. cas, kas: zie cassa*. caschou, cachou, acajou, cajou (de), 1. aangeplante vruchtboom (Anacardium occidentale); 2. cashew, het eetbare zaad uit de nootvormige vrucht van 1.

caschou-appel

109

Tropisch Amerikaans element, sub 3. Introductie van het woord in de samenstelling caschou-appel* in het EuropeesNederlands is van Houttuyn (2, 2:405 en volgende; 1774). 1: 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 1 nr. 3, in Brinkman 1980:79, cajou). 1835 (Teenstra 1:359). → (kasjoe). 2: 1693 (Reeps 21, cassioe).1740 (Anonymus 16). 1858 (West-Indië 2:127, caschoupitten).→ (kasjoe). Ook in Brazilië (De Laet 1625:443, accayou) en Oostelijk Guyana (De Myst 1677:17, accasjouw). Zie ook: inginoot*, 1+2: /Am/cp/1-6/B./O./. - : wilde caschou, inheemse boom, in het algemeen laag en grillig gevormd (Curatella americana), heden in Surinaams-Nederlands schuurpapierboompje,­ maar in het algemeen savannekasjoe genoemd. De groeivorm lijkt op die van caschou. 1835 (Teenstra 1:359). 1858 (West-Indië 2:75) - 1910 (Sack 45). Zie ook: bosch-caschou*. Ø /N+Am/ wp//4-5/-. caschou-appel (de, -en), de sappige schijnvrucht - het is de verdikte vruchtsteel - van de caschou* (1). Zie ook: appel* (2). 1705 (Merian 16). Oudste vindplaats in Brazilië (Keye 1659:54, acajou-appel), zo ook in Oostelijk Guyana (Van der Woude 1678 (Lichtveld & Voorhoeve 51) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:72, cajouw-appel). Opmerking 1: Merian (zie boven) geeft ook kortweg appel. Opmerking 2: Houttuyn (2, 2:408; 1774) geeft catsjoe-Appelen zonder aanwijzing over het gebied van herkomst. Ø /Am-N’/ cp/1/B./O./W./. caschouboom, als caschou* (1).

cassa

1705 (Merian 16). - 1770 (Hartsinck 46). Ook in Brazilië (Keye 1659:53, caziouboom). Ø /Am-N/cp/1-2/B./. caseer, kaseer, kasseer, (bn., bw.), koosjer (in Joods religieuze zin). < Sranantongo kaseri (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:30) of van EuropeesNederlands kasher (wnt 7, 2:5462, z.j.). 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 28). 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 54 en 119). 1884 (De Surinaamsche Courant nr. 18). Ø /S?N?/bc/3-5/-. casiri (de), indiaanse alcoholische drank, bereid uit het afkooksel van cassave* (1) door dit te laten gisten. < Karaïbisch casiri (Van Coll 1903:643) of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1770 (Hartsinck 25, cassyry). - 1854 (Kappler 1983:70). → (kasiri). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:75, cassyry). Zie ook: pajarware*, pernou*, tapana*. Ø /K?W?/ic/2-6/W./. casiripo, cassiripo (de), siroop bereid uit cassave* (1), gebruikt in gerechten. < Karaïbisch casseripo (Fermin 1769, 1:69), kasiripo (Courtz 294). 1765 (Fermin 207). - 1835 (Teenstra 2:263). → (kasripo). Opmerking: In Engels van Amerikaanse koloniën cassareep sedert 1832 (oed). Ø /K/ic/2-6/-. casoe: zie caschou*. cassa, cas, kas (de), uit belasting verkregen overheidsgeld met een afzonderlijke, al of niet van te voren vaststaande, gespecificeerde bestemming. Geen enkele betekenis van cassa en dergelijke in verband met geld komt in het wnt (7, 1:1710-1716) met de bovenstaande overeen. 1701 (Schiltkamp & De Smidt 244). -1815 (Schiltkamp & De Smidt 1344). Ø /N’/

cassave

110

bs/1-3/-. - : cassa der modique lasten, cassa* ter bestrijding van naar verhouding matig grote, bijzondere lasten. 1701 (Schiltkamp & De Smidt 244). - 1805 (Schiltkamp & De Smidt 1257). - : cassa tegen de weglopers, wegloperskassa, cassa* ter bestrijding van de kosten van de strijd tegen de weglopers*. 1749 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 81). - 1815 (Schiltkamp & De Smidt 1347). - : cassa der gemeene weyde, cassa* ter bestrijding van de kosten ten behoeve van het publieke weidegebied rondom Paramaribo. 1728 (Schiltkamp & De Smidt 394). - 1815 (Schiltkamp & De Smidt 1344). cassave, cassavi (de), 1. maniok (Manihot esculenta) en (of) de wortelknollen van deze (broodwortels), zonder nadere specificatie; 2. meel uit deze knollen; 3. platte koek gebakken van dit meel, ook stofnaam, aanvankelijk door indianen, later ook door anderen; zie ook gebakken cassave*, (cassave)brood*, cassavekoek*. Tropisch Amerikaans element, sub 2. Vanaf 1692 met op het eind -e, ook in samenstellingen, vanaf 1689 tot 1718 (ook) met -i, -ie of -y op het eind. 1: 1689 (Hermann fol. 43). - (1872 Anonymus 17). → (of kassave, zo ook in verbindingen en samenstellingen). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:69, carsavy) en Oostelijk Guyana (De Myst 1677:17, cassavi). Ø /Am/cp/16/O./W./. 2: 1832 (Teenstra 1842:228). Zie ook: gomma*. Ø /Am/r/4/-. 3: 1718 (Herlein 228). 1763 (Pistorius 17, 19; het cassave). →. Opmerking: In deze betekenis al in 1872 in Van Dale (2e uitgave). Zie ook: cassavebrood*, brood*, cassave-

cassavebrood

koek*. Ø /Am/ic/1-6/-. - : bittere cassave, cultuurvorm van cassave* (1) en de knollen van deze met veel blauwzuur. 1765 (Nepveu 15). - 1855 (Focke 56). →. Ø /N+Am/cp/2-6/-. - : gebakken cassave, als cassave* (3). 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:62). 1790 (Hoogbergen 1984:69). →. Zie ook: cassavebrood*, cassavekoek*. Ø /N+Am/ic/2-6/-. - : zoete cassave, cultuurvorm van cassave* (1) en de knollen van deze met weinig blauwzuur. 1740 (Anonymus 15). - 1855 (Focke 56). →. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1794, 5:4). Ø /N+Am/cp/2-6/W./. cassavebeitel, cassaviebeitel (-s), kleine spa waarmee cassave* (1, knollen) uit de grond gestoken worden. In Zeeland is beitel het blad van een dergelijke spa, eertijds voor het uitsteken van suikerbieten (Ghijsen 1974:69). 1717 (Schiltkamp & De Smidt 313). 1718 (Herlein 247, met -i en -bijtel). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:292), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(Am- N’)?W?/r/1/W./. kassaveboom, niet geïdentificeerde boomsoort uit het hoge binnenland. 1835 (Teenstra 1:370). Opmerking: Het is vermoedelijk niet de soort die heden kasaba-oedoe (< Sranantongo) genoemd wordt, want die komt vooral voor in oude kapoeweri*, zelden in hoog bos (Ostendorf 1962:146). Ø /X/ wp/4/-. cassavebrood, cassavibrood, (het, -en), als cassave* (3). Zowel in het Europees-Nederlands als in het Engels he(et)ten ook platte baksels van ongerezen deeg van oudsher brood (wnt) en bread (oed). 1718 (Herlein 110, met cassavy). - 1855 (Focke 56). →.

cassavekoek

111

Oudste vindplaats in Oostelijk Guyana (Reeps 1692:8), ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:74); mogelijk afkomstig uit een van deze gebieden. Ø /(AmN)?O?W?/ic/1-6/O./W./. cassavekoek, als cassave* (3). 1718 (Herlein 110). - 1847 (Lenders 1986:142). →. Ø /Am-N/ic/1-6/-. cassavemier, parasolmier of bladsnijdersmier (Atta cephalotes en Atta sexdens), heden in het algemeen Surinaams-Nederlands draagmier genoemd. In het bijzonder de bladeren van cassave* (1) zijn zeer in trek bij deze soorten. Ze knippen die in stukjes en brengen die naar hun nest, waar ze ze infecteren met een schimmel en aldus voor hun consumptie geschikt maken. 1854 (Kappler 1983:52). 1856 (Wullschlägel 9, Duits Cassaba-ameise). Zie ook: papamier*. Ø /Am-N/d/4/-. cassavepers, van warimbo* (3) gevlochten buis die gevuld wordt met geraspte bittere cassave* (1) en vervolgens, om daar het giftige vocht uit te persen, sterk wordt uitgerekt. 1786 (Visscher Heshuysen 413). 1859 (Winkels IV:286). →. Zie ook: matapi*. Oudste vindplaats 1770 (Hartsinck 73), mogelijk in Westelijk Guyana en afkomstig van daar. Ø /(Am-N)?W?/ic/3-6/W./. cassaveplaat, metalen bakplaat waarop boven een open vuur cassave* (3) gebakken wordt. 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:24). 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 5). Ø /Am-N/ic/2-4/-. cassaverasp (-en), metalen rasp voor het raspen van cassave* (1, knollen). 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1855 (Focke 152). →. Opmerking: Het oorspronkelijke model bestond bij indianen uit een plank bezet

castiesin

met scherpe steentjes (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 541). Ø /Am-N/ ic/2-6/-. cassavestok (-ken), cassavestek. 1762 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 315 fol. 335). 1881 (Kappler 1883:177). Ø /Am-N/cp/2-5/-. cassioe: zie caschou*. cassiripo: zie casiripo*. castagne (-s), het eetbare zaad van de kastanjebroodboom*. Het lijkt op Europees-Nederlands kastanje: het zaad van de tamme kastanje (Castanea sativa) en van de paardenkastanje (Aesculus hippocastanum). 1828 (Kuhn 77). →. Ø /N’/cp/4-6/-. kastanjebroodboom, een cultuurvorm van de brood(vrucht)boom (Artocarpus communis) met stompe stekels op de vrucht, thans in Surinaams-Nederlands geheten kastanjebroodvrucht. 1835 (Teenstra 2:248). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 56, met daar een oude wetenschappelijke naam). /N’-N/cp/4-5/-. casties (-sen), castice, man geboren uit een blanke en een mesties*, dus 7/8 blanke en 1/8 neger; ook attributief en dan ook met betrekking tot negerslavinnen. < Portugees castiço, betekent iemand van goed, zuiver ras, in dit geval in een kolonie geboren uit Europese ouders. 1771 (Nepveu 103). - 1855 (Focke 56). 1913 (Themen in Polanen 1982:61). Opmerking: Al eerder in gebruik in het voormalige Nederlands Oost-Indië voor een andere mengverhouding van het blanke en het inlandse element (wnt 7, 1:1769). Zie ook: cabouger*, mistiche*, poesties*, testies*, blanke creool*. Ø /Port./r/2-5/-. castiesin, vrouw geboren uit een blanke en een mesties*, zie casties*. 1798 (Weygandt 19). - 1861 (Winkels

kat

112

II:280). Ø /Port./r/3-4/-. kat: vliegende kat, een soort vampier (Desmodus rotundus). Europees-Nederlands vliegende kat was toentertijd al en nu nog de naam voor enige plantenetende vleermuissoorten uit Zuidoost-Azië en Australië. De vampier heeft weinig meer met een kat gemeen dan het uiterlijk van de bek en van het gebit. Bij Hartsinck (1770:98) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: vliegende hond*. Ø /(N+N’)?W?/d/2/W./. - : wilde kat, tijgerkat*, te weten ocelot (Leopardus pardalis melanurus) en aan deze verwante katachtige roofdieren. Europees-Nederlands wilde kat is de naam voor Felis silvestris, de kleinere kat van de Oude Wereld uit welke de huiskat gefokt is. Bij Hartsinck (1770:89) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /X/d/2/W./. kato, zeer hoge boom, ontstaan uit zekere abrasa* (boomwurger, in dit geval Ficus maxima). < Sranantongo katu (Klooster e.a. 116). 1835 (Teenstra 1:337, cato) → (katoe). Zie ook: Adam-en-Evaas-boom*. Ø /S/ wp/4-6/-. katoen, 1. (als in Europees-Nederlands) de plant (genus Gossypium), en zijn vruchtpluis, met een aantal soorten, rassen en andere variëteiten met eigen, soms niet of moeilijk te duiden namen. De meeste zijn aangetroffen bij Teenstra (1835); 2. het vruchtpluis van boschkatoen* (zie aldaar). Zie, behalve de twee onderstaande soorten planten: Indiaansche katoen*, baboenkatoen*, bokkenkatoen*, kruipkatoen*, tuinkatoen* en vogelkopjeskatoen*. Boschkatoen* en fridericikatoen* horen daar niet bij. Zie ook: kleine wolboom*. - : Bourbons katoen, een ras van sea-island-katoen, een gecultiveerde heester (Gossypium barbadense).

kattenglas

Dat Bourbon een streek is in Kentucky kan zonder meer de naam niet verklaren. 1835 (Teenstra 1:265). 1883 (Westeroüen van Meeteren 24). Zie ook: katoen*. Ø /N+N/cp/4-5/-. - : rode katoen, een vorm van sea-islandkatoen (zie de vorige). Het hart van de bloem is rood, de stengels en bladeren zijn rood aangelopen. 1835 (Teenstra 1:267). →. Zie ook: katoen*. Ø /N+N/cp/4-6/-. ‑ : schone respectievelijk vuile katoen, katoenpluis dat bij het oogsten wit (dus niet verkleurd) respectievelijk bruin verkleurd is (Blom 1786:297). Ø /N+N/pt/3/-. katoengrond: zie grond* (I, 2). katoen-menarie (-s), als manarie* (2). 1835 (Teenstra 1:417). Ø /N-(S?Ind.?)/ pt/4/-. katoenmolen, apparaat met een draaiend element dat ruwe katoen van zaden zuivert, hetzij aangedreven als een beesten­ molen* (a), hetzij met behulp van een trapmechaniek (b) en in dat geval ook genoemd katoentrapmolen* of trapmolen*. a: 1792 (Van Stipriaan 1993:189); b: 1786 (Blom 296). 1822 (Van Stipriaan 189:190). Ø /N-N/pt/3/-. katoentrapmolen (-s), als katoenmolen* (b). 1804 (De Surinaamsche Courant nrs. 53 en 87). Ø /N-N/pt/3/-. katoenworm, rups van de vlindersoort Aletia xylina. Zie worm*; het dier tast de katoenplant aan. 1786 (Blom 293). - 1835 (Teenstra 1:283). Ook kortweg worm* (Lammens 1822;1982:193). Ø /N-N/d/3-4/-. kattenglas, mica. Kat- duidt in samenstellingen vaak op valsheid of onechtheid (wnt 7, 1:1871). Het wnt geeft voor mica: ‘kattenzilver’ of ‘kattenglimmer’ (citaat van 1784). 1722 (IJzerman 1911:656). Opmerking: Het woord hoorde tot het

cattentrie

113

jargon van bergwerkers. Ø /N-N/r/1/-. cattentrie: zie cottontrie*. kattestaart, als sierplant gebruikte cultuurvorm van Amaranthus caudatus. De naam heeft betrekking op de vorm van de bloeiwijzen. Europees-Nederlands katte­staart (Lythrum salicaria) heeft dat ook, maar is geen verwant en diende vermoedelijk ook niet als voorbeeld. 1855 (Focke 134). Opmerking 1: In hedendaags SurinaamsNederlands is kattestaart de naam voor een verwante sierplant, Amaranthus macrostachya. Opmerking 2: Een niet geïdentificeerd ‘onkruid’ wordt door Teenstra (1835, 1:205) kattestaart genoemd. Zie ook: gekoleurde caleloe*. Ø /N-N/ cp/4/-. katvisch, enige niet nader te identificeren soorten meerval. < Sranantongo katfisi (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:30) of < Engels catfish. Europees-Nederlands katvisch is ‘minder soort vis, goed voor de kat’ (wnt). 1771 (Nepveu 347). →. Ø /E?S?/d/2-6/-. kauwerie, kawerie, een soort meerval (vis) van het zoete water (Pimelodus blochii). < Sranantongo kaweri (Encyclopedie van Suriname 328) of < Karaïbisch kaweri (Ahlbrinck 1931:214, Courtz 295). 1740 (Anonymus 24). - 1835 (Teenstra 2:448). →. Opmerking: Bij Roos (1783:41) kauwerier. Ø /K?S?/d/2-6/-. cauwriertje, cauriertje (-s), witwangfluiteend (Dendrocygna viduata), heden in Surinaams-Nederlands genaamd wiswisi (< Arowaks). < Karaïbisch kawlierie (Penard & Penard 1908:103), kauwiriri (Ahlbrinck 1931). 1740 (Anonymus 23). - 1796 (Stedman 407; cawereerkee, Engelse spelling).

kemphaantje

Ø /K/d/2-3/-. kaw-maca, kaumaca, een gestekelde soort palm (Bactris campestris). < Sranantongo kaumaka (Focke 1855:56). 1771 (Nepveu 356). 1835 (Teenstra 1:407). Opmerking: Later ook de SurinaamsNederlandse naam voor enige grotere, gestekelde palmsoorten, waaronder mocaja*. Ø /S/wp/2-4/-. keen(-): zie kaan(-)*. keentras, gestreepte kopstaander (Leprinus fasciatus), een riviervis behorende tot de karperzalmen, heden in Surinaams-Nederlands genaamd kintrasi (< Sranantongo) of kwana. De naam komt in de Surinaams-Nederlandse vorm voor bij Focke (1855:68) en in de Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië (450), maar in beide gevallen voor een verkeerde soort. Ø /S/d/4-5/-. keeskeesie(-): zie kiskisi(-)*. kelder (-s), vaatje, tonnetje. < Engels kilderkin (oed 8:426). 1718 (Inventaris West-Indische Compagnie 1139). - 1791 (Hoogbergen 1984:109). 1899 (J. Spalburg 1979:70). Opmerking: Niet te verwarren met kelder in de betekenis van ‘kist met vakken voor flessen’, toen zowel in Nederland als in Suriname in gebruik. Het citaat uit 1899 in Van Donselaar (1989:195) heeft niet betrekking op dit laatste, maar op de hier gegeven Surinaams-Nederlandse betekenis. Ø /E/bc/1-5/-. kelduivel: zie kilduivel*. kemphaantje, jassana of leljacana, een moerasvogel (Jacana jacana). Voert schijngevechten uit, net als het Europees-Nederlandse kemphaantje (Philomachus pugnax) in Nederland. Herlein (zie beneden) vat kemp op als hemp, beide in Nederland een gewestelijke naam voor ‘hennep’, en schrijft hemphaan. 1718 (Herlein 182). - 1770 (Hartsinck 111).

kerk houden

114

1908 (Penard & Penard 1:230). →. Ø /N’/d/1-6/-. kerk houden, een christelijke dienst houden op een andere plaats dan in een kerkgebouw. 1873, 1878 (Klinkers 1997: 155, 156). →. Opmerking: Heden ook met betrekking tot religieuze oefeningen van ander geloof dan christendom. Ø /N+N/bc/4-6/-. kerkhof: Stenen Kerkhof (het), volksnaam voor de derde Oranjetuin*: zie aldaar Genoemd naar de hoge, stenen ommuring. kerosinelamp, petroleumlamp. < Engels kerosinelamp 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 89). Ø /E/bc/4/-. kers, kersenboom: zie kars(enboom)*. ketting (-, -en, -s), landmeetkundige lengtemaat van 20,714 meter, later 20 meter. < Engels chain (oed, vanaf 1661). 1684 (Schiltkamp & De Smidt 143). - 1874 (zie beneden) →. Opmerking: Sedert 1874 officieel buiten gebruik (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 467), maar in de praktijk nog voorkomend tot minstens 1990 (advertentie in krant). Ø /E/bc/1-6/-. keurmeester van de suikeren, ambtenaar die bij de waag de te exporteren suiker keurt. 1683 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 402) - 1828 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 403). Ø /N+N/ bs/1-4/-. kien(-): zie kaan(-)*. kikvorschvogel, nachtzwaluw (zie boetaboeta*). De bek van zo’n vogel is, evenals bij een kikvors, zeer wijd. Vergelijk de wetenschappelijke naam van het genus Brachystomus en de Nederlandse naam kikkerbek, die hetzelfde betekenen, bij nachtzwaluwen uit Zuidoost-Azië (Grzimek 8:472). De naam kan in

kisikisi

Suriname ook gekomen zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). Bij Hartsinck (1770:114) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /X/d/2/W./. kilduivel, kilduvel, als dram*, zie aldaar. < Engels killdevil. 1684 (Schiltkamp & De Smidt 142). - 1755 (Sneebeling 18; kildevil). - 1835 (Teenstra 1:236; kelduivel). Opmerking: Buiten Suriname (of WestIndië) bij de marine (1794, wnt). Ø /E/ sc/1-4/-. kindermeid, negerslavin (meid*) als verzorgster van kinderen van haar meester/ meesteres. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 15). Ø /N’/bc/4/-. kinkanbau, okra, een ingevoerde plant (Abelmoschus esculentus) en zijn eetbare vrucht; heden Surinaams-Nederlands oker. < Portugees quingombô (J.L. Taylor 1970:528). 1689 (Sherard, zie Brinkman 1980, bijlage 1). 1696 (ibid.). 1783 (Schumann 126; gingambo). Zie ook: althaea*, okro*. Ø /Port./cp/1-3/-. kinnebakshammen. Het woord doet vermoeden, dat het stukken vlees betreft van de onderkaak van slachtvee; ze werden ingevoerd. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 7). kintrasi (heden): zie keentras*. kippenkweek: zie kweek*. kisikisi, kesikesi, naam voor de kleinere apensoorten, soms specifieker. < Sranantongo kisikisi (Fermin 1765:43), kesi kesi (Van Dyk 1768:17). De uitspraak lag vermoedelijk in het midden, zoals ook nu nog. 1796 (Stedman 93; keesee-keesee, Engelse spelling). 1835 (Teenstra 2:404; keesie keesie). → (keskesi). Opmerking 1: Later is de naam in Sranantongo en Surinaams-Nederlands beperkt

kiskisimaka

115

geraakt tot de twee in Suriname voorkomende kapucijnapen (Cebus-soorten, waaronder de mecoe*); zie Penard (1900, 1:29-30). Opmerking 2: Volgens Lichtveld (1929:525) komt de Sranantongo-naam uit Afrika (kése). nb: ook Karaïbisch kesioe (Ahlbrinck 1931:291) voor ‘satansaap’. Opmerking 3: Houttuyn (1761; 1, 1:351) vermeldt als Europees-Nederlandse roepnaam voor iedere aap Kees. Ø /S/d/3-6/-. kiskisimaka, naam voor enige soorten van kleine palmen (Bactris-soorten). < Sranantongo kisikisimaka (Focke 1855:58). 1835 (Teenstra 1:407; kees-keesimaka). → (keskesmaka). Ø /S/wp/4-6/-. kistendragers, zij die ten behoeve van een begrafenis de kist met de dode dragen. In Europees-Nederlands toentertijd al dragers, zowel professionele als incidentele (wnt). 1742, 1750 (Schiltkamp & De Smidt 496, 591). Ø /N-N/r/2/-. klabaai (-en), in een kazerne een horizontale staaf voor het bevestigen van hangmatten. < Europees-Nederlands klabaai, een zeemansterm, met betrekking tot zo’n voorziening op een schip. 1854 (Kappler 1983:14). Ø /N’/bc/4/-. klaverjas, framboesia (jaas*, 1) aan de voeten en handen. < krabbejaas*. 1855 (Focke 49). →. Ø /S/z/4-6/-. clear, met betrekking tot een stuk vlees of spek (zie mess*) ‘als op maat gesneden, zoals ingevoerd in een vat’. < Engels. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 42). 1871 (De Surinaamsche Courant 129, shear clear). Ø /E/bc/4/-. klerk: gezworen klerk, notaris met ruime taak. Europees-Nederlands gezworen klerk had in Nederland een voornamelijk schriftelijk

klopappel

registrerende functie, vermoedelijk ook zo in het voormalige Nederlands Oost-Indië (wnt 7, 2:3910). In Suriname was de taak ruimer en belangrijker, zoals die van de sworn clerck, in het (later) Engelse Demarara (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 513). 1699 (Schiltkamp & De Smidt 233). - 1869 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 1917:513). Ook in Westelijk Guyana (Van der Stoop 1797, zie Bosman 1990:186), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: jurator*. Ø /N’?W?/bs/1-4/W./. klip: de Klip, zekere stenen trap aan de oever van de Surinamerivier te Paramaribo, heden de Marinetrap geheten. Wellicht zo genoemd, omdat het een enigszins uitstekend stenen element is. 1788 (Roos 1804:72). 1835 (Teenstra 2:111). Opmerking: Met de klippen (Schiltkamp & De Smidt 750) in 1761 wordt vermoedelijk ook deze trap bedoeld. Ø /N’/r/3-4/-. klipsteen, uit de bodem gehaald gesteente bestaande uit een conglomeraat van zandsteen en schelpen, dienend als bouwmateriaal. < Europees-Nederlands klipsteen, brokstukken afgehouwen van klip (rots), als bouwmateriaal. 1718 (Herlein 47). - 1822 (Lammens 1982:31). Ø /N’/bc/1-3/-. kloklantaarn (-s), vermoedelijk een verhangbare, van een lampenglas voorziene lantaarn, voor gebruik in huis (Teenstra 1842:125) en buitenshuis (1822, Lammens 1982:93). Vergelijk: “... dit dansen duurde bij het heerlijk starrenlicht en een paar verlichte glazene klokken, die daartoe in voorraad [‘al klaar’] hingen, tot tien uren.”(wnt 7, 2:4216 (1793-1796). 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 88) 1842 (zie boven). Ø /N-N/bc/3-4/-. klopappel, de vrucht van Ambelania acida,

knippa

116

de boomsoort die thans batbati (< Sranantongo) genoemd wordt. De vrucht is pas eetbaar nadat er eerst het ‘melkslijm’ uitgeklopt is. Zie ook appel* (2). Opmerking: De oudste vondst, die bij Von Sack (zie beneden), bestaat in de verduitsing Klopfapfel. 1821 (Von Sack, 2:70). 1835 (Teenstra 1:350). → (verouderend). Ø /N-N’/wp/46/-. knippa, een ingevoerde vruchtboom (Melicoccus bijugus). Tropisch Amerikaans element, sub 3. 1689 (P. Hermann) en 1774 (C. Commelin), beide volgens Wijnands (1983:185). →. Zie ook: knippenboom*. Ø /Am/cp/1-6/-. knippen (alleen meervoud), vruchten (eetbare noten) van de knippenboom*. Tropisch Amerikaans element, sub 3. 1755 (Jacquin, zie Houttuyn 2, 2:277;1774). → (knippa < Sranantongo). Ø /Am/wp/2-?/-. knippenboom, een ingevoerde boomsoort (Melicocca bijugus). Zie knippen*. 1774 (Houttuyn 2, 3:692). - 1910 (Sack 42). Ø /Am-N/wp/2-5/-. knobbelboasi, vorm van boasie* (lepra) met knobbels onder de huid. 1798 (Teenstra 1835, 2:195). Ø /N(S?W?)/z/3/-. knoflookrank, een soort liaan die sterk naar knoflook ruikt (Mansoa alliacea), in Surinaams-Nederlands heden genaamd knoflookliaan. 1689 (Hermann fol. 35). →. Zie ook: uepollin*. Ø /N’-N/wp/1-6/-. coanali: zie connari*. coata: zie kwatta*. coe-: zie ook cou-* koebie (-s), een ombervis van de rivieren (Plagoscion surinamensis) en enige verwan-

koelder

ten van deze. < Sranantongo koebie (Schumann 1783:93). 1835 (Teenstra 2:457). →. Zie ook: schelvis* (1 en 2). Ø /S/d/4-6/-. koebiston, otoliet (evenwichtssteentje) uit de kop van een koebie*. Er wordt magische kracht aan toegekend < Sranantongo koebiston (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1995:68); Sranantongo ston, ‘steen’. 1732 (Inventaris Archief Raad van Politie 792 fol. 2). →. Ø /S/r/2-6/-. coejakee; cojakee (-s), toekan (vogels van het genus Ramphastos). < Sranantongo koujaki (Fermin 1765:100, Frans gespeld) of < Karaïbisch koejake (Penard & Penard 1910:7, Courtz 301, voor Ramphastos tucanus, van welke de naam de roep nabootst). 1740 (Anonymus 22, cojakee). 1763 (Pistorius 66, coejakee). - 1835 (Teenstra 2:426). → (koejakè). Zie ook: geelborst*, witborst*. Ø /K?S?/d/2-6/-. koek: de koek, vergroting van de milt veroorzaakt door hypertrofie, een gevolg van malaria. < Sranantongo koekoe: milt en miltziekte (Focke 1855:59) < Afrikaans, Koefoed & Tarenskeen. 1992:73; mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1764 (Fermin 85; Kouk, Frans gespeld). 1855 (Focke 59). 1881 (Kappler 1883:39). Ook in Westelijk Guyana (Van der Stoop 1799, zie Bosman 1990:197). Ø /S?W?/z/25/W./. koekerom: zie kokerom*. koelder (-s), in een suikerbedrijf een platte, houten koelbak waarin likker* uit de test* overgeschept wordt. < Engels cooler (Ligon 1657;1673:91) voor een ‘koelpan’. Blom (zie beneden) vermeldt deze laatste ook, met dezelfde func-

koelie

117

tie, maar duidt hem aan als een bekken. 1786 (Blom 68). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 129). Ø /E/pt/3-4/-. koelie (-s), immigrant(e) uit het toenmalige Brits-Indië. < Europees-Nederlands koelie, dagloner, iemand die zware lichamelijke arbeid verricht in een kolonie in de tropen. Genoemde immigranten kwamen als contractarbeiders voor de plantages*. Kwamina (1869, voorwoord, in Van Kempen 2003 1:374) gebruikt het woord al in deze betekenis en een tekening van W.E.H. Winkels uit 1865 heeft als onderschrift onder meer “1863: Kolonisatie met Europ. Chine. Kulies en Portug.” (Mededelingen van het Surinaams Museum 53:42). Het woord lag dus al klaar toen de eersten in 1873 rechtstreeks in Suriname aankwamen. In deze oorspronkelijke betekenis nog aangetroffen in 1945 (Arkieman 16). Later alleen nog pejoratief gebruikt. Zie ook: Hindostaans*. Ø /N’/r/4-5/-. coemacoema (de), een soort meerval (Arius herzbergeri), verwant van de christusvis (koepira*). < Sranantongo kumma kumma (Schumann 1783:94) of < Karaïbisch kumma kumma (Van Panhuys 1904:614). 1740 (Anonymus 23, komma komma). 1771 (Hartsinck 121, comcom). 1796 (Stedman 136, coemmacoemma). → (koemakoema). Ø /K?S?/d/2-6/-. coemoe, comoe, een palmsoort (Oenocarpus bacaba) en de pruimvormige vrucht van deze waaruit een drank bereid wordt; heden koemboe. < Karaïbisch koemoe (Ostendorf 1962:261). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 14, coeme). 1740 (Anonymus 16, comoe). 1845-1849 (Boekhoudt 1874:128 coemoe). 1899 (H. Spalberg 1979:82). Opmerking: Pistorius (1763:30) gebruikt

koeroekoeroe

comoe-boom. Zie ook: palissadecoemoe*; comupien*, pruim* (3), komboe*. Ø /K/wp/1-5/-. koenatepie: zie connatepie*. koepari, teek, waaronder de zeer algemene Amerikaanse bosluis (Amblyomma-soort). < Sranantongo koepari (Focke 1855:60) of < Karaïbisch kupari (Courtz 304). 1835 (Teenstra 2:298, coupari; Lammens 195, koepari). → (koeparie). Zie ook: krapa* (II), karpatluis* Ø /K?S?/d/4-6/-. koepen, koeienstal. Europees-Nederlands koe + pen*. Ca. 1708 (zie Van der Linde 1966, afb. 5). 1866 (Van Schaick 45). Ø /N-E/pt/1-4/-. koepira, christusvis (Sciadeichthys proops), een soort meerval. < Sranantongo koepira (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:624) of < Karaïbisch kupira, Focke 1858a:312. 1835 (Teenstra 448, koupira, koupila). →. Ø /K?S?/d/4-6/-. coerehare, twee boomsoorten (Calophyllum brasiliense en Calophyllum longifolium), heden in Surinaams-Nederlands genoemd koerali (< Sranantongo). < Arowaks en Karaïbisch koerahara (Ostendorf 1962:64). 1787 (Blom 304). - 1855 (Van Sypesteyn 176, koerahara). Zie ook: courari*. Ø /Ind./wp/3-4/-. koerikoeri: zie koeroekoeroe*. coerjaal, coerjaar: zie corjaar*. koeroekoeroe, koerokoero, emmervormige draagmand van indiaanse herkomst. < Sranantongo koeroe-koeroe (Focke 1855:60) of < Karaïbisch koeroekoeroe (Van Panhuys 1904:612), (Courtz 306). Volgens Lichtveld (1929:525) komt het Sranantongo-woord van Afrikaans ákoré. 1735 (Inventaris Archief Raad van Politie 789 fol. 31). - 1866 (Van Schaick 56). 1903 (Van Coll 485). → (kroekoeroe).

coert

118

Opmerking: Couroucourie bij Brouwn (1796; 1984:180), koerikoeri Lammens (1827; 1999:139) en Kappler (1881;1883: 180). Ø /K?S?/ic/2-6/-. coert: zie court*. koertoe, kroetoe, formeel gesprek, beraadslaging, vergadering, in het bijzonder onder en met boschnegers* en indianen. < Sranantongo kroetoe (Focke 1855:67) < Engels court, (Smith 1987:341), ‘rechtbank’. 1762 (De Beet & Price 1982:117). 1854 (Kappler 1983:136). → (kroetoe). Zie ook: court*. Ø /S/r/2-6/-. koesoewe, anatto, bixine of orleaan, de rode kleurstof uit de vruchten van de anattoboom (Bixa orellana). < Sranantongo koesoewe (Focke 1855:60) of < Karaïbisch koesoewe (Van Coll 1903:646, Courtz 307). 1763 (Pistorius 23, cosowee). 1771 (Nepveu 284). - 1835 (Teenstra 1:372). → (koe(oe)we). Zie ook: rocoe*, achiote*. Ø /K?S?/wp/26/-. koetai, vieroog, de naam voor enige vissen van het genus Anableps. < Sranantongo (Fermin 1765:81; coutai, Franse spelling) of < Karaïbisch koetai (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 44). 1771 (Nepveu 348, coetaay). - 1855 (Focke 60). →. Zie ook: grootoog*. Ø /K?S?/d/2-6/-. koewagter, wagter*, in dit geval herder, dat wil zeggen hoeder van vee (dus ook schapen, varkens enz.) op een plantage*. < Europees-Nederlands koewagter, hoeder van alleen rundvee. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:84). - 1855-1863 (Bartelink 1916:55). Ø /N’-N’/pp/2-5/-. koffermand: zie pagaal*. koffie: rode en zwarte koffie, koffie in de

koffiemat

rode bast* en de zwarte bast*: zie aldaar 1828 (Van Borcharen 40). Zie ook: boeba*. Ø /N+N/pt/4/-. - : Surinaamse koffie, zekere soort koffieplant (Coffea arabica), de bonen en de drank van deze. Surinaams(ch) werd in de loop van de 19e eeuw toegevoegd, ter onderscheiding van de inmiddels ingevoerde en meer gebruikte Liberica-koffie (Coffea liberica), die allengs kortweg koffie genoemd werd. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 153). →. De plant /N+N/cp/4-6/-. De drank / N+N/bc/4-6/-. koffiebreekmolen (-s), molen voor het kneuzen (breken) van de buitenste schil (rode bast*) van koffiebessen. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 21). 1825 (Oostindie 1989:218). Zie ook: breekmolen*, koffiemolen*, breekhuis*, roller* (2). Ø /N-(N’?W?)/ pt/4/-. koffiegrond: zie grond* (I, 2). koffiehandbak, niet nader geïdentificeerd hulpmiddel in een koffiebedrijf, waarschijnlijk een voorloper zonder wieltjes van de schuifbak*. 1758 (Oostindie 1989:488). Ø /N-X/pt/2/-. koffieloods, loods waar geoogste koffiebessen algeheel behandeld worden of pas nadat ze eerst in een morsloods* van de rode bast* zijn ontdaan. 1768 (Van Dyk 74). - 1801 (Oostindie 1989:219). Ø /N-N/pt/2-3/-. koffiemama (de), een boomsoort (Erythrina fusca), aangeplant als schaduwboom voor koffie en cacao. < Sranantongo koffi-mama (Focke 1855:60). 1835 (Teenstra 1:300). - 1855 (Focke 60). →. Zie ook: zandkoker*. Ø /S/wp/4-6/-. koffiemat, liggende boomstam met 10 à 12 gaten dienende als blokken voor het stampen van koffiebessen, opdat de buitenste schil (rode bast*) breekt en loslaat.

koffiemolen

119

Zie mat*; bij Focke (1855:79) Sranantongo koffi-matta. 1764 (Oostindie 1989:488). - 1855 (Focke 79). Zie ook: stampmat*, tomtom-mat*, breekmolen*. Ø /N-S/pt/2-4/-. koffiemolen, als koffiebreekmolen*. Vergelijk Europees-Nederlands koffie­ molen, een handmolen voor het malen van gebrande koffiebonen. Hoewel het wnt als eerste vondst hiervan 1710 geeft, lijkt het niet waarschijnlijk, dat de Surinaamse betekenis daarvan afgeleid zou zijn. 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1014). 1825 (Oostindie 1989:218; Bosch, 125, 4). Ø /N-N/pt/3-4/-. koffieschop: zie schop*. koffiestaat, koffieplantage. Zie staat*. 1788 (Roos 1804:24). -1854 (Van Sypesteyn 201). Ø /N-E/pt/3-4/-. koffiestuk: zie stuk*. koffiewaaimolen (-s), waaimolen (wanmolen) die na het stampen van de gedroogde koffiebessen de schillen scheidt van de ‘bonen’. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 53, coffy Waaymolens). Ø /N-N/pt/3/-. cojakee: zie coejakee*. koken, suikerrietsap (likker*) inkoken tot suiker. Het wnt geeft wel suikerkoken met een citaat uit 1682 voor ‘suiker fabriceren’. 1786 (Blom 61). Ø /N’/pt/3/-. koker (-s), slaaf die kookt*, in een kookhuis* (een) kookpan(nen) te weten suikerketel(s)* bedient. 1693 (Reeps 19). - 1855 (Focke 15). Zie ook: suikerkoker*. Ø /N’/pp/1-4/-. kokerij, als kookhuis* (zie aldaar). In het voormalige Nederlands Oost-Indië met betekenis ‘suikerfabriek’ (wnt). 1693 (Reeps 19). Ø /N’/pt/1/-. kokerom, koekerom, vrijstaande keuken. < Engels cook-room.

combées

Vormen met -o- 1711 en 1720, met -oe1727-1790. 1711 (Schiltkamp & De Smidt 279). - 1790 (Hoogbergen 1984:81). Ø /E/bc/1-3/-. kokneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als kok. 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 12). Ø /N-Am/bc/3/-. Kolonie: de Kolonie, Suriname. Eertijds ter plaatse de meest gebruikelijke aanduiding, althans in geschrifte. 1822 (Lammens 1982:6). - 1908 (Penard & Penard 126). Ø /N’/bs/3-5/-. - : de Nieuwe Kolonie, de kuststrook tussen de Coppename en de Corantijn. De kolonisatie en de aanleg van plantages* begon hier pas omstreeks 1800. Zie ook de Oude Kolonie*. 1835 (Teenstra 1:74). - 1854 (Van Sypesteyn 68). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 509). Ø /N+N/bs/4-5/-. - : de Oude Kolonie, de gekoloniseerde kuststrook tussen de Coppename en de Marowijne. Gebruikt ter onderscheiding van de Nieuwe Kolonie*. 1822 (Lammens 1982:132). - 1835 (Teenstra 1:74). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 509). Ø /N+N/ bs/3-5/-. combées (alleen meervoud), buitenverblijven en tuinderijen, gelegen in de voorstad ‘De Combé’, aansluitend bij Paramaribo achter het fort Zeelandia. Het geheel nam de plaats in van een voormalige plantage* die bewoond geweest was door de bestuursambtenaar Nicolaes Combé, overleden 1691 of 1692 (Oudschans Dentz 1959:28 en volgende). 1794 (Schiltkamp & De Smidt 1179). 1866 (Van Schaick 192). Zie ook: erf* (2). Opmerking: Op de plaats van de combées is nu een woonwijk met de naam ‘De Combé’. Ø /N’/bc/3-4/-.

komboe

120

komboe, als coemoe*: zie aldaar < Sranantongo (Focke 1855:59). 1835 (Teenstra 1:408). 1910 (Sack 10). → (koemboe). Ø /(K)S/wp/4-5/-. comcom: zie coemacoema*. komma komma: zie coemacoema*. commanderen, een slaaf (of slaven) of burgers vorderen voor overheidsdienst, zowel burgerlijke als militaire. < Europees-Nederlands commanderen, betekent onder meer ‘oproepen’ in het algemeen. Vergelijk Engels to command. 1693 (Reeps 19). - 1769 (De Beet 1984:88). Zie ook: boschcommando*. Ø /N’/bs/12/-. commandogeweer, vermoedelijk geweer als in gebruik bij een boschcommando*. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 5). Ø /N’-N/o/4/-. commandoneger, neger* door zijn eigenaar verplicht aan de koloniale overheid uitgeleend voor tijdelijke militaire of burgerdienst. Zie commanderen*, zie boschcommando*. 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:37). 1802 (Blom 97). Opmerking: Er is aan deze praktijk uiterlijk in 1863, met de emancipatie*, een eind gekomen. Zie ook: commandoslaaf*. Ø /N’-Am/ bs/2-3/-. commandoslaaf, als commandoneger*. 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1036). 1817 (Lammens 1982:173). Ø /N’-N/bs/2-3/-. communicatie, kort voor communicatiepad* of communicatieweg* (zie aldaar). < Engels communication, betekent onder meer verbindingsweg. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 35). 18551863 (Bartelink 1916:26). → (in de betekenis van landweg in het algemeen). Ø /E/r/4-6/-. communicatiepad, pad langs rivier of kreek*, plantages* verbindend.

conane

1777 (Schiltkamp & De Smidt 915). 1866 (Van Schaick 112). Ø /E-N/r/3-4/-. communicatieweg, als voorgaande, misschien iets beter begaanbaar. 1855-1863 (Bartelink 1916:29). 1884 (Elout van Soeterwoude 31). Ø /E-N/r/4-5/-. comoe(-): zie coemoe(-)*. compassieman, gids in het binnenland. < Sranantongo kompasi (Wullschlägel 1856:5), ‘kompas’. Het betekent hier echter vermoedelijk ‘richting’ (zie wnt 7, 2:5233). 1771, 1774, 1775 (De Beet 1984:91, 157, 196). Ø /S-N/r/2/-. comphor(hout), niet nader te bepalen boomsoort uit de Laurierfamilie en het geurige hout van deze, als gebruikt voor zolders. < Engels comphor-wood. 1786 (Visscher Heshuysen 336, 339). Ø /E/ wp/3/-. comupien, vermoedelijk bladeren van coemoe* of palissadecoemoe* voor dakbedekking. Zie deze namen en pien* (2). 1792 (Stoelman, zie Hoogbergen 1984:149). Ø /K-X/wp/3/-. konamie, naam voor twee struiken (Clibadium surinamense en Clibadium sylvestre) die een visvergif leveren, dat toegevoegd aan open water te vangen vissen naar de oppervlakte drijft. < Sranantongo koenamie (Focke 1855:59) of < Karaïbisch koenami, Focke 1858a:312, (Courtz 303). 1796 (Stedman 214; konamee, Engelse spelling). - 1854 (Kappler 1983:103). → (koenami). Zie ook: connari*. Ø /K?S?/wp/3-6/-. conane, een inheemse palmsoort (Astrocaryum paramaca). < Karaïbisch en Arowaks koenana (Ostendorf 1962:259). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 9).

concordantiebeginsel

121

Zie ook: paramakka*. Ø /Ind./wp/1/-. concordantiebeginsel, in het bijzonder het streven naar overeenstemming van de wetten in Suriname met die in Nederland. 1865-1975 (Encyclopedie van Suriname 125). Ø /N-N/bs/4-6/-. condré: zie contre*. konijn (het, -en), agoeti of goudhaas (Dasyprocta leporina). Het is een knaagdier dat goed springen kan, als een Europees-Nederlandse konijn (Oryctogalus cuniculus), maar daar overigens (korte oren!) weinig op lijkt. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1693 (Reeps 21, conijnties). - 1855 (Focke 62). →. Zie ook: konikoni*, cotie*. Oudste vindplaats in Brazilië (De Laet 1625:415), ook in Oostelijk Guyana (Zeeuw 1627, zie Lichtveld & Voorhoeve 1980:17) en in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:21). Ø /Am /d/1-6/B./O./W./. konikoni, goudhaas (Dasyprocta leporina). < Sranantongo konikoni (Van Dyk 1768:17) < Engels coney, Smith 1987:240 of < Engels cunning, ‘slim’, Echteld 1961:82. 1787 (Blom 34, konnij konnij) - 1872 (Anonymus 66). →. Zie ook: konijn*, cotie*. Ø /S/d/3-6/-. koning (de), 1. evenals in Europees-Nederlands in een molen de vertikale spil die als centraal onderdeel van het mechaniek de aandrijving overbrengt op het malen*(1). In Suriname in het bijzonder in een suikermolen de as van de koningsroller*, die samen met de zijrollers* het riet* maalt*, ofwel uitperst. De koning is bij een beesten­werk* door zwiepings* verbonden met de in het rond lopende trekdieren, bij een waterwerk* door een horizontaal kamrad en het vertikale bonkelrad* met het scheprad*. 2. als koningsroller*. 1: 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1014). 1805 (Schiltkamp & De Smidt 1258).

consaca-wiwiri

Ø /N’/pt/3/-. 2: 1720 (Oostindie 1989:43). - 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 53). Ø /N’/ pt/1-3/-. koningsroller, middelste van de drie staande walsen (rollers*) in een suikermolen. Zie onder koning*. 1835 (Teenstra 1:214). Zie ook: koning* (2), middelroller*, trasroller* en zijdroller*. Ø /N’-E/pt/4/-. connari, als konamie* (zie aldaar). < Arowaks konali (Ostendorf 1962:212). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 18). Opmerking: Hartsinck (1770:79) geeft voor Suriname, Westelijk Guyana of beide coanalie-boom. Ø /Ar/wp/1-3/W./. connatepie, koenatepi, enige boomsoorten van het genus Platymiscium en hun hout. < Arowaks, Karaïbisch en Sranantongo (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 1917: 407; Ostendorf 1962:97). 1740 (Anonymus 15). - 1855 (Van Sypesteyn 174). → (koenatepie). Opmerking 1: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van zeker hout uit Suriname onder de naam konatappihout tussen 1847 en 1851 in Zwolle. Opmerking 2: De Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917: (466) geeft de naam, vermoedelijk ten onrechte, aan Matayba camptoneura. Ø /X/wp/2-6/-. consaca, zwemmerseczeem (epidermofytie), een schimmelinfectie aan de voeten. < Sranantongo kumsakka (Schumann 1783:94) < Karaïbisch kumisako (Ahlbrinck 1931:237, Courtz 302). 1740 (Anonymus 20, consakki). 1796 (Stedman 149). → (konsaka). Ø /(K)S/z/26/-. consaca-wiwiri, inheems kruid (Peperomia pellucida) dat een medicijn tegen consaca* levert. < Sranantongo kumsakkawirri

konthout

122

(Schumann 1783:94), konsakka-wiwiri (Focke 1855:63). Zie wiwiri*. 1796 (Stedman 238; consacaweeree-weeree, Engelse spelling). → (konsakawiwiri). Zie ook: soldatensalade*. Ø /S/wp/3-6/-. konthout, een boomsoort (Minquartia guianensis) en het zeer harde hout van deze. Herkomst van de naam onduidelijk. Mogelijk van Saramakaans kontu-udu (Klooster (2003:124). 1835 (Teenstra 1:351). 1855 (Van Sypesteyn 170). →. Zie ook: aratte*. Ø /X-N/wp/4-6/-. contre, contri (de, het), contrij (het, -en), woonplaats, plaats die men als zijn ‘thuis’ beschouwt, in het bijzonder als het een dorp is. < Engels country, betekent onder meer ‘thuis’ (oed 3:1052; vanaf 1582). Vergelijk Sranantongo kondre, betekenis idem (Schumann 1783:86). 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:104; contrijen, meervoud). 1759 (ibid. 117, contre). - 1772 (De Beet 1984:143, contri). - 1839-1851 (Van der Aa 1993:35, condré). Ø /E/r/2-4/-. contreman, landgenoot, iemand met wie men woonplaats of herkomst deelt. Zie contre*. 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). → (kondreman, als Sranantongo) Ø /E-N/r/2/-. kookhuis, op een suikerplantage een gebouw of deel daarvan voor het koken* van het suikerrietsap tot suiker. < Engels boiling-house (Ligon 1657; 1673:55), zie ook huis*; of afkomstig uit Brazilië of Westelijk Guyana (zie beneden). 1680 (Van der Doe e.a. 1992:21). - 1866 (Van Schaick 65). 1884 (Elout van Soeterwoude 35). → ? Zie ook: huis*, kokerij*.

koornhuis

Ook in Brazilië 1624-54 (Kolfin 1999:160) en Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:472). Ø /X/pt/1-5/B./W./. kookneger, negerslaaf (neger*) die kookt*, dat wil zeggen in een kookhuis* (een) kookpan(nen), te weten suikerketel(s)* bedient. 1835 (Teenstra 1:230). Zie ook: koker*, suikerkoker*. Ø /N-Am/ pp/4/-. koolpot, gietijzeren kooktoestel voor één pan, met een ruimte voor het stoken van houtskool en daaronder een ruimte voor as. < Engels coal-pot. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 17). 1919 (H. Spalburg 2004, 1:258, in advertentie). →. Ø /E/bc/4-6/-. koorn, 1. (het) de plant maïs (Zea mays); 2. maïskorrels (ook als stofnaam); beide heden in Surinaams-Nederlands koren. Waarschijnlijk < Engels corn, Indian corn, ‘maïs’ onder meer in de VS. Europees-Nederlands koren is de naam voor grasachtige graangewassen en hun zaden (korrels). Maïs is niet grasachtig, werd eertijds wel Turks koren genoemd. 1: 1771 (De Beet 1984:93). 1783 (Roos 33). →. Ø /N’?E?/cp/2-6/-. 2:. 1694 (Schiltkamp & De Smidt 204, coren). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 6). →. Ø /N’?E?/cp/1-6/-. Zie ook: caro*. koornblom, gezeefd maïsmeel. Zie koorn* (2). Blom (bloem) < EuropeesNederlands bloem, ‘gezeefd tarwemeel’. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 11). Zie ook: koornmeel*. Ø /(N’?E?)-N/ bc/4/-. koorngrond: zie grond (I, 3). koornhuis, opslagplaats voor koorn* (2). Zie ook huis*. 1733 (Beeldsnijder 1994:171). - 1789 (Hoogbergen 1984:47). Ø /(N’E?)-X/pt/23/-.

koornmeel

123

koornmeel, als koornblom*: zie aldaar 1851 (Van Lier 1977:123). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 7). → (korenmeel). Ø /(N’?E?)-N/r/4-6/-. koornmolen (-s), molen voor het malen van koorn* (2), vermoedelijk met de hand gedraaid. 1723 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 651). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 5). Opmerking: Heden in Surinaams-Nederlands een keukeninstrument, ook gebruikt voor het malen van erwten, bonen en dergelijke, Ø /(N’?E?)-N/pt/2-4/-. koornpeller (-s), hulpmiddel om maïskorrels (koorn*, 2) van de kolf te scheiden. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 58). Ø /(N’?E?)-N/pt/4/-. koornschop: zie schop*. Ø /(N’?E?)-N/ bc/1-4/-. koorsoe wiewierie, lantana, een wilde heester (Lantana camara). < Sranantongo koorsoe wiewierie (Focke 1855:63); betekent ‘koortskruid’; een aftreksel van de bladeren (Surinaamsche thee*) is koortswerend. 1835 (Teenstra 2:344). 1910 (Sack 55). →. Zie ook: Surinaamsche theeboom*. Ø /S/ wp/4-6/-. kop: zie koppen*. kopcalabasje, klein exemplaar van de calabas* (II). Gebruikt voor het maken van een laatkop. Europees-Nederlands koppen was aderlaten. 1771 (C. Dahlberg nr. 30, kopp calbasie). Ø /N-N/cp/2/-. kopie, een boomsoort (Goupia glabra) en het als timmerhout gebruikte hout van deze, ook voor meubels, ook attributief. Opmerking: Vers gezaagd stinkt het hout, maar dat verdwijnt. < Sranantongo kopi (Schumann 1783:87) < Karaïbisch koepi-i (Ostendorf 1962:144,

Cordonpad

Courtz 304). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:67). - 1855 (Focke 63). →. Opmerking: Teenstra (1835, 1:343) noemt een niet identificeerbare boom witte kopie. Ø /(K)S/wp/2-6/-. kopiehout, als kopie* (het hout). 1763 (Pistorius 53).- 1858 (Van Sypesteyn 139). Opmerking: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van hout uit Suriname met deze naam tussen 1847 en 1851 in Zwolle. Ø /(K)S-N/wp/2-4/. koppen (meervoud), personen, alleen als teleenheid voor aantal slaven. < Europees-Nederlands koppen, in het bijzonder gebruikt voor manschappen van leger en vloot (wnt). 1730 (Inventaris West-Indische Compagnie 1140). - 1839-51 (Van der Aa 1993:21). → (personen in het algemeen). Opmerking: Het Surinaams-Nederlandse gebruik kan tot later hebben voortgeduurd, eventueel ook met betrekking tot geïmmigreerde contractarbeiders. Ø /N’/ bs/2-4/-. corantijnschaap, zeker schapenras met bruinachtige wol. Eertijds, voor 1835, gefokt in het district Nickerie, dat door de Corantijn begrensd wordt. 1831 (Teenstra 1835, 1:122). Ø /NN/d/4/-. Cordon (de, het), eigennaam van een kordon van militaire posten, vanaf de post Gelderland aan de Surinamerivier tot aan de post Uitkijk aan de kust; beschermde het plantagegebied tegen invallen van boschnegers*; in gebruik van 1778 tot in de eerste helft van de 19e eeuw; nog vermeld uit 1834 (Teenstra 1842:4). Opmerking: De officiële naam was “Linie of Kordon van Defensie”. Ø /N’/o/3-4/-. Cordonpad, het pad dat, als onderdeel van

coren

124

het (inmiddels verdwenen) Cordon*, de militaire posten verbindt; heden zijn nog vage resten in de wildernis herkenbaar (zie de Encyclopedie van Suriname 129). Ø /N’-N/o/3-6/-. coren(-): zie koorn(-)*. corjaar, coerjaar, corjaal (-s, -en), open boot van uitgeholde boomstam. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 45, coriaer). - 1855 (Focke 67). → (korjaal). Opmerking: ’t korjaal (Roos 1804:169); coerjaartje (1749; De Beet & Price 1982:51). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:32, coriaer). Zie ook: cano*, periage*, grondcorjaar*, schulp(-)* en tentcorjaal*; samenstelling ook vischcuriael (De Surinaamsche Courant 1804, nr. 32). Ø /Am/r/1-6/W./. corkietje, huiswinterkoning (Troglodytes aedon albicans); heden in Sranantongo en Surinaams-Nederlands gadofowroe*, zie verder aldaar voor andere namen. Herkomst onduidelijk, zie Van Donselaar (2000a:268). 1770 (Hartsinck 107). Ø /X/d/2/-. corre (-s), fleskalebas, de vrucht van een cultuurvorm van de Europees-Nederlandse kalebas (Lagenaria siceraria). < Karaïbisch koro (Ostendorf 1962:18). 1740 (Anonymus 18). Zie ook: calabas* (II), wilde fles*. Ø /K/ cp/2/-. korrekorre, groene ibis of cayenne-ibis (Mesembrinibis cayennensis). < Sranantongo korokoro (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:187) of < Karaïbisch korokoro (Courtz 299); klanknabootsing. 1835 (Lammens 173). → (korokoro, als Sranantongo). Ø /K?S?/d/4-6/-. kost (de), verzamelnaam voor voedingsgewassen en hun voortbrengselen voor eigen

kostplanter

gebruik of voor verkoop ten behoeve van gebruik in eigen land. < Europees-Nederlands kost, betekent ‘dagelijks verstrekt voedsel’. 1679 (Anonymus, zie Lichtveld & Voorhoeve 1980:58). - 1787 (Blom 36). Zie ook: kropkost*, negerkost*, slavenkost*; groene kost*. Opmerking: De samenstellingen van kost doen veronderstellen, dat het woord in genoemde, beperkte betekenis tot ongeveer 1900 in gebruik is geweest. Ø /N’/ cp/1-3-5/-. kostgrond, 1. plantage* of deel daarvan voor de verbouw van kost*; 2. kleine akker van particulier(en), in het algemeen van slaaf (eerst), van boschneger(s)* (later, en dan eventueel groot) en van indianen, met kost* voor eigen gebruik. 1. Zie grond* (I, 2). 1685 (Schiltkamp & De Smidt 163). - 1866 (Van Schaick 122). Zie ook: kostplantage*, kweekgrond*. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:441), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N’-E)?W?/pt/1-4/W./. 2. Ook kostgrondje. Zie grond* (I, 3). 1718 (Herlein 84). - 1858 (Van Stipriaan 1993:405). → (van particulieren in het algemeen). Zie ook: negerkostgrond*, bokkengrond*. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:272). Ø /(N’-E)?W?/sc/1-6/W./. kostplantage (de, -giën, -s), boerenbedrijf waar kost* verbouwd wordt voor de verkoop. 1693 (Reeps 19). - 1771 (Nepveu 211). Zie ook: kostgrond* (1), kweekplantage*. Ø /N’-N/pt/1-2/-. kostplanter, eigenaar, directeur* of beide van een kostplantage*. 1695 (H. Spalburg 2004, 2:331). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 25). Ø /N’-N/ pp/1-4/-.

kostwagter

125

kostwagter, op een plantage wagter* (verzorger en bewaker) van de kost* op een kostgrond* (1). 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213) - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 65). Ø /N’-N’/pp/2-4/-. kostwagtershuisje, huisje van kostwagter* bij een kostgrond* (1). 1787 (Blom, hoofdstuk 5). Ø /(N’-N’)-N/ pt/3/-. cotie. Hoewel Reeps (1693:21) deze naam voor de agoeti of goudhaas (Dasyprocta leporina) vermeldt voor Suriname, lijkt het zeer waarschijnlijk dat hij deze meebracht uit Brazilië of Oostelijk Guyana. Alle vroege vermeldingen voor Suriname geven Surinaams-Nederlands konijn*. kottie kottie, enige soorten veenmol (Gryllotalpa-soorten). < Sranantongo koti-koti (Focke 1855:63). Sranantongo koti betekent onder meer ‘knippen’ (Schumann 1783:88). Deze insecten knippen met hun scharen groene planten(delen) af. 1835 (Teenstra 1:302; 2:467, kottekotte). →. Ø /S/d/4-6/-. kottoe, kotto, 1. lange, kleurige, geklede rok als gedragen door vrije negerinnen en gemengdbloedigen, alsmede geprivilegieerde negerslavinnen; 2. afkorting van kottoemissie*. < Sranantongo kotto, betekent ook ‘rok’ in het algemeen (Schumann 1783:89). 1: 1866 (Van Schaick 2). →. Ø /S/r/4-6/-. 2: 1866 (Van Schaick 131). Ø /S/r/4/-. kottoemissie, kottomissie (-s), vrouw die op grond van haar standing altijd of soms een kottoe* (1) droeg. Zie missie* (1). Opmerking: Heden wordt een vrouw die zich bij een bijzondere gelegenheid gekleed heeft in de dracht die vroeger gebruikelijk was onder negerinnen en negroïde vrouwen, een kotomissie genoemd. 1866 (Van Schaick 272). - 1917 (Encyclo-

cou

paedie van Nederlandsch West-Indië 403). Ø /S/r/4-5/-. cottontrie, kattentrie, kankantrie (de), wilde kapokboom (Ceiba pentandra). De ontwikkeling uit Engels cotton-tree loopt bij het Sranantongo en het Surinaams-Nederlands min of meer parallel, waarbij het Surinaams-Nederlands zijdelings ook invloed van het Sranantongo lijkt ondervonden te hebben, en eindigt bij beide met kankantri(e). Lammens (1822; 1982:180) geeft ook ‘kamboom’, in de onjuiste veronderstelling dat de naam ontleend zou zijn aan Sranantongo kankan, het woord voor ‘kam’. Bij het Sranantongo is genoemde ontwikkeling als volgt: kattantri (Schumann 1783:32) > kankantri (Focke 1855:54). De oudste vorm in het Surinaams-Nederlands is aangetroffen bij Mauricius (1750) in de samenstelling cattentrieboom* (zie aldaar). cottontree: 1822 (Lammens 1982: 180, kattentrie). 1854 (Kappler 1983:60). cottontrie: 1752 (Inventaris Archief Raad van Politie 803 fol. 46). 1783 (Roos 1804:160). cottentrie: 1785 (Roos 1804:167). Deze drie: /E/wp/2-4/-. kattentrie: 1752 (Inventaris Archief Raad van Politie 803 fol. 46). - 1787 (Blom 422). Ø /E/wp/2-3/-. kankantrij: 1787 (Blom 346). kankantrie: 1822 (Lammens 1982:180). 1835 (Teenstra 1:369). →. Deze twee: /S/wp/3-6/-. Buiten deze spreiding valt: cattoentrie (Nepveu 1771:368). kottontrieboom als cottontrie*. cattentrie(-)boom: 1750 Mauricius in Van Lier 1977:40). 1771 (Nepveu 250). kottentrieboom: 1787 (Roos 1804:65). kankentrieboom: 1802 (Blom 192). 1915 (Weiss 32). Ø /E-N/wp/2-5/-. cou-: zie ook coe-*.

coui

coui (-s), calabas* (I, 3) als nap. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1770 (Hartsinck 54). Zie ook: kalebasschaal*. Ø /Am/sc/2/-. coupari: zie koepari*. courari, een boomsoort (Calophyllum brasiliense). < Sranantongo koerali (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:80). 1787 (Blom 304). 1804 (Eensgezindheid 2, corariboom).→ (koerali). Zie ook: coerehare*. Ø /S/wp/3-6/-. courjaar: zie corjaar*. court, coert (de), 1. naam voor enige rechtsen bestuurscolleges, later hof genoemd; 2. kort voor courtdag* (zie aldaar). < Engels court. 1: 1669 (Schiltkamp & De Smidt 48). 1736 (Schiltkamp & De Smidt 425). Ø /E/ bs/1-2/-. 2: 1685 (Schiltkamp & De Smidt 156). 1695 (Schiltkamp & De Smidt 205). Ø /E/ bs/1/-. courtdag, zittingsdag van een court* (1). 1669, 1670 (Schiltkamp & De Smidt 48, 58). Ø /E-N/bs/1/-. courtweek, week waarin een courtdag* valt. 1701 (Schiltkamp & De Smidt 239). Ø /E-N/bs/1/-. kraan, Amerikaanse reuzenooievaar of jabiroe (Jabiru mycteria). < Engels crane, dat, in tegenstelling tot het Europees-Nederlandse kraan, niet alleen gebruikt wordt voor ’kraanvogel’ (Grus grus), maar lokaal ook voor sommige andere grote vogels met lange hals en poten (oed 3:1113). 1771 (Nepveu 332). - 1821 (Von Sack 1:222; surinamische Kranich, Duits). 1929 (Ahlbrinck 26, kraanvogel). Zie ook: blaasman*, toejoejoe*. Ø /E/d/23/-. craauw (de), kraanral of koerlan (Aramus guarauna).

126

krabvogel

< Karaïbisch karaw (Ahlbrinck 1931:210), klanknabootsing. 1763 (Pistorius 72). Opmerking: De hedendaagse SurinaamsNederlandse naam is krawkraw (< Sranantongo). Ø /K/d/2/-. crabbedago, naam door enige auteurs gegeven aan verschillende hond- en beerachtige roofdieren, later beperkt tot de krabbenhond* (zie aldaar). < Sranantongo krabbo-dago (Schumann 1783:90). 1740 (Anonymus 21) - 1854 (Van Sypesteyn 60). 1900 (Penard 1:68, 70, 71). → (krabdagoe). Zie ook: wilde hond*, vos*. Ø /S/d/2-6/-. krabbejaas, -jas, framboesia (jaas*, 1) aan voeten en handen. < Sranantongo krabbo-jassi (Schumann 1783:90) of < Engels crab-yaws (oed, vanaf 1739). Volgens Beeldsnijder (1994:200) liep een lijder als een krab. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:84). - 1854 (Landré 39). → (klaverjas*). Ø /E?S?/z/2-4/-. krabben, (ook:) krassen, schuren. Bij Europees-Nederlands krabben ontstaan geen krassen (groefjes), zoals bij Europees-Nederlands krassen. 1755 (De Beet & Price 1982:89, 90). →. Ø /N’/r/2-6/-. krabbenhond, krabbenetende wasbeer (Procyon cancrivorus). < Sranantongo krabbo-dago (Schumann 1783:90). < Engels crabdog, Fokke 1855:64; niet in oed of Webster (1997). 1855 (Focke 64). - 1931 (Ahlbrinck 492). Zie ook: crabbedago*, wilde hond*. Ø /S/d/4-5/-. crabboom: zie krapboom*. krabvogel, krabbeneter of geelkruinkwak (Nycticorax violacea cayennensis), in Surinaams-Nederlands heden dikkop. Het dier eet onder meer krabben.

krafana

127

Bij Hartsinck (1770:113) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /(N-N)?W?/ d/2/W./. krafana, een aantal vissoorten behorende tot de Ansjovisachtigen (Engraulidae). < Sranantongo krafana (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:35). 1835 (Teenstra 2:450). →. Ø /S/d/4-6/-. kraloe: zie caleloe*. krap, twee boomsoorten (Carapa procera en Carapa guianensis) en hun hout (heden in Europees-Nederlands Surinaamse mahonie), ook attributief, gebruikt als timmerhout en voor singels*; zie verder krap-olie*. < Sranantongo krapa (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917: 197) of < Karaïbisch karapa (Ostendorf 1962:136, Courtz 292), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1763 (Schiltkamp & De Smidt 775). -1804 (Eensgezindheid 31). Oudste vindplaats Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:76). Zie ook: krapa* (I). Ø /K?S?W?/wp/23/W./. krapa I., als krap*. 1835 (Teenstra 1:372). 1855 (Van Sypesteyn 176). →. Opmerking: Teenstra onderscheidt rode en witte krap; betekenis daarvan niet duidelijk. Ø /K?S?/wp/4-6/-. krapa II., teek. < Sranantongo krapa (Focke 1855:65). 1835 (Teenstra 2:479). - 1855 (Focke 65). Zie ook: koepari*, karpatluis*. Ø /S/d/4/-. krapatolie: zie carapatolie*. krapboom, als krap* (de boom). 1768-1780 (Quandt 1807:158; Krabbaum, verduitsing van het Surinaams-Nederlandse woord). 1771 (Hartsinck 76). Ook in Westelijk Guyana (Berk 1695:77), mogelijk afkomstig van daar. Ø / (K?S?W?)-N/wp/3/W./.

kraswater

krape: zie calapé*. kraphout, als krap* (vermoedelijk zowel het hout als de boom). 1718 (Herlein 277). - 1839 (Benoit 34). Ø /(K?S?W?)-N/wp/1-4/-. krap-olie, krapa-olie, olie gewonnen uit de vruchten van krap(a)*. krap-olie: 1736 (Inventaris Archief Raad van Politie 790 fol. 2). 1771 (Nepveu 153). In deze vorm ook in wnt. krapa-olie: 1763 (Pistorius 22). 1775 (Sneebeling 1973:19). →. Samen: /(K?S?W?)-N/wp/2-6/-. kraskras, naam voor jeukende huidaandoeningen. < Sranantongo krassikrassi (Schumann 1783:90) < Engels cratch, Smith 1987:250. 1742 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). - 1835 (Teenstra 2:400). → (kraskrasi, als Sranantongo). Opmerking: Stedman (1796:273) geeft crassy-crassy (Engelse spelling). Ø /S/z/24/-. kraskreek, doorsteek, gegraven watergang die twee rivieren met elkaar verbindt. < Sranantongo krassi-kriki (Focke zie beneden). Sranantongo krasi (< Engels cross) betekent hier ‘dwars’. Zie kreek*. 1855 (Focke 65). Ø /S/m/4/-. krasmier, brandmier (Solenopsis geminata). < Sranantongo krassi-mira (zie Schumann 1783:90). Sranantongo krasi betekent hier ‘jeukend, brandend’. 1770 (Hartsinck 106). 1845-1849 (Boekhoudt 1874:135). Ø /S/d/2-4/-. krastayer, verwilderde tayer* (zie aldaar) waarvan de knol niet eetbaar is. < Sranantongo krassi-taja (Focke 1855:65). Sranantongo krasi betekent hier ‘scherp smakend’. 1740 (Anonymus 92). - 1835 (Teenstra 1:207). →. Ø /S-Braz./cp/2-6/-. kraswater, onstuimig water. < Sranantongo krassi-watra (Focke

kreek

128

1855:65). Sranantongo krasi betekent onder meer wild, onstuimig. 1818 (Lammens 151). → (kras water). Ø /S/r/3-6/-. kreek, behalve Europees-Nederlands ‘kreek’ ook: kleine rivier, beek. < koloniaal Engels creek (oed 3:1142), of afkomstig uit Brazilië of Westelijk Guyana (zie beneden). 1669 (Schiltkamp & De Smidt 45). - 1835 (Teenstra 1:93). →. Opmerking: Een kraskreek* is gegraven. Oudste vindplaats Brazilië (Keye 1659:68), ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:38). Ø /X/m/1-6/B./W./. - : in de kreek of kreken, in het gecultiveerde gedeelte van het stroomgebied van een kreek* of enige kreken. Naar analogie van “in de rivieren*”. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 45). - 1777 (Schiltkamp & De Smidt 914). Ø /X/m/13/-. creole, crioole, ingeboren, bijvoeglijk naamwoord bij creool* (1, 2, 3 en 4). Aangetroffen bij: neger* (1688-1784), slaaf (1740), zuster (1742), keen* (1761), meid* (1771), dorp (1784), smoel (1785), negerin* (1788), kindertjes (1793), os (1871), paard (1917). Zie echter ook creole-riet*. Ø /Am/r/1-5/-. creolenhuis, crèche voor slavenkinderen (creolen*, 2) op een plantage*. 1860-62 (Voorduin in Kolfin 1999:10). 1862 (Oostindie 1989:150). Ø /Am-N/ sc/4/-. creolenmama, oude plantageslavin als oppas en verzorgster van slavenkinderen (creolen*, 2) van overdag werkende moeders. Zie ook onder creole*. 1786 (Blom 374). - 1866 (Van Schaick 130). Zie ook: nene*. Ø /Am-N’/pp/3-4/-. creolenmoeder, als creolenmama*. 1768 (Oostindie 1989:109). - 1862 (Lamur 1983:63). Ø /Am-N’/pp/2-4/-.

creool

kreolen-neger, als creole neger*. 1760 (Dragtenstein 206). - 1839-51 (Van der Aa 1993:29). Ø /Am-Am/r/2-4/-. creole-riet, 1. naloper(s) van suikerriet, dat is opslag die zich niet goed ontwikkelt doordat al aanwezig riet* dat belemmert. Herkomst van creole is hier niet duidelijk. 1835 (Teenstra 1:210). Zie ook: crioole keen*. Opmerking: Bij Oostindie (1989:31) blijkt dat creole met betrekking tot suikerriet ook betekend kan hebben ‘van eigen bodem’, dit ter onderscheiding van (een) later geïmporteerd(e) ras(sen). Ø /X-N/cp/4/-. creool, criool (-en), 1. ingeboren neger (en dan ter onderscheiding van zoutwater­ neger*) of persoon van gemengd zwart en blank ras, hetzij slaaf, hetzij vrije; 2. in het bijzonder jonge kinderen van slaven als 1; 3. ingeboren boschcreool*; 4. (ook attributief) ingeboren landbouwhuisdier en het vlees daarvan. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1: 1704 (Inventaris Archief Sociëteit van Suriname 2205, fol. 137; crioolen, meervoud). - 1863 (de emancipatie*). →. Opmerking: Na de emancipatie* vrije persoon als boven. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:434). Zie ook: criools*. Ø /Am/r/1-6/W./. 2: 1742 (Beeldsnijder 1994:150). - 1855 (Focke 88). Ø /Am/r/2-4/-. 3: 1770 (Hartsinck 756). 1775 (De Beet 1984:196). Opmerking: De vrouwelijke vorm is criolin (1776; Beet 1984:207). Ø /Am/r/2/-. 4. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:310, criool met betrekking tot een paard). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 65, creool rund- en varkensvlees). Zie ook: creole(n)*. Ø /Am/r/2-4/-. - : blanke creool, persoon van gemengd ras, minstens 15/16e blanke, overigens

crico

129

neger. 1835 (Teenstra 2:152). Zie ook: testies*. N-Am/r/4/-. crico, cayenneral of cayennebosral, een moerasvogel (Aramides cajanea). De naam is een nabootsing van het geluid van het dier. Deze kan origineel Surinaams-Nederlands zijn of gelee­nd van het Sranantongo (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:36) of ontleend aan het Engelse killicow (Penard & Penard 1908:202). 1763 (Pistorius 65). 1908 (Penard & Penard 202). → (kriko). Ø /N’?E?S?/d/2-6/-. kriekjes over zee, karsen* (1). < Europees-Nederlands kriekjes over zee was eertijds de naam voor een aantal soorten van de Nachtschadefamilie en hun bessen, welke laatste op een kriek ‘kers’ lijken. Bij Hartsinck (1770:56) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N’?W?/ cp/2/W./. crioole keen, als creole-riet*. Zie keen*. 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 805). Ø /X-E/cp/2/-. criools, bijvoeglijk naamwoord bij criool* (1). 1733 (Oostindie 1989:188). Ø /Am/r/2/-. kroekoeroe: zie koeroekoeroe*. kroeroe: zie kroro*. kroeskroes, platboomde roeiboot voor het vervoer van plantageproducten. < Sranantongo kroesoe-kroesoe (Focke 1855:67). 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:62). - 1855 (Focke 67). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 435). Zie ook: lastdrager* (1), pont*. Ø /S/pt/25/-. kroetoe: zie koertoe *. krombek, regenwulp (Numenius phaeopus hudsonicus).

kropkost

Het dier heeft een lange, kromme snavel. 1796 (Stedman 319; cromback, Engelse spelling). 1908 (Penard & Penard 269, krombekkie). →. Ø /N-N/d/3-6/-. kroon, zekere munt; zie onder gulden*. kroondaalder, halve kroondaalder, zekere munt, zie onder gulden*. krop (de, -pen), de totale hoeveelheid van: 1. een te velde staand oogstproduct; 2. een hoeveelheid geoogst product. < Engels crop, Visscher Heshuysen 1786:424. Zie ook kroppen*. 1: 1695 (Schiltkamp & De Smidt 209). - 1835 (Teenstra 1:211, 215). →. Ø /E/pt/1-6/-. 2: 1693 (Reeps 20). - 1804 (Eensgezindheid 116).→. Ø /E/pt/1-6/-. Opmerking: In een reglement van 1695 (Schiltkamp & De Smidt 209) worden onder kroppen de producten verstaan. - : krop houden, vruchtbaar zijn (met betrekking tot een gebied of een bodem). 1818 (Lammens 149). - 1855-1863 (Bartelink 1916:24; krophoudend voor ‘vruchtbaar’). Ø E+N/pt/3-5/-. Cropina, zekere geheimtaal van negerslaven, verkregen door lettergrepen van Srananwoorden te verlengen, naar het vermoeden van Teenstra (zie beneden) met -ra, -ri en -roe. Vermoedelijk genoemd naar het plantagegebied langs de beek Coropina. 1835 (Teenstra 2:209-210). Zie ook: Para* en Fara*. Opmerking: Voor zover er in Suriname veel later of nog sprake is van Kropina als gebruikt door jonge mensen, wordt dit door Eva Essed (in Hijlaard 1978) als volgt omschreven: “geheimtaal waarbij de volgorde der letters of lettergrepen uit de normale taal wordt omgekeerd.” Ø /X/ sc/4/-. kropkost, voedingsgewassen en hun voortbrengselen voor verkoop ten behoeve van gebruik in eigen land.

kroppen

130

Zie krop*, zie kost*. 1763 (Pistorius 97). 1787 (Blom 40). Ø /EN’/cp/2-3/-. kroppen, oogst opleveren. < Engels to crop. 1825 (Bosch, 125, 2). Zie ook: krop*. Ø /E/pt/3/-. kroro. De onderstaande vindplaats uit 1835 kan betrekking hebben op (a) enige soorten tandbaars van de genera Epinephelus en Mycteroperca (Sranantongo kroro, Woordenlijst van het Sranantongo 1961:37) of op (b) een knorvis (Genyatremus luteus, Karaïbisch en Arowaks kororo, Courtz 300), die in hedendaags Surinaams-Nederlands neertje genoemd wordt. 1835 (Teenstra 2:450, kroe roe). →. Ø /?/d/-/-. krowkrow, een soort ombervis (Stellifer rastrifer). < Sranantongo kroro (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:196). 1835 (Teenstra 2:450). Ø /S/d/4/-. kruidendeeg (de), een preparaat of iets dergelijks van of met (een) kruid(en) waaraan magische invloed wordt toegeschreven. De achtergrond van deeg is niet duidelijk. 1743 (Van den Berg 2000:34). Ø /NN/r/2/-. kruidnoot: wilde kruidnoot, een boomsoort (Virola surinamensis), in Surinaams-Nederlands heden genaamd baboen. Het is een verwant van de toen al in Europees-Nederlands zo genoemde kruidnoot of muskaatboom van de Molukken (Myristica fragrans) en heeft met deze enige opvallende kenmerken gemeen. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 26). Zie ook: baboenhout*, baboentrie*, waroesi*. Ø /N+N/wp/1/-. kruipkatoen, lage, kruipende heester, vermoedelijk een ras van de katoensoort

curen

Gossypium peruvianum. Over de eigenschappen valt niet meer te zeggen dan wat de naam al doet. Nepveu (1771:199): “De kruypende catoen is thans niet bekend.” 1835 (Teenstra 1:268). Ø /N-N/cp/4/-. kruithoorn-calabas, kleine, peervormige calabas* (II). Er kan een kruithoorn van gemaakt worden. Bij Hartsinck (1770:54) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: calabasje*. Ø /N-N/o/2/W./. kuiperneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als kuiper. 1755 (De Beet & Price 1982:80). Zie ook: negerkuiper*, timmerneger*. Ø /N-Am/pp/2/-. cultivatie, met plantagegewassen beplante grond. < Engels cultivation, in deze betekenis op Jamaica en in Guyana (Cassidy & Le Page 1980:136). 1788 -1867 (Oostindie 1989:83, 22). 18551863 (Bartelink 1916:21). Opmerking: Bartelink (zie boven p. 29) vermeldt bananencultivatie. Ø /E/pt/34/-. Kuraakse: zie Carakische*. curema, curima, naam van enige soorten harder (vissen; genus Mugil). < Portugees curimã (J.L. Taylor 1970:195). 1693 (Reeps 21). 1796 (Stedman 322). Opmerking: Het is niet zeker dat deze naam in Suriname werkelijk gebruikt is. Zie het commentaar op de twee auteurs. Het voorkomen bij Herlein (1718:196) berust vermoedelijk op overname uit Keye (1659, Brazilië). Zie ook: prasie*, queereman*. Ø /Port./d/1, 3/B./. curen (gecuert), cureren, laten uitlekken (gezegd van suiker in een curpot*). < Engels to cure, onder meer ‘verduur-

cureren

131

zamen’; vergelijk het cureing-house op Engelse suikerplantages (Ligon 1657;1673:56). Het is opmerkelijk, dat op de eerste en tweede vindplaats als werkwoord cureren (Europees-Nederlands ‘zuiveren’) gebruikt wordt en als voltooid deelwoord gecuert. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 38). 1670 (Schiltkamp & De Smidt 63, 64). 1677 (Schiltkamp & De Smidt 88). Zie ook: laxeren* (1). Ø /E/pt/1/-. cureren: zie curen*. curpot (-ten), taps toelopend vat van hout of steen met een gat aan de onderkant voor het laten uitlekken van suiker ter verkrijging van een suikerbrood. Het woord is in Engelse bronnen niet gevonden, wel cureing en pot afzonderlijk, in boven bedoelde samenhang (Ligon 1657;1673). 1669 (Schiltkamp & De Smidt 38). Zie ook: warimbo* (2). Ø /E-E/pt/1/-. kuur: in de kuur, met betrekking tot een slaaf of slavin: onder medische behandeling, vermoedelijk voor jaas* en dan door middel van een kwijlkuur (zie kwijl*). 1742, 1747 (Beeldsnijder 1994: 199, 309; 199). Ø /N+N?/z/2/-. kw-: Een woord dat met kw begint kan een (meestal ouder) equivalent hebben beginnend met qu. In dat geval kan het gerangschikt zijn onder de ‘Q’. kwakwa I., knolstaartgekko (Thecadactylus rapicauda). Kort voor kwakwasneki*. 1835 (Teenstra 2:442). 1903 (Van Coll 558). Zie ook: kwakwaslang*, sterrepootje­ hagedis* Ø /S/d/4-5/-. kwakwa II., ritme-instrument in de vorm van een laag, houten bankje of van een liggende plank met een steuntje aan één kant; er wordt op geslagen met twee stokken. Dat geeft een geluid dat als kwakwa omschreven kan worden. Heden in

kwariehout

Surinaams-Nederlands genoemd kwakwabangi (< Sranantongo). < Sranantongo kwakwa (Focke 1855:68) < Afrikaans kwakwa (Wooding 1972:518). Klanknabootsing. Opmerking: Nepveu (1771:231) beschrijft als Sranantongo quaqua een kleine trom waarop met stokken geslagen wordt. 1796 (Stedman 376 en figuur 69, 1; quaqua, Engelse spelling). Focke 1858b:96. 1904 (Cappelle 1926:256). Ø /S/sc/3-5/-. kwakwaplank, als kwakwa* (II). 1845 (Boeckhoudt 1874:98). Focke 1858b:94. Ø /S-N/sc/4/-. kwakwaslang, als kwakwasneki* en van die naam de vertaling. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:134). - 1927 (Fernandes in Stahel 188). Ø /S/d/4-5/-. kwakwasneki, knolstaartgekko (Thecadactlylus rapicauda). < Sranantongo (Focke 1855:68). Het dier roept kwakwa. Hoewel de Sranantongonaam (sneki) dat suggereert, is het dier niet een slang. 1835 (Teenstra 2:442). 1853 (Winkels II:280). →. Ø /S/d/4-6/-. kwarie, quarie, boomsoorten van de familie Vochysiaceae, in het bijzonder van de genera Vochysia en Qualea en hun in het bijzonder als timmerhout gebruikte hout, ook attributief. < Sranantongo kwari (Focke 1855:68), of < Karaïbisch kuwari, Courtz. 1763 (Schiltkamp & De Smidt 775 - 1787 (Visscher Heshuysen 336, quarie) - 1855 (Focke 68, kwari). →. Opmerking: Blom (1787:304) gebruikt de naam quarijboom). Ø /K?S?/wp/2-6/-. kwariehout, quariehout, hout van de boomsoort kwarie*. 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:34). 1802 (Blom 184). Ø /(K?S?)-N/ wp/2-3/-. K?S?/wp/2-6/-.

kwas(i)kwasi

132

kwas(i)kwasi, kwasje: zie quassie*. kwassiemama: zie quassimama*. kwatta, qua(t)a (de), zwarte slingeraap (Ateles paniscus). < Sranantongo quata (Fermin 1765:44) of < Karaïbisch kwatta (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 60), kuwata (Courtz 309), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1763 (Pistorius 60; kwatten, meervoud). 1835 (Teenstra 2:410, kwatta). →. Opmerking 1: Tussen de twee genoemde vindplaatsen ook quata en quato. Opmerking 2: Warren (1667:11 en 1669:11) geeft in Engels en vertaald naar Nederlands quotto; zo ook overgenomen door Herlein (1718:171). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:97, quatta; Dalton 1855, 2:448). Zie ook: boschduivel*. Ø /K?S?W?/d/1, 2-6/W./. kwatta patoe, een boomsoort (Lecythis zubuca) en zijn vrucht. < Sranantongo kwatta-pattoe (Focke 1855:68), ‘pot van de kwatta’, genoemd naar de vorm van de grote vrucht, die voorzien is van een deksel. 1835 (Teenstra 1:375). 1858 (Van Sypesteyn 139). →. Ø /S/wp/4-6/-. kweek, zowel het kweken* van landbouwhuisdieren als het resultaat daarvan, het gezamenlijke ‘gekweekte’. 1776 (Schiltkamp & De Smidt 902, queek). 1786 (Visscher Heshuysen 425). Samenstellingen: kippenkweek, varkenskweek (1855-1863, Bartelink 1916: 14, 25). Ø /N’/ pt/3-5/-. kweekbeest (-en), landbouwhuisdier dat een product (vlees, melk, wol) levert. Ter onderscheiding van trekbeest. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 17). Ø /N’-N/d/3/-. kweekgrond, grond* (1) gebruikt voor het kweken* van landbouwhuisdieren, veebe-

kwijl

drijf. 1791 (Schiltkamp & De Smidt 1162, queekgrond). 1844 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 358). 1839-1851 (Van der Aa 1993:116, 139, 141). Ø /N’-E/ pt/3-4/-. kweekplantage, als kweekgrond*: zie aldaar 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 19). Ø /N’-N/pt/4/-. kweelen, kwelen, disselen: vierkant kappen (een boomstam). < Sranantongo kweri (Schumann 1783:96) < Engels to square, Smith 1987:229. 1783 (Roos 39). 1835 (Teenstra 1:190). 1899 (J. Spalburg 1979:85, kwijlen). → (kwijlen). Zie ook: kanten* (II). Ø /S/pt/3-6/-. kweepie, een boomsoort (Licania apetala en wellicht andere uit dezelfde familie). < Sranantongo kweepie (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917: 452), of Karaïbisch kweepie, Focke 1858a:312, (Courtz 309). 1763 (Pistorius 18). - 1855 (Van Sypesteyn 18). → (kwepie). Opmerking: Ostendorf (1962:67) nam waar, dat indianen voor het bakken van hun kruiken en potten altijd houtskool gebruikten van kwepiebast. Dat deden ze wellicht in de onderzochte periode ook al. Ø /K?S?/wp/2-6/-. kweeriman, kweriman (ook heden): zie queereman*. kwejoe: zie quejou*. kweken, (op)fokken, telen, grootbrengen, verzorgen van landbouwhuisdieren, zowel grote, kleine als pluimvee, niet van planten. Europees-Nederlands kweken idem, maar ook van planten. Zie ook kweek* en samenstellingen. 1855-1863 (Bartelink 1916:11). Ø /N’/ pt/4-5/-. kwijl: in de kwijl, met betrekking tot een slaaf of slavin: onderworpen aan een kwijl-

133

kwikwi

kuur om te genezen van jaas*. Beeldsnijder (1994:199): “De ziekte (jaas*) werd bestreden door het stimuleren van speekselafscheiding, ...” 1750 (Beeldsnijder 1994:199, in de queil). Zie ook: in de kuur*. Ø /N+N’/z/2/-. kwikwi: zie quiqui*.

l laaglandsch: zie bebe*. laan, 1. hout van de boom tapoeripa*; 2. blauwe kleurstof uit de vrucht van tapoeripa*, door indianen en negerslaven gebruikt op de huid, zowel ter versiering als ter wering van ongedierte. < Arowaks lana, voor de vrucht (Focke 1855:133). 1: 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 99). Bij Stedman (1796:209) Engels lawna tree. Ø /Ar/wp/2-3/-. 2: 1770 (Hartsinck 49, 82, 913), voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Opmerking: Hartsinck (49) geeft een onjuiste beschrijving van de herkomst van de kleurstof. Ø /Ar?W?/ic+sc/2/W./. labaria, labarra, lanspuntslang (Bothrops atrox). < Arowaks labaria (Quandt 1807:222), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1835 (Teenstra 2:441, labarra). → (labaria). Bij Hartsinck (1770:102) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Opmerking: De vorm labarra kan door Teenstra ontleend zijn aan Bancroft (1769:215; 1782:174) en bij deze berusten op een zetfout. Opmerking: Zie ook: oeroekoekoe* (II). Ø /Ar?W?/d/4-6/W./. lakasirie, rakasirie, 1. kleverige, medicinaal

landbouw

aangewende balsem uit de bast van 2; 2. een boomsoort (Protium aracouchini). Beide: < Sranantongo lakasirie (Focke 1855:69) < Arowaks en Karaïbisch alak(oe)seri (Ostendorf 1962:134). 1: 1761 (Hudig, 114, rakaserie). 1775 (Sneebeling 1973:16 e.a., rakasirie). Ø /S/z/2/-. 2: 1835 (Teenstra 1:375). 1855 (Focke 69). 1903 (Van Coll 481). Opmerking 1: De soort wordt heden alsook andere Protium-soorten SurinaamsNederlands tingimonie* (< Sranantongo) genoemd (zie tienge monnie*). De naam laksirie behoort nu toe aan twee soorten Caraipa. Opmerking 2: Rakka sierie bij Teenstra (1835, 1:400) is een andere plant: zie sergeantskloten*. Ø /S/wp/4-5/-. lakken, lokken, een omgehakte boom van takken ontdoen en in stukken verdelen die met mankracht verplaatst kunnen worden. < Engels to log. 1740 (Anonymus 79, lokken). 1771 (Nepveu 124, lakken). - 1835 (Teenstra 1:183). →. Zie ook: boschlakken*. Ø /E/pt/2-6/-. lampila, een soort karperzalm (Chalceus macrolepidotus), ook bekend als morokko*. < Sranantongo alampja (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:195), lampya (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1995:277). 1835 (Teenstra 2:450). → (alampila; alampia, < Sranantongo). Ø /S/d/4-6/-. land: zie gebroken landen*. landbouw: grote landbouw, plantagelandbouw. Grootschalig en alleen of voornamelijk voor de export producerend, met slaven (later ook met contractarbeiders) als arbeidskrachten. 1863 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 338). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 18). →. Ø /N+N/pt/4-6/-.

landingplaats

134

- : kleine landbouw, landbouw op bedrijven van kleine grondbezitters en pachters, producerend voor eigen gebruik en de binnenlandse markt. 1863 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 338). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 18). →. Ø /N+N/bc/4-6/-. landingplaats, aanlegplaats voor boten, wellicht ook aanlegsteiger. 1735 (Bijlsma 1923:57). 1835 (Teenstra 1:98). Opmerking: Bij Van Dyk (1768:78) landplaats. Ø /N-N/r/2-4/-. landsbriefje, waardepapier uitgegeven door de overheid in ruil voor gedeeltelijke verhypotheking van een huis of een erf. Europees-Nederlands landsbrief was toentertijd in Nederland een document waarin zekere rechten en plichten in de relatie overheid-onderdanen waren vastgelegd. 1772 (Schiltkamp & De Smidt 1355). Ø /N’/bs/2/-. landsgrond (de), aanduiding voor enige gronden* (I) aan de stadsrand van of nabij Paramaribo, waaronder de kostgrond* (1) Boneface, in eigendom van ‘het land’, met andere woorden van de Societeit*. Opmerking: Thans volksnaam voor wat formeel heet “’s Lands Weldadigheids Gesticht”, eerder “Weldadigheidsgesticht ’s Landsgrond Boniface”; het is gebouwd op een van die voormalige landsgronden. 1777 (Schiltkamp & De Smidt 904): “de nieuwe landsgrond”, namelijk aan het Pad van Wanica tegenover de Vrijmansgrond*. Zie ook: societeitsgrond*. Ø /N-E/r/3/-. landsneger, negerslaaf (neger*) in eigendom bij de koloniale overheid. 1787 (Schiltkamp & De Smidt 115). - 1793 (Schiltkamp & De Smidt 1174). Zie ook: societeitsneger*. Ø /N-Am/bs/3/-. landsslaaf, als landsneger*. landvoogd, gouverneur* van Suriname. < Europees-Nederlands landvoogd, be-

lastdrager

heerder namens een vorst. 1779 (De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamsche Courant nr. 140). - 1845-1849 Boekhoudt 1874:88) - 1954. Ook voor de gouverneur van het voormalige Nederlands Oost-Indië. Zie ook: granman* (2). Ø /N’/bs/3-5/-. landziekte, vermoedelijk dezelfde als zwelziekte*. Wellicht vertaling van Engels country disease als bij Warren (1667:4), of afkomstig uit Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:13). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck, in de Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 1917:447). 1770? (Hartsinck 32). Opmerking: Merian (1704:38) gebruikt landziekte in de Europees-Nederlandse betekenis van een endemische ziekte in het algemeen Ø /E?W?/z/1-2?/W./. lapper, negerslaaf als lekendokter. < Europees-Nederlands lapper, ‘kwakzalver’. 1740 (Anonymus 64, swarte lapper). Zie ook: dresser*, dresneger*. Ø /N’/z/2/-. lastdrager, 1. platboomde roeiboot voor het vervoer van plantageproducten; 2. slaaf als drager van goederen bij een bosch­ patrouille* of andere tocht door het bosch*. Europees-Nederlands lastdrager is iedere persoon die een last draagt. 1: 1782 (De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamsche Courant nr. 301) - Focke 1858a:314. Zie ook: kroeskroes*, pont*. Oudste vindplaats in Westelijk Guyana in 1763 (Hartsinck 1770:450), mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’/pt/3/W./. 2: 1711 (Dragtenstein 2002:71). - 1852 (Oostindie 1989:117). Ook in Westelijk Guyana in 1763 (Hartsinck 1770:499), mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/o/1-4/W./.

lastdragerneger

135

lastdragerneger, als lastdrager* (2). 1796 (Brouwn 58). Ø /(N’?W?)-Am/o/3/-. lataan, latanus, een soort waaierpalm (Mauritia flexuosa), thans maurisiepalm* geheten. Tropisch Amerikaans element, niet nader te preciseren. 1718 (Herlein 143, latanir). Alleen de vindplaats bij Hartsinck (1770:71, latanus) voor Suriname, Berbice of beide lijkt betrouwbaar; 1869. Opmerking: 1839-1851 (Van der Aa 1993:163, latanusboomenhout). laulau, een soort meerval (vis; Brachyplatystoma vaillanti). < Sranantongo laulau (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917: 177) of < Arowaks laulau (Schumann 1783:132), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1770 (Hartsinck 121). → (lawlaw). Mogelijk ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:121). Zie ook: blinkert-laulau*, passiessie*. Ø /Ar?S?W?/d/2-6/W./. laxans, laxeermiddel, een medicijn dat verstopping in het darmkanaal verhelpt. < Latijn laxans, een medische vakterm (sedert 1824, Van Dale), in Suriname ook volkstaal. 1835 (Van Stipriaan 1993:366, laxants). 1855 (Focke 109). →. Ø /Latijn/z/4-6/-. laxeren, overtollige vloeistof verliezen doordat deze uitzakt: laxeren van suiker (uitlekken); 2. van bodem (goed doorlatend zijn); ook uitlaxeren*. < Portugees laxar (J.L. Taylor 1970:382). 1: 1786 (Blom 64). - 1835 (Teenstra 1:108; 232 ook laxering). Zie ook: curen*. Ø /Port./pt/3-4/-. 2: 1786 (Blom 9). Ø /Port./pt/3/-. leba, lagere god in het kader van de (of een) religie van negers. < Sranantongo leba (Focke 1855:71, in de

lemmetje

verdraaide en beperkte betekenis van ‘boze geest’). Afkomstig uit een Afrikaanse taal (Wooding 1972:188). 1773 (De Beet 1984:145). 1913 (J. Spalberg 42). →. Ø /S/sc/2-6/-. leditere: zie reditere*. leervrouw, leermeesteres. 1855 (Focke 9, in dit geval voor een naailerares). Zie ook: matres*. Ø /N-N/bc/4/-. lekker: zie likker*. lekker bak, als likaketel* (zie aldaar). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:292). 1759 (Oostindie 1989:53). Ø /E-N/pt/2/-. lekkie-han, dwergmiereneter (Cyclopes didactylus). < Sranantongo likkihan (Focke 1855:73), betekent ‘likhand’. In gevangenschap likt het dier indien hongerig voortdurend zijn voorpoten. 1835 (Teenstra 2:406). - 1910 (Penard 1:93, likki han). Opmerking: De tegenwoordige Sranantongo-vorm is likanu, de Surinaams-Nederlandse vorm likan. Ø /S/d/4-5/-. lelie: rode lelie, zekere plant met oranjerode (zie rood*) bloemen (Hippeastrum puniceum), heden in Surinaams-Nederlands kortweg lelie of grote pingping. 1705 (Merian 22). Ø /N+N/wp/1/-. lemisje(-): zie lemmetje(-)*. lemmetje (-s), gekweekte vruchtboom of heester (Citrus aurantiifolia) en de kleine, zeer zure vrucht van deze; heden in Suriname vaak zure lemmetje genoemd, in Nederland limoen. < Europees-Nederlands limmetje < Frans limette, Van Veen & Van der Sijs 1997:513. 1718 (Herlein 81, de boom; 204, de vrucht). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 84). →. Opmerking: Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië. Ø /N’/cp/1-6/-.

lemmetjesboom

136

- : zoet lemmetje, zoete vrucht van een ingevoerde soort heester (Triphasia triflora). Lijkt op (zure) lemmetje*. 1835 (Teenstra 2:260). →. Ø /N+N’/cp/46/-. lemmetjesboom, boom als lemmetje*. 1708 (Valkenburg). - 1835 (Teenstra 2:253). 1899 (H. Spalburg 1979:78). Ø /N’-N/ cp/1-5/-. lemmetjeshaag, lemmetjesheg, heg van lemmetjes*-heesters. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:118). - 1855 (Focke 71). Ø /N’N/r/2-4/-. lemmetjeshyning (‘-heining’), als lemmetjeshaag*. 1770 (Hartsinck 569). Ø /N’-N/r/2/-. lengvisch, leng (Molva molva) als stokvis. Pleonasme. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 19). Ø /N-N/bc/4/-. lepel (-s), schoep van een scheprad*: een door stromend of vallend water aangedreven rad van een watermolen. Europees-Nederlands lepel is een schoep aan een schoepenrad:een rad van een watermolen die water opvoert (wnt 8, 1:1591). 1786 (Blom 58). 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 55). Zie ook: schepper*. Ø /N’/pt/3-4/-. lepelbek, 1. rode lepelaar (Platalea ajaja); 2. bruine pelikaan (Pelecanus occidentalis). 1. De snavel heeft de vorm van een platte lepel aan een steel, evenals bij de nauw verwante Europees-Nederlandse lepelaar (Platalea leucorodia). 1740 (Anonymus 22). - 1769 (Fermin 2:153). 1908 (Penard & Penard 136). →. Bij Hartsinck (1770:113) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N’/d/26/W./. 2. De ondersnavel heeft de vorm van een open zak.

lijm pesie

1763 (Pistorius 73). Zie ook: rotgans*. Ø /N’-N/d/2/-. leriman (de, -s), voorganger of zendeling van de Evangelische Broedergemeente. < Sranantongo leriman, ‘leraar’ in het algemeen (Schumann 1783:101). 1845-1849 (Boekhoudt 1874:40). - 1871 (Klinkers 1997:142). →. Ø /S/bc/4-6/-. letterhout, bij uitbreiding niet alleen de naam voor het toen al in Nederland onder die naam bekende hout (1637, zie wnt), maar ook voor boomsoorten van hetzelfde genus (Brosimum) en hun hout, ook indien daarin op doorsnede de karakteristieke figuurtjes (‘letters’) ontbreken. Europees-Nederlands letterhout is de naam voor het hout met daarin donkere, lettervormige tekens, waarschijnlijk van (vooral) Brosimum guianense (Ostendorf 1962:20). 1855 (Van Sypesteyn 178). →. Zie ook: spikkelhout*. Ø /N’/wp/4-6/-. letterhoutland, bosgebied rijk aan Europees-Nederlands letterhout. 1671 (Mogge), 1678 (Doncker). Ø /N’N/m/1/-. lieveheersvogeltje, huiswinterkoning (Troglodytes aedon albicans). Vermoedelijk vertaling van Sranantongo en Surinaams-Nederlands gadofowroe* (zie aldaar, ook voor andere namen). 1770 (Hartsinck 107). Ø /S/d/2/-. lijk: achter een lijk (lopen), deelhebben(d) aan een begrafenisstoet. In verouderd Europees-Nederlands kon lijk ook betekenen ‘begrafenis’ en ‘lijkdienst’. 1768 (Van Dyk 111). 1840 (Winkels I:60). Ø /N’/bc/2-4/-. lijm pesie, limaboon (Phaseolus lunatus). < Amerikaans-Engels lime bean + pesie*. 1835 (Teenstra 1:420, de plant). Zie ook: sebijari*, zevenjaarsboon*. Ø /X/ cp/4/-.

lika

137

lika (de), suikerrietsap zoals het uit het riet* geperst is tot en met het einde van het inkookproces. < Sranantongo lika (Focke 1855:7) < Engels liquor, Smith 1987:273. 1769 (Fermin 2:32). - 1854 (Van Sypesteyn 206). 1913 (J. Spalburg 16, lieka). Zie ook: likker*. Ø /S/pt/2-5/-. likagoot, goot waardoor de lika* van de molen stroomt naar de sapbak (sisser*). 1835 (Teenstra 1:188). Opmerking: In 1871 (De Surinaamsche Courant nr.129) te koop aangeboden als kortweg goten (meervoud). Zie ook: guds*. Ø /S-N/pt/4/-. likaketel, de tweede bij een serie van vier kookpannen (suikerketels*) voor het indikken van lika* tot suiker. 1835 (Teenstra 1:227). Zie ook: inneemketel*, kap*, mallassie­ ketel*, test*. Ø /S-N/pt/4/-. likeurstijlder, apparaat voor het distilleren van likeur, in de betekenis van sterke drank, wellicht dram*. Zie stijlen*, dramstijlder*. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 73). Ø /N-E/pt/4/-. likker, lekker, als lika *. < Engels liquor (Dalton 1855, 2:175). Spelling met -i- of -e- vertoont geen regelmaat. 1693 (Reeps 19). - 1855-1863 (Bartelink 1916:46). Ø /E/pt/1-5/-. likkergoot, als likagoot*. 1824 (Teenstra 1842:151). Ø /E-N/pt/3/-. linnenneger, negerslaaf (neger*) belast met de zorg voor het linnengoed. 1840 (Winkels I:24). Opmerking: De zin met dit woord ontbreekt in de weergave bij Kolfin (1997). Ø /N-Am/bc/4/-. lintpesie, niet geïdentificeerde peulvrucht(plant). Zie pees* (II). Gedacht kan worden aan Surinaams-Nederlands kouseband, een

locusboom

ingevoerde Vigna-soort en zijn zeer lange, dunne peulen. 1835 (Teenstra 2:269). Ø /N-S/cp/4/-. lo (de, -’s), matrilineaire clan van bosch­ negers*, zowel de levenden als de overledenen omvattende. Woord uit de bosnegertalen, afkomstig uit Afrika (Wooding 1972:518). 1850 (Van der Aa 1993:35, loo). →. Ø /X/r/4-6/-. Loango, Louango, slaaf uit het Afrikaanse volk der Loango, waarvan vele leden naar Suriname zijn ontvoerd; ook attributief. 1720 (Oostindie 1989:188) - 1770 (Bakker e.a. 1993:40). Ø /X/r/2-3/-. loango-taytay, naam voor een van de twee of beide volgende lianen: Aristolochia surinamensis en Cissampelos pareira (Woordenlijst Sranantongo-NederlandsEngels 1995:237). < Sranantongo loängo-tetei (Focke 1855:72). Zie Loango*, zie taytay*; achtergrond van de naam onbekend. 1835 (Teenstra 1:421). →. Ø /S/wp/4-6/-. locus (de), een boomsoort (Hymenaea courbaril variant courbaril) en zijn hout, dat als timmerhout gebruikt wordt, ook voor meubels; ook attributief. < Engels locust-tree (oed 8:1094), locust (Ligon 1657;1673:41). De vruchten (peulen) lijken enigszins op een Engelse locust (sprinkhaan). 1718 (Herlein 227). - 1854 (Van Sypesteyn 212). → (lokus). Opmerking 1: In 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1014): “een locusse plaat”. Opmerking 2: Teenstra (1835 1:378) noemt ook een witte locus (of zandlocus) met wit hout, die evenwel wetenschappelijk geen aparte status blijkt te hebben (Klooster e.a. 58). Zie ook: simirie*. Ø /E/wp/1-6/-. locusboom, als locus* (de boom). 1763 (Pistorius 51). - 1855 (Focke 73).

locushout

138

Ø /E-N/wp/2-4/-. locushout, locus* (het hout). 1740 (Anonymus 15). →. Ø /E-N/wp/26/-. loecken, kijken. < Sranantongo lukku (Schumann 1783:104) of < Engels to look. 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). Ø /E?S?/r/2/-. loekeman, loekoeman (de, -s), helderziende, waarzegger (-ster) in het verband van de Afro-Amerikaanse religie van de negers*; zie winti*. < Sranantongo lukkuman (Schumann 1783:105). Sranantongo luku ‘zien’. 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). - 1835 (Teenstra 2:171). →. Ø /S/ sc/2-6/-. logge logge, twee soorten mesvis (Gymnotus anguillaris en Gymnotus carapo). < Sranantongo logologo (Focke 1855:73, voor een aalvormige vertegenwoordiger van dit genus). 1835 (Teenstra 2:446; Lammens 178). → (logologo, als Sranantongo). Zie ook: saprapi*. Ø /S/d/4-6/-. lokken: zie lakken*. lomp, een soort paddevis (Batrachoides surinamensis), een zeedier. De stompe kop lijkt op die van de Europees-Nederlandse lomp, de naam van enige andere vissoorten, in het bijzonder de puitaal. 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 74). →. Ø /N’/d/2-6/-. lonkertje, kolibrie (familie Trochylidae). < Sranantongo lonkriki (Focke 1855:74) < ronkertje. Dit laatste woord wordt voor het eerst vermeld door Houttuyn (1, 4:442) in 1762, na het eerdere ronkje door Seba (1:108) in 1734. In beide gevallen is het niet duidelijk wie het zeiden en waar. Het berust op het ‘ronkende’ geluid van de vleugelslag. De naam kan door Neder-

looswagter

landers in tropisch Amerika bedacht zijn, of ontleend zijn aan de (vooral Zuid-) Nederlandse naam voor de meikever (die ook zo zoemt), of een vertaling zijn van het Engelse humming-bird. 1765 (Fermin 68). - 1855 (Focke 74). Zie ook: honingvogel*. Ø /S/d/2-4/-. loo: zie lo*. loodsbastiaan, opzichter (bastiaan*, 1) over loosnegers*. 1828 (Kuhn 41). 1838 (Hudig, 140). Zie ook: loosofficier*, looswagter*. Ø /N-S/pp/4/-. looskoker, koker (buis) of duiker voor het lozen van overtollig water, wel of niet voorzien van een klep. 1835 (Teenstra 1:170). →. Ø /N-N/r/4-6/-. loosneger, negerslaaf (neger*) werkzaam in of bij een loos (loods) of ander bedrijfsgebouw van een plantage*, ter onderscheiding van veldneger*. 1825 (Oostindie 1989:491). Zie ook: looswagter*. Ø /N-Am/pp/3/-. loosofficier, loodsofficier, opzichter (officier*) als loosbastiaan*, ter onderscheiding van veldofficier*. 1788 (Oostindie 1989:491). - 1839 (Hudig, 140). Ø /N-E/pp/3-4/-. loossluis, uitwateringssluis, in het bijzonder als onderdeel van het lozingssyteem van een plantage*. 1786 (Blom 109). - 1854 (H. Spalburg 2004, 2:348, in advertentie). Ø /N-N/pt/34/-. loostrens, watergang (trens*) voor de lozing van overtollig water, in het bijzonder als onderdeel van het lozingssysteem van een plantage* (zie loosluis*). 1771 (Nepveu 156). - 1855-1863 (Bartelink 1916:21). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 568). Zie ook: hoofdloostrens*. Ø /N-(E?W?)/ pt/3-5/-. looswagter, vermoedelijk wagter* met een

lootsman

139

positie tussen die van loodsbastiaan* en loosneger*. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). Ø /N-N’/pp/2/-. lootsman (een soort aap): zie Van Donselaar (1989:97). Het woord is in Suriname waarschijnlijk nooit gebruikt. loowijn, lowijn, sterk alcoholhoudende vloeistof, verkregen als naloop bij het distilleren van dram*. < Engels low-wine (oed 9:73). 1763 (Pistorius 49). - 1835 (Teenstra 1:236). Opmerking: Het woord was in 1981 wel bij sommigen in Suriname bekend, maar werd niet meer gebruikt. Zie ook: Surinaamsche brandewijn*, garappa*, tafia*. Ø /E/pt/2-4-?/-. lota, vlek(ken) op de huid als gevolg van de huidziekte pityriasis versicolor. < Sranantongo lotta (Schumann 1783:104). 1760 (Stedman 370). 1855 (Focke 74). →. Ø /S/z/3-6/-. lotavlek, als lota*. 1855 (Focke 58). →. Ø /S-N/z/4-6/-. luitenant-gouverneur: zie gouverneur*. lusthof, als lustplaats*. < Europees-Nederlands lusthof: zie lustplaats*. 1783 (Roos 74). Ø /N’/bc/3/-. lustplaats, eufemistisch of dichterlijk voor plantage*. < Europees-Nederlands lustplaats: een plaats waar men voor zijn genoegen tijdelijk verblijft, in Surinaams-Nederlands wanneer de eigenaar die elders woont zijn plantage* als zodanig gebruikt. Ca. 1780 (Anonymus, zie Lichtveld & Voorhoeve 1980:174). Zie ook: buiten*, lusthof*. Ø /N’/bc/3/-.

maca

m maatje, huishoudster* die slavin is, ook als aanspreektitel. < Sranantongo mati, ‘vriendin’ (Focke 1855:79) < Engels mate, dat ook (huwelijks)partner kan betekenen. 1822 (Lammens 1982:114). 1854 (Kappler 1983:23). Zie ook: mati*. Ø /S/bc/3-4/-. maca I. (de, -’s), maccai, maka, 1. specifieke naam voor een aantal soorten van stekelige planten; 2. stekelige plant in het algemeen; 3. struweel van stekelige planten; 4. stekel of doorn van een plant of dier; 5. Osnabrugs linnen (dat is ruw en prikt aan de huid); 6. een runderziekte die zich uit in witte, doornachtige uisteeksels aan de zijkant van de tong. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1. 1705 (Merian 6, maccai, voor Solanum stramonifolium; zie ook quacici*; thans in Surinaams-Nederlands matrozendruif. Ibid (24, voor Argemone mexicana). 1786 (Blom 15, voor Machaerium lunatum, die thans in Sranantongo en Surinaams-Nederlands brantimaka* genoemd wordt). Ø /Am/wp/1-3/-. 2: 1770 (Hartsinck 575). - 1816 (Lammens 119). Ø /Am/wp/2-3/-. 3: 1744 (Schiltkamp & De Smidt 522). 1780 (Schiltkamp & De Smidt 982). Ø /Am/wp/2-3/-. 4: 1771 (Nepveu 32). 1835 (Teenstra 2:220). →. Ø /Am/r/2-6/-. 5: 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:18). -1865 (Ehrhardt 2000:200). 1913 (J. Spalburg 43). Ø /Am/r/2-5/-. 6: 1831 (Teenstra 1835, 2:382). Ø /Am/ r/4/-. Opmerking 1: Winkels (I:23; 1840) geeft maca als ziekte van een kalkoen.

maca

140

Opmerking 2: Er zijn veel planten en dieren met doorns of stekels waarvan de naam een samenstelling is met maca als tweede lid; zie de planten bambamaca*, blakamaca*, brantimaca*, hassiemaca*, paramaca*, kawmaca* en kiskisimaca* en het dier djiendjamaka*. maca II., pit van een palmvrucht. < Sranantongo makka (Focke 1855:75). 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 788). 1762 (Inventaris Archief Raad van Politie 806). Zie ook: mauricimaca* Ø /S/wp/2/-. macaland, gebied begroeid met maca* (I, 3). 1786 (Blom 14). Ø /Am-N/m/3/-. macarat, cayennerat, een soort stekelrat (Proechimus guyanensis), thans in Surinaams-Nederlands maka-alata (< Sranantongo). < Sranantongo makka-aratta (Focke 1855:5). Zie maca* (I, 4). 1835 (Lammens 171, makka rat). Zie ook: boschrat* (2). Ø /S/d/4/-. macavisch, zekere karperzalm (Curimatus schomburgkii), een zoetwatervis, of mogelijk (ook) verwant(en) van deze. < Sranantongo maka-fisi (zie de Encyclopedie van Suriname 391). 1771 (Nepveu 259). - 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 34). - 1942 (Junker 148). Ø /S/d/2-6/-. macht, magt (de, -en), de gezamenlijke slaven van één eigenaar, één huishouden, één plantage* of andere onderneming, of van het hele land. < Europees-Nederlands macht, alle mensen die ergens gezamenlijk wonen. 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:37). 1855 (wnt 9:74). Ook in Westelijk Guyana (1779; Bosman 1994:72), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: negermacht*, plantagemacht*, slavenmacht*. Ø /N’?W?/pp/2-4/-. maho(boom), een soort heester (Hibiscus

malen

tiliaceus). Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1771 (Nepveu 358, mahoboom). - 1855 (Van Sypesteyn 178, maho). →. Zie ook: witte mangro*. Ø /Am/wp/2-6-. maka: zie maca* (I). makamaka, een soort vis (Schizodon fasciatus) behorende tot de kopstaanders, heden in Surinaams-Nederlands genaamd njamsifisi (< Sranantongo). Herkomst van de naam niet bekend. 1771 (Nepveu 350). Zie ook: jammesvis*. Ø /X/d/2/-. maker (-s), makoe (- ’s), naam voor enige malariamuskieten (Anopheles-soorten). < Sranantongo maku (Schumann 1783:106) of < Karaïbisch mako (Ahlbrinck 1931:264), Courtz 312. 1718 (Herlein 179). - 1796 (Stedman 16; mawker, Engelse spelling). - 1835 (Teenstra 2:464, makoe). → (makoe). Ø /K?S?/d/1-6/-. makka rat: macarat*. makkafissi: zie macavisch*. makoe: zie maker* makreel, naam voor tonijnsoorten (Thunnus-soorten). < Europees-Nederlands makreel, een verwante soort (Scomber scomber). 1718 (Herlein 199; makkerellen, meervoud). 1765 (Fermin 86, makreel). - 1857 (Van Stipriaan 1993:453). →. Oudste vindplaats in Brazilië (S. de Vries 1682:558); mogelijk afkomstig van daar. Opmerking: In 1834 bij Teenstra (1842:73) ook genoemd onder zoutevisch*. Ø /Braz.?N’?/d/1-6/B./. malassie: zie mallassie*. malebons: zie maribons*. malen (gemalen), (ook:), 1. uitpersen (van suikerriet, kaan*, in een suikermolen); 2. verzagen (hout) met een grote trekzaag. < Engels to mill (oed 9:779) heeft onder meer betekenis 1, en ‘verzagen van hout in

maling

141

een houtzaagmolen’. Houtzaagmolens met wind- of waterkracht hebben in Suriname nooit bestaan; die met stoomkracht bestonden ten tijde van het citaat nog niet. 1: 1671 (Van der Doe e.a. 1992:7). 1763 (Hudig, 115). Zie ook: afmalen*, maling*. Ø /E/pt/1-2/-. 2: 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:35). 1876 (Klinkers 1997), 1879 (ibid.). Ø /E/pt/2-5/-. maling (-s), het malen* (1) gedurende een beperkte periode, in een watermolen in het algemeen als het tij daartoe gunstig is. 1763 (Hudig, 115). Ø /E/pt/2/-. malinker, malinger, malenger, 1. (zn., -s), gedeeltelijk arbeidsongeschikte slaaf, ook attributief; 2. (bn.) gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Europees-Nederlands malinker (zn.) kan betrekking hebben op iedere persoon, met eventueel de bijbetekenis van ‘simulant’. 1: 1705 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 232 fol. 156, malinger). 1718 (Herlein 91, malinker). 1838 (Hudig, 140). Ø /N’/z/1-4/-. 2: 1701 (Inventaris West-Indische Compagnie 1137, malinger). - 1750 (Schiltkamp & De Smidt 596, malinker) - 1874 (Klinkers 1997:175, malenger). Zie ook: gebroken*. Ø /N’/z/1-4/-. malinkering, arbeidsongeschikt zijnde of dat voorwendend. Oostindie 1989:403, 520 (z.j.). mallassie, malassie (de), alternatief naast melass(i)e (< Frans), de siroop die achter­ blijft als de suiker uit het suikerrietsap geheel uitgekristalliseerd is. 1714 (Schiltkamp & De Smidt 299) - 1834 (Teenstra 1842:6). Ø /N/pt/1-4/-. mallassie bak, als mallassi ketel* (zie aldaar). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:293). 1765 (Hudig, 116). Ø /N-N/ pt/2/-. mallassie kap: zie mallassi ketel*, zie kap*.

mambrari

mallassi ketel, de derde bij een serie van vier kookpannen (suikerketels*) voor het indikken van suikerrietsap. Het product van deze ketel is melasse. 1771 (Nepveu 136). 1802 (Blom 71). 1835 (Teenstra 1:227, melassieketel). Zie ook: mallassie bak*, inneemketel*, likaketel*, test*. Opmerking: Bij Blom (zie boven) ook mallassie kap; zie kap*. Ø /N-N/pt/3-4/-. malva, niet geïdentificeerd kruid. < Europees-Nederlands malva, enige andere kruiden (Malva-soorten). De enige beschrijving (bij Teenstra 1835, 2:344) past niet bij een van de kruiden die later en nu nog in Surinaams-Nederlands malva genoemd worden. Ø /X/wp/4/-. malvenroos: Chinesche malvenroos, Chinese roos, een ingevoerde sierheester (Hibiscus rosa-sinensis), die heden in Surinaams-Nederlands matrozenroos genoemd wordt. Bij meerdere Hybiscus-soorten is in het verleden gesteld dat ze leken op of zelfs deel uitmaakten van het genus Malva. 1823 (Anonymus 61). Ø /X/cp/3/-. mama: zie watermama*. mama- : zie ook mamma-*. mamahout, een boomsoort (Gustavia augusta). Zie het synoniem watramamabobi*. 1835 (Teenstra 1:399). Zie ook: aribanarix*. Ø /X-N/wp/4/-. mamavogel, kloek. < Sranantongo mamafowloe (Focke 1855:75). Zie vogel*. 1840 (Winkels I:23). Ø /S/d/4/-. mambrari, mammiarij, twee boomsoorten en hun vruchten: 1. de inheemse Pouteria multiflora; 2. de ingevoerde Pouteria macrophylla. < Sranantongo (voor 1.) < indiaanse namen voor Pouteria trigonosperma en enige andere boomsoorten (Klooster e.a. 142).

mamma-yaws

142

1: 1771 (Nepveu 363). 1835 (Teenstra 1:378, man-bijari). → (mamiari). Ø /S/ wp/2-6/-. 2: 1822 (Lammens 1982:175). 1835 (Teenstra 1:378, man-bijari).→ (zie Ostendorf 1962:151). Ø /S/cp/3-6/-. mamma-yaws, een vorm van framboesia (jaas*, 1) gepaard gaande met een kwaadaardig gezwel. Sranantongo mamma kan als eerste lid van een samenstelling erop duiden, dat het om iets gaat dat in zijn soort buitengewoon of schrikbarend groot is (Schumann 1783:106). 1764 (Fermin 125). Ø /X-(E?W?)/r/2/-. mammiarij: zie mambrari*. mammie (-s), mami(e), 1. een ingevoerde en gekweekte boomsoort (Mammea americana); 2. de eetbare vrucht van deze. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1: 1787 (Roos 1804:69). 1855 (Focke 76, Van Sypesteyn 185). →. Zie ook: abrikoos*. Ø /Am/cp/3-6/-. 2: 1770 (Fermin 1:169). - 1872 (Anonymus 67). →. Ø /Am/cp/2-6/-. mammie-appel, als mammie* (2); zie ook appel* (2). 1740 (Anonymus 16). 1796 (Stedman 261). Ø /Am-N/cp/2-3/-. mammie-boom, als mammie* (1). 1770 (Hartsinck 45). - 1835 (Teenstra 2:245). Ø /Am-N/cp/2/-. Opmerking: Houttuyn (2, 3:16) geeft in 1774 als Nederlandse naam prammenboom. Deze berust kennelijk op de onjuiste veronderstelling dat mammie iets met pram te maken zou hebben. mampier: zie mompier*. man-, voorvoegsel bij een aantal merendeels aan het Sranan ontleende plantennamen, met een onderscheidende functie ten opzichte van een (of meer) gelijkende verwante soort(en). Om welke soorten het dan in het verleden ging, is veelal niet

mangras

of niet met zekerheid uit te maken. Soms staat er oema(n)- ‘vrouw’ tegenover; daarvoor geldt hetzelfde manarie, menarie (de, -s), 1. gevlochten zeef gebruikt bij voedselbereiding; 2. zeer grote, houten of metalen zeef om koffie­ bessen van hun gekneusde omhulsels te scheiden of katoenpluis van de pitten. < Sranantongo manari (Schumann 1783:106) of < Arowaks manali (Focke 1855:76), < Karaïbisch manari (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 462), betekenis 1. Van betekenis 1 overgedragen op betekenis 2. Kan ook in betekenis 1 afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1: 1740 (Anonymus 103). - 1835 (Teenstra 1:259). → (manarie). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:24). Ø /S?Ind.?W?/ic/2-6/W./. 2: 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1835 (Teenstra 1:259; ook (292), menaar). Zie ook: katoen-menarie*, grienen*. Ø /S/ pt/2-4/-. manbarklak, manberklak, enige boomsoorten van het genus Eschweilera en hun hout, gebruikt als timmerhout; ook attributief. < Sranantongo manbarklak (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:284). Zie barklak*, zie manbarklak*. 1786 (Visscher Heshuysen 338). - 1858 (Van Sypesteyn 138). → (manbarklak). Zie ook: oemanbarklak*. Ø /S/wp/3-6/-. man-bijari: zie mambrari*. mandarine, de vrucht van een cultuurvorm van zekere citrussoort (Citrus reticulata); heden in Surinaams-Nederlands pompon. < Frans mandarine. 1855 (Focke 68). Zie ook: Curaçaose oranje*. Ø /Fr./cp/4/-. mangras, soort gras (Eleusine indica). < Sranantongo mangrasi (Focke 1855:40,

mangro

143

met onjuiste wetenschappelijke naam). 1835 (Teenstra 1:206). →. Ø /S/wp/4-6/-. mangro (mangroën), mangroe, 1. enige boomsoorten van het getijdengebied, in het bijzonder mangrovesoorten (genus Rhizophora) en hun als timmerhout bruikbare hout, ook attributief; 2. vegetatie waarin mangro (1) overheerst. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1: 1740 (Anonymus 15). - 1855 (Van Sypesteyn 178). →. Zie ook: duizendbeen(boom)*, oesterboom*. Ø /Am/wp/2-6/-. 2: 1711 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 239 fol. 42). - 1766 (Inventaris Archief Raad van Politie 812). Zie ook: mangrobosch*. Ø /Am/wp/1-2/-. Opmerking: De hieronder volgende bevindingen betreffende de betekenissen van rode, witte en zwarte mangro zijn niet gelijk aan die met de corresponderende kleuren in de Engelstalige literatuur. - : rode mangro, gekweekt boompje (Coccoloba uvifera), ingevoerd van andere Amerikaanse kusten en verwilderd. Het kernhout is roodachtig (zie rood*) en levert een rode kleurstof. Zie de opmerking onder mangro*. 1770 (Hartsinck 78). - 1802 (Blom 186). Zie ook: Barbadosdruif*, druiveboom*, zeedruif*. Ø /N+Am/cp/2-3/-. - : witte mangro, een soort heester van het kustgebied (Hibiscus tiliaceus). Het kernhout is wit. Zie de opmerking onder mangro*. 1770 (Hartsinck 78). - 1802 (Blom 186). Zie ook: maho*, de tegenwoordige naam. Ø /N+Am/wp/2-3/-. - : zwarte mangro, als mangro* (1) alsmede parwa*. Het kernhout is (donker)bruin (zie zwart*). Zie de opmerking onder mangro*. 1770 (Hartsinck 77). - 1802 (Blom 186). Ø /N+Am/wp/2-3/-.

manja

mangroboom, als mangro* (1, de boom). 1771 (C. Dahlberg nr.44). - 1854 (Van Sypesteyn 58). 1910 (Penard & Penard 207). Ø /Am-N/wp/2-5/-. mangrobosch, als mangro* (2). 1781 (Anonymus, zie Koeman 1973:135). 1783 (Roos 50, mangroboschje) - 1849 (Van Sypesteyn). →. Ø /Am-N/m/3-6/-. mangroduif, rosse duif (Columba cayennensis), voorkomend in onder meer mangro* (2). 1835 (Teenstra 2:429). 1908 (Penard & Penard 331). → (mangrodoifi, als Sranantongo). Zie ook: parwaduif*. Ø /Am-N/d/4-5/-. mangrogrond, grond* (II) met mangro* (2). 1744 (Schiltkamp & De Smidt 522). 1780 (Schiltkamp & De Smidt 982). Ø /AmN/m/2-3/-. mangrokust, kust begroeid met mangrobosch*. 1849 (Van Sypesteyn). Ø /Am-N/m/3/-. mangroland, als mangrogrond*. 1770 (Hartsinck 813). 1784 (Heneman). Ø /Am-N/m/2-3/-. mani, hars van de maniboom*, gebruikt als kitmiddel en als brandend element van een toorts. < Karaïbisch mani Focke (1858a:313), Arowaks mani (Courtz 313). 1854 (Kappler 1983:98). →. Ø /Ind./wp/46/-. maniboom, de boomsoort die mani* levert, heden in Surinaams-Nederlands genoemd matakie* (Symphonia globulifera). 1854 (Kappler 1983:98). - 1944 (Stahel 84). Ø /Ind.-N/wp/4-5/-. manicole: dit woord voor de palm pien* alsmede manicole bosch staan weliswaar in Van Donselaar (1989:243), maar de daar genoemde auteurs alsmede Van Sypesteyn (1849) hebben het ten onrechte overgenomen uit Berbice. manja (de), 1. mango, ingevoerde vruchtboom (Mangifera indica); 2. de vrucht van

manjaboom

deze. < Maleis mangga, de naam in het voormalige Nederlands Oost-Indië. 1: 1801 (Blom 10). - 1855 (Focke 77). → (ook manje). Ø /Maleis/cp/3-6/-. 2: 1845-1849 (Boekhoudt 1874:76). - 1872 (Anonymus 67). → (ook manje). Ø /X/ cp/4-6/-. manjaboom, als manja* (1). 1835 (Teenstra 2:106). 1855 (Focke 15). → (ook manjeboom). Ø /Maleis-N/cp/5-6/-. mankaneelhart: zie kaneelhart*. manneger, man neger, mannelijke neger*. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 25). - 1853 (Surinaamsch Weekblad nrs. 25 en 55). Ø /N-Am/r/3-4/-. manumissie, het vrijlaten van een slaaf, evenwel met restricties met betrekking tot zowel de ‘vrijlater’ als de ‘vrijgelatene’, als omschreven in reglementen van 1733, 1741, 1761, 1772 (Schiltkamp & De Smidt 411, 471, 727, 841). < Europees-Nederlands manumissie (< Latijn manumissio) voor genoemde vrijlating zonder meer. 1772 (Schiltkamp & De Smidt 845, in “brief van manumissie”; zie beneden) 1866 (Van Schaick 70). Opmerking: Al in 1670 (Schiltkamp & De Smidt 57) is er sprake van vrijgelaten negers*. Ø /N’/bc/2-4/-. - : brief van manumissie, akte die een geval van manumissie vastlegt. 1772 (Schiltkamp & De Smidt 845, 847). 1857 (Bakker e.a. 1993:53). Zie ook: vrijbrief*. Ø /N+N/bs/2-4/-. manumitteren (gemanumitteerd), manumissie* verlenen. 1733 (Schiltkamp & De Smidt 411). - 1866 (Van Schaick 70). Zie ook: gemanumitteerde* Ø /N”/bs/24/-. marabons: zie maribons*. marai, maraaij (de, -en), twee onderling

144

maribons

nauw verwante sjakohoenders: marailsjakohoen (Penelope marail) en nog een (Penelope jacupeba). < Sranantongo marai (Focke 1855:77) of < Karaïbisch marai (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 464, Courtz 313). 1763 (Pistorius 64). - 1872 (Anonymus 66). →. Zie ook: boschkalkoen*, faisanten*. Ø /K?S?/d/2-6/-. maraka, rammelaar van een grote, uitgeholde calabas* (I, 1), door indiaanse sjamaan (piaiman*) gebruikt bij rituele handelingen. < Karaïbisch maraka (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:464), marhaka (Sabajo 1989:215). 1718 (Herlein 137). - 1854 (Kappler 1983:104). →. Opmerking: In hedendaags SurinaamsNederlands en Sranantongo is een maraka (ook) een rammelaar als ritme-instrument, zoals een sambabal. Zie ook: saka*. Ø /K/ic/1-6/-. marcoesa (de, -s), enige soorten passiebloem (Passiflora) en hun vruchten. < Sranantongo markusa (Schumann 1783:108) < Karaïbisch merekoeja (Ostendorf 1962:57, Courtz 316; Arowaks moeroekoeja, merekuja (Focke 1855:78, respectievelijk Courtz 316). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 16, marcussa). - 1866 (Van Schaick 37). →. In Brazilië marakuia (Nieuhof 1682:207). Zie ook: boschmarcusa*, paramarcusa*, snekimarcusa* en tuinmarcusa*, marquisade*, merecoje*. Ø /S/wp/1-6/-. - : kleine marcoesa, een gekweekte en verwilderde variëteit van paramarcusa* en de vrucht van deze. 1866 (Van Schaick 37). →. Ø /N+S/cp/46/-. maribons, marabons (-en), enige soorten veldwesp (genus Polistes).

maripa

145

< Sranantongo marbunse (Schumann 1783:105), marabonsoe (Focke 1855:77) < Portugees marimbondo, ‘wesp’ in het algemeen (J.L. Taylor 1970:409). 1705 (Merian 60, maribonse). - 1787 (Schouten, zie Lichtveld & Voorhoeve 1980:183; marrabonsen, meervoud). - 1855 (Focke 77). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 370). → (marbonsoe, als Sranantongo). Zie ook: capasie-maribons* Ø /S/d/1-5/-. maripa, een soort palm (Attalea maripa) en zijn vrucht. < Sranantongo maripa (Fermin 1765:181) of < Karaïbisch maripa (Ostendorf 1962:260, Courtz 314). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 12, maripe). - 1771 (Nepveu 286, maripa). - 1835 (Teenstra 1:409). →. Ø /K?S?/wp/16/-. marmadas, als marmalada* (zie beneden). Herkomst onduidelijk. 1689 (Hermann fol. 11). markeur, stempelaar, merker, vermoedelijk persoon die slaven van een merk*(2) voorziet, dat wil zeggen brandmerkt. < Frans marqueur. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 19). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 18), daar gevraagd in een advertentie met de toevoeging “maar vrij persoon”. Ø /Fr./bc/3-4/-. marmalada, een boomsoort (Duroia eriopila). < Portugees marmalada: jam van kweeperen; daarop lijken de vruchten van de genoemde boom. 1689 (Sherard, zie Brinkman 1980, bijlage VI). Zie ook: marmelade(doosies)boom*, doosiesboom*, marmeldoosje* (2). Ø /Port./wp/1/-. marmazet: waarschijnlijk in Suriname nooit gebruikte naam voor het doodskopaapje (Saimiri sciurus). Het woord verschijnt in

marmeldoos

1669 als leenvertaling van het Engels bij Warren (1667:11) en vervolgt, mede door toedoen van Van Berkel (1695:118), via Herlein (1718:178) zijn weg door de literatuur over Suriname tot Pistorius (1763:61). Zie ook: doodshoofdje*, kaboutermannetje*, monkie*, monkiemonkie*. marmelade: grote marmelade, als marmalada* (zie aldaar). De vruchten zijn groter dan die van de kleine marmelade*. 1771 (Nepveu 361). Ø /N+Port./wp/2/-. - : kleine marmelade, soort heester (Rosenbergiodendron formosum). De vruchten zijn kleiner dan die van de grote marmelade*. Zie ook haagmarmeldoos*, marmeldoos* (3). 1771 (Nepveu 361). 1835 (Teenstra 2:260). Ø /N+Port./cp/2-4/-. marmelade-appel, de vrucht van marmalada*. Zie appel* (2). 1835 (Teenstra 2:256). Zie ook: marmeladedoos*, marmeldoosje*. Ø /Port.-N’/wp/4/-. marmeladeboom, als marmalada*. 1763 (Pistorius 32). - 1821 (Von Sack 1:189). Zie ook: marmeladedoosiesboom*, doosiesboom*, marmeldoosje* (2). Ø /Port.-N/wp/2-3/-. marmeladedoos(je), de vrucht van marmalada*. Deze vrucht lijkt op een gesloten ‘doos’ met daarin marmelade. 1705 (Merian 43). - 1839 (Benoit 20). Ø /Port.-N’/wp/1-4/-. marmeladedoosiesboom, als marmalada* en marmeladeboom*. 1705 (Merian 43). Zie ook: marmeldoosje* (2). Ø /Port.-N’N/wp/1/-. marmeldoos(je), 1. als marmeladedoos*; 2. als marmeladeboom*; 3. als kleine

maroni

146

marmelade*. < marmeladedoos(je)*. Deze afleiding weerspreekt andere geopperde mogelijkheden waarbij het Engelse marmelade-box of andere Portugese woorden rechtstreeks of via het Sranan in het spel zouden kunnen zijn geweest. 1: 1835 (Teenstra 2:256). →. Ø /X/wp/4-6/-. 2: 1835 (Teenstra 1:381). →. Ø /X/wp/4-6/-. 3: 1855 (Focke 78). →. Zie ook: kleine marmelade*, haagmarmeldoos*. Ø /X/wp/4-6/-. Zie ook: boschmarmeldoosje*. Opmerking: Het voorkomen van Sranantongo marmadosso (< SurinaamsNederlands marmeldoos) bij Schumann (1783:108) wijst erop, dat de SurinaamsNederlandse naam als boven ouder moet zijn dan 1835. maroni-: zie Marowijne-*. Marowijnediamant, topaas, als voorkomend langs de Marowijne. In het Engels kan diamond, indien voorafgegaan door een plaatsaanduiding, ook betrekking hebben op andere gesteenten dan diamant. Dat gold eertijds ook voor Sranantongo djamanti (Focke 1855:23). 1796 (Stedman 226; Marawinidiamond, Engelse spelling). 1854 (Kappler 1983:37). Opmerking: Bij Kappler (1883:211) ook maronidiamanten. Ø /N-E/m/3-4/-. Marowijnesteen, als Marowijnediamant*. 1854 (Van Sypesteyn 57, rode en witte marowijnesteen). Opmerking: Bij Kappler (1883:193) maronistenen. Ø /N-N/r/4/-. marquiaas: zie marquisade*. marquisade (de), enige wilde en (ook) gecultiveerde soorten passiebloem (Passiflora) en hun vruchten. < Engels marquisate < Portugees marquesado, J.L. Taylor 1970:410. 1845 (Boeckhoudt (1874:76). - 1872 (Anonymus 67).

massen

Zie ook: marcoesa*. Opmerking: Merian (1705:21) geeft marquiaas voor de vrucht. Ø /E/cwp/4/en E/cp/4/-. marron (-s), de slavernij ontvluchte en feitelijk in vrijheid levende neger(in) of afstammeling van dezen. Van Veen & Van der Sijs (543) geven als eerste voorkomen in het Europees-Nederlands 1847, < Frans. Van Dale vermeldt de eerste vondst uit Suriname uit 1770, en eveneens < Frans. Dat laatste valt te betwijfelen. In het Engels (ook < Frans) van Jamaica komt maron in bovengenoemde betekenis voor in 1744 (Cassidy & Le Page 293). Wellicht kreeg Suriname het woord uit het Engels. 1770 (Hartsinck 574). - 1854 (Van Sypesteyn 162). →. Zie ook: boschneger*, boschcreool* en boschslaaf*; schuiler*, wegloper*. Ø /Fr.?E?/o/2-6/-. marucawa, niet geïdentificeerde plant, “dragende gele bloemen met roode blaatjens rondom” (Van Aerssen van Sommelsdijck 1686 bak 1 nr. 2). Deze beschrijving doet vermoeden, dat het de (nu zo geheten) savannebloem (Amasonia campestris) betreft. Het lijkt een indiaanse naam te zijn. Ø /Ind.?/wp/1/-. maschietebroek: zie musquitebroek*. masoewa, maswa, visfuik gevlochten van biezen, lianen en dergelijke. < Sranantongo masoewa (Focke 1855:79) < Karaïbisch masiwa (Courtz 315), of < Afrikaans maswá (Huttar 1986, zie Bruyn 2002:166). 1854 (Kappler 1983:54). →. Ø /S/r/4-6/-. massen (gemast), kneuzen, vermorzelen. < Sranantongo masi (Schumann 1783:108) of < Engels to mash, Echteld 1961:104. 1740 (Anonymus 40; gemascht, van koffiebessen; hoe uitgesproken ?). →. Ø /E?S?/

mat

147

pt/2-6/-. mat (de, -ten), stampblok. < Sranantongo matta (Schumann 1783:109) < Engels mortar, Echteld 1961:172. 1771 (Nepveu 184). - 1855-1863 (Bartelink 1916:28) → (mata, als Sranantongo). Zie ook: koffiemat*, stampmat* en tomtommat*, tomtomblok*, matatiki*. Ø /S/pt/2-6/-. matagnie: zie matakie*. matakie, matagnie (de), een boomsoort (Symphonia globulifera) en zijn hout gebruikt voor duigen; zie verder onder mani*. < Sranantongo matakee (Stedman (1796:134, Engels gespeld). 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171, matagnie hout). - 1771 (C. Dahlberg nr.69, matagnie boom). 1786 (Visscher Heshuysen 341, matakie). - 1855 (Van Sypesteyn 180). →. Zie ook: maniboom*, trompet*. Opmerking: De identificatie met Caraipa richardiana bij Focke (1855:79) en wellicht in navolging van deze van matakiehout bij Sack (1910:46) lijkt een vergissing. Ø /S/ wp/2-6/-. matakie zwamp, moeras (zwamp*) met een vegetatie waarin matakie* overheerst. 1852 (Hoogbergen 1978:69). Zie ook: trompettenzwamp*. Ø /S(E?W?)/m/4/-. matapi (-’s), gevlochten, buisvormige cassavepers*. < Sranantongo matapi (Schumann 1783:109) of < Karaïbisch matapi, Focke 1858a:313, (Courtz 315). 1740 (Anonymus 103). - 1859 (Winkels IV:286). →. Ø /K?S?/ic/2-6/-. matatiki, stamper behorend bij een mat*. < Sranantongo matta-tiki (Schumann 1783:109). Sranantongo tiki ‘stok’ in het algemeen).

matoewari

1835 (Teenstra 1:261, matta tikki). →. Ø /S/ic/4-6/-. Matawarie: zie Matoeari*(I). mati, vriend(in), kameraad; ook als vertrouwelijke aanspreekvorm voor creolinnen*. < Sranantongo mati (Schumann 1783:109) < Engels mate, Smith 1987:202. 1866 (Van Schaick 3). →. Ø /S/r/4-6/-. matischap, kameraadschap tussen vriendinnen. 1866 (Van Schaick 93). Ø /S-N/r/4/-. Matoeari I., boschneger* van de stam der Matoeari. De stam en de Boven-Saramaca aan welke deze gevestigd is, worden in de bosnegertalen beide Matawai (of een naam die daarop lijkt) genoemd. 1772 (De Beet & Price 1982:173, Mattawarries). 1859 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 156, Matuari). →. Zie ook: Becou en Moesinga*. Ø /X/r/26/-. matoeari II. (-’s), niet nader geïdentificeerde soort fel gekleurde vlinder. 1785 (Roos 1804:178). →. Ø /X/d/3-6/-. matoeri, een soort forelzalm (Erythrinus erythrinus). < Sranantongo matuli (Schumann 1783:109). 1740 (Anonymus 23). 1835 (Lammens 178). → (matoeli). Ø /S/d/2-6/-. matoetoe, een soort mand. < Sranantongo matutu (Schumann 1783:109). 1834 (Teenstra 1842:231). Ø /S/r/4/-. matoewari, twee onderling nauw verwante soorten kambaars (Grzimek 5:559): Crenicichla alta en Crenicichla saxatilis; beide in Surinaams-Nederlands heden datra. < Sranantongo matoewari (Focke 1855:79) < Karaïbisch mataware (Courtz 315). 1740 (Anonymus 24, matuwaari). - 1771

matoziran

148

(Nepveu 350, matawarie). - 1835 (Teenstra 2:448). →. /(K)S/d/2-6/-. matoziran, een boomsoort (Pterocarpus rohrii); heden in Surinaams-Nederlands hooglandbebe. < Karaïbisch matoesiran (Ostendorf 1962:97), Karaïbisch mutusiran (Klooster e.a. 87). 1689 (Hermann fol. 48, zie Van Ooststroom 1939 nr. 48). Ø /K/wp/1/-. matres, leermeesteres. < Europees-Nederlands (verouderd) matres voor vrouwelijke leerkracht op een ‘gewone’ school. 1855 (Focke 9, in dit geval voor een naailerares). Zie ook: leervrouw* Ø /N’/bc/4/-. matrozenmes (-sen), kort mes, gedragen aan de gordel, Europees-Nederlands kortjan. In Europees-Nederlands niet eerder dan 1906 (Köster Henke 36, in Sanders 1999). Daarvoor kortjan (zie wnt 7, 2:5751). Mogelijk: < Engels sailor’s knife (oed: -; in Graham Greene 1940 - The power and the glory, p. 68). 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:121). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 75). Zie ook: negermes*. Ø /(N-N)?E?/r/2-4/-. matrozenpont, grote, overdekte, platboomde roeiboot voor goederenvervoer. Zie pont*. Vooral gebruikt voor vervoer van plantageproducten, (aanvankelijk) door matrozen, naar hun in lading liggende zeeschepen. Zo’n vaartuig heette in Nederland een lichter, maar in het laatste geval wordt in het wnt (12, 2:3292) al vermeld met betrekking tot ‘West-Indië’ als kortweg pont. 1835 (Teenstra 1:241). - 1855 (Focke 79). Zie ook: scheepspont*. Ø /N-(N’?W?)/ pt/4/-. maurici, maurisi(e), mauritius, morisi, 1. soort waaierpalm (Mauritia flexuosa); 2. ve-

maurisiezwamp

zel uit de bladtongen van 1, ook attributief. < Sranantongo morisi (Schumann 1783:113) of < Karaïbisch morisi (Ahlbrinck 1931:309); deze herkomst geldt ook voor de wetenschappelijke genusnaam Mauritia van 1781 (Wessels Boer 1965:10). De spelling met een -c- of -ts-, met -au- (heden en wellicht ook eertijds al zo uitgesproken) en met een hoofdletter berusten veelal op de onjuiste en nog steeds voortlevende veronderstelling dat deze palm vernoemd zou zijn naar Johan Maurits van Nassau, gouverneur van Nederlands Brazilië (16361644), of naar Jan Jacob Mauricius, gouverneur* van Suriname (1742-1751). De spelling met -o- is de oudste, die met -au- de hedendaagse; daartussen wisselen ze elkaar zonder regelmaat af. 1: 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 13, morici). 1775 (De Beet 1984:188). → (maurisie(palm)*). Zie ook: lataan*. Ø /K?S?/wp/1-6/-. 2: 1768 (De Beet 1984:78, moricie hangmakken: hangmatten als vervaardigd door Arowakken). Ø /K?S?/wp/2/-. mauricieboom, als maurici* (1). 1771 (Nepveu 284). - 1796 (Stedman 144, maureecee tree; Engelse vertaling). → . Ø /(K?S?)-N/wp/2-6/-. Maurici-maca, het eetbare vruchtvlees uit de noot van maurici* (1). Zie maca* (II). 1762 (Inventaris Archief Raad van Politie 806). Ø /(K?S?)-S/wp/2/-. mauricipalm, als maurici* (1). 1835 (Teenstra 1:410). 1849 (Van Sypesteyn, Mauriti Palm). 1854 (Kappler 1983:35, mauritiuspalm). →. Ø /(K?S?)-N/ wp/4-6/-. Maurisbroek (de), zekere niet nader te identificeren soort broek. 1730 (Hartsinck 760, roode Maurisbroek). Ø /X-N/r/2/-. maurisiezwamp, moeras (zwamp*) met een

Maurits-ridder

149

vegetatie waarin maurisie* overheerst. 1772 (De Beet 1984:133, mauritseswamp). → (maurisizwamp). /(K?S?)-(E?W?)/m/2-6/-. Maurits-ridder, lid van de vrijwillige erewacht van J.J. Mauricius (gouverneur, 1742-1751). Europees-Nederlands ridder komt ook voor als titel voor lid van een erewacht in Amstelridder (Vondel, zie wnt 13:85). 1743-1745 (Wolbers 1861:216). Ø /N’-N/ bs/2/-. mecoe, zwarte kapucijnaap (Cebus apella). < Sranantongo mekoe (Focke 1855:80) of < Karaïbisch mekoe, Focke 1858a:313. 1740 (Anonymus 21). - Focke 1858b:107. →. Ø /K?S?/d/2-6/-. meester: zie grootmeester*. meid (de, -en, -ens), mijd, volwassen negerslavin. < Europees-Nederlands meid voor vrouwelijke werkkracht, in het algemeen arbeidster. 1740 (Beeldsnijder 1994:297). - 1836 (Van Stipriaan 1993:394). Opmerking: Ook later, in samenstelling. Zie: bakjesmeid*, bottelariemeid*, huismeid*, kindermeid*, naaimeid*, negermeid*, stadsmeid*, veldmeid*, vogelmeid*, wasmeid*. Ook in Westelijk Guyana, daar alleen in samenstelling aangetroffen. Ø /N’/bc/24/W./. - : kleine meid, klein meisje, negermeisje. 1756 (Inventaris Archief Raad van Politie 940 fol. 237). 1834 (Friderici 16). Ø /N+N’/r/2-4/-. - : roode meyd, indiaanse slavin. 1735 (Van Kempen 2003:248). Zie ook: rode slaaf*. Ø /N+N’/bc/2/-. mekoe: zie mecoe*. melassieketel: zie mallassie ketel*. melkboom, melkhout, melkhoutboom, vage naam aangetroffen voor enige boom-

merk

soorten met veel wit melksap in de bast. 1787 (Roos 1804:61). - 1835 (Teenstra 1:337). Ø /N-N/wp/3-4/-. melksoké, vermoedelijk zekere doornmeerval (een Acanthodorus-soort). Zie soké*. Als bovenbedoelde vis boven water wordt gehaald, scheidt hij bij de borstvinnen een witte vloeistof af (mededeling W. Polder, in brief). 1835 (Teenstra 2:450). Ø /N’-S/d/4/-. menarie: zie manarie*. menhaden, mynhaden, manhaden, haringachtige zeevis (Breevoortia tyrannus), in vaten ingevoerd uit Engels Noord-Amerika. < Engels menhaden. 1806 (De Surinaamsche Courant 13). 1871 (ibid. nr. 129). Ø /E/bc/3-4/-. mercoje, een niet nader te identificeren soort passiebloem (Passiflora-soort). < Karaïbisch merekoeja (Ostendorf 1962:57). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 16). Zie ook: marcoesa* en verder aldaar. Ø /K/wp/1/-. merie, soort struik of boom (Humiria balsamifera). < Karaïbisch meri (Ostendorf 1962:122). 1776 (De Beet 1984:221, merie). Opmerking: Teenstra (1835, 1:382) vermeldt een niet te identificeren Commewijne merie. Zie ook: basterd bolletrie*, blakberi*. Ø /K/wp/3/-. meribei, als merie* of de vrucht van deze, of beide. Bei, eertijds een Nederlands woord voor ‘bes’ en andere kleine vruchten. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 7). /K-N/wp/1/-. merk (het), 1. voorgeschreven dagtaak van slaaf en slavin op een plantage*; 2. kort voor brandmerk op de huid van een negerslaaf (-slavin) dat aangeeft wie de eigenaar

merkpul

150

is. 1. < Sranantongo marki (Schumann 1783: 108) < Engels mark ‘merkteken’, Smith 1987:342. Merk betekent hier en bij de samenstellingen hieronder steeds ‘vastgestelde en als zodanig meetbare hoeveelheid’. 1765 (Nepveu 59). - 1868 (Bartelink 1916:71). Zie ook: halfmerk*. Ø /S/pt/2-4/-. 2. 1770 (Hartsinck 902). Zie ook: markeur*. Ø /N’/r/2/-. - : op het merk werken, volgens een merk* (1, dagtaak) werken. 1768 (Van Dyk 57). Zie ook: merkwerken*. Ø /S+N/pt/2/-. merkpul (de, -len), kruik voor dram* of melasse van 3 gallons (ongeveer 13 ½ l.), ook dienende als maat. Zie merk*(1), zie pul*. 1786 (Blom 76). Ø /S-N’/pt/3/-. merkstok (-ken), 1. stok, als piket in de grond gestoken om een opgedragen hoeveelheid veldwerk in lengte of oppervlakte aan te duiden; bij Van Dyk (1768:64) gaat het om graafwerk; 2. stok als maatlat waarop is aangegeven tot welke hoogte een geoogst product opgestapeld dient te reiken; gedacht kan worden aan producten in een mand; dit suggereert Van Dyk (1768:66). Roos (1783:46, 1 of 2). Zie merk*. Betekenis 2: < Sranantongo marki-tiki (Focke 1855:78) of < Engels mark-stick (Echteld 160); betekenen beide ‘maatlat’. Zie merk*(1); Sranantongo tiki, ‘stok’ in het algemeen). Ø /E?S?/pt/2-3/-. Ø /S/ pt/3/-. merkwerk, werk op basis van een voorgeschreven dagtaak (merk*, 1). 1802 (Blom 105). Ø /S-N/pt/3/-. merkwerken, zie: op het merk*(1) werken. 1786 (Blom 384). Ø /S-N/pt/3/-. mes, de kantine voor officieren in Paramaribo. < Engels mess. Het woord (mess) komt in

middelroller

het Europees-Nederlands, en dan in de betekenis van ‘kantine voor militairen’, niet eerder voor dan in de 20e eeuw (wnt, aanvang p. 4624). 1835 (Teenstra 2:125, ook meshuis). Ø /E/ bs/4/-. mesman, beheerder van de mes*. < Engels mes man 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 25). 1835 (Teenstra 2:125). Ø /E-N/bs/3-4/-. mespil: zie mispel*. mess, stuk (vlees of spek) van het juiste gewicht voor één maaltijd, in het bijzonder op maat gesneden en aldus ingevoerd in vaten. < Engels, in deze betekenis toen in Amerika nog niet verouderd (oed; Webster 505). De oed geeft het volgende citaat uit 1883: “Useful Anim. Mess Beef. This is usually put up in pieces of 8 lbs [4 1/2 pond], and sold in tierces of 304 lbs. [170 pond].” 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 2). 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 108, 111 en 129). Ø /E/bc/3-4/-. mesties: zie mistiche*. metselneger, metselaarneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als metselaar. Voor 1750 (Beeldsnijder 1994:138). - 1832 (Teenstra 1842:244). Ø /N-Am/pp/2-4/. middagschot, loos kanonschot op het Fort Zeelandia dienende als tijdsein van 12 uur voor Paramaribo. Het is van 1838 tot 1913 in gebruik geweest. Ø /N-N/bs/4-5/-. middeljaarsspel: zie spel* (II). middelpad, middenpad, pad dat in het midden door de (vaak gehele) diepte van een plantage* loopt, eventueel over een dam. 1768 (Van Dyk 55). - 1867 (Oostindie 1989:22). Ø /N-N/pt/2-4/-. middelroller, middelste van de drie staande walsen (rollers*) in een suikermolen. 1835 (Teenstra 1:214). Zie ook: koningsroller*, trasroller*,

mierenbeer

151

zijdroller*. Ø /N-E/pt/4/-. mierenbeer, grote miereneter (Myrmecophaga tridactyla). < Engels ant-bear (onder meer bij Warren 1667:10). 1670 (wnt 9:696). 1900 (Penard 1:6). Opmerking: Het woord is veel later ook in het Europees-Nederlands opgenomen en toen ook gebruikt door Penard (zie boven). Bij Houttuyn (1, 1:486; 1761) nog niet in gebruik. Zie ook: tamanoa*. Ø /E/d/1/-. mierenboom, een boomsoort (Triplaris weigeltiana). Er leven mieren in de holle stam en takken. 1855 (Focke 81). 1903 (Van Coll 543). Zie ook: mierenhout*. Ø /N-N/wp/4-5/-. miereneter, enige soorten wormhagedis (genus Amphisbaena), heden in SurinaamsNederlands toe-ede-sneki (< Sranantongo). Deze dieren eten vooral mieren en termieten (houtluizen*). 1770 (Hartsinck 103). →. Zie ook: mierenslang*. Ø /N-N/d/3-6/-. mierenhout, als mierenboom*. 1855 (Focke 81, Van Sypesteyn 180). →. Opmerking: Teenstra (1835, 1:382) geeft mira en miraboom. Mogelijk moeten mierenhout en mierenboom* (ook) in verband gebracht worden met Sranantongo mira-oedoe (Focke 1855:81; Sranantongo mira = mier, Sranantongo oedoe = hout), dat in 1910 door Sack (20) als ook Surinaams-Nederlands wordt beschouwd. Ø /N-N/wp/4-6/-. mierenslang, als miereneter*. < Sranantongo mira-sneki (Fermin 1765:36), met letterlijk dezelfde betekenis. Het dier is slangvormig. 1718 (Herlein 176). Ø /S/d/1/-. miesje: zie missie*. miet, naam voor kleine, donker gekleurde kevertjes van meerdere soorten die leven in voorraden zetmeelhoudend voedsel (meel,

mispelhout

rijst en dergelijke). Vermoedelijk < Europees-Nederlands mijt, de naam voor zekere spinachtige dieren. Op onderstaande vindplaatsen (volgens Fermin Nederlands mijt) gaat het echter blijkens de context om bovengenoemde Surinaams-Nederlandse betekenis. De vertaling ‘houtluis’ bij Fermin (1770. 1:281) is niet juist. 1769 (Fermin 2:316; mite, Franse spelling). 1804 (Eensgezindheid 108, myt). →. Ø /N’/d/2-6/-. misi, misje: zie missie*. mispel, 1. vrucht van een mispelboom* (1); 2. als mispelboom* (1); 3. sapotille. De vrucht (1) lijkt op de Europees-Nederlandse mispel, de vrucht van Mespilus germanicus. De herkomst van betekenis 3 is niet duidelijk. 1: 1770 (Fermin 1:160). →. 2: 1771 (C. Dahlberg nr. 110, Surinaamsche mispel). - 1872 (Anonymus 67). →. 1+2: /N’/wp/2-6/-. 3: 1835 (Teenstra 2:270). Ø /X/cp/4/-. mispelboom, 1. vele boomsoorten van de familie Melastomataceae; 2. de ingevoerde boomsoort sapotille (Manilkara zapotilla). Voor betekenis 1: zie mispel*. 1: 1692, 1696 (Plukenet, zie Brinkman 1980:45; mespilboom). 1718 (Herlein 208, mispelboom). 1771 (C. Dahlberg nr. 110). →. Ø /N’/wp/1-6/-. 2: 1770 (Hartsinck 56). 1774 (Houttuyn 2, 2:447). Ø /X-N/cp/2/-. Opmerking 1: Onzeker is de identiteit bij Merian (1705:53) en Pistorius (1763:31). Opmerking 2: Commelin (1689) geeft de naam mispelboom aan Gustavia augusta (zie Brinkman 1980:45), dat is watramamabobi*. mispelhout, vermoedelijk als mispelboom* (1). 1835 (Teenstra 1:383). Ø /N’-N/wp/4/-.

missie

152

missie, misje, miesje, 1. meesteres (met betrekking tot een slaaf); 2. zwarte of gemengbloedige, vrije vrouw, veelal huishoudster* van een blanke man; 3. vrije gemengdbloedige vrouw in het algemeen. In al deze gevallen ook als aanspreektitel. < Sranantongo missi (Nepveu 1771:276) < Engels miss. 1: 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798; klijne miessie, voor dochtertje van meesteres). 1759 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 308, fol. 55). 1866 (Van Schaick 31). Ø /S/r/2-4/-. Opmerking: Later ook met betrekking tot vrij dienstpersoneel en dergelijke. 2: 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 805). - 1866 (Klinkers 1997:176). 1927 (Stahel 27). Ø /S/r/2-5/-. 3: 1828 (Kuhn 51). - 1887 (Martin, zie Van Putten & Zantinge 1988:38). Ø /S/r/4-5/-. mistiche, mistice, mistis, mestiche, mestice, mesties, mustice, persoon geboren uit een mulattin en een blanke vader, dus 3/4 blank en 1/4 neger; ook attributief. < Spaans mestizo, Portugees mestiço, dat is gemengdbloedige in het algemeen. Door Nederlanders eerder en elders gebruikt voor halfbloed van blanke en niet-blanke. In de loop van de tijd nemen schrijfwijzen met -e- en met -ice en -ies toe. 1740 (Anonymus 87, mistiche). - 1855 (Focke 85). - 1913 (Themen, zie Polanen 1982:62, mesties). Opmerking 1: Schrijfwijzen met -u- (1797, zie Koulen 1973:19 - 1806, De Surinaamsche Courant nr. 1) zijn beïnvloed door Sranantongo mostiesie (Weygandt 1798:19). Opmerking 2: Mestiezin bij Lammens (1822; 1989:99) en Winkels (II:279;1870); Helmig van der Vegt (1844:37) mostisin; Weygandt (zie boven) geeft ook mustizin. Zie ook: cabouger*, casties*, poesties*, testies*, blanke creool*.

mokkomokko

Ø /Port.?Sp.?/r/2-5/-. mocaja, een soort gestekelde palm (Acrocomia aculeata), heden in SurinaamsNederlands kawmaka (< Sranantongo, zie ook kawmaca*). < Karaïbisch mokaja (Ostendorf 1962:259). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 11). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 14). Ø /K/wp/1/-. modderbank, bankvormige slibafzetting voor de kust. < Engels mudd-bar of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1693 (Reeps 19). - 1854 (Van Sypesteyn 87). →. Ook in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:2). Ø /E?W?/m/1-6/W./. modderhieltje, modderieltje (-s), een soort zeegrondel (vis; Gobionellus oceanicus). < Sranantongo modriri (Focke 1855:82). 1835 (Teenstra 2:446). 1855 (Focke 82). Ø /S/d/4/-. modderschop: zie schop*. moepier: zie mompier*. Moesinga: zie Becou*. moffe krijgen, bericht krijgen. < Sranantongo muffe (Schumann 1783:116), mofo (Focke 1855:83) voor mond, woord, gezegde, stem. 1792 (Hoogbergen 1984:142). Ø /S+N/r/3/-. mokkomokko, mokomoko, mokkemokke,­ mokemoke, 1. zekere moerasplant (Montrichardia arborescens); 2. (een stuk) vegetatie waarin deze overheerst. < Sranantongo mokko mokko (Schumann 1783:112) of < Karaïbisch mukumuku (Hoff 1968:417). De schrijfwijzen met -o en -e op het eind wisselen elkaar onregelmatig af. 1: 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 2 nr. 2, mocoemoke). - 1858 (WestIndië 2:74). → .

mokomokozwamp

153

Mogelijk ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:83, mokke mokke). Ø /K?S?/wp/1-6/W./. 2: 1780 (Schiltkamp & De Smidt 982; mokemockes, meervoud). Ø /K?S?/wp/3/-. mokomokozwamp, moeras (zwamp*) waarin mokomoko* (1) overheerst. 1758 (Hoogbergen 1985:172) -1849 (Van Sypesteyn). →. Opmerking: Met de “donkein zwamp” van 1852 (Hoogbergen 1978:69) wordt ongetwijfeld een mokomokozwamp bedoeld, gezien de gelijkenis tussen de betreffende soorten. Ø /(K?S?)-(E?W?)/m/2-6/-. molenaar (-s), müller-amazone (Grzimek 8:382) of grote amazone, een papegaai (Amazona farinosa) die heden in Surinaams-Nederlands mason genoemd wordt. Er ligt een meelachtig waas over de veren. Het kan ook de vertaling zijn van het al oudere Franse meunière, of afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). De naam bij Grzimek (zie boven) staat hier geheel buiten; die verwijst naar een persoon met de naam Müller. 1770 (Hartsinck 108) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /X/d/2/W./. molenkreek, als molentrens*. 1855-1863 (Bartelink 1916:84). Ø /N-E/ pt/4/-. molenofficier, officier* die toezicht houdt bij het malen* (1) van een suikermolen. 1764 (Oostindie 1989:105). Ø /N-E/pt/2/-. molentrens, molensloot, in dit geval de watergang (trens*) die water uit een rivier rechtstreeks toevoert aan de watermolen van een plantage*. 1733 (Beeldsnijder 1994:171). - 1835 (Teenstra 1:172). Zie ook: inneemtrens* en de opmerking bij trens*. Ø /N-(E?W?)/pt/2-4/-. momooije, een boomsoort, vermoedelijk Jacaranda obtusifolia subspecies rhombifolia, die heden in Surinaams-Ne-

mope

derlands jaifi (< Sranantongo) of morokobita (< Sranantongo) genoemd wordt. < Sranantongo momoi (Focke 1855:84). 1835 (Teenstra 1:383). Zie ook: kandra*. Ø /S/wp/4/-. mompe: zie mope*. mompier, mampier (-en), knaasje of knut, een aantal kleine, stekende muggen (Culicoides-soorten). < Sranantongo mapira (Schumann 1783:108), mampira (Focke 1855:76) < Karaïbisch mapiri, Focke 1858a:312, (Courtz 313). Schrijfwijze met zowel -o- als -a- vanaf 1855 (Focke) tot heden; eertijds soms ook monpier. 1718 (Herlein 179, moepier). 1740 (Anonymus 25, mompier). - 1855 (Focke 76). →. Ø /(K)S/d/1-6/-. monkie, monkje, doodskopaapje of eekhoornaapje (Saimiri sciurus). < Engels monke: soorten kleinere apen in het algemeen. 1734 (Seba 1:52, monkje). - 1770 (Fermin 2:116, monkie). Zie ook: doodshoofdje*, kabouter­ mannetje*, marmazet*, monkiemonkie*. Ø /E/d//2/-. monkiemonkie, als monkie*: zie aldaar < Sranantongo monki-monki (Focke 1855:84) < Engels monkey. 1835 (Teenstra 2:404). →. Ø /S/d/4-6/-. monpe: zie mope*. monpier: zie mompier*. mope, mompe, monpe, een boomsoort (Spondias mombin) en de eetbare vrucht van deze. < Sranantongo mopé (Focke 1855:84) of < Karaïbisch mope (Ostendorf 1962:141). De uitspraak luidt (heden) mopéé. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 2). - 1796 (Stedman 312). 1900 (Penard 2:23). →. Zie ook: basterdmope*, pruim*. Ø /K?S?/

mopeboom

154

wp/1-6/-. mopeboom, als mope* (de boom). 1771 (C. Dahlberg nr. 124). 1775 (Sneebeling 1973:3). →. Zie ook: pruim(en)boom*. Ø /(K?S?)-N/ wp/2-6/-. mora, een boomsoort (Mora excelsa) en zijn hout. < Arowaks mora (Van Coll 1903:565). 1768-1780 (Quandt 1807:88; Mora-holz, verduitsing van het Surinaams-Nederlandse woord). 1910 (Sack 26). →. Eerder in Oostelijk Guyana (De Laet 1630:568, moura), ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:71, mouraboom). Zie ook: peto*. Ø /Ar/wp/2-6/O./W./. morisie: zie maurisi*. morokko, twee soorten karperzalm die veel op elkaar lijken: a. Brycon falcatus en b. Chalceus macrolepidotus). < Sranantongo morokko (< a. Karaïbisch myroko, b. Karaïbisch myrokòu (Courtz 322-323)). 1835 (Lammens 178; Teenstra 2:450). →. Zie ook: lampila*. Ø /K?S?/d/4-6/-. morsloods, op een koffieplantage de loods waar de buitenste, rode bast* (schil) van de koffiebessen gebroken (gekneusd) wordt, zodat deze verwijderd kan worden. Morsen betekent hier ‘vermorzelen’, zoals ook in het Middelnederlands (Van Veen & Van der Sijs 1997:578). Vergelijk Engels to mash. 1771 (Nepveu 178). - 1835 (Teenstra 1:255). Zie ook: breekhuis*. Ø /N-N/pt/2-4/-. moskiet(-): zie muskiet(-)*. mossel (de, -en), onduidelijke naam voor enige verwanten van de Europees-Nederlandse mossel (Mytilus edulis); in latere literatuur worden genoemd Mytilla charuana en het genus Crassostrea. 1740 (Anonymus 24). 1783 (Roos 29). → (Surinaamse mossel).

muskiet

Zie ook: oester*. Ø /N’/d/2-6/-. mosterd, Surinaamsche mosterd, piccalilly, een gekruide, meestal zure saus. < Europees-Nederlands mosterd, een smeerbare kruiderij uit de zaden van twee Europese planten. 1855-1863 (Bartelink 1916:12). 1939 (Schoonhoven 160). →. Ø /N’/bc/5-6/-. mouton, anioema, een vogelsoort in moerassen (Anhima cornuta). < Portugees mutum, in Suriname door schrijvers vermoedelijk rechtstreeks ontleend aan de naam in Brazilië en door anderen nooit gebruikt. 1693 (Reeps 21). 1718 (Herlein 183). In Brazilië (Keye 1659:66). Zie ook: pennevogel*. Ø /Braz./d/1/B./. mulattenbal, bal van vrije kleurlingen, zich onderscheidend door grote verfijning. 1796 (Stedman 324; mulatto ball, Engelse vertaling). 1823 (Anonymus 81). Ø /NN/r/3/-. mulattenschool, school voor kinderen van vrije mulatten (en andere gemengdbloedigen) en vrije negers. 1761 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 518). Ø /N-N/r/2/-. muscus, abelmos, een ingevoerde en gekweekte plant die het muskuszaad voortbrengt (Abelmoschus moschatus); heden in Surinaams-Nederlands genaamd wilde oker. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 3, muscus). 1705 (Merian 42, muscusbloem) Ø /N’/cp/1/-. muskiet, moskiet (-en), steekmug (familie Cuculidae). Tropisch Amerikaans element, sub 5. Oudste vindplaats in het Nederlands bij De Laet (1630:566) voor Oostelijk Guyana mosquitos (meervoud), rechtstreeks uit het Portugees van Zuid-Amerika. Suriname: muskyta in de vertaling (1669: 17) uit het Engelse muskeeta bij Warren

muskietenkleed

155

(1667:22). Ook zo (muskita) in 1718 (Herlein 178) en 1763 (Pistorius 78). Daarna volgen, ook de samenstellingen in aanmerking genomen, muschiet (Anonymus 1769:18), musquit(e) van 1770 (Hartsinck 913) tot 1788 (Roos 45), moskiet (Focke 1855:78) en muskite/muskiet van 1822 (Lammens 1982:42) tot heden. In Westelijk Guyana musschiet (Van Berkel 1695:14) en muskiet (Groen 1792, 2:5). In Nederland en het voormalige Nederlands Oost-Indië niet veel eerder dan 1872; zie Van Dale (2e druk) en wnt (9:1276). Ø /Am/d/1-6/O./W./. muskietenkleed (-kleden), muskietkleed, klamboe. 1822 (Lammens 1982:42, muskitenkleed). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 17). →. Ø /Am-N/bc/3-6/-. muskietenwaaier, handwaaier voor het verjagen van muskieten. 1857 (Hoogbergen 1978:62). Ø /Am-N/ bc/4/-. muskieteworm, larf van enige horzelsoorten van het genus Dermatobia, levend in de huid van mensen en warmbloedige dieren. Uit de naam blijkt, dat men indertijd al wel wist te doen te hebben met de larf (worm*) van een vliegend insect, maar nog niet van het juiste. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1835 (Teenstra 2:201; Lammens 196). →. Zie ook: boschworm*. Opmerking: Hartsinck (1770:914) geeft de naam ten onrechte aan de beenworm; hier is verwarring in het spel. Ø /Am/d/4-6/-. musquit: zie muskiet*. musquitenbroek, kleding ter bescherming tegen muskieten: 1. een lange broek; 2. een tulen hansop. Vergelijk voor betekenis 1 Engels mosquito trousers. Kan ook afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden).

namoe

1: Bij Hartsinck (1770:913). voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /E?W?/r/2/W./. 2: 1783 (Roos 45). 1798 (Weygandt 142, maschiete broek, vermoedelijk onder invloed van Sranantongo maskita). Ø /Am-N’/bc/3/-. mustice: zie mistiche*. mynhaden: zie menhaden*. myt: zie miet*.

n naaimeid, negerslavin (meid*) als (interne) naaister. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:31). Ø /N‘N/bc/4/-. naainaai fissi, spoelgeep, een zoetwatervis (Potamorrhaphis guianensis). < Sranantongo nanaifisi (Focke 1855:86), ‘naaldvis’; het dier is lang en zeer dun. 1796 (Stedman 314). 1835 (Teenstra 2:450). →. Ø /S/d/3-6/-. naapjes, napjes, zie napie*. nachtegaal, huiswinterkoning (Troglodytes aedon albicans); heden in SurinaamsNederlands gadofowroe* (< Sranantongo) geheten; zie voor andere namen aldaar. < Europees-Nederlands nachtegaal, een vogel die ook ’s nachts zingt; de Surinaams-Nederlandse nachtegaal begint met zingen ruimschoots voor zonsopkomst. 1798 (Weygandt 38). - 1844 (Helmig van der Vegt 52). Ø /N’/d/1-4/-. najaas, najas, peesknopen als overblijfselen na framboesia (jaas*, 1). 1764 (Oostindie 1989:104). 1787 (Blom 340). 1855 (Focke 1855:114, na-yaws). Zie ook: jaasbonken*. Ø /N-(E?W?) /z/2-4/-. namoe, grote tinamoe, een vogel behorende

napeibo

156

tot de kortstaart- of stuithoenders (Tinamus major). < Sranantongo namu (Schumann 1783:121) of < Karaïbisch njamoe (Penard & Penard 1908:318), inamu (Hoff 1968:14, Courtz 275). 1740 (Anonymus 22). 1783 (Schumann 121). Zie ook: anamoe*, patrijs*. Ø /(K)S/d/23/-. napeibo, niet nader geïdentificeerde, inheemse (vermoedelijk houtige) plant: “een Americaansche Myrthus”, “vrugt als mispeltjes” (Van Aerssen van Sommelsdijck zie beneden). De naam is vermoedelijk indiaans. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 17). Ø /Ind.?/wp/1/-. napie (-s); naapjes, napjes (meervoud), windend kruid (Dioscorea trifida), ook gekweekt, en zijn eetbare knollen. < Sranantongo napi (Schumann 1783:121) < Karaïbisch napoi (Ahlbrinck 1931:315), napyi (324 Courtz). Opmerking 1: Karaïbisch napi betekent ‘bataat’ (zie patate*); de bovengenoemde plant heet in het Karaïbisch napoi (zie boven). Opmerking 2: Volgens Fermin (1765:196) is Sranantongo napi ‘jam’ (jammes*); dat is niet juist. Echter, Hartsinck (1770:60) bedoelt met boks-jammes zeer waarschijnlijk wél napie. Opmerking 3: Het is niet duidelijk welke knol door De Laet (1630:57) wordt bedoeld met Napi en ook niet waar en door welke indianen het woord gebruikt werd. Opmerking 4: nb: een “gekookte Napies braf*” (ca. 1792 (H. Spalburg 2008:180)). 1711 (Dragtenstein 71). 1740 (Anonymus 15, naapis; 108 napjes). - 1872 (Anonymus 17). → (napie). Ø /(K)S/cp/1-6/-. nationaalhelper, helper* ten behoeve van zending en prediking.

neger

De strekking van nationaal is niet duidelijk; het komt van Duits Nationalgehülfe (Wullschlägel 1856:121). Ca. 1840 (Lenders 1986:151). - 1868 of later (zie beneden). 1857 nationaalhelpster (Klinkers 1997:62). Opmerking: In 1868 de Nationaalhelperschool (Gobardhan 2001:174). Ø /NDui./bc/4-5/-. Nederlandsch, toegevoegd achter een bedrag in geld, beduidt, dat het Nederlands geld betreft, ter onderscheiding van Surinaamsch*. Zie verder onder Hollandsch*. 1828 (Kuhn 61). →. Ø /N’/bs/4-6/-. neger (de, -s), negerslaaf, negerslavin. Tropisch Amerikaans element, sub 5, als verbijzondering van ‘een persoon van het zwarte ras’. 1667 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 434). - 1863 (de emancipatie*). Zie ook: negerin*, negro*. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:434). Ø /Am/r/1-4/W./. - : Afrikaanse neger, uit Afrika aangevoerde negerslaaf (neger*). 1806 (De Surinaamsche Courant nr.15). Zie ook: nieuwe neger*, zoutwaterneger*. Ø /N+Am/r/3/-. - : nieuwe neger, kort tevoren uit Afrika aangevoerde neger*. 1762 (Inventaris Archief Raad van Politie 806). - 1792 (De Surinaamsche Courant nr. 48). Zie ook: Afrikaanse en oude neger*, zoutwaterneger*. Ø /N+Am/r/2-3/-. - : oude neger, al enige tijd geleden uit Afrika aangevoerde neger*. 1767-1802 (Van der Putte 280). Ø / N+Am/r/2-3/-. - : rode neger, neger* met roodachtig haar. 1774 (De Beet 1984:164). Ø /N+Am/r/2/-. - : vrije neger, (vrije negerin), 1. gemanumitteerde*, dus beperkt vrije neger

neger bastiaan

157

(negerin); 2. boschneger* (2). 1: 1670 (Dragtenstein 27). - 1793 (Schiltkamp & De Smidt 1174). - vermoedelijk 1863 (de emancipatie*). Zie ook: gemanumitteerde*, vrijneger*. Ø /N’+N/r/1-4/-. 2: 1823 (Lammens 1982:183). Ø /N+N /r/33/-. -neger: de woorden met neger* als tweede deel van een samenstelling kunnen als volgt gerubriceerd worden: - Niet het bezit van een particuliere eigenaar: landsneger* en societeitsneger*. - Woonplaats: fortneger* en plantageneger*. - Specialisatie in het bijzonder op een plantage*: ambachtneger*, bakkerneger*, bootneger*, delverneger*, dresneger*, grasneger*, huisneger*, jagerneger*, kokneger*, kookneger*, kuiperneger*, linnenneger*, loosneger*, metselneger*, ponteneger*, roeineger*, smitneger*, stalneger*, timmerneger*, tuinneger*, veldneger*, visscherneger* en wagtneger*. - ‘Op commando’: commandoneger*, lastdragerneger*, schutterneger* en werkneger*. - Overig: cabougerneger*, manneger*, papaneger*, schuiler(s)neger*, zoutwater­ neger*. Bij vrijneger* en meestal ook bij bosch­ neger* gaat het niet om een slaaf (zie aldaar). Opmerking: Als alternatieve mogelijkheid soms neger voorafgegaan door een attributief gebruikt zelfstandig naamwoord. neger bastiaan, als bastiaan* (1, zie ook 2). negerbijl, aks. 1763 (Price & Price 1980:19). 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 49, neeger bylen). Ø /Am-N/pt/2-3/-. negerbuffel (-s), jasje of buis bestemd om gedragen te worden door negerslaven (negers*). 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 2).

negergemeente

Ø /Am-N/bc/3/-. negercontriepeper, paradijskorrels, de peperige zaden van een ingevoerde, gekweekte plant (Aframomum melegueta); Nederlandse handelsnaam meleguetapeper. < Sranantongo ningrekondre-pepre (Focke 1855:88), betekent letterlijk ‘neger-landpeper’, dus ‘Afrikaanse peper’. 1762 (De Beet & Price 1982:203). - 1828 (Kuhn 63). Ø /S/cp/2-4/-. negerdeur, als negerpoort*, Vergelijk Sranantongo ningredoro (Focke 1855:127), mogelijk vertaling daarvan. 1822 (Lammens 1982:8). Ø /S?(Am-N)?/ bc/3/-. negerduffel (-s), zeker jasachtig kledingstuk voor slaven (negers*). Het lijkt niet waarschijnlijk, dat het hier gaat om dezelfde dikke wollen stof met de naam duffel in Nederland. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 5). Ø /Am-N’/r/4/-. Neger-Engelsch (zn.), verzamelnaam voor alle in Suriname gesproken, maar nog niet apart als zodanig onderkende creooltalen van negerslaven en boschnegers*; ook bijvoeglijk naamwoord, met name in NegerEngelsche taal en Neger-Engelsche spraak. Mogelijk vertaling van ‘Negro-English’ voor het Engels van negerslaven in het algemeen; de oudste vondst daarvan (uit Virginia) dateert van 1704 (oed 10:305). Zie ook: bastaard-Engelsch*, negertaal*, negersch*. 1718 (Herlein 121). - 1862 (Encyclopedie van Suriname 564). →. Opmerking: Nadat in het Nederlands de bosnegertalen eigen namen gekregen hadden, bleef de naam Neger-Engelsch bestaan voor de taal die aanvankelijk ook nog, vaak denigrerend, Taki-taki, ‘taaltje’ werd genoemd en tenslotte de naam Sranantongo kreeg. Ø /(N-N)?E?/sc/2-6/-. negergemeente, plaatselijke of regionale

negergrond

158

gemeente van negerslaven deel uitmakend van de Evangelische Broedergemeente. 1835 (Gobardhan 2001:88). 1892 (ibid. 184, van vrije negers). Ø /Am-N/r/4-?/-. negergrond, zie grond* (I, 3), zie negerkostgrond*. negerguide: zie guide*. negerhoed (-en), hoed als gedragen door negers*. Afbeeldingen tonen slaven en slavinnen zonder hoofddeksel of met een hoofddoek als zij aan het werk zijn, anders met een vrij diepe hoed van vlechtwerk met een rand. 1718 (Herlein 244).- 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 12). Zie ook: slavenhoed*, officiershoed*. Opmerking 1: Bij neger jongens hoeden (De Surinaamsche Courant 1806 nr. 1) gaat het mogelijk om een apart model voor een voetebooi*. Opmerking 2: Het wnt (9:1805) geeft het woord zonder precisering met een citaat uit 1770. Ø /Am-N/sc/1-4/-. negerhuis, (negerwoning), enkelvoudige woning, veelal bestaande uit één kamer, of langwerpig gebouw verdeeld in meerdere wooneenheden als bewoond door negers*, hetzij op een plantage*, hetzij op een erf* in Paramaribo. Zie huis*. 1685 (Schiltkamp & De Smidt 160). - 1866 (Van Schaick 22, negerwoning). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 88). Zie ook: negerij* Opmerking: Nog heden staan woningen als deze op erven achter woonhuizen aan de straat. In 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 552) werden ze nog negerhuis genoemd, later erfwoning. Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:83). Ø /Am-N/r/1-4/W./. negerhuur, het huren van een negerslaaf of -slaven. 1786 (Blom 126).

negerkostgrond

Zie ook: slavenhuur*. Ø /Am-N/bc/3/-. negerij, negereij (-en), woning van neger(s)*. 1793 (Groen 3:3). 1828 (Van Borcharen 27). Zie ook: negerhuis*. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:370 e.a.). Ø /N’?W?/pt/3-4/W./. negerin (-nen), komt aanvankelijk alleen voor in de betekenis van ‘zwarte slavin’ (zie neger*), vervolgens, als vrije negerin (zie vrije neger*) voor ‘zwarte vrouw’. Betekenis slavin: 1768 (Van Dyk 1980:245, 247). - 1832 (J. Melker in Oso 22:257). Oudste vindplaats 1636 (De Laet 1644:526). Ø /X/r/2-4/-. negerjaas, zekere niet nader identificeerbare jaas* (zie aldaar) Het is niet krabbejas*, want daar wordt het in de bron naast gezet. 1740 (Anonymus 20). Ø /Am-X/z/2/-. negerkoning, spottende naam bij blanken voor iemand uit hun midden die negers* mild behandelt. < Europees-Nederlands negerkoning, de ‘koning’ (of iets dergelijks) van een negervolk. 1768 (Van Dyk 98). Ø /Am-N/bc/2/-. negerkop, schimmelkopooievaar of kaalkop­ ooievaar (Mycteria americana). Het dier heeft een onbevederde, zwarte kop. 1740 (Anonymus 22). - 1855 (Focke 89). 1908 (Penard & Penard 146). → (nengrekopoe, < Sranantongo). Ø /AmN/d/2-5/-. negerkost, kost* als in het bijzonder bestemd voor negerslaven (negers*), te weten bananen* en allerlei knollen. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 55). - 1835 (Teenstra 1:435). Zie ook: negrosspijze*, slavenkost*. Ø /Am-N/r/1-4/-. negerkostgrond, negergrond, kostgrond* (2) van negerslaaf.

negerkuiper

159

1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1787 (Blom 122). Ø /Am-X/pt/2-3/-. negerkuiper, negerslaaf (neger*) werkzaam als kuiper. 1707 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 234 fol. 257). 1755 (De Beet & Price 1982:80). Zie ook: kuiperneger*. Ø /Am-N/pp/1-2/-. negermacht, als macht*. 1828 (Kuhn 123). - 1866 (Van Schaick 50). Zie ook: slavenmacht*. Ø /Am-N’/r/4/-. negermeid, volwassen negerslavin. Zie neger*, zie meid*. 1816 (Lammens 117). - 1855 (Focke 88). Opmerking: Latere betekenis ‘vrije negerin als huisbediende’ (Cappelle 1926:248). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:426), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(Am-N’)?W?/r/3-4/W./-. negermes, kort mes, gedragen aan de gordel, Europees-Nederlands kortjan. Bij de jaarlijkse uitdeling* kregen de negerslaven (negers*) zo’n mes (Lammens 1822; 1982:112). Zie ook: matrozenmes*. 1759 (Beeldsnijder 1994:278). Ø /Am-N/ sc/2/-. negernaam, naam die een negerslaaf (neger*) al had voordat hij of zij zijn of haar formele naam kreeg toegewezen door de zich daartoe gerechtigd achtende persoon. Vermoedelijk in de meeste gevallen een dagnaam: een eigennaam behorende bij de dag van de week op welke de betreffende persoon geboren is. 1762 (Schiltkamp & De Smidt 756). Ø /Am-N/sc/2/-. negerofficier (de, -s), 1. blanke plantage-opzichter over negerslaven; 2. zwarte plantage-opzichter over slaven, zelf ook slaaf. 1. Zie officier*; neger* heeft hier betrekking op de slaven. 1718 (Herlein 85). - 1746 (Schiltkamp & De Smidt 561).

negersch

Zie ook: societeitsnegerofficier*, blanke officier*. Ø /Am-E/pp/1-2/-. 2. Neger* kan hier betrekking hebben op zowel de man zelf als op de slaven. 1718 (Herlein 85). - 1855 (Focke 9). Zie ook: bastiaan* (1), zwarte officier*. Ook in Westelijk Guyana (1791; Bosman 1994:56), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(Am-E)?W?/pp(/1-4/W./. negerpad, pad dat plantages* verbindt, voornamelijk gebruikt door negers*. 1867 (Oostindie 1989:468). Ø /Am-N/ pt/4/-. negerpesie, vermoedelijk een als struikje gecultiveerde vorm van de ingevoerde Vigna sinensis en diens zaden, thans geheten djari-pesie (< Sranantongo) of kapucijner. Zie pees* (II). Achtergrond van neger (nog) niet bekend. 1835 (Teenstra 2:269, 278). Zie ook: bruine pesie*. Ø /Am-S/cp/4/-. negerpijp (-pen), aardewerk tabakspijpje met korte steel. Verstrekt aan negers* en negerslavinnen. 1732 (Beeldsnijder 1994:170, 304). - 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 58). Ø /Am-N/sc/2-4/-. negerpont, pont* als bediend door negers*. 1866 (Van Schaick 111). Zie ook: ponteneger*. Ø /Am-(N’?W?)/ pt/4/-. negerpoort, door de negers* gebruikte poort (deur) die de verbindingsgang tussen de straat en een erf* aan de straatzijde afsluit. 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 805). - 1866 (Van Schaick 192). → (nengredoro, < Sranantongo, gebruikt door bewoners van een hedendaags erf). Zie ook: negerdeur*. Ø /Am-N/bc/2-4/-. negersch (zn.), het Afrikaanse aandeel in het Neger-Engelsch*. 1835 (Gobardhan 2001:93). Zie ook: boks*. Ø /N’/r/4/-.

negerspiegeltjes

160

negerspiegeltjes, vermoedelijk spiegeltjes als verstrekt aan en in gebruik bij negerslaven (negers*). 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 11). Ø /Am-N/bc/3/-. negertaal, negersche taal, de taal van de negerslaven (negers*), heden geheten Sranantongo. 1804 (De Surinaamsche Courant nrs. 54 en 89). Zie ook: bastaard-Engelsch*, NegerEngelsch*, negersch*. Ø /Am-N/sc/3/-. negervisch, schubloze vis (alle soorten). In de slaventijd alleen gegeten door negers*. Vergelijk Sranantongo ningre fissi (Schumann 1783:122), mogelijk vertaling daarvan. 1831 (Teenstra 1835, 2:388). - 1855 (Focke 89). →. Zie ook: gladvisch*. Ø /(Am-N)?S?/d/4-6/-. negerwoning: zie negerhuis*. negerzout, zout verkregen door de as van verbrande palissadepalm* uit te logen. Alleen boschnegers* deden dit. 1835 (Teenstra 1:412). Ø /N-N/r/4/-. neger-zuster, vrije negerin als lidmaat van de Evangelische Broedergemeente. Het woord deed zijn intree in de 19e eeuw, voor 1863 (zie de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 180). Ø /NN/r/?/-. negro (-(’)s), in het bijzonder negerslaaf. Het is in Europees-Nederlands van de 16e en 17e eeuw het oudere woord voor neger. Als Surinaams-Nederlands woord: Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1670 (Schiltkamp & De Smidt 62). - 1738 (Schiltkamp & De Smidt 449). Ook in Westelijk Guyana: 1713 (Hartsinck 1770:302). Ø /Am/r/1-2/-. negrosspijze, als negerkost*. 1726 (Schiltkamp & De Smidt 389). Zie ook: slavenkost*. Ø /Am-N/r/2/-. negro-wantem, niet geïdentificeerde

neut

houtsoort(en). Sranantongo wantem betekent ‘meteen, terstond’. 1835 (Teenstra 1:383; nogro wantem, zetfout). - 1858 (Van Sypesteyn 184). Bij Teenstra wordt het gebruikt als brandhout. Bij Van der Aa (1993:20), volgens wie de vertaling ‘zwart-altijd’ zou zijn, werd het 1847-1851 in Zwolle op de houtmarkt verkocht. Ø /X/wp/4/-. nekoe, lianen, voornamelijk Lochocarpussoorten, van welke de wortels een visvergif leveren, dat toegevoegd aan open water te vangen vissen naar de oppervlakte drijft. < Sranantongo nekoe (Focke 1855:87) of < Karaïbisch nekoe (Ostendorf 1962:101), ineku (Courtz 275). 1847 (Hartmann, zie Oso 5:144, nekoet). 1859 (Winkels IV:286, nekoehout). 1900 (Penard 1:77, nekoe). → (nekoe). Opmerking: De toevoeging hout (zie boven) wellicht als het alleen de wortel betreft. Zie ook: stinkhout*. Ø /K?S?/wp/4-6/-. nekoehout: zie nekoe*. nene, negerslavin die kleine kinderen van haar meesteres oppast en verzorgt, kinderjuffrouw. < Sranantongo nene (Focke 1855:88), betekent ‘oude(re) (neger)vrouw in het algemeen’, < Engels nanny. 1838 (Lenders 1986:140). 1866 (Van Schaick 4). → (vrije vrouw in dezelfde functie). Zie ook: creolenmama*. Ø /S/bc/4-6/-. neut (-en), laag paaltje of paal van variabele hoogte, van steen of van hout, onder een post, op een aantal van welke een houten huis of ander bouwwerk een eindje boven de grond rust. Europees-Nederlands neut had en heeft diverse betekenissen in de bouwkunde, maar nergens deze. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname

nieuw

161

213). 1802 (Blom 181). → (ook van hout). Zie ook: stenen voet*. Ø /N’/bc/2-6/-. nieuw (met betrekking tot neger*), kort tevoren uit Afrika aangevoerd. 1745 (Van den Berg 2000:33). Ø /N’/r/2/-. nieuwjaar vragen, nieuwjaar eisen, om een nieuwjaarsdouceurtje vragen. 1709 (Schiltkamp & De Smidt 272). Opmerking: In het citaat alleen met betrekking tot slaven. Voor het latere gebruik jari vragen, jari eisen zie Van Donselaar (1989:178). Ø /N’+N/sc/1/-. nieuwjaarsgoed, eenmaal per jaar, op of omstreeks nieuwjaarsdag, aan slaven verstrekte kledingstukken en lappen. 1804 (Eensgezindheid 15). 1813 (Oostindie 1989:185). Ø /N-N/sc/3/-. nieuwjaarsspel: zie spel* (II). nieuwjaarsvlieg, de gevleugelde gedaante van een termiet (houtluis*). Vermoedelijk een of enkele soorten van welke de gevleugelde (geslachtelijke) dieren omstreeks Nieuwjaar uitzwermen. 1835 (Teenstra 2:477). Ø / N-N/d/4/-. njoemara, een grote roofvis (Hoplias macrophthalmus), die heden in SurinaamsNederlands anjoemara (< Sranantongo) genoemd wordt. < Sranantongo njoemara (Focke 1855:90). 1796 (Stedman 241; newmara, Engelse spelling). Zie ook: cabeljau*, heimaar*. Ø /S/d/3/-. noja, een soort meerval (vis; Parauchenipterus galeatus). < Sranantongo noja (Focke 1855:90) of < Karaïbisch nuja, (Courtz 326). 1771 (Nepveu 349, nouja). 1835 (Teenstra 2:448). →. Ø /K?S?/d/3-6/-. nonnetje, witkopriettiran of witkopwater­ tiran, een kleine, zwarte vogel met een witte kop (Fluvicola leucocephala). Het verenkleed doet denken aan de kleding van sommige nonnen. Vergelijk ook soeur* (2), de tegenwoordige naam (naast

occossuwa

dominee). 1740 (Anonymus 23). Ø /N’/d/2/-. nooddeur, valdeur waarmee in geval van een ongeluk de watertoevoer op het rad van een watermolen op slag geblokkeerd kan worden, zodat ook de rollers* niet meer kunnen draaien. 1786 (Blom 60). - 1835 (Teenstra 1:221). Ø /N-N/pt/3-4/-. noteboom, niet geïdentificeerde boomsoort. 1835 (Teenstra 1:383), daar ook genoemd waterhout*. Ø /X/wp/4/-.

o obé maka, 1. oliepalm, ingevoerd uit Afrika (Elaeis oleifera); 2. inheemse soort palm (Elaeis melanococca). < Sranantongo (thans obe) < Afrikaans obì (‘colanoot’), Holm & Oyedeji in Oso 3:85. Zie maca* (I, 2). Beide 1835 (Teenstra 1:417). → (obe, als Sranantongo). 1: /S-Am/cp/4/-. 2: /S-Am/wp/4/-. obia, amulet of willekeurig voorwerp (eventueel een constructie) aangewend om actief magische invloed te laten uitoefenen, als voorkomend bij negerslaven en boschnegers*. < Sranantongo obia (Schumann 1783:125) < Afrikaans, Wooding 1972:518. 1796 (Stedman 364). - 1855 (Focke 92). →. Zie ook: toelala* (2), wissie*. Ø /S/sc/3-6/-. obiaman (-s), vervaardiger, samensteller van obia’s*, negroïde ‘medicijnman’. < Sranantongo obiaman (Schumann 1783:125, in de betekenis van sjamaan). 1796 (Brouwn 68). 1900 (Penard 1:63). →. Ø /S/sc/3-6/-. occossuwa: zie acosjuna*.

odo

162

odo (-’s), spreekwoord in het Sranantongo (zie Neger-Engelsch*) of daaruit vertaald. < Sranantongo odo (Schumann 1783:126). 1835 (Teenstra 2:209). →. Ø /S/sc/4-6/-. oemanbarklak, oemanberklak, omanbarklak, enige boomsoorten van de genera Eschweilera en Lecythis en hun hout. < Sranantongo oeman ‘vrouw’; Focke 1855:46) + barklak* (< Sranantongo). Zie manbarklak*. 1787 (Blom 310, oman bariklak). - 1835 (Teenstra 1:354, oeman berclack). 1858 (Van Sypesteyn 138). → (oemabarklak). Zie ook: manberklak* Ø /S/wp/3-6/-. oeroekoekoe I., uil. < Sranantongo hurukuku (Schumann 1783:70), oeroekoekoe (Weygandt 1798:38), een geluidnabootsing. 1796 (Stedman 31; ooroocookoo, Engelse spelling). 1866 (Van Schaick 127). →. Opmerking: Teenstra (1835, 2:423) noemt zekere nachtzwaluw orecoekoe. Ø /S/d/3-6/-. oeroekoekoe II. (-’s), lanspuntslang (Bothrops atrox). < Karaïbisch orukuku (Courtz). Opmerking: Lammens (zie beneden) legt een verband met de oeroekoekoe* (I) en vertaalt: ‘nagtuileslang’. 1835 (Teenstra 2:441, owroekoekoe). 1835 (Lammens 193). → (owroekoekoe, < Sranantongo). Zie ook: labaria*. Ø /K/d/4-6/-. oeroekoekoeslang, als oeroekoekoe* (II). < Sranantongo oeroekoekoe-sneki (Focke 1855:92) < Karaïbisch orukuku (Courtz) + Sranantongo sneki, ‘slang’. Focke (zie boven) en Stedman (1796:294) zien de naam als een samenstelling van oeroekoekoe* (I, uil), Penard (1900:35) en Vermeulen (1961:35) vertalen (zoals Lammens hiervoor): uilslang. 1763 (Pistorius 8). 1855-1863 (Bartelink 1916:33, owroekoekoe). 1927 (IJzerman in Stahel 88). → (owroekoekoe, als Sranan-

officier

tongo). Ø /S/d/3-5/-. oester, onduidelijke naam voor enige verwanten van de Europees-Nederlandse oester (Ostrea edulis); in latere literatuur worden genoemd Mytilla charruana en het genus Crassostrea. 1740 (Anonymus 24).- 1796 (Weygandt 40). → (Surinaamse oester). Oudste vindplaats in Brazilië (Keye 1659:74), ook in Oostelijk Guyana (Van der Woude, 1677; Lichtveld & Voorhoeve 51), mogelijk ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:118). Zie ook: mossel*. Ø /N’/d/2-6/B./O./W./. oesterboom, enige mangrovesoorten van het getijdengebied (Rhizophora-soorten). Zij dienen oesters* als aanhechtingsplaats. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1774 (Houttuyn 2, 2:495). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 517). Zie ook: duizendbeen(boom)*, mangro* (1). Ø /Am/wp/3-5/-. officier (de,-s), (ook) plantage-opzichter over negerslaven, hetzij rechtstreeks en zelf ook slaaf (zwarte officier), hetzij een rang hoger, eventueel tevens boekhouder en blank (blanke officier). < Engels overseer. Zie de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:141. officier: 1686 (Schiltkamp & De Smidt 166). - 1839 (Hudig, 140). Zie ook: plantage-officier*, molenofficier*, loosofficier*, veldofficier*. Ø /E/ pp/1-4/-. blanke officier: 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:64) - 1804 (Eensgezindheid 120). Zie ook: blankofficier*, negerofficier* (1). Ø /N+E/pp/2-3/-. zwarte officier: 1763 (Pistorius 90). - 1796 (Brouwn 59). Zie ook: bastiaan* (1), loosofficier* en negerofficier* (2). Ook in Westelijk Guyana (Anonymus

officiershoed

163

1763:48). Ø /N+E/pp/2-3/W./. officiershoed, hoed als gedragen door een blanke officier*. Afbeeldingen tonen in het algemeen een ondiepe, breedgerande hoed met een lint erom. 1853 (Van Stipriaan 1993:454). Zie ook: negerhoed*, slavenhoed*. Ø /E-N/bc/4/-. ogr’ai, het boze oog (gezegd van iemands blik als die verondersteld wordt kwaad te kunnen doen). < Sranantongo ougri hai (Schumann 1783:56). Sranantongo ogri, ‘slecht’; Sranantongo ai, ‘oog’. 1835 (Teenstra 2:154). →. Ø /S/r/4-6/-. okersoep, dikke soep van okro*. 1840 (Winkels I, bijlage in Kolfin 1997:164). Ook heden. < Sranantongo okro + soep. Zie ook: okrum-soep*, okro-braf*. Ø /S-N/bc/4/-. okro, okra, okrum, oker, gekweekte plant van onbekende herkomst (Abelmoschus esculentus) en zijn eetbare vrucht, heden in Europees-Nederlands okra en in Surinaams-Nederlands oker geheten. < Sranantongo okro (Schumann 1783:126). De plant heeft Suriname bereikt vanuit Afrika en had daar al in een Engels pidgeon de naam okra (Smith 1987:104), afkomstig van een Afrikaans woord. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 4, okkoro). 1689 (Hermann fol. 1, okra). 1705 (Merian 37, okkerum) - 1855-1863 (Bartelink 1916:79; okro en oker) - 1910 (Sack 43; okro, okrum). → (oker). Opmerking 1: Houttuyn (2, 5:419-420) behandelt de plant uitvoerig, maar weet er (in 1775) nog geen Europees-Nederlandse naam voor te noemen. Opmerking 2: Fermin (1769, 1:206) verfranst de Surinaamse naam tot ocre en dat is in de vertaling van 1770 (1:68) ‘voor-

ondertrouw

tijdig’ vernederlandst tot oker. De eerste authentieke vondst van oker (los) is van 1913 (J. Spalburg 81); zie echter okersoep*. Zie ook: althaea*, kinkanbau*. Ø /S/cp/15/-. okro-braf, dikke soep (braf*) van okro*. Zie okro*, zie braf*. < Sranantongo okro-brafoe (Focke 1855:93). 1835 (Teenstra 2:264, okrum blaf). - 1855 (Focke 93). Ø /S-(E?S?)/bc/4/-. okrum-soep, als okro-braf*. 1855 (Focke 93). Ø /S-N/bc/4/-. olifant: Surinaamsche olifant, Zuid-Amerikaanse tapir (Tapirus terrestris). Het is een groot, log dier met een slurfje. 1816 (Lammens 118). 1835 (Teenstra 2:409). Zie ook: boschbuffel*, buffel*. Ø / N+N’/d/3-4/-. olyboom, wonderboom (Ricinus communis). Levert wonderolie. 1705 (Merian 30). Zie ook: carapat*. Ø /N-N/cp/1/-. omslaan, bij landbouwgrond de bovengrond loshakken met een houweel of een tjap*. 1764 (Oostindie 1989:27). - 1787 (Blom 41). Zie ook: tjappen*. Ø /N’/pt/2-3/-. onderbosch, onderhout, ondergroei, dat is in een bos alles behalve de bomen. 1745 (Schiltkamp & De Smidt 533). 1905 (Van Stockum 79). →. Ø /N-N/m/2-6/-. onderbosschen (geonderboscht), van een bos het onderbosch* verwijderen. 1740 (Anonymus 79). - 1835 (Teenstra 1:181). →. Ø /N”/r/2-6/-. onderhaler: “2 Onderhalers, die op de brug* [1, van een suikermolen] de uitgeperste lika* met het fijne vuil en de vezelen van het gemalen riet* voorwaarts naar de lika-goot* schuiven, om verstopping en overlooping voor te komen” (Teenstra 1835, 1:188). Ø /N-N/pp/4/-. ondertrouw in (of aan) huis, ‘ondertrouw’ die niet volgens de ambtelijke voorschriften aangegeven is en daarom wordt beboet,

onrust

164

maar wel feitelijk wordt erkend. 1773 (Schiltkamp & De Smidt 856). Ø /N+N/bs/2/-. onrust, (nog) niet nader gedetermineerde soort vlinder, behorende tot de pijlstaarten. < Europees-Nederlands onrust, (heden) verouderde naam voor de ‘meekrapvlinder’ (ook een pijlstaart) in Nederland. Er is gelijkenis. 1705 (Merian 14). Ø /N’/d/1/-. oorsnijder, “keurmeester van het bestiaal”, van het vee. Het was eertijds gebruikelijk om bij landbouwhuisdieren als bewijs van goedkeuring een punt uit een oor te snijden. 1740 (Anonymus 8). Ø /N-N/bc/2/-. opbinden, aan samengebonden polsen ophangen en in die toestand geselen of anderszins martelen (in het algemeen van een slaaf). 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). - 1776 (De Beet 1984:207). Zie ook: opteyen*. Ø /N’/bc/2-3/-. openen, (met betrekking tot een stuk land) toegankelijk en bruikbaar maken door de wilde plantengroei te verwijderen. 1786 (Blom 23). Ø /N’/r/3/-. opening, bosontginning, bosontsluiting of ander stuk cultuurgrond omgeven door wildernis. 1740 (Anonymus 133). - 1801 (Oostindie 1989:26). Ø /N’/pt/2-3/-. ophalen (opgehaald), schoonmaken en zo nodig uitdiepen (waterloop). In Europees-Nederlands is het object datgene wat uit het water opgehaald wordt. 1785 (Schiltkamp & De Smidt 1079). - ca. 1854 (Oostindie 1989:209). →. Zie ook: bedelven* (2), uitmodderen*. Ø /N’/r/3-6/-. opland: de Oplanden, eertijds naam van de divisie* die toen een groot stuk van het hogere binnenland omvatte. < Engels upland.

Oranjetuin

1669 (Schiltkamp & De Smidt 39). 1671 (Schiltkamp & De Smidt 65). Opmerking: Opgeheven eerder dan 1795 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 273). Ø /E/bs/1-?/-. opteyen, als opbinden*. < Engels to tie up. Zie ook teitei*. 1687 (Schiltkamp & De Smidt 175). 1699 (Schiltkamp & De Smidt 236). Ø /E/bc/1/-. oranje (-s): zure en zoete oranje, twee cultuurvormen van zekere citrussoort (Citrus aurantium) en de vruchten van deze die meer dan wel minder zuur smaken. Beide: 1718 (Herlein 81). - 1835 (Teenstra 2:253). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 84, zure). 1872 (Anonymus 67, zoete). →. Ø /N+N/cp/1-6/-. oranjestokje, oranjestok, takje van een oranjeboom (sinaasappelboom), aan één eind uitgekauwd tot een borsteltje, om de tanden ermee te reinigen en de mond te verfrissen. < Sranantongo aranja tiki (Focke 1855:5), dat ook in Surinaams-Nederlands gebruikt wordt (zie alanjatiki*). 1853 (C. van Schaick in Van Putten & Zantinge 1988:93). 1855 (Focke 137). →. Ø /S/r/4-6/-. Oranjetuin (de), naam van achtereenvolgens drie begraafplaatsen in Paramaribo (zie Mulder & Dikland 2005:264-265). - de eerste, gelegen op de plaats van het tegenwoordige Kerkplein, ingericht in 1670 en gesloten in 1801; - de tweede, aan de Henk Arronstraat (toen geheten Gravenstraat), bijgenaamd Kitty’s Hof, ingericht in 1801 en gesloten in 1864; - de derde, aan de Henk Arronstraat (zie boven), bijgenaamd Stenen Kerkhof*, ingericht in 1756 en gesloten in 1961. De eerste dankte zijn naam aan de oranjebomen (sinaasappelbomen) ter plaatse. Voor de tweede en derde werd deze naam

165

oroekoekoe

overgenomen. oroekoekoe(-), orokoekoe(-) zie oeroekoekoe(-)*. Othaheitische broodboom, een cultuurvorm van de broodvruchtboom (Artocarpus communis) zonder pitten in de gladde vruchten; de tegenwoordige naam is njamsi-bredebon (< Sranantongo). Afkomstig van Otaheite, de oude Engelse naam voor Tahiti, en via het Engelstalige Jamaïca in Suriname ingevoerd (Ostendorf 1962:18). 1835 (Teenstra 2:248). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 56). Ø /E+N/cp/4-5/-. Oucas: zie Aukaans*. oud wijfje, oud wijf, onduidelijke naam voor een aantal vissoorten. Niet vastgesteld kan worden of er overeenkomsten zijn tussen vissen met deze Surinaams-Nederlandse naam en die met dezelfde naam in het Europees-Nederlands, alsmede old wife in het Engels of owroewefi* in het Sranantongo en Surinaams-Nederlands van verleden of heden. 1770 (Hartsinck 120). - 1828 (H.H. Dieperinck in Medendorp 1999:125, oudwijfje). Ø /X/d/2-3/-. owroekoekoe: zie oeroekoekoe*. owroewefi, een aantal baarsachtige vissoorten van de familie Cichlidae, in het bijzonder Cichlasoma bimaculatum, verder enige Aequidens- en Chaetobranchus-soorten. De heden in Surinaams-Nederlands meer gebruikelijke naam is krobia (< Sranantongo). 1835 (Teenstra 2:456). 1855 (Focke 94). Zie ook: oud wijfje*. Ø /S/d/4-6/-.

p paantje, paantie, pantje (de, -s), lap als

pagaal

kledingstuk, in het bijzonder omslagdoek om het onderlichaam als gedragen door negerinnen. < Portugees pano, Spaans paño, ‘lap’. In Afrika al door Nederlanders paantje genoemd, zowel in bovengenoemde betekenis als in die van camies* (wnt 12, 1:128). Later wellicht invloed van Sranantongo panji (Schumann 1783:128). paantje, paantie: 1718 (Herlein 96) - 1855 (Focke 96). pantje: 1769 (De Beet 1984:86). →. Samen: /Port?Sp?/sc/1-6/-. paardengras, zekere grassoort (Oplismenus holciformis). Het lijkt op enige grassoorten van het genus Holcus die eertijds in Europees-Nederlands paardengras genoemd werden. 1855 (Focke 151). - 1883 (Westeroüen van Meeteren 24). Opmerking: Later en ook al bij Teenstra (1835 1:206) naam voor diverse andere grassoorten. Ø /N’/wp/4-5/-. paardenwerk, paardenmolen, rosmolen. Algemeen Nederlands werk betekent hier ‘mechanisme, bewegend toestel’. 1740 (Anonymus 124). - 1854 (Van Sypesteyn 108). Zie ook: beestenmolen* en beestenwerk*, waterwerk*. Ø /N-N/pt/2-4/-. paarl: zie parel* (I en II). paceiwa, niet nader geïdentificeerde, inheemse, vermoedelijk houtige plant, “Americaansche Myrthus met swarte besien”, Van Aerssen van Sommelsdijck (zie beneden). De naam is vermoedelijk indiaans. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 18). Ø /Ind.?/wp/1/-. pagaal (de, -en), zeer dicht van warimbo* (2) gevlochten mand(je), in de vorm van een rechthoekige doos met losse deksel, vervaardigd door indianen; bij Focke (1855:95) ‘koffermand’.

pagarawarimbo

166

< Sranantongo pagala (Stedman 1796:221) of < Karaïbisch pagala (Stedman 1796:221), pakara (Courtz 334), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1678 (Van der Doe e.a. 1992:12, pagale). 1859 (Hoogbergen 1978:62). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 721). → (pagara, < Sranantongo). Opmerking 1: Bij Herlein (1718:127) een pagaaltje, in 1731 (Beeldsnijder 1994:176) en 1834 (Friderici 29) pegaal, bij Van der Aa (1839-51;1993:33) pegaals (meervoud). Opmerking 2: Bij C. Dahlberg (1771 onder nr. 90) bagalen (meervoud), in 1772 (Beet 1984:133) bakallen (meervoud). Zie ook: warimbo* (1). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:229). Ø /K?S?W?/ic/1-5/W./. pagarawarimbo: zie warimbo* (3). pagayer: zie pogaier*. pajarware, gegiste drank, door indianen bereid uit het afkooksel van cassave* (1) waarin aangebrand cassavebrood* geweekt is. < Karaïbisch payawaru (Ahlbrinck 1931:367), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden), waar het blijkens Kouwenberg (649) aan het Arowaks ontleend kan zijn. 1763 (Pistorius 17). 1923 (Blankensteijn 127). → (paiwari). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:74, payewar). Zie ook: casiri*, pernou*, tapana*. Ø /K?W?/ic/3-5/W./. pakasi, een boomsoort (Caryocar microphyllum) met saponine in de bast. < Sranantongo pakasi (Klooster e.a. 61). 1763 (Pistorius 52). Zie ook: zeepboom* Ø /S/wp/2/-. pakiera (-’s), pakier, pakkier, halsbandpekari, een soort navelzwijn (Tayassu tajacu patira). Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1693 (Reeps 21). - 1855 (Focke 95). →

palissadebosch

(pakira). Opmerking 1: In 1699 (Schiltkamp & De Smidt 236) pikieres (meervoud); pak(k)ier van 1783 (Roos 41) tot 1903 (Van Coll 469). Opmerking 2: Pistorius (1763:87) gebruikt pakiera voor een soort vis, vermoedelijk een soort meerval. Ø /Am/d/1-6/-. pakoesie, twee soorten schijfzalm (Myleus paco en Myleus ternetzi). < Karaïbisch pakusi (Ahlbrinck 1931:356). 1718 (Herlein 199). 1763 (Pistorius 87). →. Ø /K/d/1-6/-. pakro-schulp, slakkenhuisje. < Sranantongo pakro (Schumann 1783:130), ‘huisjesslak’ (later ook diverse schelpen) + Europees-Nederlands schulp ‘kalkschaal van weekdieren’. 1835 (Teenstra 2:156). Ø /S-N/d/4/-. palissade (de, -n), 1. stam van 2, ook attributief; 2. de palmsoort pien* (Euterpe oleracea). Europees-Nederlands palissade was/is een paal of staak gebruikt voor een omheining alsook die omheining zelf. In Suriname werden (en worden) de muren van sommige eenvoudige woningen gebouwd uit een rij onderling verbonden palissaden (al of niet gespleten of geplet) als in betekenis 1. Het is mogelijk, dat palissade in betekenis 2 van oorsprong een verkorting is van palissadeboom* 1: 1718 (Herlein 82). - 1850 (Hoogbergen 1978:55). →. Zie ook: pien* (2). Ø /N’/r/1-6/-. 2: 1772 (De Beet 1984:111). - 1845-1849 (Boekhoudt 1874:52). - 1927 (Stahel 12). Zie ook: pienboom*, pinapalm*. Ø /N’/ wp/2-5/-. palissadeboom, als palissade* (2), zie verder aldaar. 1689 (Hermann fol. 28). - 1816 (Lammens 110). Ø /N’-N/wp/1-3/-. palissadebosch, moerasbos waarin palissade* (2) overheerst.

palissadecoemoe

167

1784 (Heneman). Zie ook: pinebosch*. Ø /N’-N/m/3/-. palissadecoemoe, een palmsoort (Oenocarpus oligocarpa). Verwant van coemoe* en vermoedelijk ook gebruikt als bouwmateriaal als palissade* (1). 1771 (Nepveu 361). Ø /N’-(K?S?)/wp/2/-. palissadeland, moerasland bedekt met palissadebosch*. 1771 (Nepveu 124). - 1787 (Blom 13). Ø /N’-N/m/2-3/-. palissadepalm, als palissade* (2). 1835 (Teenstra 1:411). - 1929 (Ahlbrinck 14). Ø /N’-N/wp/4-5/-. palmiet, twee aangeplante soorten palm, beide thans Europees-Nederlands koningspalm genoemd: 1. de ‘echte’ koningspalm (Roystonea regia); 2. de andere (Roystonea oleracea). Europees-Nederlands palmiet was en is ‘palmkool’. Palmiet is hier de afkorting van palmietboom. 1. 1883 (Westeroüen van Meeteren 37). 1910 (Sack 10). Ø /N’/cp/5/-. 2. 1822 (Lammens 1982:34). - 1866 (Van Schaick 157-158). Ø /N’/3-4/-. palmietworm, palmworm: de larf van de palmsnuitkever (Rhynchophora palmarum). Zie worm*. Palmiet is verouderd Europees-Nederlands voor ‘palm’. 1705 (Merian 48). Zie ook: cabbesworm*. Ø /N’-N/d/1/-. pampoen, (spaghetti)pompoen, de vrucht van Cucurbita pepo. < Sranantongo pampoen (Schumann 1783:129). Opmerking: Het wnt (12, 2:3246) vermeldt pampoen wel, maar alleen in het Vlaams. 1735 (Inventaris Archief Raad van Politie 789 fol. 28). 1787 (Blom 122.). →. Ø /S/ cp/2-6/-. pan, open, visrijke vijver in het kustgebied. < Engels pan (oed 11:118).

papa

1771 (Nepveu 349). 1783 (Roos 29). 1900 (Penard 1:4). →. Zie ook: watergat*. Ø /E/m/2-6/-. panapana, de grote hamerhaai (Sphyrna tudes). < Karaïbisch panapana (Courtz 336) of < Sranantongo panapana (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:52). 1835 (Teenstra 2:446). →. Zie ook: bakkra oeman*. Ø /K?S?/d/4-6/-. pannekoeksblad (-en), pannekoekblad, de soorten waterlelie (Nymphaea-soorten). < Europees-Nederlands pannekoek(en), eertijds een naam voor onder meer waterlelie in Nederland (Heukels 1907:164). De drijvende bladen zijn groot en (vrijwel) rond, zoals een Nederlandse pannekoek. De Surinaams-Nederlandse toevoeging blad moet vermoedelijk toegeschreven worden aan de invloed van de Sranantongo-naam pankoekoewiwiri (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:82; Sranantongo wiwiri, onder meer ‘blad’), die ook in Surinaams-Nederlands heden de meest gebruikelijke is. 1740 (Anonymus 19). 1835 (Teenstra 1:207). → (zelden). Ø /N’-N/wp/2-6/-. panta, enige boomsoorten van het genus Tabebuia (en wellicht nog andere) en hun hout. < Sranantongo panta (Focke 1855:96) of < Karaïbisch panda (Ostendorf 1962:170), panta (Courtz 336). 1787 (Blom 310). 1855 (Van Sypesteyn 180). →. Teenstra (1835, 1:384) onderscheidt witte panta, dat is vermoedelijk Tabebuia insignis (heden zwamppanta), en een niet nader geïdentificeerde rode panta. Ø /K?S?/wp/3-6/-. pantje: zie paantje*. papa, boa constrictor (Boa constrictor). Verkorting van Sranantongo papasneki (Fermin 1765:240). Volgens Focke

papageld

168

(1855:96) zijn het de Papá-negers* voor wie deze slang een religieuze betekenis heeft. Sranantongo sneki, ‘slang’. 1769 (Fermin 2:229). 1796 (Stedman 365, papaw). Zie ook: papaslang*, papasneki*, aboma*. Ø /S/d/2-3/-. papageld, kaurischelp. Vertaling van Sranantongo en SurinaamsNederlands papamonie*: zie aldaar 1741 (Inventaris Archief Raad van Politie 794). Ø /S/sc/2/-. papaije, papaij: zie papay-* en varianten. papaje: zie papaya*. papamier, parasolmier of bladsnijdersmier (Atta cephalotes en Atta sexdens), heden in Surinaams-Nederlands in het algemeen draagmier genoemd. < Sranantongo papamira (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:53). 1804 (Eensgezindheid 12). 1835 (Teenstra 2:477). Opmerking: Fermin (1765:117) vermeldt papa myr als Sranantongo-naam. Ø /S/d/4/-. papamonie (-s), kaurischelp, dat is het huisje van de porseleinhoornslak (Cypraea moneta). < Sranantongo papa-moni (Focke 1855:96). Voor papa zie papaneger*. Sranantongo moni, ‘geld’; deze schelp werd indertijd als betaalmiddel gebruikt in de kleinhandel met de boschnegers* (2) (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië zie beneden). 1742 (Inventaris Archief Raad van Politie 795 fol. 51). - 1763 (Inventaris Archief Raad van Politie 808). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 138). →. Ø /S/r/2-6/-. papamoniedoosje, een soort liaan, vermoedelijk Pithecoctenium crucigerum, en vermoedelijk ook de vrucht van deze. Zie papamonie*. De vrucht van bovengenoemde soort bevat een groot aantal platte

papaye

zaden die op munten lijken (dus wel moni, maar niet papa). 1835 (Teenstra 2:279). Ø /S-N/wp/4/-. papaneger, negerslaaf (neger*) van de Afrikaanse stam Papa. 1707 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 234 fol. 254) - 1855 (Focke 96). 1761 papanegerin (Dragtenstein 2002:264). Ø /Afrikaans-Am/r/1-4/-. papaslang, als papa* (zie aldaar). < Sranantongo papasneki (Fermin 1765:240). 1835 (Teenstra 2:440). →. Ø /S/d/4-6/-. papasneki, als papa* (zie aldaar). 1839 (Benoit 36). →. Ø /S/d/4-6/-. papaya (-’s), van biezen of iets dergelijks gevlochten ligmat. < Sranantongo papaija (Schumann 1783:4). 1796 (Stedman 374). - 1872 (Anonymus 37). → (ook papaje, sedert Van Schaick 1866:174). Zie ook: papayemat*. Ø /S/sc/3-6/-. papaye, papaije, papay, 1. boomsoort (Carica papaya) en de vruchten van deze, thans geheten papaja en tussentijds Europees-Nederlands ook meloenboom. 2. de boomsoorten van de genera Cecropia en Pourouma, thans geheten bospapaja* respectievelijk ook manbospapaja. Spellingen met -y- of -ij- en met of zonder -e aan het eind komen, ook in de samenstellingen, voor zonder regelmaat. 1. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 6). - 1771 (Nepveu 370). 1839-1851 (Van der Aa 1993:22, papaijers, de vruchten). → (papaja). Oudste vindplaats Brazilië, 1633 (De Laet 1644:351; papayen, meervoud). Zie ook: pompoenboom* Ø /Am/cp/14/B./W./. 2. Tropisch Amerikaans element, sub 2. De boom lijkt sterk op papaye* (1). 1718 (Herlein 221; papaye, papayo). - 1835

papayboom

169

(Teenstra 1:384, papay). Zie ook: boschpapaye* en zie hieronder. Ø /Am/wp/1-4/-. - : wilde papaye, als papaye* (2). ‘Wild’ staat hier tegenover de gekweekte papaye* (1). 1787 (Blom 71). 1835 (Teenstra 1:206, wilde papaija). Ø /N+Am/wp/3-4/-. papayboom, als papaye* (2). 1772 (De Beet 1984:113). Ø /Am-N/wp/2/-. - : wilde papayboom, als papayeboom* (2). 1771 (C. Dahlberg nr. 47). Ø /N-(Am-N)/ wp/2/-. papayemat, als papaya*. 1839-51 (Van der Aa 1993:51). →. Ø /S-N/ sc/4-6/-. papegaai, naam voor papegaaiensoorten van middelmatige grootte, veelal groen, in het algemeen met een korte, stompe staart; bij uitstek de Europees-Nederlandse amazonepapegaaien (Amazona-soorten). < Europees-Nederlands papegaai, de verzamelnaam voor niet alleen deze, maar ook alle andere papegaaiensoorten, dat zijn de vogelsoorten van de orde Psittaciformes. 1770 (Hartsinck 108). - 1855 (Focke 105).→. Zie ook: raven*. Ø /N’/d/2-6/-. - : paarse papegaai, een soort papegaai* (Pionus fuscus) die heden in SurinaamsNederlands en Europees-Nederlands bruine margrietje genoemd wordt. De kleuren zijn blauw, roodachtig en paars. 1770 (Fermin 2:153). 1835 (Teenstra 2:425). Ø /N+N’/d/2-4/-. papegaaiebek, naam voor een niet nader geïdentificeerde plantensoort van het genus Heliconia (Lanjouw & Uittien 19351936:7). Zie papegaaietong*. 1771 (C. Dahlberg nr. 13). Ø /N’/wp/2/-. papegaaiepenning, koperen munt waarop afgebeeld een papegaai en een cijfer dat de waarde in ponden suiker aangeeft; in ge-

paragras

bruik 1679-1681 en enige tijd na 1688. Het woord papegaaiepenning is pas in latere literatuur te vinden (zie de Encyclopedie van Suriname 211), maar is vermoedelijk ouder. Zie ook: koperen penning*, kaartengeld*, suikergeld*. papegaaietong, zekere kruidachtige plant (Heliconia psittacorum), heden in Surinaams-Nederlands popokaitongo (< Sranantongo). De vrucht heeft de vorm van een papegaaien­tong en ligt in een schutblad zoals de tong in de bek, in dit geval de ondersnavel, van de vogel. 1835 (Teenstra 1:205). →. Zie ook: papegaaiebek*. Ø /N’/wp/4-6/-. papegaaislang, naam voor diverse soorten groene slangen. De kleur is groen, als die van vele soorten papegaai*. Vergelijk ook de namen voor dergelijke slangensoorten in het Karaïbisch (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 228), het Arowaks (Sabajo 1989:209), het Sranantongo (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:56) en het Engels (Dalton 1855:372), die alle ‘papegaaislang’ betekenen. 1770 (Hartsinck 102). 1854 (Kappler 1983:64). →. Opmerking: Het wnt vermeldt een niet nader omschreven gifslang als papegaaislang uit 1852. Ø /N-N/d/2-6/-. Para, zekere geheimtaal van negergeslaven, verkregen door lettergrepen van Srananwoorden te verlengen, naar het vermoeden van Teenstra (zie beneden) met -gi, -ga en -goe. Vermoedelijk genoemd naar het plantagegebied langs de rivier de Para. 1835 (Teenstra 2:209). Zie ook: Cropina*, Fara*. Ø /X/sc/4/-. paragras, omstreeks 1850 als snijgras ingevoerd veevoedergras (Brachiaria mollis). De herkomst van de naam is onduidelijk.

paramakka

170

1845-1852 (zie Elout van Soeterwoude 1884:61). →. Ø /X-N/cp/4-6/-. paramakka, stekelige palmsoort (Astrocaryum paramaca) en zijn vrucht. < Sranantongo paramakka (Schumann 1783:130). Zie maca* (I, 1). Genoemd naar het district* of (en) de rivier Para in Suriname. nb: Bij de wetenschappelijke naam van 1843 is de soortaanduiding ontleend aan de Surinaams-Nederlandse naam. 1771 (Nepveu 356). - 1855 (Focke 75). →. Zie ook: conane*. Ø /S/wp/2-6/-. paramarkoesa, een soort passiebloem (Passiflora laurifolia) en zijn vrucht. < Sranantongo paramarkoesa (Focke 1855:78). Een marcoesa*, genoemd naar het talrijke voorkomen in het district* Para. Zie ook: kleine marcoesa*. 1835 (Teenstra 2:268, hoewel de beschrijving daar niet klopt). →. Ø /S/wp/4-6/-. parane of paraue, een inheemse, ook gecultiveerde boomsoort (Annona muricata). Herkomst van het woord onbekend, vermoedelijk indiaans. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 5), 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 2 nr. 2). Zie ook: prikkelappel*, zuurzak*. Ø /Ind.?/cwp/1/-. parasol, (ook:) paraplu. Hetzelfde geldt voor Sranantongo p(a)rasoro, al bij Focke (1855:107). Vergelijk Engels umbrella, dat ook beide betenissen heeft. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:83). Ø /N’/ bc/4/-. parataijer, kleine knol van zekere cultuurvorm van tayer*. De plant gedijt vooral goed op de zandgronden van het district* Para. 1786 (Blom 34). Ø /N-Am/cp/3/-. parciesie: zie passiessie*. parel I. (-s), paarl, gevlochten scherm om een beek of kreek mee af te zetten ten

pariepe

behoeve van de visvangst. < Karaïbisch pari (Ahlbrinck 1931:362). 1772 (De Beet 1984:106; perrels, meervoud). - 1854 (Kappler 1983:103). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 554). Ø /K/ic/2-5/-. parel II. (-s), paarl, parl, 1. peddel, pagaai; 2. grote roerspaan als gebruikt in een suikerfabriek. < Europees-Nederlands parrel (zie wnt 12, 1:525). Het gestelde in Van Veen & Van der Sijs (645) met betrekking tot parrel moet betwijfeld worden. nb: Volgens Herlein (1718:128) noemen indianen een stuurriem parl, volgens Pistorius (1763:18) parlen (meervoud) en Sneebeling (1775; 1973:11) parels (meervoud). 1: 1749 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:71). - 1858 (Copijn 5). →. Ø /N?Ind.?/r/2-6/-. 2: 1835 (Teenstra 1:231). Ø /X/pt/4/-. parelen, parrelen, 1. peddelen, pagaaien; 2. roeren met een parel* (II, 2). < parel* (II, 1) en Europees-Nederlands parrel. 1: 1817 (Lammens 137). 1855 (Focke 97). →. Ø /X/r/3-6/-. 2: 1855-1863 (Bartelink 1916:50). Zie ook: waaien*. Ø /X/pt/4-5/-. parelhout, drie boomsoorten van hetzelfde genus: Aspidosperma excelsum, Aspidosperma marcgravianum en Aspidosperma oblongum en hun hout. Van het hout worden parels* (II, 1) gemaakt. 1845 (Boeckhoudt 1874:77). 1855 (Van Sypesteyn 180). →. Opmerking: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van hout uit Suriname onder deze naam tussen 1847 en 1851 in Zwolle. Ø /X-N/wp/3-6/-. pariepe (-s), enige stekelige palmen van het genus Bactris, waaronder Bactris gasipaes. < Karaïbisch paripe (Wessels 1965:107),

parnouw

171

Arowaks paripi (Klooster e.a. 45). 1740 (Anonymus 16). Ø /Ind./wp/2/-. parnouw: zie pernou*. parrelen: zie parelen* (1). parwa, parrua, een boomsoort van het getijdengebied (Avicennia germinans) en zijn hout. < Sranantongo paroewa, parwa (Focke 1855:97). 1786 (Visscher Heshuysen 341, parrua). 1855-1863 (Bartelink 1916:21, parwa). →. Ø /S/wp/3-6/-. parwaboom, als parwa*: zie aldaar. 1771 (Nepveu 32). - 1854 (Van Sypesteyn 58). 1923 (Blankensteijn 88). Ø /S-N/ wp/2-5/-. parwabosch, bos waarin parwa* overheerst. 1781 (Anonymus, zie Koeman 1973:135). - 1850 (Van der Aa 1993:88). →. Ø /SN/m/3-6/-. parwaduif, vermoedelijk dezelfde vogel als mangroduif * (zie aldaar). 1835 (Lammens 176). Ø /S-N/d/4/-. parwa-land, gebied met parwabosch*. 1786 (Blom 14). Ø /S-N/m/3/-. pasensie, patiëntie of spinaziezuring, een ingevoerde groente (Rumex patientia). < Sranantongo pasiensie (Schumann 1783:131). 1872 (Anonymus 66). Ø /S/cp/4/-. passiessie, een soort meerval (vis; Brachyplathystoma vaillanti). < Sranantongo passissi (Schumann 1783:132) of < Karaïbisch pasisi (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 177, Courtz 340). 1740 (Anonymus 23, parciesie). 1763 (Pistorius 87). - 1835 (Teenstra 2:449). →. Zie ook: laulau*. Ø /K?S?/d/2-6/-. patacoe wane. In hedendaags Sranantongo en Surinaams-Nederlands wordt de naam patakuwana gegeven aan twee boomsoorten, te weten Chaunochiton kappleri en Gordonia fruticosa (Woordenlijst Sranan-

patatte

tongo-Nederlands-Engels 1995:242). Toen ook al? 1835 (Teenstra 1:385). Ø /S/wp/4-6/-. patakker, jaagzalm (Hoplias malabaricus). < Sranantongo patakka (Schumann 1783:133) < Karaïbisch patakai (Ahlbrinck 1931:364, Courtz 340). 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 99). → (pataka, < Sranantongo). Opmerking: In 1742 pattage (Inventaris Archief Raad van Politie 795 fol. 159), in 1763 (Pistorius 87) batagger, in 1770 (Fermin 2:233) battager. Ø /(K)S/d/2-4/-. patategrond: zie grond* (I, 2 en 3). patatte, patate (-s), patatter (-s), battatte, batatte (-s), 1. bataat, dat is de eetbare knol van 2, heden in Surinaams-Nederlands ook genoemd zoete patat; 2. een ingevoerd cultuurgewas (Ipomoea batatas). 1. In de betekenis van Europees-Neder­ lands bataat komen in de taal van Nederlanders in de tropen voor sedert 1565 batate (Van Veen & Van der Sijs 78) respectievelijk 1635 patates,­meervoud (Carpentier in De Laet 1644:448). De oorsprong van deze woorden ligt, evenals bij andere Europese talen, bij batata, via het Spaans onleend aan het Taino, een indiaanse taal van Brazilië. Tropisch Amerikaans element, sub 2. De oudste vondst voor Suriname is van 1670, patates (meervoud, wnt 12, 1:748). Daarna volgen pa(t)a(t)te (-s) vanaf 1692 (Schiltkamp & De Smidt 197) en van 1763 tot 1871 ook patatter (-s). De oudste vondst in de betekenis van de plant die de knollen voortbrengt (Ipomoea batatas) is van 1763 (Pistorius 16). Patat en petat zijn in Suriname van recente datum. Alleen Merian (1705:41) en Teenstra (1835, 1:189) geven ba(t)tattes (meervoud) voor de knollen. Al deze woorden zijn en worden in Suriname niet anders gebruikt dan voor de

patatte wirriwirri

172

bataat, nooit voor de Europees-Nederlandse aardappel (Solanum tuberosum). Zie ook: aardappel*, ingi-tayer*. Ook in Brazilië (1635, De Laet 1644:448), Oostelijk Guyana (Van der Woude 1678; Lichtveld & Voorhoeve 51) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:71). Ø /Am/ cp/1-6/B./O./W./. 2. 1763 (Pistorius 16). - 1796 (Brouwn 56). →. Ø /Am/cp/2-6/-. patatte wirriwirri, vermoedelijk als patatter-taytay* (zie ook wirriwirri*), zo nodig gebruikt als voer voor paarden. 1740 (Anonymus 126). Ø /Am-S)/wp/4/-. patatter-taytay, windend kruid (Ipomoea tiliacea) waarvan de bladeren gebruikt worden als voer voor konijnen. Verwant van patatte*(2). Zie verder taytay*. Het is mogelijk dat het woord als geheel ontleend is aan Sranantongo patatta-tetei (Focke 1855:99). 1835 (Teenstra 1:206). → (patatatite < Sranantongo). Ø /(Am-S)?S?/wp/4-6/-. patattesluis, patatteluis, zeer kleine, rode larf van enige soorten bosmijt (Trombicula-soorten). Zit op planten, stapt over op mens of dier en boort zich daar in de huid. Er zijn geen aanwijzingen voor enige binding met de patatte*(2). Het is mogelijk dat het woord als geheel ontleend is aan Sranantongo patatta-losso (Schumann 1783:133). 1718 (Herlein 179). - 1855 (Focke 99). →. Zie ook: grasluis*. Ø /X/d/1-6/-. patrijs, niet eenduidige naam voor enige kwartels en stuithoenders. < Engels partridge, dat een ruimere betekenis had en heeft dan EuropeesNederlands patrijs voor Perdix perdix; nb: Warren (1667:9) en Willoughby (1650, in de Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 749). 1835 (Lammens 173) - 1872 (Anonymus 66). →. Ø /E/d/4-6/-.

pees

pauwies (-en), gewone, zwarte of gekuifde hokko, een boomhoen (Crax elector). < Spaans pauxi (uitspraak ‘pausji’), de naam voor verwante hoenders van het genus Pauxi (oed 12:266) in een taal van indianen in Mexico (Houttuyn 1, 5:346; 1763). Kan ook afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1740 (Anonymus 22, pauwiezen, meervoud). - 1855 (Focke 107, pouwies). 1872 (Anonymus 66). - 1900 (Penard 1:2, powies). → (heden in Surinaams-Nederlands ook powisi, < Sranantongo). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:84, pauys). Zie ook: faisanten*. Ø /X?W?/d/2-6/W./. peeradvocaat, als advocatenpeer*. 1835 (Teenstra 2:250). Zie ook: appeladvocaat*. Ø /N-Am/cp/4/-. peeradvocaatboom, advocatenboom* met peervormige vruchten. 1835 (Teenstra 2:250). Zie ook: appeladvocaatboom*. Ø /(NAm)-NX/cp/4/-. pees I., pies (ook meervoud), stuks, met betrekking tot rollen stof van een bepaalde afmeting, heden in Surinaams-Nederlands pièce (als Europees-Nederlands, < Frans). < Engels pees, piece (oed 11:792). 1749 (De Beet & Price 1982:41). - 1853 (Surinaamsche Courant nr. 15). Opmerking: Bij Winkels (I:24; 1840) piesie (< Sranantongo). Ø /E/bc/2-3/-. pees II., peesjes, pies, piesjes, peesie, pesie, ingevoerde, peulendragende (voornamelijk voedings)gewassen en hun eetbare zaden (boontjes), ook collectivum. < Sranantongo pesi (Schumann 1783:132) of < Engels peas, Smith 1987:236. De genoemde vormen vertonen chronologisch geen regelmaat; hun oorspronkelijke herkomst kon niet achterhaald worden. Echter, in 1694 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 518) één maal peas

pegaal

173

en na 1825 (zie beneden) alleen nog pesie, onder invloed van Sranantongo. 1692 (Schiltkamp & De Smidt 197). - 1825 (Bosch, 125, 2). → alleen pesie. Zie ook: horsepesie*, lintpesie*, negerpesie*, sabinapesie* en wandoepesie* en gekookte Peesjes braf* (ca. 1792, H. Spalburg 2008:180), dat is ‘erwtensoep’ of ‘bonensoep’. Ø /E?S?/cp/1-6/-. - : bruine pesie, vermoedelijk een cultuurvorm van Vigna sinensis en diens lichtbruine boontjes, thans geheten djari-pesie (< Sranantongo) of kapucijner. 1835 (Teenstra 2:269; 278, bruinpesie). Zie ook: negerpesie*. Ø /N- (E?S?)/cp/4/-. - : lovango peesies, niet geïdentificeerde peulvrucht(plant). Uit Afrika (C. Dahlberg 1771:118); Loango is de naam van een Afrikaans negervolk. 1771 (C. Dahlberg 118). 1822 (Schouten in Medendorp 1999:90, loango peesjes). Ø /Afrikaans-(E?S?)/cp/2-3/-. - : zevenjarige pesie, zie zevenjaarsboon*. 1835 (Teenstra 2:278). Ø /N+(E?S?)/cp/4/-. pegaal: zie pagaal*. pegrekoe: zie pejerakoe*. peje (-s), indiaanse sjamaan, indiaanse ‘medicijnman’. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1763 (Pistorius 20). - 1796 (Stedman 208, peii). Zie ook: pogaier*, piaiman*, piajen*. Ø /Am/ic/2-3/-. pejerakoe, pegrekoe, boomsoorten van het genus Xylopia en hun hout, in het bijzonder Xylopia frutescens en de vruchtjes van deze. < Sranantongo pejereko, pegreko (Schumann 1783:219), pegrekoe (Focke 1855:99). 1740 (Anonymus 16, pejerakoe). 1802 (Blom 140, perecou). 1835 (Teenstra 1:385, pegrekoe). →. Ø /S/wp/2-6/-. pen (de, -nen), stal. < Engels pen.

peperazijn

1834 (Teenstra 1835, 1:111). 1855 (Focke 99), (eerder in samenstellingen: zie beneden). →. Zie ook: beestenpen*, koepen*, schapenpen*, varkenspen*. Ø /E/pt/4-6/-. pennevogel, anioema, een grote, plompe moerasvogel (Anhima cornuta). De vleugels dragen ieder twee naar voren gerichte sporen. 1763 (Pistorius 63). 1770 (Hartsinck 110). 1881 (Kappler 1883:211). Zie ook: mouton*. Ø /N-N)/d/2-5/-. penning: koperen penning, koperen munt waarop de afbeelding van een papegaai en een cijfer dat de waarde in ponden suiker aangeeft. 1681 (Schiltkamp & De Smidt 113) - 1688 (Schiltkamp & De Smidt 178). Zie ook: papegaaiepenning*, suikergeld*. Ø /N+N/bs/1/-. pentrie, twee boomsoorten (Virola michelii en Virola sebifera), heden bekend als hooglandbaboen. < Sranantongo pintri (Klooster e.a. 118, 119). Ook pentri, in bosnegertalen (Ostendorf 1962:47). 1763 (Pistorius 52). Ø /S/wp/2/-. peper, Spaanse peper, cultuurvormen van ingevoerde Capsicum-soorten en hun peperig smakende vruchten, ook collectivum. < Europees-Nederlands peper, een poeder verkregen uit de vruchtjes van enige geheel andere planten (Piper-soorten). 1745 (Inventaris Archief Raad van Politie 798). 1823 (Anonymus). →. Zie ook: aratakaka*, atty*, piment*, tuinpeper*. Ø /N’/cp/2-6/-. - : Indiaansche of Indische peper, als peper*. < Engels Indian pepper. 1705 (Merian 55). - 1775 (Sneebeling 1973:13). Ø /E/cp/1-2/-. peperazijn, azijn met peper* erin. 1866 (Van Schaick 138). →. Ø /N’-N/

peperhout

174

bc/4-6/-. peperhout, niet eenduidige naam voor enige boomsoorten, voornamelijk uit de familie Annonaceae. De soort bij Teenstra (1835, 1:386) is “dragende een zaad, dat veel overeenkomst met peper heeft”. 1835 (Teenstra, zie boven). - 1855 (Van Sypesteyn 184). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 275). Ø /N’-N/ wp/4-5/-. peperpot, 1. dikke soep met zeer veel pepers* als door indianen in grote hoeveelheid bereid en permanent beschikbaar gehouden; 2. grote aarden pot waarin deze soep bereid en bewaard wordt; 3. dunne, gepeperde vissoep, gegeten met cassavebrood*. Uit de tekst is soms niet op te maken of het betekenis 1 of 2 betreft. In die betekenissen thans alleen nog in de praktijk voorkomend met betrekking tot het voedsel bij bovenlandsche Indianen*. 1: 1769 (Fermin 2:256). - 1903 (Van Coll 494). Opmerking: Teenstra (1834; 1842:72) noemt dit Engelsche peperpot. 2: 1763 (Pistorius 19). - 1854 (Kappler 1983:28). In Westelijk Guyana 1 (Van Berkel 1695:30) en 2 (ibid. 22), en vermoedelijk van daar naar Suriname. 1+2: /W/ic/1-5/W./. 3: 1790 (Fermin 536; pepper-pot, Engels). - 1855 (Focke 99). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 556). Opmerking: De hedendaagse SurinaamsNederlandse naam is peprewatra (< Sranantongo). Ø /W/r/3-5/-. peperwortel, de ingevoerde behen(noten)boom (Moringa oleifera). De fijngestampte wortel smaakt enigszins als de Europees-Nederlandse peperwortel, ‘mierikswortel’. 1693 (Reeps 21). 1872 (Anonymus 67). →

peto

(peperwortelboom). Ø /N’/cp/1-6/-. pereyn: zie pirijn*. periage (-s, -n), indiaans vaartuig, gemaakt van een uitgeholde boomstam. Tropisch Amerikaans element, sub 2. De hier gegeven schrijfwijze komt het meest voor en loopt vanaf het begin tot 1770, dat is bijna het eind. Andere schrijfwijzen, onregelmatig verdeeld, zijn: prejage, priago, priaag, priak, pirague, periaque, periac, pirogue. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 45). - 1775 (Sneebeling 1973:10, 229). Ook in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:56, periago) en Westelijk Guyana (1720; Hartsinck 1770:328, priago). Zie ook: cano*, corjaar*. Ø /Am/ic/12/O./W./. periak, periaque: zie periage*. permit, tijdelijke concessie aan een particulier om zeker stuk domeingrond in bewerking te nemen. < Engels. 1842 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 338). Ø /E/bs/4/-. pernou, gegiste drank, bereid door indianen uit afkooksel van cassave* (1) met toevoegingen. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1763 (Pistorius 17, parnouw). - 1771 (Nepveu 299). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel l695:25). Zie ook: casiri*, pajarware*, tapana*. Ø / Am/ic/2/W./. perokiet raven, naam voor kleine ara’s (Ara-soorten). Algemeen Nederlands parkiet + raven*. 1740 (Anonymus 22). Zie ook: raafparkiet*. Ø /N-Braz./d/2/-. perrel: zie parel* (I). pesie: zie pees* (II). petatte: zie patatte*. peto, een boomsoort (Mora excelsa) en zijn hout.

piaien

175

< Saramakaans peto (Ostendorf 1962:77). 1838 (Hudig, 140). 1854 (Van Sypesteyn 212). →. Zie ook: mora*. Ø /Saramakaans/wp/4-6/-. piaien, magisch beïnvloeden, als gedaan door een piaiman*. < Sranantongo piai (Focke 1855:100). 1771 (Nepveu 297). - 1858 (Copijn 14). →. Ø /S/ic/2-6/-. piaihuis, zekere hut waar een piaiman zijn werk doet. 1858 (Copijn 8, piay-huis). Ø /S-N/ic/4/-. piaiman (de, -s), indiaanse sjamaan, indiaanse ‘medicijnman’. < Sranantongo piaiman (Focke 1855:100) < Karaïbisch piai (oed 11:392). 1854 (Kappler 1983:94). → (ook piai, piaaiman). Zie ook: pogaier*, peje*. Ø /S/ic/4-6/-. pieken: zie pikken*. pien, piene, pine, pijn, pijne, pina, 1. bladeren van 3 als (dak)bedekking; 2. stam(men) van 3, al dan niet geplet, naast elkaar verbonden tot een muur, ook attributief; 3. zekere palmsoort (Euterpe oleracea). Betekenis 1 betreft vooral bouwmateriaal voor een tijdelijk te gebruiken onderkomen of, en dan in combinatie met 2, voor een eenvoudige woning of ander bouwsel voor permanent gebruik. Een uitzondering vormt het pinahuisje uit 1740 (zie hieronder). De vindplaatsen van het woord in zijn verschillende vormen, betekenissen, perioden van voorkomen, ook in samenstellingen, geven geen uitsluitsel over de herkomst en geen sluitend beeld van de ontwikkeling. Vermelding verdient het voorkomen van pina in het Sranantongo in betekenis 1 bij Schumann (1783:224) en in betekenis 3 bij Focke (1855:102). Opmerkelijk is de vroege vondst (1749) van pina voor de palm (De Beet & Price 1982:73) - dat komt pas weer terug in de 19e eeuw en de al genoemde samenstelling van 1740.

pienenhuis

Zie ook palissade*. nb: In afwijking van de alfabetisch juiste volgorde zijn ook de samenstellingen van pina en pine hier opgenomen. A. pien(e), pine, pijn(e) 1: 1722 (Schiltkamp & De Smidt 349). 1802 (Blom 178). Zie ook: comupien*. 2: (attributief) 1775 (Sneebeling 1973:16, piene loots). 3: 1772 (De Beet 1984:103).- 1796 (Brouwn 51). B. pina 1: 1835 (Teenstra 1:411). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 61). →. 2: 1828 (Kuhn 13). 1850 (Hoogbergen 1978:55). →. 3: 1749 (De Beet & Price 1982:73). - ? →. Samen betekenis 1: /X/r/1-6/-. Zie ook: pienebladen*. Samen betekenis 2: /X/r/4-6/-. Samen betekenis 3: /X/wp/2-6/-. Zie ook: pieneboom*, pinapalm*. Opmerking: Bij de volgende samenstellingen van pien* en bij die van pina* en pine* (zie verderop) is soms wel, maar vaker niet uit te maken of ze beschouwd moeten worden als behorende bij betekenis 1, 2 of 3. pien- zie pina-*. pienda(kaas): zie pinda(kaas)*. pienebladen, als pien* (1). 1740 (Anonymus 38). 1771 (Nepveu 140, peen-bladeren). → (pinabladen) Ø /XN/r/2-6/-. pieneboom, pineboom, als pien* (3). 1763 (Pistorius 69). - 1787 (Blom 12). 1835 (Teenstra 1:411; pinaboom). Zie ook: pinapalm*. Ø /X-N/wp/3-4/-. pienenhuis, eenvoudig huis, gebouwd met of van pien* betekenis 1, 2 of beide. 1788 (Roos 1804:25). 1828 (Kuhn 14, pinahuis). Zie ook: pinahut*, pinahuisje*. Ø /X-

piengo

176

N/r/3-4/-. piengo: zie pinko*. pienja, kleine bomen behorende tot het genus Vismia. < Sranantongo pienja (Focke 1855:101). 1835 (Teenstra 1:386). → (pinja). Ø /S/ wp/4-6/-. pies: zie pees* (I en II). piet, plant waarvan de bladeren een vezel leveren (Bromelia alta). Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1730 (Hartsinck 1770:761). Opmerking: Pita is in allerlei talen van West-Indië en ook in het Europees-Nederlands (daar ook pitte) de naam voor deze en andere planten die op soortgelijke wijze vezels leveren. Zie ook: zeilgras*. Ø /Am/cwp/2/-. pijl (-en), tophalm (ros) van suikerrietstengel waaraan de bloeiaar zit. Mogelijk verkorting van keenpijl*. In Brabant en Vlaanderen kan (of kon) pijl ook ‘halm’ betekenen (wnt 12, 1:1618; De Clerck 1981:373). Vergelijk ook Engels arrow (oed 1:653, vanaf 1779). 1786 (Blom 41). - 1835 (Teenstra 1:195). Ook Westelijk Guyana? (Hartsinck 1770:63). Ø /X/cp/3-4/W./. pijlzetting, het inboeten, in dit geval het vervangen van verwijderde suikerrietstengels door stekken (pijlen*). 1835 (Teenstra 1:195). Ø /X-N/pt/4/-. pijn, pijne(-): zie pien(-)*. pikax (-en), houweel. < Engels pick-ax. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 11). → (pikaks). Ø /E/pt/4-6/-. pikere, enige kleine vissoorten van de familie der karperzalmen (Characidae). < Karaïbisch pikiri (Ahlbrinck 1931:374). 1771 (Nepveu 350). Zie ook: serebe*, sriba*, zilvertje*. Ø /K/d/2/-. pikie-njan, illegale manumissie*, dat wil

piment

zeggen zonder officiële kennisgeving en betaling van de betreffende belasting en andere kosten. < Sranantongo. De letterlijke betekenis heeft betrekking op de noodzaak voor de aldus vrijgelaten persoon zijn of haar eigen kostje (njan) te moeten opscharrelen (piki). Zie Koulen (1973:24). 1821 (Koulen, zie boven). Ø /S/bs/3/-. pikieres: zie pakiera*. pikken, pieken, 1. plukken, in het bijzonder van plantageproducten; 2. kiezen, selecteren, in het bijzonder scheiden van hele en gebroken koffiebessen. < Sranantongo pikki (Schumann 1783:136; betekenis 1), piki (Focke 1855:101; betekenis 1 en 2) of < Engels to pick (Smith 1987:172). 1: 1762 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 315 fol. 335). - 1840 (Winkels I:23). Ø /E?S?/pt/2-4/-. 2: 1786 (Visscher Heshuysen 436). - 1835 (Teenstra 1:261). →. Opmerking: Uijtgepikt (1825; Bosch 125, 4) voor koffie die de behandeling onder betekenis 2 geheel heeft ondergaan. Ø /E?S?/pt/3-6/-. pimba, pijpaarde (een witte klei), door boschnegers* aangewend voor rituele doeleinden. < Sranantongo pimba < Afrikaans, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 562. 1854 (Kappler 1983:135). →. Ø /S/r/4-6/-. piment, Spaanse peper (Capsicum-soorten en hun vruchten). < Europees-Nederlands piment, sedert 1300 (Van Veen & Van der Sijs 667) specerij in het algemeen of althans een zeker aantal kruiden (kruiderijen). 1705 (Merian 55). - 1855 (Focke 23). Zie ook: aratakaka*, atty*, peper*. Ook Brazilië (Keye 1659:72, Brazylse piement) en Oostelijk Guyana (Reeps 1693:8). Ø /N’/cp/1-4/B./O./.

pina

177

pina(-): zie pien(e)* en varianten. pinadak, dak van pien* (1). 1835 (Teenstra 2:148). →. Ø /X-N/r/4-6/-. pinahuisje, schaduwdakje voor cacao. 1740 (Anonymus 37). Ø /X-N/pt/2/-. pinahut, als pienenhuis*. 1838 (Kuhn 140). - 1857 (Hoogbergen 1978:71). →. Ø /X-N/r/4-6/-. pinapalm, als pien* (3). 1834 (Teenstra 1842:93). 1845-1849 (Boekhoudt 1874:54). →. Ø /X-N/wp/4/-. pinda (-’s), pienda, 1. pinda, de vrucht van 2, ook collectivum; 2. de plant pinda (Arachis hypogaea), ingevoerd uit Afrika. Het woord is van oorsprong Afrikaans, kwam in betekenis 1 via het Papiamento naar Nederland en wordt daar pas vanaf 1912 gebruikt (De Vries & De Tollenaere 284). Voor Suriname geldt: < Sranantongo pinda (Schumann 1783:137); in die taal bij Fermin (1769, 1:151) en Stedman (1796:283) ook met betekenis ‘pistache’. 1: 1740 (Anonymus 16; pintaas, meervoud). 1754 (Van den Bouwhuijsen e.a. 77). - 1872 (Anonymus 27). →. Bij Hartsinck (1770:60) pinjes en akonipjes voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /S/cp/2-6/W./. 2: 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 116). →. Ø /S/cp/2-6/-. pindagrond: zie grond* (I, 2 en 3). pindakaas, als hedendaagse pindakaas in Europa, echter vaster van vorm, niet smeerbaar, maar snijdbaar. Zie pinda*; ‘kaas’, te rangschikken onder de ‘oneigenlijke toepassingen’ als onder II in het wnt. Zie verder Van Donselaar (2005). 1783 (Schumann 33 en 137, Duits PindaKäse, als verduitsing van SurinaamsNederlands). 1855 (Focke 25, 100, pienda-kaas). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 26, pienda-kaas). → (pindakaas).

pirijn

Opmerking: In Nederland dateert het vroegste voorkomen van de naam van 1912 (wnt). Ø /S-N/bc/3-6/-. pine(-): zie pien(e)* en varianten. pinebosch, pineland, moerasbos waarin pien* (3) overheerst. 1784 (Heneman, beide). Ø /X-N/m/3/-. pinezwamp, moeras (zwamp*) met een vegetatie waarin pien* (3) overheerst. 1772 (De Beet 1984:111). - 1849 (Van Sypesteyn) → (pinazwamp). Opmerking: Heneman (1784) op blad 14 B in Koeman (1973) geeft ananas swamp, kennelijk als gevolg van een misvatting over de betekenis van pine. Ø /X-(E/ W?)/m/2-6/-. pingo: zie pinko*. pinja: zie pienja* pinjes: zie pinda*. pinko, pingo (de, -’s), 1. witlippekari, een soort navelzwijn (Dicotyles pecari); 2. scheldwoord voor boschneger* en indiaan. In betekenis 1 kan het ontleend zijn aan het Engels als bij Warren (1667:11, pinko), of aan het Karaïbisch (Kappler 1881, 1883:79, poeingo; Van Coll 1903:648; Courtz 355, pyinko), of het daaruit voortgekomen Sranantongo (Fermin 1765:12, pingo). 1: pinko: 1693 (Reeps 21). - 1769 (Fermin 2:92, pingo). - 1872 (Anonymus 66). → (pingo). Ø /E?K?S?/d/1-6/-. 2: 1801 (Schiltkamp & De Smidt 1205, pingo). Ø /X/r/3/-. pintaas: zie pinda* (1). pipa, pipal (de), pipa, Surinaamse pad (Pipa pipa). < Karaïbisch pipa (Ahlbrinck 1931:375). 1705 (Merian 71). - 1835 (Teenstra 2:436). →. Opmerking: Eerste vindplaats in Nederland bij Houttuyn (1, 6:187; 1764). Ø /K/d/1-6/-. pirague: zie periage*. pirijn (de), soorten piranha (vissen), waaronder de grote Serrasalmus rhombeus.

pirogue

178

< Sranantongo piren (Focke 1855:102) < Karaïbisch pïrai (Hoff 1968:14, Courtz 345). 1693 (Reeps 21, pierhein). 1740 (Anonymus 24, pereyn). - 1855 (Focke 102). Opmerking: Vanaf 1900 (Penard 1:75) pireng (< Sranantongo piren). Ø /(K) S/d/1-4/-. pirogue: zie periage*. pisie, een aantal boomsoorten uit de Laurierfamilie). < Sranantongo pisie (Focke 1855:103). Van een aantal ruikt het vers gevelde hout naar urine. 1855 (Van Sypesteyn 180). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 502). →. Ø /S/wp/4-6/-. pistool: zekere munt; zie onder gulden*. plantage, plantagie, plantaadje (de, -’s), grootlandbouwbedrijf, doorgaans particulier, in een kolonie in een tropisch land, met de functie een product of enige verhandelbare producten voor de uitvoer voort te brengen; door slaven bewerkt. Deze omschrijving valt onder die in het wnt (12, 1:2293) bij betekenis 7b. De oudste daar gegeven vindplaats in het algemeen is die bij Van Berkel (1695:13) voor Berbice; de oudste vindplaats voor het voormalige Nederlands Oost-Indië 1745 in de samenstelling suyker plantagie (wnt 16:502). Voor Suriname geldt, dat in een “instruktie” van de Staten van Zeeland aan gouverneur Lichtenberg van 18 november 1668 sprake is van “de plantage Paramhill” (Schiltkamp & De Smidt 20). De oudste vindplaats in Suriname zelf is een plakkaat van 1669 (Schiltkamp & De Smidt 24, plantatien, meervoud). In het Engels van Suriname voor 1668 gebruikte men plantation (Warren 1667:2; Schiltkamp & De Smidt 10). - : plantage werd gebruikt zonder lidwoord of bezittelijk voornaamwoord

platille

wanneer het de eigen plantage betrof, in uitdrukkingen als: naar plantage gaan, bijvoorbeeld 1834 (Oso 19:191), op plantage zijn, bijvoorbeeld 1798 (Weygandt 99), op plantage wonen (1801, Oostindie 1989:185). Deze uitdrukkingen zijn in Suriname nog steeds in gebruik, ook wanneer men spreekt over het plantagedorp waarmee men rechtstreeks of via familie verbonden is, of als men spreekt over het buitenstadse cultuurgebied van Suriname in het algemeen. Zie Van Donselaar (1989:294). Zie ook: houtplantage*, kostplantage*, kweekplantage* en societeits-plantage* (eventueel met andere uitgangen). Ø /N’/ pt/2-?/-. plantagemacht, de macht* van één plantage*. 1828 (Kuhn 16). Zie ook: negermacht*, slavenmacht*. Ø /N-N’/pp/4/-. plantageneger, negerslaaf (neger*) werkzaam op een plantage*. 1765 (De Beet 1984:75). - 1822 (Lammens 1982:107). 1881 (Kappler 1883:179). Ø /NAm/pp/2-5/-. plantage-officier, als officier*. 1684 (Van der Linde 1966:67). Ø /N-E/ pp/1/-. plantageschoenen, vermoedelijk dezelfde als grondschoenen* en bluchers*: zie aldaar. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 19). Ø /N-N/pt/3/-. plat, ondiep (met betrekking tot water). Tot 1873 alleen aangetroffen in de eigennaam de Plattebrug*; zie aldaar. platille (-s), plattielje, plattielje, een fijne soort linnen, wit of bont, afkomstig uit Silezië (oed 15:468). < Engels platilla (1699-1858) of < Spaans platilla, oed 11:1004, of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1718 (Herlein 242). - 1839 (Benoit 69, daar verkeerd vertaald).

Plattebrug

179

Ook in Westelijk Guyana (Essequibo en Demararische Courant 29-12-1794). Ø /E?Sp.?W?/bc/1-4/W./. Plattebrug: de Plattebrug eigennaam van zekere Surinaams-Nederlandse ‘platte brug’ aan de Waterkant in Paramaribo. Eertijds ook Platte brug (Teenstra 1835, 2:117; Arons 1881, in Attema 1981:34). Brug betekent hier aanlegplaats (in dit geval voor kleine boten), bestaande uit een onderwaterse, zeer geleidelijk oplopende, stenen helling waar het water plat*, ‘ondiep’, is. 1822 (Lammens 1982:53). →. Ø /N’N’/r/3-6/-. Plein, plein (het), eigennaam van het grote, onbebouwde terrein voor het (indertijd zo geheten) gouvernementshuis* in Paramaribo. Het is nooit bebouwd of door bebouwing omgeven geweest. Oudste vindplaats van de (eigen)naam op een kaart van Tirion, volgens (Volders 14) van ca. 1740, volgens Y. Attema in Fontaine (1980:92) van ca. 1760. Oudste vindplaats van een nader gespecificeerde eigennaam 1917 (Gouvernementsplein, in de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 551), sedertdien bij herhaling omgedoopt. 1740 (zie boven). - 1804 (Hiemcke). 1913 (J. Spalburg 21, het plein). Ø /N’/r/2-5/-. pleisterhuis(je), provisorisch hutje als tijdelijke, eventueel ook nachtelijke pleisterplaats in het bosch*. 1749 (De Beet & Price 1982:48). - 1773 (De Beet 1984:145). Oudste vindplaats in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:16), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N-N’)?W?/r/2/W./. pley (-en), danspartij van negerslaven, soms kort voor wintipley*. < Sranantongo pre (Nepveu 1771:278) of < Engels play, Echteld 1961:114. 1765 (Nepveu 80). - 1786 (Blom 388, play). Zie ook: baljaar*, baljaring*, spel* (II).

pogaier

Ø /E?S?/sc/2/-. pleyen, een pley* houden. 1776 (Inventaris Archief Sociëteit van Suriname 544). Zie ook: spelen*, spel* (II) hebben. Ø /E?S?/sc/3/-. poenale sanctie, strafbepaling in het contract van een geïmmigreerde plantage-arbeidskracht, betrekking hebbend op eventuele toekortkomingen zijner- of harerzijds. Poenaal, dat wil zeggen betrekking hebbend op straf; sanctie betekent dwangmiddel. 1856-1948 (Encyclopedie van Suriname 485). Ook in het voormalige Nederlands OostIndië met betrekking tot plantage-arbeiders. Ø /N+N/bs/4-5/-. poesties, persoon geboren uit een blanke en een castiesin*, dus 15/16e blank en een 16e neger. < Portugees postiço of Spaans postizo, ‘onecht’. 1798 (Weygandt 19). - 1854 (Van Sypesteyn 161). - 1913 (Themen, in Polanen 1982:61). Zie ook: mistiche*, casties*, testies*. Opmerking: Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië, maar voor een andere mengverhouding tussen het blanke en het inlandse element (wnt 7, 1:1769). Ø /Port.?Sp.?/r/3-5/-. poetoe: zie apoetoe*. pogaier (-s), indiaanse sjamaan, indiaanse ‘medicijnman’. Herkomst van het woord niet bekend, mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1768-1780 (Quandt 240, pogaier; 258, bogaier). 1796 (Stedman 208, pagayer), 1839-51 (Van der Aa 34, bogajer). Opmerking: Hartsinck (1770:26) geeft pageyer, maar onderscheidt Suriname en Westelijk Guyana niet. Groen (1793, 4:8) geeft voor Westelijk Guyana pagaiermans

pokken

180

(meervoud). Zie ook: piaiman*, peje*. Ø /X?W?/ic/24/W./. pokken: Guinesche pokken, framboesia. Eertijds kon Europees-Nederlands pokken ook ‘framboesia’ betekenen (wnt 12, 2:3055). De ziekte is uit Afrika naar Suriname gekomen. 1835 (Teenstra 2:197). 1855 (Focke 49). Zie ook: jaas* (1). Ø /N+N/z/4/-. polder (-s), dijk van een plantage* welke laatste beneden het niveau van de vloed ligt en aldus zelf een Europees-Nederlandse polder is. De vermelding van polder in de betekenis van ‘dijk’ door Kiliaen (1599) berust volgens het wnt (12, 2:3087) op een vergissing. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:166). - 1838 (Van Stipriaan 1993:97). →. Zie ook: achterdam*, binnendam*, voordam* en zijpolder*, dam*. Ø /N’/pt/2-6/-. - : in polder, bedijkt, ingepolderd. 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 39). Ø /N+N’/pt/3/-. - : in polder leggen, bedijken, inpolderen. Zie polder*. 1786 (Blom 23, 174). Opmerking: wnt (12, 2:3089) geeft voor de 17e eeuw Europees-Nederlands in polders leggen voor ‘inpolderen, bedijken’. Ø /N+N’/pt/3/-. polderdam, dijk aan de voorzijde, dat is de rivierzijde van een plantage* die beneden het niveau van de vloed ligt. Gezien de betekenis van polder* en dam* een merkwaardig woord. 1855-1863 (Bartelink 1916:70). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 568). Zie ook: voordam*. Ø /N’-(N’?E?W?)/ pt/4-5/-. poldertrens, sloot (trens*) aan de binnenzijde langs een polder*. Een poldertrens is ontstaan op de plaats

ponsen

waar men grond uitgroef om er de polder* mee op te werpen (Anonymus 1740:53). 1740 (zie boven). - 1788 (Roos 1804:28). Zie ook: hoofdtrens*, trekker*. Ø /N’(E?W?)/pt/2-3/-. pomma: zie aboma*. pomme de cythère, ingevoerde vruchtboom (Spondias cythera) en de vrucht van deze. < Frans, betekent ‘appel van Cythera’; Cythera is een Grieks eiland, eertijds aan Venus gewijd. 1835 (Teenstra 2:246). - 1872 (Anonymus 67). →. Zie ook: venusappel*. Opmerking: Algemener Surinaams-Neder­ lands is heden pomsteri of pomoesteri (< Sranantongo). Ø /Fr./cp/4-6/-. pomme de rose (of roze), ingevoerde vruchtboom (Syzygium jambos) en de vrucht van deze, thans genoemd pommeroos. < Frans, betekent ‘rozenappel’, in verband met de geur als van een roos. 1835 (Teenstra 2:246). 1855 (Van Sypesteyn 185, pomme-rose). 1883 (Westeroüen van Meeteren 26). Ø /Fr./ cp/4-5/-. pompoenboom, papajaboom, meloenboom (Carica papaya). De vrucht (papaja) lijkt op een EuropeesNederlandse pompoen. Zie ook: papaye*. 1689 (J. Commelin in Brinkman 1980). 1774 (Houttuyn 2, 3:524). Ø /N’-N/cp/ 1-2/-. ponpon, twee grote soorten oropendola (vogels), de zwarte of kuiforopendola (Psarocoleus decumanus) en de groene (Psarocolius viridis). < Sranantongo ponpon (Focke 1858a:314). De naam is ontleend aan een geluid van deze vogels. Focke 1858a:314, pompon). 1910 (Penard & Penard 346). →. Ø /S/d/4-6/-. ponsen, vissen vangen door het water met

pont

181

een bedwelmend middel te vergiftigen. < Sranantongo ponsoe (Focke 1855:105) < Engels to poison, Smith 1987:243. 1835 (Teenstra 1:420). →. Ø /S/r/4-6/-. pont (de, -en), platboomde, houten of metalen boot met een stompe steven, voor het vervoer van plantageproducten, voortbewogen door roeien of bomen. < Europees-Nederlands pont, een soortgelijk meer algemeen gebruikt vrachtvaartuig in Nederland, in het bijzonder op binnenwateren. Zie ook matrozenpont*. Het Surinaams-Nederlandse gebruik kan ook gekomen zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1688 (Hartsinck 1770:658). - 1854 (Van Sypesteyn 80). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 569). Zie ook: kaanpont*, matrozenpont*, negerpont*, rietpont*, rivierpont*, scheepspont*, suikerpont*, tentpont* en visserspont*; pontje*. In 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 70) wordt genoemd een (zeer grote) slagterspont*. Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:451). Ø /N’?W?/pt/1-5/W./. pontenmaker, bouwer van ponten*. 1855-1863 (Bartelink 1916:83). Ø / (N’?W?)-N/bc/4/-. ponteneger, negerslaaf (neger*) als pontroeier* op een plantage*. 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 3). 1862 (Wim Hoogbergen & Okke ten Hove in Oso 19:282). Opmerking: Focke (1855:105) geeft als vertaling van Sranantongo pondo-ningre ook ‘ruwe, onbeschaafde neger’. Blijkbaar waren de als ponteneger aangestelde slaven de wat ruigere types. Zie ook: negerpont*. Ø /(N’?W?)-Am/ pp/3-4/-. pontentrens, vaarwater op een suikerplantage, tevens deel van het waterreservoir dat het waterwerk* doet draaien.

porcelein

Zie pont*, zie trens*. 1856 (Oostindie 1989:187). - 1867 (Oost­ indie 1989:22). Zie ook: vaar(t)trens*. Ø /(N’?W?)(E?W?)/pt/4/-. pontenwerf, werf voor de bouw en reparatie van ponten*. 1775 (Schiltkamp & De Smidt 892). - 1855-1863 (Bartelink 1916:83) Ø / (N’?W?)- N/bc/2-5/-. pontevaarder, zelfstandige schipper die met een pont* goederen vervoert tussen plantages*, de stad en schepen op de rede. 1720 (Schiltkamp & De Smidt 332). - 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1032). Ø /(N’?W?)-N/bc/1-3/-. pontevoerder, pontvoerder, als pontevaarder*. 1712 (Hartsinck 1770:684). - 1866 of 1867 (Ehrhardt 2000:209). Ø /(N’?W?)-N/bc/14/-. pontje, klein vaartuig als een pont* voor het vervoer van personen. 1704 (Inventaris Archief Sociëteit van Suriname 231 fol. 137). - 1855 (Focke 105). Zie ook: scheepspontje* en tentpontje*. Ø /N’/r/1-4/-. pontroeien, roeien van een pont*. 1770 (Hartsinck 684). Ø /(N’?W?)-N/pt/2/-. pontroeier, roeier van een pont*. 1855 (Focke 105). Zie ook: ponteneger*. Ø /(N’?W?)-N/ pp/4/-. poppetjeswiwiri, zekere struik (Jatropha gossypifolia). Herkomst van het woord onbekend. Sranantongo wiwiri ‘kruid, blad’. 1771 (C. Dahlberg nr. 14, poppetjes viviri). Ø /X-S/wp/2/-. porcelein, postelein, een wilde bladgroente (Talinum fruticosum). Lijkt naar uiterlijk en smaak op EuropeesNederlands postelein (Portulaca oleracea). Tropisch Amerikaans element, sub 5.

port

182

1693 (Reeps 21). - 1872 Anonymus 66). → (beide vormen). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:71). Zie ook: zeeporselein*. Ø /Am/wp/1-6/W./. port (de), haven. Het wnt (12, 2:3520) geeft citaten tot 1643 (met meervoud -s). Wellicht stond het gebruik in 1668 (Schiltkamp & De Smidt 15) in Suriname (mede) onder invloed van het Engels. port d’armes, vergunning om een geweer te dragen. < Frans. 1828 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 89). →. Opmerking: Heden beperkt tot een jachtgeweer. Ø /Fr./bc/4-6/-. post, standplaats van een posthouder*. 1780 (Schiltkamp & De Smidt 978). Ø /N’/ bs/3/-. postelein: zie porcelein*. postentrie, possentrie, boom met scherpe stekels en giftig melksap (Hura crepitans) en het hout van deze. < Sranantongo posso(e)ntrie (Focke 1855:106) < Engels poison-tree. 1835 (Teenstra 1:386). 1855 (Focke 106, possentrie). - 1858 (Van Sypesteyn 140) → (posentri, < Sranantongo). Zie ook: puistentrie*, zandkoker* (1). Ø /S/wp/4-6/-. posthouder, ambtenaar gevestigd op een post* nabij het woongebied van gepacificeerde indianen en later ook boschnegers*, als contactpersoon en om op dezen toezicht te houden. Hij kon blijkens een instructie van 1780 (Schiltkamp & De Smidt 980) en 1768-1780 (Quandt 1807:281, die hem in zijn Duits Posthalter noemt), tevens optreden als bokkenruilder*. Het woord is vermoedelijk overgenomen uit het toenmalige Nederlands Oost-Indië, waar een soortgelijke functie bestond;

prariprari

oudste vindplaats daar 1688 (wnt 12, 2:3626). 1744 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 273 fol. 708). - 1863 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 579). Zie ook: bijlegger*, uitlegger*. Ook in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:26). Ø /X/bs/2-4/W./. postlegger, als posthouder*: zie aldaar. Europees-Nederlands legger betekende strikt genomen ‘handelsagent in het buitenland’ (wnt 8, 1:1446). 1744 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 273 fol. 971). 1770 (Hartsinck 281). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:370). Ø /(N-N’)?W?/bs/2/W./. powies, pouwies: zie pauwies*. prake (uitspraak ‘prakee’), sidderaal (Electrophorus electricus). < Sranantongo prake (Focke 1855:107) < Karaïbisch purake (Ahlbrinck 1931:395), pyrake (Courtz 356). 1835 (Teenstra 2:446; Lammens 178). →. Ø /(K)S/d/4-6/-. prapie, aarden kom van indiaanse herkomst. < Sranantongo prapi (Focke 1855:107) of < Karaïbisch parapi, Focke 1858a:314, (Courtz, 338). 1850 (Winkels IV:286). →. Ø /K?S?/ic/4-6/-. prapra, een boomsoort (Macrolobium multijugum variatie multijugum). < Sranantongo prapra (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:83). Vermoedelijk bedoelt Teenstra (1835, 1:388) met prapa deze soort. Ø /S/wp/4?/-. prariprari, prarprari, praprari (de), soorten meerval (vissen) van het genus Ageneiosus. < Sranantongo prari-prari (Focke 1855:107) < Karaïbisch purapurari (Courtz 353). 1718 (Herlein 199, preparie). - 1771 (Nepveu 347, prapararie). 1796 (Stedman

prasie

183

322, prareprare). 1835 (Teenstra 2:458). → (prarprari). Ø /(K)S/d/1-6/-. prasie, naam voor (minstens) drie soorten harder (vissen; Mugil curema, Mugil incilis en Mugil trichodon). < Sranantongo prasi (Focke 1855:107) < Karaïbisch parasi (Courtz 338). 1835 (Teenstra 2:450). →. Zie ook: curema*, queereman*. Ø /(K) S/d/4-6/-. preparie: zie prariprari*. presentkaasje, “Eene [spottende] uitdrukking die men bezigt voor iemand die opgedrongen is en als laatste uitvlucht, [vanuit Nederland] naar plantage gezonden wordt, om hem fatsoenlijk uit de voeten te maken” (Van Schaick 1866:125). De letterlijke betekenis is ‘een kaasje van de beste kwaliteit (“exportkwaliteit”) dat men iemand ten geschenke zendt’ (wnt 7, 1:149). 1840 (Winkels I:20). 1866 (Van Schaick 125). Ook in het voormalige Nederlands OostIndië (wnt 12, 2:4039). Ø /N’/pp/4/-. priaag, priago, priague, priak: zie periage*. prikkelappel, een inheemse, ook gecultiveerde boomsoort (Annona muricata) en zijn gestekelde, eetbare (verzamel)vrucht. < Engels prickled apple (oed 12:461). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 5). 1689 (Hermann fol. 461). Zie ook: parane*, zuurzak*. Ø /E/cp/1/-. prime, van eerste kwaliteit met betrekking tot etenswaar, in het bijzonder bij vlees en spek. < Engels. 1853 (Surinaamsch Weekblad nrs. 2 en 36). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 129). Ø /E/bc/4/-. prisatie (de, -ën), taxatie op geldswaarde. Afgeleid van priseren*. 1717 (Schiltkamp & De Smidt 315). - 1805 (Oostindie 1989:19). Ø /Fr./bs/1-3/-. priseren (gepriseerd), appriseren, taxeren op geldswaarde.

pruim

< Frans priser. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 40, appriseren). - 1734 (Schiltkamp & De Smidt 417). 1802 (Blom 101). Ø /Fr./bs/1-3/-. priseur, taxateur van onroerend goed. Afgeleid van priseren*. Vergelijk priezer in Zeeland (Ghijsen 1974:750). 1762 (Oostindie 1989:171). - 1770 (Hartsinck 690). Ø /Fr./bs/2/-. pritijarie, pritjarie, een boomsoort (Zanthoxylum pentandrum) en zijn hout. < Sranantongo pritijari (Focke 1855:109). 1835 (Teenstra 1:388). 1855 (Van Sypesteyn 180). →. Ø /S/wp/4-6/-. prokonie, enige boomsoorten van het genus Inga, waaronder Inga alba, Inga edulis, Inga pezizifera en Inga stipularis, heden genoemd Surinaams-Nederlands switieboontje*. < Sranantongo plokoni (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 383) < Karaïbisch apurukuni (Courtz 236). 1835 (Teenstra 1:388, prokonie of prokonje). →. Zie ook: suikerboontjesboom*, zoete boontjesboom*, weiki*. Ø /(K)S/wp/4-6/-. provoost, guyanadolfijn (Sotalia guianensis). < Sranantongo profosoe (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:58) < Engels porpoise. 1796 (Stedman 322, provost). 1793 (Geschiedenis in de klas 11, 32:42). - 1900 (Penard 1:84; profosoe, als Sranantongo). → (‘profosoe’). Ø /S/d/2-?/-. pruim, 1. vrucht van de pruimenboom*; 2. pruimenboom*; 3. als coemoe* (de boom). De vrucht lijkt op een Europees-Nederlandse pruim, de vrucht van zekere Prunus-soorten. 1: 1705 (Merian 13). Ø /N’/wp/1/-. 2: 1854 (Kappler 1983:70, indiaansche pruim). Ø /N’/wp/4/-. 3: 1770 (Hartsinck 68), voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N’?W?/

pruimenboom

184

wp/2/W./. Opmerking: Van oude vindplaats bij De Myst (1677:17), Van der Woude (1678; Lichtveld & Voorhoeve 51) en Reeps (1692:8) is niet uit te maken over welke soort het gaat. pruimenboom, Americaanse of Indiaanse pruim(en)boom, een boomsoort (Spondias mombin). Zie pruim*. 1705 (Merian 13). - 1883 (Westeroüen van Meeteren 46). Zie ook: mope*. Opmerking: Zie de Opmerking onder pruim*. Ø /N+N’/wp/1-5/-. psalm-gezelschap, bijeenkomst van vrije, gemengdbloedige mensen om samen geestelijke liederen te zingen. 1861 (Wolbers 773). Ø /N-N/r/4/-. puistentrie, een boomsoort (Hura crepitans). < Engels poison-tree (zie postentrie*), wellicht mede onder invloed van de ‘puisten’ (in dit geval stekels) op de stam of de ontstekingen die men krijgen kan waar het giftige melksap op de huid terechtgekomen is. 1771 (Nepveu 378). - 1802 (Blom 185). Zie ook: zandkoker*, zandkokerboom*. Ø /E/wp/2-3/-. pul (de, -len), kruik voor dram* en melasse van 3 gallon (ongeveer 13 ½ liter), ook dienende als standaardinhoudsmaat. < Europees-Nederlands pul is onder meer kruik in het algemeen, zonder vaste maat. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 1161:100). - 1821 (Oostindie 1989:479). 1881 (Kappler 1883:13, daar 4 gallon). Zie ook: merkpul*. Ø /N’/pt/2-5/-. purperhart, (purperhard), twee boomsoorten (Peltogyne paniculata en Peltogyne venosa) en hun zeer gewaardeerde hout, ook attributief. Het hart* (kernhout) is bij beide paars. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname

quacici

161:312). - 1855 (Van Sypesteyn 182). →. Zie ook: purperhout*, bascouriaar*. Opmerking: Van der Aa (1993:20) vermeldt de verkoop van purperharthout tussen 1847 en 1851 in Zwolle. Zie ook: purperhout(boom)*. Ø /N-N/46/-. purperhartboom, als purperhart* (de boom). 1763 (Pistorius 52). 1787 (Blom 307). Ø /N-N-N/wp/2-3/-. purperhout, als purperhart* (het hout). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:312). - 1839 (Benoit 33). Ø /N-N/ wp/2-4/-. purperhoutboom, als purperhartboom*. 1770 (Hartsinck 76). Ø /N-N-N/wp/2/-. putter, zijden of kleine koevogel (Molothrus bonariensis minimus), een ondersoort van de glanskoevogel (Van Loon). Herkomst van de naam onduidelijk; er is geen noemenswaardige overeenkomst met de Europees-Nederlandse putter, een vinkachtige zangvogel. 1765 (Fermin 99). 1770 (Hartsinck 111). →. Ø /X/d/2-6/-. puyte. “... als men tegens soodanige een gesegt heeft Puyte (dit is de generaale naam, die men aan d’Indiaanen geeft)”. (Anonymus 1740:91). Herkomst? Ahlbrinck (1931:392) geeft een Karaïbisch werkwoord puita-ma, ‘respecteren’. Zie ook: bok* (II).

q q: zie ook k qu-: zie ook kwquacici, een doornstruik (Solanum stramonifolium), heden in Surinaams-

quaqua

185

Nederlands matrozendruif genoemd. < Karaïbisch kwasisi (Ahlbrinck 1931:26). 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 15). Zie ook: maca* (I, 1). Ø /K/wp/1/-. quaqua: zie kwakwa* (II). quarantaine, geneeswijze bestaande in de toediening van een geneeskrachtige stroop, gekookt uit zekere hout- en wortelsoorten en suiker, gepaard gaande met een streng dieet en opsluiting van de patiënt. Kuhn (zie beneden) veronderstelt, dat de term samenhangt met het element ‘opsluiting’ uit de Europees-Nederlandse betekenis van het woord quarantaine: verplichte afzondering gedurende welke een latent aanwezige besmettelijke ziekte aan het licht kan komen. 1828 (Kuhn 41). Ø /N’/z/4/-. quarantaine-drank, geneeskrachtige drank als genoemd onder quarantaine*. 1855 (Focke 63). Ø /N’-N/z/4/-. quarie, quarij: zie kwarie(-)*, vlechtwerk. 1689 (Hermann fol. 8). Zie ook: warimbo* (3). Ø /K/wp/1/-. quassie, quassi-quassi, rode neusbeer (Nasua nasua vittata). < Sranantongo qu(ou)asi (Fermin 1765:11; Franse spelling), kwassi-kwassi (Schumann 1783:169) < Karaïbisch kwasi (Ahlbrinck 1931:231), kuwasi (Courtz 308). quassie: 1734 (Seba 1:68, kwasje). 1740 (Anonymus 21). - 1769 (Fermin 2:105). Ø /K?S?/d/2/-. quassi-quassi: 1796 (Stedman 399). 1835 (Teenstra 2:405, kwassie kwassie). → (kwaskwasi). Opmerking: Bij Teenstra (1835, 2) is de betekenis van de naam op pp. 411 en 415 onduidelijk. Zie ook: vos*. Ø /(K)S/d/3-6/-. quassie-bitter, Surinaams bitterhout, kwassiehout (Quassia amara). Een heester uit het hout waarvan een bit-

quejou

ter, koortswerend elixer verkregen wordt. Quassie is de naam van de negerslaaf, later vrije, die de werking in 1730 ontdekte (Encyclopedie van Suriname 199). 1788 (Voegen 9:75). - 1855 (Focke 12). Opmerking 1: Vanaf 1910 (Sack 35) kwassibita (< Sranantongo). Opmerking 2: Houttuyn (2, 2:436; 1774) vermeldt, dat in Nederland de naam Quassie-Hout al in 1764 is verschenen in Uitgezogte Verhandelingen (Amsterdam) 9:394, in een uit het Zweeds vertaalde rede over de plant. Ø /N-N/wp/3-4/-. quassiemama, kwassimama, een soort meerval (Hypophthalmus-soort). < Sranantongo kwassimamma (Schumann 1783:96). 1771 (Nepveu 347). 1835 (Teenstra 2:449, kwassi mama). → . Opmerking: De identificatie in de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (450) is onjuist. Ø /S/d/2-6/-. quata, quatta: zie kwatta*. queek(-): zie kweek(-)*. queereman (de), quereman, querman, kweriman, een soort harder (vis, Mugil brasiliensis). < Sranantongo kiweriman (Schumann 1783:83) < Karaïbisch couéréman (Van Panhuys 1903:613) of < Arowaks kiwerime (Focke 1855:68). 1718 (Herlein 199). - 1835 (Teenstra 2:450, kweeriman). → (kweriman). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:41), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: curema*, prasie*. Ø /S?W?/d/16/W./. queil: zie kwijl*. quejou, kwejoe, kleine, schortvormige, van of met kralen vervaardigde schaamlap, oorspronkelijk gedragen door alle indianen, later alleen door de vrouwen. < Sranantongo kwejoe of < Arowaks kiwejoen, Focke 1855:68, of Sranantongo

186

quinquongue

< Karaïbisch kweyu (Ahlbrinck 1931:261). 1771 (Nepveu 285). - 1839-51 (Van der Aa 1993:34). → (kwejoe, in de betekenis van kamisa, < Sranantongo; zie camies*). Opmerking: Bij Hartsinck (1770:10) couyou in Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /S/ic/2-6/-. quinquongue, zeker plantverband van cacaobomen of -struiken, te weten vier als punten van een vierkant en een vijfde in het midden daarvan. Latijn quinque (5). 1765 (Nepveu 59; 1771:186). Ø /Latijn/ pt/2/-. quiqui (de, -s), kwikwi, enige soorten pantsermeerval van de genera Callichthys en Hoplosternum. < Sranantongo quiqui (Fermin 1765:79), kwikwi (Schumann (1783:96). Klanknabootsing; als het dier boven water wordt gehaald, maken de schuivende kieuwplaten soms dit geluid. 1740 (Anonymus 24). - 1855 (Focke 69). →. Ø /S/d/2-6/-. quotto: zie kwatta*.

r raaf I., zwarte raaf, vier zwarte giersoorten van de genera Cathartes en Coragyps. < Europees-Nederlands raaf, een zwarte, kraai-achtige vogel van dezelfde grootte die ook aas en afval eet (Corvus corax). 1765 (Fermin 71, rave). 1798 (Weygandt 38, zwarte raaf). 1844 (Helmig van der Vegt 47, zwarte raaf). Zie ook: stinkvogel*. Ø /N’/d/2-4/-. raaf II.: zie raven*. raafparkiet, naam voor de kleinere ara’s (Ara-soorten), in het bijzonder de dwergara (Ara severa).

redekotte

Qua grootte horen ze tot de grote parkieten, maar door hun gestalte (habitus), vooral hun lange staart, lijken ze op een raaf* (II). 1835 (Teenstra 2:425). → (ook: rafroeprakiki, < Sranantongo). Zie ook: perokiet raven*. Ø /NN/d/4-6/-. rakasirie: zie lakasirie*. raquetten, een soort zuilcactus (Cereus hexagonus). De plant is zuilvormig, tot 10 meter hoog, en doet daardoor aan een nog af te schieten raket (vuurpijl) denken. 1771 (C. Dahlberg nr. 131). Opmerking: Het lijkt mogelijk dat Dahlberg de naam zelf bedacht heeft. Ø /N’/wp/2/-. raven (de, -s), raaf (raven), drie grote ara’s: de blauwgele ara (Ara ararauna), de groenvleugelara (Ara chloroptera) en de rode of geelvleugelara (Ara macao); hun hedendaagse Surinaams-Nederlandse namen zijn tjambaraaf, warauraaf en bokraaf. De enige (zwakke) gelijkenis met de Euro­ pees-Nederlandse raaf (vroeger raven, Corvus corax), een kraai-achtige vogel, is het geluid. De naam lijkt Suriname vanuit Brazilië (Keye 1659:66) bereikt te hebben. Opmerkelijk is evenwel, dat van Mauritius in 1601 de naam Indische raaf genoemd wordt voor een (daar nu inmiddels uitgeroeide) geheel andere soort papegaai (Moree 2001:54 en 260). Raven: 1693 (Reeps 21). - 1771 (Nepveu 334). Raaf: 1775 (Sneebeling 1973:26, 27; ook rode raaf, ‘rode ara’. - 1855 (Focke 69). →. Ook in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:17); bij Hartsinck (1770:109, Westindische raven) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: raafparkiet*. Ø /Braz./d/1-6/B./ O/.W./. redekotte, een (of meer) soort(en) meerval

Redi Moesoe

187

van het genus Arius (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1995:279), verwanten van de christusvis. < Sranantongo redikodokoe (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:197). 1771 (Nepveu 350). Ø /S/d/2/-. Redi Moesoe, bijnaam voor (lid van) een militaire eenheid die bestond van 1772 tot 1862 en achtereenvolgens heette Korps Zwarte Jagers*, Corps Koloniale Guides* en Compagnie Koloniale Guides*. < Sranantongo, betekent ‘roodmuts(en)’ (Focke 1855:109), een woord dat door Teenstra (1842:169) in deze betekenis gebruikt wordt. Bij de oprichting droegen de leden een groene muts, later (wanneer?) een rode. Zie de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:4260, De Beet (1984:137, 239). Ø /S/o/?-4/-. reditere, kielrugslang of geelbuikslang (Chironius carinatus). < Sranantongo reditere (Schumann 1783:158, leditereh); Sranantongo ledi (redi) (ook, verouderd) ‘geel’ (Schumann 1783:144), Sranantongo tere ‘staart’. nb: de buik is geel tot oranje. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:134, ledi-tere). →. Ø /S/d/4-6/-. ree (-ën), grauw spieshert (Mazama gouazoubira nemorivaga), heden in Surinaams-Nederlands klein boshert genoemd. < Europees-Nederlands ree, een andere kleine hertensoort in Europa (Capreolus capreolus). 1718 (Herlein 170). - 1855 (Focke 22). Oudste vindplaats 1596 (Van Linschoten III; 1934:235 e.a.) voor diverse plaatsen in Zuid-Amerika. Ook Brazilië (Keye 1659:65), Oostelijk Guyana (De Myst 1677:36, ree-bocken) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:77). Zie ook: boschgeit*, kabriet*. Ø /X/d/14/B./O./W./.

riet

regentijd: grote en kleine regentijd, twee regenseizoenen, een lang van ongeveer eind april tot half augustus, en een kort van begin december tot begin februari. Beide: 1718 (Herlein 23, 24). - 1866 (Van Schaick 40). →. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:289), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N+N’)?W?/m/1-6/W./-. regenworm, guineaworm of medinaworm (Dracunculus medinensis), een draadworm die de draadwormziekte in de huid van mensen veroorzaakt. Herkomst onbekend. Europees-Nederlands regenworm (ook aardworm of pier) is een geheel andere soort worm die in de grond leeft. 1771 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 341). Zie ook: boasieworm*. Ø /N-N/d/2/-. revideren, ter plaatse inspecteren van een plantage* door de administrateur*. < Europees-Nederlands revideren, betekent controleren, in het bijzonder of schriftelijk vastgelegde voorschriften, afspraken en dergelijke worden nagekomen. 1855-1863 (Bartelink 1916:13, 70). Ø /N’/p/4-5/-. riet, afkorting voor suikerriet (Saccharum officinarum). Van oudsher in het Nederlands buiten Europa de gebruikelijk naam voor dit gewas op de plaatsen waar het verbouwd werd en wordt. Zie wnt 13:137-138. Oudste vondst in Suriname 1670 (Schiltkamp & De Smidt 58). In Europees-Nederlands de naam voor de moerasplant Phragmites australis. Zie ook: kaan*, creole-riet*. Opmerking: Pistorius (1763:42) geeft rieten voor suikerrietstengels. Oudste vindplaats voor Zuid-Amerika Ruiters (1623; 1913:37). Ook in Brazilië (Keye 1659:105) en Westelijk Guyana (Van

rietbak

188

Berkel 1695:91); ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië. Ø /N/cp/16/B./W./. - : othahijtasche riet, een cultuurvorm van suikerriet die kort voor 1800 via Jamaica in Suriname geïntroduceerd werd en tot 1870 in gebruik bleef (Oostindie 1989:461). < Engels Otaheite-cane (oed 10:979), uit Engels Otaheite, ‘Tahiti’. 1801 (Oostindie 1989:31). - 1870 (zie boven). Opmerking: Oostindie (1986:30-31) veronderstelt, dat deze vorm ook bedoeld werd met de in Suriname opduikende namen Bourbons, Moluks en Ostendiesch riet. Ø /E/cp/3-4/-. rietbak, als rietpont*: zie aldaar In verouderd Europees-Nederlands kon bak ‘veerpont’ betekenen (wnt 2, 1:871). 1861 (wnt 13:146). Ø /N-N’/pt/4/-. rietbed, bed* als onderdeel van een suikerplantage. rietgat, plantgat voor suikerriet, in dit geval van een tophalm (riettop*). 1851 (wnt 13:146). Ø /N-N/pt/4/-. rietgrond: zie grond* (I, 2). riethertebeest, rood spieshert (Mazama americana). Het dier houdt zich vaak op in suikerriet­ velden (zie riet*), vandaar de latere Surinaams-Nederlandse naam plantage­ hert; heden in Surinaams-Nederlands groot boshert. 1835 (Teenstra 2:407). Ø /N-N/d/4/-. rietkappen, suikerriet (riet*) oogsten door het te kappen met een lang kapmes (houwer*). 1740 (Anonymus 79). - 1835 (Teenstra 1:188). →. Ø /N-N/pt/2-6/-. rietkapper, negerslaaf die als taak heeft riet* te kappen. 1835 (Teenstra 1:187). → (later een beroep). Ø /N-N/pp/4-6/-. rietland (-en), het met suikerriet (riet*) beplante deel van een suikerplantage.

riettrassen

1693 (Reeps 20). 1771 (Nepveu 141). Zie ook: kaangrond* en rietgrond*, suikerland* en suikergrond*. Ø /N-N/ pt/1-2/-. rietpont, pont* voor het vervoer van geoogst suikerriet (riet*). 1804 (Eensgezindheid 128). - 1855-1863 (Bartelink 1916:50). Zie ook: kaanpont*, rietbak*. Ø /N(N’?W?)/pt/3-5/-. rietsteker, negerslaaf aan een suikermolen met staande rollers* die verse suikerrietstengels (riet*) tussen een zijdroller* en de koningsroller* stak om ze voor de eerste maal te doen uitpersen. 1804 (Eensgezindheid 125; er staat rietstoker, maar dat is een drukfout). 1835 (Teenstra 1:88). Zie ook: rietstopper*, trasdraaier*. Ø /N-N/pp/3-4/-. rietstok (-ken), suikerrietstengel. 1786 (Blom 41). Zie ook: keenstok*, stok*, riet* (opmerking). Ø /N-N’/pt/3-. rietstopper, als rietsteker*, ook indien aan een suikermolen met liggende rollers*, waar de rietstengels vanaf een schuifbank* in hun volle lengte tussen geschoven werden. 1829 (Van Stipriaan 1993:176). 1835 (Teenstra 1:221). Ø /N-N/pp/4/-. rietstuk: zie stuk*. riettop (-pen), bovenste deel van een suikerriethalm met bloeiaar, in het bijzonder indien gebruikt als stek (plantgoed). Europees-Nederlands top, dat is het bovenste deel van een gewas in het algemeen (zie top*) en riet*; zie ook (keen)pijl* en pijlzetting*. 1853 (Algemeen Nieuws en Advertentie­ blad nr. 47). 1871 (De Surinaamsche Courant nr.12). Ø /N-N’/pt/4/-. riettrassen, te velde staand suikerriet (riet*) ontdoen van de onderste en verdorde

rietveld

189

bladeren en van andere delen die niet in de suikermolen uitgeperst moeten worden; ze worden ter plaatse als tras*(2) achtergelaten. Zie trassen*, trasbranden*. 1786 (Blom 46). 1802 (Blom 109). Ø /N-E/ pt/4/-. rietveld, blok (veld*, stuk*) suikerriet (riet*). 1763 (Pistorius 45).→. Oudste vindplaats 1635 (De Laet 1644:447) voor Brazilië, ook bij Keye (1659:101). Ø /N-N’/pt/2-6/B./. rijksdaalder: zekere munt; zie onder gulden*. rijstgrond, aanplant van rijst op droge grond, voor inlands gebruik. Tussen 1841 en 1846 (Van der Aa 1993:69, 103). Ø /N-E/r/3/-. rio, rivier (alleen bij eigennamen). < Spaans en Portugees rio, of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1688 Rio Suriname, Rio Cottica (F. de Wit in Koeman 1973, kaart 10). - 1804, rio Saramacca (De Surinaamse Courant, nr. 33). Ook in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:2, Rio de Berbice; e.a.). Ø /Port.?Sp.?/ m/1-3/W./. rits (-en), zand- of schelprug als verhoging in een vlak landschap. < Engels ridge. 1745 (Van Stipriaan 1993:442). - 1839-51 (Van der Aa 1993:18). 1900 (Penard 1:4). →. Zie ook: schulpenrits* en zandrits*. Ø /E/m/2-6/-. ritsachtig, met ritsen*. 1784 (Heneman).- 1849 (Van Sypesteyn). Ø /E/m/3-4/-. rivier (de, -en), (ook:) gebied, in het bijzonder gecultiveerd, langs (een) rivier(en). Het woord kwam in Nederland tot en met de 17e eeuw onder meer voor in de betekenis van ‘oeverstreek’ langs stromend water (wnt 13:615). Het voorkomen in

rocoe

deze betekenis loopt in Suriname van 1667 tot en met minstens 1855 door, echter alleen in plaatsbepalende zin: in of van de rivier(en). Zie ook in de kreek* of kreken.­ Verder kan het volgende onderscheid gemaakt worden: 1. Er wordt (worden) achter (de) rivier(en) niet de betreffende eigennaam (-namen) toegevoegd: 1672 (Schiltkamp & De Smidt 71, “... dat den laetsten kooper van de [indiaanse] slaeff die deselve opbrenght in dese riviere [in dit geval de Surinamerivier] sal kooper wesen ...”). - 1774 (Oostindie 1989:495). 2. Wel met na(a)m(en) erachter: 1684 (Schiltkamp & De Smidt 151, “... alle planters ende ingesetenen van de rivieren Suriname, Commewine en resorten ...”). 1855-1863 (Bartelink 1916). Opmerking: Soms wordt zelfs het woord rivier weggelaten, bijvoorbeeld door Nepveu (1771:293, ‘in de Corantijn’); zo ook Hartsinck in Westelijk Guyana (1770:424, “in de Canje”). 3. de rivieren voor het totale gekoloniseerde gebied langs de gezamenlijke rivieren: 1737 (Schiltkamp & De Smidt 450). - 1828 (Kuhn 38), bijvoorbeeld “De Chirurgijns in de rivieren (wij zouden in Europa zeggen: ten platte lande) ...” 4. In de vaste combinaties rivieren en districten (1669, Schiltkamp en De Smidt 71 - 1811, Schiltkamp en De Smidt 1294) en Rivieren en Divisien (Voegen 1786a; 1981:5), waarmee in beide gevallen bedoeld wordt ‘het hele land’. Zie district* (1) en divisie*. rivierpont, pont* voor gebruik op rivieren. 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 6 en 61). Ø /N-(N’?W?)/pt/4/-. rocoe, roucou, 1. anattoboom (Bixa orellana); 2. anatto, bixine of orleaan, de rode kleurstof uit de vruchten van deze. Tropisch Amerikaans element, sub 3.

roeineger

190

1: 1689 (Hermann fol. 12, rucu). - 1854 (Van Sypesteyn 214) - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 140; roekoe). Oudste vindplaats 1630 (De Laet 539). Ook in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:58), in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:293). Zie ook: achiote*. Ø /Am/cwp/1-5/ O./W./. 2: 1707 (Nassy 1791, tabel). - 1771 (Nepveu 153). 1884 (De Surinaamsche Courant nr. 36). Bij Houttuyn (2, 3:9; 1774) voor Westelijk Guyana. Zie ook: koesoewe*. Ø /Am/cwp/1-5/W./. roeineger, negerslaaf (neger*) als roeier op een (tent)boot*. 1685 (Van der Linde 1966:96). - 1866 (Van Schaick). Ook in Westelijk Guyana (1763; Hartsinck 1770:507), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N-Am)?W?/r/1-4/W./. roller (de, -s), rolder (-s), rol (-len), 1. een van de drie staande, later (ook) liggende walsen, die in een suikermolen het sap uit het riet* persen; 2. in een (koffie) breekmolen* een van de twee liggende cilinders, die, gedrukt tegen de holle brug* (2), de buitenste schil (rode bast*) van de koffiebessen breken (kneuzen); 3. in een katoenmolen* (b) een van de twee liggende cilinders tussen welke het pluis en de zaden van elkaar gescheiden worden. < Engels rol(ler) (Ligon 1657;1673:56). 1: 1693 (Reeps 20). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 145). Bij Hartsinck (1770:74) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: koning(sroller)*, middelroller*, suikerrolder*, trasroller* en zijdroller*, stoel*. Ø /E?W?/pt/1-4/W./. 2: 1771 (Nepveu 180). 1774 (Van Stipriaan 1993:156). Ø /E/pt/2/-.

roodhond

3: 1835 (Teenstra 1:292). Ø /E/pt/4/-. rood kan allerlei tinten van rood betekenen, ook roze en roodbruin, vooral als het de kleur van een houtsoort betreft. Zie, behalve het onderstaande: bast*, ceder*, cabbes* (I), inkt*, katoen* (1), koffie*, krapa*, lelie*, locus*, mangro*, Marowijnesteen*, panta*, raven*, tijger*, zuring*. Zie ook: wit*, zwart*; hof*. - : rode hond: zie roodhond*. - : rode meid: zie meid*. - : rode neger: zie neger*. - : rode slaaf (rode slavin), indiaanse slaaf (slavin). Ter onderscheiding van de zwarte negerslaven. 1689 (Schiltkamp & De Smidt 185). - 1777 (Schiltkamp & De Smidt 904). Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:409), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N+N)?W?/bc/1-3./. roodborst (-je, -s), soldatenspreeuw (Leistes militaris). Het mannetje heeft een rode borst. Overigens is er geen opmerkelijke overeenkomst met het Europees-Nederlandse roodborst (dat een oranje borst heeft). Wellicht is het een neologisme. 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 109). →. Ø /N-N/d/2-6/-. roodhond, roode hond, warmtepuistjes (roseola), dat zijn bij blanken lichte ontstekingen aan de uiteinden der zweetklieren. De ‘puistjes’ zijn rood. Het woord werd en wordt overal in de tropen door Nederlanders in deze betekenis gebruikt. Ook in Brazilië (Piso 1648:37, roothont), ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië. < Europees-Nederlands rode hond, eertijds de aanduiding voor verscheidene, toen nog slecht onderscheiden ziektes die rode vlekken veroorzaken. 1740 (Anonymus 20). - 1855 (Focke 74). → (rode hond). Opmerking: Bij Stedman (1796:56) root-

191

roodmutsen

vont, een verbastering (wnt 13:1206). Ø /N’/z/2-6/B./. roodmutsen: zie Redi Moesoe*. rooimeester der malassievaten (en dramvaten), ambtenaar die vaten op de juiste inhoud controleert en van een keurmerk voorziet. In verouderd Europees-Nederlands werd rooimeester alleen gebruikt met betrekking tot rooien, dat is het ‘meten’ en ‘berekenen’ van rooilijnen. 1714 (Schiltkamp & De Smidt 299, roymeester). - 1828 (Bosch, 129). Ø /N’/ bs/1-4/-. rootvont: zie roodhond*. rot: zie beursrot*, waterrot* en zakrot*. rotgans, bruine pelikaan (Pelecanus occidentalis). Vergelijk Europees-Nederlands rotgans, de klanknabootsende naam voor een in Nederland doortrekkende ganzensoort. Zie ook: lepelbek* (2). 1770 (Hartsinck 113) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /X/d/2/W./. rotinissade, zekere niet nader te identificeren wilde boomsoort uit de familie Melastomataceae. Houttuyn (1772, 2 (2): 448) meldt, dat volgens Plukenet de boom zo genoemd wordt door ‘die van Suriname’. Ø /X/wp/2/-. roucou: zie rocou*. rucu: zie roucou*

s zie ook z sabakkaar, sapakara (-’s), een soort reuzenteju, een grote hagedis, reptiel, Tupinambis teguixin. < Sranantongo sapagar (Fermin 1765:31), sapakarra (Teenstra 1835, 2:224). Het lijkt

sagopalm

mogelijk, dat dit Sranantongo-woord komt van sauvegard*. 1763 (Pistorius 86, sabegaal). 1783 (Roos 41, sabakkar). 1835 (Teenstra 2:224, sapagara; ibid. 438, sapakara). → (sapakara). Zie ook: salamander*. Ø /S/d/2-6/-. sabakoe, soorten reiger, in het bijzonder enige kleinere. < Sranantongo sabakoe (Focke 1855:111) < Karaïbisch sawaku (Ahlbrinck 1931:428). 1796 (Stedman 177, sabacoo, Engelse spelling). - 1855-1863 (Bartelink 1916:34). →. Zie ook: sawakoe*. Ø /(K)S/d/3-6/-. - : blauwe sabakoe, kleine blauwe reiger (Egretta coerulea). 1835 (Teenstra 2:431). →. Ø /N+S/d/4-6/-. - : witte sabakoe, Amerikaanse kleine zilverreiger (Egretta thula). Het dier is wit. 1835 (Teenstra 2:431). →. Ø /N+S/d/4-6/-. sabinapesie, peulendragende heester van onbekende herkomst (Caesalpinia pulcherrima), thans in Sranantongo en Surinaams-Nederlands krerekrere. Zie pesie*. De plant levert een abortivum, evenals de Europees-Nederlandse sevenboom, een naaldboom in Europa, eertijds wetenschappelijk Sabina officinalis, heden Juniperus sabina. Zie ook: sevenboom*. 1835 (Teenstra 2:278). Opmerking: In de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (194) sabinabloem. Ø /Latijn- (E?S?)/cp/4(-6)/-. sagopalm, naam voor twee voor de sier ingevoerde planten (Cycas revoluta en Cycas circinata). Ze lijken op een palm en leveren een stof die op sago lijkt, als van de echte Europees-Nederlandse sagopalmen (Metroxylon-soorten). 1821 (Von Sack 2:6; Sagopalme, Duits gespeld). 1835 (Teenstra 1:414). →. Ø /N’/

sagovin

192

cp/3-6/-. sagovin, sagouin e.a., roodhandtamarin, een klauwaapje (Saguinus midas). Tropisch Amerikaans element, sub 3. 1718 (Herlein 173, sagovin). 1740 (Anonymus 21, sagrewyntje). 1763 (Pistorius 61, sagevin). - 1770 (Hartsinck 96, sagouin). - 1855 (Focke 112, sagwijntje). → (sagoewijntje, sagoewintje). Oudste vindplaats Van Linschoten (1596; 1934:134, sagovin), maar voor een ander aapje. Ook in Oostelijk Guyana (David de Vries 1655: 198, sagewijntje). Opmerking 1: Bij Penard (1900 1:16, 35) sagoewinki. Opmerking 2: Stedman (1796:229) zegt, dat het dier door Nederlanders in Suriname shagrintee genoemd wordt ‘being chagrined at the smallest trifle’. Von Sack (1821, 1:208), een Duitser, vermeldt dat ook: chagrintee. Ø /Am/d/1-6/O./. saidbord: zie sideboard*. saka, rammelaar van een uitgeholde calabas* (I, 1), gebruikt als ritme-instrument; sambabal. < Sranantongo saka (Focke 1855:113). Sranantongo saka ‘schudden’. 1845-1849 (Boekhoudt 1874:98). Focke 1858b:94. →. Opmerking: Heden ook genaamd sekseki (< Sranantongo). Zie ook: maraka*, sakasaka* (I). Ø /S/ sc/4-5/-. sakasaka I., als saka*. < Sranantongo sakasaka (Stedman 1796:377). 1827 (Lammens 1999:139). 1835 (Teenstra 2:191). Ø /S/sc/4/-. sakasaka II.: “Te droog gemalen riet*, waarvan men de fijne tras* sakka sakka heet ...” (Teenstra, zie beneden). Sranantongo sakasaka (Schumann 1783:148), betekent ruimer: verkruimeld en anderszins licht afval. Betekent heden

salie

droesem. 1835 (Teenstra 1:215). Ø /S/pt/4/-. salamander (de), een soort reuzenteju, een grote hagedis, reptiel, Tupinambis teguixin. Europees-Nederlands salamander is de naam voor een groep qua vorm op de Surinaams-Nederlandse salamander gelijkende amfibieën. Het dier heet(te) in Guyana (Westelijk Guyana) salempenta (Dalton 1855, 2:363) of salampanta lizard (Fanshawe 1949:69). Grzimek (1975, 6:323) geeft voor een verwante soort in het midden van Zuid-Amerika salompenter. Waarschijnlijk moet bij deze (en dergelijke) woorden de basis gezocht worden voor een volksetymologische vervorming tot salamander. 1718 (Herlein 182, Indiaansche salamander). 1796 (Stedman 232). Bij Hartsinck (1770:99) wellicht voor Westelijk Guyana en afkomstig van daar. Zie ook: sabakkaar*, sauvegarde*. Ø /X/d/1-3/W./. salempoeris, salemporis, naam voor een stof uit het toenmalige Brits-Indië, eertijds wijd verbreid in gebruik onder meer in Engelse en Nederlandse koloniën. Zie oed 14:390, wnt, Aanvang 3:5630. Echter, Teenstra (1835, 1:156) vermeldt voor Suriname: “Bij ziekte bezigen zij [bijgelovige ‘kleurlingen’] een stuk salempoeris (Haarlems bont) .... en binden het om de enkels, als een afleidingsmiddel der ziekte.” Ibid. (1:160): “Ik meen, dat dit blaauwe lijnwaad, ..., salempoeris heet, en uitsluitend voor deze kolonie te Haarlem­vervaardigd wordt.” wnt (3, 1:372): “Haarlemmer bont”. 1718 (Herlein 243). - 1871 (De Surinaamsche Courant Nr. 20). 1881 (Kappler 1883:195). Ø /X/sc/1-5/-. salie, enige boomsoorten van het genus Tetragastris en daaraan verwante, en hun als timmerhout bruikbare hout.

salpoenet

193

Herkomst onbekend. Oudste vindplaats in Sranantongo in de Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels (1980:176). 1755 (Schiltkamp & De Smidt 625) - 1855 (Van Sypesteyn 182). →. Ø /X/wp/2-6/-. salpoenet, blauwe, zijde-achtige stof (McLeod 1993:124). Herkomst van het woord onbekend. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). Ø /X/bc/2/-. sambo. Stedman (1796:53) gebruikt samboe (Engels) voor een persoon die in Suriname cabouger* (1) genoemd werd. In de Nederlandse vertaling van zijn boek (1799, II p. 88) is dat woord overgenomen. Later gebruik in deze betekenis in Nederlandse literatuur is alleen historiserend. Niet te verwarren met Europees-Nederlands zambo (wnt 27:799) in de betekenis van cabouger* (2) sameje, “een [inheems] boomtie draegent welruijkende geele bloemties” (Van Aerssen van Sommelsdijck 1686 nr. 1). Meer gegevens ontbreken. Ø /X/wp/1/-. sansan, sterk gezouten, overlangs gesneden repen van vissen voor consumptie, in vaten ingevoerd uit Engels Noord-Amerika. < Sranantongo. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 149). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 618, daar ten onrechte alleen als Sranantongo aangemerkt). Zie ook Hijlaard 1978:65). Zie ook: slivers*. Ø /S/bc/4-5/-. sapagara: zie sabakkaar*. saprapi, soorten mesvis, in het bijzonder Sternopygus macrurus, ook wel Eigenmannia-soorten. < Sranantongo saprapi (Focke 1855:114) < Karaïbisch asaparapi (Courtz 243). 1835 (Teenstra 2:446). →. Ø /(K)S/d/4-6/-. Sarakrekers, aan de Sarakreek gevestigde Aukaners*. 1850 (Van der Aa 1993:35, 166). Ø /X-

satijnhout

N’/r/4/-. Saramakaansch (bn.), van of behorende bij Saramakaners*. 1816 (Lammens 1982:183). →. Ø /Saramakaans/r/3-6/-. Saramakaner (-s), boschneger* van de stam der Saramakaners, voornamelijk gevestigd aan de Boven-Suriname. De Surinaams-Nederlandse naam is ontleend aan de naam die deze mensen zelf, in hun taal (het Saramakaans), gaven (en geven) aan de bovenloop van de Surinamerivier: Saamaka of Gaan (‘grote’) Saamaka. 1770 (Hartsinck 801, Saramakaanders). 1854 (Van Sypesteyn 159). →. Ø /Saramakaans/r/2-6/-. sarasara, garnaal. < Sranantongo sarasara (Weygandt 1798:40). 1796 (Stedman 212). - 1840 (Winkels I:24). 1881 (Kappler 1883:250, sarre sarre). → (sarasara). Ø /S/d/3-6/-. sardien, sardijn(tje), soort vis (Pellonia flavipinnis). < Europees-Nederlands sardien, het visje Sardina pilchardus; er is enige verwantschap en gelijkenis. 1693 (Reeps 21, sardin). 1835 (Teenstra 2:450). →. Zie ook: haring*. Ø /N’/d/1-6/-. sarre sarre, 1: zie sarasara*. 2: Blom (1787:239) gebruikt deze naam voor een waterplant en bedoelt daarmee vermoedelijk wat nu sarasarawiwiri (< Sranantongo, Cabomba-soorten) genoemd wordt. satijnhout, in het bijzonder het hout van een (nu) gelijknamige boomsoort (Brosimum rubescens). Door politoeren krijgt het geelachtig roodbruine hout een fraaie glans, als van satijn. Europees-Nederlands satijnhout is de naam voor meerdere niet gespecificeerde houtsoorten met dezelfde eigenschap.

sauvegard

194

1858 (Van Sypesteyn 184). 1866 (Van Schaick 276). →. Ø /N’/wp/4-6/-. sauvegard (-en), een reuzenteju, een hagedis, reptiel, Tupinambis teguixin. In Europees-Nederlands de naam voor enige hagedisachtigen; < Frans sauvegarde, ‘bescherming’, in de 17e eeuw zo ook gebruikt in Nederland (van Sterkenburg 1977). Opmerkelijk is in dit verband een verhaal van Dobru (1968:32), waarin zekere vrij rondlopende sapakara* beschouwd wordt als de talisman van een (hedendaags) erf (zie erf*) in Paramaribo. 1705 (Merian 4, 70). 1765 (Fermin 31). Zie ook: sabakkaar*, salamander*. Ø /N’/d/1-2/-. savane, savaane (de, -n, -s), 1. heel of half natuurlijk, ongecultiveerd gebied met een voornamelijk lage, open vegetatie, altijd droog; 2. (stuk) laagland met een open, hoge kruidenvegetatie dat in de regentijd* onder water staat; in de droge tijd* is de bodem hoogstens nat; een tegenwoordige naam is zwampsavanne; 3. als 1, beweid, of kunstmatige veeweide, of cultuurgrasland; 4. open land, ontstaan waar bouwland verlaten is. Tropisch Amerikaans element, sub 2. 1: 1693 (Reeps 19, savana). 1718 (Herlein 12, zavanen; 204, savanes, meervoud). 1858 (Copijn 6). → (savanne). Ook in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:13) en in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:39). Zie ook: de savane* (2), zandsavanne*. Ø /Am/m/1-6/O./W./. 2: 1749 (De Beet & Price 1982:44). 1796 (Brouwn 53, 54). → (savanne). Ook in Oostelijk Guyana (Hartsinck 1770:180) en in Westelijk Guyana (Groen 1793:14). Zie ook: biribiriesavane*. Ø /Am/m/26/O./W./.

savanehond

3: 1740 (Anonymus 111). - 1835 (Teenstra 2:356). Zie ook: de savane* (1), savane kappen*. Ø /Am/r/2-4/-. 4: 1783, 1827 (Oostindie 189:28, 25). Ø /Am/m/3-4/-. - : de savane, de Savane, 1. het publieke, open gebied rondom Paramaribo, in beheer bij de overheid, grotendeels in gebruik als ‘gemene weide’, ook als begraafplaats voor onvermogenden (soldaten, matrozen en vrije negers*); 2. kort als eigennaam voor zeker gebied met savanen* (1) aan de Surinamerivier en het aldaar gelegen joodse dorp, volledig genaamd Joden Savane. 1: 1718 (Herlein 47). - 1832 (Teenstra 1842:224). Zie ook: savane* (1 en 3). Ø /Am/r/1-4/-. 2: 1711 (Schiltkamp & De Smidt 280). 1804 (Roos 79). Ø /Am/r/1-3/-. savaneboontjes: wilde savaneboontjes, niet geïdentificeerde peulen of zaden en vermoedelijk ook de plant waaraan deze groeien. 1740 (Anonymus 18). Ø /N+(Am-N)/ wp/2/-. savanegras, grassen en grasachtige planten, waaronder biezen, op savanen* (1, 2 en 3). 1762 (Oostindie 1989:33). - 1835 (Teenstra 1:282). → (1 en 2, savannegras). Ø /Am-N/wp/2-6/-. savanehert, savanehertebeest, witstaarthert (Odocoileus virginianus cariacou). Een dier van open landschappen; zie savane* (1). 1770 (Hartsinck 93, savaanhart). - 1835 (Teenstra 2:407). → (savannehert). Zie ook: awojo*, strandhert* Ø /AmN/d/2-6/-. savanehond, savannevos, een inheems hondachtig roofdier (Cerdocyon thous) van open terreinen (savane*, 1). 1783 (Schumann 90, Duits Sawanne-

savanekers

195

Hund, als verduitsing van SurinaamsNederlands). →. Opmerking: Bij Penard (1900, 11:68) een naam voor de krabbenhond*. Zie ook: vos*. Ø /Am-N/d/3-6/-. savanekers (-en), vrucht van een struikje (Eugenia punicifolia). De soort komt voor op savanen* (1) en is verwant aan de kersenboom* (1); de vrucht lijkt op een Surinaams-Nederlandse kers* (1). 1835 (Teenstra 1:419). → (savannekers). Ø /Am-N/wp/4-6/-. savaneschout (de), opzichter over de savane* (1), veldwachter. 1754 (Schiltkamp & De Smidt 614). - 1820 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 576). Zie ook: bastiaan* (2). Ø /Am-N/bs/2-3/-. savanne(-): zie (ook) savane(-)*. sawakoe (-s), enige soorten reiger, in het bijzonder kleinere. < Karaïbisch savakoe (Penard & Penard 1908:159), sawaku (Ahlbrinck 1931:428). 1740 (Anonymus 22). Zie ook: sabakoe*. Ø /K/d/2/-. sawari, een boomsoort (Caryocar nuciferum) en de noot (souarinoot) van deze. < Karaïbisch sawari (Ahlbrinck 1931:428), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1770 (Hartsinck 74, sawariboom) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. 1855 (Focke 91, sawarinoot). →. Zie ook: bokkennoot*. Ø /K?W?/wp/2, 4-6/W./. schaftlijst, lijst die vermeldt welke vaste maaltijden op achtereenvolgende dagen opgediend worden. Algemeen Nederlands verouderd schaffen, schaften, kan betekenen met betrekking tot voedsel en drank ‘opdissen’ (wnt 14:210212).

scheepspont

Vermoedelijk kort voor 1793 (H. Spalburg 2008:180), met betrekking tot het weekmenu in ‘’s Lands gasthuys’, oftewel ‘ziekenhuis’. Ø /N-N/bc/3/-. schapenluiaard, tweetenige luiaard (Choloepus didactylus). De vacht is dik en ruig als van een schaap, aldus de verklaring van Stedman (1796:87); het vlees smaakt naar schapenvlees ‘zegt men’ (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 204). 1821 (Von Sack 130; Duitse vertaling: Schaaf-Faulthier) - 1903 (Van Coll 518). → (skapoeloiri < Sranantongo). Zie ook: zonluiaard*. Ø /N-N/d/3-5/-. schapenpen, schapenstal. Zie pen*. 1786 (Blom 110). Ø /N-E/pt/3/-. scharensliep, scharenslijper (-s), zingcicade (Tibicen-soorten), heden Surinaams-Nederlands siksijoeroe (< Sranantongo). Het geluid klinkt alsof een schaar of een mes geslepen wordt op een ronddraaiende slijpsteen, zoals een Europees-Nederlandse scharensliep dat doet. 1740 (Anonymus 26). - 1881 (Kappler 1883:95). Ø /N’/d/2-5/-. scheepskaas, zekere soort kaas, niet nader gespecificeerd. Wellicht hadden Nederlandse schepen zulke kazen aan boord. 1798 (Weygandt 30). Ø /N-N/bc/3/-. scheepspont, pont* voor het vervoer van plantageproducten naar in lading liggende schepen op de rede; lichter. 1801 (Schiltkamp & De Smidt 1208). 1809 (Schiltkamp & De Smidt 1276). Opmerking 1: Een later, min of meer synoniem woord, is matrozenpont*. Opmerking 2: Ouder is het voorkomen van scheepspontje: 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:36) - 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 21). Wat dat was en waar dat voor dient, is niet duidelijk.

schelling

196

Ø /N-(N’?W?)/pt/3/-. schelling, Surinaamse munt met een in de loop van de tijd variabele, niet te achterhalen waarde. Volgens Teenstra (1832;1842:221) en Focke (1855:127) in hun tijd 8 cent, voordien ‘15 stuivers* oud Surinaamsch geld*’. In 1917 nog in gebruik (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 488). < Europees-Nederlands schelling, naam voor diverse munten. 1737 (Inventaris Archief Raad van Politie 791 fol. 45). - 1855 (zie boven). 1917 (zie boven). Opmerking: Er is sprake van Deense schellingen (1799, Schiltkamp & De Smidt 1200), ingevoerd in 1768 en 1769 (Nassy 1791, 2:36) en van Spaanse schellingen (1740, Schiltkamp & De Smidt 468). Ø /N’/bs/1?2-5/-. schellingskaart, schellingkaart (-en), kaart* (II) met de waarde van een zeker aantal schellingen*; bijvoorbeeld: “vier schellingskaarten” (1778, Schiltkamp & De Smidt 1362). 1778 (Schiltkamp & De Smidt 1362). 1804 (Schiltkamp & De Smidt 1377). Ø /N-N’/bs/3-4/-. schelprits: zie schulp(en)rits*. schelvisch, 1. een ombervis van de rivieren (Plagoscion surinamensis) en enige verwanten van deze, heden Surinaams-Nederlands koebie*; 2. een zeevis (Cynoscion acoupa), die heden in het algemeen banban (< Sranantongo) genoemd wordt. Er is enige gelijkenis met de EuropeesNederlandse schelvisch (Melanogrammus aeglifinus), een zeevis. 1: 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 59). Ø /N’/d/2-4/-. 2: 1771 (Nepveu 346). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 359). →. Ø /N’/d/2-5/-. Opmerking: Van de oudste vindplaats

schildpad

voor Suriname (Reeps 1693:21) kan niet vastgesteld worden of het betekenis 1 of 2 betreft, zo ook bij Helmig van der Vegt (1844:52), die als Sranantongo-naam geeft skilfisi. De betekenis van het woord in Brazilië (Keye 1659:71) is geheel onzeker. schepper (-s), schoep van een scheprad*. In Europees-Nederlands is een gelijkende betekenis van schepper ‘roeispaan’. 1693 (Reeps 19) - 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 55). Zie ook: lepel*. Ø /N’/pt/1-4/-. scheprad, door stromend of vallend water aangedreven rad van een Europees-Nederlands waterwerk en Surinaams-Nederlands waterwerk*. < Europees-Nederlands scheprad. In Europees-Nederlands alleen gebruikt voor een schoepenrad, dat is het rad van een watermolen die water opvoert (wnt 14:465). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:183). - 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 66). Zie ook: lepel*, schepper*. Ø /N’/pt/2-4/-. schijtnoot, purgeernoot, een heester (Jatropha curcas), en de vrucht van deze. Uit de zaden wordt een purgeermiddel bereid. Mogelijk is het woord afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1740 (Anonymus 19). - 1835 (Teenstra 1:389). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 391). Opmerking: In Belgisch-Nederlands schijtnoten, 1896, voor ‘kruisbladwolfsmelk’, Euphorbia lathyrus (Heukels 1907:99). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:73). Ø /(N-N)?W?/cwp/2-5/W./. schildpad: groene schildpad, soepschildpad, een zeeschildpad (Chelonia mydas). Genoemd naar de kleur van het schild, dat groener is dan dat van andere schildpadden (Hartsinck (1770:117) of naar de kleur van het vet (Vermeulen 1961:180). Vergelijk

schildpadhout

197

ook Engels green turtle. 1770 (Hartsinck 117). →. Zie ook: calapé*. Ø /(N-N)?E?/d/2-6/-. schildpadhout, schildpad, soort boom (Zygia racemosa) en zijn hout, heden genaamd gevlamde bostamarinde. Herkomst van de naam (nog) niet bekend. 1835 (Teenstra 1:337, schildpad). 1872 (Anonymus 27). Ø /X/wp/4/-. schildpadtijger: zie tijger* (1). schildvarken, schildpadverken (het, -s), gordeldier (in Suriname vijf soorten, uit de familie Dasypodidae). De dieren lijken qua postuur op een varkentje en hebben een rugpantser van schilden. 1740 (Anonymus 21). - 1855 (Focke 55). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 754). Eerder in Brazilië (Marcgrave 1648:231), bij Hartsinck (1770:91) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: capasie*, tatoe*. Opmerking: Mogelijk indertijd al doordringend tot Europees-Nederlands, maar dan waarschijnlijk uit Suriname afkomstig. Zie Houttuyn 1761 (1, 2:277): schildvarkentje; Van Dale 1872. Ø /Braz./d/25/B./W./. schoolhelper, helper*, in het bijzonder ten behoeve van het onderwijs op een school van de Evangelische Broedergemeente. 1868 (Gobardhan 2002:174). Zie ook: nationaalhelper*. Ø /N-Dui./ bc/4-?/-. schop: voor het opscheppen van verschillende zaken worden daartoe verschillend gevormde schoppen onderscheiden: koffyschop, koornschop (zie koorn*, 2), modderschop (De Surinaamsche Courant 1806 nr. 27). schotelvisch, een soort schijfzalm (Myleus rhomboidalis), heden in SurinaamsNederlands koemaroe (< Sranantongo <

schuifbank

Karaïbisch). Het dier is nagenoeg cirkelrond. 1770 (Hartsinck 123). Ø /N’-N/d/2/-. schotje (-s), schots, dat is een vertegenwoordiger van een handelsonderneming (commies) op een koopvaardijschip. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 55). 1674 (Schiltkamp & De Smidt 74). Ø /N’/bc/1/-. schrapen, slijpen. < Engels to scrape. Vergelijk EuropeesNederlands scharpen, scherpen. 1761 (Schiltkamp & De Smidt 719, in dit geval van een degen). Ø /E/r/2/-. schrijver, boekhouder op een plantage*, of blankofficier* als ook de boekhouding tot diens taak behoort. 1740 (Anonymus 61). - 1855 (Focke 119). Ø /N’/pp/2-4/-. schrobben (intransitief werkwoord), koffie­ bessen van de rode schil (bast*) ontdoen door ze met een steen over een stenen vloer te wrijven. De beweging lijkt op die bij het schrobben van een oppervlakte met een borstel. 1788 (Roos 39). Zie ook: grienen*. Ø /N’/pt/3/-. schuifbak, bak op wieltjes waarin nog vochtige koffiebonen bij droog weer overdag naar buiten gereden werden om daar te drogen. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1769 (Fermin 2:48, 66). - ? (in 1835 niet meer in gebruik volgens Teenstra 1:261). Ook in Westelijk Guyana (Anonymus 1763:31), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: koffiehandbak*. Ø /(N-N)?W?/ pt/2/W./. schuifbank, in een suikermolen met horizontale rollers* een schuine tafel waar de suikerrietstengels af en tussen de rollers* schuiven. 1829 (Van Stipriaan 1993:176). Ø /N-N/ pt/4/-.

schuifdeur

198

schuifdeur, 1. valdeur van een sluis; 2. bij een waterwerk* aan het eind van een molentrens* een valdeur die, indien geopend, geschut water toegang geeft tot het waterrad (scheprad*). 1. 1786 (Blom 27). Ø /N-N/pt/3/-. 2. 1786 (Blom 60, Visscher Heshuysen 438). Ø /N-N/pt/3/-. schuil(d)er (-s), de slavernij ontvluchte neger(in) die door de overheid als voortvluchtige slaaf werd aangemerkt. Een schuilder schuilde, dat wil zeggen hield zich schuil. 1762 (De Beet & Price 1982:164). - 1855 (Focke 54). Zie ook: schuilersneger*, boschneger*, boschcreool*, boschslaaf*, marron*, wegloper*. Ø /N’/r/2-4/-. schuilersneger, als schuilder*. 1825 (Bosch 125, 2). 1835 (Teenstra 2:150). Ø /N’-Am/r/4/-. schuimer (-s), grote, metalen schuimspaan om het schuim van kokend suikerrietsap (zie kookhuis*) te schuimen, dat wil zeggen af te scheppen. Het kan afkomstig zijn van Engels scummer. 1718 (Herlein 246). - 1854 (De Surinaamsche Courant nr. 48). Ø /N’?E?/pt/2-4/-. Opmerking: Onderscheiden worden (De Surinaamsche Courant 1853 nr. 55) schuimers van welke het scheppende deel gaten heeft (gaatschuimers), dan wel bestaat uit een vlechtwerk van metaaldraad (draadschuimers). schuimhuis, gebouw waar geschuimd en dram* gestookt werd. Voor schuim zie dram*. 1835 (Teenstra 1:213). Zie ook: dramhuis* (1), dramstijlerij*, stijlhuis*. Ø /N’-N/pt/4/-. schuimvat (-en), vat waarin het schuim op kokend suikerrietsap met een schuimer* werd overgeschept. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 21).

sebijari

1871 (De Surinaamsche Courant nr. 6). Ø /N-N/pt/3-4/-. schulp (-en), hetzelfde als schulpcorjaal* en vermoedelijk daarvan een verkorting. 1791 (Hoogbergen 1984:131). Ook in Westelijk Guyana (Groen 1793, 4:1), mogelijk afkomstig van daar. Ø /W?/r/3/W./. schulpcorjaal, vermoedelijk een gewone corjaal*. De herkomst van schulp is onduidelijk. Gedacht kan worden aan Engels scull voor onder meer een korte roeiriem. Vergelijk ook schepcorjaar in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:434), van EuropeesNederlands scheppen, ‘peddelen’. 1791 (Hoogbergen 1984:131). Ø /XAm/r/3/-. schulpenrits, schulprits, zandrug rijk aan schelpen en schelpgruis als verhoging in het landschap. Zie rits*. 1740 (Anonymus 31). - 1854 (Van Sypesteyn 57). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 6). → (schelprits). Zie ook: zandrits*. Ø /N-E/m/2-6/-. schutterneger, met een geweer gewapende negerslaaf (neger*) als deelnemer aan een boschpatrouille*. 1711 (Dragtenstein 71). - 1796 (Brouwn 47). Ø /N-Am/o/1-3/-. sebastopol, lage zwarte schoen met een grote, zwarte strik. Herkomst onbekend. Sebastopol is een stad in het zuiden van Rusland. 1855-1863 (Bartelink 1916:26). →. Ø /X/r/4-6/-. sebijari, een overjarig cultuurras van de ingevoerde limaboon (Phaseolus lunatus) en zijn ‘bonen’ (zowel zaden als peulen). < Sranantongo sebijari (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:83) < Engels sevenyears-peas (Cassidy & Le Page 1980:402).

secroetie

199

Zie verder zevenjaarsboon*, lijm pesie*. 1835 (Teenstra 2:279, sevijari). 1910 (Sack 31). →. Ø /S/cp/4-6/-. secroetie: zie soecroerie* seibord: zie side-board*. sekiraparoere, “een [inheems] boomtje dat schoone welruijkende bloemen draagt” (Van Aerssen van Sommelsdijck 1685 nr. 15). Vermoedelijk een indiaans woord. Ø /Ind.?/wp/1/-. semiri-boom: zie simiri*. sempervies, aloë (Aloe barbadensis), een gekweekte plant. < Sranantongo semprefisi (Focke 1855:115) < semper vivens (Latijn) of iets dergelijks als gebruikt in het Engels (zie Allsopp 498). 1740 (Anonymus 19). → (semprefisi, als Sranantongo). Zie ook: aloë*. Ø /S/cp/2/-. serebe (de), enige kleine vissoorten van de familie der karperzalmen (Charicidae); zie de Encyclopedie van Suriname 574 onder sriba*, de tegenwoordige naam. < Arowaks sérebe (Sabajo 1989:225), in die taal zijn het ‘bijlzalmen’; of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). Bij Hartsinck (1770:122) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: pikere*, zilvertje*. Ø /Ar?W?/ d/2/W./. sergeantenkloten, naam voor enige boomsoorten met grote, eironde vruchten. Sommige auteurs willen het woord niet neerschrijven en gebruiken een eigen alternatief: C. Dahlberg (1771 nr. 27) sergeants voor boschcacao* (Bombax aquaticum, zie Lanjouw & Uittien 1935-1936:178). Blom (1787:303) sergeante hout voor een anaura* (Licania-soort). Teenstra (1835, 1:400) sergeantskloten voor watramamabobi* (Gustavia augusta). Echter: Westeroüen van Meeteren (1883:25) sergeantekloten voor Henriettea

shoulder

patrisiana. Heden: Licania macrophylla, die nu ook sponshout heet, en Licania licaniiflora. De naam is ook gebruikt in het voormalige Nederlands Oost-Indië voor diverse vruchten (wnt 14:1312). Ø /N’/wp/2-6/-. serpentaria, serpentkruid, vermoedelijk een plant waarmee medicinaal of magisch de uitwerking van de beet van een serpent (slang) kan (of heet te kunnen) worden bestreden. In het Portugees en Engels is serpentaria de naam voor een andere plant. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck bak 2 nr. 2, serpentaria). 1689 (Commelin; zie Brinkman bijlage 1, serpent-kruydt). Ø /X/ wp/1/-. servant (-s). In het Engels van Warren (1667:5) heeft het de betekenenis ‘gecontracteerde blanke plantage-arbeider’. Dezelfde betekenis (en ook met het meervoud servants) heeft het in Nederlandstalige versies van stukken (1668, Schiltkamp & De Smidt 14 en 16) betreffende de overgave van de kolonie (1667), waarbij gedoeld wordt op genoemde arbeiders op plantages* die in het bezit van Engelsen bleven. In latere literatuur wordt het woord, met als meervoud servanten, gebruikt voor onder meer als soldaat gecontracteerde armlastigen, zonder verwijzing naar een contemporain citaat. sevenboom, peulendragende heester van onbekende herkomst (Caesalpinia pulcherrima), thans in Sranantongo en Surinaams-Nederlands krerekrere genoemd. De plant levert een abortivum, evenals de Europees-Nederlandse sevenboom (Juniperus sabina) in Europa. 1796 (Stedman 344). Zie ook: sabinapesie*. Ø /N’/cp/3/-. shear: zie clear*. shoulder (-s), schouderstuk, voorbout (als

sibisibi

200

vlees voor consumptie). < Engels. 1853 (Surinaamsch Weekblad nrs. 4 en 36). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 96). 1884 (De Surinaamsche Courant nr. 124). Ø /E/bc/4-5/-. sibisibi, handbezem, in het bijzonder bestaande uit de uitgebloeide bloeiwijze van een pinapalm*. < Sranantongo sibisibi (Schumann 1783:155). 1822 (Lammens 1982:80). Opmerking: Bij Teenstra (1835, 1:260) siebi. Ø /S/r/3/-. side-board, een soort kast, ongeveer zoals een buffet of een dressoir. < Engels side-board, onveranderd en (gedeeltelijk) vernederlandst (zie beneden). 1822 (Lammens 1982:43; zijboard). - 18451849 (Boekhoudt 1874:32; side-board). 1853 (Van Schaick in Samson 1959, said-board). 1866 (Van Schaick 53; seibord). Ø /E/bc/3-4/-. siebi: zie sibisibi*. sieka, sika (de, -as), sieke (-n), chica (-s), chicque (-s, -n) e.a., zandvlo (Tunga penetrans). De literatuur en de bronnen geven een onontwarbare vermenging te zien van woorden van tweeërlei herkomst: indiaanse en Afrikaanse. De oed (3:112) noemt het Engels chigoe een West-Indisch woord en waagt zich niet aan een verdere etymologische analyse. Dat voorbeeld wordt hier gevolgd. Evenwel, het woord kan afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1740 (Anonymus 20, siekaas, meervoud). - 1870 (Winkels II:279). → (vanaf 1835 alleen nog si(e)ka). Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:38, 88; zieke). Ø /W?/d/2-6/W./. siliba, zie sriba*. silver-: zie zilver-*.

sinapletoe

simarouba, simaruba (de), 1. een inheemse boomsoort (Simarouba amara) en zijn hout; 2. bast van de boom. < Karaïbisch simaruba (Van Panhuys 1904:613), Arowaks simaroepa (Ostendorf 1962:132), of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1. 1768-1780 (Quandt 1807:217; Duits Simarubabaum). - 1854 (Van Sypesteyn 214). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 626). Bij Hartsinck (1770:74) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Opmerking 1: De jaartallen 1872 (voor soumarouba*) en 1917 (voor simaroeba*) doen vermoeden, dat in de periode daartussen beide vormen gebruikt kunnen zijn. Opmerking 2: Anonymus (1872:27) geeft soumarouba, dat is heden de naam in Sranantongo en Surinaams-Nederlands (soemaroeba). Opmerkelijk is dan wel, dat de Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië (zie boven) ook voor Sranantongo simaroeba geeft. Ø /Ind.?W?/wp/2-5/W./. 2. 1754-1791 (Nassy 1791, tabel, symarouba). 1765 (Fermin (188). Houttuyn (1774; 2, 2:245) vermeldt, dat de bast sedert 1713 in Nederland wordt ingevoerd en dient voor de bereiding van een medicijn tegen diaree. Ø /Ind./wp/2-3/-/. simirie, kopal, de hars van een boomsoort (Hymenaea courbaril var. courbaril), die bij Hartsinck (1770:74) voor Suriname of Westelijk Guyana semiri-boom genoemd wordt. < Karaïbisch simiri (Klooster e.a. 58) of afkomstig uit Westelijk Guyana. 1763 (Pistorius 19). 1835 (Teenstra 1:377). Zie ook: locus*. Opmerking: Het is niet uitgesloten, dat Van Aerssen van Sommelsdijck (1686 nr. 11) met siniri deze boom bedoelt. Ø /K?W?/wp/2-4/W./. sinapletoe, een boomsoort (Dicorynia

singel

201

guianensis). < Saramakaans, Paramakaans (Klooster e.a. 278) of beide. 1835 (Teenstra 1:377). Zie ook: basterdlocus*. Ø /X/wp/4/-. singel, cingel (de, -s), rechthoekig plankje, dienst doende als dakbedekking, geheel op de wijze van een dakpan, ‘houten dakpan’. < Sranantongo single (Schumann 1783:155), siengri (Focke 1855:116) of < Engels shingle, Echteld 1961:40. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 39). - 1855 (Focke 116). →. Opmerking: De spelling met c-. 1763 -1854. Zie ook: daksingel*. Ø /E?S?/r/1-6/-. - : Engelse cingel, vermoedelijk singel* ingevoerd uit Engels Noord-Amerika. Vergelijk Engelse planken*. 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1014). Ø /N+E?S?/r/3/-. sipari, pijlstaartrog, zweepstaartrog (Potamotrygon motoro en Potamotrygon reticulatus). < Sranantongo sipari (Teenstra 1835, 2:452) of < Karaïbisch sibari (Van Panhuys 1904:613), sipari (Courtz 370). 1771 (Nepveu 348). 1796 (Stedman 353; separee, Engelse spelling). 1927 (Stahel 101). → (sparrie). Ø /K?S?/d/2-5/-. sirika, cirka (-as), een soort zwemkrab (Callinectes bocourti), levend in rivieren. < Sranantongo s(i)rika (Focke 1855:127) of < Karaïbisch sirika (Courtz 370). 1740 (Anonymus 24, cirkaas, meervoud). 1796 (Stedman 211; seereeca, Engelse spelling). 1835 (Teenstra 2:443, sirika-crab). Ø /K?S?/d/2-4/-. sisa, aanspreektitel voor slavin, gebruikt door een ander dan haar meester(es). < Sranantongo sisa, aanspreekvorm voor slaven onderling met betrekking tot vrouwen die jong of van middelbare leeftijd zijn (Focke 1855:117). 1822 (Lammens 1982:114).

slagterstentcorjaal

Zie ook: basie*. Ø /S/r/3/-. sisser, cisser (de), bij een suikermolen de bak waarin het zojuist uitgeperste suikerrietsap wordt opgevangen. < Engels cistern (oed 3:247), in bovengenoemde betekenis van sisser bij Ligon (1657; 1673:84a). 1720 (Oostindie 1989:49). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 61). Opmerking: In 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:95, 185) sitser, sister. Ø /E/pt/1-4/-. skroertje: zie soecroerie*. slaaf (Europees-Nederlands), als tweede lid van een zelfstandig naamwoord, zie: ambachtslaaf*, boegslaaf*, boschslaaf*, commandoslaaf*, fortslaaf*, landsslaaf*, negerslaaf*, plantageslaaf*, tuinslaaf*; rood* (rode slaaf). slaapjapon, nachtjapon, nachtpon. 1866 (Van Schaick 161). →. Ø /N-N/bc/46/-. slabbe (de, -n), schaalstuk, dat is van een boom die aan planken gezaagd is een buitenste, halfbolle plank. < Engels slab (oed 15:638). 1786 (Visscher Heshuysen 439). 1787 (Blom 312). Volgens de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (634) een woord uit de slaventijd. Ø /E/pt/3/-. slabbetje, zekere plant met peulen, geneeskundig aangewend (Senna alata), en mogelijk een (of meer) verwant(en) van deze, heden in Surinaams-Nederlands genoemd slabriki (< Sranantongo). < Sranantongo slabikki, srabiki (Focke 1855:119). 1855 (Focke 119). 1883 (Westeroüen van Meeteren 15). Zie ook: slapertje*. Ø /S/wp/4-5/-. slagterstentcorjaal, slagtersboot, slagters­ pont, vaartuig voor niet geïdentificeerd gebruik. Zie tentcorjaal*, zie pont*.

slangegras

202

1853 (Surinaamsch Weekblad respectievelijk nr. 29 en nr. 30). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 70). Ø /X/?/4/-. slangegras, een kruidachtige plant (Eryngium foetidum) met een geneeskundig aangewende olie. < Sranantongo snekki-wirriwirri (Schumann 1783:158); zie SurinaamsNederlands snekiwiwiri*; of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). Volgens de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (284) in andere delen van Amerika gebruikt tegen slangenbeten. 1771 (C. Dahlberg nr. 9). Bij Hartsinck (1770:103) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: slangekruid*. Ø /S?W?/ wp/2/W./. slangekruid, als slangegras*: zie aldaar Zie Surinaams-Nederlands sneki-wiwiri*. Europees-Nederlands slangekruid betreft geheel andere planten in Europa. 1689 (Hermann fol. 36). - 1771 (Nepveu 340). Ø /S/wp/1-2/-. slangenhout, een boomsoort (Loxopterygium sagotii). Mogelijk berust de naam op het kleurpatroon van het doorgezaagde hout dat doet denken aan dat op de huid van sommige slangen: lichtbruin met donkerder bruine strepen en vlekken. 1821 (Von Sack 2:69). - 1855 (Van Sypesteyn 182). →. Opmerking: In de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (454) wordt de soort bastaard-slangenhout genoemd. Ø /N’-N/wp/3-6/-. slangevisch (de), gemarmerde kieuwspleetaal (Synbranchus marmoratus). Het dier heeft een slangvormig lichaam. Europees-Nederlands slangevisch is een naaldvis (Ophidium-soorten). 1740 (Anonymus 24). - 1770 (Hartsinck 124).

sleephout

Zie ook: aal*, snekifisi*, sombo*. Ø /N’N/d/2/-. slaper, slapertje (-s), enige inheemse en ingevoerde planten van het genus Cassia, Senna of beide. Herkomst van het woord onbekend. 1687 (Hermann 556, citaat in Wijnands 1983:60). - 1771 (C. Dahlberg nr. 88). Ø /X/cwp/1-2/-. slavengoederen. Aangetroffen op een rekening uit 1857 voor een plantage (Oostindie 1989:497). Gedacht kan worden aan kledingstukken, negerhoeden*, negermessen*, negerpijpen*. Zie ook uitdeling*. slavenhoed (-en), hoed als gedragen door negerslaven; zie verder negerhoed*. 1749 (De Beet & Price 1982:41). Zie ook: officiershoed*. Ø /N-N/sc/2/-. slavenhuur, het huren van een slaaf of slaven. 1756 (Schiltkamp & De Smidt 634) -1774 (Schiltkamp & De Smidt 1358). Zie ook: negerhuur*. Ø /N-N/bc/2/-. slavenkost, als negerkost*. 1759 (Schiltkamp & De Smidt 673). - 1813 (Schiltkamp & De Smidt 1316). Zie ook: negrosspijze*. Ø /N-N’/sc/2-3/-. slavenmacht, de macht*, te weten de gezamenlijke slaven, van (a) een plantage*, (b) een eigenaar, (c) het hele land. a: 1819 (Lammens 1982:181). - 1855-1863 (Bartelink 1916:18). b: 1866 (Van Schaick 53). c: 1835 (Teenstra 1:58). Zie ook: negermacht*, plantagemacht*. Ø /N-N’/r/3-4/-. slavenregister, lijst met de namen van alle slaven in het bezit van één eigenaar. Sedert 1826 (Klinkers, 1994, in Oso 13:39). - 1863 (Klinkers 1997:87). Opmerking: Ook in het voormalige Nederlands Oost-Indië (1883, wnt 1:1418). Ø /N-N/bc/3/-. sleephout, niet geïdentificeerde

slivers

203

boomsoort(en) met zacht hout. Gebruikt om paden mee te beleggen waarover andere gevelde boomstammen uit het bos gesleept kunnen worden. 1835 (Teenstra 1:348). Ø /N-N/wp/4/-. slivers, sterk gezouten, overlangs gesneden repen van vissen voor consumptie, in vaten ingevoerd uit Engels Noord-Amerika. < Engels (daar met een ruimere betekenis). 1871 (De Surinaamsche Courant nrs. 93, 129, 149). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 618). Zie ook: sansan*. Ø /E/bc/4-5/-. sloeproeier (-s), begrafenisbediener. Deze mensen lopen bij het dragen in twee rijen aan weerszijden van de kist, zoals roeiers in een sloep geplaatst. 1866 (Van Schaick 201). Ø /N’/bc/4/-. smitneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als smid. 1764 (Oostindie 1989:104). 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 9). Ø /N-Am/ pp/2-3/-. smokkelaar (-s), 1. handelaar die wettige voorschriften inzake de handel niet in acht neemt, in dit geval handelt zonder vergunning, niet juiste maten en gewichten toepast, aan slaven voor hen verboden waar verkoopt, onrechtmatig ingevoerde goederen verhandelt en dergelijke; 2. ver­ koper in het klein van levensmiddelen en andere dagelijkse levensbehoeften, waaronder textiel, gereedschap en dergelijke. Europees-Nederlands smokkelen in ruime zin: een voorschrift of verbod ontduiken ten eigen bate. 1: 1740 (Anonymus 69). - 1855 (Schiltkamp & De Smidt 535). Ø /N’/bc/2-4/-. 2: 1835 (Teenstra 1:47). 1855 (Focke 120). Zie ook: vettewarier*. Ø /N’/bc/4/-. smokkelkroeg (-en), kroeg zonder tapvergunning. < Europees-Nederlands smokkelen; zie smokkelaar* (1).

snekifisi

1669 (Schiltkamp & De Smidt 187). - 1761 (Schiltkamp & De Smidt 708). Ø /N’-N/ bc/1-2/-. smookpot, pot met een rookvuurtje ter verdrijving van muskieten en ander vliegend gedierte. 1855-1863 (Bartelink 1916:9). →. Ø /N-N/ bc/4-6/-. smous (ook attributief), smousin. De vindplaatsen tonen of doen vermoeden, dat deze woorden niet alleen gebruikt werden met betrekking tot jood, jodin en joods, als in Europees-Nederlands, maar ook en mogelijk pejoratief met betrekking tot personen met alleen een joodse vader (zie Penard & Penard 1910:37) of alleen aan joden gelieerd. 1727 (Inventaris Archief Raad van Politie 785 fol. 77): smousin voor de negerslavin van een jood. 1773 (Inventaris Archief Raad van Politie 932): smouse neegers voor negerslaven van een plantage met een joodse eigenaar. 1866 (Van Schaick 32): smouse mulat, voor een persoon met alleen een joodse vader. Onduidelijk is “Jooden & Smousen” (Anonymus 1740:3). Ø /N’/r/2-5/-. smouse neus (smouse neuzen), twee vogelsoorten, de (kleine) ani (Crotophaga ani) en de grote ani (Crotophaga major), heden in Surinaams-Nederlands genaamd kawfoetoeboi (< Sranantongo). Smouse is hier attributief gebruikt, van smous, ‘jood’. Deze vogels hebben een kromme kam op hun bovensnavel die daardoor op een joodse neus lijkt. 1740 (Anonymus 23). Ø /N’/d/2/-. smouse-vogel, smousvogel, als smouse neus*. 1835 (Lammens 175). - 1926 (Cappelle 405), Ø /N’-N/d/4-5/-. snekifisi, gemarmerde kieuwspleetaal (Synbranchus marmoratus). < Sranantongo snekifisi (Schumann

sneki-komkommer

204

1783:250). Sranantongo sneki, ‘slang’, Sranantongo fisi, ‘vis’. Het dier heeft een slangvormig lichaam. 1835 (Teenstra 2:446), snikkifissi). 18451849 (Boekhoudt 1874:136). →. Zie ook: aal*, slangevisch*, sombo*. Ø /S/d/4-6/-. sneki-komkommer, een soort klimmende plant (Melothria pendula) en zijn kleine, ovale, besachtige, eetbare vrucht. < Sranantongo sneki-komkomro (Focke 1855:120). 1835 (Teenstra 1:207, snikki-komkommer). Ø /S-N’/wp/4/-. snekimarcoesa, twee soorten passiebloem (Passiflora foetida en Passiflora vespertilio), wellicht ook nog Passiflora coccinea. < Sranantongo snekimarcoesa (Focke 1855:120). Sranantongo sneki, ‘slang’; zie marcoesa*. 1845 (Teenstra 2:269, snikkimarcusa). →. Ø /S/wp/4-6/-. snekiwiwiri, geheel als slangekruid*: zie aldaar. < Sranantongo snekiwiwiri (Schumann 1783:158, snekki-wirriwirri); Sranantongo sneki, ‘slang’, Sranantongo wi(rri)wi(r)ri (onder meer ‘gras, kruid’). 1771 (C. Dahlberg nr. 9). 1796 (Stedman 344; snakee weeree weeree, Engelse spelling). →. Ø /S/wp/2-6/-. snijboontje (-s), spercieboon, peul van een cultuurvorm van Phaseolus vulgaris. In Suriname gesneden, in Nederland niet. In Nederland is snijboon de peul van een andere cultuurvorm van dezelfde plantensoort. 1733 (Inventaris Archief Raad van Politie 788 fol. 109; sneyboonties, meervoud). 1768 (Van Dyk 54). →. Ø /N-N/cp/2-6/-. snikki-: zie sneki-*. snip (-pen), verzamelnaam voor alle soorten waadvogels, in het bijzonder die (periodiek) in groepen leven (plevieren, ruiters,

societeitsgrond

snippen, strandlopers en dergelijke). In hedendaags Europees-Nederlands is snip de naam voor enige middelgrote van deze soorten. De Engelse betekenis van snipe is van oudsher veel ruimer (oed 15:855), maar niet zo ruim als die van snip in het koloniale Nederlands van Zuid-Amerika. 1693 (Reeps 21). - 1855 (Focke 51). →. Eerder in Brazilië (Keye 1659:68). Bij Hartsinck (1770:111) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N’/d/16/B./W./. snoek (de, -en), olijfgroene snook (Grzimek. 5:81), Amerikaanse zeesnoek (Centropomus undecimalis). < Europees-Nederlands snoek, een vis in Europa (Esox lucius). Alleen de vorm van de kop vertoont gelijkenis. 1718 (Herlein 199.) - 1855 (Focke 120). →. Eerder in Brazilië (Keye 1659:71; betekenis ?). Ø /N’/d/1-6/B./. Societeit (de), de Geoctroyeerde Societeit van Suriname, een genootschap van 1683 tot 1792, toentertijd eigenaar van het toenmalige Suriname. Deelgenoten waren de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en (tot 1770) de familie Van Aerssen van Sommelsdijck. Zie de Encyclopedie van Suriname 60. Als genitiefvorm en in samenstellingen: zie beneden; verder onder meer societeitstroepen. sociëteits dienaar (-en), ambtenaar in dienst van de koloniale overheid. Zie de Societeit*. In Europees-Nederlands dienaar alleen voor ambtenaar indien werkzaam bij gerecht of politie. 1777 (Schiltkamp & De Smidt 932). Wellicht in gebruik tot 1792 (zie Societeit*). Ø /N-N’/bs/3/-. societeitsgrond: de societeitsgrond, zeker stuk grond* (I) aan de stadsrand van Paramaribo, bezit van de Societeit*. 1768 (Schiltkamp & De Smidt 929). 1777

societeitshospitaal

205

(Schiltkamp & De Smidt 929). Wellicht in gebruik tot 1792 (zie Societeit*). Ø /NE/r/2-3/-. societeitshospitaal, het ziekenhuis van de Societeit*, met andere woorden van het land. 1761 (Schiltkamp & De Smidt 729). - 1778 (Schiltkamp & De Smidt 941). Zie ook: ziekenhuis*. Ø /N’-E/z/2-3/-. societeitsneger, negerslaaf (neger*) in eigendom bij de Societeit*. 1747 (Mauricius; zie Van Lier 1977:127). Wellicht in gebruik tot 1792 (zie Societeit*). Zie ook: landsneger*. Ø /N-Am/bs/2-3). societeits negerofficier, negerofficier* in dienst van de Societeit*. 1744 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 273, in dit geval een blanke negerofficier). Wellicht in gebruik tot 1792 (zie Societeit*). Ø /N-(Am-E)/ bs/2-3/-. societeitsplantage, plantage* in eigendom bij de Societeit*. 1687 (Schiltkamp & De Smidt 176, societeyts plantagie). Wellicht in gebruik tot 1792 (historiserend 1839-1851, Van der Aa 1993:97, in dit geval een kostgrond*, te weten Kwatta). Ø /N-N/pt/1-3/-. soecroerie, soecroer (zie de citaten), de naam heeft heden alleen betrekking op de zwartbuikboomeend of zwartbuikfluiteend (Dendrocygna autumnalis). Verder geldt hetzelfde als voor anaatje* (zie aldaar). < Sranantongo soekroeriki, skoerki (Focke 1855:119) of < Karaïbisch, Focke 1858a:314, (Courtz 373, sukururu). Het voorkomen van het woord: 1763 (Pistorius 71, soecroerie). 1796 (Stedman 407; sookooroorkee, Engelse spelling). 1785 (Roos: 1804:177, soecroer). 1835 (Teenstra 2:432, secroeties, meervoud). 1855 (Focke 119, skroertje). 1908 (Penard & Penard 100, skoertje). → (skoertje). Ø /K?S?/d/2-6/-.

sombo

soemaroeba (ook heden): zie soumarouba*, simarouba* en witte ceder*. soesa, soort dans van negerslaven en boschnegers*. < Sranantongo soesa (Focke 1855:123). < Afrikaans, Wooding 1972:519. 1796 (Stedman 375). - Focke (1858b:94). →. Ø /S/sc/3-6/-. soeur (-s), 1. non, in het bijzonder als onderwijzeres; 2. zie beneden < Europees-Nederlands soeur met dezelfde betekenis, maar in Nederland alleen gebruikelijk in het zuiden. Het woord kwam naar Suriname met de “Eerwaarde Soeurs Franciskanessen van Roosendaal”, die in 1856 het onderwijs op rooms-katholieke scholen ter hand namen (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 474). 1856 (zie boven). 1910 (Penard & Penard 208). →. Ø /N/bc/4-6/-. 2. (zekere vogelsoort, heden): zie nonnetje*. soeverein: zie gouverneur*. soké, onduidelijke naam voor enige kleine vissoorten behorende tot de pantsermeervallen en de doornmeervallen. < Sranantongo soké (Focke 1855:123). 1771 (Nepveu 347). 1796 (Stedman 346; sokay, Engelse spelling). →. Opmerking: Teenstra (1835, 2:450) onderscheidt melksoké* en agoesoké. Ø /S/d/26/-. soldatensalade, inheems, sappig kruid, dat als groente gegeten kan worden (Peperomia pellucida), heden in Surinaams-Nederlands genaamd consacawiwiri*. Wellicht zo genoemd omdat (vooral) soldaten te velde er noodgedwongen gebruik van maakten. 1855 (Focke 63). 1883 (Westeroüen van Meeteren 29). Ø /N-N/wp/4-5/-. sombo, gemarmerde kieuwspleetaal (Synbranchus marmoratus).

soopjeskelder

206

< Sranantongo sombo (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:63). 1835 (Teenstra 2:446). Zie ook: aal*, snekifisi*, slangevisch*. Ø /S/d/4/-. soopjeskelder: zie sopies kelder*. sopie (-s), klein glaasje of bekertje dram*, borrel. < Sranantongo sopie (Schumann 1783:161) < Europees-Nederlands zoopje, met dezelfde betekenis. 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 96). - 1866 (Van Schaick 111). →. Ø /S/bc/2-6/-. sopies kelder (-s), in vakken verdeeld krat (kelder) voor even zovele flessen dram* of andere sterke drank. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 11, ook soopjeskelder). Ø /S-N/bc/4/-. sopropo, bittere komkommer of balsempeer, een ingevoerde klimplant (Momordica charantia). Vergelijk Sranantongo sopropo (Focke 1855:124). Het is niet bekend of de naam het eerst in het Sranantongo of in het Surinaams-Nederlands optrad en ook niet of de gelijknamige vrucht van dit gewas al voor 1873 gegeten werd. 1835 (Teenstra 2:277). 1855 (Focke 124). →. Ø /X/cp/4-6/-. soumarouba, een boomsoort (Simarouba amara) en zijn hout. < Sranantongo soumarouba (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:177) < Karaïbisch of Arowaks (zie simarouba*). 1872 (Anonymus 27). → (soemaroeba). Zie de opmerking onder simarouba*, zie ook witte ceder*. Ø /Ind./wp/4-6/-. Spaans: zie bok* (I), daalder*, schelling*. - : Spaanse juffrouw, Spaanse juffer (de), bidsprinkhaan, in het bijzonder de grote groene Stagmatoptera femoralis. De houding en de statige bewegingen van het dier doen denken aan een voorname dame, de bolle ogen lijken op een hoog

spekkop

opgebold kapsel. 1740 (Anonymus 18, Spaanse juffrouw; 25, Spaanse juffer). - 1855 (Focke 125). Oudste vindplaats in Brazilië (Marcgrave 1648:255, Spaanse juffrouw). Opmerking 1: Anonymus (1740) onderscheidt staande en loopende Spaanse juffrouw. Wellicht wordt met de laatste een ‘wandelende tak’ bedoeld. Opmerking 2: Encyclopaedie van Neder­ landsch West-Indië (1917:540) geeft Spaanse vrouw; dat is de naam sedertdien. Ø /Braz./d/2-4/B./. - : Spaans spek, kanteloep, dat is een niet veredelde meloen, de vrucht van Cucumis melo. Menkman (1932:247) vermeldt de naam voor 1618 uit Zuid-Afrika, blijkens het wnt (14:2664) voor een ander minderwaardig type meloen. “Spaansch zal hier wel een smalende betekenis hebben” (wnt). Het vruchtvlees is dun. 1740 (Anonymus 121). - 1835 (Teenstra 2:276). - Stahel (1944). Ø /X/cp/2-5/-. - : Spaansche zuring: zie rode zuring*. spawaterkannetje, kannetje* gebruikt voor mineraalwater. Spawater was toentertijd ook in Nederland het gebruikelijke woord. 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1032). 1798 (Weygandt 11, 29). Ø /N-N’/bc/3/-. Specialiën, notitieboeken van Herrnhutter zendelingen. Herkomst van het woord niet gevonden. Wellicht afkomstig uit het Duits. 1836 (Klinkers 1997:87). - 1878 (ibid.: 179). Ø /?/bc/4-5/-. spekkop (-pen), vermoedelijk de afgehouwen kop van een vet varken of zo’n varken zelf. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 130). Opmerking: Het wnt geeft uit 1899-1906 als betekenis in Nederland ‘dik, vet hoofd; iemand met zulk een hoofd’. Ø /N’/bc/4/-.

spel

207

spel I., spul, 1. ploeg slaven; 2. wacht of waakbeurt van een slaaf in het huis van zijn meester, op de plantage*, in de fabriek enz.; 3. span trekdieren. < Engels spell, een ploeg mensen. 1: 1740 (Anonymus 130). 1804 (Eensgezindheid 125). Ø /E/pp/2-3/-. 2: 1866 (Van Schaick 59). Ø /E/r/4/-. 3: 1765 (Nepveu 61). - 1787 (Blom 61). Ø /E/pt/2-3/-. spel II., danspartij van negerslaven. Vermoedelijk leenvertaling van Sranantongo pre of van Engels play (zie pley*). 1777 (Schiltkamp & De Smidt 928). - 1855 (Focke 125). Opmerking 1: Klinkers (1997:59) geeft een citaat over een spel waarbij de watermama* gedanst werd en een deelnemer winti* kreeg. Opmerking 2: Als spel op een vaste tijd komen voor nieuwjaarsspel (1853; Oost­ indie 1989:189) en middeljaarsspel (Van Stipriaan 1993:371). Ø /E?S?/sc/3-4/-. - : (een) spel geven, toestemming geven voor een spel* (II), een spel* (II) aanbieden. 1777 (Schiltkamp & De Smidt 928). - 1855 (Focke 104). Ø /E?S?+N/bc/3-4/-. - : spel hebben, met een spel* (II) bezig zijn, zo’n danspartij houden. 1834 (Friderici 16). 1866 (Van Schaick 59). Zie ook: pleyen*, spelen*. Ø /E?S?+N/ sc/4/-. spelen, met een spel* (II) bezig zijn, zo’n danspartij houden. < spel* (II) of leenvertaling van Sranantongo pre of Engels to play. 1733 (Schiltkamp & De Smidt 409). Focke 1858b:99. Zie ook: pleyen*, spel* (II) hebben. Ø /E?S?/sc/2-4/-. spiegel: indiaanse spiegel, spiegel zoals aan indianen verschaft. Vermoedelijk een spiegel van een bepaalde afmeting of een bepaalde vorm.

spikkelhout

1745 (Schiltkamp & De Smidt 528). 1761 (Schiltkamp & De Smidt 708). Ø /N+N/r/2/-. spiegeldrager, een vlindersoort (Rotschildia hesperus), heden in Surinaams-Nederlands venstervlinder. < Europees-Nederlands spiegeldrager, een andere vlindersoort, van de Oude Wereld (Bombax paphia). 1705 (Merian). 1765 (Fermin 127). Ø /N’/d/1-2/-. spiegelkat, tijgermeerval (Pseudoplatystoma fasciatum), heden genoemd spikrikati (< Sranantongo). Vermoedelijk “verbastering van spikkelkat*” [zie aldaar] (Focke 1855:125). nb: Focke (ibid.) geeft voor Sranantongo zowel spigrikati (Sranantongo spigri, ‘spiegel’) als spikrikat (Sranantongo spikri, ‘spijker’), waarbij zij aangetekend dat het dier lange, scherpe stekels aan de borstvinnen heeft. 1835 (Teenstra 2:458). 1855 (Focke 125). Zie ook: tijgervisch*. Ø /X/d/4/-. spier (-en), 1. maïskolf; 2. lege spil van maïskolf. < Engels spear (betekenis 1). 1: 1757 (Schiltkamp & De Smidt 646). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 7). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 456). → . Ø /E/cp/2-6/-. 2: 1855 (Focke 137). →. Ø /E/cp/4-6/-. spijkerhout, boomsoorten van het genus Mouriri en hun hout. Het hout is zeer hard. nb: vergelijk de uitdrukking zo hard als een spijker. 1835 (Teenstra 1:393). 1858 (Van Sypesteyn 184). →. Ø /N-N/wp/4-6/-. spikkelhout, letterhout, in het bijzonder boomsoorten van het genus Brosimum en hun hout. < Engels speckle-wood, van Engels speckle, ‘spikkel’, in dit geval de donkere figuurtjes (spikkels) in het hout die op letters lijken.

spikkelkat

208

1718 (Herlein 227). 1763 (Pistorius 86). Ø /E/wp/1-2/-. spikkelkat, tijgermeerval (Pseudoplatystoma fasciatum), heden in Surinaams-Nederlands spikrikati (< Sranantongo). Het is een kat (dat is ‘katvis, meerval’) met spikkels. Evenwel: zie ook spiegelkat*. 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 125). Zie ook: tijgervisch*. Ø /X/d/2-4/-. spinazie, zekere ingevoerde en gecultiveerde bladgroente (Basella alba) die smaakt als Europees-Nederlands postelein. < Engels (Malabar) spinach. In Europa zijn Europees-Nederlands spinazie en Engels spinach beide een andere bladgroente (Spinacia oleracea). 1835 (Teenstra 2:273). →. Ø /E/cp/4-6/-. spiritus, als dram*. < Europees-Nederlands spiritus, sterke drank in het algemeen. 1835 (Teenstra 1:236). 1855-1863 (Bartelink 1916:71). 1902 (Bakhuis 21). Ø /N’/bc/4-5/-. spoor (sporen), wortellijst, plankwortel. < Engels spur. 1789 (Hoogbergen 1984:57). 1835 (Teenstra 1:360). →. Ø /E/wp/3-6/-. spotvogel, onduidelijke naam voor een (of enige) vogelsoort(en). Gedacht kan worden aan de Europees-Nederlandse (tropische) spotlijster (Engels mocking bird, Mimus gilvus), die inderdaad spot, ofwel ‘imiteert’ (heden in Surinaams-Nederlands dagoefowroe < Sranantongo), en aan buidelspreeuwen (Cacicus-soorten), zoals bij Kappler (1883:50). Heden in SurinaamsNederlands banabeki (< Sranantongo; zie banannebek*). De Europees-Nederlandse spotvogel imiteert ook, maar is overigens geheel anders. 1821 (Von Sack 35; verduitst Spottvogel). 1866 (Van Schaick 127). 1883 (zie boven). Ø /N-N/d/3-5/-. sprinckelappel: zie prikkelappel*.

stad

spring (de), periode van springvloed, in dit geval wanneer de vloed zo hoog oploopt, dat men met het dan ingelaten water het waterwerk* van een suikerplantage vervolgens langdurig kan laten draaien. Wellicht afgeleid van zowel Engels springs als van Europees-Nederlands springvloed. 1721 (Schiltkamp & De Smidt 341). - 1855 (Focke 126). Zie ook: voorspring*. Ø /X/m/1-4/-. springwater, springvloed. Zie spring*, zie water* (1 en 2). 1787 (Blom 63). →. Ø /X-N’/m/3-6/-. spul: zie spel* (I). sriba, siliba, 1. bijlzalm (2 soorten, zie de Encyclopedie van Suriname 574); 2. als serebe* (zie aldaar). < Sranantongo s(i)riba (Focke 1855:127) < Arowaks sérebe (Sabajo 1989:225). 1, 2 of beide: 1771 (Nepveu 350, sriba). 1796 (Stedman 346, siliba). 1835 (Teenstra 2:459). →. Zie ook: pikere*, zilvertje*. Ø /S/d/3-6/-. staat, -staat ((-)staten), hetzelfde als plantage*. < Engels estate (oed 5:408), wnt 15:408. 1667 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:434). - 1828 (Kuhn 89). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 647). Zie ook: buiten*, grond* (I, 1), koffiestaat*, suikerstaat*. Ø /E/pt/2-5/-. staatstoezicht, toezicht van de staat van 1863 tot 1873 op de collectief vrij verklaarde voormalige slaven die verplicht waren tot 1873 plantage-arbeid te blijven verrichten. Ø /N’/bs/4/-. stad: de Stad, Paramaribo. Het was en is de enige stad in Suriname. 1822 (Lammens 1982:49).→. Opmerking: In een plakkaat van 1670 (Schiltkamp & De Smidt 59) “de stadt Torarika” (toentertijd de belangrijkste vestiging in Suriname). Ø /N’/bc/3-6/-.

stadsgeneesheer

209

stadsgeneesheer, arts in overheidsdienst ten behoeve van de gezondheidszorg in de Stad*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 31). 1856 (Encyclopedie van Suriname 67). →. Zie ook: district-chirurgijn*. Ø /N’-N/ bc/4-6/-. stadsheelmeester, als stadsgeneesheer*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 119). Ø /N’-N/bc/4/-. stadsmeid (-en), meid* (negerslavin) uit de stad*. 1834 (Klinkers 1997:51). Ø /N’-N’/r/4/-. stadsonderwijzeres, onderwijzeres op een stadsschool*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 29). Ø /N’-N/4/-. stadsschool, gewone lagere (basis)school in Paramaribo. Zie stad*. 1812 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 519). - 1845-1849 (Boekhoudt 1874:40). Zie ook: hoofdschool*. Ø /N’-N/bc/3-4/-. stadsslaaf, slaaf in Paramaribo (zie stad*), ter onderscheiding van plantageslaaf. 1855 (Focke 35). Ø /N’-N/bc/4/-. stalneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als stalknecht. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 74). Ø /N-Am/bc/3/-. stamploods, stamploos, loods op een koffieplantage waar de koffiebessen gestampt worden in koffiematten*. 1828 (Van Borcharen 39). Ø /N-N/pt/4/-. stampmat, stampblok. Zie mat*; stampmat is een pleonasme. 1855 (Focke 79). Zie ook: koffiemat*; tomtomblok*, tomtommat*. Ø /N-S/pt/4/-. starappel, eetbare vrucht van een ingevoerde boomsoort (Chrysophyllum cainito), in 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 204) en daarna sterappel. < Engels star-apple voor idem.

steenspringerij

1855 (Focke 100). Ø /E/cp/4/-. starrenbloesem, starrebloesem, ziekte van de koffieplant: de bloem gaat voortijdig open als niet meer dan een groenachtig sterretje en valt dan af. 1771 (Nepveu 176). 1801 (Blom 45). Ø /N’-N/z/2-3/-. Staten (de), 1866-1980: In de koloniale tijd ten behoeve van het bestuur een vooral raadgevend en controlerend college, deels bestaande uit personen aangewezen door de gouverneur, deels uit afgevaardigden van een beperkt aantal kiesgerechtigden. Daarna parlement, via politieke partijen gekozen door het hele volk. Het college heet sedert 1980 Assemblee. steen, stenen droogvloer voor koffiebessen. Op “oude koffieplantages” (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:569). De Winkler Prins encyclopedie van 1953 citeert als functie voor slaven in Suriname “werkt op steen”. Zie ook: drogerij*. steenduifje, (steenduifie), drie soorten grondduifje van het genus Columbina. Ze zitten veelal op de grond, niet bij voorkeur op steen. Europees-Nederlands steenduifje was toentertijd een naam voor duivensoorten die in rotsholen nestelen. 1740 (Anonymus 23). - 1855 (Focke 128). →. Zie ook: tortelduif*. Ø /N’-N/d/2-6/-. steenezel (-s), ezel (Equus asinus). Steen heeft betrekking op de koppigheid, zoals ook vaak op het gebruik van steenezel als Europees-Nederlands scheldwoord. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 30). 1871 (ibid. nr. 46). 1944 (Stahel 21). Opmerking: Bij Stahel 1944:21) en ook vaak later nog wordt met ezel in Suriname bedoeld ‘muilezel’. Mogelijk was dat ook al eerder het geval. Ø /N-N/d/3-5/-. steenspringerij, vermoedelijk steengroeve. 1822 (Lammens 1982:25). 1839-1851 (Van der Aa 1993:117) Ø /N-N/r/4/-.

steenuil

210

steenuil, tropische schreeuwuil of cholibaschreeuwuil (Otus choliba), de kleinste uilensoort van Suriname. < Europees-Nederlands steenuil, de kleinste uilensoort in Nederland (Athene noctua). 1835 (Teenstra 2:423). →. Ø /N’/d/4-6/-. stekelvarken, (gewoon) grijpstaartstekelvarken of boomstekelvarken (Coendou prehensilis), een boomdier. < Europees-Nederlands stekelvarken, in strikte zin een gestekeld, bodembewonend dier, voorkomend in het Middellandsezeegebied (Hystrix cristata). 1770 (Hartsinck 91). - 1854 (Van Sypesteyn 61). →. Zie ook: djiendjamaka*, egel*, ijzer­ varken*. Ø /N’/d/2-6/-. steken (overgankelijk werkwoord, met een voorwerp als subject), prikken. 1855 (Focke 123, een doorn heeft mij gestoken). →. Ø /N’/r/4-6/-. sterrepootjehaagdis, knolstaartgekko (Thecadactylis rapicauda), in SurinaamsNederlands heden kwakwasneki* genoemd. Als de teentjes gespreid staan hebben de voetjes de vorm van een ster. 1770 (Hartsinck 100) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /(N’-N)N’/d/2/W./. stijlen, dram* stoken. < Engels to still, ‘distilleren’ in het algemeen. 1759 (Inventaris Archief Raad van Politie 974). - 1855-1863 (Bartelink 1916:46). Zie ook: dramstijlder*, drambrander*. Ø /E/pt/2-5/-. stijlerij, afdeling op een suikerplantage waar dram* en verwante producten gestookt worden. < Engels stillery (oed). Niet eerder aangetroffen dan van 1884 (De Surinaamsche Courant nr. 9) tot 1962 (Ostendorf 230); dramstijlderij* al veel

stoel

eerder (1770); in het voormalige Nederlands Oost-Indië 1890 (wnt). Zie ook stijlerijslangen*. stijlerijslangen, slangen als onderdeel van een distilleerapparaat voor dram*. Zie stijlen*. Stijlerij hier op te vatten als ‘het stijlen’. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 2). Ø /E-N/pt/4/-. stijlhuis, stokerij van dram*. < Engels stillhouse (Ligon 1757; 1673:84a). Zie stijlen*, zie huis*. 1835 (Teenstra 1:234). Zie ook: dram(stijl)huis(je)*, dramstijl­ derij*. Ø /E/pt/4/-. stinkhout, enige liaansoorten van het genus Lonchocarpus. De bast stinkt en bevat een visvergif (zie het synoniem nekoehout*). 1685 (Schiltkamp & De Smidt 162). - 1858 (Copijn 16). →. Zie ook: nekoehout*. Ø /N-N/wp/1-6/-. stinkvogel, vier zwarte giersoorten behorende tot de genera Cathartes en Coragyps. Echteld (1961:152) vat de Sranantongonaam tingifowroe op als ‘indirecte ontlening’ aan niet bestaand Engels stink-fowl. Dan moet de Sranantongo-naam in 1667 bestaan hebben en is Surinaams-Nederlands stinkvogel daarvan de leenvertaling. 1740 (Anonymus 22). - 1855 (Focke 136). →. Opmerking: In hedendaags SurinaamsNederlands ook vaak genoemd bij de Sranantongo-naam. Zie ook: raaf* (I). Ø /S/d/2-6/-. stoel, bij een molen met staande rollers* (1), hetzij beestenwerk* of waterwerk*, de houten constructie die het persmechaniek (de rollers*, 1) overeind doet staan en omvat. < Europees-Nederlands stoel voor constructies met in principe dezelfde functie en een soortgelijke vorm als bij andere al eerder bestaande typen molen.

stok

211

1720 (Oostindie 1989:43). - 1851 (Van Stipriaan 1993:194). Zie ook: brug* (1), grote en kleine stoel*. Ø /N’/pt/1-4/-. - : grote stoel, stoel* bij een waterwerk*. Ter onderscheiding van de kleine stoel*. 1786 (Blom 58). Ø /N+N’/pt/3/-. - : kleine stoel, bij een waterwerk* de buitenste van de twee houten EuropeesNederlandse stoelen (stutten) waarop de as van het scheprad* met zijn uiteinden rust. Ter onderscheiding van de grote stoel*. Zie ook galg*, galgenbint*. 1786 (Blom 58). Ø /N+N’/pt/3/-. stok (-ken), suikerrietstengel. 1786 (Blom 41). Zie ook: rietstok*. Ø /N’/pt/3/stookgat (-en), in een kookhuis* het gat bij de test* waardoor brandstof wordt ingebracht. 1721 (Schiltkamp & De Smidt 341; strookgat is een zetfout). 1787 (Blom 65). Ø /N-N/pt/1-3/-. stoorhuis (-huizen), pakhuis, magazijn. < Engels store-house. Zie huis*. 1669 (Schiltkamp & De Smidt 52). Ø /E/r/1/-. straatvoogd, voogd van een slaaf zonder eigenaar. < Europees-Nederlands straatvoogd, voogd van een niet-handelingsbekwame vrouw om die in rechte te vertegenwoordigen. 1797 (Koulen 1973:19). - 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 2). Ø /N’/bs/3/-. straatvoogdij, voogdij als uitgeoefend door een straatvoogd*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 19). Ø /N’/bs/4/-. strandhert, witstaarthert (Odocoileus virginianus cariacou). Het is een dier van open landschappen en kan ook op het strand worden aangetroffen. 1835 (Teenstra 1:407). →. Zie ook: awojo*, savanehert*. Ø /N-

stukland

N/d/4-6/-. stroopteer, taaie massa die ontstaat als men suikerrietsap te lang laat indikken. 1835 (Teenstra 1842:168). Ø /N-N/pt/4/-. stuiver, zekere, alleen in Suriname geldige munt, geslagen in Nederland. < Europees-Nederlands stuiver, munt met in de loop van de tijd verschillende waarden, gebruikt zowel in Nederland als in Suriname. Korte tijd in omloop geweest tijdens gouverneur Crommelin (1756-1768). Waar eerder sprake is van stuiver wordt een munt bedoeld die zowel in Nederland als in Suriname geldig was (zie De Jong 1980:82). Teenstra (1834; 1842:215) noemt een halve stuiver. Ø /N’/bs/2/-. stuk (het, -ken), blok, rechthoekig perceel als deel van een plantage*, met vaste afmetingen, verdeeld in bedden*, beplant met één gewas, of zonder gewas en anderszins gebruikt. < Europees-Nederlands stuk, dat kan betekenen ‘stuk grond’ in het algemeen, of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 94). - 1867 (Oostindie 1989:460). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 569). - Cacaostuk: 1855-1863 (Bartelink 1916:55). - Koffiestuk: 1770 (Hartsinck 866). 1798 (Weygandt 141). - Rietstuk: 1762 (Oostindie 1989:28). - Suikerstuk: 1835 (Teenstra 1:197). Ook in Westelijk Guyana (Groen 1793, 2:9). Zie ook: tuin*, veld*. Ø /N’?W?/pt/25/W./. stukland, deel van een plantage* dat in stukken* verdeeld is. 1771 (Nepveu 124). 1787 (Blom 40). Ø /N’-N/pt/2-3/-.

stuurman

212

stuurman, administrateur* (zie aldaar). < Engels steersman, ‘leider’ in het algemeen (oed 16:620). 1798 (Weygandt 129). Ø /E/pp/3/-. suikerbier, zekere in Suriname geproduceerde alcoholische drank; details ontbreken (niet dram*); het heeft iets met suiker te maken gehad. 1722 (Schiltkamp & De Smidt 344). 1740 (Schiltkamp & De Smidt 464). Ø /NN/r/1-2/-. suikerboontjesboom, als zoete boontjesboom* (zie aldaar). Bij Hartsinck (1770:82) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: weiki*. Ø /(N’-N)?W? / wp/2/W./. suikergeld, suiker als wettig betaalmiddel; in gebruik 1667-1761. Het woord wordt pas in latere literatuur aangetroffen, bijvoorbeeld in de Encyclopedie van Suriname (211): “periode van het suikergeld”. Zie ook: kaartengeld*, papegaaiepenning*. suikergrond: zie grond* (I, 2). suikerheer (-heren), in Suriname wonende eigenaar of directeur van een suikerplantage. 1677 (Schiltkamp & De Smidt 83). - 1682 (Schiltkamp & De Smidt 114). Ø /N-N/ pp/1/-. suikerhoepel (-s), ook kortweg hoepel*, hoepel voor en van een suikervat. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 23). Ø /N’-N’/pt/4/-. suikerhout, soort boom (Micropholis guyanensis) en zijn hout; heden Surinaams-Nederlands riemhout. Van het hout werden suikervaten gemaakt (Westeroüen van Meeteren 1883:47). 1835 (Teenstra 1:393). 1855 (Van Sypesteyn 182). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 658). Ø /N’-N/ wp/4-5/-. suikerhuis: zie suikerwerkhuis*.

suikerpont

suikerketel, kookpan voor de bereiding van suiker in een suikerbedrijf. 1855 (Focke 15). Zie: kap*, inneemketel*, malassieketel*, likaketel*, test*, kap*. Ook in Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:27), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N-(N?W?)/pt/4/W./. suikerkoker, slaaf die in een kookhuis* een kookpan (suikerketel*) bedient; ook kort koker*. Opmerking: Het wnt (16:496) geeft als betekenis ‘suikerfabrikant’ (citaat 1776). 1727-1754 (Beeldsnijder 1994:300-301). 1862 (Lamur 1983:62). Ø /N-N/pp/2-4/-. suikerland, het met suikerriet beplante deel van een suikerplantage. 1822 (Lammens 1982:193). Zie ook: kaangrond*, rietgrond* en suikergrond*, rietland*. Ø /N’-N/pt/3/-. suikerlepel (-s), grote, metalen lepel voor het opscheppen van suiker-in-wording als gebruikt in een kookhuis*. 18e eeuw (zie Oostindie 1989:51). 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 28). 1854 (De Surinaamsche Courant nr.48). Ø /N-N/ pt/2-4/-. suikermier, faraomier, een zeer klein, rood miertje dat veel voorkomt in huizen en daar de suikerpot opzoekt (Monomorium pharaonis). 1765 (Fermin 117). 1835 (Lammens 196, zuikermier). 1856 (Wullschlägel 9, Duits Zucker-ameise). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (371). Opmerking: Europees-Nederlands suikermier is een soort van de Oude Wereld die nesten maakt tussen de wortels van suikerriet (Formica saccharivora). Zie ook: huismier*. Ø /N-N/d/2-5/-. suikerpont, pont* voor het vervoer van suiker van een plantage* naar een zeeschip op de rede. Prent ca. 1760-1772 (Fontaine red.

suikerrolder

213

1980:44). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 696). Ø /N-(N’?W?)/ pt/2-5/-. suikerrolder (-s), als roller* (1). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 134). Ø /N’-E/pt/4/-. suikerschoof (-schoven). Vermoedelijk bos suikerriet. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 58). Ø /N’-N/pt/4/-. suikerstaat, suikerplantage. Zie staat*. 1763 (Oostindie 1989:81). 1788 (Roos 1804:26). 1884 (Elout van Soeterwoude 37). J. Spalberg 1913:7. Ø /N-E/pt/2-5/-. suikerstuk: zie stuk*. suikertest (-en), kookpan (suikerketel*) voor de bereiding van suiker. Zie test*. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 5, carron suikertest). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 61). Opmerking: Carron, een stad in Schotland met metaalindustrie. Ø /N-E/pt/4/-. suikerwerk, suikermolen. < Engels sugar-works (Warren 1667:17). Europees-Nederlands werk betekent hier ‘mechaniek’, ‘bewegend toestel’. 1668 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 344). - 1724 (Schiltkamp & De Smidt 369). Ø /E/pt/1/-. suikerwerkhuis, bedrijfsgebouw op een suikerplantage. Zie suikerwerk*, zie huis*. 1763 (Pistorius 4, 9). Opmerking: Vermoedelijk bedoelt Reeps (1693:19) met suikerhuis hetzelfde. Ø /E-N/pt/2/-. suikerworm, rups van de suikerrietmot (Diatraea saccharalis). Zie worm*; het dier tast suikerrietstengels aan. 1786 (Visscher Heshuysen 447). Bij Blom (1787:46) kortweg de wurm. Ø /N’-

Surinaamsch

N/d/3/-. suppleijen, suppleien, suppleyen, supplyen; suppleren (gesuppleerd), supleren, inboeten, dat is verouderde en afgestorven exemplaren van een cultuurgewas vervangen door jonge planten. < Engels to supply, ‘vervangen, aanvullen’ in het algemeen - evenwel bij Ligon voor Barbados in 1657 (1673:88) in de betekenis als in Surinaams-Nederlands - of afkomstig van Europees-Nederlands suppleren waarin het een aantal verwante betekenissen kon hebben, maar niet deze (wnt). Suppleyen e.a. zonder -r-: 1740 (Anonymus 34). - 1835 (Teenstra 1:202). Suppleren e.a. met -r- : 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:128). - 1835 (Teenstra 1:288). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 662). Samen: /E?N’?/pt/2-5/-. Surinaamsch: zie augurk*, brandewijn*, flamingo*, calaloe*, huwelijk*, mosterd*, olifant*, thee*, theeboom*. - : Toegevoegd achter een bedrag in geld beduidt het, dat het Surinaams geld betreft, ter onderscheiding van Hollandsch* (zie verder aldaar) of Nederlandsch*. 1718 (Herlein 86). - 1822 (Lammens 1982:89). →. Ø /N’/r/1-6/-. ‑ : Er zijn in Suriname dieren die daar dezelfde naam hadden en soms nog hebben als een ander dier in Nederland. In zo’n geval treft men nogal eens aan, dat een auteur aan de naam in Suriname Surinaamsch toevoegt, bijvoorbeeld Surinaamsche vos. Vrijwel altijd blijkt echter uit het totale bronmateriaal, dat zo’n aanduiding een incidenteel geval betreft en lijkt de toevoeging althans in Suriname niet werkelijk gebruikt te zijn. Er is in dit boek dan ook geen aandacht aan besteed. Voor dergelijke namen van planten geldt hetzelfde. - : oud Surinaamsch geld, al het geld (munten en dergelijke) dat bij de munt-

214

swamp

regeling van 1854 werd ingetrokken en vervangen door geld als in Nederland. Zie gulden*. 1855 (Focke 127, 136). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 488). Ø /N’/bs/4-5/-. - : op zijn Surinaamsch leven, als blanke man in concubinaat leven met een negerin of een gemengdbloedige vrouw. Ter onderscheiding van de huwelijkse staat met een blanke vrouw; daarvoor bestaat niet een onderscheidende formulering. Zie ook huishoudster*. 1842 (in Van Lier 1977:556, 57). Ø /N+N/ bc/4/-. swamp(-): zie zwamp(-)*. swieping: zie zwieping*. swiepvis: zie basjafisi*. switie-boontje, enige bomen en struiken van het genus Inga, hun peulen en zaden. < Sranantongo switi boonki (Focke 1855:129). Het is zeer waarschijnlijk een vertaling van Surinaams-Nederlands zoete boontjes(boom)*. Zie verder aldaar. 1855 (Van Sypesteyn 185). - 1910 (Penard 101). →. Zie ook: prokonie*, weiki*, basterd-zwieti boonti*. Ø /S-N/wp/4-6/-. switie moffo, swit(i)e moffe, lekker hapje, in het bijzonder dierlijke toespijs. < Sranantongo switi moffo (Focke 1855: 129); Sranantongo switi, ‘lekker’; Sranantongo mofo (onder meer ‘hapje’). 1749 (Beeldsnijder 1994:170). - 1845-1849 (Boekhoudt 1874:125). →. Ø /S/r/2-6/-. symarouba: zie simarouba*.

t taaie, taaijer: zie tayer*. taas: zie tas*.

tafia

tabakhout, niet geïdentificeerde, inheemse boomsoort en zijn hout. 1835 (Teenstra 1:394). Ø /X-N/wp/4/-. tabbetje, tappetje (het, -s), eiland in een rivier, ook indien ontstaan door kunstmatige afsnijding van een bocht. < tap* (stroomversnelling): zie aldaar. Natuurlijke eilanden komen veelal voor samen met stroomversnellingen (vallen*). Tabbetje: 1738 (Schiltkamp & De Smidt 450). - 1855 (Focke 129). →. Ø /S/m/2-6/-. Tappetje: 1737 (De Lavaux). - 1791 (Hoogbergen 1984:129). Ø /S/m/2-3/-. tafelboom, 1. een ingevoerde, aangeplante boomsoort (Terminalia catappa), thans genoemd amandelboom*; 2. enige boomsoorten van het genus Cordia. 1. De boom wordt zodanig tot schaduwboom gesnoeid, dat de kroon de vorm krijgt van een rond tafelblad. 1786 (Blom 70). 1855 (Focke 3). Ø /N’-N/ cp/3-4/-. 2. De kroon is van nature plat. 1835 (Teenstra 1:352). →. Zie ook: boschtafelboom*. Ø /N’-N/ wp/4-6/-. tafelkrans (-en), “een opengewerkt zilveren blad op pootjes als gebruikt op de tafel in een kamer, soms om iets op te zetten, soms als bovenstel van een komfoor” (wnt 16:754). 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 58, in de eerste bovengenoemde betekenis). Opmerking: De citaten in het wnt doen vermoeden, dat het woord, behalve in Suriname, alleen in 17e- en 18e-eeuws Nederlands in het voormalige Nederlands OostIndië gebruikt werd. Ø /N-N’/bc/3/-. tafia, een slechte soort rum, het eenmalige distillatieproduct van het schuim op kokend suikerrietsap. < Frans tafia. Het wordt tegenwoordig onder deze naam ingevoerd uit FransGuyana; wellicht vroeger ook al.

taijer

215

1854 (Kappler 1983:113). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 74). →. Zie ook: Surinaamse brandewijn*, dram*, kilduivel*, garappa*, lowijn*. Ø /Fr./r/4-6/-. taijer(-), tajer(-): zie tayer(-)*. takroeba, niet nader identificeerbare boomsoort. < Sranantongo takroeba (Focke 1855:131). 1835 (Teenstra 1:394). 1855 (Focke 131). Ø /S/wp/4/-. tamanoa (de), grote miereneter (Myrmecophaga tridactyla). Tropisch Amerikaans element, sub 3; voor meerdere soorten miereneter. 1835 (Teenstra 2:406). 1900 (Penard 1:90). →. Opmerking: Al genoemd door Houttuyn (1, 1:486; 1761): “in Amerika (...) tamandua geheeten”. Wat bedoelt hij met “Amerika”? Ø /Am/d/4-6/-. tamarindegarde, tamarinderoede(n), tamarindestokken, roede van twijgen van de tamarinde, gebruikt als tuchtigings­ instrument. Tamarindegarde: 1765 (Nepveu 83). 1770 (Hartsinck 916). Tamarinderoede(n): 1832 (J. Melker in Oso 22:255). - 1855 (Focke 150). Tamarindestokken: 1768 (Van Dyk 51, tammeryn-stokken). - 1834 (Teenstra 1842:46). Opmerking: In wnt (16:847) tamarinderoede bij Nicolaas Beets. Zie ook: goejavegarde*. Samen: /N-N/bc/2-4/-. tanuki, niet geïdentificeerde plant: “Myrthus draegende roode besien” (Van Aerssen van Sommelsdijck 1686 nr. 29). De naam is vermoedelijk indiaans. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck zie boven). Ø /Ind.?/wp/1/-. tap (de, -pen), stroomversnelling, waterval; in Surinaams-Nederlands heden dam,

tarantula

soela en val*. < Sranantongo tapu (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1995:90) voor onder meer ‘stop’ (zelfstandig naamwoord) en ‘versperren’ < Engels stop, Smith 1987:227. Volgens oed kunnen Engels stop (16:775) en Schots stap (16:519) betekenen ‘waterkering’ of ‘dam’ in een rivier, een Engelse water stop. Een stroomversnelling of een waterval kan een versperring zijn die noopt tot een ‘stop’ als men met een boot passeren wil. Het woord kan echter ook afkomstig zijn uit Oostelijk Guyana of Westelijk Guyana (zie beneden). 1770 (Hartsinck 574). Ook in Oostelijk Guyana en Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:174 en 266). (S?W?/m/2/O./W./. tapana, gegiste drank, door indianen bereid uit het afkooksel van cassave* (1) waarin aangebrand cassavebrood*. < Arowaks en Karaïbisch tapana (Van Coll 1903:649). 1854 (Kappler 1983:97). - 1858 (Copijn 15). →. Zie ook: casiri*, pajarware*, pernou*. Ø /Ind./ic/4-6/-. tapoer(i)pa, taproepa, een boomsoort (Genipa america), zijn hout en zijn vrucht. < Karaïbisch tapoeripa (Van Coll 1903:649), tapurùpo (Courtz 383) of < Sranantongo tapoeroepa (Focke 1855:133). 1740 (Anonymus 19). - 1855 (Focke 133, Van Sypesteyn 12). →. Ø /K?S?/wp/2-6/-. tarantula, tarantel, de zwarte boschspin*, misschien ook de bruine (zie beneden). < Europees-Nederlands tarantula, een grote wolfspin uit Zuid-Europa (Lycosa tarentula). 1771 (Nepveu 339). - 1855 (Focke 4). →. Bij Hartsinck (1770:101) de bruine boschspin* voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Ø /N’?W?/d/2-6/W./.

tas

216

tas, tasch, 1. blad(eren) van de taspalm* als dakbedekking, ook attributief; 2. taspalm* (zie aldaar). < Sranantongo tassi (Hermann 1689, fol. 29) < Engels thatch, Smith 1987:225. 1: 1711 (Schiltkamp & De Smidt 279). 1802 (Blom 178). →. Ø /S/r/1-6/-. 2: 1855 (Focke 133). →. Ø /S/wp/4-6/-. tasblad (-en, -eren), als tas* (1). 1718 (Herlein 82). - 1770 (Hartsinck 761). Ø /S-N/r/1-2/-. tashout, stammetje(s) van de taspalm* als bouwmateriaal. 1730 (S. de Groot in Weekkrant Suriname 24-9-1988). 1770 (Hartsinck 761). Ø /SN/r/2/-. taspalm, kleine soort palm (Geonoma baculifera), die tas* (1) levert. 1854 (Kappler 1983:31). - 1927 (Stahel 12). Ø /S-N/wp/4-5/-. tasse, taschen (bn.), 1. van tas* (1), alleen in de combinatie tasse daeken; 2. beheerst door tas* (2). 1: 1685 (Schiltkamp & De Smidt 159). 1725 (Schiltkamp & De Smidt 385). Ø /S/r/1/-. 2: 1784 (Heneman, tasse swamp); zie zwamp*. Ø /S/wp/3/-. tasstok (-ken), stok of rotting van een stammetje van tas* (2) om te gebruiken als wandelstok of om ermee te slaan; in Surinaams-Nederlands heden tastiki (< Sranantongo). 1740 (Anonymus 71). - 1835 (Teenstra 1:415). Ø /S-N/bc/2-4/-. tatou (-s), gordeldier (in Suriname vijf soorten uit de familie Dasypodidae). Tropisch Amerikaans element, sub 3. 1693 (Reeps 21). - 1769 (Fermin 2:110). Oudste vindplaats voor Zuid-Amerika in het algemeen Van Linschoten (1596:130). Ook in Brazilië (Keye 1659:65, tattous, meervoud), in Oostelijk Guyana (De Myst 1677:39, tatoes, meervoud) en Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:91).

tayerbraf

Zie ook: capassie*, schildvarken*. Ø /Am/d/1-2/B./O./W./. tavou: zie tovou*. tayer, teyer, tyer, taijer, teijer, tijer (de, -s), 1. eetbare knollen van 2, ook collectivum; 2. wilde en gecultiveerde vormen van (a) de plant Xanthosoma sagittifolium en (b) gecultiveerde vormen van Colocasia esculenta. < Braziliaans taja (Marcgrave 1648:35), voor de knol. Spelling die uitspraak met ai suggereert 1692-1855, met ei 1685-1788. Opvallende spellingen: taaijer (Nepveu 1771:189), taaie (1881, Kappler 1883:33) en teie (meervoud -n, Pistorius 1763:89). Zie ook: fingatayer*, ingitayer*, krastayer*, paratayer*, varkenstayer*, vingertayer*. 1: 1685 (Schiltkamp & De Smidt 155). 1872 (Anonymus 17). → (tajer) Ook in Westelijk Guyana (Groen 1792, 2:10; tyers, meervoud). Opmerking: Teenstra (1834;1835, 2:283) geeft koffoe-tayer voor vuistgrote knollen (Sranantongo kofu, ‘vuist’). Ø /Braz./cp/16/W./. 2: 1769 (De Beet 1984:86). - 1787 (Blom 36). 1910 (Sack 11). → (tajer). Bij Hartsinck (1770:62) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Voor Brazilië zie boven Ø /Braz./cwp/2-6/B./W./. tayerblad (-en, -eren), 1. als (wilde) tayer* (2); 2. bladeren van tayer* (2a) gegeten als groente. 1: 1689 (Hermann fol. 47). Ø /Braz.-N/ wp/1/-. 2: 1718 (Herlein 120, Teyer bladeren). 1913 (J. Spalburg 81, tajebladen). →. Ø /Braz.N/cp/1-6/-. tayerbraf, dikke soep (braf*) met gekookte tayer* (1) erin; heden Surinaams-Nederlands tajersoep. 1765 (Nepveu 86). 1771 (Experientia 14). Ø /Braz.-(E?S?)/r/2/-.

tayergrond

217

tayergrond: zie grond* (I, 2 en 3). taytay, teijteij, teteij, naam voor lianen en andere klim- en slingerplanten en delen van deze, in het bijzonder indien gebruikt als bindmateriaal. < Sranantongo tetey (Weygandt 1789:23), tetei (Focke 1855:135), betekent garen, touw en dergelijke < Engels tie, Echteld 1961:171. 1740 (Anonymus 19). - 1835 (Teenstra 1:423). Zie ook: bossi teitei*, boschtouw*, loangotaytay*, patatter-taytay*. Ø /S/r/2-4/-. taytay-hoepel, hoepel van suikervat gemaakt van een liaan. Zie taytay*. 1835 (Teenstra 1:241). Ø /S-N’/pt/4/-. teie(-), teijer(-): zie tayer(-)*. teijteij: zie taytay*. temba: zie timba*. tenhout, niet geïdentificeerde boomsoort, “leverende een niet duurzaam 8 à 9 dm. kanthout op” (Teenstra 1835, 1:348, 396), enige vindplaats). Ø /X/wp/4/-. tent (de, -en), 1. afdak van palmblad op pont* en corjaal* om goederen of mensen te beschutten tegen zon en regen; 2. ruime en comfortabele houten kajuit op een tentboot*. Europees-Nederlands tent is een afdak in betekenis 1, maar van zeildoek of iets dergelijks. Het wnt (16:1522) geeft betekenis 2 voor Nederland, maar de twee citaten (van 1702 en 1870) duiden op een kleiner en eenvoudiger onderkomen. Evenwel, het woord kan in beide betekenissen ook afkomstig zijn uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1: 1722 (Schiltkamp & De Smidt 349). 1763 (Pistorius 18). →. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1793, 4:7). Ø /N’?W?/pt/1-6/W./. 2: 1826 (De Surinaamsche Courant nr. 68). 1866 (Van Schaick 119).

test

Opmerking: Het voorkomen van tentboot* van 1684 tot 1917 doet vermoeden, dat de periode waarover tent in betekenis 2 is gebruikt, veel langer is geweest dan de twee vindplaatsen suggereren. Ø /N’?W?/ bc/4/-. tentboot (de, -en), grote roeiboot met vier, zes of acht roeiers, voor het vervoer van mensen, voorzien van een tent* (2). 1684 (Schiltkamp & De Smidt 146). - 1866 (Van Schaick 44). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 569). Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:478), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: uitlopertje*. Ø /(N’?W?)-N/ bc/1-5/W./. tentcorjaal, corjaal* voor het vervoer van mensen, voorzien van een tent* (1). 1755 (De Beet & Price 1982:79). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 6). Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:418), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: slagterstentcorjaal*. Ø /(N’?W?)Am/bc/2-4/W./. tentpont, pont* voorzien van een tent* (1). 1740 (Anonymus 10). - 1825 (Oostindie 1989:494). Opmerking: Bij Blom (1787:82) een tentpontje; zie pontje*. Ø /(N’?W?)(N’?W?)/pt/2-3/-. test (de), de laatste en kleinste van een serie van vier suikerketels* (kookpannen) voor de bereiding van suiker. < Engels tatch, tach, bij Ligon (1657; 1673:90 e.a.), gezien de algehele overeenstemming in betekenis. nb: Portugees tache (J.L. Taylor 597), < Engels, betekent ‘suikerketel’ in het algemeen. 1765 (Nepveu 630) - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 129, carron test). Opmerking 1: Carron, een stad in Schotland met metaalindustrie. Opmerking 2: “De test is rijp” betekent dat de massa in de test de juiste dikte heeft

testies

218

gekregen (West-Indië 2:133; 1858). Zie ook: inneemtest*, likatest* en suikertest*, mallassie ketel*. Ø /E/pt/2-4/-. testies, persoon geboren uit een blanke en een poesties*, dus 31/32e blank en 1/32e neger. Opgenomen, hoewel in de onderhavige periode niet vermeld gevonden. Het woord vormt het eind van het opmerkelijke rijtje mulat, mesties*, casties*, poesties*, testies. 1883 (Veth 1889:103). 1913 (Themen in Polanen 1982:62). teteij; zie taytay* tetoemore, niet geïdentificeerde boomsoort: “een fraaije boom draagende seer ...[onleesbaar] ruijkende bloemen” (Van Aerssen van Sommelsdijck, zie beneden), inheems. De naam is vermoedelijk indiaans. 1686 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 30). Ø /Ind.?/wp/1/-. teyer: zie tayer*. thee: Surinaamsche thee, aftreksel (‘thee’) van bladeren van de Surinaamsche theeboom*, gebruikt als drank. 1835 (Teenstra 2:344). Ø /N+N’/r/4/-. theeboom: Surinaamsche theeboom, lantana, een wilde heester (Lantana camara), die heden in Surinaams-Nederlands korsoewiwiri (zie koorsoewiewierie*) genoemd wordt. < Europees-Nederlands theeboom, de boom Camellia sinensis, de leverancier van de ‘echte’ thee. 1771 (C. Dahlberg nr. 8). Ø /N+(N’-N)/ wp/2/-. ticoco, rode flamingo (Phoenicopterus roseus), heden in Surinaams-Nederlands genoemd zeegans of segansi. < Sranantongo ticoco (Fermin 1765:91; Focke 1855:137) < Karaïbisch tokoko (Courtz 388). 1763 (Pistorius 71). 1770 (Hartsinck 1770:114). Ø /(K)S/d/2/-.

tij

tiekie: zie alanjatiki*. tienge monnie, enige boomsoorten van de onderling verwante genera Protium en Trattinickia. Sranantongo tingimoni (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:179). 1835 (Teenstra 1:396). 1855 (Van Sypesteyn 182). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 591). → (tingimoni). Ø /S/wp/4-6/-. tigre: zie tijger*. tigrifowroe, rosse tijgerroerdomp (Tigrisoma lineatum). < Sranantongo tigrifowroe (Focke 1855:137) < tijgervogel* (zie aldaar). 1796 (Stedman 80, Engelse spelling). →. Ø /S/d/3-6/-. tigriston, handjesgras of bahamagras (Cynodon dactylon), een wereldwijd verbreide grassoort. < Sranantongo tigriston (Woordenlijst van het Sranantongo 1961:84). Sranantongo tigri, hetzelfde als tijger*; Sranantongo ston, ‘testikel’. De naam is (nog) niet verklaard. 1835 (Teenstra 1:282, tikriston). →. Zie ook: Boheems gras*. Ø /S/wp/4-6/-. tij, duur van een tij (getij), zes uur. < Europees-Nederlands tij, met enige betekenissen met betrekking tot de afwisseling van eb en vloed; niet deze. 1866 (Van Schaick 107). Zie ook: water* (3). Lammens (1818:147) schrijft: “De plantagie, was ruim twee getijen waters, binnenwaards* van de mond der rivier gelegen (...).” Ø /N’/m/4/-. - : tij stoppen (tij gestopt), tijstoppen (tijstopte), wachten met verder varen tot het tij (in dit geval de richting waarin het water stroomt) gunstig is. In Europees-Nederlands alleen gebruikt met betrekking tot voor de kust ankerende zeeschepen (wnt 15:1964). In Suriname uitgebreid tot het gedrag van mensen die

tijd

219

met een kleine boot op weg zijn over een benedenrivier, als eb en vloed zich daar doen gelden. tij stoppen: 1693 (Reeps 19). - 1808 (Schiltkamp & De Smidt 1273). tijstoppen: 1809 (Schiltkamp & De Smidt 1283). - 1866 (Van Schaick 49). →. Opmerking: Ook het getijde stoppen in 1783 (Schiltkamp & De Smidt 1055). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:262). Zie ook: tijstop* en varianten. Ø /N’/r/1-6/-. tijd (de, -en), in het bijzonder seizoen met betrekking tot het klimaat; alleen in droge tijd* en natte tijd*. Europees-Nederlands tijd in een dergelijke betekenis van ‘seizoen’ komt alleen voor in regentijd en samenstellingen die pleonasmen zijn, bijvoorbeeld de wintertijd. - : droge tijd, 1. seizoen met een tekort aan regen; 2. als grote droge tijd* (zie aldaar). 1: 1786 (Visscher Heshuysen 444). →. Ø /N+N’/m/3-6/-. 2: 1670 (Schiltkamp & De Smidt 58). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 42). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 189). →. Ø /N+N’/m/1-6/-. - : grote droge tijd, droge tijd* die in Noord-Suriname ongeveer duurt van half augustus tot begin december. 1770 (Hartsinck 868). - 1858 (Copijn 3). →. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:289), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: droogte*. Ø /X/m/2-6/W./. - : kleine droge tijd, droge tijd* die in Noord-Suriname ongeveer duurt van begin februari tot eind april. 1770 (Hartsinck 868). - 1839-51 (Van der Aa 1993:19). →. Ø /N+(N+N)/m/2-6/-. - : natte tijd, lang seizoen met overmaat aan regen, in Noord-Suriname ongeveer van eind april tot half augustus. 1670 (Schiltkamp & De Smidt 58). 1679 (Lichtveld & Voorhoeve 1980:61). →.

tijger

Zie ook: grote regentijd*. Ø / N+N’/m/1-?-6/-. tijer(-): zie tayer(-)*. tijger, 1. jaguar (Panthera onca); 2. poema (Puma concolor discolor). Tropisch Amerikaans element, sub 5. Europees-Nederlands tijger is een Aziatische katachtige, Felis tigris. 1: 1835 (Teenstra 2:412). 1855 (Focke 136). →. Zie ook: bonte tijger*. Opmerking: Bij Hartsinck (1770:89) schildpadtijger voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Vermoedelijk is het slechts de letterlijke vertaling van de Arowakse naam. De vlekken op de vacht lijken op die op het schild van een Surinaamse landschildpad. Ook in Brazilië (S. de Vries 1682, 2:1193). Ø /Am/d/4-6/B./. 2: 1693 (Reeps 21). - 1835 (Teenstra 2:411). →. Ook in Brazilië (Marcgrave 1648:235), in Oostelijk Guyana (Van der Woude 1677; Lichtveld & Voorhoeve 51) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:80). Opmerking: Heden voor betekenis 2 diatigri (< Sranantongo). Ø /Am/d/16/B./O./W./. - : bonte tijger, jaguar. Zie tijger* (1). Het is mogelijk dat het een leenvertaling is van Sranantongo penitigri (zie Staffeleu 1975:35), maar het ongekeerde kan ook. Bont betekent hier ‘gevlekt’. 1763 (Pistorius 54). Ø /S?(N-Am)?/d/2/-. - : gevlekte tijger, geheel als bonte tijger*: zie aldaar. 1854 (Van Sypesteyn 60). Ø /S?(NAm)?/d/4/-. - : rode tijger, poema. Zie tijger* (2); de vacht kan roodachtig zijn (zie rood*). Het kan ook een leenvertaling zijn van Engels red tiger (bij Warren 1667:12) of van Sranantongo redi-tigri

tijgerkat

220

(Focke 1855:136). 1763 (Pistorius 54). - 1855 (Focke 136). →. Opmerking: Bij Hartsinck (1770:89) hartenbeesttijger voor Suriname, Westelijk Guyana, of beide berustend op de kleur als van een hert (Stahel 1927:204). Dat kan een leenvertaling zijn van zowel een Arowakse naam als van Sranantongo diatigri, welke laatste nu ook de Surinaams-Nederlandse naam is. Ø /X/d/2-6/-. tijgerkat, naam voor drie katachtige roofdieren, de Europees-Nederlandse tijgerkat (Leopardus tigrinis), de ocelot (Leopardus pardalis melanurus) en de margay (Leopardus wiedii vigens). < Engels tiger-cat (oed 18:80, sedert 1699). 1718 (Herlein 169). - 1855 (Focke 136). →. Zie ook: wilde kat*. Opmerking 1: De eerste vermelding in Nederland is van 1842 (wnt 17, 1:88). Opmerking 2: Hartsinck (1770:89) geeft de naam voor Suriname, Westelijk Guyana of beide aan de taira (zie aira*). Ø /E/d/1-6/-. tijgervisch, tijgermeerval, een grote roofvis van het zoete water (Pseudoplatystoma fasciatum), in Surinaams-Nederlands heden genoemd spikrikati (< Sranantongo). Het dier is gevlekt zoals een tijger* (1) en wordt als ‘vraatzuchtig’ beschouwd. 1770 (Hartsinck 121). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 592). Zie ook: spiegelkat*, spikkelkat*. Ø /AmN/d/2-5/-. tijgervogel, rosse tijgerroerdomp (Tigrisoma lineatum). De volgroeide, maar nog niet geslachtsrijpe exemplaren zijn bruingeel-zwart gestreept, zoals een Europees-Nederlandse tijger uit Azië. Mogelijk dacht men eertijds met een aparte soort te maken te hebben. 1740 (Anonymus 22). - 1855 (Focke 137). 1908 (Penard & Penard 170). → (tigrifowroe*). Ø /Am-N/d/2-5/-. tijstop, tijdelijke onderbreking van een

timmerneger

boottocht over binnenwater om gunstiger tij af te wachten. Zie tij stoppen*. 1809 (Schiltkamp & De Smidt 1282). Ø /N’-N/r/3/-. tijstoppen: zie tij stoppen*. tijstopplaats, in het bijzonder van overheidswege aan boschnegers* aangewezen plaats waar het hun is toegestaan een tijstop* te houden. 1809 (Schiltkamp & De Smidt 1283). Ø /(N’-N)-N/bs/3/-. timba, temba, loopplank als brug over een sloot (trens*), vlonder over een moeras (zwamp*). < Sranantongo tiemba (Focke 1858a:315). 1850 (Hoogbergen 1978:65, 67). - ca. 1850 of wat later (Winkels IV:287). 1915 (Rustwijk 3). Ø /S/r/4-5/-. timmerkrijt, krijt in de vorm van een blokje, gebruikt door bouwvakkers om een gespannen draad wit te maken, die dan dient voor het afdrukken van een rechte, witte lijn op een horizontaal ondervlak. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 16). → (timmermanskrijt) Ø /N’-N/r/4/-. timmerloods, op een suikerplantage een timmermanswerkplaats, meer in het bijzonder voor de vervaardiging van suikervaten. 1768 (Van Dyk 110). 1835 (Teenstra 1:213). Zie ook timmerneger*. Ø /N-N/pt/2-4/-. timmerman (-s), (ook:) specht. De vogels kloppen met hun snavel goed hoorbaar op stammen en takken. 1740 (Anonymus 22) - 1866 (Van Schaick 127). →. Ø /N’/d/2-6/-. timmerneger, negerslaaf (neger*) werkzaam als timmerman in het algemeen of in het bijzonder als kuiper. 1740 (Winkels I:24). - 1866 (Van Schaick 142). Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:394), mogelijk afkomstig van daar. Zie ook: kuiperneger*. Ø /N-Am)?W?/

tingimoni

221

pp/2-4/W./. tingimoni: zie tienge monnie*. tjap, hak, een gereedschap om de bovenlaag van de grond mee los te hakken. < Sranantongo tjappo (Schumann 1783:180) < Engels to chop, ‘hakken’, Focke 1855:137. 1828 (Kuhn 170). - 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 92). →. Ø /S/pt/4-6/-. tjappen (getjapt), werken met een tjap*. 1855-1863 (Bartelink 1916:86). →. Zie ook: omslaan*. Ø /S/pt/4-6/-. tjotjo, huiswinterkoning, een klein vogeltje (Troglodytes aedon albicans), heden genoemd gadofowroe* (< Sranantongo), zie aldaar voor andere namen. < Sranantongo tjotjo (Focke 1855:138), een geluidnabootsing. 1786 (Roos in Letterkundige Uitspanningen 3:28). - 1855 (Focke 138). →. Ø /S/d/3-6/-. tjotjovogeltje, als tjotjo*. 1835 (Teenstra 2:428). - 1855 (Focke 138). Ø /S-N/d/4/-. todde (-n), pad (het dier). < Sranantongo todde (Fermin 1765:12), todo (Focke 1855:138) < Engels toad, Echteld 1961:76. 1835 (Teenstra 2:436) - 1866 (Van Schaick 281). → (todo, als Sranantongo). Ø /S/ d/4/-. toddejackie, de uitzonderlijk grote larf (‘kikkervisje’, in dit geval groter dan het volwassen dier) van de paradoxale kikker of Surinaamse staartvors (Pseudis paradoxa). < Sranantongo tododjaki (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 592). Van Sranantongo todo, dat betekent onder meer ‘kikker’, en jakje* (2). 1835 (Teenstra 2:436). Ø /S/d/4/-. todo ax (todo axen), zekere, niet nader omschrijfbare soort ax* (aks). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 5) 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 17, Ameri-

Toevinga

kaansche todo axen; nr. 49). Ø /X-E/bc/4/-. toecoemaun-boom, een palmsoort (Astrocaryum aculeatum). < Sranantongo toekoemaw < Karaïbisch toekoemoe (Ostendorf 1962:258). 1771 (Nepveu 356). Ø /S-N/wp/2/-. toejoejoe (de), Amerikaanse reuzenooievaar of jabiroe (Jabiru mycteria). < Karaïbisch toejoejoe (Penard & Penard 1908:142), 1740 (Anonymus 22, toejuye). 1763 (Pistorius 71). Zie ook: blaasman*, kraan*. Ø /K/d/2/-. toelala, tourara, 1. enige plantensoorten van het genus Caladium, waarmee men verondersteld wordt een magische invloed te kunnen uitoefenen; 2. een stof, door indianen bereid uit 1, die, toegevoegd aan spijs of drank, verondersteld wordt een magische invloed te hebben. < Sranantongo toelala of < Karaïbisch toelala, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 682. 1: 1771 (C. Dahlberg nr. 121). 1907 (F.P. & A.P. Penard in Doelwijt 1974:59). →. Ø /K?S?/wp/2-6/-. 2: 1744 (Inventaris Archief Raad van Politie 797). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 110). Zie ook: kruidendeeg*, obia*, wissie*. Ø /K?S?/ic/2-5/-. toetoe, toutou (-s), recht, houten blaasinstrument, door boschnegers* gebruikt als signaalhoorn en oorlogstrompet. < Sranantongo toetoe (Schumann 1783:90), blaasinstrument in het algemeen 1768 (De Beet 1984:77). - 1789-92 (Hoogbergen 1984:135, 142). Zie ook: boschhoorn*. Ø /S/o/2-3/-. toetoeman, hoornblazer bij oorlogvoerende boschnegers*. < Sranantongo toetoeman ? (Hoogbergen 1985:493). Ø /S/o/?/-. Toevinga (-s), groepje van 8 à 10 bosindianen

toke

222

met als afwijking zodanige samengroeiingen van vingers en tenen dat het in het ergste geval lijkt of een hand slechts twee vingers heeft en een voet twee tenen; zij woonden bij een dorp van Saramakaners*. < Sranantongo Toevinga; Sranantongo toe, ‘twee’; Sranantongo finga, ‘vinger(s)’, ‘te(e)n(en)’, dus ‘tweevingerigen’ en ‘tweetenigen’. 1762 (De Beet & Price 1982:114; ook Toevingers). 1763 (De Beet & Price 1982:194, Touvinga). Ø /S/r/2/-. toke (-s), (helm)parelhoen (Numida meleagris), ingevoerd en gekweekt. < Karaïbisch toke (Courtz 388) of < Arowaks tokje voor anamoe* (Sabajo e.a. 1989:231) of < Sranantongo toke (Focke 1855:139). 1796 (Stedman 349; tokay, Engelse spelling). 1785 (Roos 1804:177). → (ook tok). Opmerking: Bij Boekhoudt (18451849;1874:136) tokki-tokki. Ø /Ind.?S?/d/3-6/-. tokkee: zie toke*. tom: zie tomtom*. tomkin: zie tonka*. tomtom, grote noedels, gekneed uit pasta verkregen door (1) gekookte maïs of (2) gekookte bananen* te stampen. < Sranantongo tumtum (Schumann 1783:189) < Afrikaans, Lichtveld 1929:525. Het woord bootst het geluid van het stampen na. 1: 1718 (Herlein 120). - 1796 (Stedman 374). Ø /S/sc/1-3/-. 2: 1765 (Nepveu 85) - 1855 (Focke 140). →. Ø /S/sc/2-6/-. tomtomblok, stampblok, in het bijzonder voor tomtom*. 1835 (Teenstra 1:432; 2:266). Ø /S-N/sc/4/-. tomtommat, als tomtomblok*. Zie tomtom*, zie mat*. 1855 (Focke 79). Zie ook: stampmat*. Ø /S-S/sc/4/-.

tonquin-boontjes-boom

tonka, twee onderling verwante boomsoorten, (a) Dipteryx odorata en (b) Dipteryx punctata. Het woord of een samenstelling ervan komt ook voor in het Sranan (Focke 1855:140), het Frans (wnt 17, 1:1087), het Engels (oed 18:228), het Duits 17681780 (Quandt 1807:157) en het Portugees. Buarque (z.j.) stelt, dat het Portugees tonca heeft ontleend aan tõca, uit een Caribische indianentaal. Zie verder tonkaboon*. 1835 (Teenstra 1:396). - 1845-49 (Boekhoudt 1874:77). →. Opmerking: Het is mogelijk, dat met tomkin (Anonymus 1740:18) hetzelfde wordt bedoeld. Ø /X/wp/4-6/-. tonkaboom, als tonka*. 1835 (Teenstra 1:119). 1855 (Focke 140). Opmerking: Eerste voorkomen in Nederland 1872 (wnt 17, 1:1087). Ø /X-N/ wp/4-6/-. tonkaboon (collectivum), tonkabonen, zaad (bonen) van tonka* (a). Deze bonen bevatten cumarine, een reukstof. Eertijds werden ze gefermenteerd, gedroogd en gemalen en dan als poeder toegevoegd aan snuif en tabak. Hartsinck (1770:82) zegt van de bonen, dat ze ruiken naar Tonquin Tabak, kennelijk niet wetend dat het verband omgekeerd was. Hierdoor werd de suggestie gewekt, dat die tabak genoemd zou zijn naar het Aziatische gebied Tonkin, dat inderdaad tabak voortbracht. Opmerkelijk is, dat Stedman (1796:25) in het Engels tonquin beans gebruikt, in strijd met andere vindplaatsen in de oed (18:228). Zie ook tomkin onder tonka*. 1855 (Focke 140). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 6). →. Opmerking: Eerste vondst in Nederland 1871 (wnt 17, 1:1087). Ø /X-N/wp/4-6/-. tonquin-boontjes-boom, als tonka* (a). Zie tonkaboom*, tonkaboon* en tomkin*

top

223

(onder tonka*). 1770 (Hartsinck 82). Ø /(X-N)-N/wp/2/-. top, als riettop*: zie aldaar. 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 805). - 1835 (Teenstra 1:199). Ø /N’/cp/2-4/-. tor, zwarte tor, zeker dier dat te velde staande tayer* aanvreet. 1736 (Beeldsnijder 1994:167). 1740 (Anonymus 67, 94, de swarte tor). Ø /N+N/d/2/-. toriman, kleine chachalaca, een boomhoen (Ortalis motmot). < Sranantongo toriman (Schumann 1783:184). De betekenis is ‘verklikker’; de vogel blijft als hij een mens heeft opgemerkt, deze roepend volgen. 1796 (Stedman 199, toreman). 1908 (Penard & Penard 262). Zie ook: wakago*. Ø /S/d/3-5/-. tortelduif, musduif (Van Loon), een kleine soort duif (Columbina passerina). < Europees-Nederlands tortelduif, een duivensoort in Europa (Streptopelia turtur); er is niet een opvallende gelijkenis. 1740 (Anonymus 23). - 1835 (Teenstra 2:429). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 211). Zie ook: steenduifje*. Ø /N’/d/2-6/-. tourara: zie toelala*. toutou: zie toetoe*. Touvinga: zie Toevinga*. touw: aan het touw, aan de boven het hoofd samengebonden polsen hangend aan een touw (gezegd van een slaaf of slavin die in deze toestand gegeseld of anderszins gepijnigd wordt). 1733, 1740 (Beeldsnijder 1994:216, 218). 1768 (Van Dyk 50). Ø /N’/bc/2/-. tovou, tavou, naam ten onrechte vermeld voor (een) ottersoort(en). Zie Van Donselaar (1997a: 227). 1718 (Herlein 172). 1763 (Pistorius 58). 1769 (Fermin 2:95). 1796 (Stedman 94). trap, val voor het vangen of doden van een dier.

trasdraaier

Ook Europees-Nederlands, maar in het wnt met laatste citaat uit 1669. In Suriname mogelijk < Sranantongo trappu (Schumann 1783) of < Engels trap. 1835 (Teenstra 2:360). → (niet algemeen). Ø /X/r/4-6/-. trapmolen, als katoenmolen* (b). wnt (17, 1:2130) geeft het woord alleen als gewestelijk (1903) voor een apparaat waarmee gebraakt vlas gezuiverd werd. 1835 (Teenstra 1:290). Ø /N-N/pt/4/-. trapoen, tarpoen of tarpon, een vis (Megalops atlanticus). < Sranantongo trapoen (Focke 1855:141). 1835 (Teenstra 2:460). →. Ø /S/d/4-6/-. trapper (-s), vermoedelijk soort spade. 1740 (Anonymus 50). Ø /N’/pt/2/-. tras (de), afval van suikerriet: 1. ampas of bagasse, dat zijn geheel uitgeperste stengels; 2. afgekapte bladeren en ander afval dat op het veld achterblijft. Zie ook: (riet)trassen*. < Engels trash (afval, in het bijzonder van suikerriet), Smith 1987:262. 1: 1763 (Inventaris Archief Raad van Politie 808). - 1858 (West-Indië 2:288). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 661). Opmerking 1: De Eensgezindheid (1804:124) schrijft dras. Opmerking 2: wnt geeft het woord ook (1843) voor het voormalige Nederlands Oost-Indië. Ø /E/pt/2-5/-. 2: 1786 (Visscher Heshuysen 442). - 1835 (Teenstra 1:202). →. Ø /E/pt/3-5/-. trasbranden, uitgedroogde tras* (2) op het veld verbranden. 1786 (Blom 50). 1835 (Teenstra 1:187). Ø /E-N/pt/3-4/-. trasdraaier (-s), (bij een suikermolen met staande rollers*) 1. negerslaaf die al één maal tussen de eerste zijroller* en de middelroller* geplette suikerrietstengels (zie rietsteker*) aanpakt, draait, en tussen de

trasdrager

224

middelroller* en de trasroller* steekt om ze ten tweede male tot tras* (1) te doen uitpersen; 2. een gebogen houten buis of plaat die het één maal geplette riet* verder voert zoals ook trasdraaier (1) dat doet. In het Engels is een trash-turner zo’n plaat als 2 (oed 18:439). Het is niet uit te maken wat de herkomst is van het woord trasdraaier in de betekenissen als hierboven: Engels of een Surinaams-Nederlandse nieuwvorming. 1: 1804 (Eensgezindheid 125, drasdraaijer; zie tras*, 1). 1835 (Teenstra 1:188). Ø /X/ pp/3-4/-. 2: 1835 (Teenstra 1:220). 1850 (Oostindie 1989:48). Ø /X/pt/4/-. trasdrager, negerslaaf die tras* (1) naar de trasloods* draagt of gedroogd tras* (1) van de trasloods* naar de oven. 1835 (Teenstra 1:189). Ø /E-N/pp/4/-. trashuis, als trasloods*. < Engels trash-house (oed). 1733 (Beeldsnijder 1994:171). Ø /E/pt/2/-. trasloods, trasloos (-en), loods voor het opslaan en drogen van tras* (1), dat daarna gebruikt zal worden als brandstof. 1770 (Van Stipriaan 1993:114). - 1866 (Van Schaick 177). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 685). Zie ook: keentrasloods*. Opmerking: wnt geeft het woord ook (1863) voor het voormalige Nederlands Oost-Indië. Ø /E-N/pt/2-5/-. trasroller, de zijdroller* tussen dewelke en de koningsroller* of middelroller* het riet* voor de tweede maal wordt uitgeperst tot tras* (1). 1835 (Teenstra 1:214). Ø /E-E/pt/4/-. trassen (getrast), te velde staand suikerriet (riet*) ontdoen van verdorde bladeren, alle lagere bladeren en andere delen die niet in de suikermolen uitgeperst moeten worden; ze worden ter plaatse als tras* (2) achtergelaten.

trekken

< Engels to trash. 1786 (Blom 46). - 1835 (Teenstra 1:212). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (660). →. Zie ook: riettrassen*, trasbranden*. Opmerking: wnt geeft het woord (1863) voor het voormalige Nederlands OostIndië. Ø /E/pt/3-6/-. travado (-s), travaat (de, -en), korte, hevige windvlaag (ook op het land). Tropisch Amerikaans element, sub 5. Oorspronkelijk een zeemansterm en alleen gebruikelijk op zee. 1735 (Bijlsma 1923:56, travade(n)). - 1775 (Schiltkamp & De Smidt 890). - 1822 (Lammens 1982:23, travaat). Ook in Oostelijk Guyana (Reeps 1693:15) en Westelijk Guyana (Van Berkel 1695:102, travande). Ø /Am/m/2-3/O./W./. treef, levensmiddel op het gebruik waarvan een persoonsgebonden taboe rust. < Sranantongo treffe (Schumann 1783:185), trefoe (Focke 1855:142) < Hebreeuws/Jiddisch treif(e) (wnt 17, 1:2352). 1787 (Blom 346). - 1855 (Focke 142). →. Ø /S/sc/3-6/-. treefvlek (-ken), vlek op de huid, naar verondersteld wordt het gevolg van het verontachtzamen van het taboe op een treef*. 1828 (Kuhn 36, treefvlak). 1855-1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 686). Ø /S-N/z/4-5/-. trekbak, in een suikerbedrijf een opvangbak voor het schuim dat afgeschept is uit een suikerketel* (kookpan) en nog verwerkt moet worden tot dram*. Trekken sluit hier aan bij ‘aftappen’. 1720, 1801 (Oostindie 1989:466). Ø /N’N/pt/1-3/-. trekken: te hoog of te laag trekken (suikerrietsap), te veel of te weinig laten inkoken. Voor trekken zie onder trekbak*. Hoog en laag hebben vermoedelijk betrekking op

trekker

225

de hoogte tot waarop men het vuur onder de ketel ‘optrekt’ (doet opvlammen). 1771 (Nepveu 137). - 1835 (Teenstra 1:230). Ø /N+N/pt/2-4/-. - : de test trekken, suikerrietsap overscheppen van de test* in de koelder*. Voor trekken zie onder trekbak*. 1787 (Blom 123). Ø /E+N/pt/3/-. trekker (-s), 1. met betrekking tot een plantage een watergang die de kleine trenzen* verbindt met een hoofdloostrens* (poldertrens*); 2. grotere watergang ten behoeve van de ontwatering van Paramaribo. < Europees-Nederlands trekken, met betrekking tot waterafvoer: door een zuigende werking wegtrekken; mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1: 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1802 (Blom 155). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 569). →. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1792, 2:9). Zie ook: boventrekker*, zijtrekker*, loostrens*. Ø /N’?W?/pt/2-6/W./. 2: 1815 (Schiltkamp & De Smidt 1341). Ø /N’/r/3/-. trens (de, -en), sloot, watergang in het algemeen. < Engels trench, of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1728 (Schiltkamp & De Smidt 393) - 1866 (Van Schaick 41). →. Zie ook: blinde trens*, kleine trens*, hoofdtrens*, inneemtrens*, (hoofd)loostrens*, molentrens*, poldertrens*, pontentrens*, (hoofd)vaar(t)trens*, trekker*. Opmerking: Blom gebruikt in zijn versie van 1787 (p. 61) de woorden molensloot en vaarsloot. Ook in Westelijk Guyana (Groen 1792, 2:8). Ø /E?W?/r/2-6/W./. - : blinde trens, trens* zonder aan- en afvoer, in het bijzonder zoals ontstaan door-

trompettenzwamp

dat ten behoeve van de aanleg van een dijk (dam*, 1) de bovengrond is weggegraven. Blind betekent hier ‘zonder uitgang’. Het kan ook komen van Engels blind trench. 1787 (Blom). 1835 (Teenstra 1:170). →. Ø / N+(E?W?)? E?/pt/3-6/-. of /E/pt/3-6/-. - : kleine trens, kleinste vertakking van het stelsel van watergangen (trenzen*) op een plantage. 1740 (Anonymus 50). - 1855-1863 (Bartelink 1916; Teenstra 1:173). Ø /N+(E?W?)/pt/2-4/-. troeli, 1. (de), een palmsoort (Manicaria saccifera); 2. (het), dakbedekking bestaande uit de zeer grote bladeren van 1. < Sranantongo troelie (Focke 1855:143) < Karaïbisch toeroeli (Ostendorf 1962:262), tururi (Courtz 394). 1: 1796 (Stedman 128; trooly, Engelse spelling). - 1855 (Focke 143). →. Ø /(K)S/ wp/3-6/-. 2: 1839-51 (Van der Aa 1993:36). 1910 (Penard & Penard 525). →. Eerder in Westelijk Guyana (1735; Anonymus 1736:7), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(K)S?W?/r/4-6/W./. troelipalm, als troeli* (1). 1858 (Copijn 8). Ø /(K)S)-N/wp/4/-. troessen, duwen. < Sranantongo troesoe (Helmig van der Vegt 1844:28). 1775 (Sneebeling 1973:18). Ø /S/r/2/-. trompet, ademwortel van matakie* die lusvormig boven de grond uitsteekt. De lus doet denken aan die in het blaasinstrument. 1796 (Stedman 271; trumpet, Engelse spelling). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 671). Ø /N’/wp/3-5/-. trompettenzwamp of trompetterzwamp, moeras (zwamp*) begroeid met bos waarin de boom matakie* vele trompetten* vormt. 1772 (De Beet 1984:131). - 1852 (Hoog-

trompetter

226

bergen 1978:70). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 671). Zie ook: matakiezwamp*. Ø /N’(E?W?)/m/2-5/-. trompetter, 1. trompettervogel (Psophia crepitans); 2. naam voor enige zoetwatervissen van de genera Aspredo, Aspredinichthys en Platystacus. 1. Tropisch Amerikaans element, sub 5. De naam is ontleend aan een geluid van het dier. 1740 (Anonymus 22). - 1835 (Teenstra 2:431). Zie ook: kamikami*. Ø /Am/d/2-4/-. 2. Deze dieren maken een geluid, zowel onder water als wanneer ze boven water worden gehaald; dit wordt veroorzaakt door hun ‘darmademhaling’. 1740 (Anonymus 24). 1770 (Hartsinck 121, trompettervisch). 1835 (Teenstra 2:450). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 60, 575). Opmerking: Europees-Nederlands trompetter is de naam voor enige zeevissen, ontleend aan de vorm van hun bek. Ø /N’/d//2-5/-. tuin, blok, te weten rechthoekig perceel als deel van een plantage*, met vaste afmetingen, beplant met één gewas. In Europees-Nederlands, indien met een voedingsgewas, altijd met groente of fruit. 1735 (Bijlsma 1923:56). →. Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1763:396). Opmerking 1: Zie voor dergelijke woorden tussen 1735 en 1950 ook stuk* en veld*; in 1917 riettuin (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 660). Opmerking 2: In het voormalige Nederlands Oost-Indië gebruikt voor plantage*. Ø /N’/pt/2-?-6/W./. tuinkatoen, vermoedelijk een ras van een Gossypium-soort. Zie katoen* (1); tuin doet uitkomen dat de

uil

plant alleen als sierplant gekweekt wordt. 1835 (Teenstra 1:265). Ø /N’-N/cp/4/-. tuinmarkoesa, een soort passiebloem (Passiflora quadrangularis) met eetbare vruchten. Zie marcoesa*; wild en gekweekt in tuinen. 1855 (Focke 78). →. Ø /N-S/cwp/4-6/-. tuinneger, negerslaaf (neger*) als tuinman, wellicht als verzorger van het hele erf bij een huis. 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 5). 1855 (Focke 23). Zie ook: tuinslaaf*. Ø /N-Am/bc/3-4/-. tuinpeper, een vorm (ras?) van (Spaanse) peper*, vermoedelijk in het bijzonder gekweekt in tuinen. 1855 (Focke 24). Zie ook: jocataijapeper*. Ø /N-N’/cp/4/-. tuinslaaf, als tuinneger*. 1822 (Lammens 1982:74). Ø /N-N/bc/3/-. tyer(-): zie tayer(-)*. tyty: zie taytay*.

u uepollin, knoflookliaan (Mansoa alliacea). < Karaïbisch woe-ipole (Ostendorf 1962:166), wypore (Courtz 431). 1689 (Hermann fol. 35). Zie ook: knoflookrank*. Ø /K/wp/1/-. uil, indiaanse aanvoerder in de strijd. Vermoedelijk ontleend aan een indiaans woord, mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana; vergelijk ala voor ‘aanvoerder’ en dergelijke in Berbice (Kouwenberg 1994:556). 1722 (IJzerman 1911:653). 1796 (Stedman 217). Ook in Westelijk Guyana in 1709 (Hartsinck 1770:8; ook 265, 270). Ø /Ind.?W?/ic/1-3/W./.

uitdelen

227

uitdelen, het doen plaats hebben van een uitdeling*. 1813, 1853 (Oostindie 1989:185, 189). Ø /N’/pp/3-4/-. uitdeling (-en), periodieke uitdeling van een standaardpakket levensbehoeften aan de slaven van een plantage*. 1822 (Lammens 1982:112). 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 100). Uitdelingsgoederen (De Surinaamsche Courant 1853 nrs. 4 en 108). Plantaadje uitdelingen (De Surinaamsche Courant 1853 nr. 28). Zie ook: nieuwjaarsgoed*, slavengoederen*. Ø /N’/pp/2-4/-. uitdieken (uitgediekt), uitgraven. Europees-Nederlands uit + dieken* (zie aldaar). 1740 (Anonymus 110). → Ø /N-S/r/2-6/-. uitklaren (een dode), bezorgen. Europees-Nederlands uitklaren kan betekenen: zeeklaar maken (een schip). 1866 (Van Schaick 201). Zie ook: uitwaaien*. Ø /N’/bc/4/-. uitlaxeren, geheel laxeren* (1 en 2), dat wil zeggen tot al het overtollige vocht uitgezakt is. Europees-Nederlands uit + laxeren*. 1786 (Blom 73), 1787 (Blom 74). 1801 (Blom 63; uitlaxeering). Ø /N-Port./pt/3/-. uitlegger (de, -s), ambtenaar gevestigd op een post* nabij het woongebied van gepacificeerde indianen, als contactpersoon en om op dezen toezicht te houden. Zie verder onder posthouder* en postlegger*. Zie ook: bijlegger*. 1780 (Schiltkamp & De Smidt 979). Ø /N’/ bs/3/-. uitlopen, (in het bijzonder, met betrekking tot negerslaven) tijdelijk de eigen plantage* verlaten om zijn of een vrouw op een andere te bezoeken. 1826 (Kuhn 26). Opmerking: Vermoedelijk langer in

vaartrens

gebruik, gezien de tegenwoordige betekenis: buiten de echtelijke woning overspel plegen. Ø /N’/sc/4/-. uitloper, slaaf die uitloopt*. 1825 (Teenstra 1842:28). Opmerking: Als bij uitlopen*. Ø /N’/sc/3/-. uitlopertje, tentboot* met vier roeiers en een stuurman. De herkomst van het woord is onduidelijk. 1849 (Winkels IV:288). Ø /X/bc/4/-. uitmodderen, modderen, uitbaggeren. 1856 (Oostindie 1989:187). 1858 (Van Stipriaan 1993:84). Zie ook: bedelven* (2), ophalen*. Ø /N-N/pt/4/-. uitpielen, afpellen, te weten de korrels van een maïskolf. < Engels to peel off. 1740 (Anonymus 76). Ø /E/pt/2/-. uitpikken: zie pikken* (1). uitwaaien (een dode), afleggen. De beschrijving bij Van Schaick (zie beneden) doet vermoeden dat de behandeling niet verder gaat dan grondig reinigen. 1866 (Van Schaick 197). Zie ook: uitklaren*. Ø /X/bc/4/-.

v vaartrens, vaarttrens, vaarwater op een suikerplantage, tevens deel van het waterreservoir dat het waterwerk* doet draaien. Zie trens*; er wordt op gevaren en het heeft de afmeting van een vaart. Mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1740 (Anonymus 55). - 1835 (Teenstra 1:183). 1884 (Elout van Soeterwoude 35). Zie ook: hoofdvaartrens*, poldertrens*; zie ook de opmerking bij trens*. Ook in Westelijk Guyana: 1703 (Hartsinck 1770:404, vaarttrens). Ø /N-(E?W?)/pt/2-

vaatsuiker

228

5/W./. vaatsuiker, niet geraffineerde suiker, het Surinaamse product zoals in vaten bewaard en geëxporteerd. 1757 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:95; “een bloom vaatje [blomvaatje] met vaatsuyker”). Ø /N-N/pt/2/-. vader: mijn vader!, uitroep van verbazing of ontzetting. 1855 (Focke 79). →. Ø /N+N’/r/4-6/-. val (de, -len), stroomversnelling, waterval, tussenvorm of complex van deze twee. < Engels fall, falls, of uit Oostelijk Guyana of Westelijk Guyana (zie beneden). 1718 (IJzerman 1911:649). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 644). →. Zie ook: tap*. Ook in Westelijk Guyana (Van Wallenburg 1629:11, oudste vindplaats) en Oostelijk Guyana (Hartsinck 1770:177). Ø /E?W?/ m/1-6/O./W./. valax (-en), velbijl, een ax* (zware bijl, aks), om bomen mee te vellen. Zie vallen*. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 19; Amerikaansche valaxen). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 54). Ø /Amerikaans-E/pt/4/-. vallen (gevallen), vellen (een boom, een bos). < Sranantongo falla (Schumann 1783:40) of van (Amerikaans-)Engels to fall (Webster 288). 1761 (Hudig 114). - 1852-1855 (Oostindie 1989:461). Ø /E?S?/pt/2-4/-. vanggeld, loon, verschuldigd aan iemand die een weggelopen slaaf of huisdier vangt en terugbezorgt, te betalen door de eigenaar. 1783 (Beeldsnijder in Oso 22:175). - 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 21). Ø /N-N/bs/3/-. varkenskweek: zie kweek*. varkenspen, varkenshok. Zie pen*. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname

veldneger

161:167). - 1855 (Focke 41). Ø /NE/r/2-4/-. varkenstayer (-s), de slechtste tayer* (1), wel geschikt als varkensvoer. 1835 (Teenstra 2:283). Ø /N-Braz./cp/4/-. vasijne (-n), bos takken voor het maken van een vlonder (barbekot*, 3). < Frans fascine, ‘rijswerk’. 1772 (De Beet 1984:109). Ø /Fr./r/2/-. veen (de), zwarte aarde, dat is (bijna) geheel uit verteerde en verkruimelde plantenresten bestaande bodemsoort, als bovenste bodemlaag; in Surinaams-Nederlands heden genoemd pegasse. < Europees-Nederlands veen (het), bodemsoort bestaande uit verteerde plantenresten, in een permanent waterig milieu. 1786 (Blom 9). 1788 (Roos 1804:32). Ø /N’/m/3/-. veld, blok, te weten een rechthoekig perceel als deel van een plantage*, met vaste afmeting, beplant met één gewas. < Europees-Nederlands veld in de betekenis van een stuk land in het algemeen. 1855-1863 (Bartelink 1916:25). Zie ook: stuk*, tuin*, rietveld*. Ø /N’/ pt/4-5/-. veldax (-en), vermoedelijk een ax*, dat is een grote bijl (aks), voor werk op een plantage*. 1853 (De Surinaamsche Courant nr. 108). Ø /N’-E/pt/4/-. veldezel, veldbed, stretcher. < Europees-Nederlands veldezel, ‘een schildersezel’. Het overeenkomende kenmerk is de inklapbaarheid. 1872 (Anonymus 69). 1884 (Elout van Soeterwoude 30). →. Ø /N’/bc/4-6/-. veldmeid, negerslavin (meid*) als veldarbeidster. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1855 (Kolfin 1997:76). Ø /N-N’/ pp/2-3/-. veldneger, negerslaaf (neger*) als

veldofficier

229

veldarbeider. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1855 (Focke 32). Ø /N-Am/pp/24/-. veldofficier, plantage-opzichter (officier*) over veldwerk. 1784 (Schiltkamp & De Smidt 1070). Ø /N-E/pp/3/-. venusappel, de vrucht van een ingevoerde vruchtboom (Spondias cythera). Zie onder pomme de cythère*. Zie ook appel* (2). 1835 (Teenstra 2:246). Ø /N-N/cp/4/-. verbond, niet wettige, maar wel door een zendeling ingezegende man-vrouw-verbintenis, van ca. 1850 tot 1863 tussen slaven, later van 1880 tot 1893 tussen vrijen (Encyclopedie van Suriname 138). Ø /N’/bs/4-5/-. vestigingsplaats, door de overheid aangewezen en ingericht gebied (in het algemeen nabij een plantage*), waar men als zelfstandige landbouwer gevestigd mag zijn. 1862 (Encyclopedie van Suriname 633). 1926 (wnt 21:50). Ø /N’/bs/4-5/-. vetjakje, vetjakkie, een soort draadmeerval, een vis (Rhamdia quelen). Zie jakje* (1). De betekenis van vet is hier niet duidelijk. 1783 (Roos 45). 1798 (Weygandt 142). Zie ook: toddejakkie*. Ø /N-S/d/3/-. vettewarier (-s), verkoper in het klein van levensmiddelen en andere dagelijkse levensbehoeften, waaronder textiel, huisraad, gereedschap en dergelijke. < Europees-Nederlands, betekende aanvankelijk verkoper in het klein van vette waren, later kruidenier (wnt 21:166). 1745 (Schiltkamp & De Smidt 528). - 1855 (Focke 120). 1932 (Menkman 248). Zie ook: smokkelaar* (2). Ø /N’/bc/2-5/-. vettewarierswinkel, winkel van een vettewarier*. 1745 (Schiltkamp & De Smidt 528). 1761

visschersboot

(Schiltkamp & De Smidt 708). Ø /N’-N/ bc/2/-. vierkant: met een vierkant, niet nader identificeerbare wijze van bestraffing, in dit geval (zie beneden) van een gemanumitteerde*. 1769 (Schiltkamp & De Smidt 820). Ø /X/ bs/2/-. vingertayer, een cultuurvorm van tayer* (2) en de bovengrondse, gesteelde, vingervormige knollen van deze. 1740 (Anonymus 93). - 1835 (Teenstra 2:283). → (fingatajer*). Ø /N-Braz./cp/24/-. violethout, enige niet geïdentificeerde boomsoorten en hun violetkleurig kernhout. Die van Hartsinck (1770:75), in de index violethoutboom genoemd, heeft hout dat als het gewreven wordt ruikt naar welriekende violetten, ‘viooltjes’. Tropisch Amerikaans element, sub 5. 1765 (Fermin 155). - 1821 (Von Sack, 1:183; Duits gespeld). Ook in Brazilië (Keye 1659:42, violettenhout). Ø /Am/wp/2-3/B./. vischgrond (-en), grond* (I), in dit geval gebied van een verlaten plantage*, ingericht voor de visteelt; viskwekerij. 1855-1863 (Bartelink 1916:25-26, 30), maar vermoedelijk pas later ook werkelijk voorkomend. Ø /N-E/r/4/-. vischneger, negerslaaf (neger*) op een plantage* belast met visvangst. 1840 (Winkels I:24). Ø /N-Am/pp/4/-. vischtroffel (-s), visschep (een lepel met gaten om toebereide vis mee uit een pan of schaal te scheppen). Troffel zonder meer kon in EuropeesNederlands deze betekenis al hebben (wnt 17, 2:3060). 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 21). Ø /N-N/bc/4/-. visschersboot, open boot, spits toelopend en

visscherspaard

230

platbooms, dienende niet alleen om mee te vissen voor de kust en in de beneden­ rivieren, maar ook voor transport en andere doeleinden; Bakhuis (1902:22) geeft voor de lengte ongeveer 17 meter en voor de breedte 3,5 meter, de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (714) vermeldt (voor eertijds) 8 of 10 roeiers. 1871 (De Surinaamsche Courant nr. 19). 1873 (Klinkers 1997:1873). → (heden met buitenboordmotor). Ø /N’/bc/2-6/-. visscherspaard, een soort slikslede waarmee een visser zich bij laag water over een modderbank* beweegt naar staande netten om daar de gevangen vissen uit te halen; heden in Surinaams-Nederlands (ook) modderpaard genoemd. 1855 (Focke 89). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 715). → (1959). Ø /N-N’/r/4-6/-. visscherspont, bij visvangst gebruikt vaartuig. Nadere gegevens ontbreken. De enige vindplaats betreft de inventarislijst van een plantage*, 1720-1870. ? (Oostindie 1989:65). Ø /N-(N’?W?)/ pt/?/-. vleeschtijd (de), “tijd gedurende welken men vleesch mag eten (als tegenst. tot den vastentijd)” (wnt 21:1664, met als toevoeging ‘verouderend’ en als laatste jaartal 1686). 1768 (Van Dyk 7, Vlees-Tijd, als letterlijke vertaling van Sranantongo Metti Tem. voengo (hoede), vongo-hoedoe, enige boomsoorten, in het bijzonder van de genera Parinari en Licania, en hun hout. < Sranantongo foengoe (Focke 1855:34), vermoedelijk een afkorting van Sranantongo foengoe-oedoe, in de Woordenlijst van het Sranantongo (1961:79) foengoe-bon, ‘foengoe boom’. Zowel de Sranantongo als de SurinaamsNederlandse naam foengoe is afgeleid van die van de gelijknamige ‘tondel’ (zie fonk*). Een van de boomsoorten, te weten

voetebooi

Parinari campestris (heden echte of rode foengoe genaamd), heeft op zijn twijgen de bruine haren van welke de onder fonk* genoemde mieren hun nesten (dus fonk*, foengoe) maken. De andere boomsoorten van de hier al genoemde genera hebben hout dat op dat van rode foengoe lijkt. 1835 (Teenstra 1:349). 1855 (Van Sypesteyn 182). → (foengoe). Opmerking 1: Teenstra rept niet over de herkomst van voengo. Uit de formulering “...Vonk of Voengo hoede ...” valt niet op te maken of hij vonk apart als naam bedoelt of slechts als deel van de combinatie met hoede. Zie evenwel fonk*, en vonkhout*. Opmerking 2: Teenstra (ibid.) onderscheidt twee soorten, namelijk zwarte voengo (met lichtbruin hout) en witte voengo (met geelachtig hout): zie zwart* en wit* (2). Het is de vraag of deze overeenkomen met de twee soorten die heden dezelfde namen dragen, te weten Licania micrantha en Drypetes variabilis. Ø /S/ wp/4-6/-. voet: stenen voet, liggende stenen balk of één van een aantal lage, stenen paaltjes waarop een houten huis of ander bouwwerk een eindje boven de grond rust. In Europees-Nederlands enige min of meer gelijkende betekenis van voet, nooit deze (wnt 22, 1:352-353). 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1828 (Kuhn 114). Zie ook: neut*. Ø /N+N’/r/2-4/-. voetebooi (de, -en, -s), foetoeboi, negerslaaf als huisknecht, lijfknecht of beide. voetebooi < Sranantongo foetoeboi (Schumann 1783:48) of < Engels footboy, Echteld 1961:155. 1723 (Inventaris Archief Raad van Politie 1784 fol. 74). - 1865 (Winkels III:42). Ø /E?S?/bc/1-4/-. foetoeboi < Sranantongo foetoeboi (zie

vogel

231

boven). 1788 (Voegen 9:75). - 1866 (Van Schaick 80). Zie ook: booi*, huisneger*, jongen*. Opmerking 1: Bij Van der Putte (2005:282) in 1767-1802 een jonge indiaan. Opmerking 2: footboys (meervoud, De Surinaamsche Courant 1826, nr. 68). Ø /S/ bc/3-4/-. vogel (-s), in het bijzonder kip. < Sranantongo fowroe (Focke 1855:35) of < Engels fowl, beide in deze betekenis. In Europees-Nederlands gaat de betekenisbeperking bij uitzondering tot ‘pluimvee’ (wnt 22, 1:503). 1768 (Van Dyk 54) - 1839-1851 (Van der Aa 1993:84). → (1855, in samenstellingen). Zie ook: mamavogel*. Ø /E?S?/d/2(-4)/-. vogelenkweek, vogelkweek, hoenderkweek. Zie vogel*. 1840 (Winkels I:23). 1866 (Van Schaick 174). Ø /N’-N/r/4/-. vogelhok, kippenren of hoenderhok. Zie vogel*. 1870 (Oostindie 1989:219). Ø /N’-N/r/4/-. vogelhuis, als vogelhok*. < Engels fowl-house. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1855 (Focke 35). Ø /E/r/2-4/-. vogelkaka (de), alle plantensoorten behorend tot het genus Phoradendron; heden in Surinaams-Nederlands fowroedoti (< Sranantongo) genoemd. < Sranantongo fowroekaka (Focke 1855:35). Letterlijke betekenis ‘vogelpoep’: De zaden worden verspreid via het darmkanaal van vogels die de bessen van deze planten eten. Ze ontkiemen op takken van bomen. 1740 (Anonymus 19). - 1835 (Teenstra 1:101). Ø /S/wp/2-4/-. vogelkopjeskatoen, een vorm (ras?) van katoen* (1), vermoedelijk van Gossypium peruvianum, gekweekt door indianen. Herkomst van de naam onbekend. 1835 (Teenstra 1:271). Ø /N’-N/cp/4/-.

voorpolder

vogelmeid, negerslavin (meid*) belast met de zorg voor de kippen (vogels*) of meer in het algemeen het pluimvee. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). 1768 (Beeldsnijder 1994:309). Ø /N’N’/pp/2/-. vogeloppasseres, als vogelmeid*. 1855-1863 (Bartelink 1916:41). Ø /N’-N/ pp/4-5/-. vonkhout, enige boomsoorten, in het bijzonder van de genera Parinari en Licania, en hun hout. Zie fonk*, voengo*. 1855 (Van Sypesteyn 182). Ø /S-N/wp/4/-. voordam, dijk (dam*) aan de voorzijde van een plantage* die beneden het niveau van de vloed gelegen is. 1808 (Schiltkamp & De Smidt 1269). Zie ook: polderdam*, voorpolder*. Ø /N(N’?E?W?)/pt/3/-. voorhaler, negerslaaf aan een suikermolen, “die het roostertje voor de lika-goot* schoon houdt, doende gezegde vezelen en stukken riet* in een baskietje*” (Teenstra, zie beneden). Hij voorkomt verstopping door vezels en dergelijke tijdig weg te halen. 1835 (Teenstra 1:189). Ø /N-N/pp/4/-. voorhuis, voorkamer, woonkamer. < Europees-Nederlands voorhuis, dat is het voorste deel van een huis. Bij de meeste huizen in Suriname gaf en geeft de voordeur rechtstreeks toegang tot de voorkamer die de woonkamer is. 1768 (Van Dyk 25) - 1855 (Focke 35). →. Ø /N’/bc/2-6/-. voorkapper, bij mensen die als groep door het bos lopen een man die voorop of vooruit gaat om een (provisorisch) pad te kappen. 1862 (Hoogbergen 1978:76). 1927 (Stahel 87-91). →. Ø /N-N/r/4-6/-. voorpolder, als voordam*. Zie polder*.

voorspring

232

1740 (Anonymus 53). - 1855-1863 (Bartelink 1916:38). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 568). Ø /NN’/pt/2-5/-. voorspring, periode met hoger wordende vloeden voor nieuwe of volle maan. Zie spring*. 1839-51 (Van der Aa 1993:20). Ø /NX/m/4/-. vos (-sen), enige middelgrote roofdieren met, net als de Europees-Nederlandse vos (Vulpes vulpes), een (enigszins) spitse snuit of een langbehaarde en daardoor dikke staart of beide: 1. krabbenetende wasbeer (Procyon cancrivorus); 2. rode neusbeer (Nasua nasua vittata); 3. savannevos (Cerdocyon thous); 4. boschhond (Speothos venaticus). Mogelijk (ten dele) afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1763 (Pistorius 57; vermoedelijk alle vier). 1770 (Fermin 2:91; 1, 2, 4). 1768-1780 (Quandt 1807:95). 1798 (Weygandt 39; 1). 1855 (Focke 20; 1). → (1, 2, 3). Bij Hartsinck (1770:95; 1 e.a.) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: crabbedago*, krabbenhond*, savanehond*, wilde hond*, quassie*. Ø /N’?W?/d/2-6/W./. vrijbrief, akte waarin een geval van manumissie* is vastgelegd. Het is, zoals een Europees-Nederlandse vrijbrief meer in het algemeen, een ‘brief’ (dat is hier een ‘geschreven stuk’) waarin een machtiging of iets dergelijks is vastgelegd, in dit geval om een slaaf de vrijheid te geven. 1772 (De Beet 1984:123). - 1866 (Van Schaick 70). Zie ook: brief van manumissie*. Ø /N’/ bs/2-4/-. Vrijkorps, ’s Lands Vrijkorps, een militaire eenheid van vrije (waaronder daartoe gemanumitteerde*) kleurlingen en ne-

vuur-ripse

gers, bestaande van 1770 tot 1804 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:426). Europees-Nederlands vrijkorps is een korps van vrijwilligers. 1776 (Schiltkamp & De Smidt 898). 1796 (Brouwn 45). Zie ook: Korps Vrijnegers*, Korps Jagers*. Ø /N’/o/3/-. vrijmansgrond (-en), woongebied van vrijlieden (‘voormalige slaven’) nabij Paramaribo. Grond* betekent hier ‘stuk grond’, ‘gebied’. Wellicht vertaling van Sranantongo friman-gron (Focke 1855:36). 1772 (kaart in Fontaine, red., 1980:8889). (1835 (Teenstra 2:178). Ø /(NE)?S?/r/2-4/-. vrijneger, 1. vrije neger, gemanumitteerd* of anderszins; 2. van 1770 tot en met 1804 in het bijzonder lid van het Korps Vrijnegers*. 1: 1761 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 313 fol. 240). - 1828 Gobardhan 2001:87). Zie ook: boschneger* (opmerking). Ø /NN/r/2-4/-. 2: 1770-1804 (zie boven). Ø /N-N/o/2-3/-. - : Korps Vrijnegers, als ’s Lands Vrijkorps*. 1770 - 1804 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 424, 426). Ø /N+(NN)/o/2-3/-. vuur-ripse, naam van een niet bekende insectenlarve of insect. 1740 (Anonymus 26), staat op deze plaats in een rijtje met wel identificeerbare insecten. Opgenomen omdat ripse een Middelnederlandse vorm is voor wat later rups is gaan heten (wnt 13:1851). Ø /N-N/d/2/-.

233

waaien

w waaien, (ook:) 1. maaien van gras of onkruid met een lang kapmes (machete, houwer*), thans genoemd wieden; 2. roeren in suikerrietstroop bij de bereiding van suiker. < Sranantongo wai (Schumann 1783:192), onder meer heen en weer bewegen. In beide betekenissen van waaien wordt de arm heen en weer bewogen. 1: 1825 (Bosch, 125, 2; waijen). 1855-1863 (Bartelink 1916:86). Zie ook: savanne kappen*. Ø /S/pt/3-4-5/-. 2: 1835 (Teenstra 1:231). Zie ook: parelen* (2). Ø /S/pt/4/-. waaihand: een waaihand geven, als volgt wuiven: “met den uitgestrekten arm, de hand zachtjes heen en weder wiggelende” (Lammens 1822 (1982:63). < Sranantongo wai hanoe (Focke 1855: 145), ‘met de hand wuiven’. 1822 (Lammens zie boven). Ø /S+N/bc/3/-. waaiwaay, gevlochten vuurwaaier. < Sranantongo waiwai (Schumann 1783:193), ‘waaier’ in het algemeen 1740 (Anonymus 103, wy wy). 1827 (Lammens 1999:140). Ø /S/r/2-4/-. waakjas (-sen), warme jas als gedragen door een (be)waker, een schildwacht en dergelijke. 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 10). 1857 (Hoogbergen 1978:71). Ø /N-N/r/4/-. waakrok (-ken), als waakjas*. 1822 (Lammens 1982:112). 1824 (De Surinaamsche Courant nr. 18). Opmerking: Het wnt (24:676) geeft het woord alleen met betrekking tot het voormalige Nederlands Oost-Indië vanaf 1753, vermoedelijk niet eerder in EuropeesNederlands dan 1901. Ø /X/r/3/-. wagt (wacht) houden, op een plantage* ergens toezicht op houden, iets verzorgen,

wakawakamier

iets bewaken. 1793 (Oostindie 1989:181, hier met betrekking tot kostgronden*) Ø /N’+N/pt/3/-. wagter (wachter) (de), op een plantage* een negerslaaf met als functie(s) ergens toezicht op te houden, iets te verzorgen of te bewaken.: zie koewagter*, kostwagter* en looswagter*. Europees-Nederlands wagter heeft onder meer een betekenis die slechts een nuance anders ligt dan ‘verzorger’ hier (wnt 24, 508, betekenis 2). 1783 (Roos 40, in dit geval kort voor kostwagter*). - 1844 (Helmig van der Vegt 48). Ø /N’/pp/3-4/-. wagtneger, wachtneger, negerslaaf (neger*) als wagter*. 1772 (De Beet 1984:96). 1855 (Focke 146). 1866 (Van Schaick). Opmerking: In verslagen van boschpatrouilles* betekent het ‘boschneger* als schildwacht bij zijn dorp of bij een andere concentratie van boschnegers ten tijde van hun vrijheidsstrijd’. Ø /N’-Am/pp/2-4/-. wajakarra, enige boomsoorten van de familie Lauraceae. < Karaïbisch waikjara (Klooster e.a. 296), waikara (Courtz 420). 1872 (Anonymus 27). Ø /K/wp/4/-. wakago (- ’s), kleine chachalaca, een boomhoen (Ortalis motmot). < Sranantongo (Focke 1855:145). Het dier lijkt dit te roepen, “waka go!”, betekenis ‘ga [loop] heen’ (Nepveu 1771:277). 1740 (Anonymus 22, wakkego). - 1854 (Kappler 1983:69). →. Zie ook: toriman*, faisanten*. Ø /S/d/2-6/-. wakawakamier, wakamier, soorten trekmier van het genus dat heden in Surinaams-Nederlands pingomier heet. < Sranantongo wakwakamira (zie Schumann 1783:193). Sranantongo wakwaka, onder meer ‘trekken, zich over een grote afstand verplaatsen’. Echter:

walaba

234

Focke (1855:145) en de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (371) geven deze naam, vermoedelijk abusievelijk, aan de suikermier*. 1835 (Teenstra 2:478; Lammens 196). →. Opmerking: Fermin (1765:117) vermeldt wakwaka myr als Sranantongo-naam. Ø /S/d/4-6/-. walaba, een boomsoort (Eperua falcata) en het hout van deze, ook attributief. < Arowaks walaba (Schumann 1783:17). 1854 (Van Sypesteyn 213). →. Zie ook: bijlhout* en varianten. Ø /Ar/ wp/4-6/-. walplaat (-en), muurplaat, spanplaat, ‘een balk op de bovenrand van een muur waaraan de dakspanten bevestigd zitten’. < Engels wall-plate. 1786 (Visscher Heshuysen 336). 1806 (De Surinaamsche Courant nr. 10). →. Ø /E/r/3-6/-. wana: zie wane*. wanakoe, witkopsaki, een soort aap (Pithecia pithecia). < Sranantongo wanakoe (Focke 1855:146) of < Karaïbisch wanakoe (Staffeleu 1975:13), wanuku (Courtz 422). 1796 (Stedman 228). - 1855 (Focke 146). →. Zie ook: witbaard*. Ø /K?S?/d/3-6/-. wandoe, (wandoepesie), ingevoerd en gecultiveerd peulgewas (Cajanus cajan) en zijn eetbare zaden (boontjes). < Sranantongo wandoe (Focke 1855:146). Zie ook pesie*. 1835 (Teenstra 2:259, wandoe-pesie). 1872 (Anonymus 67). →. Ø /S/cp/4-6/-. wane, wana, een boomsoort (Sextonia rubra) en het hout van deze, dat als timmerhout gebruikt wordt, ook voor meubels; ook attributief. < Karaïbisch wana (Ahlbrinck 1931:492), wonu (Courtz 429) of < Sranantongo wana (Schumann 1783:197). Zie ook: basterdwane*.

warapper

1718 (Herlein 227). - 1858 (Bakker e.a. 1993:50). →. Ø /K?S?/wp/1-6/-. wanehout, als wane* (het hout). 1718 (Herlein 81). - 1859 (Winkels IV:286). →. Ø /(K?S?)-N/wp/1-6/-. wanepiesie, enige boomsoorten van het genus Ocotea. < Sranantongo wanepiesie (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1980:179). 1835 (Teenstra 1:399). →. Ø /S/wp/4-6/-. warakoe, een soort slijkzalm (Leporinus friderici). < Sranantongo warakoe (Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels 1995:280) of < Karaïbisch waraku (Courtz 422). 1835 (Teenstra 2:450). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 450, kleine warakoe). →. Opmerking: In de Encyclopedie van Suriname (358, 661) en Van Donselaar (1989:396, 466) verkeerdelijk wanakoe genoemd. Ø /K?S?/d/4-6/-. warana, een soort zeeschildpad (Lepidochelys olivacea). < Karaïbisch warana (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 202). 1854 (Kappler 1983:107, varana). 1900 (Penard 2:68). →. Ø /K/d/4-6/-. warapper (de, -s), warappe (-n), een soort forelzalm (Hoplerythrinus unitaenialis). < Sranantongo warappa (Schumann 1783:197) of < Karaïbisch warapa (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 365), (Courtz 423). 1685 (Schiltkamp & De Smidt 162, warappen; meervoud). 1718 (Herlein 199). - 1855 (Focke 147). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 365; warappa, < Sranantongo). → (walapa als Sranantongo). Opmerking: wnt (24:1170) geeft warap als enkelvoud, toen abusievelijk gededuceerd uit warappen van 1685 (zie boven).

warei

235

Ø /K?S?/d/1-4/-. warei: zie worei*. warimbo (-’s), 1. mand in de vorm van een rechthoekige doos met deksel, zeer dicht gevlochten van warimbo* (3); heden in Surinaams-Nederlands genoemd pagara (zie pagaal*); 2. van tenen gevlochten vorm met dezelfde functie als een curpot* (zie aldaar); 3. (de) enige grote planten met lange, brede bladeren van de genera Ischnosiphon, Calathea en Monotagma. 1: < Sranantongo warimbo (Schumann 1783:198) < Karaïbisch wayarimbo (Ahlbrinck 1931:158). 1749 (De Beet & Price 1982:46). - 1796 (Stedman 285). Ø /S/r/2-3/-. 2: < warimbo (1). 1787 (Blom 76)./ Ø /S/pt/3/-. 3: < Sranantongo warimbo (Schumann 1783:198) < warimbo (1). 1740 (Anonymus 19; warimpes, meervoud). 1771 (C. Dahlberg nr. 90). 1786 (Visscher Heshuysen 413, warimba) - 1835 (Teenstra 1:162). →. Opmerking 1: Teenstra (1835, 1:417) geeft de niet nader gedefinieerde soorten baskietewarimbo (zie baskiet*), pagara­ warimbo (zie pagaal*) en bokkewarimbo. Opmerking 2: De planten heten in het Karaïbisch waruna (Hoff 1968:14). Zie ook quarunna*. Ø /S/wp/2-6/-. waroesi, een boomsoort (Virola surinamensis), heden in Surinaams-Nederlands genaamd baboen (als Sranantongo). < Karaïbisch warusi (Courtz 424). Van Aerssen van Sommelsdijck (1685 nr. 26) geeft waro ocje, ‘wilde cruytnote*’. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck zie boven). Zie ook: baboenhout*, baboentrie*. Ø /K/ wp/1/-. warrande-kaart, uitmetingskaart behorende bij een warrant* (3). 1771 (Nepveu 162).

wassen

Zie ook: kaartenwarrande*. Ø /E-N/bs/2/-. warrant (-s), warrand(e) (de, het, -s, -en), 1. giftbrief betreffende een van overheidswege toegewezen stuk grond; 2. grondbrief als bewijs van eigendom; 3. toegewezen grond; 4. dagvaarding. < Engels warrant, onder meer volmacht, waarborg (oed 19:929). 1: 1687 (Schiltkamp & De Smidt 174). 1832 (Teenstra 1842:212). Zie ook: warring* (1). Ø /E/bs/1-4/-. 2: 1740 (Anonymus 30). - 1894 (Gouvernementsblad van Suriname 33a. 1). Zie ook: warring* (2). Ø /E/bs/2-5/-. 3: 1684 (Schiltkamp & De Smidt 137). Ø /E/bs/1/-. 4: 1685 (Schiltkamp & De Smidt 161). 1707 (Schiltkamp & De Smidt 266). Ø /E/ bs/1/-. warrawarra, naam voor alle soorten harnasof zuigmeervallen (vissen; Loricariidae). < Sranantongo warrawarra (Focke 1855:147) of < Karaïbisch warawara (Ahlbrinck 1931:495, Courtz 423). 1740 (Anonymus 24, warre warre). - 1835 (Teenstra 2:459). →. Ø /K?S?/d/2-6/-. warring, 1. als warrant* (1); 2. als warrant* (3). < warrant (wnt 24:1334). 1: 1685 (Schiltkamp & De Smidt 162). Ø /E/bs/1/-. 2: 1684 (Schiltkamp & De Smidt 143). Ø /E/bs/1/-. wasmeid, negerslavin (meid*) als (interne) wasvrouw. 1782 (De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamsche Courant nr. 302). - 1863 (Ehrhardt 2000:212). Ook in Westelijk Guyana (Essequibo en Demararische Courant 29-12-1793), mogelijk afkomstig van daar. Ø /(N-N’)?W?/ bc/3-4/W./. wassen, met een daartoe samengesteld kruidenaftreksel iemand of iets ontdoen

wassiewassie

236

(reinigen) van niet-materiële (mystieke) ongerechtigheden. 1763 (Nationaal Archief, Raad van Politie 808). 1911 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1917:686). →. Ø /N’/ sc/2-6/-. wassiewassie I., wesp, in het bijzonder sociaal levende wespensoorten die raten bouwen (familie Polistidae). < Sranantongo wassiewassie (Schumann 1783:198) < Engels wasp, Echteld 1961:111. 1740 (Anonymus 25). - 1835 (Teenstra 2:465). →. Ø /S/d/2-6/-. wassiewassie II., twee boomsoorten, Vochysia surinamensis variant surinamensis en Qualea dinizii. < Sranantongo wassiewassie (Focke 1855:147) < Karaïbisch wosiwosi (Ostendorf 1962:127, Courtz 430). 1739 (Oud Notarieel Archief Suriname 171:23, wasjewasje). - 1855 (Van Sypesteyn 184). Zie ook: basterdwane*. Ø /(K)S/wp/2-4/-. - : blauwe wassiewassie, vermoedelijk de boomsoort Qualea coerulea, heden in Surinaams-Nederlands genaamd gronfolo (< Sranantongo). Volgens Blom (1802:185) een verwant van quarie*. Van al deze soorten onderscheidt bovengenoemde zich door zijn uitbundig blauwe bloei; de andere in Suriname hebben gele bloemen. 1802 (Blom 185). Ø /N+S/wp/3/-. water, 1. getij (een periode van eb of vloed); 2. vloed (als fase van 1); 3. de duur van 1, dat is zes uur. 1: 1866 (Van Schaick 186). Ø /N’/m/4/-. 2: 1835 (Teenstra 1:222). Ø /N’/m/4/-. 3: 1823 (Anonymus 95). Zie ook: tij*. Ø /N’/m/3/-. waterdak, vermoedelijk een vlot met een dak erboven, gebruikt bij werkzaamheden bij de aanleg van een laag gelegen plantage*.

waterhout

1788 (Roos 1804:33). Ø /N-N/pt/3/-. watergat (-en), visvijver, veelal verkregen door uitgraving, in het bijzonder van een stuk zoetwatermoeras; heden in Surinaams-Nederlands visgat genoemd. 1788 (Roos 45). - 1881 (Kappler 1883:283). Zie ook: pan*. Ø /N-N/r/3-5/-. watergras, diverse soorten grassen en grasachtige planten op natte groeiplaatsen, in het bijzonder de soorten die drijvende matten vormen. < Europees-Nederlands watergras, andere soorten met dezelfde eigenschappen in Nederland. 1787 (Blom 239). 1835 (Teenstra 1:206). Ø /N’/wp/3-4/-. watergroenhart, watergroenhard, een boomsoort (Acosmium nitens) en het hout van deze. De naam lijkt de leenvertaling van een niet aangetroffen contaminatie in het Sranantongo, te weten van watragrin (de onderhavige soort) en grinati (groenhart*), twee soorten die niets opvallends met elkaar gemeen hebben. De boom groeit aan rivieroevers en heeft kernhout (zie hart*) dat niet groen is, maar vaalbruin. 1787 (Blom 303). - 1804 (Eensgezindheid 2). - 1929 (Ahlbrinck 99). Ø /X/wp/3-5/-. waterhond, de reuzenotter (Pteronura brasiliensis) en een kleinere ottersoort (Lutra enudris). < Sranantongo watradagoe (Focke 1855:148). 1740 (Anonymus 21). - 1855 (Focke 148). →. Opmerking: Heden vrijwel verdrongen door watradagoe (< Sranantongo). Ø /S/d/2-6/-. waterhout, niet geïdentificeerde boomsoort. 1835 (Teenstra 1:383, daar ook genoemd noteboom). Opmerking: Het is niet de soort die heden waterhout genoemd wordt als in de Encyclopedie van Suriname (663). Ø /N-N/

waterinneemsluis

237

wp/4/-. waterinneemsluis: zie inneemsluis*. waterkan, grote, poreuze kruik voor het koelen en bewaren van water, in het bijzonder het model als vervaardigd door indianen; heden in Surinaams-Nederlands watrakan (< Sranantongo) genoemd. < Europees-Nederlands waterkan, iedere kan voor water. 1835 (Teenstra 1:375; 2. 257). 1903 (Van Coll 491). Zie ook: Indiaanse waterpot*. Ø /N’/r/45/-. watermama (de), 1. rituele dans van negerslaven, waarbij de dansers bezeten (onder meer door 2) dan wel in trance raken; 2. zekere godin of geest. < Sranantongo watramama (Schumann 1783:200) . Het ritueel is van Afrikaanse herkomst (Van Lier 1977:142, 217). In het Afrika Museum te Berg en Dal (Nederland) staat een beeld uit Benin van een ‘vruchtbaarheids-zeemeermin’, geheten Mami Wata. 1: 1740 (Anonymus 84). - 1839 (Benoit 54). Opmerking: Bij Nassy (1791, 2:60) mama, bij Teenstra (1835, 2:194) watra mama, in 1776 (Schiltkamp & De Smidt 896, watermamadanzen, meervoud). Zie ook: wintipley*. Ø /S/sc/2-4/-. 2: 1765 (Nepveu 81). 1854 (Kappler 1883:60). Vanaf 1926 (Cappelle 335) watramama (< Sranantongo). →. Ø /S/ sc/2-4/-. waterpinan, mauritiushennep (Furcraea foetida); zie verder onder ingisopo*. < Spaans pina, ‘ananas’, een verwant waar waterpinan op lijkt. De plant groeit in stroomversnellingen. 1718 (Herlein 112). Zie ook: aloë*. Ø /N-Sp./wp/1/-. waterpot : zie Indiaansch*. waterrat, een soort woelmuis (Nectomys squamipes).

waterwerkplantage

< Europees-Nederlands waterrat, de volksnaam voor enige soorten ratten en woelmuizen die, evenals bovenstaand dier, aan en in water leven. 1770 (Fermin 2:98, waterrot). 1900 (Penard 1:4). →. Ø /N’/d/2-6/-. watervarken (-s), waterzwijn, waterhaas, een groot knaagdier (Hydrochoeris hydrochoeris). Het dier heeft min of meer de gedaante van een big. 1740 (Anonymus 21). - 1855 (Focke 55). 1900 (Penard 1:41). Ook in Brazilië, 1743 (wnt 24:1742). Opmerking: Het lijkt mogelijk, dat ook het woord waterzwijn in een van de koloniën ontstaan is. Het wnt (24:1996) geeft als oudste citaat voor Nederland 1857 (het citaat aldaar van 1762 is onjuist). Zie ook: kapoea*, tovou*. Ø /X/d/2-5/B./. waterwerk, suikermolen op een plantage*, in het bijzonder aangedreven door bij vloed ingelaten rivierwater dat bij eb weer uitgelaten wordt en daarbij het schoepenrad (scheprad*) doet draaien. < Algemeen Nederlands waterwerk, het woord voor onder meer alle typen energie leverende watermolens. Het hier genoemde type is in Nederlandssprekend Europa onbekend. 1689-1696 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 739). - 1854 (Van Sypesteyn 65). Zie ook: beestenmolen*, beestenwerk*, paardenwerk*, en de onderdelen scheprad*, bonkelrad*, stoel* (grote en kleine), brug* (1), roller*, koning*, galg* en galgenbint* . Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:394), mogelijk afkomstig van daar. Ø /N’?W?/pt/1-4/W./. waterwerkplantage, plantage* met een waterwerk*. 1855-1863 (Bartelink 1916:37). Ø /N’-N/

waterworm

238

pt/4-5/-. waterworm, Surinaamse paalworm (een soort Neoteredo), een weekdier. < Europees-Nederlands waterworm, niet specifieke naam voor allerlei kleine waterdieren (wnt 24:1768). Zie ook worm*. 1788 (Oostindie 1989:26), in 1783 (ibid.) kortweg worm, bij Blom (1786:27) de worm. Ø /N’/d/3/-. watramama: zie watermama* (2). watramamabobi, een boomsoort (Gustavia augusta). < Sranantongo watramamabobi (Focke 1855:148). Zie watermama* (2); Sranantongo bobi, ‘borst van een vrouw’ verwijst naar de vorm van de vrucht. 1855 (Focke 13). →. Zie ook: aribanarix*, mamahout*. Ø /S/ wp/4-6/-. wegloper (-s), de slavernij ontvluchte neger(in), door de overheid als een voortvluchtige slaaf aangemerkt. (Van Dyk, 1768:89, vermeldt als criterium “minstens twee achtereenvolgende etmalen absent”.) Al eerder in gebruik voor ‘deserteur’ en dergelijke. Mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1668 (Schiltkamp & De Smidt 14). - 1835 (Teenstra 2:151). 1866 (zie wegloperkamp*). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:271, 430). Zie ook: boschneger*, boschcreool*, boschslaaf*, schuiler*, marron*; cassa* tegen de weglopers. Ø /N’?W?/o/1-4/W./. wegloperij, het weglopen van negerslaven. 1834 (Teenstra 1842:221). 1839 (Van Stipriaan 1993:395). Ø /N’?W?/o/4/-. weglopersdorp, dorp van weglopers*. 1717 (Hartsinck 1770:756). - 1772 (Bakker e.a. 1993:64). Ook in Westelijk Guyana (Hartsinck 1770:286). Zie ook: wegloperskamp*. Ø /(N’?W?)N/o/1-2/W./.

winti hebben

weglopershagel, zekere plantensoort van het genus Canna, waarschijnlijk Canna coccinea; heden in Surinaams-Nederlands kana of sakasiri genoemd. De naam heeft betrekking op de ronde, zwarte zaden en suggereert gekscherend dat de weglopers* zich van deze als ammunitie zouden bedienen. De weglopers* hadden namelijk een chronisch tekort aan ammunitie en gebruikten daarom noodgedwongen allerlei zaken waarmee geschoten kon worden, zoals vormloze stukjes metaal, potscherven en dergelijke. 1771 (C. Dahlberg nr. 91). Ø /(N’?W?)N’/wp/2/-. wegloperskamp, als weglopersdorp*. Zie kamp*. 1752-53 (Inventaris Archief Raad van Politie 803 fol. 99-101). - 1866 (Van Schaick 196). Ø /(N’?W?)-N’/o/2-4/-. wegloperskassa: zie cassa* tegen de weglopers. weiki, zekere niet nader geïdentificeerde boomsoort (of boomsoorten) van het genus Inga. < Arowaks waiki (Fanshawe 1949:72) of < Karaïbisch waikï (Ahlbrinck 1931:491). 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 8). 1705 (Merian 51, wycke). Ø /Ind./ wp/1/-. Zie ook: suikerboontjesboom*, zoete boontjesboom*, switie-boontje*. Ø /Ind./ wp/1/-. wentje(-): zie wintje(-)*. werkneger, negerslaaf (neger*) als veldarbeider. 1772 (De Beet 1984:137). 1777 (Schiltkamp & De Smidt 911). Ø /N-Am/pp/2/-. wieden, ook wateren (trenzen* en dergelijke) van ongewenste begroeiing ontdoen. 1867 (Oostindie 1989:25). Ø /N’/pt/4/-. wiesie(-): zie wissie(-)*. winti hebben, (met betrekking tot negerslaven) bezeten zijn in het verband van hun

wintipley

239

religie. Contemporaine bronnen suggeren, dat iemand dan in het bijzonder bezeten zou zijn door de (of een) watermama*. Het woord winti (< Sranantongo) in de betekenis van ‘bezetenheid’ of van de betreffende religie zelf is echter in het Nederlands van de bronnen tot 1875 niet aangetroffen. Evenwel, Nepveu (1765:81) geeft het woord in de betekenis ‘bezetenheid’ wel voor het Neger-Engels*. Opmerkelijk is ook de mededeling van Teenstra (1835, 2: 121) dat de negers* de vrijmetselaarsloge Concordia in Paramaribo bakra-winti (zie bakra*) noemden. 1836-1837 (Klinkers 1997:59). → (met betrekking tot anderen). Ø /S+N/sc/4-6/-. wintipley, dansritueel van negerslaven in het verband van hun religie, waarbij deelnemers bezeten raken. < Sranantongo wintipley (Wooding 1972:257). Zie pley*. 1796 (Stedman 364; wintiplay, Engelse spelling). → (met betrekking tot anderen). Zie ook: watermama* (1). Ø /S/sc/3-6/-. wintje-bobbie, sodomsappel, een ingevoerde en gecultiveerde heester (Solanum mammosum), en zijn vrucht. < Sranantongo (njoen-)wentje-bobi (Focke 1855:149), ‘jonge-meisjes-borst’, daarop lijkt de vrucht. 1835 (Teenstra 2:342). →. Opmerking: Bij Fermin in het Frans pomme de tetton en in het Nederlands borstappel (1769, 1:189 en 1770, 1:173). Zie ook: appel van Sodom*. Ø /S/cwp/46/-. wirriwirri (het), kruid (dat is niet houtige wilde of gekweekte plant). < Sranantongo wirriwirri (Nepveu 1771:280). 1735 (Inventaris Archief Raad van Politie 789 fol. 25). 1761 (S. de Groot in Oso 16:188). Ø /S/cwp/2/-.

witbaard

wissie, gifmengsel bereid om, toegevoegd aan spijs of drank, iemand te vermoorden; alleen onder negers en kleurlingen. < Sranantongo wissie (Nepveu 1771:280); bij Focke (1855:151) met een ruimere betekenis: tovermiddel, toverkracht, om iemand, ook op afstand, kwaad te doen. Als werkwoord: vergiftigen en betoveren, als in 1761 (Inventaris Archief Raad van Politie 805). < Engels witch, Echteld 1961:33, of < Afrikaans awisi, Wooding 1972:212. 1759 (Schiltkamp & De Smidt 672). - 1784 (Schiltkamp & De Smidt 1072). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 751). Opmerking: Heden alleen ‘bezweringsmiddel, met kwaadwillige bedoeling aangewend’. Zie ook: obia*, toelala* (2). Ø /S/sc/2-5/-. wissieman, bereider van wissie*, gifmenger. < Sranantongo wissieman (Schumann 1783:204). 1760 (Inventaris Archief Raad van Politie 932, wiesieman). 1854 (Kappler 1983:53) - (1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 751). Ø /S/sc/2-5/wit, 1. kleurloos en doorzichtig. 1855 (Focke 18, met betrekking tot speeksel). Ook heden. 2. kan ook betekenen dat de kleur lichter is dan een andere waarmee vergeleken wordt, in het bijzonder met zwart* en rood* en als het de kleur van een houtsoort betreft. Zie: bast*, bolletrie*, boschgoejave*, cabbes* (I), ceder*, krapa*, locus*, mangro*, Marowijnesteen*, panta*, sabakoe*, voengo*. witbaard (de), witkopsaki, een soort aap (Pithecia pithecia). Het dier heeft een witte baard. De naam is mogelijk afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1770 (Hartsinck 96) voor Suriname, Wes-

witborst

240

telijk Guyana of beide. Zie ook: wanakoe*. Ø /(N-N)?W?/ d/2/W./. witborst, roodsnaveltoekan (Ramphastos tucanus); heden in Surinaams-Nederlands witborsttoekan (Dienst ’s Landsbosbeheer 1991:2). Het is in Suriname de enige soort toekan met een witte borst en keel. Zie ook geelborst* en coejakee*. 1835 (Teenstra 2:426). Ø /N-N/d/4/-. wojowojo-: zie woywoy-*. wolboom: grote wolboom, wilde kapokboom (Ceiba pentandra). < Europees-Nederlands wolboom voor verscheidene boomsoorten die bruikbaar zaadpluis voortbrengen. Deze is in Suriname verreweg de grootste. 1718 (Herlein 218). Zie ook: cottontrie*, kleine wolboom*. Ø /N+N/wp/1/-. - : kleine wolboom, katoen* (1), een heester (Gossypium-soorten). Zie grote wolboom*. 1718 (Herlein 218). Ø /N+N/wp/1/-. wooijwooij (-en), markt. < Sranantongo woijowoijo (Schumann 1783:204). Volgens Focke (1855:152) een woord dat het roepen van de kooplieden nabootst. 1822 (Lammens 1982:78). Ø /S/r/3/-. wooywooyman (-s), marktverkoper, zowel man als vrouw. < Sranantongo wooywooyman (Schumann 1783:204). Zie wooijwooij*. 1781 (Schiltkamp & De Smidt 1007). Zie ook: woywoymeid*. Ø /S/r/3/-. worm, (wurm). Evenals in (nu vooral verouderend) Europees-Nederlands en Engels kan een worm behalve een ‘echte’ worm (een dier behorende tot de Vermes) ook enig ander kruipend, voortkrabbelend of borend dier zijn, in het bijzonder in samenstellingen. Zie: boschworm*, cabbes-

zakrot

worm*, muskieteworm*, palmietworm*, en regenworm*, en in het bijzonder katoenworm*, suikerworm* en waterworm*. wormbast, een boomsoort (Andira surinamensis) en wellicht andere soorten van hetzelfde genus. Uit de bast wordt een middel tegen ingewandswormen gemaakt (Teenstra 1835, 1:400). Vergelijk Engels worm-bark tree, 1777 op Jamaica, voor Andira inermis (Cassidy & Le Page 1980:482). 1802 (Blom 90). - 1854 (Van Sypesteyn 214). →. Zie ook: rode cabbes*. Ø /N-N/wp/3-6/-. woywoymeid (-en), marktkoopvrouw. Zie wooijwooij*. Zie meid*. Kan echter ook een vrije negerin zijn, als bij Teenstra 1842:52). 1835 (Teenstra 2:118). 1845-1849 (Boekhoudt 1873:98, wojowojomeid). Ø /S-N/r/4/-. wurm: zie worm*. wy wy: zie waaiwaay*.

y yaws: zie jaas*. yzervarken: zie ijzervarken*.

z zie ook s zakrot, gewone opossum, een buidelrat (Didelphys marsupialis). Europees-Nederlands zak betekent hier de buidel; het dier lijkt op een gewone rat of rot (knaagdier). Mogelijk afkomstig uit

zandkoker

241

Westelijk Guyana (zie beneden). 1705 (Merian 66). 1765 (Fermin 27). Bij Hartsinck (1770:98) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: awari* (I), beursrot*, bosschrat* (1), jawari*. Ø /(N-N’)?W?/d/1-2/W./. zandkoker, 1. kort voor zandkokerboom*: zie aldaar; 2. een boomsoort (Erythrina fusca). 1. 1771 (C. Dahlberg nr. 1). Ø /N’/wp/2/-. 2. De boom lijkt op de voorgaande door zijn opmerkelijke grootte en de stekels op de stam en de takken en komt samen met deze voor in de kustmoerassen van westelijk Suriname. Hartsinck (1770:73) geeft een beschrijving die de twee soorten ineenschuift. 1835 (Teenstra 1:300). Zie ook: koffiemama*. Ø /X/wp/4/-. zandkokerboom, een boomsoort (Hura crepitans). De vrucht valt uiteen in delen die de vorm hebben van een zandkoker, dat was eertijds een koker waaruit zand gestrooid werd ter droging van met inkt geschreven schrift. 1771 (Nepveu 378). - 1802 (Blom 185). Zie ook: postentrie*, puistentrie*. Opmerking: Volgens Houttuyn (2, 3:448; 1774) is de naam een leenvertaling uit het Engels, en Focke (1855:106) stelt, dat de naam alleen gebruikt wordt in Berbice. Dat betekent, dat de vermeldingen bij Westeroüen van Meeteren (1883:26) en Sack (1910:37) berusten op het overnemen uit oudere literatuur. Ø /N’-N/wp/2-3/-. zandlocus: zie locus*. zandrits, zandrug (zie rits*) als een verhoging in het landschap. 1707 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 238 fol. 42). - 1855-1863 (Bartelink 1916:57). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 6). →. Zie ook: schulpenrits*. Ø /N-E/m/1-6/-. zandsavanne, savanne* (1) met een bodem

zeepboom

van louter wit zand, heden in SurinaamsNederlands witzandsavanne genoemd. 1773 (Frederici). - 1835 (Teenstra 1:367). →. Ø /N-Am/m/2-6/-. zangdoe, doe* (2) binnenshuis, waarbij niet gedanst wordt maar alleen gezongen. 1822 (Lammens 1982:94). Ø /N-S/sc/3/-. zeebosch, mangrovebos. 1822 (Lammens 1982:131, 132). Ø /NN/m/3/-. zeedruif, ingevoerd, gekweekt en verwilderd boompje (Coccoloba uvifera) en de eetbare (schijn)vrucht daarvan. Verwilderd aan de kust. De ‘vrucht’ heeft de vorm en de kleur (eerst groen, dan paars) van een Europees-Nederlandse druif. Het buitenste, sappige deel is in feite een deel van het uitgegroeide bloemdek. 1835 (Teenstra, 2:257). 1855 (Focke 28, Van Sypesteyn 184). →. Zie ook: Barbadosdruif*, druiveboom*, rode mangro*. Ø /N-N’/cwp/4-6/-. zeekraloe, een kraloe* (zie caleloe*), vermoedelijk Philoxerus vermicularis, die in Surinaams-Nederlands heden strand­ klaroen wordt genoemd. Komt voor aan de kust. 1835 (Teenstra 2:275). Ø /N-Am/wp/4/-. zeekust: de Zeekust, het district Coronie*. Het is vanuit Paramaribo gezien het dichtstbijgelegen gebied waar men over een grotere afstand over land aan de kust kan komen. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 39). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 229). Ø /N’/r/3-5/-. zeepboom, twee boomsoorten (Caryocar glabrum en Caryocar microphyllum), in Surinaams-Nederlands heden beide genaamd sopo-oedoe (< Sranantongo) en sawari. De bast bevat saponine. Diverse bomen met dit kenmerk uit diverse windstreken worden in Europees-Nederlands zeep-

zeeporselein

242

boom of zeephout genoemd, in Engels soap-tree. Het kan een leenvertaling zijn, maar het omgekeerde is evenzeer mogelijk. Zie ook: pakasi*. 1771 (Nepveu 353, 371). Ø /N’?E?/wp/2/-. zeeporselein, een kruidachtige plant (Batis maritima). De plant groeit op zoute plaatsen aan de kust en lijkt veel meer op SurinaamsNederlands porcelein* dan op EuropeesNederlands zeeporselein (Honckenia peploides). 1770 (Fermin 1:182). - 1872 (Anonymus 27). Ø /N-Am/wp/2-4/-. zeilgras, zijlgras, zekere plant (Bromelia alta). De bladeren, die niet grasachtig zijn, leveren een vezel waarvan zeel, ‘touw’, gemaakt kan worden. Schrijfwijzen met -ei-, -eij-, -ey-, -ij- en -y- wisselen elkaar zonder regelmaat af. 1740 (Anonymus 19). - 1835 (Teenstra 2:162). - 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 182). →. Zie ook: piet*. Ø /N-N’/wp/2-6/-. zevenjaarsboon, zevenjaarsboontje, een overjarig cultuurras van de ingevoerde limaboon (Phaseolus lunatus) en zijn ‘bonen’ (zowel zaden als peulen), heden in Surinaams-Nederlands genaamd sebijari* (pesi) (< Sranantongo). < Engels seven-years beans (oed 15:95, uit 1666), ook voor andere peulvruchtgewassen. Zeven staat hier voor ‘veel’ en duidt op de overjarigheid. 1740 (Anonymus 17). - 1872 (Anonymus 67). 1910 (Sack 31). Zie ook: lijm pesie*, sebijari*, zevenjarige pesie*. Opmerking: Bij Herlein (1718:233) “bonen van zevenjaren”. Ø /E/cp/2-5/-. zieken (meervoud): zie sieka*. ziekenhuis, gebouw op een plantage* waar zieke en gewonde slaven verblijven en verzorgd worden.

zijpolder

< Europees-Nederlands ziekenhuis, inrichting voor zieken in het algemeen, zoals toentertijd in Suriname hospitaal genoemd. 1733 (Beeldsnijder 1994:171). - 1836 (Klinkers 1997:59). Ø /N’/z/2-4/-. ziekte: de ziekte, verhullende naam voor lepra. Vergelijk Middelnederlands sieken in het bijzonder voor melaatsen (Verdam 1932:539); ook daar verhullend taalgebruik. 1866 (Van Schaick 214, 215). Zie ook: besmet*, boasie*. Ø /N’/z/4/-. zijboard: zie side-board*. zijdam, dijk (dam*) als aan de twee zijkanten van een plantage*. 1758 (Van Stipriaan 1993:85). - 1804 (Roos 172). Zie ook: zijpolder*, binnenpolder*. Ø /N(N’?E?W?)/pt/2-3/-. zijdgebouw, zijgebouw, op een plantage* of buitenplaats een gebouw dienende als woonhuis voor de directeur* en andere blanken, keuken voor blanken, magazijn voor etenswaren en voor gereedschappen. Het stond ter zijde van de woning van de planter, die in het front stond. EuropeesNederlands zijgebouw is een gebouw ter zijde van een hoofdgebouw in het algemeen. 1762 (Oud Notarieel Archief Suriname 213). - 1825 (Oostindie 1989:218). Ø /N’/ pt/2-3/-. zijdroller, zijroller, in een suikermolen een van de twee staande rollers* ter weerszijden van de middenroller*. 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:249). - 1835 (Teenstra 1:214). Ø /N-E/ pt/2-4/-. zijlgras: zie zeilgras*. zijpolder, dijk (polder*) als aan de twee zijkanten van een plantage*. 1782 (De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamsche Courant nr. 301, zeypolder). 1835 (Teenstra 1:172). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 568). Zie ook: zijdam*, binnenpolder*. Ø /N-

zijtrekker

243

N’/pt/3-5/-. zijtrekker, niet nader geïdentificeerde watergang van een suikerplantage. Zie trekker*. 1855-1863 (Bartelink 1916:85). Ø /N-X/ pt/4-5/-. zilversmit, niet geïdentificeerde soort vogel. 1740 (Anonymus 23, silversmits, meervoud). Ø /X/d/2/-. zilvertje, zilvervis(je), kleine vissoorten van de familie der karperzalmen (Characidae). < Europees-Nederlands zilvervis (wnt 28:1005) of < Engels silver (oed 15:482), voor allerlei zilverkleurige, niet alleen kleine vissoorten. 1740 (Anonymus 14; silvertjes, meervoud). 1771 (Nepveu 350, silver-vissies). 1835 (Teenstra 2:446, zilvervis). Opmerking: Bij Houttuyn (1, 7:310; 1764) Westindische zilvervischjes. Zie ook: pikere*, serebe*, sriba*. Ø /X/d/2-4/-. zoet: zie boontje*, boontjesboom*, kars*, cassave*, lemmetje*, oranje*, pata(t)te*. zonluiaard, drietenige luiaard (Bradypus tridactylus). Zon heeft betrekking op de gele vlek op de rug van het mannetje. 1835 (Teenstra 2:414). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 177). → (sonloiri, < Sranantongo). Zie ook: schapenluiaard*. Ø /N’N/d/4-5/-. zonnevisch, oogvlekbaars (Cichla ocellaris), een zoetwatervis, heden Surinaams-Nederlands toekoenarie. Zon heeft betrekking op de zwarte, witomzoomde vlek op beide flanken. Er zijn in het Europees-Nederlands enige geheel andere soorten zeevis die de naam zonne­ visch hebben. 1765 (Fermin 99). - 1796 (Stedman 254). 1917 (Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 205). Ø /N’-N/d/2-5/-

zoutwater karga

zonnevogel, zonnereiger of zonneral (Eurypyga helias). Het dier spreidt zijn vleugels en staart vaak en zeer opvallend uit. Dit wordt wel opgevat als een teken van behagen in de zonneschijn. Er worden ook andere betekenissen aan toegeschreven (Penard & Penard 1908:192; Grzimek 8:117). 1740 (Anonymus 22 sonnevogel). - 1855 (Focke 124). → (zonvogel). Opmerking: Enige meer of minder aan deze verwante vogelsoorten hebben in het Europees-Nederlands ook deze naam gekregen, maar later. Ø /N-N/d/2-6/-. zoutevisch, stokvis, ingevoerd uit NoordAmerika, droog, of opgeweekt en dan aangevoerd in vaten; aanvankelijk alleen als voedsel voor de slaven. < Europees-Nederlands zoutevisch was en is schoongemaakte en gezouten vis, eertijds in het bijzonder kabeljauw en verwante soorten. 1808 (De Surinaamsche Courant nr. 45). 1855 (Focke 129). →. Zie ook: bakkeljauw*, makreel*. Ø /N’/ sc/3-6/-. zoutwater, afkorting van zoutwaterneger*. 1761 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 313 fol. 311). - 1766 (Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname 330 fol. 50). Ø /N’/pp/2/-. zoutwater karga, het zodanig berekenen van de verkoopprijs voor een overzees invoerproduct, dat de winst exorbitant hoog wordt; de koopman verdisconteert daartoe in die prijs niet alleen het transport, de verzekering en zo meer, maar ook de interest van de waarde van het goed gedurende een als zeer lang veronderstelde periode van opslag. Karga betekent hier ‘factuur’. 1822 (Lammens 1982:60). Ø /N’-N/bc/3/-. zoutwaterneger, uit Afrika aangevoerde negerslaaf (neger*).

zuring

244

Afkomstig van “over zee”. 1759 (Van den Bouwhuijsen e.a. 1988:123). - 1866 (Van Schaick 25). Bij Hartsinck (1770:899) mogelijk voor Westelijk Guyana en afkomstig van daar. Zie ook: zoutwater*, Afrikaanse neger* en nieuwe neger*, creool* (1). Ø /(N’Am)?W?/pp/2-4/W./. zuring, zuurling, roselle, een uit Afrika ingevoerd voedingsgewas (Hibiscus sabdariffa) waaruit een zure drank en een gelei bereid worden. < Europees-Nederlands zuring, de naam voor geheel andere planten (Rumexsoorten) in Europa die ook zuur smaken; of < Engels sorrel, met geheel dezelfde achtergrond, in West-Indië ouder dan in Suriname (Cassidy & Le Page 1980:416). 1770 (Fermin 1: 182). 1872 (Anonymus 66). →. Opmerking: Zuring bij Lammens (1822:1982:75) en zuurling bij Teenstra (1835, 2:264) hebben betrekking op de eertijds ook in Suriname gekweekte Rumex acetosa (zie boven). Ø /X/cp/2-6/-. - : Guinesche zuring, als zuring*. De naam legt het verband met de Afrikaanse herkomst. 1770 (Fermin 1:182). 1835 (Teenstra 1:264). Ø /N+X/cp/2-4/-. - : rode zuring, een type zuring* met rode stengels. Wellicht < Engels red sorrel (Cassidy & Le Page 1980:416). 1740 (Anonymus 105, roode Engelse of Spaanse zuring). - 1872 (Anonymus 67).→. Ø /N+X/cp/2-4/-. zuurgoed, stukken komkommer, augurk, ui, onrijpe papaja, onrijpe manja* (2), birambi*, cabbes* (II) e.a., apart of in combinatie ingelegd in azijn, genuttigd als versnapering. 1804 (De Surinaamsche Courant nr. 89). 1853 (Surinaamsch Weekblad nr. 10). →.

zwaard

Opmerking: Blijkens De Surinaamsche Courant 1824 nr. 7 ook ingevoerd. Ø /N-N/bc/3-6/-. zuurling: zie zuring*. zuurzak, een inheemse, ook gecultiveerde boomsoort (Annona muricata) en zijn eetbare vrucht. Al eerder vervorming van een inlandse naam van de broodvrucht(boom) in Azië (zie wnt 29:528-530). De (verzamel)vruchten van de twee lijken op elkaar. 1705 (Merian nr. 14).- 1855 (Focke 123). →. Zie ook: boschzuurzak*, kleine zuurzak* en wilde zuurzak*, parane*, prikkelappel*. Opmerking: De naam kreeg allengs in Nederland bekendheid voor de boom, niet voor de vrucht. Ø/N’/cwp/1-6/-. - : kleine zuurzak, steenappel, de vrucht van zekere verwant van zuurzak* (Annona squamosa). Deze vrucht is veel kleiner dan die van de voorgaande soort. 1705 (Merian nr. 3). Zie ook: kaneelappel*. Ø /N+N’/wp/1/-. - : wilde zuurzak, als zuurzak*. Vermoedelijk werd de soort aanvankelijk aangezien voor een wilde verwant van de broodvruchtboom, die toen al in het voormalige Nederlands Oost-Indië zuurzak genoemd werd. 1685 (Van Aerssen van Sommelsdijck nr. 5). 1689 (Caspar Commelin, zie Brinkman 1980, bijlage 1). Ø /N+N’/cwp/1/-. zwaard, indiaansch zwaard, indiaanse strijdknots. Het is, evenals een Europees-Nederlands zwaard, een wapen waarmee gezwaaid wordt, en het heeft een scherpe onderrand. 1698 (Schiltkamp & De Smidt 220). - 1741 (Schiltkamp & De Smidt 484). Oudste vindplaats van zwaard in Brazilië (Z. Wagner 1634-41 in Buvelot, red., 2004:68). Ook in Oostelijk Guyana (Reeps 1692:8, swaerd) en Westelijk Guyana (Van

zwamp

245

Berkel 1695:54). Mogelijk afkomstig van een van deze gebieden. Bij Hartsinck (1770:13) voor Suriname, Westelijk Guyana of beide. Zie ook: apoetoe*. Ø /X/ic/1-2(-3)/B./ O./W./. zwamp (de, -en), moeras. < Engels swamp, of afkomstig uit Westelijk Guyana (zie beneden). 1722 (Schiltkamp & De Smidt 347) - 1855 (Focke 128). →. Zie ook: biribirizwamp*, domkeinzwamp*, matakiezwamp*, maurisiezwamp*, mokomokozwamp*, pinezwamp* en trompettenzwamp*. Ook in Westelijk Guyana (1763, Hartsinck 1770:425). Opmerking 1: Ouder dan 1722 in de samenstelling zwampboom* (zie aldaar). Opmerking 2: Swampje en swampie in 1775 (De Beet 1984:188, 197). Opmerking 3: Bij Warren (1667:5) met drukfout (swanyes, meervoud) Opmerking 4: De vermelding van het woord als Europees-Nederlands in Nederlandse lexicografische bronnen is onbegrijpelijk en wordt ook nergens verantwoord. Ø /E?W?/m/1-6/W./. zwampachtig, moerassig. < Engels swampy. 1784 (Heneman, swampagtig). - 1849 (Van Sypesteyn). →. Zie ook: zwampig*. Ø /E/m/3-6/-. zwampbolletrie, niet met zekerheid geïdentificeerde boomsoort; in wnt (1911) Dipholis nigra. Zie zwamp*, zie bolletrie*. 1835 (Teenstra 1:355). Ø /(E?W?)-E/wp/4/-. zwampboom, boomsoort, vermoedelijk Terminalia lucida. Van Ooststroom (1930): Hermann nr. 32 (zie beneden) lijkt op Terminalia catappa, dat is amandelboom*. Woordenlijst Sranantongo-Nederlands-Engels (1995:247):

zwieping

Sranantongo swampu-amandra, dat is Terminalia lucida. 1689 (Hermann nr. 32, swamp boom). Ø /(E?W?)-N/wp/1/-. zwampig, moerassig. < Engels swampy. 1787 (Blom 38). - 1855 (Focke 12). →. Ø /E/m/3-6/-. zwamprijk, met veel moerassige plekken. 1839-1851 (Van der Aa 1993:143, zwamp­ rijk bos) Ø /E-N/m/4/-. zwampschildpad, soorten moerasschildpad, in het bijzonder Kinosternon scorpioides. Zie zwamp*. 1855 (Focke 5). →. Ø /(E?W?)-N/d/4-6/-. zwampvisch, vis(sen) voorkomend in moerassen (zwampen*) en beken (kreken*). 1771 (Nepveu 225). - 1855 (Focke 147). →. Ø /(E?W?)-N/d/2-6/-. zwart: kan ook (donker)bruin betekenen, in het bijzonder als het gesteld wordt tegenover een andere, lichtere kleur (in het bijzonder wit) en als het de kleur van een houtsoort betreft. Zie: bast*, cabbes* (I), koffie*, mangro*, raaf* (I), tor*, voengo*. Zie ook: rood*, wit*; hof*, korps*. zweeping: zie zwieping*. zwelziekte, een vorm van beriberi, pas laat als zodanig onderkend (zie Flu 1912 in de Encyclopaedie van Nederlandsch WestIndië 47 en Stahel 1927:206). Uit zich in ‘opgeblazenheid’, ‘waterzucht’, vaak gepaard gaande met grondvreter* (2). 1828 (Kuhn 36). - 1835 (Teenstra 2:198). 1929 (Ahlbrinck 151). Zie ook: landziekte*. Ø /N-N/z/4-5/-. zwieping (-s, -en), bij een beestenwerk* een van de radiaire balken aan de koning* (1) waar een trekdier voor gespannen werd. < Engels sweep (Ligon 1657; 1673:56). 1727 (Oud Notarieel Archief Suriname 161:95; swiepings, meervoud). - 1786 (Blom 69, zweeping). 1835 (Teenstra 1:215, zwieping). Ø /E/pt/2-4/-.

5



Niet als trefwoord opgenomen, duistere en/of onbetrouwbare woorden

a aakster. Teenstra 1835, 1:426. Soort vogel, heden in Surinaams-Nederlands boesikaw (< Sranantongo). agamis. Kappler 1854 (1983:49). Kamikami* (trompetter). agoewema. Focke 1855:3. Soort plant. aloe papa mony. Anonymus 1740:19. Soort plant. anarca. Herlein 1718:189. Niet in Suriname, niet anaca*. ape-maka. Teenstra 1835, 1:407. Kiskisimaka*. aransa. Focke 1855:5. Soort plant, vermoedelijk Psidium species. arolpen. Lammens 1835, 13, 3:173. Soort watervogel. arompo. Teenstra 1835, 2:405. assoua (wiwiri). 1745, Beeldsnijder 1994:315, 228. Kruidachtige plant. avetano. Teenstra 1835, 1:352. Soort hout. awa. Teenstra 1835, 1:352. Soort boom.

b babotto. Teenstra 1835, 2:207. Soort onkruid. bakker. Herlein 1718:172; Hartsinck 1770: 96. Soort aap, overgenomen van Van Berkel (1695:81) voor Westelijk Guyana. bakra oeman. Teenstra 1835, 2:452. Soort aap.

balkhout (Indiaansch balkhout). Teenstra 1835, 1:352. Soort boom. bedjakplant. Anonymus 1740:18. Soort plant. betbagger. Teenstra 1835, 2:448. Soort vis. blaauwe boonen koffij (heele blaauwe boonen koffij.). Surinaamsche Courant 1871 nr. 22. blaeuwvink: Guiaanse blaeuwvink. Bancroft 1782:141. Letterlijke vertaling uit Engels. Soort vogel. bloemslang. Herlein 1718:176, 177, geeft deze en de volgende niet voor Suriname te plaatsen namen voor slangensoorten: buffel-, honds-, klip-, oog-, rivier-, sink-, slaap-, en stinkslang. boschmama. Teenstra 1835, 1:337. Soort boom. Brittanies (textiel). Surinaamsche Courant 1804, nr. 53. brokko bakka. Teenstra 1835, 2:448. Soort vis. buffelslang. Zie bloemslang hiervoor. burger cassa. Schiltkamp & De Smidt 640. Zie cassa*. butsel. 1749 in De Beet & Price 1982:41. Vermoedelijk een werktuig.

c cacikes. Herlein 1718:146. Indiaans dorpshoofd, ontleend aan De Lery.

248



cemelvliege. Warren 1668:8. Soort vlieg. Vertaling van Engels cammel-flye (Warren 1667). climeene (mv.?). Anonymus 1740:23. Soort vogel. cluster: glazen cluster. 1762, Oud Notarieel Archief Suriname 213:2. Huisraad, vermoedelijk lustre, luchter. colloos (vermoedelijk mv.). Anonymus 1740:23. Soort vogel. coraal boontjes. Anonymus 1740:18. Boontjes van zeker gewas. cormoran. Herlein 1718:186. Vermoedelijk een aalscholver of een slangenhalsvogel. cotiaan. Stedman 1796:344. Soort boom (Inga).

d dago maka. Teenstra 1835, 1:417. Soort palm. dakloper. Lammens 1835 (13, 3:188). Soort reptiel of amfibie. dam bi. Teenstra 1835, 2:450. Soort zoetwatervis. das. Weygandt 1798:39. Verkeerde vertaling van quassie* (‘neusbeer’). demmering. Anonymus 1740:88. Avondschemering. Vergelijk Duits Dämmerung. didibrisirika. Lammens 1835 (13, 3:179). Vermoedelijk rode duivelskrab. distelvink. Fermin 1765:68. Soort vogel. donderpad. Herlein 1718:198. Soort vis. drij weri. Teenstra 1835, 2:450. Soort vis. duivel. Herlein 1718:182. Vermoedelijk grote miereneter (zie mierenbeer*, tamanoa*). duivelsboom. Herlein 1718:211; Pistorius 1763:33. Soort boom. duivelsvogel. Herlein 1718:187; Hartsinck 1770:113. Soort vogel.

e eije bakka. Teenstra 1835, 2:450. Soort riviervis.

ekster. Fermin 1765:100; Hartsinck 1770:109. Toekan. Onjuiste interpretatie van wetenschappelijke namen. Engels werk. 1739, Oud Notarieel Archief Suriname 171:28. Vermoedelijk soort breeuwwerk. estopille (textiel). Surinaamsch Weekblad 1853 nr. 11.

f faras. Teenstra 1835, 2:405. Soort buideldier.

g galanga. Anonymus 1823:61. Soort plant. gasjaries. Van der Aa 1839-51 (1993:22), Soort vruchten. gasketting. Surinaamsche Courant 1871 nr. 130. geervis of orphi. Anonymus 1740:24. Soort vis. goedbriefjes. Surinaamsche Courant 1824 nrs. 21 en 79. gongolet glazen. 1739, Oud Notarieel Archief Suriname 171:31, daar gerangschikt onder ‘gereedschappen’. goudrat: Surinaamsche goudrat. Teenstra 1835, 2:406. groenhoutboom. Kappler 1854 (1983:35). Vermoedelijk groenhartboom*. Guineese boontjes. Anonymus 1740:17.

h haalmes.1727, Oud Notarieel Archief Suriname 161:188. Soort mes. hamerling. Herlein 1718:182. Soort dier. hondevis. Nepveu 1771:350. Vermoedelijk Sranantongo dagufisi (Acestrorhynchus microlepis). Soort vis. hondsslang. Zie bloemslang hiervoor.

249



horenaap. Teenstra 1835, 2:404. Soort aap. huisslang. Herlein 1718:81. Soort(en) slang.

j jammes: wilde jammes. Beeldsnijder 1994: 228. Plant. Jan-Bralie. Teenstra 1835, 1:337. Soort hout.

k kamutry. Lammens 1835:173. Soort vogel. kamvogel. Fermin 1765:81. Lijsterachtige­ vogel, vermoedelijk verdraaiing van Europees-Nederlands kramsvogel. kapa dirie. Teenstra 1835, 2:450. Soort zoetwatervis. kassababoom. Teenstra1835, 1:370. Soort boom. kaya-polin. Teenstra 1835, 2:405. Soort buideldier. kernspits. Surinaamsche Courant nr.1806 nr. 5; Surinaamsch Weekblad 1853 nr.49 (kernspitzen). kikvorsvogel. Hartsinck 1770:114. Soort vogel. klipslang. Zie bloemslang hiervoor. koe-harte: wilde koe-harte. Anonymus 1740:18. Soort plant, medicinaal gebruikt. koema koema. Teenstra 1835, 2:448. Soort vis. kopie: witte kopie. Teenstra 1835, 1:343. Soort boom. kopsplinters. Surinaamsch Weekblad 1853 nr. 7. krabbo lompoe. Teenstra 1835, 2:448. Soort vis. krijter. Hartsinck 1770:108. Soort papegaai, vermoedelijk uit Westelijk Guyana. krippel. Anonymus 1740:102. Greppel? kwakoe mama. Teenstra 1835, 2:446. Soort vis van zout water.

kwikstaart. Diverse onwetende schrijvers. Soort(en) vogel.

l langeman. Anonymus 1740:15. Boom- of houtsoort. lawetra. Anonymus 1740:25. Soort reptiel of amfibie. lijm pesie. Teenstra 1835, 1:420. Soort boon, gedoornd. lootsman. Kapucijnaap. Verder geheel als bakker. lucretia. Teenstra 1835, 2:448. Soort vis.

m maanvisch. Hartsinck 1770:123. Zie Schotelvisch*. Vertaling uit Frans. macogroenten. Winkels I:15; 1840. mallabatrum. Teenstra 1835, 1:421. Soort liaan. mankrassie hoede. Teenstra 1835, 1:380. Soort boom. man-piesie. Teenstra 1835, 1:381. Soort boom. man tienge. Teenstra 1835, 1:396. Soort boom. marpoerie. Teenstra 1835, 1:381. Soort boom. mawieere of mawioere. Anonymus 1740:16. Soort boom of hout. meernadel. Fermin 1765:558. Zeenaald, Duits. mees. Diverse onwetende schrijvers. Soort(en) vogel. meniste bloem. Anonymus 1740:18. Plant. merel. Diverse onwetende schrijvers. Soort vogel. mey-bloem. Herlein 1718:82. Plant. minogje: zwarte minogje. Herlein 1718:185; Pistorius 1763:69. Vermoedelijk banannebek* (1).

250



mira(boom). Teenstra 1835, 1:382. Soort boom en hout. mol: Indiaansche mol. Herlein 1718:182. Soort dier. motto motto lomp. Teenstra 1835, 2:448. Soort vis van zout water. mus. Fermin 1765:87. Soort vogel.

n nebee: zie niby. neger-aap. Hartsinck 1770:76. Soort aap. negerkrop. Hartsinck 1770:114. Contaminatie van twee woorden bij Fermin (1765:80, 89), namelijk kropvogel (‘pelikaan’) en negerkop*. niby, nebee. Luchtwortel van zekere lianen. Hartsinck 1770:83, Stedman 1796:192. Van Bancroft (1769:99) uit Westelijk Guyana.

o okseldoek aan een hemd. Focke 1855:94. oogslang. Zie bloemslang hiervoor. orphi of geervis. Anonymus 1740:24. Soort vis.

p pajawaral. Van Aerssen van Sommelsdijck 1686 bak 3 nr. 1. Inheems kruid. paling. Herlein 1718:194. Soort vis. Weygandt 1798:40. Aal*. paorelle bloem. Anonymus 1740:18. Plant. papier bloem. Anonymus 1740:18. Plant. patatte bloem, wilde patatte bloem. Anonymus 1740:18. Plant. pato tappoe. Teenstra 1835, 2:450. Soort vis. peperpot (1). Anonymus 1740:22. Soort vogel. peperpot (2). Teenstra 1835, 2:458. Soort vis. pest: rode pest.1860 (Oostindie 1989:49, 143). Een ziekte.

pickboom: indiaansche pickboom. Van Aerssen­van Sommelsdijck 1685 bak 3 nr. 4. Soort boom. piloris. Teenstra 1835, 2:406. Soort muis. pingo tay-tay. Teenstra 1835, 1:423. Soort liaan. pinino-wiel. Surinaamsche Courant 1871 nr. 145.Vermoedelijk deel van een suikermolen. pluvier. Diverse onwetende schrijvers. Soort(en) vogel. poelsnip. Nepveu 1771:333. Watersnip. Poolsch bruin. Surinaamsch Weekblad 1853 nr. 24. Een kleurstof of iets dergelijks. post. Herlein 1718:199. Soort vis. potto. Teenstra 1835, 2:405. Vermoedelijk rolstaartbeer.

r rivierslang. Zie bloemslang hiervoor. rondvis. Fermin 1765:81. Vermoedelijk (een) soort(en) levendbarende tandkarper (Poecilia). rotennissade. Houttuyn 1774, 2, 2:448. rottestaartwortel. Anonymus 1740:19.Wortel van vermoedelijk een gras(achtige plant).

s salm. Fermin 1765:99. Als heimaar*. Vertaling van verkeerd woord. salvia americana. Van Aerssen van Sommelsdijck 1685 nr. 16. Soort plant. sarki. Teenstra 1835, 2:446. Voor zaagvis; niet juist. savanne boontjes, wilde savanne boontjes. Anonymus 1740:18. savannemier: zwarte savannemier. Teenstra 1835, 1:270. Soort mier. sayou. Teenstra 1835, 2:404. Soort aap. schotlantaarn. Lammens 1822:42. semper florens. Van Aerssen van Sommelsdijck 1685 nr. 7, 1686 nr. 27. Soort plant.

251



sieka fatto of sieka vet. Teenstra 1835, 1:392. Soort plant. siepa. Teenstra 1835, 1:392. Soort plant. silversmit. Anonymus 1740:23. Soort vogel. simaruba kwassie. Teenstra 1835, 1:374. Soort boom. sinkslang. Zie bloemslang hiervoor. sipisipi. Anonymus 1740:19. Soort plant. slaapslang. Zie bloemslang hiervoor. slangeboom. Anonymus 1740:18. smelter.1767-1802 (Putte 2005:282). Functie van een slaaf. snipkatoen. Teenstra 1835, 1:267. Katoensoort. soema kondé. Teenstra 1835, 1:393. Soort plant. sopohout. Teenstra 1835, 1:393. Vermoedelijk zeepboom*. spikkeljaari. Anonymus 1740:15. Soort boom of hout. spiljouter. Van Dyk 1768:22. spreeuw. Diverse onwetende schrijvers. Soort(en) vogel. sprinckelappel. Van Aerssen van Sommelsdijck 1686 bak 2 nr. 2. Verdraaiing van prikkelappel. stalionet bailles. 1762, Oud Notarieel Archief Suriname 213:2. stinkslang. Zie bloemslang hiervoor. St. Jans torretjes. Anonymus 1740:26. Torren­soort. struisvogel. Herlein 1718:186. Soort vogel. suikerbroodananas. Hartsinck 1770:61. Nieuwvorming op grond van tekst bij Fermin (1765:147).

t tagsstocken. 1761, Dragtenstein 2002:208. taillade. 1739, Oud Notarieel Archief Suriname 171:9. Zekere werkzaamheid van een slaaf. tamovata. Herlein 1718:199; Pistorius 1763:85. Soort vis.

tanareipo. Van Aerssen van Sommelsdijck 1686 nr. 19. Vermoedelijk een soort heester. Zie Klooster e.a. 291-292. telketer. Teenstra 1835, 2:428. Soort vogel. terliaane. Hartsinck 1770:111. Soort vogel. toere toere. Teenstra 1835, 2:449. Soort moerasvis. torte, tortes, Anonymus 1740:25. Vermoedelijk soort insect. tron hati. Teenstra 1835, 1:396. De naam suggereert een braakmiddel. Zie Focke (1855:143).

v vienca. Teenstra 1835, 2:148. Soort plant. vingerlikker. Weygandt 1798:39. Vertaling van lekkie-han*. vink. Diverse onwetende schrijvers. Soort(en) vogel. vitrioolslang. Hartsinck 1770:102. Soort slang. Nieuwvorming op grond van tekst bij Fermin (1765:55). vocaba. Teenstra 1835, 1:418. Soort heester of liaan. vulborden. Eensgezindheid 1804:121. Onduidelijk onderdeel van een suikermolen.

w wandelboom. Herlein 1718:211. Soort boom. wannannetje. Pistorius 1763:71. Soort vogel. waterkoe. Nepveu 1771:326. Zeekoe. waterkonijn. Hartsinck 1770:94. Soort dier. wensiedie. Teenstra 1835, 1:4400. Soort boom. wezel. Weygandt 1798:39. Verkeerde vertaling van awari* (I). wezelaap. Teenstra 1835, 2:404. Soort dier. worstpalm. Teenstra 1835,1:418. Soort boom. woudezel. Hartsinck 1770:23, 92. Tapir. Nieuwvorming op grond van tekst bij Pistorius (1763:55).

252



z zeehond. Fermin 1769, 2:123. Zeekoe. zeeperoket. Herlein 1718:195. Vermoedelijk een soort vis. zeerot. Herlein 1718:182. Soort dier. zeisel. Surinaamsche Courant 1871 nr. 92. Een werktuig. zilverrat: Surinaamsche zilverrat. Teenstra 1835, 2:406. Soort rat. zurie-kat. Herlein 1718:186. Soort dier.

6

Contraregisters

6·1



Hedendaags en/of toenmalig Europees-Nederlands (toenmalig) Surinaams-Nederlands

a aanlegplaats, aanlegsteiger - landingplaats, landplaats aanvoerder - domine aardappel: zoete aardappel - ingi-tayer, patatte aardeten - grondeter aardschildpad: Zuid-Amerikaanse aardschildpad - arakaka abelmos - muscusbloem afleggen (een dode) - uitwaaien afpellen - uitpielen agoeti - konijn albinoneger - blafard, kakkerlak aloë - sempervies amarant: Surinaamse amarant - caleloe amazone: grote amazone - molenaar amazonepapegaai - papegaai ampas - kaantras, tras (1) amulet - obia anaconda - aboma anatto - koesoewe, rocoe (2). anattoboom - achiote, rocoe (1) ani - smouse neus, smouse-vogel anioema - mouton, pennevogel ansjovisachtigen - krafana ara - perokiet raven, raaf parkiet, raaf (II), raven. arrowroot - araroet Asjkenasisch (religieus) - Hoogduits

aubergine - berangine avocado - advocaat (2) en varianten.

b bagasse - kaantras, tras (1) bahamagras - Boheems gras, tigriston bahamapijlstaart - anaatje bakbanaan - bananna bakken (aardewerk) - branden balsempeer - sopropo banaan - bacove, bana(n)na bananenmeel - gongote bananenplantage - banannagrond (zie grond I,2) bandjir (als in Indonesië) - friesjes banjo - banja (II) barbecue - barbekot (1) bataat - ingi-tayer, patatte bedijken - in polder leggen bedijking - bepoldering bedijkt - in polder bedrijfsleider van een plantage - directeur bedrijfsleiding over een plantage - directie beek - kreek behennotenboom - peperwortel bekken van metaal - blaker beriberi - zwelziekte bewaken - wacht houden bewaker - wagter, wagtneger



bezorgen (een dode) - uitklaren bidsprinkhaan - Spaanse juffrouw bijlzalm - sriba (1) bijworteltjes - baarden binnenbetimmering - beslag bisschopstangare - blauwtje bitterhout: Surinaams bitterhout - quassiebitter bixine - koesoewe, rocoe (2) bladsnijdersmier - cassavemier, papamier blanke - bakra blauwgeelgoean - faisanten blimbing - birambi blok (perceel met een cultuurgewas) - stuk, tuin, veld boa constrictor - papa, papaslang, papasneki boekhouder op een plantage - schrijver bonkelaar - bonkelrad boommiereneter - fluiter boomstekelvarken - grote djiendjamaka, egel, ijzervarken, stekelvarken boontje (zaad) - pees bootsnavel - arapapa borrel - sopie boshond - vos bosluis: Amerikaanse bosluis - carapatluis, krapa (II), koepari bosmeester - capasieslang bosmijt - grasluis, patattesluis bosontginning - opening bosyaws - jaas (2), negerjaas braak liggend - in capuerie brandmerk (op huid) - merk (2) brandmier - krasmier breedte van een plantage - façade, face brits - barbekot (2) broodvruchtboom - kastanjebroodboom, Otaheitische broodboom brulaap - baboen, baviaan buidelrat - awari (I), beursrot, boschrat (1), jawari, kaalstaart, zakrot buidelspreeuw - banannebek buikpijn - beljak

254 c cacaoplantage - cacaogrond (zie grond I,2) calicot - boekjes caracara: zwarte caracara - boschhaan carambola - grote birambi carbolineum - Engelsch bruin cashewnoot - caschou (2), inginoot cayenne-ibis - korrekorre cayenneral - crico cayennerat - boschrat (2), macarat cederboom: West-Indische cederboom cederboom chachalaca: kleine chachalaca - toriman, wakago Chinese roos - malvenroos cholibaschreeuwuil - steenuil christusvis - koepira commies op een schip - schotje concessie inzake grondgebruik - permit concubine - huishoudster

d dagtaak van slaaf - merk (1) dagvaarding - warrant (4) dakbedekking - tas danspartij van slaven - baljaar, baljaring, pley, spel (II) dijk - dam, polder disselen - kanten (II), kweelen distilleerderij - stijlhuis distilleren (alcohol) - stijlen doodshoofdaapje, doodskopaapje - doodshoofdje, kabouterman, marmazet, monkiemonkie doornmeerval - soké doorsteek (water) - kraskreek dorp van binnenlandbewoners - camp dorpshoofd bij binnenlandbewoners capitein (I) draadharing - haring draadmeerval - jakje

255



draagmand - baskiet, batatta, koeroekoeroe, matoetoe drank (sterke) - citroenvla droogvloer voor koffie of cacao - drogerij, steen duif: rosse duif - mangroduif duwen - troessen dwergara - perokiet raven, raafparkiet dwergmiereneter - lekki-han dwergpapegaai: Zuid-Amerikaanse dwerg­ papegaai - grasparkietje

e eekhoorn: Braziliaanse eekhoorn - bonboni, eekhoorn eekhoornaapje - monkie eenkamerwoning - kamer ezel - steenezel

f faraomier - suikermier flamboyant - acacia flamingo: rode flamingo - ticoco fleskalebas - bokscalabas forelzalm (diverse soorten) - matoeri, warapper framboesia - Guinesche pokken, jaas (1) fuik - masoewa

g garnaal - sarasara gebrekkig (slaaf) - gebroken geelbuikslang - reditere geelkruinkwak - krabvogel geest (metafysisch) - jorka geneeskundig behandelen - dressen geneesmiddel - dressie geofagie - grondeter gesprek (formeel) - koertoe getij - water (1)

gids - compassieman gier (diverse soorten) - raaf (I), stinkvogel gifmenger - wissieman gifmengsel - wissie gifslang - adderdier giftbrief met betrekking tot grond - warrant (1), warring (1) glanskoevogel - zie putter gordeldier - capassie, schildvarken, tatou goudhaas - cotie, konijn, konnij konnij goudtanager - goudvink gouverneur van Suriname - granman, landvoogd graven - dieken grijpstaartstekelvarken: gewoon grijpstaartstekelvarken - grote djiendjamaka, egel, ijzervarken, stekelvarken grijpstaartstekelvarken: listig of wolharig grijpstaartstekelvarken - kleine djiendjamaka grison - aira (2) grondbelasting - akkergeld grondbrief - warrant (2), warring (2) grondduifje - steenduifje grondwerker - delverneger guave - guajave guineaworm - boasieworm, regenworm Guyana (de kolonie Brits-Guyana, later de staat Guyana) - Demerary guyanadolfijn - provoost

h hak (werktuig) - tjap halsbandpekari - pakiera hamerhaai: grote hamerhaai - bakkra oema, panapana handbezem - sibisibi handjesgras - Boheems gras, tigriston harder - curema, prasie, queereman harnasmeerval (diverse soorten) - basjafisi, warrawarra heks - asema helderziende - loekeman

256



helmparelhoen - toke herder - koewachter hibiscus - zie malvenroos hoenderhok - vogelhok, vogelhuis hoenderkweek - vogelenkweek hokko: gewone, zwarte of gekuifde hokko pauwies hoornblazer - toetoeman houweel - pikax huisbediende (slavin) - huismeid huishoudster - missie (2) huisknecht - booi, voetebooi, huisneger, jongen huiswinterkoninkje - corkietje, gadofowroe, huismusje, huisvogeltje, lieveheersvogeltje, nachtegaal, tjotjo

i ibis: groene ibis - korrekorre ibis: rode ibis - flamingo inboeten (van planten) - suppleyen indiaan - bok (II) indiaanse - bokkin, indianin indiaanse slaaf - rode slaaf indigo - anilplant ingepolderd - in polder inpolderen - in polder leggen inspecteren van een plantage - revideren

j jaagzalm - patakker jabiroe - blaasman, kraan, toejoejoe jager - jagerneger jaguar - tijger, bonte tijger jam (knol) - igname, jammes jassana - kemphaantje

k kaalkopooievaar - negerkop

kam (bananen) - hand (2) kambaars - matoewari kameleon: Amerikaanse kameleon - agama, cameleon kameraad - mati kameraadschap tussen vriendinnen matischap kanteloep - Spaans spek kanten (boomstam) - kweelen kantine - mes kapmes (lang) - houwer, dulhouwer kapokboom: wilde kapokboom - cottontrie en varianten, grote wolboom kapstok - hangstok kapucijnaap - grijze aap, kesikesi, mecoe katoen - kleine wolboom kaurischelp - papageld, papamonie kernhout - hart ketel - kap keuken - kokerom keurmeester van vee - oorsnijder kielrugslang - reditere kieuwspleetaal - aal, slangevisch, snekifisi, sombo kiezen - pikken kijken - loecken kikker: paradoxale kikker - jakje (1) kip - vogel kippenren - vogelhok kiskadie: grote kiskadie - grietjebuur klamboe - muskietenkleed kloek - mamavogel knaasje - mompier kneuzen - massen knoflookliaan - knoflookrank, uepollin knolstaartgekko - kwakwa, kwakwaslang, kwakwasneki knut - mompier koelbak (in suikerbedrijf) - koelder koevogel: kleine of zijden koevogel - putter koffieplantage - koffiegrond (zie grond I,2), koffiestaat kolibrie - honingvogel, lonkertje koliek: droge koliek - beljak

257



kom - prapie komkommer: bittere komkommer - sopropo kookbanaan - bananna kookpan voor suikerbereiding - kap, suikerketel koolpalm - cabbesboom koosjer - caseer kopstaander: gestreepte kopstaander keentras, makamaka kopstaander (soort) - jammesvis kortjan - matrozenmes, negermes kraagpapegaai - kaketoe krabbeneter - krabvogel krassen - krabben kroonlijst - balcon kruid (plant) - wirriwirri kruik - pul kruikje van steen - kan, kannetje kruithoorn - calabasje krukje - bankje kuiper - kuiperneger, negerkuiper, timmerneger kuipersbijl - baard kustvaartuig - drogersvaartuig kwassiehout - quassie-bitter kweekschool - centraalschool

l landgenoot - contreman lanspuntslang - labaria, oeroekoekoe (II), oeroekoekoeslang lantana - Surinaamsche theeboom leermeesteres - leervrouw, matres leishmaniasis - jaas (2), negerjaas lekendokter - dresser, dresneger, lapper leljacana - kemphaantje lendendoek - camies, paantje lepelaar: rode lepelaar - lepelbek (1) lepelbekreiger - arapapa lepra - boasie, de ziekte; zie ook: besmet lepralijder - boasier liaan - boschtouw, bossi teitei, taytay

lichter - scheepspont; ook matrozenpont ligmat - papaya, papayemat lijfknecht - booi, voetebooi limaboon - zevenjaarsboon, sebijari, lijm pesie limmetje - lemmetje limoen - lemmetje loogkruid - barillaplant loopplank - temba luiaard: drietenige luiaard - zonluiaard luiaard: tweetenige luiaard - schapenluiaard lunch - breakfast (1) lunchen - breakfasten (1)

m maaien (gras) - kappen, waaien (1) maatstok - merkstok machete - dulhouwer, houwer magazijn - stoorhuis maïs(korrels) - caro, koorn maïsbrij - akansa, tomtom (1) maïskolf - spier maïsmeel - koornblom, koornmeel maïspap - akansa, tomtom (1) malariamuskiet - maker, makoe mand - baksie, baskiet, batatta, koeroekoeroe, matoetoe, pagaal, warimbo (1) mangrove (boom) - duizendbeen, mangroe, oesterboom mangrovebos - zeebosch maniok (plant) - cassave margay - tijgerkat margrietje: bruine margrietje - paarse papegaai marilsjakohoen - marai markt - wooijwooij marktkoopman - wooywooyeman marktkoopvrouw - woywoymeid marmerleguaan - agama, cameleon maskeruil - briluil mauritiushennep - aloë, ingisopo, water­ pinan

258



medicijn - dressie medicijnkast - dreskast medicijnman - obiaman, piaiman, pogaier medinaworm - boasieworm, regenworm medisch behandelen - dressen meelvat - blomvat meerval (diverse soorten) - coemacoema, katvisch, laulau, noja, passiessie, prarprarie, quassiemama, redekotte meerval: zie ook in de onderhavige lijst onder draadmeerval, harnasmeerval en pantsermeerval meesteres (van slaaf) - missie (1) meloenboom - pompoenboom mesvis(soorten) - logge logge, saprapi metselaar - metselneger middagmaal - breakfast (1) mier: witte mier - houtluis miereneter: dwergmiereneter - lekki-han miereneter: grote miereneter - mierenbeer, tamanoa miereneter: middelste miereneter - fluiter miltvergroting, miltzwelling - de koek modderschildpad: Zuid-Amerikaanse modderschildpad - arakaka moeras - zwamp moerasachtig, moerassig - zwampachtig, zwampig moerasschildpad - zwampschildpad moestuin - grond (I,3), kostgrond (2) molensloot - molentrens mug - muskiet müller-amazone - molenaar musduif - tortelduif muskuseend - boschdoks, doks, doksie muurplaat - walplaat

n nachtjapon, nachtpon - slaapjapon nachtzwaluw - boetaboeta; kikvorschvogel; ook: oeroekoekoe navelzwijn - pakiera, pinko

negermeisje - kleine meid, klein meisje negerslaaf - neger negerslavin - meid neusbeer: rode neusbeer - quassie(-quassie), vos notaris - jurator, gezworen klerk

o ocelot - tijgerkat okra - althaea, kinkanbau, okro ombervis (diverse soorten) - koebi, schelvisch omslagdoek - paantje ontbijt - breakfast (2) ontbijten - breakfasten (2) oog: boos oog - ogr’ai oogvlekbaars - zonnevisch opgraven - dieken opossum (gewone) - awari, beursrot, boschrat, jawari, zakrot opzichter - bastiaan orleaan - koesoewe, rocoe (2) oropendola - banannebek, bananenvreter, griet-bak-koeken, spotvogel, ponpon otter - waterhond overhemd - hemd

p paalworm: Surinaamse paalworm waterworm paardenmolen - beestenmolen, beestenwerk, paardenwerk paca - haas, hei pad (dier) - todde paddevis (soort) - lomp pagaai - parel (II,1) pagaaien - parelen (1) pakhuis - stoorhuis palfrenier - grasneger palmkool - cabbes (2a) palmsnuitkever (larf) - cabbesworm,



259

palmietworm palmworm - cabbesworm, palmietworm pantsermeerval (diverse soorten) - quiqui, soké papaja - papaye papajaboom - papaye (1), pompoenboom paradijskorrels - negercontriepeper paradoxale kikker - jakje (2) Paramaribo - het fort (Fort), de stad (Stad) paranoot - bokkenoot, sawarinoot paraplu - parasol parasolmier - cassavemier, papamier parelhoen - toke passiebloem - marcoesa (en samenstellingen) paternosterboontje - anakokke patiëntie - pasensie peddel - parel (II,1) peddelen - parelen (1) peesknopen - jaasbonken pelikaan: bruine pelikaan - lepelbek (2), rotgans penale sanctie - poenale sanctie peper: Spaanse peper - aratakaka, atty, peper, piment, tuinpeper perceel - stuk, tuin, veld petroleumlamp - kerosinelamp piccalilly - (Surinaamsche) mosterd pijlstaartrog - sipari pijlwortel - araroet pijpaarde - pemba pinda - akonipje, pinda, pinje piranha - pirijn plankwortel - spoor plantage - buiten, grond (I), staat plantagelandbouw - grote landbouw plantage-opzichter - bastiaan, blankofficier, negerofficier, officier plattelandsdokter - districts-chirurgijn ploeg (werkploeg) - spel (I,1) plukken - pikken poema - tijger, rode tijger pompelmoes - gideonsappel pompoen - pampoen porceleinhoornslak - papageld, papamonie purgeernoot - schijtnoot

r rammelaar - maraka, saka rasp - grittie-grittie regenwulp - krombek reiger - sabakoe reiger: Amerikaanse blauwe reiger kamawari reiger: kleine blauwe reiger - blauwe sabakoe reuzenooievaar: Amerikaanse reuzen­ ooievaar - blaasman, kraan, toejoejoe reuzenotter - waterhond reuzentandbaars - grauwmunnik reuzenteju - sabakkaar, sauvegard rivier - rio roeier - roeineger roeren - parelen (2), waaien (2) roerspaan - parel (II,2) rok (van vrouw) - kottoe rolgordijn - blinders roodhandtamarin - sagovin roodpootcaracara - boschhaan roodsnaveltoekan - witborst roodvoetrotspelikaan - gek roos: Chinese roos - malvenroos roosteren (vlees, vis) - barbekotten ros (tophalm) - pijl roselle - zuring, rode zuring, Guinesche zuring rosmolen - beestenmolen, -beestenwerk, paardenwerk rotting - tasstok rug (in vlak landschap) - rits ruigte (vegetatie) - capuerie rum - dram, kilduivel, Surinaamsche brandewijn, tafia

s sabeltangare - goudvink sambabal - saka sapbak (bij suikermolen) - sisser sapotille (boom) - mispelboom (2) sapotille (vrucht) - mispel (3)



260

savannevos - savanehond, vos schaalstuk - slabbe schaamlap - camies, quejou schaduwdakje (voor cacao) - pinahuisje schapenstal - schapenpen schelprug - schulpenrits schijfzalm (diverse soorten) - pakoesie, schotelvisch schijngras - baboen-nefi schimmelkopooievaar - negerkop schoep aan het waterrad van een suiker­ molen - lepel, schepper school - centraalschool, hoofdschool, stadsschool schots (commies op een schip) - schotje schouderstuk (vlees) - shoulder schreeuwuil: tropische schreeuwuil - steenuil schuimspaan: schuimer schuitbekreiger - arapapa schuren - krabben sea-island-katoen - Bourbons katoen, rode katoen seizoen (met betrekking tot klimaat) - tijd selecteren - pikken sesam - abonjera sidderaal - prake signaalhoorn - toetoe sjakohoen (soort) - boschkalkoen, marai sjamaan - peje, pogaier, piai(man) slaaf - neger, negro slakkenhuisje - pakro-schulp slavenhuis - negerij, negerhuis slijkzalm (diverse soorten) - keentras, warakoe slijpen (scherpen) - schrapen slikslede - visscherspaard slingeraap: zwarte slingeraap - boschduivel, kwatta slingerplant - boschtouw sloot - trens smid - smitneger snook: olijfgroene snook - snoek sodomsappel - appel van Sodom, wintje-bobbie

soep - braf soepschildpad - calapé, groene schildpad sokoireiger - kamawari soldatenspreeuw - roodborst souarinoot - bokke(n)noot, sawari(noot) Spaanse peper - aratakaka, atty, peper, piment, tuinpeper span (trekdieren) - spel (I,3) spanplaat - walplaat specht - timmerman sperzieboon - snijboon spieshert: grauw spieshert - boschgeit, kabriet, ree spieshert: rood spieshert - riethertebeest spilzalm (diverse soorten) - dagoefisi spinaziezuring - pasensie spoelgeep (soort) - naainaai fissi spotlijster - spotvogel spreekwoord - odo springvloed - spring, springwater staartvors: Surinaamse staartvors - jakje (1) stal - pen stamhoofd - granman, grootopperhoofd stampblok - mat, koffiemat, stampmat, tomtommat, tomtomblok stamper (bij stampblok) - matatiki steekmug - muskiet steenappel - kaneelappel steenappelboom - kaneelappelboom stekelvarken: listig of wolharig stekelvarken - kleine djiendjamaka stervrucht - grote birambi stoken (alcohol) - stijlen stokvis - bakkeljauw, zoutevisch strafcel - bromstal strandloper - joosje stretcher - veldezel strijdknots (indiaanse) - apoetoe, indiaansch zwaard stroomafwaarts - benedenwaarts stroomopwaarts - bovenwaarts stroomversnelling - tap, val struweel - capuerie suikerketel - inneemketel, likaketel, mallassie-

261



ketel, kap, test suikermolen - suikerwerk suikerplantage - kaangrond, rietgrond (zie grond I,2), suikerstaat (zie staat) suikerriet(-) - kaan(-), riet(-) suikerrietmot (rups) - suikerworm suikerstok - kaanstok, rietstok

t taboe op levensmiddel - treef taira - aira (1) tak - hand tandbaars (diverse soorten) - grauwmunnik, krokro tangara: blauwe tangara - blauwtje tapioca - gomma tapir - boschbuffel, buffel tarpoen - trapoen taxateur - priseur taxatie - prisatie taxeren - priseren teek - carapatluis, krapa (II), koepari termiet - houtluis, nieuwjaarsvlieg tijgermeerval - spikkelkat, tijgervisch tijgerroerdomp: rosse tijgerroerdomp tigrifowroe, tijgervogel timmerman - timmerneger tinamoe: grote tinamoe - anamoe, namoe tiran (vogel) - grietjebuur toekan - coejakee toekan: gele toekan - geelborst toezicht houden - wacht houden tondel - fonk tonijn - makreel tonnetje - kelder topgevel - geveleinde tophalm van suikerriet - pijl trekmier - wakawakamier treksloot - trekker troepiaal: gele troepiaal - banannenvogel, geelvogel trompet(ter)vogel - kamikami, trompetter

tuinman - tuinneger, tuinslaaf

u uil - oeroekoekoe (I) uitbaggeren - uitmodderen, ophalen, bedelven (2) uitgraven - uitdieken uitwateringssluis - loossluis

v vaatje (tonnetje) - kelder val (voor het vangen van dieren) - trap vampier (dier) - vliegende hond, vliegende kat vampier (mytisch) - asema varken - spekkop varkenshok, varkensstal - varkenspen veebedrijf - kweekgrond, kweekplantage veenmol - kottie kottie veeweide - savaane (3) velbijl - valax veldarbeider - veldneger veldarbeidster - veldmeid veldbed - veldezel veldwesp - maribons vellen - vallen verbindingsweg, verbindingspad - communicatie en varianten vergadering - koertoe vermorzelen - massen verpleegster - dresmama verplegen - dressen verpleger - dresneger vieroog - grootoog, koetai visfuik - masoewa viskwekerij - vischgrond visschep (huishoudelijk) - vischtroffel visser - visscherneger visvijver - pan, watergat vloed (getij) - water (2)

262



vlonder - barbekot (3), temba vlotbrug - barbekot (4) vogellijm (plant) - vogelkaka vogelspin - boschspin voorbout (vlees) - shoulder voorkamer - voorhuis voorzijde van plantage - façade, face vorderen (slaaf) - commanderen vriend, vriendin - mati vrijwording (slaven) - emancipatie vruchtbaar (bodem) - gulzig vurenhouten plank - Engelsche plank vuurmier - brandmier vuurvaste stenen - fire bricks vuurwaaier - waaiwaay

w waadvogels - snippen waarom?- hoe? waarzegger, waarzegster - loekeman wals in suikermolen - roller wandelende tak - Spaanse juffrouw warmtepuistjes (roseola) - roodhond wasbeer: krabbenetende wasbeer krabbenhond, crabbedago, vos waterboa - aboma waterhaas - kapoea, watervarken waterkruik - Indiaansche waterpot, waterkan waterlelie - pannekoeksblad watermolen - waterwerk watersnip - grassnip waterval - tap, val waterzwijn - kapoea, watervarken weitas- jagtzak werkploeg - spel (I) wesp - wassiwassi wiegen (baby) - doidoien wiek (pluksel) - dreswerk

wildernis - het bosch witkopgoean - faisanten witkopriettiran - nonnetje witkopsaki - wanakoe, witbaard witkopwatertiran - nonnetje witlippekari - pinko witstaarthert - awojo, savannehert, strandhert wonderboom - carapat, olyboom wonderolie - carapatolie woonkamer - voorhuis woonplaats - contre wormhagedis - miereneter wortellijst - spoor wuiven - een waaihand geven wulp: rode wulp - flamingo

z zaagstelling - barbekot (6) zambo - cabouger (2) zandmug (soort) - jaasvlieg zandrug - zandrits zandvlo - sieka zeegrondel (soort) - modderhieltje zeesnoek: Amerikaanse zeesnoek - snoek ziekenverzorger - dresneger, dresser ziekenverzorgster - dresmama zilverreiger: Amerikaanse kleine zilverreiger - witte sabakoe zingcicade - scharensliep zonneral, zonnereiger - zonnevogel zuigmeerval (diverse soorten) - warrawarra zuurzak - prikkelappel zwartbuikboomeend, zwartbuikfluiteend soecroerie zwartkruinreiger - kamawari zweepstraartrog - sipari zwemmerseczeem - consaca

263



6·2



Hedendaags (vanaf 1954) Surinaams-Nederlands (ook) toenmalig Surinaams-Nederlands

a abongra - abonjera alampila - lampila anjoemara - cabeljauw, heimaar, njoemara

b baboen (boom, hout) - baboentrie, kruidnoot, waroesi bamba: dikke bamba - aracourou banabeki - banan(n)ebek, spotvogel banafowroe - geelvogel banban - schelvisch (2) basralokus - basterdlocus batbati - klopappel boesikaka - boschhaan bofroe-oedoe - buffelhout bokraaf - raven boshert: groot boshert - riethertebeest - : klein boshert - boschgeit, kabriet, ree boskapok - boschkatoen bosnegerpinda - gobbegobbe bosyaws - jaas (2) brafoe - braf boulanger - berangine

d dagoefowroe - spotvogel dam (stroomversnelling) - tap datra (vis) - matoewari Demeraragroenhart - geelhart (2), groenhart

Demerara window - Engelsch raam diatigri - tijger (2), rode tijger dikkop - krabvogel djakie - jakje djaripesi - bruine pesie, negerpesie (onder pees II) dokoen - dokenoe dominee (vogel) - nonnetje donke - domkeen draagmier - cassavemier, papamier

e erfwoning - negerhuis

f foengoe - fonk, voengo fowroedoti - vogelkaka fransmadam - kaketoe fransmanbirambi - (grote) birambi fransmankanarie - banan(n)evogel, geelvogel

g gadofowroe - huismusje, nachtegaal gandoe - apoetoehout, basterdijzerhout, bok(ken)hout geleborsttoekan - geelborst gogomango - Surinaamsche caleloe granmorgoe (vis) - grauwe munnik gronfolo - blauwe wassiewassie

264



h Hindostaan(se) - koelie hooglandbaboen - pentrie hooglandbebe - matoziran

i ingipipa - igne pipe

j jaifi (boom) - kandra, momooije jarabaka - geelbagger jarakopi - irakopi

k kana - weglopershagel kapa (ketel) - kap kapasiwaswasi - capasimarabons kapoewerie - capuerie kapucijner - bruine pesie, negerpesie (onder pees II) kasjoe - caschou, inginoot kasripo - casiripo kastanjeboom - kastanjebroodvruchtboom kawa - keentras kawfoetoeboi - smousvogel kers: West-Indische kers - kers (2). keskesi - kiskisi kintrasi (vis) - keentras klaroen - caleloe knoflookliaan - knoflookrank koebie - schelvisch (1) koelimatoe - macavisch koemaroe - schotelvisch koemboe - coemoe koenamie - konamie koerali - courari, coerehare kokobe - (droge) boasie kokrietje, kokriki - anakokke koningsbloempje - fridericibloem koren (maïs) - koorn korokoro - korrekorre korsoewiwiri - Surinaamsche theeboom kouseband (groente) - lintpesie

krabdagoe - krabbenhond krapat - carapat, olyboom krawkraw (vogel) - craauw krerekrere - sabinapesie, sevenboom krobia - owroewefi kwakwabangi - kwakwa (II) kwakwasneki - sterrepootjehaagdis kwasibita - quassi-bitter kwijlen (disselen) - kweelen

l likan - lekkie-han

m maka, makaslang, makasneki - capasieslang maka-alata - boschrat (2), macarat manbospapaja - papay masoesa - wilde cardamon mason - molenaar matrozendruif - maca (I,1), quacici matrozenroos - malvenroos mirafroiti - fluiter modderpaard - visscherspaard moetete - batatta morokobita - kandra, momooije

n neertje - zie kroro nengrekopoe - negerkop njamsi-bredebon - Othaheitische broodboom njamsifisi - jammesvisch, makamaka

o oker - althaea, kinkanbau, okro - : wilde oker - muscusbloem okroprakiki - grasparkietje oranje: Curaçaose oranje - mandarine

p paardenboon - horsepesie pagara - pagaal, warimbo (1)

265



paiwari - pajarware pakira-oedoe - cipoe-boom pakoelie - geelhart (1) paloeloe, grote paloeloe - wilde banan(n)a pankoekoewiwiri - pannekoeksblad papagodo - calabas (II) papegaai: paarse papegaai - bruine margrietje patat - ingi-tayer pegasse - veen peprewatra - peperpot (3) pièce, piès - pees (I) pingomier - wakawakamier pingping: grote pingping - rode lelie pireng - pirijn poe, poen - bokscalabas pommeroos - pomme de rose pom(oe)steri - pomme de cythère pompom - mandarine popokaitongo - papegaai(e)tong powisi - powies profoesoe - provoost

r rasper - grittie-grittie riemhout - suikerhout

s sagoewintje - sagovin sapakara - sabakkaar savannebolletrie - witte bolletrie savannekasjoe - bosch-caschou, wilde caschou schildpad(hout) - gevlamde boschtamarinde schuurpapierboompje - bosch-caschou, wilde caschou segansi - ticoco sekiseki - saka shift - spel (I,1) siksijoeroe - scharensliep skapoeloiri - schapenluiaard skoertje - soecroerie slabriki - slabbetje soela - tap soemaroeba - witte ceder

sonloiri - zonluiaard Spaanse vrouw - Spaansche juffrouw spari - sipari spikrikati - spikkelkat, spiegelkat, tijgervisch sponshout - sergeantenkloten Sranantongo - Neger-Engelsch, BasterdEngelsch sterappel - starappel strandklaroen - zeekraloe switiboontjes - zoete boontjes

t tajersoep -tayerbraf tapijtslang - papa, papaslang, papasneki tastiki - tasstok timmermanskrijt - timmerkrijt tingifowroe - stinkvogel todo - todde toe-ede-sneki - miereneter toekoenari - zonnevisch tsjambaraaf - raven

v val (stroomversnelling) - tap venstervlinder - spiegeldrager visgat - watergat

w warrauraaf - raven watrabebe - laaglandsche bebe watradagoe - waterhond watrakan - waterkan wieden - waaien (1) wilkensbita - ducaatbeursjes, goudbeursjes wiswisi (eend) - cau(w)riertje wiswiskwari - basterdwane, wassiewassie (II) witzandsavanne - zandsavana

z zeegans - ticoco zwamppanta - witte panta zwampsavanne - savane (2), biribirisavane zwampzuurzak - aracicoeran

266



6·3



Wetenschappelijke namen van dieren en planten toenmalig Surinaams-Nederlandse naam, 1667-1876

Zoogdieren Agouti paca - haas, hei Alouatta seniculus straminea - baboen, baviaan Ateles paniscus - boschduivel, kwatta Bradypus tridactylus - zonluiaard Cebus apella - mecoe; zie ook: kisikisi Cerdocyon thous - savanehond, vos Choloepus didactylus - schapenluiaard Coendou-soorten - djiendjamaka, egel, ijzervarken, stekelvarken Cyclopes didactylus - lekkie-han Dasypodidae (familie) - capasie, schildvarken, tatou Dasyprocta leporina - konijn, konnij konnij, cotie Desmodus rotundus - vliegende hond, vliegende kat Dicotyles pecari - pinko Didelphis marsupialis - awari (I), beursrot, boschrat (1), jawari, zakrot Eira barbata - aira (1) Equus asinus - steenezel Galictis vittata - aira (2) Hydrochoerus hydrochoerus - kapoea, watervarken Leopardus pardalis melanurus - wilde kat, tijgerkat Leopardus tigrinis - tijgerkat

Leopardus wiedii vigens - tijgerkat Lutra enudris - waterhond Mazama americana - riethertebeest Mazama gouazoubira nemorivaga boschgeit, kabriet, ree Myrmecophaga tridactyla - mierenbeer, tamanoa Nasua nasua vittata - quassie(-quassie), vos Nectomys squamipes melanius - waterrat Odocoileus virginianus cariacou - awojo, savanehert, strandhert Panthera onca - (bonte) tijger Philander opossum - kaalstaart Pithecia pithecia - wanakoe, witbaard Procyon cancrivorus - krabbenhond, vos Proechimys guyannensis - boschrat (2) Pteronura brasiliensis - waterhond Puma concolor discolor - (rode) tijger Saguinus midas - sagovin, sagouin Saimiri sciurus - doodshoofdje, kaboutermannetje, marmazet, monkie(monkie) Sciureus aestuans - bonboni, eekhoorn Sotalia guianensis - provoost Speothos venaticus - vos Tamandua longicaudata - zie fluiter Tapirus terrestris - (bosch)buffel, Surinaamsche olifant Tayassu tajacu patira - pakiera



267

Vogels Amazona farinosa - molenaar Amazona-soorten: zie papegaai Anas-soorten: zie anaatje en soecroer Anhima cornuta - mouton, pennevogel Ara ararauna - raaf (II), raven Ara chloroptera - raaf (II), raven Ara macao - raaf (II), raven Ara severa - perokiet raven, raafparkiet Aramides cajanea - crico Aramus guarauna - craauw Ardea cocoi - kamawari Cacicus-soorten - banannebek, griet-bakkoeken, spotvogel Cairina moschata - boschdoks, doks, doksi Calidris-soorten - joosje Cathartes-soorten - raaf (I), stinkvogel Cochlearius cochlearius - arapapa Columba cayennensis - mangroduif, parwadruif? Columbina (diverse soorten) - steenduifje Columbina (of Columbigallina) passerina tortelduif Coragyps atratus brasiliensis - raaf (I), stinkvogel Crax elector - pauwies; zie faisanten Crotophaga-soorten - smouse neus, smous-vogel Daptrius ater - boschhaan Daptrius americana - boschhaan Dendrocygna-soorten: zie anaatje en soecroer Dendrocygna viduata - cauwriertje Deroptyus accipitrinus - kaketoe Egretta coerulea - blauwe sabakoe Egretta thula - witte sabakoe Eudocimus ruber - flamingo Eurypyga helias - zonnevogel Fluvicola leucocephala - zie nonnetje Forpus passerinus - grasparkietje Gallinago gallinago paraguaiae - grassnip Icterus nigrogularis - banannenvogel, geelvogel

Jabiru mycteria - blaasman, kraan, toejoejoe Jacana jacana - kemphaantje Leistes militaris - roodborst Mesembrinibis cayennensis - korrekorre Mimus gilvus: zie spotvogel Molothrus bonariensis minimus - putter Mycteria americana - negerkop Numenius phaeopus hudsonicus - krombek Numida meleagris - toke Nycticorax violacea cayennensis - krabvogel Ortalis motmot - toriman, wakago; zie faisanten Otus choliba - steenuil Pelecanus occidentalis - lepelbek (2), rotgans Penelope jacupeba - boschkalkoen, marai; zie faisanten Penelope marail - boschkalkoen, marai; zie faisanten Phoenicopterus roseus - ticoco Pionus fuscus - paarse papegaai Pipile cumanensis: zie faisanten Pitangus sulphuratus - grietjebuur Platalea ajaja - lepelbek Psarocolius decumanus - ponpon Psarocolius viridis - ponpon Psophia crepitans - kamikami, trompetter (1) Pulsatrix perspicillata - briluil Rhamphastos-soorten - koejake Rhamphastos tucanus - witborst Rhamphastos vitellinus - geelborst Sturnella militaris - roodborst Sula sula - gek Tangara cayana - goudvink Thraupis episcopus - blauwtje, bisschopstangare Tigrisoma lineatum - tigrifowroe, tijgervogel Tinamidae (familie) - anamoe Tinamus major - anamoe, namoe Troglodytes aedon albicans - corkietje, gadofowroe, huismusje, huisvogeltje, lieveheersvogeltje, tjotjo



268

Reptielen en amfibieën Amphisbaena-soorten - miereneter Boa constrictor - papa(sneki), papaslang Bothrops atrox - labaria, oeroekoekoe (II), oeroekoekoeslang Chelonia mydas - calapé, groene schildpad Chironius carinatus - reditere Eunectes murinus - aboma Kinosternon scorpioides - arakaka Lachesis muta - capasislang

Lepidochelys olivacea - warana Polychrus marmoratus - agama, cameleon Pseudis paradoxa - jakje (2), toddejackie Rhinoclemmys punctularia - arakaka Thecadactylus rapicauda - kwakwa(sneki), kwakwaslang, sterrepootjehagedis Tupinambis teguixin - sabakkaar, salamander, sauvegard

Vissen Acanthodorus: zie melksoké Acestrorhynchus falcatus - dagoefisi Acestrorhynchus microlepis - dagoefisi Aequidens (diverse soorten) - owroewefi Ageneiosus-soorten - prarprari Anableps-soorten - grootoog, koetai Arius (diverse soorten) - redekotte Arius herzbergeri - coemacoema Aspredo: zie trompetter (2) Asprenidychthys: zie trompetter (2). Batrachoides surinamensis - lomp Brachyplatystoma vaillanti - laulau, passiessie Breevoortia tyrannus - menhaden Brycon falcatus - morokko Callichthys (diverse soorten) - quiqui Centropomus undecimalis - snoek Chaetobranchus (diverse soorten) owroewefi Chalceus macrolepidotus - lampila, morokko Cichla ocellaris - zonnevisch Cichlasoma binaculatum - owroewefi Crenicichla alta - matoewari Crenicichla saxatilis - matoewari Curimatus schomburgkii - macavisch Cynoscion acoupa - schelvisch (2) Eigenmannia-soorten - saprapi

Electrophorus electricus - prake Engraulidae (familie) - krafana Epinephelus (diverse soorten) - kroro Epinephelus itajara - grauwe munnik, Jacob Evertsen Erythrinus erythrinus - matoeri Genyatremus luteus - kroro Gobionellus oceanicus - modderhieltje Gymnotus anguillaris - logge logge Gymnotus carapo - logge logge Hoplerythrinus unitaenialis - warapper Hoplias macrophthalmus - cabeljauw, heimaar, njoemara Hoplias malabaricus - patakker Hoplosternum (diverse soorten) - quiqui Hypophthalmus-soort - quassiemama Hypoplectus chlorurus - grauwe munnik Leporinus fasciatus - keentras Leporinus friderici - warakoe Loricaria cataphracta - basjafisi Megalops atlanticus - trapoen Mugil-soorten - curema, prasie, queereman Myctoperca (diverse soorten) - kroro Myleus paco - pakoesie Myleus rhomboidalis - schotelvisch Myleus ternetzi - pakoesie Ophistoma oglinum - haring Parauchenipterus galeatus - noja



Pellonia flavipennis - sardien Pimelodes blochii - kauwerie Plagioscion surinamensis - koebi, schelvisch (1) Platystacus: zie trompetter Potamorrhaphis guianensis - naainaai fissi Potamotrichon-soorten - sipari Pseudoplatystoma fasciatum - spiegelkat, spikkelkat, tijgervisch Rhamdia quelen - jakje (2), vetjakje Rocca saxatilis - bass Schizodon fasciatum - jammesvisch, ma-

269 kamaka Sciadeichthys luniscutis - geelbagger Sciadeichthys parkeri - geelbagger Sciadeichthys proops - koepira Serrasalmus rhombeus - pirijn Soleidae (familie) - bot Sphyrna tudes - bakkra oema, panapana Stellifer rastrifer - krow krow Sternopygus macrures - saprapi Synbranchus marmoratus - aal, slangevisch, snekifisi, sombo Thunnus-soorten - makreel

Ongewervelde dieren Aletia xylina - catoenworm Amblyomma-soorten - carapatluis, krapa (II), koepari Anopheles-soorten - maker Atta-soorten - cassavemier, papamier Avicolaria metallica - boschspin (2) Calinectes bocourti - sirika Crassostrea - mossel Culicoides-soorten - mompier Cyprea moneta - zie: papageld, papamonie Dermatobia (larf) - boschworm, muskieteworm Diatraea saccharalis - suikerworm Dracunculus medinensis - boasieworm, regenworm Eciton-soorten - wakawakamier Erinnyis ello - brummer-uiltje Gryllotalpa-soorten - kottie kottie

Lutzomyia-soort - jaasvliegje Monomorium pharaonis - huismier, suikermier Mytilla charuana - mossel Neoteredo-soort - waterworm Polistes-soorten - maribons Rhynchophora palmarum (larf) - cabbesworm Rothschildua hesperus - spiegeldrager Solenopsis geminata - krasmier Stagmatoptera femoralis - Spaanse juffrouw Synoeca surinama - zie: capasie-marabons Theraphosa leblondi - boschspin (1) Tibicen-soorten - scharensliep Trombicularia flui (larf) - grasluis, patattesluis Trombicularia vanommereni (larf) - grasluis, patattesluis Tunga penetrans - si(e)ka

Planten (zowel wilde als gekweekte) Abarema-soorten - boschtamarinde Abelmoschus esculentus - althaea, kinkanbau, okro Abelmorchus moschatus - muscusbloem Abrus precatorius - anakokke

Acosmium nitens - watergroenhart Acrocomia aculeata - mocaja Aframomum melegueta - negercontriepeper Allamanda cathartica - ducaatbeursjes, goudbeursjes



270

Aloe barbadensis - sempervies Amaranthus (diverse soorten) - caleloe Amaranthus blitum - fijne kraloe Amaranthus caudatus - kattestaart; zie ook: gekoleurde caleloe Amaranthus dubius - grove kraloe Amaranthus tricolor: zie gekoleurde caleloe Amasonia campestris - savannebloem; zie ook: marucawa Ambelania acida (vrucht) - klopappel Anacardium occidentale - caschou Andira coriacea - rode cabbes Andira inermis - rode cabbes Andira surinamensis - rode cabbes, wormbast Annona (diverse soorten) - boschzuurzak Annona glabra - aracicouran Annona muricata - parane, prikkelappel, (wilde) zuurzak Annona squamosa - kaneelappelboom, kleine zuurzak Apeiba petoumo - kankanoedoe Apeiba tibourbou - kankanoedoe Arachis hypogaea - akonipje, pinda Argemone mexicana - maca (I,1) Aristolochia surinamensis: zie loango-taytay Artocarpus communis: zie Othaheitische broodboom Asclepias curassavica - fridericibloem Astrocaryum aculeatum - toecoemaunboom Astrocaryum paramaca - conane, paramakka Astrocaryum vulgare - awara en varianten Attalea maripa - maripa Averrhoa bilimbi - birambi Averrhoa carambola - grote birambi Avicennia germinans - zwarte mangro, parwa Bactris (diverse soorten) - keskesimaka Basella alba - spinazie Batis maritima - zeeporselein Bixa orellana - achiote, rocoe (1), koesoewe Bocoa prouacensis - ijzerhard, ijzerhout, ebbenhout

Brachiaria mollis - paragras Bromelia alta - piet, zeilgras Brosimum rubescens - satijnhout Brosimum soorten - letterhout, spikkelhout Cabomba-soorten - sarre sarre Caesalpinia pulcherrima - sabinapesie, sevenboom Cajanus cajan - wandoe Caladium (diverse soorten) - toelala Calathea-soorten - warimbo (3) Calophyllum brasiliense - coerehare, courari Calophyllum longifolium - courari Canavallia ensiformis - horsepesie Canna-soorten - weglopershagel Capsicum-soorten - aratakaka, atty, cikapeper, (Indiaansche) peper, Indische peper, piment Carapa guianensis - krap, krapa, kraphout Carapa procera - krap, krapa, kraphout Carica papaya - papaye, pompoenboom Caryocar glabrum - zeepboom Caryocar microcarpum - pakasi, zeelboom Caryocar nuciferum - bokke(n)noot, sawari(noot) Cassia (diverse soorten) - slapertje Cecropia-soorten - boschpapaye, (wilde) papaye, papayeboom Cedrela odorata - ceder Ceiba pentandra - cottontrie, grote wolboom Centropogon cornutus - diakraloe Cereus hexagonus - raquetten Cestrum latifolium - bita wirri wirri Cestrum-soort - aloema Chaetocarpus schomburgkianus - voman Chaunochiton kappleri - patacoe wane Chlorocardium rodiaei - geelhart Chrysophyllum cainito - starappel Cissampelos pareira: zie loango-taytay Cissus-soorten - boschtouw Citrus aurantiifolia - lemmetje Citrus aurantium - zoete oranje, zure oranje Citrus grandis - gideonsappel



271

Citrus reticulata - mandarine Clibadium surinamense - konamie, connarie Clibadium sylvestre - konamie, connari Coccoloba (diverse soorten) - bradilifie Coccoloba uvifera - Barbadosdruif, druiveboom, zeedruif, rode mangro Colocasia esculenta - tayer Copaifera guianensis - hoep, hoepelboom, hoepelhout, hoepelolie Cordia (diverse soorten) - boschtafelboom, tafelboom (2) Couratari-soorten - igne-pipe Couroupita guianensis - boschkalebas Crescentia cujete - cal(a)bas (4), calabasboom Cucumis melo - Spaans spek Cucurbita pepo - pampoen Curatella americana - bosch-caschou, wilde caschou Cycas-soorten - sagopalm Cynodon dactylon - Boheems gras, tigriston Cyperus-soort - boerenverdriet Delonix regia - acacia Desmoncus (diverse soorten) - bambamaka Desmoncus orthacanthus - aracourou Dicorynia guianensis - basterdlocus, sinapletoe Dieffenbachia seguine - domkeen Dioscorea alata - igname, jammes Dioscorea trifida - napie Dipholis nigra: zie zwampbolletrie Diplotropis purpurea - zwarte kabbes Dipteryx odorata - tonka Dipteryx punctata - tonka Elaeis melanococca - obé maka Elaeis oleifera - obé maka Eleusine indica - mangras Eperua falcata - bijlhout, walaba Eriotheca globosa - boschkatoen Eryngium foetidum - slangegras, slangekruid, snekiwiwiri Erythrina fusca - koffiemama, zandkoker (2) Eschweilera-soorten - barklak, manbarklak

Eugenia (diverse soorten) - boschkers Eugenia punicifolia - savanekers Eugenia uniflora - kers en varianten, kriekjes over zee Euterpe oleracea - palissade (2), palissadeboom, palissadepalm; pien (3), palissadeboom, palissadepalm Ficus maxima - Adam-en-Evaas-boom, kato Furcraea foetida - aloë, ingisopo, sepervies, waterpinas Galipia officinalis: zie wajakarra Genipa americana - tapoeripa Geonoma baculifera - tas(palm) Gordonia fruticosa - patacoe wane Gossypium: zie katoen, kleine wolboom Gossypium peruvianum - baboenkatoen, bokkenkatoen, (Indiaansch) katoen Goupia glabra - kopie(hout) Gustavia augusta - aribanarix, mamahout, watramamabobi: zie ook mispelboom Hebepetalum humiriifolium - cipoe-boom Heliconia: zie papegaaiebek Heliconia psittacorum - papegaai(e)tong Hibiscus rosa-sinensis: zie malvenroos Hibiscus sabdiriffa - zuring, guinesche zuring, rode zuring Hibiscus tiliaceus - (witte) mangro, maho Himatanthus articulatus - witte bolletrie Hippeastrum puniceum - rode lelie Hirtella (diverse soorten) - anaura Humeria balsamifera - basterdbolletrie, blakbere, meri Hura crepitans - postentrie, puistentrie; zandkoker (1), zandkokerboom Hymenaea courbaril - locus; zie ook simirie Indigofera-soorten - anilplant Inga-soorten - boontjesboom (zoete), suikerboontjesboom, switie-boontje, weiki Ipomoea batatas - ingi-tayer, patatter Ipomoea tiliacea - patatter-tay-tay



272

Ischnosiphon obliquus - quarunna, warimbo (3) Jacaranda obtusifolia subspecies rhombifolia - kandra, zie ook momooije Jacaranda-soort: zie basterdgoebaij, jashout Jatropha curcas - schijtnoot Jatropha gossypifolia - poppetjeswiwiri Jatropha urens - brandnetel Lagenaria siceraria: zie calabas (II) Lantana camara - koorsoe wiwiri, Surinaamsche theeboom Laportea aestuans - brandnetel Lecythis zubucajo - kwatta patoe, oeman barklak Lepianthes-soort(en) - anijsblad Licania (diverse soorten): zie anaura, sergeantenkloten, voengoe, vonkhout Licania apetala - kweepie Licaria (diverse soorten): zie geelhout, kaneelhart, kaneelhout Lonchocarpus-soorten - nekoehout, stinkhout Machaerium lunatum - brantimaka, maca (I,1) Malpighia punicifolia - kers, en varianten. Mammea americana - abrikoos, mammie Mangifera indica - manja Manicaria saccifera - troeli Manihot esculenta - cassave Manilkara bidentata - bolletrie Manilkara zapotilla - mispelboom (2) Mansoa alliacea - knoflookrank, uepollin Maranta arundinacea - araroet Mauritia flexuosa - maurici Melastomataceae (familie) - mispel (1), mispelboom (1) Melicoccus bijugus - knippa, knippenboom Melothria pendula - sneki-komkommer Micropholis guyanensis - suikerhout Minquartia guianensis - konthout

Momordica charantia - sopropo Monotagma: zie warimbo (3) Montrichardia arborescens - mokkomokko Mora excelsa - mora, peto Moringa oleifera - peperwortel Mouriri-soorten - spijkerhout Musa: zie bacove, bananna Myrcia-soorten - boschgoejave Norantea guianensis - karakara Nymphaea-soorten - pannekoeksblad Ocotea globulifera - wanepiesie Ocotea-soorten: zie boombamba, houtbamba Oenocarpus bacaba - coemoe, pruim (3) Oenocarpus oligocarpa - palissadecoemoe Oplismenus holciformis - paardengras Ormosia-soorten - anakokke Pachira aquatica - boschcacao, wilde cacaoboom Parinari-soorten - vo(e)ngo, vonkhout Passiflora-soorten - marcoesa Passiflora coccinea - snekimarcoesa Passiflora foetida - snekimarcoesa Passiflora glandulosa e.a. - boschmarcoesa Passiflora laurifolia - kleine marcoesa, paramarcoesa Passiflora quadrangularis - tuinmarkoesa Passiflora vespertilio - snekimarcoesa Peltogyne paniculata - bascouriaar, purperhart, purperhout Peltogyne venosa - bascouriaar, purperhart, purperhout Peperomia bellucida - consaca-wiwiri, soldatensalade Persea americana - advocaat Phaseolus lunatus - zevenjaarsboon, zevenjarige pesie Phaseolus vulgaris - snijboontje Phenacospermum guyannense - wilde banana Philoxerus vermicularis - zie zeekraloe



273

Phoenix reclinata - wilde dadelpalm Phoradendron-soorten - vogelkaka Phyllanthus acidus - kleine of ronde birambi Phytolacca rivinoides - rode inkt, Surinaamse calaloe Pithecoctenium crucigerum - papamoniedoosje Platonia insignis - geelhart Platymiscum-soorten - connatepi Plumeria rubra - frangipane, Indiaansche jasmijnboom Potomorphe-soort(en) - anijsblad Pourouma-soorten - boschpapaye, zie (wilde) papaye(boom) Pouteria macrophylla - mambrari Pouteria multiflora - mambrari Protium aracouchini - laksirie Protium-soort(en) - witte ceder (2), tienge monnie Psidium guajava - goejave Pterocarpus officinalis - (laaglandsche) bebe Pterocarpus rohrii - matoziran Qualea coerulea - blauwe wassiewassie Quassia amara - quassie-bitter Randia formosa - (haag)marmeldoos Renealmia alpina - wilde cardamon Rhizophora-soorten - duizendbeen, (zwarte) mangroe, oesterboom Ricinus communis - carapat, olyboom Rosenbergiodendron formosum - kleine marmelade Roystonea oleracea - palmiet Roystonea regia - palmiet Rumex patientia- pasensie Saccharum officinarum - kaan, riet Sacoglottis guianensis - zie buffelhout Salsola kali - barillaplant Sapium-soorten - gomboom Scleria-soorten - baboen-nefi Scoparia dulcis - bromwied, bezemkruid Senna alata - slabbetje

Sextonia rubra - wane Simarouba amara - witte ceder (1), simarouba, soumarouba Siparuna-soorten - iracobi Solanum americanum - agoema, jodenkars Solanum mammosum - appel van Sodom, borstappel, wintje-bobbie Solanum melongena - antroea, berangine Solanum stramonifolium - maca (I,1), quacici Spondias cytherea - pomme de cythère, venusappel Spondias mombin - mope, pruim(enboom) Stachytarpheta jamaicensis - ijzerkruid Swartzia panacoco - apoetoehout, basterdijzerhout, bokkenhout Symphonia globulifera - maniboom, mataki Syzygium samarangense - appel (1) Tabebuia insignis - zie witte panta Tabebuia serratifolia - groen ebbenhout, groenhart Tabebuia-soorten - panta Talinum fruticosum - porcelein Tapirira guianensis - basramope Terminalia catappa - amandel, tafelboom (1) Terminalia lucida - zie zwampboom Tetragastris-soorten - salie Theobroma cacao - Carakische cacao Thevetia peruviana - jorojoro Trattinickia (diverse soorten) - tienge monnie Triphasia triflora - zoete lemmetje Triplaris weigeltiana - mierenboom, mierenhout Unxia camphorata - kamferblad Vigna sinensis - zie bruine pesie, negerpesie Virola michelii - pentrie Virola sebifera - pentrie Virola surinamensis - baboentrie, wilde kruidnoot, waroesi Vismia (diverse soorten) - pienja Vochysia guianensis - basterdwane, wassiewassie



Vochysia surinamensis - quarie Vouacapoua americana - bruinhart Vouadzeia subterranea - gobbegobbe Xanthosoma sagittifolium - tayer Xylopia (diverse soorten) - pejerakoe

274 Zanthoxylum pentandrum - pritijarie Zea mays - caro, koorn Zygia racemosa - schildpad(hout)

7

Lijst van literatuur en bronnen

Sommige auteursnamen worden voorafgegaan door een asterisk; over deze auteurs is achtergrondinformatie te vinden in hoofdstuk 4. *Aa, A.J. van der (1839-1851), Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. Zie Janssen & Ten Hove (1993). *Aerssen van Sommelsdijck, C. van (1685), Lijst van genummerde namen behorende bij een pakje met zaden, verzonden als bijlage bij een brief d.d. 8 maart 1685. Algemeen Rijksarchief, Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname inventaris nr. 213, f. 160 nr.. 38. *Aerssen van Sommeldijck, C. van (1686), Lijst met genummerde namen behorende bij een pakje met zaden en drie bakken met genummerde planten, verzonden als bijlage bij een brief d.d. 22 april 1686. Algemeen Rijksarchief, Brieven en Papieren, Archief Sociëteit van Suriname inventaris nr. 215, f. 263-264. Ahlbrinck, W. (1929), Vijf maanden in het oerwoud. Rotterdam, E. de Bont & Zn. Ahlbrinck, W. (1931), ‘Encyclopaedie der Karaïben’. Verhandelingen van de Koninklijke Neder­landsche Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde N.S. 27,1:1-555. Allsopp, Richard (1996), Dictionary of Caribbean English Usage. New York, Oxford University Press. Aloema, Nardo, M.J. Pierre & C.N. van der Ziel (1987), Kalina Nederlands Woordenboek. Paramaribo, Instituut voor Taalwetenschap (proefuitgave). Alphen, G. van (1960), Jan Reeps en zijn onbekende kolonisatiepoging in Zuid-Amerika, 1692. Assen, Van Gorcum. *Anonymus (1679), ‘Extract uyt de dagelyckse Annotatien tot Suriname voorgevallen’. In Lichtveld & Voorhoeve 1980:55-61. Anonymus (1736), A voyage to the new colony of Berbice in 1735. [Een document uit het Nederlands vertaald]. Demerara, W.B. Jamieson, 1877. *Anonymus z.j. (1740), Ontwerp tot Een Beschryving van Surinaamen. Getypte kopie van een verloren handschrift uit de Koloniale Bibliotheek te Paramaribo, Catalogus 1911 Nr. C 17. In de Centrale Bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam. Anonymus (1763), Kortbondige beschryvinge van de Colonie de Berbice. Amsterdam, S.J. Baalde. *Anonymus z.j. (1769), De West-Indische klapper, of het leven van sommige directeuren op de plantagien in de colonien der Nederlandsche West-Indien. In Universiteitsbibliotheek,



276

Leiden. Anonymus (1781), ‘Kaart’. In Koeman 1973:135. Anonymus (E. Beijer) (1823), Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand, door eenen inwoner aldaar. Amsterdam, C.G. Sulpke. Anonymus (1872), Nederland en kolonisatie naar Suriname. Uitgegeven door een vereeniging van Surinamers. Amsterdam, Jan D. Brouwer. *Apricius, Joh., en 14 anderen (1677), ‘Brief aan de Admiraliteit te Amsterdam, d.d. 25 maart 1677’. In Hartsinck 1770:929-934. Arends, Jacques & Matthias Perl (1995), Early Surinamese Creole texts: a collection of 18thcentury Sranan and Saramaccan documents. Frankfurt am Main, Vervuert; Madrid, Ibero­ americana. (Bibliotheca Ibero-Americana 49). Attema, Ypie (1981), Monumentengids van Paramaribo. Paramaribo, Vaco; Zutphen, De Walburg Pers. Baarle, Peter van (1995), ‘Leenwoorden in het Arawak en de contacten tussen Arawakken en Eurpeanen van 1500 tot 1800’. Yumtzilob 7,1:25-53. Baarle, P. van, M.A. Sabajo, A.L. Sabajo, L.L. Sabajo & G. van der Stap (1989), Arhwaka Lokonong Djang. Arowakse taalcursus en woordenboek. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Algemene Taalwetenschap/Haarlem, Sociaal-culturele vereniging Ikyoshie. Baarle, P. van & M.A. Sabajo (1989), Deel I, II en III in P. van Baarle e.a. 1989. Bakhuis, L.A. (1902), Verslag der Coppename-expeditie. Leiden, Brill. Bakker, Eline, Leo Dalhuisen, Maurits Hassankhan & Frans Steegh (1993), Geschiedenis van Suriname. Zutphen, Walburg Pers. *Bancroft, Edward (1769), An essay on the natural history of Guiana in South America. Londen,­T. Becket & P.A. De Hondt. *Bancroft, Edward (1782), Proeve over de natuurlyke geschiedenis van Guiana in vier brieven. [Anonieme vertaling uit het Engels van 1769.] Utrecht, Abraham van Paddenburg & Jan Martinus van Vloten. *Bartelink, E.J. (1916), Hoe de tijden veranderen. Herinneringen van een ouden planter. Paramaribo, H. van Ommeren. Beeldsnijder, Ruud (1994), “Om werk van jullie te hebben”. Plantageslaven in Suriname, 1730-1750. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. *Beet, Chris de (1984), De eerste Bonni-oorlog, 1765-1778. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. *Beet, Chris de & Richard Price (1982), De Saramakaanse vrede van 1762: geselecteerde documenten. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instuut voor Culturele Antropologie. *Beijer, E., Zie Anonymus (1823). Benjamins, H.D. (1926), ‘Over het boek van Ottho Keye’. West-Indische Gids 7:535-544. Benjamins, H.D. & J.F. Snelleman (red.): zie Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië. *Benoit, P.J. (1839), Voyage à Surinam. Description des possessions néerlandaises dans la ­Guyane. Brussel, Société des beaux arts. Herdruk (facsimile) Amsterdam, S. Emmering, 1967. *Benoit, P.J. (1980), Reis door Suriname. Beschrijving van de Nederlandse bezittingen in Guiana. [Vertaling en bewerking door Chris Schriks naar het Frans van 1839. Met een sum-



277

mary door Sylvia W. de Groot] Zutphen, De Walburg Pers. Berg, Donna Lee (1993), A guide to the Oxford English Dictionary. New York, Oxford ���� University Press. Berg, Margot C. van den (2000), “Mi no sal tron tongo.” Early Sranan in court records 16671767. Nijmegen, University of Nijmegen, master’s thesis. *Berkel, Adriaan van (1695), Amerikaansche Voyagien, Behelzende een Reis na de Rio de Berbice, ..., Mitsgaders een andere na de Colonie van Suriname. Amsterdam, Johan ten Hoorn. Besten, Hans den (1992), ‘De makke van de etymologie van koloniale woorden in het Nederlands’. Jaarboek 1991 van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie 1992:52-82. Bies, Renata de (2008), WBSN. Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands. Paramaribo, Universiteit van Suriname. Bijlsma, R. (1921), ‘De annotatiën van gouverneur Jan Nepveu op Herlein’s beschrijving van Suriname’. West-Indische Gids 2:310-314. Bijlsma, R. (1922), ‘Surinaamsche plantage-inventarissen uit het tijdvak 1713-1742’. West-Indische Gids 3:325-332. Bijlsma, R. (1923), ‘Aanwijzingen voor plantage-onderneming in Suriname 1735 (volgens memorie van vrouwe M.M. van Gelre, weduwe Boxel)’. West-Indische Gids 4:53-58. *Blom, Anthony (1786), Verhandeling over den Landbouw, in de colonie Suriname. Haarlem, Cornelis van der Aa. *Blom, Anthony (1787), Verhandeling van den Landbouw in de colonie Suriname. Amsterdam, J.W. Smit. *Blom, A. (1801-1802), Vervolg van den Surinaamschen Landman. Paramaribo, Engelbrecht en Comp. Blonden, J.L. (1930), Levensbericht en werken van Dr. Philip Fermin, schrijver over Suriname, overleden te Maastricht in 1813. Maastricht, Boosten & Stols. *Boekhoudt, W. (1874), Uit mijn verleden: bijdrage tot de kennis van Suriname. Winschoten, J.D. van der Veen. Boer, M.G. (1899), ‘Een Nederlandsche nederzetting aan de Oyapock (1677)’. Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde 14:321-342. Bogan, J. e.a. (1997), Checklist of the plants of the Guianas (Guyana, Surinam, French Guiana). Washington D.C., Smithsonian Institution, Smithsonian’s Biological Diversity of the Guianas Program publ. 30. Borcharen, H. van (1828), Brief, gepubliceerd in 1947 door P. Wagenaar Hummelinck onder de titel ‘Het dagelijksche leven op de Surinaamsche koffie-plantage “Kokswoud” in 1828’. West-Indische Gids 28:33-42. Bosch, G.B. (1829-1843), Reize in West-Indië en door een gedeelte van Zuid- en Noord-Amerika. Derde deel: Reize naar Suriname, in brieven. Utrecht: Bosch. Bosman, L. (1990), ‘Brieven naar Patria uit Berbice van Jan Jacob van der Stoop (1775-1819)’. Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 44:185-202. Bosman, L. (1994), Nieuw-Amsterdam in Berbice (Guyana). De planning en bouw van een koloniale stad, 1764-1800. Hilversum, Verloren. *Bouwhuysen, Harry van den, Ron de Bruin & Georg Horeweg (1988), Opstand in Tempati, 1757-1760. Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie.



278

Boxer, C.R. (1957), The Dutch in Brazil, 1624-1654. Oxford, Clarendon Press. Brinkman, Jaap (1980), Surinaamse planten in Nederland in de zeventiende eeuw. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Geschiedenis van de Biologie, doctoraalverslag. *Brouwn, Charles (1796), ‘Historie der Oorlogen met de Marrons of Surinaamsche Bosch­ negers’. In De Beet 1984:43-74. Bruijne, G.A. (red. 1982), Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname. Tijdvak 1816 tot 1822. Mr. A.F. Lammens. Amsterdam, Vrije Universiteit, Geografisch en Planologisch Instituut. Bruijning, C.F.A. & J. Voorhoeve (red.): zie Encyclopedie van Suriname. Bruyn, Adrienne (2002), ‘The structure of Surinamese Creoles’. In Carlin & Arends 2002:154182. Buarque de Holanda Ferreira, Aurelio (z.j.), Nova dicionário de la língua Portuguesa. Editora Nova Fronteira. Bubberman, Frans C. (1983): zie Kappler 1854. Buffon, George-Louis Leclerc graaf de Buffon (1749-88), Histoire Naturelle. Parijs, L’Emprimerie Royale. Buvelot, Quentin (red.) (2004), Albert Eckhout, een Hollandse schilder in Brazilië. Den Haag, Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis/Zwolle, Waanders Uitgevers. Cappelle, H. van (1926), Mythen en sagen uit West-Indië. Zutphen, Thieme. Carlin, Eithne B. & Jacques Arends (2002), Atlas of the languages of Suriname. Leiden, KITLV Press (Caribbean series 22). Cassidy, F.G. & R.B. Le Page (1980), Dictionary of Jamaican English, 2e editie (1e editie 1967). Cambridge, Cambridge University Press. Clerck, Walter de (1981), Zuid-Nederlands woordenboek. ’s-Gravenhage/Antwerpen, Martinus Nijhoff. Colenbrander, H.T. (1911): zie David Pietersz. De Vries 1655. Coll, C. van (1903), ‘Gegevens over land en volk van Suriname’. Bijdragen tot de Taal-, Landen Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 7,1:451-650. Commelin, J. (1689): zie Brinkman 1980. Copijn, L. (1858), ‘Bijdrage tot de kennis van Suriname’s binnenland’. West-Indië 2:3-17. Courtz, Hendrik (2008), A Carib grammar and dictionary. Toronto, Magoria Books. *Dahlberg, C.G. z.j. (1771), Catalogus der Vlessen, van Boom, Struik, Plant & rank gewassen, dewelke ik in Spiritus Vini bewaard heb. Manuscript. Londen, archief Linnean Society. Handgeschreven kopie (door H. Uittien, mei 1934) in de bibliotheek van het Nationaal Herbarium. Dahlberg, H.N. (1961), Suriname in de aardrijkskunde, 3e druk. Paramaribo, Kersten. Dalton, Henry G. (1855), History of British Guiana, 2 delen. Londen, Longman, Brown, Green & Longmans. Dienst ’s Landsbosbeheer (1991), Suriname wildlife export quota + minimale F.O.B. (USDLRS) voor 1991. Paramaribo, Dienst Landsbosbeheer; intern stuk. Dobru, R. (1968), Wasoema. 2e druk. Paramaribo (drukkerij Eldorado). *Doe, F. van der, A.C. Meijer & J.H.F. Schwartz (red.) (1992), Indianen in Zeeuwse bronnen. Brieven over indianen in Suriname tijdens het Zeeuwse bewind gedurende de periode 16671682. Paramaribo, Stichting 12 oktober 1992.



279

Doelwijt, Thea (red.) (1974), Geen geraas of getier. Verhalen, gedichten, liedjes na de emancipatie vóór de tweede wereldoorlog. Bloemlezing. Paramaribo, Bureau Volkslectuur. Doncker, H. (1678), ‘Kaart 34’. In Koeman 1973. Donicie, Antoon & Jan Voorhoeve z.j. (1963), De Saramakaanse woordenschat. Bureau voor Taalonderzoek van de Universiteit van Amsterdam. Donselaar, J. van (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, 2e ed. Muiderberg, Coutinho. Donselaar, J. van (1990), ‘Een ongepubliceerd werkstuk van de Penards’. Oso 9,1:75-78. Donselaar, J. van (1993), ‘De boeken van Warren (1667, 1669), Van Berkel (1695) en Herlein (1718) en hun onderlinge betrekkingen’. Oso 12,1:87-93. Donselaar, J. van (1994), ‘Karaïbische en Arowakse plante- en dierenamen in het Sranantongo en het Nederlands van Suriname’. Oso 13,1:53-65. Donselaar, J. van (1995), ‘Vroege(re) dateringen van dierenamen in bronnen over Zuid-Amerika’. Trefwoord 10:84-90. Donselaar, J. van (1996), ‘“Ontwerp tot Eene Beschryving van Surinaamen”, een belangwekkend document uit ca. 1740’. Oso 15,1:125-127. Donselaar, J. van (1997a), ‘Namen van viervoeters bij Hartsinck (1770). Betekenis, bronnen, verbreiding en taalkundige herkomst, met bijzondere aandacht voor de tavous’. Oso 16,2:220-231. Donselaar, J. van (1997b), ‘Vroege vindplaatsen van woorden (1624-1644) in de boeken van Iohannes de Laet’. De Woordenaar 1,1:9-10. Donselaar, J. van (1997c), ‘Koopmanschappen bij Herlein (1718). Hun presentie en datering in het WNT’. De Woordenaar 1,2:6-8. Donselaar, J. van (1997d), ‘Woorden in de Surinaamse plakkaten van de zeventiende eeuw en hun presentie en datering in het WNT’. Trefwoord 11:133-141. Donselaar, J. van (1998a), ‘Over de woordenschat van zeventiende-eeuwse Nederlanders in Zuid-Amerika’. Trefwoord 12:123-133. Donselaar, J. van (1998b), ‘Vroege vindplaatsen van woorden bij Van Linschoten (1596) en Ruiters (1623)’. De Woordenaar 2,2:5-7. Donselaar, J. van (1999), ‘On-surinaamse namen voor vogels uit Suriname’. Oso 18, 2:228. Donselaar, J. van (2000a), ‘Gelebek en andere namen van vogels in het Surinaams-Nederlands - hun herkomst en geschiedenis’. Oso 19,2:260-277. Donselaar, J. van (2000b), ‘On the vocabulary of the Dutch in their seventeenth-century South American colonies’. Publications of the American Association for Netherlandic Studies 13:49-59. Donselaar, J. van (2005), ‘Pindakaas, een oud woord uit Suriname’. Trefwoord, november 2005; internet www.fa.knaw.nl. Dragtenstein, Frank (2002), ‘De ondraaglijke stoutheid der wegloopers.’ Maronnage en koloniaal beleid in Suriname, 1667-1768. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. *Dyk, Pieter van z.j. (1768), Nieuwe en nooit bevoorens geziene onderwyzinge in het Bastert Engels of Neeger Engels, zoo als het zelve in de Hollandsze Colonien gebruikt word. Amsterdam, Erven de Weduwe Jacobus van Egmont. Ook in Arends & Perl 1995. Echteld, J.J.M. (1961), The English words in Sranan. Groningen, Wolters.



280

Eensgezindheid (De) (1804), Verzameling van uitgezochte verhandelingen, betreffende den landbouw in de kolonie Suriname, opgesteld door het landbouwkundig genootschap De Eensgezindheid. Amsterdam, H. Gartman & P.J. Uylenbroek. Ek, Renske C. (1991), Index of Suriname plant collectors. Flora of the Guianas, supplement series 2. Koenigstein, Koeltz Science Books. Elout van Soeterwoude, W. (1884), Onze West. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff. Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917), H.D. Benjamins & J.F. Snelleman (red.). ’s Gravenhage, Martinus Nijhoff; Leiden, Brill. Herdruk (facsimile) Amsterdam, S. Emmering, 1981. Encyclopedie van Suriname (1977), C.F.A. Bruijning & J. Voorhoeve (red.). Amsterdam/ Brussel, Elsevier. Essai Historique: zie Nassy (1791). Essequibo en Demerarische Courant. Verscheen in Stabroek. Algemeen Rijksarchief 2.21.077, collectie Gülcher nr. 34,5. Everaert, Huub (1999), Een zoektocht naar de aard van man-vrouw relaties onder Surinaamse slaven. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, proefschrift; uitgave in eigen beheer. *Experientia, Don (1771), Het Surinaamsche Leeven, toneelschwyse verbeeld. Vermoedelijk Paramaribo. In de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Fanshawe, D.B. (1949), ‘Glossary of Arawak names in natural history’. International Journal of American Linguistics 15,1:57-74. Zie ook Forte (1996). *Fermin, P. (1764), Traité des maladies les plus frequentes à Surinam, et les remèdes les plus propres à les guerir, avec une dissertation sur le fameux crapaud de Surinam, nommé Pipa. Maastricht, Jacques Lekens. *Fermin, Philippe (1765), Histoire naturel de la Hollande équinoxial: ou description des plants, fruits, etc.... de la colonie de Surinam. Amsterdam, M. Magerus. *Fermin, Philippe (1769), Description général, historique, géographique et physique de la colonie de Surinam, etc. enrichie de figures, d’une carte topographique du pays. Amsterdam, E. van Harrevelt. *Fermin, Ph. (1770), Nieuwe algmeene beschrijving van de colonie van Suriname. Behelz. al het merkwaardige van dezelve, met betrekking tot de historie, aardrijks- en natuurkunde. [Anonieme vertaling uit het Frans van 1769.] Harlingen, Plaats. *Focke, H.C. (1855), Neger-Engels woordenboek. Leiden, P.H. van den Heuvell. *Focke, H.C. (postuum) (1858a), ‘Correcties en aanvullingen op het eigen woordenboek van 1855, verzorgd door C. Moes 1857’. West-Indië 2:304-316. *Focke, H.C. (postuum) (1858b), ‘De Surinaamsche negermuziek’. West-Indië 2:94-107. *Focke, H.C. (postuum) (1858c), ‘Nog iets over hout’. West-Indië 2:18-22. Focke, John (1983), ‘Mr. Hendrik Charles Focke, 1802-1856 (een vergeten Surinamer?)’. Mededelingen van het Surinaams Museum 40:26-34. Fontaine, Jos (red.) (1980), Uit Suriname’s historie. Fragmenten uit een bewogen verleden. Zutphen, De Walburg Pers. Forte, Janette (red.) (1996), The Fanshawe/Boyan glossary of Arawak Names in natural ���� history. Georgetown, University of Guyana. Frederici of Friderici, J.F. (beide schrijfwijzen komen voor) (1772-1773), ‘Figuren’. In Koeman 1973: 47.



281

Friderici-Besier, Esther Wilhelmina (1834-1835), Brieven uit Suriname. Kopiën in typoscript in de Centrale Bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam, onder ‘Uw liefhebbende dochter Hesje’. Furet, Mr.: zie W.E.H. Winkels. Getrouw, C.F.G. (1964), ‘Henri Rikken, CssR, schrijver van historische romans uit de slaventijd’. In Emancipatie 1863-1963: 138-149. Paramaribo, Lionarons. Ghijsen, Ha.C.M. (1974), Woordenboek van de Zeeuwse dialecten, 3e druk (1e druk 1964). Den Haag, Van Goor & Zn. Gids van Suriname (1955), Uitgegeven ter gelegenheid van het bezoek van H.M. Koningin Juliana en Z.K.H. Prins Bernhard, oktober-november 1955. Paramaribo (drukkerij Eldorado). Ginckels, Wim (1979), De ontwikkeling van de taalgemeenschap in Suriname. Leuven, Katholieke Universiteit, Dept. Germaanse linguistiek. Gobardhan-Rambocus, Lila (2001), Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975. Zutphen, De Walburg Pers. Goslinga, Cornelis Ch. (1985), The Dutch in the Caribbean and the Guianas, 1680-1791. Assen, Van Gorcum. *Groen, Pieter Constantijn (1792-94), Een journaal over een inspectiereis naar enige plantages in Suriname en andere Nederlandse koloniën in Zuid-Amerka in opdracht van de eigenaars in Nederland; in vijf handgeschreven delen. Deel 2 over Berbice, deel 3 over Suriname en Demerara, deel 4 over Essequibo en Pommeroon, deel 5 over Demerara en Pommeroon. Nationaal Archief 2.21.077, collectie Gülcher nr. 34,2. Groot, Silvia W. de (1980), ‘Summary with annotations’. In Benoit 1980: 85-99. Groot, Silvia W. de (1883), ‘Tussen twee werelden’. Oso 2:121-129. Grzimek (1973-76), Het leven der dieren, delen 1-13; 2e druk. Vertaald uit en bewerkt naar het Duits van 1971. Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum. Haeringen, C.B. (1936), Franck-Van Wijk - Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal - supplement. Onveranderde herdruk 1984, toegevoegd aan N. van Wijk 1912/1984. Leiden, Martinus Nijhoff. Harcourt, Robert (1613), A relation of a voyage to Guiana. Londen, I. Beale. Ook: Londen, E. Allde, 1926. *Hartsinck, Jan Jacob (1770), Beschryving van Guiana, of de Wilde Kust, in Zuid-America ..., 2 delen. Amsterdam, Gerrit Tielenburg. Herdruk (facsimile) Amsterdam, S. Emmering, 1974. Haugen, E. (1950), ‘The analysis of linguistic borrowing’. Language 26:210-232. Helmig van der Vegt, A. (1844), Proeve eener handleiding, om het Neger-Engelsch, ...., te leeren verstaan en spreken. Amsterdam, P.N. van Kampen. Heneman, J.C. (1784), ‘Kaart van de Kolonie Suriname, 1849, door C.A. van Sypesteyn verbeterde uitgave van 1784’. In Koeman (red., 1973) kaart 14 A-D. *Herbarium Hermann (1689), Een map met 49 uit Suriname afkomstige gedroogde planten, geplakt op genummerde foliovellen, in de literatuur bekend als het Herbarium Hermann. In het Nationaal Herbarium Nederland. *Herlein, J.D. (1718), Beschryvinge van de Volk-Plantinge Zuriname. Leeuwarden, Meindert Injema. Ook in Arends & Perl 1995. *Hermann, P.: zie Herbarium Hermann en Brinkman (1980). Heukels, H. (1907), Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten. Amsterdam,



282

W. Versluys. Hiemcke, A.H. (1804), ‘Kaart van Paramaribo’. In Koeman 1973:133, en in Fontaine (red.) 1980:109. Hijlaard, M. Th. (1978), Zij en ik. Jeugdherinneringen. Paramaribo, Bureau Volkslectuur. Hoff, B.J. (1968), The Carib language. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff. Holm, J. & Goke Oyedeji (1984), ‘The Yoruba Language in the New World’. Oso 3, 1: 83-89. Hoogbergen, Wim S.M. (1978), De Surinaamse weglopers van de 19e eeuw. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. Hoogbergen, Wim S.M. (1984), De Boni’s in Frans-Guyana en de tweede Boni-oorlog, 17761793. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. Hoogbergen, W.S.M. (1985), De Boni-oorlogen, 1757-1860. Marronnage en guerilla in OostSuriname. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. Hooykaas, R. (1971), Geschiedenis der natuurwetenschappen. Utrecht, Oosthoek. *Houttuyn, M. (1761-85), Natuurlyke historie of uitvoerige beschryving der dieren, planten en mineralen volgens het samenstel van den Heer Linnaeus, 3 afdelingen, 38 delen. Amsterdam, (Erven van) F. Houttuyn (1,1-3,3), J. van der Burgh & Zn. (3,4-3,5). Husson, A.M. (1973), ‘Voorlopige lijst van zoogdieren van Suriname’. Zoölogische Bijdragen [Leiden] 14:1-15. IJzerman, J.W. (1911), ‘Twee reizen van Paramaribo, een naar de Parima in 1718 en een naar de boven-Corantijn in 1720’. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 28:648-661. Jacobs, H.J. & J.W. Lobato (1920-23), Taaloefeningen voor Surinaamse scholen, 4 delen. Groningen/’s-Gravenhage, Wolters. Janssen, René & Okke ten Hove, met medewerking van Wim Hoogbergen (1993), Historischgeografisch woordenboek van Suriname. Uittreksel en bewerking van A.J. van der Aa 18391851 - Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Gorinchem, Jacobus Noorduyn. Jong, C. de (1980), ‘Geschiedenis van het geldwezen in Suriname’. In Fontaine (red.) 1980:80-85. Junker, L. (1942), ‘Herinneringen aan het oerwoud. Visvangst in Suriname’. West-Indische Gids 24:143-158. *Kappler, A. (1854), Zes jaren in Suriname. Anonieme vertaling uit het Duits [Sechs Jahre in Surinam; Stuttgart, E. Schweizerbart’sche Verlagshandlung, 1854]. Utrecht, Daunenfelder, 1854. Hier geciteerd uit de heruitgave, Zutphen, De Walburg Pers, 1983, met een ‘Ten geleide’ van Frans C. Bubberman als volgt: 1854 (Kappler 1983: ...). *Kappler, A. (1883), Nederlandsch-Guyana. Gedeeltelijke vertaling uit het Duits [Holländisches-Guiana, Stuttgart, W. Kohlhauwer, 1881] door F.L. Postel; Winterswijk, G.J. Albrecht. Hier geciteerd als volgt: 1881 (Kappler 1883:...). Kempen, Michiel van & Hugo Enser (2001), ‘Surinaamse kranten en hun vindplaatsen, 17742000’. Oso 20, 2:263-286. Kempen, Michiel van (2003), Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. 2 banden. Breda, De Geus. *Keye, Ottho (1659), Het waere onderscheyt tusschen Koude en Warme Landen. Uitgave in eigen beheer. *Keye, Ottho (1660), Beschryvinge van het Heerlijcke en Gezegende Landt Guayana waer inne gelegen de seer voorname Landstreke genaemt Serrename. ’s-Gravenhage, Hondius.



283

Kleine, Christa de (2002), ‘Surinamese Dutch’. In Carlin & Arends 2002:209-230. Klinkers, Ellen (1997), Op hoop van vrijheid. Van slavensamenleving naar creoolse gemeenschap in Suriname 1830-1880. Utrecht, Universiteit Utrecht, Vakgroep Culturele Antropologie. Kloos, Peter z.j. (1973), ‘Johannis Sneebeling over Surinaamse indianen. Een manuscript uit de 18e eeuw’. Mededelingen van de Stichting Surinaams Museum 10:5-40. Kloos, Peter (1975), Galibi, een Karaíbendorp in Suriname. Paramaribo, Bureau Volkslectuur. Klooster, Charlotte I.E.A. van ’t, Jan C. Lindeman & Marion J. Jansen-Jacobs (2003), ‘Index of vernacular plant names of Suriname’. Blumea, supplement 15. Koefoed, Geert & Jacqueline Tarenskeen (1992), ‘De opbouw van de Sranan woordenschat’. Oso 11: 67-82. Koeman, C. (red.) (1973), Schakels met het verleden. Geschiedenis van de kartografie van Suriname, 1500-1971. Amsterdam, Theatrum Orbis Terrarum B.V. Kolfin, Elmer (1997), Van de slavenzweep en de muze. Twee eeuwen verbeelding van slavernij in Suriname. Leiden, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Kom, A. de (1981), Wij slaven van Suriname. 3e druk [1e druk 1934]. Bussum, Het Wereldvenster. Koulen, Paul (1973), ‘Schets van de historische ontwikkeling van de manumissie in Suriname (1733-1863)’. Mededelingen van de Stichting Surinaams Museum 12:8-36. Kouwenberg, Silvia (1994), A grammar of Berbice Dutch Creole. (Vocabulary p. 549-677). Kramp, André A. (1983), Early Creole lexicography: a study of C.L. Schumann’s manuscript dictionary of Sranan. Universiteit Leiden, proefschrift. *Kuhn, T.A. (1828), Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantageslaven. Amsterdam, C.G. Sulpke. Labat, Père (1731), Voyage du Chevallier des Marchais en Guinée, isles boisines, et à Cayenne, fait en 1725, 1726 & 1727 ... Amsterdam, ‘Aux dépends de la Compagnie’. *Laet, Iohannes de (1625), Nieuwe wereldt ofte beschrijvinge van West-Indien. Leyden, Isaack Elzevier. *Laet, Iohannes de (1630), Nieuwe wereldt ofte beschrijvinge van West-Indien. 2e versie. Leyden, de Elzeviers. *Laet, Iohannes de (1644), Historie ofte Iaerlijck Verhael van de Verrichtingen der Geoc­ troyeerde West-Indische Compagnie, zedert haer Begin tot het eynde van ’t jaer sesthienhondert ses-en-dertich; begrepen in derthien boecken. Leiden, Elsevier. *Lammens, A.F. (1816-1819), Memoires en onuitgegeven werken met daartoe relatieve stukken, deel XIII 2. Nationaal Archief (kopieën) 2.21.183.45 inventaris nr. 8, p. 105-165. *Lammens, A.F. (1816,1817, 1819,1823), Diverse stukken, geciteerd uit De Bruijne 1982. *Lammens, A.F. (1822), Memoires en onuitgegeven werken met de daartoe relatieve stukken, de delen XIII 1 en 4. Met verbeteringenn en aanvullingen uit 1846, hier ook geciteerd als van 1822. Paginering als in De Bruijne 1982. *Lammens, A.F. (1827), Citaten uit Medendorp 1999. *Lammens, A.F. z.j. (1835), Memoires en onuitgegeven werken met de daartoe relatieve stukken, deel XIII 3. Nationaal Archief (kopieën) 2.21.183.45 inventaris nr. 8, p. 166-200. Lamur, Humphrey E. (1983), ‘De kaping van een Surinaamse schoener door de slaaf Philip, 1853’. Oso 2,1:35-65.



284

Landré, Chs. (1855), ‘De ziektetoestand in de kolonie Suriname, gedurende het jaar 1853’. West-Indië 1:119-139. Lanjouw, J. & H. Uittien (1935-1936), ‘Surinaamsche geneeskruiden in de tijd van Linnaeus’. West-Indische Gids 17,6:173-190. Larousse XXe Siècle (1956), Parijs, Librairie Larousse. Lavaux, A. de (1737), ‘Kaart 13’. In Koeman 1973. Lavaux (ca. 1770), ‘Kaart 12’. In Koeman 1973. Lenders, Maria (1986), ‘Misi Hartmann, een leven als zendelinge in Suriname, 1826-1853’. Oso 5,2:137-152. Leon, M.P. de, e.a.: zie Nassy (1791). *Lery, Jean de (1580), Histoire d’un voyage faict en la terre Bresil, autrement dite Amerique. Tweede uitgave. Geneve, Antoine Chuppin. Herdruk (facsimile), van noten (e.d.) voorzien door Jean Morisot. Genève, Librairie Droz, 1975. *Lery, Ian de (1597), Historie van een Reyse ghedaen inden Lande van Bresillien, andersins ghenoemt America .... Alles beschreven door Ian de Lery ... Na over-geset wt het Franchoiys te Geneve Ghedruckt. Amsterdam, by C. Claesz. Letterkundige uitspanningen (1785-1787), Tijdschrift van het genootschap ‘De Surinaamsche Lettervrienden’. Paramaribo, W.H. Poppelman. Lichtveld, Lou (1929-1930), ‘Afrikaanse resten in de Creooltaal van Suriname, delen 1-4’. West-Indische Gids respectievelijk 10:391-402,507-527, 11:72-84, 251-2262. Lichtveld, U.M. (1966), ‘De onbekende Herlein’. Nieuwe West-Indische Gids 45:27-31. Lichtveld, U.M. & J. Voorhoeve (1980), Suriname: spiegel der vaderlandse kooplieden. 2e druk. Den Haag, Martinus Nijhoff. Lier, Rudolf van (1972), ‘Introduction’en ‘Notes’ in herdruk van Stedman 1796, pp. V-XV en 448-480. Lier, R.A.J. van (1974), Inleiding en aantekeningen bij Stedman, Reize naar Suriname. Amsterdam, S. Emmering. Lier, Rudolf van (1977), Samenleving in een grensgebied. Een sociaal-historische studie van Suriname. 3e druk (1e druk 1949). Amsterdam, S. Emmering. Ligon, Ricard (1673), A true and exact history of the island of Barbadoes. 2e druk (1e druk 1657). Londen, Peter Parker & Thomas Guy. Herdruk (facsimile) Frank Cass & Co. Ltd., 1970. Linde, J.M. van der (1966), Surinaamse suikerheren en hun kerk. Wageningen, Veenman. Lindeboom, G.A. 1981: zie De Surinaamsche Artz. Linnaeus. Bijschriften op het manuscript van Dahlberg 1771: zie aldaar. Linschoten, Jan Huygen van (1596), Itinerario voyage ofte schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naer Oost ofte Portugaels Indien ... 1579-1592. 3e deel. Bezorgd door C.P. Burger & F.W.T. Hunger. Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging 39. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1934. Lippman, E.O. von (1929), Die Geschichte des Zuckers. 2e druk. Berlijn, Springer. Marcgrave: zie Piso & Marcgrave (1648). Marcgrave (1648), Maria Sibylla Merian. Kunstenares en natuuronderzoekster, 1647-1717. Haarlem, 1998 Becht/Teylers Museum. Mazer, J.P. (1788), ‘Brief’. De Surinaamsche Artz (1981:89-92). *Mc Leod-Ferrier, Cynthia (1993), Elisabeth Samson. Een vrije, zwarte vrouw in het achttien-



285

de-eeuwse Suriname. Utrecht, Universiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie. Mededelingen van het Surinaams Museum. Medendorp, Clazien (1994), ‘Licht en luimen, of W.E.H. Winkels, tekenaar in Suriname in de 19e eeuw’. Mededelingen van het Surinaams Museum 53:3-13. Medendorp, Clazien (1999), Gerrit Schouten (1779-1830). Botanische tekeningen en diorama’s uit Suriname. Amsterdam, Koninklijk Instituut voor de Tropen; Paramaribo, Stichting Surinaams Museum. Menkman, W.R. (1932), ‘De Surinaamse taaltuin’. West-Indische Gids 14:244-252. *Merian, Maria Sybilla (1705), Metamorphosis insectorum Surinamensium ofte verandering der Surinaamsche insecten. Amsterdam, eigen productie. Ook: Zutphen, De Walburg Pers, 1982, zonder de Latijnse teksten, met Engelse samenvattingen. Mittelsdorf, Sibylle (1978), African retentions in Jamaican Creole: a reassesment. Evanston (Illinois), Northwestern University. Moerdijk, Fons (2004), ‘Het Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW)’. Nederlandse Taalkunde 2004, nr. 2. Mogge (1671), ‘Kaart 8’. In Koeman 1973. Moree, Perry (2001), Dodo’s en galjoenen. Zutphen, De Walburg Pers. Mulder, Jannes H. & Philip Dikland (2005), ‘Bedreigde begraafplaatsen in Paramaribo’. Oso 24:263-275. Muller, Kim Isolde (2001), Elisabeth van der Woude. Memorije van’t geen bij mijn tijt is voorgevallen. Met het opzienbarende verslag van haar reis naar de Wilde Kust 1676-1677. Amsterdam, Terra Incognita. Muntslag, F.H.J. (1979), Paw a paw dindoe. Surinaamse houtsnijkunst. Paramaribo, Vaco. *Myst, G. de (1677), Verloren Arbeyt. Ofte kortbondigh vertoogh van de Colonie aan de vaste kust van America, op de Rivier Wiapoca. Uitgave in eigen beheer. *Nassy, David de Is. C. (1791), Geschiedenis der Kolonie van Suriname ...., geheel opnieuw samengesteld door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen aldaar. I en II. Amsterdam/ Harlingen, Allart/Van der Plaats. Herdruk (facsimile) Amsterdam, S. Emmering, 1974. Nederlands in Suriname. (1996-), Halfjaarlijks tijdschrift van de ‘Surinaamse Vereniging van Neerlandici’. Paramaribo. *Nepveu, J. (1765), Klad-aantekeningen op de Beschryvinge ... door Herlein van 1718. Onvolledig manuscript. Nationaal Archief, collectivum Nepveu, nr. 1.10.60, inventaris nr. 19. *Nepveu, J. (kort na 1770), Nottitie van eenige wynige misstellingen gevonden in de Beschryvinge van 1770 Guiana of de Wilde Kust & door den Heere & Mr. Jan Jacob Hartsinck. Manuscript. Nationaal Archief, collectivum Nepveu 1.10.60, inventaris nr. 18. *Nepveu, J. (1771), Annotatien op de Beschryvinge van Anno 1718. Manuscript. Gemeentelijk Archief van Amsterdam, Archief Marquette nr. 231, inventaris nr. 298. Nieuhof, Johan (1682), Gedenkweerdige Brasiliaense Zee- en Lant-Reize ... Beneffens een bondige beschrijving van gantsch Neerlants Brasil. Amsterdam, Wed. van Jacob van Meurs. Nuñez, Benjamin (1980), Dictionary of Afro-Latin American civilization. Westport (Connecticut)/Londen (Engeland), Greenwood Press. OED: zie Oxford English Dictionary Ontwerp 1740: zie Anonymus (1740). Oostindie, Gert (1989), Roosenburg en Mon Bijou. Twee Surinaamse plantages, 1720-1870.



286

Leiden, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Caribbean Series 11. Oostindie, Gert & Alex van Stipriaan (1991), ‘Anthony Blom en het “Vervolg van den Surinaamschen Landman”’. Oso 10:136-146. Ooststroom, S.J. van (1939), ‘An old collection of plants from Surinam in the Rijksherbarium at Leiden’. Recueil des Travaux Botaniques Neerlandaises 36:526-534. Oso (1982-), Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde, cultuur en geschiedenis. Van 2003 tot en met 2007: Tijdschrift voor Surinamistiek. Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek. Vanaf 2008: Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied. Ostendorf, F.W. (1962), ‘Nuttige planten en sierplanten van Suriname’. Bulletin van het Landbouwproefstation Suriname 79:1-325. Oudschans Dentz, F. (1938), Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck: Een belangwekkende figuur uit de geschiedenis van Suriname. Amsterdam, P.N. van Kampen. Oudschans Dentz, F. (1942a), ‘Philip Fermin M.D.’. West-Indische Gids 24:90-92, 120. Oudschans Dentz, F. (1942b), ‘Jan Jacob Hartsinck’. West-Indische Gids 24:159-160. Oudschans Dentz, F. (1959), ‘De oorsprong van de naam Combé, de eerste buitenwijk van Paramaribo’. West-Indische Gids 39:28 en volgende. Oxford English Dictionary (1989), 2e editie. Oxford, Clarendon Press. [OED] Panhuys, L.C. van (1904), ‘Indian words in the dutch language and in use at Dutch-Guiana’. Bijdragen Taal-, Land- en Volkenkunde 1904:611-614. Penard (1900), Typoscript zonder titel, I en II. Universiteit van Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, handschriftencollectie. Penard, F.P. & A.P. Penard (1908, 1910), De vogels van Guyana. I en II. Paramaribo, wed. F.P. Penard (1908, deel I); ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff (1910, deel II). Philippa, Marlies, e.a. (red.) (2003-2009), Etymologisch woordenboek van het Nederlands. 4 delen. Amsterdam, Amsterdam University Press. Piso, G. & G. Marcgrave (1648), Historia naturalis Brasiliae. Leiden, Frans Hack; Amsterdam, Ludovic Elzevier. *Pistorius, Th. (1763), Korte en zakelyke beschryvinge van de Colonie van Zuriname. Amsterdam, Theodorus Crajenschot. Plukenet, L. (1692,1692): zie Brinkman (1980). Polanen, J.V.D. (1982), Herinneringen aan mijn vader, Johannes Hendrik Nelson Polanen, de eerste neger-onderwijzer in Suriname (1882-1939). Paramaribo, uitgave in eigen beheer. Price, Richard & Chris de Beet 1982: zie De Beet & Price (1982). Price, Richard & Sally (1980), Afro-American arts of the Surinam rainforest. Berkeley e.a., University of California Press. Price, Richard & Sally (1988), ‘Introduction’en ‘Notes’ in Stedman 1790, pp. I-XCVII en 631708. Putte, Rénie van der (2005), ‘Surinamse ‘weglopers’ in de jaren 1767-1802’. Oso 24: 276-288. Putten, Laddy van & Janny Zantinge (1988), ‘Let them talk. De historische ontwikkeling van de kleding van de creoolse vrouw’. Mededelingen van het Surinaams Museum 43:11-112. *Quandt, C. (1807), Nachricht von Suriname und seinen Einwohnern. Görlitz, J.G. Burghart. Herdruk (facsimile) Amsterdam, S. Emmering,1968. Raalte, J. van (1986), ‘Kerk en staat in Suriname’. Oso 5:43-53. *Reeps, Jan (1692-1693), ‘Reeps ongeluckige reijse na de custe van America, ende Amasones’.



287

Manuscript in Koninklijke Bibliotheek, ’s-Gravenhage. Renselaar, H.C. van (1968), ‘Foreword’ in de facsimile-uitgave van Quandt 1807. Rochefort, Charles (1662), Natuurlyke en zedelyke historie van d’eylanden de Voor-Eylanden van Amerika - met eenen Caraïbaanschen woorden-schat. Vertaling door H. Dullaert uit het Frans van 1658. Rotterdam, Arnout Leers. Rochefort, Charles (1681), Histoire naturelle et morale des Antilles de l’Amerique... avec une vocabulaire Caraïbe. 3e druk (1e druk 1658). Rotterdam, Reinier Leers. *Roos, P.F. (1783), Eerstelingen van Surinaamsche Mengelpoëzij. Amsterdam, Hendrik Gartman. *Roos, P.F. (1788). Eerstelingen van Surinaamsche Mengelpoëzij. Deel 2. Amsterdam, Hendrik Gartman. *Roos, P.F. (1804), Surinaamsche Mengelpoëzij. Amsterdam, Gartman & Uylenbroek. Roth, Walter Edmund (1948), Adriaan van Berkel’s Travels in South America between the Berbice and Essequibo Rivers and in Surinam 1670-1689. 3e druk (1e druk 1925). Geannoteerde vertaling van Van Berkel 1695. Georgetown, The Daily Chronicle. Rücker, E. & W.T. Stearn (1982), Maria Sibylla Merian in Surinam. Londen, Pion. Sabajo, M.A., G. van der Stap & P. van Baarle (1989), ‘Woordenboek’, dat is deel IV (p. 171268) in P. van Baarle e.a. 1989. Sack, Albert von (1821), Beschreibung einer Reise nach Surinam. Berlijn, Haude und Spenerschen Buchhandlung. Sack, J. (1910), ‘Plantaardige voortbrengselen van Suriname’. Bulletin Departement van Landbouw Suriname 23:1-67. Samson, Ph. A. (1959), ‘Ds. Cornelis van Schaick (1808-1874) als schrijver en dichter’. WestIndische Gids 39:35-38. Sanders, Ewoud (1993), Eponiemenwoordenboek. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar. Schaick, C. van (1866), De Manja, familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. Arnhem, Thieme. *Schiltkamp, J.A. & J.Th. de Smidt (red.) (1973), West Indisch plakaatboek. Suriname. Amsterdam, S. Emmering. Schouten, H. (1785-1787), ‘Gedichten’. In Letterkundige Uitspanningen. Schumann, C.L. (1783), Neger-Englisches Wörter-Buch. 3e versie. Naar een handgeschreven kopie van het oorspronkelijke manuscript in het Gemeentelijk Archief van Utrecht in Kramp 1983. *Seba, Albertus (1734-1765), Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata descriptio, et iconibus artificiosissimis expressio, per universam physices historiam. Delen 1 (1734), 2(1735), 3 (1758) en 4 (1765). Amsterdam, J. Wetstenium. Sherard: zie Brinkman (1980). Sijs, Nicoline van der (1989), ‘Leenwoorden in het Nederlands’. Jaarboek van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie 1989:58-103. Simons, R.D. (1958a), ‘Bananen en bacoven’. Djogo 1,2:2-4. Simons, R.D.G.Ph. (1958b), Lepra en bijgeloof. Paramaribo, Stichting ter bevordering van wetenschappelijke en culturele publicaties. Ook in Vox Guyanae 3,1. Smith, Norval S.H. (1987), The genesis of the Creole languages of Surinam. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam. Proefschrift. *Sneebeling, Johannis (1775), Van de Indianen. In Kloos z.j. (1973).



288

Spalburg, Henna J.E. (2004,2006), Herinneringen aan mijn vaderland. Paramaribo 1900-1965, I+II,III,IV. Utrecht, 2007 uitgave in eigen beheer. Spalburg, J.G. (1896-1900), ‘Dagboek’. In: De Tapanahoni Djuka rond de eeuwwisseling. Utrecht, Universiteit 1908 (Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie, 1979). NB spelling gemoderniseerd. Spalburg, J.G. (1899), Schets van de Marowijne en hare bewoners. Paramaribo, Heyde. Spalburg, J.G. (1913), Bruine Mina, de koto-missi. Paramaribo, J.N. Wekker. Staden, Jan (1707), De voorname Scheeps-togten van Jan Staden van Homburg in Hessen, na Brazil, gedaen Anno 1547 en 1549. Vertaald uit het Duits van 1706. Leiden, Pieter van der Aa. Staffeleu, P. (1975), ‘Surinaamse zoogdiernamen’. Zoölogische Bijdragen [Leiden] 18:1-74. Stahel, G. (1927), ‘De expeditie naar het Wilhelmina-gebergte (Suriname) in 1926’. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 2, 42 (1926) en 2, 44 (1927). Ook verspreid als overdruk, zonder jaartal, met doorgenummerde pagina’s. Stahel, G. (1944), ‘De nuttige planten van Suriname. 2e verbeterde druk’. Bulletin Departement Landbouwproefstation Suriname 59:1-239. *Stedman, John Gabriel (1790), Narrative of an expedition against the revolted negroes of Surinam. Naar het originele manuscript geredigeerd en voorzien van een inleiding en noten door Richard Price en Sally Price. Baltimore/Londen, The Johns Hopkins University Press, 1988. *Stedman, John Gabriel (1796), Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam. Herdruk, met eigen paginering, bezorgd en voorzien van een inleiding en noten door R.A.J. van Lier. Amhurst, University of Massachusetts Press, 1972. *Stedman, John Gabriël (1799-1800), Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana. Delen 1-4. Met twee aanhangsels. [Anonieme vertaling en bewerking naar het Engels van 1796.] Amsterdam, Johannes Allart. Sterkenburg, P.G.J. (1977), Een glossarium van zeventiende-eeuws Nederlands. 2e druk. Groningen, Wolters-Noordhoff. Stipriaan, Alex van (1993), Surinaams contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863. 2e druk. Leiden, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Caribbean Series 13. Stockum, A.J. van (1905), Een ontdekkingstocht in de binnenlanden van Suriname. Dagboek van de Saramacca-expeditie [1902-1903]. Amsterdam, G.P. Tierie. Stoop, Jan Jacob van der (1775-1819): zie Bosman (1990). Surinaamsche Artz, De (1786-1788), Tijdschrift, Paramaribo, W.H. Poppelman. Ook (facsimile) in: Uitgaven van de Natuurwetenschappelijke Studiekring voor Suriname en de Nederlandse Antillen 109, Natuurhistorische reeks 4 (1981). Bevat: G.A. Lindeboom - Inleiding (p. IX-XXV). Voegen van Engelen, J. 1786a - Berigt en Voorwaarden ... (facsimile, p. 1-7). Voegen van Engelen, J. 1786b-1788 - Een bundel artikelen onder de titel De Surinaamsche Artz (facsimile, p. 13-100). *Sypesteyn, C.A. van (1849), ‘Kaart van de Kolonie Suriname ... Uitgegeven in het Jaar 1784 door Ingenieur J.C. Heneman. Verbeterd’. In Kappler 1854 (1983:40,42). *Sypesteyn, C.A. van z.j. (1854), Beschrijving van Suriname; historisch, geografisch en statistisch verrigt, uit officieele bronnen bijeengebragt. ’s-Gravenhage, Van Cleef.



289

*Sypesteyn, C.A. van (1855), ‘Over Surinaamsche houtsoorten’. West-Indië 1: 61-76, 161-190. *Sypesteyn, C.A. van (1858), ‘Aantekening’. West-Indië 2:138-140. Tang, Dirk J. (2000), ‘Het is hier wel stil, doch het klimaat vergoed het nogal’. Oso 19,2:187197. Taylor, James L. (1970), A Portuguese-English dictionary. Revised. Stanford, Stanford University Press. *Teenstra, M.D. (1835), De landbouw in de kolonie Suriname, voorafgegaan door eene geschied- en natuurkundige beschouwing dier kolonie. 2 delen. Groningen, H. Eekhoff Hz. *Teenstra, M.D. (1842) De negerslaven in de kolonie Suriname. Dordrecht, H. Lagerweij. Teunissen, P.A. (red.) (1972), Natuurreservaat Coppenamemonding. Paramaribo, Stinasu. Teunissen, Pieter & Marga Werkhoven (1980), ‘Planten- en dierennamen’. In Woordenlijst Sranan-Nederlands-Engels, p. 157-203. Teunissen, Pieter A. & Marga M.C. Werkhoven (1995), ‘Planten- en dierennamen’. In Woordenlijst/Wordlist Sranan-Nederlands, Nederlands-Sranan, English-Sranan, p. 217-281. Themen, E.J.A. (1913), ‘Rede op 1 juli 1913’. Gemeenschap, tijdschrift voor vragen van Evangelie en Samenleving 1,3 (1953). Ook in Polanen 1982. Tirion, I. (ca. 1760), ‘Kaart 7’. In Koeman 1973. Titels, bijschriften en teksten bij tekeningen en dergelijke in het Surinaams Museum te Paramaribo, verspreid gepubliceerd en in dit woordenboek als volgt geciteerd. I. ‘De Toverlantaarn’, 1840. Mededelingen van het Surinaams Museum 53:19-31 (1994). Ook in Geschiedenis in de klas 11,32:50-60 (1989). Ook in Kolfin 1997:151-157, 164. II. Titels en bijschriften in een map zonder eigen titel en jaartal. Voorhoeve 1963:275-283. Ook in Mededelingen van het Surinaams Museum 6. III. Tekst op enige bladen in ‘Map II’. Mededelingen van het Surinaams Museum 53:41-42 en 48-49 (1994). IV. Map getiteld ‘De Kolonie Suriname: Indrukken en schetsen’. Voorhoeve 1963:284-288. Ook in Mededelingen van het Surinaams Museum 6. Trésor de la langue française (1971-), Parijs, Centre Nationale de la Recherche Scientifique/ Galimard. Trier-Guicherit, Ingrid van (1991), ‘De eerste taalgids Sranan-Nederlands’. Oso 10,1:31-47. Valkenburg, Dirk (1708), Olieverfschilderij in het Rijksmuseum te Amsterdam. Figuur in Fontaine (red.) 1980:97. Van Dale (2005), Groot woordenboek der Nederlandse taal. 14e druk. Utrecht/Antwerpen, Van Dale Lexicografie. Veen, P.A.F. van & Nicoline van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek. 2e uitgave. Utrecht/Antwerpen, Van Dale Lexicografie. Verdam, J. (1932), Middelnederlandsch handwoordenboek. Herdruk van 1911, bewerkt door C.H. Ebbinge Wubben. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff. Vermeulen, Frater J. (1961), Dierkunde voor Suriname. (5e druk, gelijk aan de 4e druk van 1955). Paramaribo, Leo Victor. Verschuren, Stan (1987), Suriname. Geschiedenis in hoofdlijnen. Utrecht, Hes. Verwijs, E. & J. Verdam (1885-1929), Middelnederlandsch woordenboek. Met aanvullingen tot 1941. Supplement 1983 door J.J. van der Voort van der Kleij. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff.



290

Veth, P.J. (1889), Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden. Arnhem, P. Gouda Quint. *Visscher Heshuysen, Floris (1786), In Blom 1786: Voorbericht (p. I-XXIV), hoofdstuk 11 (p. 189-253), hoofdstuk 17 (p. 335-344), ‘Uitlegging van de kunstwoorden en anderen welke in deze verhandeling voorkomen’ (p. 407-448) en voetnoten. *Voegen van Engelen, J.: zie De Surinaamsche Artz (1981). Volders, J.L. (1973), Bouwkunst in Suriname. 2e druk. Paramaribo, Kersten. Voorhoeve, J. (1955), ‘Paul François Roos (1751-1805). De Surinaamse plantersletterkunde uit de 18e eeuw’. Nieuwe Taalgids 48:198-203. Voorhoeve, J. (1960), ‘De handschriften van Mr. Adriaan François Lammens’. Nieuwe WestIndische Gids 40:28-49. Voorhoeve, J. (1963), ‘W.E.H. Winkels: Blankofficier met palet en papier’. Nieuwe West-Indische Gids 42:269-288. Voort van der Kley, J.J. van der (1983): zie Verwijs & Verdam (1885-1929). Vosmaer, Arnout (1805), Natuurkundige beschryving eener uitmuntende verzameling van zeldzame gedierten [Bundeling van afleveringen uit 1766-1787]. Amsterdam, J.B. Elbe. *Vries, David Pietersz. (1655), Dit is mijn tweede voyagie nade kuste van America, ofte Wilde Kuste in West-Indien [1635]. In Korte historiael ende journaels aenteyckeninge van verscheyden voyagiens ... Editie bezorgd door H.T. Colenbrander. ’s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1911. Vries, J. de & F. de Tollenaere (1997), Etymologisch woordenboek. 20e uitgave. Utrecht, Het Spectrum. *Vries, S. de (1682), Curieuse Aenmerkingen der bijzonderste Oost en West-Indische verwonderens-waerdige dingen. Delen 1 en 2. Utrecht, Iohannes Ribbius. Vrij, Jean Jacques (1998), ‘Jan Elias van Onna en het “politiek systema” van de Surinaamse slaventijd, circa 1770-1820’. Oso 17,2:130-147. Wallenburg, Martin van (1995), ‘Het reisverhaal van Gelein van Stapels: een Zeeuwse schipper op de Wilde Kust, 1629-1630’. Zeeuws Tijdschrift 1995, 1:9-14; 1995, 2:6-10. Waller, Ths. (1965), Herinneringen van boer Thomas. Paramaribo, uitgave in eigen beheer. *Warren, George (1667), An Impartial Description of Surinam upon the Continent of Guiana in America. Londen, W. Godwid. *Warren, George (1669), Een onpartydige Beschrijvinge van Surinam, Gelegen op het vaste Landt van Guiana in Africa. [Anonieme vertaling uit het Engels van 1667. In herdruk van 1670 met verbeterde titel: ... in America.] Amsterdam, Pieter Arentz. Webster’s Universal College Dictionary (1997), New York, Gramercy Books. Weekkrant Suriname (1981-2004), Onafhankelijk weekblad, verschenen in Nederland. Rijswijk Z.H. Weerden, J.S. van (1968), ‘Marten Douwes Teenstra in Suriname, 1828-1834. Een Groninger pionier in De West’. Nieuwe West-Indische Gids 46:164-175. Weijnen, A.A. (2003), Etymologisch dialectwoordenboek. Den Haag, SDU. Weiss. H. (1915), Vier maanden in Suriname. Nijkerk, Callenbach. Wekker, Just (1993), ‘Indianen en pacificatie’. Oso 12,2:174-187. Wel, F.J. (1971), Portretten uit Suriname in de tweede helft van de achttiende eeuw. Den Haag, Schakels.



291

Wessels Boer, J.G. (1965), The indigenous palms of Suriname. Leiden, Brill. Westeroüen van Meeteren, Frederik Willem (1883), Surinaamsche planten en cultuurgewassen, boomen en houtsoorten. Amsterdam, J.H. de Bussy. West-Indië (1855, 1858), Bijdrage tot de bevordering van de kennis der Nederlandsch WestIndische koloniën. I (1855) en II (1858). [Twee bundels artikelen en korte aantekeningen, ieder voorzien van een eigen jaartal.] Haarlem, A.C. Kruseman. Wettengl, Kurt (1998), ‘Maria Sibylla Merian. Kunstenares en natuuronderzoekster tussen Frankfurt en Suriname’. In: Maria Sibylla Merian ... 1647-1717, p. 12-36. Haarlem, Becht; Teylers Museum. *Weygandt, G.C. (1798), Gemeenzaame leerwyze om het Basterd of Neger-Engelsch op een gemakkelyke wijze te leeren verstaan en spreken. Paramaribo, W.W. Beeldsnijder. Whitehead, P.J.P. & M. Boeseman (1989), ‘A portrait of Dutch 17th century Brazil. Animals, plants and people by the artists of Johan Maurits van Nassau’. Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen; Verhandelingen afd. Natuurkunde, 22e reeks, deel 87:1-358. Wijnands, D.O. (1983), The botany of the Commelins. Rotterdam, Balkema. Winkels, W.E.H. = Mr. Furet. Wit, F. de (1688), ‘Kaart 10’. In Koeman 1973. WNT = Woordenboek der Nederlandsche Taal (1882-1998), Den Haag/Leiden. Aanvullingen (2001). 3 delen. Wolbers, J. (1861), Geschiedenis van Suriname. Amsterdam, H. de Hoogh. Herdruk (facsimile) Amsterdam, Emmering, 1970. Wollant, J.F. (1776), ‘Figuur’. In Koeman 1973:45. Wooding, C.J. (1972), Winti: een Afro-amerikaanse godsdienst in Suriname. Meppel, Krips Repro. Woordenlijst Nederlandse taal (2005), Tielt, Lanno Uitgeverij, Den Haag, Sdu Uitgevers. Woordenlijst van het Sranan-Tongo (1961), Verzorgd door het Surinaamse ‘Bureau Volkslectuur’. Paramaribo, Varekamp & Co. Woordenlijst Sranan-Nederlands-Engels (1980), Verzorgd door de Surinaamse ‘Stichting Volkslectuur’. Paramaribo, Vaco. Woordenlijst/Wordlist Sranan-Nederlands, Nederlands-Sranan, English-Sranan. (1995), Verzorgd door de ‘Stichting Volkslectuur Suriname’. Paramaribo, Vaco. *Woude, Elisabeth van der (1677), ‘Dagboekfragment’. In Lichtveld & Voorhoeve 1980:43-52. Ook in Muller 2001. Wullschlägel, H.R. (1856), Deutsch-Negerenglisches Wörterbuch. Löbau, T.U. Duroldt. Herdruk (facsimile) Amsterdam, Emmering, 1965. Zeeuw, Lourens Lourensz (1627): zie Lichtveld & Voorhoeve (1980:14-54).

Loading...

Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876

J. van Donselaar Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 J. van D...

3MB Sizes 9 Downloads 19 Views

Recommend Documents

Hoe kan het opvolgen van serumspiegels van - UZ Leuven
Apr 28, 2016 - 100 mg (w2). 50/100 mg (q4w). UC vedolizumab. (Entyvio®). I.V.. 300 mg w0, w2, w6, q8w. UC & CD. Target

Toepassingsmogelijkheden van het elektronisch toezicht in het - NICC
Durée de la surveillance électronique, prolongement, modification, et terme. 39. 2.8. Organisation du contrôle et des ra

De geschiedenis van banket - Nederlands BakkerijMuseum
Larger studies have suggested there is no clear benefit, but "smaller studies found a stronger decrease in mortality ris

5 Van Eeden tot heden - OAPEN
gesloten en vertrokken leden werden weer toegelaten, hoewel Sándor Márai bedankte als lid. Het PEN-congres ...... ber 20

Het Land Van De Sultans Maleisie En Het Kolonialisme - tersus.co
File about Het Land Van De Sultans Maleisie En Het Kolonialisme is available on print and digital edition for free. This

Genusbepalende Eigenschappen van het Nederlandse Substantief
Aug 29, 1983 - gewel fse l geznaisel gezegs e l gi etsel glaceersel glazuurse l gouddep sel graveersel groeisel groen s

De kunst van het doseren - Elkerliek Ziekenhuis
niet-ernstige bloedingen niet rapporteren in het jaarverslag. Deze niet-ernstige bloedingen wor- den wel in het patiënt

Adviesdocument Omlijning van het deskundigheidsgebied 001 - NRGD
Dec 12, 2016 - have adequate knowledge of the concepts of criminalistics, such as descriptive and inferential statistics

SVZW8.nl | Het gastenboek van Acht
PDF Free . Check VIN . How To Develop Psychic Abilities - 12 Steps To Follow Develop Psychic Powers Spiritual-Web Inform

Geloven in het publiek domein: verkenningen van een dubbele
Becker, J. (2003) De vaststelling van de kerkelijke gezindte in enquêtes, Werkdocument 92,. Den Haag: scp. Becker, J. (